B_B_ontwerp_1_toelichting_Bijlage_9_MER.PDF
Tekst van het document
Onder de toplaag bieden de meeste locaties voldoende perspectief voor de ontwikkeling van natuur. Over het gebied verspreid zijn locaties aanwezig waar de bodem op relatief geringe diepte (20-25 cm) al schraal is. Om op de (voormalige) landbouwpercelen natuur te kunnen ontwikkelen moet er verschraald worden of moet de toplaag worden afgegraven. De verschralingsduur bij traditioneel beheer van maaien en afvoeren (P-afvoer: 10 kg/ha/jr.) ligt op de meeste locaties tussen de 50 en 100 jaar. Door gericht uitmijnen met een grasklavermengsel (met K-bemesting) of een productieve graszode (met N- en K-bemesting) zal vier keer zo snel de voor de natuur benodigde schrale conditie bereikt kunnen worden (P-afvoer: 40 kg/ha/jr.). Wanneer de fosfaatrijke bovengrond afgegraven wordt of actief wordt uitgemjjnd, wordt de verschalingsduur aanzienlijk verkort. Een ontgronding dient te worden getoetst op de inpassing in het hydrologische systeem. Op basis van de mate van buffering, grondwaterstanden en ontgrondingsdiepten zijn de natuurbeheertypen genoemd, die in potentie tot ontwikkeling kunnen komen. Er is nog geen rekening gehouden met de toekomstige grondwaterstanden, omdat deze ten tijde van het hier weergegeven onderzoek nog niet bekend waren. De natuurpotentie op de percelen ten zuiden van de Bergvennen is droog schraalland en droge heide.
De natuurpotentie in de landbouwenclave is nat schraalland (blauwgrasland), vochtige heide, droog schraalland en droge heide. Voor de gebieden die als nieuwe natuur in het inrichtingsplan zijn opgenomen heeft B-ware het advies aangescherpt op basis van de verwachte grondwaterstanden.
87/142
Kenmerk
7.1.4
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Effectbeoordeling
Effecten op de bodemkwaliteit De bodemkwaliteit kan veranderen door maatregelen waarbij grond wordt afgegraven, afgeplagd, opgebracht (agrarische percelen) of gechopperd wordt (binnen de huidige natuur). Gezien het bodemtype (veldpodzolen) en de aanwezigheid van natte laagtes is het zeer aannemelijk dat natuurontwikkeling in de huidige landbouwenclave (afgraven toplaag en verschraling, M2) leidt tot het herstel/ontwikkeling van vochtige en droge heide (H4010 en H4030, de laatste vooral op hogere delen aan rand gebied), droge heischrale graslanden (H6230) en pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150). Ook hebben de vennen baat bij de maatregel (H3110 en H3130). Bij afgraven wordt het maaiveld van dicht geschoven laagten weer bloot gelegd en blijven de dekzandkoppen behouden zodat deze als berging functioneren voor inzijgwater van lokale grondwatersystemen. Verondiepen van ontwatering in de directe omgeving (M1) heeft vooral effect op de (grond)waterstanden in het deelgebied Bergvennen. De (grond)waterstand zal de in de zomer als gevolg van de maatregelen minder ver wegzakken, wat gunstig is voor de hier aanwezige venvegetaties (H3110, H3130) en de aan de randen van het ven voorkomende pioniervegetaties (H7150), en voor de vochtige heide in dit deelgebied (H4010A).
Ook de grondwaterafhankelijke vegetaties in deelgebied Brecklenkampse Veld (H6230, H6410, H7150 en H7230) zullen profiteren van verminderen van ontwatering in de omgeving, het effect is beperkt zolang de ontwatering binnen het gebied niet wordt aangepast (M2b). Het gaat met name om het (late) voorjaar. In het voorjaar moeten de aanwezige waterbuffers in de bovengrond van de omringende gebieden een kwelstroompje kunnen blijven leveren. Door het dempen van de ontwateringssloot binnen het gebied zal de hoeveelheid kwelwater richting het Brecklenkampse Veld naar verwachting sterk toenemen. Dat zal er voor zorgen dat in het gebied de grondwaterstanden minder ver zullen wegzakken en de aanvoer van basenrijk grond water zal toenemen, wat gunstig voor zowel de oppervlakte als de kwaliteit van de hier aanwezige grondwaterafhankelijke habitattypen zwakgebufferde vennen H3130, vochtige heiden H4010, heischrale graslanden H6230, blauwgraslanden H6410, pioniervegetaties met snavelbiezen H7150, kalkmoerassen H7230). Afgraving vindt plaats voor kleinschalig plaggen, het herstellen van diverse vennen en slenken en het graven van enkele nieuwe watergangen. De ontgravingen betreffen in totaal een oppervlakte van circa 45 ha. Daarbij wordt in totaal circa 194.000 m³ grond ontgraven.
Door afplaggen en frezen in bestaande natuur treedt het effect in geringere mate op omdat de bodem daar al schraler is. Door bekalking neemt de pH-waarde toe (de zuurgraad neemt af), waardoor het negatieve effect van verzuring vermindert. Bij de afvoer van grond vindt de wettelijk verplichte controle op kwaliteit van de af te voeren grond worden uitgevoerd. Op geplagde delen wordt maaisel uit referentiepercelen uitgestrooid zodat er weer een zaadbank met doelvegetatie wordt opgebouwd.
88/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Met het afgraven wordt ook het aanwezige bodemleven verwijderd waardoor (tijdelijk) de biologische bodemvruchtbaarheid kan afnemen. Het aanwezige bodemleven is in de huidige situatie echter aangepast aan de bestaande voedselrijke omstandigheden (door ophoping van organisch materiaal of bemesting). Door het ontwikkelen van natuur met minder voedselrijke omstandigheden moet het bodemleven zich aanpassen aan de nieuwe omstandigheden. Sommige soorten zullen verdwijnen, andere in aantal toenemen. Ook kunnen zich voor de locatie nieuwe soorten vestigen door het ontstaan van voor die soorten geschikte omstandigheden. Na uitvoering van de maatregelen worden geen grondbewerkingen meer uitgevoerd en kan het bodemleven zich, aangepast aan de nieuwe omstandigheden, natuurlijk ontwikkelen. Effecten op grondgebruik De effecten op de omliggende landbouwpercelen zijn in beeld gebracht door de verwachte toekomstige grondwaterstanden mee te nemen in de gebruikswaarde van de percelen, en deze af te zetten tegen de huidige gebruikswaarde van de percelen. Hierbij is puur gekeken naar de veranderende abiotische situatie. Maatregelen ten aanzien van het beperken van bemesting zijn hierin dus niet meegenomen. Bodemgeschiktheid voor grasland/weidebouw In de toekomstige situatie blijven de droge delen van het gebied (in het zuiden) in een klasse 3.2 voor grasland.
Dit betekent dat er weinig beweidingsverliezen zijn en dat het goed berijdbaar blijft. Het zijn en blijven in droge situaties sterk verdrogingsgevoelige gronden. In de lagere delen van het gebied (ten westen van de Bergvennen en in de landbouwenclave) zijn in de toekomstige situatie een aantal gronden die een betere bodemgeschiktheid krijgen voor natuur (minder droogtegevoelig). Naar het noorden toe (ten noorden van het Brecklenkampse Veld) komen lagere gronden voor die dezelfde bodemgeschiktheid houden, maar waar in natte jaren wel sprake zal zijn van verminderde draagkracht. Enkele gedeelten aan de noordkant worden geschikter voor grasland door een betere vochtvoorziening. Bodemgeschiktheid voor akkerbouw (maisteelt) Lagere delen kennen in de huidige situatie al een groter teeltrisico als gevolg van draagkracht en dit zal in de toekomstige situatie niet anders zijn. Met name aan de westkant van de Bergvennen zal de situatie voor akkerbouw verslechteren als gevolg van hogere grondwaterstanden. Er zijn meer categorie 3.1 gronden (beperkt bewerkbaar of zeer beperkt berijdbaar) of gronden die van zeer droogtegevoelig (3.2) naar gronden gaan die minder droogtegevoelig zijn maar ook minder draagkracht hebben (2.3). In de lage delen van de landbouwenclave gaan enkel percelen van zeer droogtegevoelig naar beperkt bewerkbaar of berijdbaar.
Ze blijven in de laagste categorie van bodemgeschiktheid. Aan de zuidkant van de Bergvennen wordt de grond meer geschikt voor maisland omdat de droogtegevoeligheid afneemt. Hier gaan echter bemestingsbeperkingen gelden. Het gebied ten noorden van het Brecklenkampse Veld wordt minder geschikt voor akkerbouw.
89/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Opbrengstreducties Bij gras en mais vindt in de toekomstige situatie een opbrengstderving plaats van resp. 5-30 % en 5-50 % in de laagst gelegen gebieden ten westen van de Bergvennen en ten noorden van het Brecklenkampse Veld. Op droogtegevoelige gronden neemt de opbrengstreductie af (dus meer opbrengst) als gevolg van vernattingsmaatregelen. Vernattingsmaatregelen voor de natuur hebben slechts zeer beperkt een positief effect voor de landbouw. Voor het dempen en verondiepen van watergangen wordt zo veel mogelijk lokaal beschikbaar komende grond te gebruikt. Na realisatie leiden de verschillende maatregelen tot een beperking van nutriënten in de bodem en een afname van de zuurgraad. Daarmee is de bodem meer geschikt voor de beoogde natuurfunctie en draagt de bodemtoestand bij aan de habitatdoelstellingen in het gebied. Het effect is daarom positief beoordeeld (+). Effect op de hydrologische situatie Om de effectiviteit van de maatregelen op de habitattypen te kunnen beoordelen, is gekeken naar vier sturende factoren voor grondwaterkwaliteit en –kwantiteit. Van hoogste naar laagste prioriteit zijn dat kwel/wegzijging, duurlijnen (hoe lang per jaar een bepaalde waterstand voorkomt) , gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) en Gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG).
Uit het onderzoek blijkt dat de definitieve maatregelen een zeer positief effect op de habitattypen hebben en een beperkt effect op de omgeving. De kwel, als belangrijkste criterium voor de habitattypen, neemt toe. De duur van de hoge waterstanden neemt eveneens toe als tweede belangrijke criterium. Ook de GVG en GLG stijgen, met als gevolg dat het doelgat dat er eerder was voor de GLG, wordt gedicht. De bovenstaande hydrologische effecten leiden tot een verbetering van de hydrologische uitgangssituatie voor zowel instandhouding als uitbreiding van diverse habitattypen waarvoor instandhoudings- en uitbreidingsdoelstellingen gelden. Daarmee draagt het plan bij aan de uitgangssituatie van de natuurfunctie in het gebied. Ten opzichte van de referentiesituatie is daarom sprake van een verbetering van de hydrologische situatie, gelet op de natuurfunctie van het gebied. Het effect van de maatregelen is daarom zeer positief (+ +) beoordeeld. Het voorkeursalternatief leidt door een deel van deze maatregelen tot een vernatting in het natuurgebied Bergvennen en Brecklenkampse veld waarmee de abiotische omstandigheden voor de aangewezen habitattypen wordt verbeterd.
90/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Effect op bebouwing Op basis van de verwachte grondwaterstandsverhoging als gevolg van de maatregelen voor de natuur, is op een vijftal erven (Bergvennenweg, Dennenweg, Frensdorferweg) door Wareco onderzoek uitgevoerd naar de effecten van deze grondwaterstandsverhoging. Op drie erven worden op basis van het onderzoek problemen verwacht; in de huidige situaties is er hier al sprake van vochtproblematiek in kelders en de verwachting is dat de problemen toe zullen nemen. Voor de overige twee erven is nog niet te zeggen of er natschade zal optreden. Nader onderzoek wordt uitgevoerd om te bepalen of effecten optreden en welke maatregelen nodig zijn om negatieve effecten te voorkomen. Betrokkenen zijn tijdens de keukentafelgesprekken geïnformeerd en hebben de onderzoeksresultaten ontvangen. Omdat effecten ondanks de voorgenomen aanvullende maatregelen niet geheel kunnen worden uitgesloten, is het effect op bebouwing als licht negatief (0/-) beoordeeld. Effecten op grondgebruik Verondieping leidt tot een grondwaterstandsstijging op onder andere landbouwpercelen. De optredende natschade wordt op deze percelen verevend door de vermindering van de droogteschade als gevolg van de vernatting. Percelen zijn niet of minder te gebruiken in het groeiseizoen omdat dit door de vernatting in het voorjaar en najaar niet betreedt c.q. bewerkt kan worden.
Daarnaast gelden voor een aantal percelen beperkingen ten aanzien van bemesting. Het dempen en verondiepen van sloten in de landbouwenclave leidt tot een vernattingseffect ter plaatse van omliggende percelen. De geschiktheid voor agrarisch gebruik neemt daarmee af. Ook op camping Bergvennen is er sprake van ongewenste vernatting als gevolg van het verondiepen van het campingven. In totaal ondervindt slechts een beperkt aantal percelen hinder als gevolg van natschade. Het effect op het grondgebruik van omliggende gronden wordt daarom als licht negatief (0/-) beoordeeld. Effecten op waterkwaliteit De maatregelen voorzien onder meer in het afgraven van percelen en het dempen van sloten. Deze maatregelen kunnen in beperkte mate leiden tot een afname van uitspoeling van nutriënten uit de percelen en een afname van oppervlakkige afvoer van hemelwater. Daarnaast zijn bemestingsbeperkende maatregelen voorzien zoals het stoppen/beperken van bemesting, het bemesten gedurende een bepaalde periode in het jaar, het uitmijnen van de nutriëntenrijke bodem en het voorkomen van afspoeling. De positieve effecten van deze maatregelen wegen naar verwachting op tegen mogelijke eutrofiëring doordat de (grond)waterstand na verhoging reikt tot in de humeuze bovenlaag van (voormalige) agrarische percelen.
De verandering in grondwaterkwaliteit en grondwaterstand heeft mogelijk ook effecten op de aanwezige zwemwaterlocaties (zwemvijvers) bij twee omliggende campings. De waterkwaliteit ter plaatse moet voldoen aan de EU-Zwemwaterrichtlijn en KRW-richtlijnen. Omdat de zwemvijvers gevoed worden vanuit het grondwater is de verwachting dat de bemestingsbeperkende maatregelen ook in deze vijvers leiden tot een verbetering van de waterkwaliteit. Desondanks
91/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
wordt geadviseerd de waterkwaliteit ter plaatse te monitoren en maatregelen te nemen wanneer sprake is van negatieve effecten. Omdat de maatregelen leiden tot een afname van nutriënten in het water en daarmee een betere chemische en ecologische waterkwaliteit is het effect positief (+) beoordeeld. Tijdelijke effecten tijdens realisatiefase Tijdens de realisatiefase kan het afgraven en plaggen tijdelijk een verminderde biologische bodemvruchtbaarheid tot gevolg hebben omdat met de bovenste bodemlaag ook het aanwezige bodemleven wordt verwijderd. Na realisatie van de maatregelen hersteld het bodemleven echter en past het bodemleven zich aan de nieuwe voedselarmere bodemsituatie aan. Ook kan in de realisatiefase op de te vergraven terreinen door graafmachines en transport verdichting van grond optreden. Na realisatie vinden geen grondbewerkingen plaats en kan de bodem op natuurlijke wijze ontwikkelen en herstellen. Wanneer de grond in gebruik is voor landbouwdoeleinden, veroorzaken de bemestings- en oogstmachines structuurschade aan het land. Om de maatregelen uit te kunnen voeren, wordt op diverse plekken een tijdelijke transportroutes aangelegd.
Vanwege de tijdelijke effecten op bodem (bodemvruchtbaarheid, verdichting) en waterkwaliteit en de mogelijke schade door aanleg van tijdelijke transportroutes zijn de tijdelijke effecten tijdens de realisatie op het aspect bodem en water licht negatief (0/-) beoordeeld, maar de lange termijn effecten als positief worden beoordeeld 7.1.5
Mitigerende maatregelen
Effecten op de bodemkwaliteit Verdichting van de bodem kan worden voorkomen door het gebruik van vaste rijroutes en het gebruik van rijplaten of tijdelijke verharding, eventueel aangevuld met zandbanen onder de rijplaten waar nodig. Door met de kraan de grond vier keer over te slaan alvorens deze te laden, kan in stroken van 45 m breed worden gewerkt aan weerszijden van de rijplaten, met geringe berijding buiten de rijplaten van uitsluitend de kraan. Hierop kan worden gestuurd door een uitvoeringsplan te maken, inclusief uitvoeringsbegeleiding. Wegen Op de drie plaatsen waar de berekende drooglegging minder dan 0,80 meter bedraagt moeten maatregelen genomen worden om een voldoende drooglegging te kunnen garanderen. Het betreft de Bergvennenweg zuidzijde (onderzochte locaties 4 en 5) en de zijweg van de Kommiezendijk naar Duitsland (locatie 7). Deze wegen moeten 10-20 cm worden opgehoogd. Of de particuliere zandweg aan de noordrand van het Brecklenkampse Veld opgehoogd moet worden zal in de realisatiefase, in overleg met de eigenaar, bepaald worden.
92/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Erven, effect op bebouwing Op drie erven wordt verwacht dat met de toekomstige hogere grondwaterstanden de vochtproblematiek in de kelders zal toenemen. Deze erven zijn op de inrichtingsplankaart opgenomen als ‘mitigerende maatregelen natschade gebouwen’. Wareco adviseert de kelders op betreffende erven waterdicht te maken (vloeren, wanden, kimnaden) en stucwerk te herstellen. De mitigerende maatregelen worden in de realisatiefase nader uitgewerkt. Voor twee erven is nader onderzoek in de realisatiefase nodig. Deze erven zijn op de plankaart opgenomen als ‘nader onderzoek mitigerende maatregelen natschade’. Afwatering Lattropse Veen (zuidzijde) Binnen het Lattropse Veen worden alle watergangen gedempt (externe maatregelen). Aangezien het gehele gebied, ook ten zuiden en zuidoosten van het plangebied nu afwatert richting de Frensdorferweg, moet voor de te handhaven ontwatering in het zuidelijke deel en het verwerken van dit water uit Duitsland, een nieuwe afwatering worden gerealiseerd. In de realisatiefase moet deze nader gedetailleerd worden. Ophogen landbouwpercelen ten westen van Bergvennen – compenserende maatregelen Een van de maatregelen uit de Gebiedsanalyse is het ophogen van landbouwgebied ten westen van de Bergvennenweg (M1k) als mitigerende maatregel voor de verwachte vernatting van dit landbouwgebied (als gevolg van hydrologische maatregelen voor de natuur).
Deze maatregel is niet in het inrichtingsplan opgenomen en uitgewerkt. Er dient eerst nader onderzoek naar de hydrologische effecten van ophoging te worden uitgevoerd. Bij ophoging moet goed gekeken worden wat de invloed op grondwaterstromen is (bij te grote ophoging kan er namelijk grondwaterinvloed ontstaan op de westzijde van de Bergvennen). Dit onderzoek heeft echter pas zin als ophoging ook een wens van de betreffende perceeleigenaren is. Door de aanleg van de nieuwe landbouwontwateringssloot door de huidige verkaveling heen en de effecten van de hydrologische maatregelen is de grondpuzzel in dit gebied nog niet gelegd. Gedurende de realisatiefase zal dit nader onderzocht worden. Ophogen terrein camping Bergvennen Een van de maatregelen uit de Gebiedsanalyse is het verminderen van eventuele ongewenste effecten van vernatting op de camping als gevolg van maatregelen in de omgeving. Uit onderzoek uitgevoerd door de Bosgroepen (2021) is gebleken dat het campingven verondiept moet worden en uit onderzoek door TAUW (2019, scenario 10 – eindscenario) is gebleken dat hierdoor een deel van de camping wordt vernat. Om deze voor de camping ongewenste vernatting in voldoende mate te compenseren is in overleg met de eigenaren afgesproken om deze vernatting te mitigeren door middel van het uitvoeren van terreinophogingen (circa 30 cm boven maaiveld).
93/142
Kenmerk
7.2
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Klimaat en duurzaamheid
7.2.1 Beleidskader Het nationale klimaatbeleid richt zich op minder uitstoot van broeikasgassen. Nederland heeft zich verbonden aan verschillende internationale klimaatafspraken zoals het klimaatprotocol van de Verenigde Naties (VN) en het Kyoto-Protocol. Het Nederlandse klimaatbeleid is gebaseerd op deze afspraken. Om de gevolgen van klimaatverandering zo klein mogelijk te houden, moet de overheid maatregelen nemen. Het klimaatbeleid van Nederland richt zich op: • Maatregelen om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen (adaptatie). Bijvoorbeeld maatregelen voor waterveiligheid, zoetwatervoorziening, landbouw, natuur en gezondheid. Voorbeelden zijn het versterken van dijken en de aanplant van bomen en struiken in steden tegen hittestress •
Vermindering van de uitstoot van broeikasgassen zodat het klimaat niet zo snel en sterk verandert (mitigatie). Bijvoorbeeld door over te stappen van fossiele brandstoffen op duurzame energiebronnen zoals wind- en zonne-energie
Binnen de provincie Overijssel 5 zijn vier ambities geformuleerd die de koers bepalen van de sturing op duurzaamheid: •
Klimaatbestendig Overijssel. Dit betekent onder meer dat de provincie er voor wil zorgen dat Overijssel - nu en in de toekomst - beschermd is tegen overstromingen, droge voeten houdt en, ook in perioden van droogte, over voldoende en schoon (drink)water beschikt voor bewoners, natuur en (landbouw)bedrijven. Daarnaast wordt bij het werken aan de klimaatopgaven gezocht naar verbinding met andere (regionale) opgaven en ambities (denk aan natuurontwikkeling, recreatie, bijzondere woon- of werklocaties aan het water,
•
bereikbaarheid en innovatie in de agro- en foodsector) Een duurzame energiehuishouding: Hernieuwbare energie voor iedereen beschikbaar en betaalbaar. De provincie zet in op het vergroten van het aandeel energie uit bronnen als zon,
•
wind, biomassa en ondergrond. In 2023 moet 20 % van de energiebehoefte uit hernieuwbare bronnen bestaan, de ambitie voor 2030 ligt op een aandeel van 30 % hernieuwbare energie Kringlopen sluiten, ofwel: toegroeien naar een circulaire economie. Overijssel wil
•
verantwoord omgaan met grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen en heeft de ambitie toe te groeien naar een circulaire economie Beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur. Overijssel heeft de ambitie om - naast het beter benutten van grondstoffen - ook bestaande ruimte, bebouwing en infrastructuur beter en slimmer te benutten
Op gemeentelijk niveau is het duurzaamheidsbeleid uitgewerkt in de Nota Duurzaamheid. De gemeente geeft met de duurzaamheidsnota een integrale uitwerking aan de duurzaamheidambities en doelstellingen van de gemeente en haar partners en stelt daarmee een kader om te komen tot een duurzamere gemeente. De aandacht gaat naar de beleidsvelden die
5
Omgevingsvisie Overijssel Beken Kleur, vastgesteld 12-04-2017.
94/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
van invloed zijn op duurzaamheid. In haar beleid houdt de gemeente rekening met de klimaatscenario’s van het KNMI en streeft zij naar een klimaatbestendige inrichting van de openbare ruimte, onder meer door voldoende ruimte voor waterberging, wateropvang en het behoud en bevorderen van biodiversiteit. 7.2.2 Referentiesituatie Het is onzeker hoe het toekomstige klimaat er precies uit ziet. Op basis van de wereldwijde temperatuurstijging heeft het KNMI vier klimaatscenario’s ontwikkeld voor Nederland. In de Gscenario’s (Gematigd) is er sprake van 1°C mondiale temperatuurstijging in 2050 en in de Wscenario’s (Warm) is er sprake van 2°C stijging in 2050 ten opzichte van 1981-2010. In de GH en de WH scenario’s is er daarnaast ook sprake van verandering van luchtstromingspatronen waardoor bijvoorbeeld de zomers droger worden. Samen geven de scenario’s de hoekpunten weer waarbinnen klimaatverandering waarschijnlijk zal plaatsvinden (zie figuur 7.1).
Figuur 7.1 KNMI'14-klimaatscenario's
De verschillende scenario’s bevatten relevante afgeleide effecten (op basis van de klimaatatlas 6) van klimaatverandering binnen en rondom het plangebied: • Droogtestress als gevolg langere droge perioden/ temperatuurstijging. Dit effect is vooral • •
relevant op de hogere zandgronden in Bergvennen en Brecklenkampse veld Natuurbranden als gevolg van meer en langere droge perioden Zuurstofstress als gevolg van (extreme) wateroverlast. Dit effect speelt vooral in de lagere gebieden van Bergvennen en Brecklenkampse veld
6
http://www.klimaateffectatlas.nl/nl/, De atlas is gebaseerd op landelijke gegevens en geeft een indicatie van de orde grootte van effecten die mogelijk gaan spelen in een gebied
95/142
Kenmerk
•
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Hittestress (meer tropische dagen / nachten). Vooral in de kernen rondom Bergvennen en Brecklenkampse veld kan dit effect optreden
Op het gebied van duurzaamheid zijn er naast de genoemde klimaatscenario’s geen specifieke autonome ontwikkelingen in het gebied op het gebied van klimaatmitigatie of klimaatadaptatie die leiden tot een ander referentiebeeld dan de klimaatscenario’s. 7.2.3
Beoordelingskader
Het eerste toetsingscriterium voor het thema Klimaat en Duurzaamheid is de robuustheid van het plan voor klimaatverandering. Dit betreft de bestendigheid van de inrichting van het plangebied tegen meer extremen in neerslag en droogte. Het tweede criterium is de bijdrage van het plan aan duurzaamheidsdoelstellingen zoals geformuleerd in het rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid. Het derde criterium is het effect op robuustheid van het systeem voor duurzaam beheer en onderhoud. Voor dit aspect worden de effecten van de maatregelen in relatie tot de beheersmogelijkheden beschreven. 7.2.4
Effectbeoordeling
Robuustheid plan voor klimaatverandering Door klimaatverandering nemen zowel droge als natte extremen toe. Dit levert problemen op voor natuurtypen en plantensoorten die zich hebben aangepast aan zeer natte omstandigheden (zoals veenvegetaties) of zeer droge omstandigheden. Droogteresistente soorten kunnen slecht tegen extreme nattigheid. Grondwaterafhankelijke soorten kunnen slecht tegen extreme droogte. Het risico is dat hun plaats wordt ingenomen door ‘generalisten’ die in verschillende condities kunnen overleven. Er is in het huidige klimaat al sprake van droogtestress en zuurstofstress. Het gevolg voor de natuur is dat de soortenrijkdom steeds verder kan afnemen. Binnen het plangebied kunnen deze effecten in relatie tot de natuurdoelstellingen ook optreden. Voor Bergvennen en Brecklenkampse veld betekent een toename van droogte een achteruitgang van natte heide en veen vegetaties. Een toename van zware regenval, in afwisseling met droge perioden, kan in de omgeving leiden tot achtergang van aanwezige habitattypen door een toename in frequentie en omvang van piekafvoeren. Meer kans op zowel zomerdroogte als zware regenval levert problemen op voor de soorten waarvan het leefgebied zich juist op de grens van nat en droog bevindt (natte heide). De vegetatie op de natte heide kan door vergrassing met pijpenstrootje in de knel komen.
Bij de komende generaties Natura 2000-Beheerplannen zal in beeld moeten komen of bepaalde grond- en regenwaterafhankelijke instandhoudingsdoelen in de droogste klimaatscenario's ook kunnen overleven. Anderzijds dragen de maatregelen bij aan een robuuster natuurnetwerk en instandhouding en uitbreiding van de verschillende habitattypen door het beter vasthouden van (grond)water in het gebied. Over het algemeen geldt dat grotere aaneengesloten natuurgebieden de gevolgen van klimaatverandering beter kunnen opvangen. Dit is een positief effect. Per saldo wordt daarom een neutrale beoordeling gegeven (0).
96/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Bijdrage plan aan duurzaamheidsdoelstellingen Het tweede criterium is de bijdrage van het plan aan duurzaamheidsdoelstellingen zoals geformuleerd in het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Het verdwijnen van opslag en bosomvorming van bos naar heide leidt tot minder invang van CO2 omdat er bomen verdwijnen. De werkzaamheden voor de diverse maatregelen leiden ook tot extra CO2 uitstoot. Dit sluit niet aan bij de doelstelling om de CO2 uitstoot te reduceren en de verplichtingen die Nederland via de Verdragen van Kyoto en Parijs is aangegaan. De maatregelen zijn echter noodzakelijk om aan de Habitatrichtlijn te voldoen (zie kader). Naast de uitstoot van CO² in de uitvoering draagt het vernatten van het gebied en omliggende landbouwgronden echter ook bij aan het vasthouden en vastleggen van broeikasgassen (onder andere methaan) in de bodem. Deze effecten zijn echter niet gekwantificeerd. Vooralsnog is het effect van extra CO2 uitstoot als gevolg van het plan negatief beoordeeld onder bijdrage aan duurzaamheidsdoelstellingen. Tezamen komt dit uit op een neutraal effect op de duurzaamheidsdoelstellingen (0). Effecten op robuustheid van het systeem voor duurzaam beheer en onderhoud Als gevolg van de maatregelen neemt de totale oppervlakte van te beheren habitattypen toe. Dit wordt met name veroorzaakt door de omvorming van landbouwpercelen naar natuur.
Uitbreiding van oppervlakte treedt met name op voor de habitattypen heide, vochtige heide en graslanden. De uitbreiding vindt veelal plaats in aansluiting op bestaande habitattypen met een gelijk beheer. De verwachting is dat er extensieve begrazing en maaibeheer plaats zal vinden. De extra beheerinspanning betreft daarom voornamelijk voortzetting en uitbreiding van de bestaande beheers- en onderhoudsinspanning. Er treden daardoor geen noemenswaardige effecten voor beheer en onderhoud. Het effect is neutraal beoordeeld (0). 7.2.5
Mitigerende maatregelen
Op dit moment is nog niet zeker hoe het klimaat zich exact zal ontwikkelen. Om toch voorbereid te zijn op klimaatverandering kunnen preventieve maatregelen worden ingezet bijvoorbeeld door middel van monitoring en indien nodig bijsturen. De Commissie m.e.r. onderstreept de noodzaak van monitoring en bijsturing vanwege de potentiële impact van extra droge perioden als gevolg van klimaatverandering. Mocht het tempo of de omvang van klimaatverandering ‘meevallen’, dan vormen de maatregelen geen desinvestering. In relatie tot natuur kan de heterogeniteit in gebieden vergroot worden. De interne heterogeniteit (ofwel gradiënten) van een gebied speelt een centrale rol bij het herstel na een verstoring. Herstel treedt op vanuit die delen van het gebied die niet zijn getroffen en van waaruit het getroffen deel opnieuw kan worden gekoloniseerd. Tijdens de uitvoering van werkzaamheden kan de uitstoot van broeikasgassen worden tegengegaan door inzet van elektrische machines (zagen, graafmachines).
7.3
Natuur
7.3.1 Beleidskader Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. In de Wet natuurbescherming is onder andere de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn verwerkt. Gebieden die onder de Vogel- en
97/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
Habitatrichtlijn vallen worden meestal Natura 2000-gebieden genoemd. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen gedefinieerd. Deze doelstellingen zijn nader uitgewerkt in een Natura 2000-Beheerplan. Voor Bergvennen en Brecklenkampse wordt het Beheerplan gelijktijdig met het PIP vastgesteld en ter inzage gelegd. Voor ingrepen met (mogelijk) significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen is een vergunning nodig. Dit geldt niet alleen voor ingrepen in de Natura 2000-gebieden, maar ook voor ingrepen op grote afstand: de zogenaamde externe werking. Bovendien moeten behalve de effecten van de ingreep zelf ook eventuele cumulatieve effecten van andere plannen en projecten worden vastgesteld. Het plangebied ligt deels in het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse veld en deels erbuiten. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Natura 2000-gebieden is er het Nationaal natuurwerk Nederland. Dit is een landelijk netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Door verbindingen tussen natuurgebieden te maken, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over meer gebieden. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke waarden en kenmerken’ van het NNN, waarbij tevens rekening wordt gehouden met andere gebiedsbelangen. Binnen het NNN is het ’nee, tenzij’-regime van toepassing.
Plannen, projecten of handelingen worden volgens dit regime beoordeeld. 7.3.2 Referentiesituatie Bergvennen en Brecklenkampse veld is een Natura 2000-gebied en vormt onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland. De begroeiing van de dekzandruggen in de Bergvennen bestaat uit droge heide afgewisseld met eiken, dennen en op enkele plekken jeneverbesstruwelen. De lagere delen van de dekzandruggen worden gekenmerkt door vochtige heide met veel pijpenstrootje. Op geplagde en/of natte laagtes binnen deze vochtige heide komen bruine snavelbies en kleine zonnedauw voor. Op 4 locaties in de Bergvennen, onder andere op de ruggen tussen het Eilandven en het Pluzenven), is kraaihei aanwezig. De lage oeverzone van de vennen wordt gekenmerkt door een soortenrijkere vochtige heide met onder andere beenbreek en lager op de oevers een pioniervegetatie met witte snavelbies, bruine snavelbies en moeraswolfsklauw. Lokaal staat langs deze helling een rand van wilde gagel, zoals bij het Ronde Ven. Vooral op de oever van het Eilandven staan veel klokjesgentianen. Op de laagste plekken van de oever staan waterlobelia en oeverkruid. Op plekken waar, door te weinig peilfluctuaties, een veenmospakket is gevormd wordt de lobeliavegetatie verdrongen.
Het habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010A) is verspreid in het gebied aanwezig op het Brecklenkampse Veld, rond de Bergvennen en in de zuidelijke uitloper van het gebied. In laagten in de vochtige heiden in het deelgebied Bergvennen is lokaal ook het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150) aanwezig. Aan de noordrand van Bergvennen ligt midden in het Natura-2000 gebied een relatief klein areaal met binnenlandse kraaiheibegroeiingen (H2320). In de zuidoostelijke hoek van het Brecklenkampse Veld bevinden zich heischrale graslanden (H6230), die ook voorkomen aan de noordkant van de Bergvennen. Aan de oost en westzijde van Brecklenkampse Veld bevinden zich velden met stuifzandheiden met struikhei (H2310). Een groot deel van het areaal rond de Bergvennen bestaat uit droge
98/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
heiden (H4030). Blauwgraslanden (H6410) komen met relatief grote oppervlakte voor op het Brecklenkampse Veld. Ook is er een kleine oppervlakte aanwezig op een perceel net ten noorden van de Bergvennen. In de noordwestelijke punt en in de zuidoostelijke hoek van Brecklenkampse Veld bevinden zich kalkmoerassen (H7230). Het habitattype zwakgebufferde vennen (H3130) is vooral aanwezig in het Brecklenkampse Veld. Zeer zwakgebufferde vennen (H3110) zijn beperkt tot de Bergvennen, waar het habitattype over een relatief grote oppervlakte voorkomt. Op een tweetal locaties in de zuidelijke uitloper van het Natura 2000-gebied komt het habitattype jeneverbesstruwelen (H5130) voor. De vegetatie in het Brecklenkampse Veld is zeer gevarieerd. De begroeiing van de hoge delen van de dekzandruggen bestaat uit droge heide en vochtige heide met onder andere beenbreek, of vochtige eiken-berkenbossen. Op de flanken van deze ruggen komen van hoog naar laag heischraal grasland, blauwgrasland en kalkmoeras voor. Over dit laatste zegt de Unie van Bosgroepen dat het hier feitelijk niet om een kalkmoeras, maar om een basenrijk moeras gaat, omdat het in deze situatie gaat om een vegetatie (geen veen) gevoed door basenrijk water (een kalkmoeras is een basenrijk veen of een vegetatie met kalkafzetting).
In de slenken van het Brecklenkampse veld bevinden zich zwak gebufferde vennen met vegetaties van de associatie van vlottende bies op de delen die een relatief klein deel van het jaar onder water staan en soorten van de associatie van veelstengelige waterbies, met bijzondere soorten als moerassmele op de delen die langer onder water staan. Op die plekken in laagtes waar organische stof zich ophoopt nemen soorten als zwarte zegge, draadrus en zomprus het over van de soorten uit de oeverkruidgemeenschappen. Historische ontwikkeling vegetatie Bergvennen De doorvoer van landbouwwater in het begin van de 20e eeuw zorgde tijdelijk voor zwak gebufferde omstandigheden en de behoud van waardevolle oeverkruidgemeenschappen (Aggenbach, 2004). Later nam de voedselrijkdom van het water toe en namen soorten van voedselrijke omstandigheden toe, zoals riet en lisdodde. Na 1960 namen deze weer langzaam af, doordat het voedselrijke water werd omgeleid. Waterlobelia en oeverkruid kwamen terug in het Rietven en in mindere mate in het Ronde Ven. De waterlobelia’s verdwenen echter weer uit het gebied; aan het einde van de jaren ’80 kwamen ze alleen nog maar voor in het Ronde Ven. Er was sprake van verzuring als gevolg van zwaveldepositie en vermesting, door stikstofdepositie.
Herstelmaatregelen begin jaren ‘90 waren effectief voor de waterlobelia’s (Bobbink et al., 2004) want de gemeenschap kwam in grote getale terug in het Eilandven, Ronde Ven en Rietven. Daar is het nu aanwezig over aanzienlijke oppervlakten (waarnemingen Unie van Bosgroepen in 2016). Doordat het Pluzenven verbonden werd met de overige vennen, vestigde de waterlobelia zich ook daar. Hoger op de oevers van de vennen hebben zich vegetaties met veenmossen en veelstengelige waterbies ontwikkeld. Hoger op de helling ontwikkelden zich soorten van een zuurder milieu, zoals bruine en witte snavelbies, vaak met moeraswolfsklauw en kleine zonnedauw (waarnemingen Unie van Bosgroepen in 2016). Landschap Overijssel geeft aan dat de groeiplaatsen van de waterlobelia associatie lijken te verschuiven naar het lager gelegen centrum van de vennen. Door een te hoog zomerpeil in de vennen heeft zich hoger op de oevers veenmos kunnen ontwikkelen en komen hier nu geen lobelia’s voor. Mogelijk hebben te lage
99/142
Kenmerk
R003-1273168LJL-V01-mdg-NL
grondwaterpeilen in de winter niet tot de benodigde opbolling in de dekzandruggen geleid waardoor alleen voldoende (zeer zwakke) buffering op de laagste delen van de vennen is ontstaan. Dit kan de oorzaak zijn dat de lobelia’s nu laag op de gradiënt voorkomen. De natuur in het gebied kampt met een aantal knelpunten. De belangrijkste knelpunten zijn de verslechterde waterhuishouding (verdroging), verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie. 7.3.3 Beoordelingskader Soortbescherming De voorgenomen maatregelen kunnen (met name in de aanlegfase) negatieve effecten hebben op soorten die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Het gaat om aanwezige beschermde diersoorten die in de referentiesituatie gebruik maken van het gebied. Door realisatie van het voorkeursalternatief kunnen verblijfplaatsen en/of het foerageergebied van beschermde soorten worden aangetast. De mate waarin het voorkeursalternatief een negatief effect heeft op beschermde diersoorten in het gebied tot gevolg heeft is beoordeeld als effect op beschermde soorten. De tijdelijke effecten worden separaat behandeld. Effect op NNN en Natura 2000-doelstellingen De maatregelen dienen de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied en het Natuurnetwerk Nederland. Het voorkeursalternatief vormt een uitwerking van de maatregelen uit de Gebiedsanalyse.
De mate waarin het voorkeursalternatief bijdraagt aan de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse veld is beoordeeld als het effect op de NNN/Natura 2000-doelstellingen. Voor het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse veld gelden de volgende kernopgaven: • • • •
6.01: Herstel en duurzaam behoud van grote zeer zwak gebufferde vennen in grote open heidevelden 6.02: Kwaliteitsverbetering (ook latere successiestadia) van zwakgebufferde vennen en als habitat voor gevlekte witsnuitlibel en geoorde fuut 6.05: Kwaliteitsverbetering en vergroting oppervlakte vochtige heiden en pioniervegetaties met snavelbiezen en actieve hoogvenen (heideveentjes) 6.06: Kwaliteitsverbetering en (indien mogelijk) oppervlakte uitbreiding heischrale graslanden en blauwgraslanden in kansrijke situaties (op schrale leemhoudende zandgronden)
Voor veel habitattypen geldt verdroging als een belangrijk knelpunt. Daarom zijn vernattingsmaatregelen voorzien. Deze maatregelen en hun effecten op de hydrologische uitgangssituatie voor de habitatdoelstellingen zijn reeds getoetst. Voor het thema natuur wordt daarom het totaaleffect van de combinatie van hydrologische en overige maatregelen op de habitatdoelstellingen in het gebied getoetst.
100/142