B_B_ontwerp_1_toelichting_Bijlage_9_MER.PDF
Tekst van het document
• •
beschreven (Hoofdstuk 5 en 7) Een vergelijking van de scenario’s op basis van de bepaalde milieueffecten (Hoofdstuk 5) Een beschrijving van de maatregelen om belangrijke nadelige milieueffecten van de activiteit
• •
te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen (Hoofdstuk 7) Belangrijkste conclusies van het MER (Hoofdstuk 8) Een overzicht van de leemten in kennis, ten gevolge van het ontbreken van de benodigde
•
gegevens (Hoofdstuk 9) Een publieksvriendelijke samenvatting (Hoofdstuk 0)
1.3.1 Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft de probleem- en doelstelling, de beleidscontext en geeft een korte beschrijving van het gebied waarbinnen de ingrepen gaan plaatsvinden. In hoofdstuk 3 zijn de referentiesituatie en autonome ontwikkelingen beschreven. Hoofdstuk 4 beschrijft de voorgenomen activiteit. Daarbij geldt dat de in de Gebiedsanalyse opgenomen maatregelen
27/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
gelden als de voorgenomen activiteit. Op basis van de maatregelen in de Gebiedsanalyse is een gebiedsproces gestart, waarvoor sectorale milieuonderzoeken zijn uitgevoerd voor de verdere uitwerking van het plan. In een aantal van deze onderzoeken zijn verschillende uitwerkingsalternatieven onderzocht, met name op het aspect ecohydrologie. Hoofdstuk 5 beschrijft de voorstudie en scenario’s ten aanzien van het grondwatermodel en hun effecten op dit aspect. Deze voorstudie heeft uiteindelijk geleid tot varianten en een keuze voor een voorkeursalternatief. Het voorkeursalternatief wordt gevormd door de maatregelen zoals die zijn beschreven in het inrichtingsplan en het Beheerplan en zoals deze mogelijk worden gemaakt door het PIP en de ontgrondingsvergunning. Dit voorkeursalternatief is beschreven in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt het voorkeursalternatief nader beoordeeld op de verschillende milieuthema’s en worden eventuele mitigerende maatregelen benoemd ter (milieu)optimalisatie van het voorkeursalternatief (zie ook figuur 1.2). De conclusies van dit MER zijn opgenomen in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 beschrijft de leemten in kennis en aanzet voor een evaluatieprogramma.
Figuur 1.4 Methode van effectbeoordeling
28/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
2 Kader van dit MER Dit hoofdstuk schetst het kader van dit MER. Dit bestaat uit de aanleiding en doelstelling van het plan, een onderbouwing van de ‘nut en noodzaak’ van het plan, een beschrijving van het plan- en studiegebied en een uitleg van het beleidskader. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een paragraaf over besluiten die (nog) genomen moeten worden.
2.1
Aanleiding Provinciaal Inpassingsplan en ontgrondingsvergunning
Voor het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld geldt een ontwikkelopgave vanuit het Natura 2000-Beheerplan. Tijdens de planuitwerking zijn de onderzoeksopgaven uit het concept-Beheerplan uitgewerkt in maatregelen die opgenomen zijn in een inrichtingsplan voor het Natura 2000-gebied. Sommige maatregelen hebben gevolgen voor de bestemming van gronden en/of het gebruik ervan. Voor deze maatregelen is een bestemmingswijziging noodzakelijk. Omdat sprake is van een provinciale opgave en de provincie Overijssel verantwoordelijk is voor het behalen van de in dit plan beschreven natuurdoelstellingen, wordt in overleg met de gemeente Dinkelland een PIP opgesteld. Zoals in hoofdstuk 1 vermeld, is de m.e.r.-plicht voor de bestemmingswijziging en ontgrondingsmaatregelen met bijbehorende vergunning de directe aanleiding voor dit MER. De aanleiding voor de maatregelen in en om Bergvennen en Brecklenkampse Veld zijn de maatregelen in het kader van het Natura 2000-Beheerplan en inrichtingsplan voor het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld. 2.1.1 Wettelijke context De biodiversiteit in Europa gaat al jaren snel achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en daarom krijgt natuurbescherming vorm in Europees verband door middel van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen.
Naar aanleiding hiervan zijn er Natura 2000-gebieden aangewezen. In Nederland zijn dit er 160, waarvan er 24 in Overijssel liggen. De Natura 2000-gebieden liggen in de provincie Overijssel binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN bestaat uit een samenhangend netwerk van gebieden met natuurwaarden. Realisatie en bescherming van het NNN is belangrijk voor het behoud, de bescherming en de ontwikkeling van de biodiversiteit, oftewel de rijkdom aan plant- en diersoorten. Het NNN is ook van betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving, voor een goed vestigingsklimaat voor wonen en werken en voor de regionale economie in Overijssel. De Europese Vogel- en habitatrichtlijnen zijn in Nederland vertaald in de Wet natuurbescherming die per 1 januari 2017 in werking is getreden. Op basis van de wet moeten het Rijk en/of de provincies voor alle Natura 2000-gebieden een Beheerplan vaststellen. In deze Beheerplannen wordt ingegaan op de huidige situatie van de gebieden en de beoogde instandhoudingsdoelstellingen (generieke en gebiedspecifieke). De instandhoudingsdoelstellingen zijn door het Rijk vastgesteld in zogenaamde aanwijzingsbesluiten. In de Beheerplannen zijn
29/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
maatregelen opgenomen om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen. Deze maatregelen moeten (voor een groot deel) binnen zes jaar na vaststelling van het Beheerplan worden uitgevoerd. Per 1 juli 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Stikstof is schadelijk voor de natuur. Ten behoeve van het PAS zijn PAS-Gebiedsanalyses vastgesteld voor Natura 2000-gebieden met stikstof gevoelige habitattypen en (leefgebieden van) soorten. In deze Gebiedsanalyses wordt ingegaan op de huidige situatie van de gebieden en de beoogde instandhoudingsdoelstellingen in relatie tot stikstof. Realisatie van de PAS-maatregelen in en nabij de Natura 2000-gebieden draagt bij aan een goede balans tussen enerzijds behoud en herstel van natuurlijke kwaliteiten en anderzijds de economische ontwikkeling in de omgeving van deze Natura 2000-gebieden. De uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 heeft een streep gezet door de vergunningverlening-systematiek gebaseerd op het PAS. Geoordeeld is dat de zogenaamde ‘hypotheek op de toekomst’ (de vergunningen verlenen voordat de natuurherstelmaatregelen zijn uitgevoerd en de stikstofdepositie naar beneden is gebracht) niet is toegestaan. De Raad van State oordeelt dat de natuurgebieden eerst hersteld moeten worden. De uitspraak van de Raad van State benadrukt het belang van de uitvoering van de natuurherstelmaatregelen.
Zoals eerder aangegeven staan de natuurherstelmaatregelen beschreven in de Beheerplannen. De PAS-maatregelen uit de PAS-Gebiedsanalyses zijn in deze Beheerplannen opgenomen. Het Beheerplan vormt hiermee het kader van de natuurherstelmaatregelen. Door de uitspraak van de Raad van State zijn de ‘PAS-maatregelen’ niet komen te vervallen. Uitvoering hiervan is nog steeds noodzakelijk. Hoewel de maatregelen nu plaatsvinden onder een andere naam (Natura 2000-herstelmaatregelen), dienen deze hetzelfde doel. 2.1.2 Samen werkt Beter Ten behoeve van de ontwikkeling van een toekomstbestendige koers voor de economie en ecologie van Overijssel hebben Overijsselse overheden, terreinbeheerders en maatschappelijke organisaties het akkoord ‘Samen werkt Beter (SWB)’ gesloten. Ten behoeve van SWB is een Uitvoeringsagenda opgesteld. Eén van de speerpunten van de Uitvoeringsagenda is de gezamenlijke (dat wil zeggen met alle betrokken partijen) realisatie van de Ontwikkelopgave Natura 2000, waaronder de opgaven vanuit de Natura 2000-Beheerplannen. In en rond de Natura 2000-gebieden zijn gebiedsprocessen opgestart voor de realisatie van de benodigde externe maatregelen in de uitwerkingsgebieden. Deze gebiedsprocessen worden (per gebied) door één van de 'Samen werkt beter'-partners getrokken. In het gebiedsproces Bergvennen en Brecklenkampse Veld is de gemeente Dinkelland ‘bestuurlijk trekker’.
Tijdens het gebiedsproces zijn alle benodigde maatregelen verder onderbouwd, geconcretiseerd en afgestemd met de grondeigenaren en andere belanghebbenden in het gebied. De uitkomsten
30/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
zijn verwerkt in een inrichtingsplan. De terreinbeherende organisatie (Landschap Overijssel) heeft de interne maatregelen verder uitgewerkt, eveneens in afstemming met de grondeigenaren en andere belanghebbenden in het gebied. Voor het Bergvennen en Brecklenkampse Veld is een inrichtingsplan opgesteld door de gemeente Dinkelland in samenspraak met Landschap Overijssel waarin de interne maatregelen zijn opgenomen. Het inrichtingsplan voor de interne en externe maatregelen is (waar nodig) juridisch-planologisch vertaald in het provinciaal inpassingsplan. Om de partijen op de juiste manier te betrekken bij het gebiedsproces voor het Bergvennen en Brecklenkampse Veld is een projectgroep opgezet waarin de provincie Overijssel, Landschap Overijssel, waterschap Vechtstromen, LTO Dinkelland, de particuliere grondeigenaren en de gemeente Dinkelland zitting hebben. Ten behoeve van de bestuurlijke afstemming vindt op regelmatige basis bestuurlijk overleg plaats tussen de provincie Overijssel, Landschap Overijssel, Waterschap Vechtstromen, LTO, particuliere grondeigenaren en gemeente Dinkelland. In het bestuurlijk overleg worden bestuurlijke issues afgestemd die voor de bestuurders van de verschillende organisaties van belang zijn voor het project.
2.1.3 Communicatie naar bewoners en andere belanghebbenden Met name agrarische- en particuliere grondeigenaren die te maken krijgen met natuurherstelmaatregelen en/of effecten daarvan, zijn gedurende het gehele planvormingsproces geïnformeerd over de voortgang, behaalde resultaten, te nemen maatregelen en verwachte effecten. Via nieuwsflitsen, de website van de gemeente Dinkelland, informatiebijeenkomsten, excursies, keukentafelgesprekken met de vertrouwenspersoon, deskundigen en rentmeester/taxateur zijn zij op de hoogte gehouden en konden zij vragen stellen en hun zorgen uiten. Daarnaast zijn andere belangstellenden zoals belangenorganisaties, IVN en Natuur en Milieu geïnformeerd via reguliere nieuwsbrieven en openbare informatiebijeenkomsten. Ook hebben de gebiedspartners, zoals LTO Dinkelland, Emsländische Landvolk en Landschap Overijssel, hun achterban op verschillende momenten geïnformeerd. Naar aanleiding van de communicatie met omwonenden en stakeholders zijn de voorgenomen maatregelen op bepaalde punten aanpast. 2.1.4 Doel van het plan Het Provinciaal Inpassingsplan en de ontgrondingsvergunning richten zich op de realisatie van de opgaven zoals omschreven in het Natura 2000-Beheerplan. Voor Bergvennen & Brecklenkampse Veld gelden de volgende vier heeft vier kernopgaven: • Herstel en duurzaam behoud van grote zeer zwak gebufferde vennen in grote open heidevelden • • •
Kwaliteitsverbetering (ook latere successiestadia) van zwakgebufferde vennen, mede als habitat voor gevlekte witsnuitlibel en geoorde fuut Kwaliteitsverbetering en vergroting oppervlakte vochtige heiden en pioniervegetaties met snavelbiezen en actieve hoogvenen (heideveentjes) Kwaliteitsverbetering en (indien mogelijk) oppervlakte uitbreiding heischrale graslanden en blauwgraslanden in kansrijke situaties (op schrale leemhoudende zandgronden)
31/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
De meest belangrijke knelpunten voor het bereiken van deze doelstellingen zijn externe eutrofiëring door stikstofdepositie en de verdroging in en om het gebied. De voorgenomen maatregelen zorgen naast grondwaterstandsverhogingen binnen het Natura 2000-gebied ook voor vernatting in het uitwerkingsgebied. Als gevolg van deze hydrologische effecten ondervinden sommige landbouwpercelen mogelijk natschade. Waar dit optreedt vormen mitigerende maatregelen of compensatie een onderdeel van het plan. Daarnaast vindt monitoring van het grondwater plaats en worden maatregelen genomen als er ongewenste effecten optreden.
2.2
Plan- en studiegebied
Plangebied Het plangebied van dit milieueffectrapport betreft de gebieden waar de bestemming wijzigt als gevolg van het PIP en waar gronden worden afgegraven volgens de ontgrondingsvergunning. Dit betreft het gehele Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld en de uitwerkingsgebieden in en om het Natura 2000-gebied (figuur 2.1).
32/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Figuur 2.1: Plangebied van het PIP Bergvennen en Brecklenkampse veld
De gebieden waar gronden worden afgegraven volgens de ontgrondingsvergunning zijn weergegeven in figuur 2.2 en figuur 2.3. De ontgravingsdiepte in het gebied ten zuiden van Bergvennen bedraagt 20 tot 65 cm. De ontgravingsdiepte in de landbouwenclave bedraagt 20 tot 45 cm beneden maaiveld.
33/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Figuur 2.2 Ontgraving gebied ten zuiden van Bergvennen (M3a)
Figuur 2.3 Ontgraving Landbouwenclave (M2a)
Studiegebied Het studiegebied is het gebied waar effecten kunnen optreden als gevolg van de ingreep. Het betreft het plangebied en de omgeving daarvan. Afhankelijk van het te onderzoeken aspect en de reikwijdte van de effecten wordt de omgeving ruimer, dan wel nauwer beschouwd.
34/142
Kenmerk
2.3
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Beleidskader en randvoorwaarden
In voorgaande paragrafen is het beleid omtrent Natura 2000 al kort beschreven, waar enkele concrete randvoorwaarden voor het plan uit voortkomen. De belangrijkste randvoorwaarden betreffen de aanwijzing van het gebied in het Europese landelijke beleid voor natuur (Natura 2000 en NNN). De Natura 2000-gebieden hebben een beschermde status met als doel de duurzame instandhouding van de soorten en habitattypes in het gebied. Voor het onderdeel gebiedsbescherming geldt dat voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor beschermde natuur een vergunning nodig is. De Wet natuurbescherming vormt de wettelijke basis voor de aanwijzing van alle Natura 2000-gebieden en het opstellen van Natura 2000Beheerplannen. Omdat de natuurgebieden in Nederland negatieve gevolgen ondervinden van stikstofdepositie zijn voor elk Natura 2000-gebied door het Rijk of de betreffende provincie Beheerplannen opgesteld waarin de benodigde maatregelen op hoofdlijnen beschreven staan. Op provinciaal niveau is het natuurbeleid verwoord in de omgevingsvisie en –verordening van Overijssel en het NatuurBeheerplan Overijssel. De provinciale ambitie voor natuur is ‘het ontwikkelen van een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuur- en waterkwaliteit als ruggengraat van Overijssel’.
De gemeente Dinkelland heeft de gewenste ontwikkelingen in natuur en landschap voor Bergvennen en Brecklenkampse Veld geformuleerd in haar structuurvisie, landschapsontwikkelingsplan en waterplan. Het PIP voor Bergvennen en Brecklenkampse Veld geeft ook invulling aan het gemeentelijk natuurbeleid van de gemeente Dinkelland. Het waterbeleid voor het Bergvennen en Brecklenkampse Veld is onderverdeeld in het stroomgebiedBeheerplan, gezamenlijk vastgesteld door de waterschappen Vechtstromen, Drents Overijsselse Delta en Rijn en IJssel, en het waterBeheerplan van het waterschap Rijn en IJssel. In deze plannen beschrijven de waterschappen hoe ze invulling geven aan bescherming tegen hoog water, het zorgen voor een functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater. Dit beleid is doorvertaald in het PIP. De Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen voor soorten en habitattypes in het gebied vormen een belangrijke randvoorwaarde, waarbij achteruitgang van deze habitattypen en soorten voorkomen moet worden. In tabel 2.1 is een overzicht van relevant beleid en regelgeving opgenomen.
35/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Tabel 2.1 Overzicht relevant beleid en regelgeving Beleidsstukken Europees niveau
Relevantie
Vogel- en Habitatrichtlijnen en
Deze wet waarborgt het behoud, herstel en uitbreiding van bijzondere
Natura 2000
dier- en plantsoorten. Met de aanwijzing van Natura 2000 gebieden kunnen flora en fauna duurzaam beschermd worden.
Kaderrichtlijn Water
Bevat afspraken voor kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en is daarmee van belang voor de Ontwikkelopgave Natura 2000. Een goede waterkwaliteit draagt bij aan behalen van instandhoudingsdoelstellingen van N2000.
Beleidsstukken Rijksniveau
Relevantie
Nationale Omgevingsvisie
Visie op de ontwikkeling van Nederland op de lange termijn. De NOVI voorziet in een landelijk gebied waar sprake is van kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap.
Wet natuurbescherming
De wet voorziet in actieve bescherming van natuur. Alles wat schadelijk is voor beschermde soorten, is verboden.
Wet ruimtelijke ordening (Wro) en
De Wet ruimtelijke ordening regelt hoe de ruimtelijke plannen gemaakt
Besluit ruimtelijke ordening (Bro)
en gewijzigd worden. Het Besluit ruimtelijke ordening is een uitwerking van de bepalingen in de Wro.
Wet milieubeheer
Het wettelijke kader waarin de m.e.r. is vastgelegd, en bepaalt welk wettelijk gereedschap kan worden ingezet om het milieu te beschermen, zoals milieuplannen, vergunningen, algemene regels en handhaving.
Structuurvisie Infrastructuur en
Beschrijft het belang van tot stand brengen en beschermen van de
Ruimte
(herijkte) EHS (nu NNN), inclusief de Natura 2000 gebieden
Erfgoedwet 2016
Deze wet legt vast op welke wijze er rekening gehouden moet worden met cultureel erfgoed en de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische monumenten.
Beleidsstukken Provinciaal niveau
Relevantie
Omgevingsvisie en -verordening
Beschrijft doelstellingen voor fysieke leefomgeving en ruimtelijke
Overijssel
ordening. Bevat onder andere regels voor gemeentelijke ruimtelijke plannen, grondwaterbescherming, bodemsanering en ontgrondingen
NatuurBeheerplan 2017 Overijssel
In het NatuurBeheerplan zijn gebieden aanwezen waar natuur- en landschapsbeheer met subsidies uit het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL) wordt gestimuleerd.
Waterschapsbeleid
Relevantie
StroomgebiedBeheerplan
Bevat maatregelen voor gunstige watercondities. In het stroomgebiedBeheerplan is aangegeven dat het Waterschap voor het spoor volgt van de Natura 2000-Beheerplannen.
WaterBeheerplan
Bevat het beleid voor een goed functionerend regionaal watersysteem
Beleidsstukken lokaal niveau
Relevantie
Structuurvisie gemeente
De Structuurvisie gemeente Dinkelland is op 10 september 2013
Dinkelland
vastgesteld. Het document is een beleids- en ontwikkelingskader voor de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid. De structuurvisie heeft vooral een intern structurerende functie en is geen toetsingskader. Wel geeft de
36/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
structuurvisie aan hoe men verwacht het beleid uit te gaan voeren. Het plangebied van dit inpassingsplan ligt binnen de grenzen van deze structuurvisie. In de structuurvisie valt het plangebied binnen het deelgebied 'Oost'. Voor deelgebied 'Oost' zijn de volgende opgaven genoemd in de Structuurvisie: -Verweving natuur en landschap. Ruimte voor de agrariër; -Ontwikkeling ecologische verbindingszone; -Aanwijzing Natura 2000-gebied in procedure 'Bergvennen & Brecklenkampse Veld' (146 hectare) en Dinkelland (het gebied is inmiddels formeel aangewezen); -Ontwikkeling groene bufferzone grensgebied Duitsland; -Doorontwikkeling grensovergang Duitsland. Het beleid is gericht op het toestaan van functies die niet concurrerend zijn met de kernen Denekamp en Noord-Deurningen. Landschapsontwikkelingsplan
De gemeente Dinkelland heeft in 2008 het LOP vastgesteld. In het LOP
gemeente Dinkelland
staan onder meer de specifieke kenmerken en mogelijkheden van de aanwezige landschappen benoemd. Het LOP geldt onder meer als landschappelijk afwegingskader voor nieuwe ontwikkelingen (basis voor bestemmingsplan Buitengebied) en biedt een stimulans aan de vormgeving van een landschap waarin ruimte is voor economische ontwikkeling. Het LOP dient als toetsinstrument voor de landschappelijke inpassing van nieuwe ontwikkelingen en dient daarnaast als objectief afwegingskader voor het verlenen van vergunningen. De landschapsontwikkelingsvisie is opgesteld aan de hand van een verdeling van het gehele gebied in een aantal deelgebieden met eigen landschappelijke kenmerken. Per deelgebied is een opgave gesteld omtrent het behoud en beheer van de aanwezige kenmerken. Het plangebied maakt deel uit van het deelgebied 'Grensgebied'. Voor dit gebied heeft het behoud en herstel van de landschappelijke waarden de prioriteit. Deze waarden kenmerken zich vooral door een kleinschalige afwisseling in het (agrarisch) grondgebruik binnen het aanwezige reliëf.
Waterplan gemeente Dinkelland
Het waterplan is toekomstvisie voor integraal en duurzaam waterbeheer en is de basis voor een verbetering van de onderlinge samenwerking en afstemming bij de inrichting en het beheer van het watersysteem en de waterketen.
Bodemkwaliteit
Binnen de Regio Twente hebben de gemeente Dinkelland, Tubbergen en Losser gezamenlijk de kwaliteit van hun bodem in kaart gebracht. Deze samenwerking heeft geleid tot een op elkaar afgestemd grondverzetbeleid onder de naam ‘Twents beleid veur oale groond 2.0’. Dit uit zich onder andere in één gezamenlijke bodemkwaliteitskaart en
37/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
regionale dezelfde bodemkwaliteitswaarden. De belangrijkste redenen hiervan zijn het behoud van de goede bodemkwaliteit en maximaal grondverzet tegen zo laag mogelijke kosten binnen en tussen de gemeenten. Casco beleid gemeente Dinkelland
De beleidsnota Casco-benadering in Noordoost-Twente is in samenwerking tussen de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Dinkelland, Losser en Oldenzaal opgesteld en bestaat uit een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel. Voor de gemeenten is de casco-benadering een duidelijk instrument om vooraf duidelijkheid te geven aan initiatiefnemers in plaats van bij elke aanvraag maatwerk te verrichten met een onzekere uitkomst. De casco-benadering leidt tot een landschap waarin de afzonderlijke landschapstypen beter van elkaar te onderscheiden zijn. Hierdoor wordt de variatie van landschappen in Noordoost Twente beter beleefbaar en geeft ook richting aan toekomstige initiatieven. Voor elk landschapstype worden in de cascobenadering spelregels gehanteerd die richting geven aan toekomstige ontwikkelingen.
De inhoud van deze beleidsstukken en de relevantie voor het voornemen zijn uitgebreid beschreven in de toelichting van het PIP en worden in dit MER niet nader toegelicht.
2.4
Te nemen besluiten
De uitvoering van de natuurherstelmaatregelen vereist meerdere besluiten, vergunningen en ontheffingen. De benodigde besluiten staan in onderstaande opsomming: • Provinciaal Inpassingsplan • • •
Omgevingsvergunning (Werk en werkzaamheden) Watervergunning Ontgrondingsvergunning
Voorafgaand aan de uitvoering worden deze plannen en vergunningen in procedure gebracht of aangevraagd. De inhoud van de aanvragen of meldingen is deels nog afhankelijk van nadere uitwerking van maatregelen. Onderstaand is per besluit, vergunning of ontheffing aangegeven welke partij op welk moment verantwoordelijk is voor de aanvraag en welke partij het bevoegd gezag is.
38/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Provinciaal inpassingsplan Een deel van de maatregelen in het inrichtingsplan past niet binnen de vigerende bestemmingen. Voor de betreffende gronden waarop deze maatregelen plaatsvinden is een functiewijziging noodzakelijk. Daarom is het plangebied onderdeel van het PIP dat wordt vastgesteld door de provincie Overijssel. Omgevingsvergunning De gemeente Dinkelland vraagt de omgevingsvergunningen aan bij het bevoegd gezag (gemeente Dinkelland) zodra het PIP is vastgesteld en voor zover dit nodig is. Watervergunning Het aanvragen van een watervergunning is noodzakelijk voor het dempen en verleggen van de watergangen in het plangebied. Deze vergunning wordt door de gemeente Dinkelland aangevraagd bij het bevoegd gezag (waterschap Vechtstromen) zodra het PIP is vastgesteld. Ontgrondingsvergunning De ontgrondingen vereisen vanwege de omvang (> 25 ha) en hoeveelheid (> 10.000 m³) een ontgrondingsvergunning. Het ontwerpbesluit van de ontgrondingsvergunning wordt tegelijk met het ontwerp-PIP ter inzage gelegd. Vergunning Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming is een vrijstelling opgenomen op de vergunnings- en ontheffingsplicht voor maatregelen ten behoeve van instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied. Een vergunning of ontheffing is voor de in het PIP en ontgrondingsvergunning opgenomen maatregelen niet noodzakelijk.
In deze m.e.r.-procedure vindt een effectbeoordeling en vergelijking plaats voor het PIP en de ontgrondingsvergunning, die de aanleiding vormen voor dit gecombineerde plan- en projectMER. Zie ook de toelichting in hoofdstuk 1.
39/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
3 Referentiesituatie Vanuit de eisen die de Wet milieubeheer aan een MER stelt, wordt de voorgenomen activiteit vergeleken met de referentiesituatie (huidige situatie met autonome ontwikkelingen). Dat is de situatie die in de toekomst ontstaat als het project niet doorgaat. De referentiesituatie wordt bepaald door de toestand van het milieu in de bestaande situatie en de gevolgen van de zogenaamde autonome ontwikkeling bij elkaar op te tellen.
3.1
Huidige situatie
3.1.1 Gebiedsbeschrijving Het gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld is gelegen ten oosten van Lattrop, tegen de Duitse grens bij Nordhorn aan. Het Natura 2000-gebied bestaat uit twee deelgebieden: de Bergvennen in het zuiden en het Brecklenkampse Veld in het noorden. Hiertussen ligt een agrarisch gebied (landbouwenclave). Een smalle strook natuur langs de rijksgrens verbindt beide gebieden (zie figuur 3.1).
40/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Figuur 3.1 Ligging Natura 2000 gebied Bergvennen en Brecklenkampse veld (bron: Inrichtingsplan Bergvennen en Brecklenkampse Veld / Rapportage systeemanalyse, Unie van Bosgroepen, juni 2017)
De Bergvennen en het Brecklenkampse Veld worden omringd door landbouwgronden die voor het merendeel worden gebruikt ten behoeve van de melkveehouderij. Ten zuiden en westen liggen agrarische erven op korte afstand van het natuurgebied. Direct grenzend aan het Brecklenkampse Veld ligt in Duitsland een groot bosbouwgebied. Ten oosten van de Bergvennen liggen akkers en een kleiner bosperceel. Ten zuiden van de Frensdorferweg (in Duitsland overgaand in de Ootmarsumer Weg) ligt in Duitsland een klein bos- en natuurgebied tegen de grens met Nederland aan. Hier liggen ook nog relicten van vennen. Ten zuiden van de Dennenweg liggen nog een ven en enkele bospercelen die doorlopen tot over de grens met Duitsland. De bosjes hier zijn relicten van de vroegere woeste gronden, die bekend stonden als het Lattropse Veen. Ten zuiden van de Bergvennen ligt camping/recreatiepark de Bergvennen. Iets verderop naar het westen ligt camping de Rammelbeek. De grens met Duitsland vormt een belangrijke recreatieve route voor zowel wandelaars als fietsers. Ook de Bergvennenweg vormt een belangrijke fietsroute. Net over de grens ten oosten van de Bergvennen ligt een groot volkstuinencomplex van
41/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
de stad Nordhorn. De stad strekt zich uit tot circa 250 meter voor de grens met Nederland (Lattropse Veen). Het Natura 2000-gebied maakt deel uit van een dekzandlandschap dat is gevormd in een diep gletsjerbekken. In de omgeving is sprake van een afwisseling tussen kleinschalig agrarisch landschap en verspreid gelegen natuurgebieden. Het Natura 2000 gebied bestaat uit een zwak golvend landschap met beekdalen, stuwwallen liggen op afstand. Het gebied loopt in hoogte af van zuidoost naar noordwest. De Bergvennen en het Brecklenkampse Veld maken onderdeel uit van hetzelfde hydrologische systeem, dat ook zuidoost-noordwest georiënteerd is. De twee gebieden functioneren echter verschillend: Bergvennen is een infiltratiegebied waar regenwater in de bodem wegzijgt; het Brecklenkampse Veld is een kwelgebied waar grondwater als kwel omhoog komt. Het habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010A) is verspreid in het gebied aanwezig op het Brecklenkampse Veld, rond de Bergvennen en in de zuidelijke uitloper van het gebied. In laagten in de vochtige heiden in het deelgebied Bergvennen is lokaal ook het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150) aanwezig. Aan de noordrand van Bergvennen ligt midden in het Natura-2000 gebied een relatief klein areaal met binnenlandse kraaiheibegroeiingen (H2320).
In de zuidoostelijke hoek van het Brecklenkampse Veld bevinden zich heischrale graslanden (H6230), die ook voorkomen aan de noordkant van de Bergvennen. Aan de oost en westzijde van Brecklenkampse Veld bevinden zich velden met stuifzandheiden met struikhei (H2310). Een groot deel van het areaal rond de Bergvennen bestaat uit droge heiden (H4030). Blauwgraslanden (H6410) komen met relatief grote oppervlakte voor op het Brecklenkampse Veld. Ook is er een kleine oppervlakte aanwezig op een perceel net ten noorden van de Bergvennen. In de noordwestelijke punt en in de zuidoostelijke hoek van Brecklenkampse Veld bevinden zich kalkmoerassen (H7230). Het habitattype zwakgebufferde vennen (H3130) is vooral aanwezig in het Brecklenkampse Veld. Zeer zwakgebufferde vennen (H3110) zijn beperkt tot de Bergvennen, waar het habitattype over een relatief grote oppervlakte voorkomt. Op een tweetal locaties in de zuidelijke uitloper van het Natura 2000-gebied komt het habitattype jeneverbesstruwelen (H5130) voor. In figuur 4.1 is een kaart van de aanwezige habitattypen opgenomen.
42/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Figuur 3.1 Habitattypenkaart Natura 2000 Bergvennen en Brecklenkampse Veld (bron Provincie Overijssel)
Bergvennen De Bergvennen bestaat uit de zuidelijke vennen (ven 1 noord en ven 1 zuid, het Rietven, Ronde Ven, Eilandven en Pluzenven). Van nature bestond het gebied de Bergvennen uit een hoog vochtig gebied (woeste grond) met veen in de laagtes. Eeuwen geleden zijn vennen opnieuw ontstaan door turfwinning uit deze laagtes ten behoeve van brandstofwinning voor woningen. Ze werden opgeschoond tot op de minerale bodem. Hierdoor ontstonden zeer zwak gebufferde vennen die, vanwege hun hoge ligging in het landschap, vooral gevoed werden door regenwater.
43/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
In de winter bolt het water in de naast de vennen gelegen dekzandruggen op; dit is in het verleden waargenomen en ook te zien aan het voorkomen van vochtige heiden op de flanken van de dekzandruggen. Ook de vegetatie (Gagelstruwelen en Beenbreek) wijst op het voorkomen van zijdelings toestromend water. Toen het gebied rondom de Bergvennen rond 1930 werd ontgonnen voor de landbouw vond de waterafvoer via de vennen plaats, die met elkaar verbonden werden via sloten en greppels. In die periode is regenwater onder andere door zwaveldepositie al sterk verzuurd geraakt en door de doorvoer via sloten en greppels ontvingen de vennen toch enigszins gebufferd water. Toen dat landbouwwater verder verrijkt raakte met meststoffen werd het vervolgens niet meer door de vennen afgevoerd, maar werd omgeleid (rond 1960). Hierdoor nam de buffering af en verzuurden de vennen opnieuw. Het oppompen van grondwater in combinatie met het uitbaggeren van de vennen begin jaren ’90, gaf een impuls tot herstel van de gebufferde situatie. De vennen in het zuiden liggen geïsoleerd van de overige vennen en zijn verdroogd en verzuurd en vertonen kenmerken van zure vennen. Het ven ten noordwesten van het Pluzenven is ook zuur en waarschijnlijk ook altijd zuur geweest door de geïsoleerde ligging en geen grondwaterinvloed. Op de oevers komt hoogveenvegetatie voor zoals kleine veenbes en lavendelhei.
De Bergvennen zijn dus van oorsprong zure vennen, waarvan de meeste als gevolg van menselijk handelen zeer zwak gebufferd zijn geworden (habitattype H3110, Zeer zwak gebufferde vennen). De vennen zijn uniek voor Nederland vanwege hun het weinige voorkomen en grote populatie waterlobelia’s. Brecklenkampse Veld In het lager gelegen Brecklenkampse Veld treedt grondwater uit (kwel). Door de aanwezigheid van kalk in de ondergrond is dit grondwater gebufferd. Lokale systemen (opbolling van water in de dekzandruggen) zijn in de winter dominant, maar vallen in de zomer stil. In die periode is het regionale watersysteem dominant: het grondwater stroomt dan van zuidoost naar noordwest.
44/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Het Brecklenkampse Veld kent lagere slenken en hogere dekzandruggen. De slenken, die in zuidoost-noordwestelijke richting liggen, zijn van nature ‘afvoerloze’ laagten. Op de overgang van hoog naar laag treedt het grondwater uit. Vooral op die plek komen de habitattypen Kalkmoeras en Blauwgrasland voor. Ook onderin de slenken treedt lokaal grondwater uit dat zich mengt met regenwater. De menging van het basenrijke grondwater met het zure regenwater zorgt ervoor dat de vennen in het Brecklenkampse Veld zwak gebufferd zijn. Het oorspronkelijke reliëf van ruggen en slenken is aan de zuidwestzijde van het Brecklenkampse Veld niet meer aanwezig, door een combinatie van landbouwkundig gebruik en een herinrichting waarbij grond afgegraven is. 3.1.2
Knelpunten en bedreigingen
In de huidige situatie zijn er meerdere knelpunten en bedreigingen voor de bestaande natuurwaarden in het gebied. De meest belangrijke zijn verdroging, vermesting, verzuring en te geringe peilfluctuaties. Onderstaand zijn deze bedreigingen toegelicht. Een uitgebreide analyse is opgenomen in het Natura 2000-Beheerplan. Verdroging In de het Beheerplan is verdroging als belangrijkste knelpunt genoemd. Landbouwkundige ontwatering en verdamping door bebossing hebben geleid tot te lage grondwaterstanden in het voorjaar en de zomer. Dit wordt onderschreven door de systeemanalyse van de Unie voor Bosgroepen 3. Voor het hele gebied is verdroging/afvoer van kwel een knelpunt. Het natuurgebied wordt gedraineerd door interne ontwatering, omliggende watergangen en drainage. Vooral enkele grote leggerwatergangen, aangelegd in de ruilverkaveling van de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw, zijn hier debet aan. De waterstanden (GLG en GVG) zijn van enkele decimeters tot op enkele plekken ruim een meter te laag voor een optimale ontwikkeling van de habitattypen Zeer zwak gebufferde vennen, Vochtige heide, Pioniersvegetaties met snavelbiezen, Blauwgrasland en Kalkmoeras. Het is daarbij van belang dat de GVG voldoende hoog is voor opbolling van grondwater in de dekzandruggen rondom de vennen. Voor de vennen geldt dat met name in de oeverzone de waterpeilen over het algemeen te laag zijn.
Het grondwaterpeil mag ook weer niet té hoog zijn, omdat anders het risico bestaat dat de vennen zullen omvormen tot zwak gebufferde vennen. De grondwater peilen in de Bergvennen zijn de afgelopen jaren gedaald. In de kwelzones van het Brecklenkampse Veld voldoen plaatselijk de waterstanden wel, maar wordt kwel versneld afgevoerd waardoor de vegetatie negatief wordt beïnvloed. In het Brecklenkampse Veld functioneren door de verdroging de lokale hydrologische systeempjes in de zandkoppen niet meer optimaal. Dit wordt versterkt door de aanwezigheid van naaldbos (hoge verdamping). Vermesting Hoewel de concentratie nitraat, ammonium en fosfor in het grondwater op de gemeten locaties in bestaande natuur laag zijn, is er wel sulfaatrijk water aangetroffen aan de randen van de natuurgebieden. De hoge concentraties sulfaat zijn het gevolg van nitraat dat onder invloed van pyriet wordt omgezet in Sulfaat. Een te hoge concentratie van sulfaat is negatief voor de natuur en kunnen het gevolg zijn van zwaveldepositie, mariene afzettingen met pyriet, bemesting van de
3
Rapportage systeemanalyse, Unie van Bosgroepen, juni 2017.
45/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
aangrenzende landbouwgronden met stikstof (dat in de ondergrond reageert met pyriet tot sulfaat) en interne eutrofiëring door verdroging. Indien de grondwaterstanden hoger worden (om verdroging tegen te gaan), worden deze concentraties lager. Een andere belangrijke bron van vermesting is de atmosferische depositie van voornamelijk ammoniak. Verzuring Zuidelijke vennen De vennen in het zuiden (ven 1 noord en ven 1 zuid) zijn door de ontginning van het Lattropse Veen geïsoleerd komen te liggen, en vallen een te groot deel van het jaar droog en zijn verzuurd. Dit is een knelpunt aangezien deze vennen zijn aangewezen als (zeer) zwak gebufferde vennen. Wel komen nog soorten voor uit het habitattype Zeer Zwak Gebufferd Ven wat indiceert dat het nog wel de potenties heeft van een zeer zwak gebufferd ven. Brecklenkampse Veld De afvoer van basenrijk kwelwater heeft een negatieve invloed op de basenverzadiging van de bodem. Dus zelfs waar waterstanden wel goed zijn leidt onvoldoende invloed van grondwater tot een negatief effect op de ontwikkeling van basenminnende vegetaties, zoals kalkmoerassen en blauwgraslanden. Dit leidt tot verzuring en ontwikkeling van zuur minnende begroeiingen met knolrus, veenmos en pijpenstrootje, die andere soorten verdringen. Hoewel er vitale jeneverbesbegroeiing voorkomt, vindt er de laatste decennia geen verjonging meer plaats.
Verbossing en verruiging hebben in verleden grote invloed gehad op omvang en kwaliteit van vrijwel alle habitattypen, maar door herstelmaatregelen in de afgelopen 15 à 20 jaar is dit knelpunt nu deels opgeheven. Dit heeft door een afname van de ruwheid ook gezorgd voor minder invang van N-depositie. In de (zwak) gebufferde vennen is verzuring door atmosferische depositie effectief tegengegaan door het inlaten van opgepompt grondwater, maar leidt dit op haar beurt er weer toe dat het ven weer wordt verrijkt met andere voedingsstoffen die meegevoerd worden uit het diepere grondwater. Uit het Beheerplan blijkt verder dat de kritische depositiewaarden te hoog zijn voor bijna alle habitattypen met een instandhoudingsdoelstelling. De stikstofdepositie is te hoog om zonder verdere maatregelen de instandhouding van deze habitattypen in Bergvennen en Brecklenkampse Veld te garanderen. Alleen in het habitattype Hoogveenbossen (H91D0) vormt atmosferische stikstofdepositie geen knelpunt. Te geringe peilfluctuaties vennen Specifiek voor de Bergvennen is een belangrijk knelpunt de te geringe peilfluctuaties van de vennen in combinatie met verzuring, waardoor de snelgroeiende veenmossen de waterlobelia wegconcurreren. Voor de waterlobelia moeten de oevers van de vennen in de zomer voldoende droogvallen. Bij natte zomers gebeurt dit niet/onvoldoende.
Door klimaatverandering kennen we langere periodes met veel te hoge waterpeilen in de zomer en met name de laatste jaren langere periodes waarin het zomers juist veel te droog is.
46/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Het knelpunt van verdamping en negatieve invloed van bos op lokale hydrologische systeempjes in de zandruggen/-koppen speelt niet uitsluitend in de zuidoosthoek van de Bergvennen, maar ook in de overige delen van het gebied waaronder het Brecklenkampse Veld. In de afgelopen decennia is er in het Brecklenkampse Veld, met in name de lagere delen van het gebied, al veel opslag verwijderd om het areaal aan Blauwgrasland (H6410) en Heischraal grasland (H6230) uit te breiden. Desondanks is er nog steeds een relatief groot areaal aan soortenarm bos en dichtgegroeide, voormalig heide aanwezig.
3.2
Autonome ontwikkelingen
Autonome ontwikkelingen zijn de ontwikkelingen (overheidsplannen en andere gebiedsactiviteiten) waarover al een formeel besluit is genomen en welke binnen afzienbare tijd tot uitvoering kunnen worden gebracht. Relevant zijn met name autonome ontwikkelingen die in meerdere of mindere mate invloed hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied en de bijbehorende Natura 2000-herstelmaatregelen. Dit betreft activiteiten waarbij de uitstoot en ten gevolge daarvan de depositie van stikstof toeneemt of die invloed hebben op het grondwatersysteem. Relevante autonome ontwikkelingen in het gebied worden hieronder nader toegelicht.
47/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Natuurherstel en/of -ontwikkelingsmaatregelen in het kader van het Natura 2000Beheerplan Bergvennen en Brecklenkampse Veld die mogelijk zijn zonder het PIP en/of de ontgrondingenvergunning Het PIP wordt opgesteld voor maatregelen die binnen de geldende bestemmingen niet mogelijk zijn. Een deel van de maatregelen in het inrichtingsplan is echter mogelijk binnen de geldende bestemming en zonder ontgrondingsvergunning. Deze maatregelen vinden daarom ook plaats als het PIP en de ontgrondingsvergunning niet worden vastgesteld. De maatregelen in de inrichtingsmaatregelen bestaan echter uit maatregelenpakketten die nauw samenhangen en niet los van elkaar beschouwd kunnen worden. In het MER zijn deze ontwikkelingen daarom beschouwd als onderdeel van het planalternatief waardoor de cumulatieve effecten van alle in de inrichtingsplannen beschreven maatregelen beoordeeld zijn. Verdroging natuurgebied als gevolg van ontwatering van landbouwgronden binnen en buiten het Natura 2000-gebied en ontwatering door diverse watergangen in het gebied Ondanks diverse herstelmaatregelen in het verleden is de actuele waterhuishouding in het Bergvennen en Brecklenkampse Veld nog niet optimaal.
Het gevolg hiervan is dat verdroging (te lage grondwaterstand en te grote peilfluctuaties), maar ook stikstofdepositie, nog altijd het behoud van oppervlakte en kwaliteit van de instandhoudingsdoelen op de korte termijn belemmeren. Ook zijn deze factoren een belangrijk knelpunten voor de uitbreiding in areaal en kwaliteitsverbetering van de habitattypen op langere termijn. Deze verdroging van het natuurgebied is het gevolg van ontwatering van landbouwgronden binnen en buiten het Natura 2000-gebied en ontwatering door diverse watergangen in het gebied. Zonder aanvullende maatregelen leidt deze verdroging op de korte termijn tot een onherstelbare situatie waardoor de kernopgave en hierbij behorende instandhoudingsdoelstellingen niet meer realiseerbaar zijn (Provincie Overijssel, 2017). Eutrofiëring door bemesting binnen en buiten het Natura 2000-gebied Eutrofiëring (toename van meststoffen) kan optreden door bemesting binnen en buiten het Natura 2000-gebied. Het bemesten kan een negatief effect hebben op de kwaliteit van het grondwater. Het grondwater kan hierdoor geëutrofieerd raken. Ook kunnen meststoffen oppervlakkig afspoelen in sloten en greppels. Deze vormen van eutrofiëring hebben een negatief effect hebben op de habitattypen en habitatrichtlijnsoorten in het Natura 2000-gebied.
Ontwikkelingen in omgeving (nieuwe woningen en bedrijven) Rondom Bergvennen en Brecklenkampse Veld liggen een aantal kernen waar uitbreiding van woonwijken of bedrijventerrein kan plaatsvinden (Nordhorn (Dld), Neuenhaus (Dld), Denekamp, Ootmarsum). Met name de ontwikkeling van nieuwe (industriële) bedrijven rondom het gebied leidt tot een toename in stikstofdepositie vanuit de lucht. Dit betekent dat er meer maatregelen nodig zijn om de natuur zodanig vitaal te maken dat ze zich kan weren tegen de negatieve effecten van deze stikstofdepositie. Voor nieuwe ontwikkelingen moeten eerst ontwikkelruimte en de bijbehorende vergunning verkregen zijn.
48/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Camping Bergvennen Camping Bergvennen is in april 2020 overgenomen door een nieuwe eigenaar. De nieuwe eigenaar wil de camping vernieuwen. In de bestaande situatie heeft de camping circa 100 staanplaatsen voor stacaravans en chalets. In de nieuwe situatie wordt het terrein van 14,5 hectare voor de helft gebruikt voor de realisatie van nieuwe vakantiewoningen. De andere helft wordt gebruikt voor de aanleg van recreatieve voorzieningen. De planning is om de vernieuwing in 2024 te voltooien. Uitbreiding veehouderij rondom het plangebied In de nabijheid van het plangebied liggen diverse landbouwbedrijven. Een toename of afname van de stikstofuitstoot van de bedrijven, bijvoorbeeld door uitbreiding of inkrimping van de veestapel, kan invloed hebben op de stikstofdepositie en daarmee de staat van het Natura 2000gebied. Na het opheffen van de melkquota in 2015 was er voor agrariërs weer ruimte om hun veestapel uit te breiden en is dit op veel plaatsen op gebeurd. Om de daaropvolgende groei van de veestapel te beteugelen is in 2017 het fosfaatreductieplan ingevoerd. In dat plan zijn maatregelen opgenomen om de omvang van de veestapel te reguleren. Daarnaast is door middel van de zogeheten stoppersregeling bedrijfsbeëindiging voor sommige bedrijven gestimuleerd.
Verwacht wordt dat deze autonome ontwikkeling netto niet zal leiden tot een significante verandering ten opzichte van de huidige situatie. Nieuwe ontwikkelingen moeten eerst ontwikkelruimte en bijhorende vergunning regelen. Infrastructurele ontwikkelingen (uitbreiding van snelwegen, aanleg van nieuwe wegen) In de omgeving van het plan zijn geen nieuwe grote nieuwe infrastructurele ontwikkelingen voorzien met betrekking tot de uitbreiding van snelwegen en/of aanleg van nieuwe wegen. Klimaatverandering Het is onzeker hoe het toekomstige klimaat er precies uit ziet. Op basis van de wereldwijde temperatuurstijging heeft het KNMI vier klimaatscenario’s ontwikkeld voor Nederland. In de Gscenario’s (Gematigd) is er sprake van 1°C mondiale temperatuurstijging in 2050 en in de Wscenario’s (Warm) is er sprake van 2°C stijging in 2050 ten opzichte van 1981-2010. In de GH en de WH scenario’s is er daarnaast ook sprake van verandering van luchtstromingspatronen waardoor bijvoorbeeld de zomers droger worden. Samen geven de scenario’s de hoekpunten weer waarbinnen klimaatverandering waarschijnlijk zal plaatsvinden. Waterwinning Waterwinningen kunnen potentieel een verdrogend effect hebben op het Natura 2000-gebied. Binnen een straal van 10 kilometer van Bergvennen en Brecklenkampse Veld twee drinkwaterwinningen (Nordhorn (Dld) en Rodenmors) aanwezig.
Uit de beoordeling in het Beheerplan blijkt dat de waterwinningen bij de huidige onttrekkingshoeveelheden geen invloed hebben op het Natura 2000-gebied. De geldende onttrekkingsvergunningen zijn beperkt tot de huidige onttrekkingshoeveelheden. Er wordt geen
49/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
toe- of afname van de waterwinning verwacht. Daarmee is de huidige situatie voor waterwinningen gelijk aan de referentiesituatie. Deze autonome ontwikkelingen hebben in meer of mindere mate invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied en de voorgenomen maatregelen. Het gaat daarbij vooral om de activiteiten waarbij de uitstoot en ten gevolge daarvan de depositie van stikstof toeneemt. Dit wordt in hoofdstuk 7 van dit MER nader behandeld.
50/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
4 Voorgenomen activiteit Dit hoofdstuk beschrijft de voorgenomen activiteit: de in de Gebiedsanalyse opgenomen maatregelen. Daarnaast zijn de kaders en randvoorwaarden benoemd voor de ontwikkeling van de verschillende alternatieven.
4.1
Aanleiding voor de activiteit
De aanleiding voor de activiteit is de aanwijzing van het gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld als Natura 2000-gebied met bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen en opgaven. In eerste instantie is een Natura 2000-Gebiedsanalyse opgesteld waarin een aanzet is gedaan voor de natuurherstelmaatregelen. Dit zijn maatregelen die minimaal noodzakelijk zijn voor het zekerstellen van de Natura 2000-doelen en om maximaal ruimte te kunnen bieden aan economische ontwikkelingen. De belangrijkste maatregelen in de eerste Beheerplanperiode zijn het herstel van de hydrologie en het verlichten van het effect van stikstofdepositie. Deze maatregelen zijn nodig om bestaande knelpunten ten aanzien van verdroging, vermesting, verzuring en peilfluctuaties weg te nemen of de natuur weerbaarder te maken tegen deze bedreigingen. Vervolgens zijn diverse onderzoeken uitgevoerd, op basis waarvan de maatregelen verder zijn uitgewerkt in het inrichtingsplan en het Natura 2000-Beheerplan.
4.2
Kenmerken van de activiteit
De in dit MER beoordeelde activiteiten betreffen de natuurherstelmaatregelen voor de eerste Beheerplanperiode zoals benoemd in het Natura 2000-Beheerplan. Daarmee richt het MER zich op de maatregelen waarvan op dit moment zeker is dat ze uitgevoerd gaan worden. Het PIP heeft echter een looptijd van 10 jaar en zou dus ook maatregelen uit de tweede Beheerplanperiode (2027-2033) kunnen bevatten. De invulling van deze maatregelen wordt deels bepaald vanuit de effectiviteit van de maatregelen uit de eerste periode. Na monitoring van effecten kan de tweede Beheerplanperiode concreter ingevuld worden. Op dit moment is de exacte invulling van de maatregelen uit de tweede periode dus een leemte in kennis. De maatregelen in het Beheerplan omvatten zowel maatregelen binnen (interne maatregelen) als buiten (externe maatregelen) het bestaande natuurgebied. De maatregelen moeten voor het grootste deel binnen zes jaar na vaststelling van de Beheerplannen gerealiseerd zijn. Het Beheerplan voor het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld wordt tegelijk met het PIP vastgesteld. De maatregelen voor het onderhavige gebied moeten daarom in 2026 gerealiseerd zijn. Tabel 4.1 geeft een overzicht van de in het Beheerplan opgenomen maatregelen per habitattype.
51/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Tabel 4.1 Doelstellingen en voorgenomen maatregelen conform Beheerplan Maatregel
Ten behoeve van habitattype
Voorgenomen maatregel conform Beheerplan
(Beheerplan) Externe maatregelen M1a
H3110 Zeer zwakgebufferde
Dempen van watergang 33000204 ten noorden
Vennen, H3130 Zwakgebufferde
van het Brecklenkampse Veld. Dempen en
Vennen, H4010A Vochtige heiden
verondiepen top10 watergangen.
(hogere zandgronden), H6230 Heischrale graslanden, H6410 Blauwgraslanden, H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen, H7230 Kalkmoerassen, toename vernatting M1b
H3110 Zeer zwakgebufferde
Verondiepen watergang 33000003
Vennen, H3130 Zwakgebufferde Vennen, H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden), H6230 Heischrale graslanden, H6410 Blauwgraslanden, H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen, H7230 Kalkmoerassen M1c
-
Ophogen gebied ten westen van Brecklenkampse Veld om natschade als gevolg van maatregel M2b te voorkomen.
M1h
H3110 Zeer zwakgebufferde
Dempen van waterloop 36000101
Vennen, H3130 Zwakgebufferde Vennen, H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden), H6230 Heischrale graslanden, H6410 Blauwgraslanden, H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen, H7230 Kalkmoerassen M1k
H3110 Zeer zwakgebufferde
Verwijderen buisdrainages, dempen greppels en
Vennen, H3130 Zwakgebufferde
watergangen ten westen van de Bergvennen
Vennen, H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden), H6230 Heischrale graslanden, H6410 Blauwgraslanden, H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen, H7230 Kalkmoerassen M1m
-
Graven van een nieuwe waterloop als vervanging van waterloop 36000101 (maatregel M1h)
52/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
M2a
H3110 Zeer zwakgebufferde
Verwerven en natuurontwikkeling
Vennen, H3130 Zwakgebufferde
landbouwgebied. Herstel van de
Vennen, H4010A Vochtige heiden
waterhuishouding en uitbreiding habitattypen
(hogere zandgronden), H6230 Heischrale graslanden, H6410 Blauwgraslanden, H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen, H7230 Kalkmoerassen, H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen, H4030 Droge heiden, H5130 Jeneverbesstruwelen. M2b
H3130 Zwakgebufferde
Dempen van waterleiding 33-0-02-4
Vennen, H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden), H6230 Heischrale graslanden, H6410 Blauwgraslanden, H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen, H7230 Kalkmoerassen M2x
H3110 Zeer zwakgebufferde
Bodemkundig onderzoek enclave
Vennen, H3130 Zwakgebufferde Vennen, H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden), H6230 Heischrale graslanden, H6410 Blauwgraslanden, H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen, H7230 Kalkmoerassen, H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen, H4030 Droge heiden, H5130 Jeneverbesstruwelen. M2y
H3110 Zeer zwakgebufferde
Onderzoek naar effecten en mogelijke
Vennen, H3130 Zwakgebufferde
maatregelen Duitse
Vennen, H4010A Vochtige heiden
Waterlopen.
(hogere zandgronden), H6230 Heischrale graslanden, H6410 Blauwgraslanden, H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen, H7230 Kalkmoerassen, H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen, H4030 Droge heiden, H5130 Jeneverbesstruwelen. M3a
H3110 Zeer zwakgebufferde
Verwerven, opnieuw inrichten en
Vennen, H3130 Zwakgebufferde
vernatting landbouwgebied ten zuidoosten van
Vennen, H4010A Vochtige heiden
Bergvennen.
53/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
(hogere zandgronden), H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen M3b
H3110 Zeer zwakgebufferde
Dempen/verduikering van waterloop 36000008.
Vennen, H3130 Zwakgebufferde Vennen, H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden), H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen M3c
M3d
H3110 Zeer zwakgebufferde
Maatregelen op de camping om de verdroging in
Vennen, H3130 Zwakgebufferde
aangrenzende Natura 2000 gebied te
Vennen, H4010A Vochtige heiden
verminderen en om eventuele ongewenste
(hogere zandgronden), H7150
effecten van vernatting als gevolg van
Pioniervegetaties met snavelbiezen
maatregelen in de omgeving tegen te gaan.
H3110 Zeer zwakgebufferde
Aanleg van een nieuwe ontwatering om het
Vennen, H3130 Zwakgebufferde
dempen van waterloop 36000101 (maatregel
Vennen, H4010A Vochtige heiden
M1h) te compenseren
(hogere zandgronden), H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen M3e
H3110 Zeer zwakgebufferde
Verminderen ontwatering en
Vennen, H3130 Zwakgebufferde
tegengaan/compensatie natschade in
Vennen, H4010A Vochtige heiden
landbouwperceel te zuiden
(hogere zandgronden), H7150
van de camping.
Pioniervegetaties met snavelbiezen -
Omvormen bos aan Duitse zijde (Forst Bentheim) van naaldbos naar loofbos
Interne maatregelen M11a
H3110 Zeer zwakgebufferde vennen
(handhaven) inlaat opgepompt grondwater
M11b
H3110 Zeer zwakgebufferde vennen
Optimaliseren afwatering vennen
M12
H3110 Zeer zwakgebufferde vennen
Intrekgebied eenmalig behandelen met steenmeel
M14
H3110 Zeer zwakgebufferde vennen,
Opschonen vennen
H3130 Zwakgebufferde vennen M15
H4010A Vochtige heiden (hogere
.
zandgronden), H6230 Heischrale
Plaggen
graslanden, H6410 Blauwgraslanden, H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen, H7230 Kalkmoerassen, H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen, H4030 Droge heiden, H5130 Jeneverbesstruwelen
54/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
M16a
H2320 Binnenlandse
Verwijderen opslag struiken en bomen
Kraaiheibegroeiingen, H3110 Zeer
zuidoostelijke hoek Bergvennen
zwakgebufferde vennen, H3130 Zwakgebufferde vennen, H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden), H4030 Droge heiden, H5130 Jeneverbesstruwelen M17
H4010A Vochtige heiden (hogere
Begrazen
zandgronden), H4030 Droge heiden, H2320 Binnenlandse Kraaiheibegroeiingen, H5130 Jeneverbesstruwelen M18
H6230 Heischrale Graslanden, H6410
Maaien
Blauwgraslanden
Aanvulling op tabel voorgenomen maatregelen in Gebiedsanalyse Het resterende bos in het Brecklenkampse Veld wordt verwijderd en omgevormd naar vochtige en droge heide. Het aanwezige bos, met name naaldbos op de hogere ruggen wordt gekapt. Stobben worden gefreesd, de zure, humusrijke strooisellaag wordt verwijderd en aanvullend wordt er kalk en steenmeel toegepast om de mineralenhuishouding te herstellen. Voor een aantal agrarische percelen rondom het Natura 2000 gebied gaan beperkende maatregelen gelden ten aanzien van gebruik en/of bemesting. Bemestingsmaatregelen in de landbouwenclave zijn volledig komen te vervallen, omdat de landbouwpercelen hier een natuurbestemming krijgen en niet meer bemest zullen worden. Hydrologische herstelmaatregelen zijn gericht op vermindering van de ontwatering in het gebied en in de omgeving van het gebied. Bekalking van de omgeving van de vennen kan zowel een positief effect hebben op de natte heiden en heischrale graslanden die hier voorkomen, als op de buffering van het lokale grondwater dat naar de vennen toestroomt. Het plaggen van de heide en het opschonen van de vennen zijn onderdeel van het reguliere beheer. Door eenmalig de vennen op te schonen kan stikstof worden verwijderd. Daarnaast wordt heide lokaal geplagd om heide te verjongen of te ontdoen van (ongewenste) grassen.
Het plaggen beperkt ook de buffercapaciteit van de bodem om stikstof op te vangen. Door het verwijderen van opslag van struiken en bomen kan vooral de oppervlakte aan droge en vochtige heide worden uitgebreid en de aanvoer van grondwater naar de vennen worden versterkt. Duitsland Aan de Duitse zijde ligt tegen de landsgrens een groot landbouwperceel tegen de Bergvennen aan. Het omvormen van dit landbouwperceel biedt kansen om het Natura 2000-gebied aanzienlijk robuuster te maken door het aaneenschakelen van verspreid liggende versnipperde bospercelen. De maatregel kan op dit moment alleen met instemming van de eigenaar worden uitgevoerd.
55/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Hiervoor is grondcompensatie nodig. Vanwege de hoge gronddruk in Duitsland is compensatiegrond op dit moment nog niet beschikbaar. De maatregel wordt daarom doorgeschoven naar de volgende planperiode. Daarnaast is een zienswijze ingediend op het regionale omgevingsplan (RROP-2021) van het Grafschaft Bentheim om de bescherming van het natuurgebied te verbeteren.
4.3
Randvoorwaarden en uitgangspunten
4.3.1 Algemeen In een MER moeten altijd ‘redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven’ worden ontwikkeld en onderzocht. ‘Redelijkerwijs’ wil zeggen dat het door de initiatiefnemers moet kunnen worden gerealiseerd; ook wel aangeduid als ‘binnen de competentie van de initiatiefnemer vallen’. Daarnaast moet uitvoering van het alternatief technisch mogelijk en haalbaar zijn en moet het voldoen aan de beschreven doelstelling (zie hoofdstuk 6 van het MER). Zoals beschreven in hoofdstuk 2 staan voor de initiatiefnemers een aantal gemaakte keuzes vast. Deze zijn onderdeel van de opgave in het Natura 2000-Beheerplan voor Bergvennen en Brecklenkampse Veld: • De ligging en omvang van het plangebied • De hoofdelementen van de voorgenomen activiteit: natuurontwikkeling Alternatieven die niet aan deze randvoorwaarden voldoen, zijn niet meegenomen in het alternatievenonderzoek. Met deze uitgangspunten ligt de invulling van Bergvennen en Brecklenkampse Veld in grote lijnen vast. Bij verdere planontwikkeling moet daarnaast met een aantal randvoorwaarden rekening worden gehouden. Deze vloeien voort uit wet- en regelgeving, gemaakte afspraken en financiële of technische uitgangspunten. De belangrijkste randvoorwaarden voor de ontwikkeling (en dus ook voor de te onderzoeken alternatieven) worden hieronder uiteengezet.
4.3.2 Realisatietermijn Met het oog op de zeer kwetsbare situatie van de habitattypen zwakgebufferde vennen, heischrale graslanden, blauwgraslanden, droge heiden en vochtige heiden in het gebied speelt de factor tijd een belangrijke rol bij de uitvoering van de maatregelen. Voor de instandhoudingsdoelstellingen van deze habitattypen is een verbetering van de watercondities op korte termijn noodzakelijk: zonder aanvullende maatregelen wordt voor de korte termijn een onherstelbare situatie verwacht waardoor de kernopgave en de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen niet meer realiseerbaar zijn. Maatregelen die op korte termijn een bijdrage leveren aan de instandhoudingsdoelen hebben daarom de voorkeur boven maatregelen waarbij het langer duurt om de gewenste bijdrage te leveren. De beoogde ontwikkelingen zijn niet van één op de andere dag gerealiseerd. Daarom is het zaak om in 2022 te starten met het uitvoeren van de beoogde maatregelen. Op die manier
56/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
kan een positieve bijdrage worden geleverd aan de instandhoudingsdoelen in het gebied. Deze uitgangspunten zijn meegenomen in de afweging van de maatregelen. 4.3.3
Overige uitgangspunten
In het gebiedsproces is de wens uitgesproken dat (grond)wateroverlast voor derden buiten het natuurgebied inclusief uitwerkingsgebieden zoveel mogelijk voorkomen moet worden. Binnen het natuurgebied en de uitwerkingsgebieden geldt dat effecten zo veel mogelijk beperkt worden.
57/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
5 Alternatieven en effectbeoordeling Het doel van het MER is om de relevante milieueffecten van de beoogde ingrepen op een objectieve manier inzichtelijk te maken. In hoofdstuk 4 is de voorgenomen activiteit (de doelen en voorgenomen maatregelen in de Gebiedsanalyse) beschreven. Op basis van de in hoofdstuk 4 benoemde maatregelen en randvoorwaarden zijn diverse onderzoeken gestart. In deze onderzoeken zijn diverse inrichtingsalternatieven op ecohydrologische effecten onderzocht. Er is gekozen om de alternatieven op dit aspect te onderzoeken en vergelijken, omdat de maatregelen ingrijpen in het hydrologisch systeem waarmee een betere ecologische situatie wordt beoogd. In dit hoofdstuk worden deze alternatieven en de effecten op het aspect ecohydrologie beschreven. Omdat andere aspecten niet onderscheidend zijn voor de onderzochte alternatieven worden de overige aspecten in dit hoofdstuk niet beschreven. Deze effectbeoordeling in dit hoofdstuk leidt tot het planalternatief zoals dat is opgenomen in het inrichtingsplan. Het planalternatief is in hoofdstuk 6 beschreven. Het planalternatief is vervolgens in hoofdstuk 7 beoordeeld op alle relevante milieuaspecten. Voor de beoordeling van deze effecten is gebruik gemaakt van de beschikbare onderzoeken die in het kader van het inrichtingsplan zijn uitgevoerd.