B_B_ontwerp_1_toelichting_Bijlage 3 Cultuurhistorie.PDF
Tekst van het document
Een historische kaart uit de atlas van Huguenin (1819 – 1829). Oostwaarts zijn de Bergvennen zichtbaar met drie meertjes die van boven naar beneden zijn benoemd als: Bergs venne, De Blaasbal, De Livring (onleesbaar). Onder de drie meertjes is de Voelendijk zichtbaar en zuidelijk daarvan de vennen die deels in Duitsland gelegen met o.a. Das weisse Venne. .
De heidevelden en veengebieden Ten oosten van de bewoonde gebieden van Breklenkamp, Lattrop en Denekamp lagen de heidevelden en de veengebieden. Het waren extensieve gebruiksgebieden die namen droegen als het Breklener Veld, Lattropper Veld, Lattropsche Veen, De Rammel Haar en het Noord Deuringer Veld. Het is in deze regio waar ook het huidige Brecklenkampse Veld en de Bergvennen (Lattropper Veld) zijn gelegen. Historische kaarten zoals die van Ten Have (1648) en bijvoorbeeld de Hottinger Atlas (1787) doen ons vermoeden dat we hier te maken hebben gehad met uitgestrekte veenmoerassen of natte heidegebieden. Kijken we echter naar de aanwezige veldnamen dan blijkt dat we te maken hebben met een veel gevarieerder landschap.
27
Veel voorkomend zijn de met heide en heischrale graslanden begroeide gebieden die benoemd zijn met een naam die eindigde op -veld. De namen die eindigden met –veen wijzen op terreinen waar ooit hoogveen heeft gelegen en waar dus turf kon worden gestoken. Bestond de begroeiing hoofdzakelijk uit moerassen, broekbosjes en natte graslanden dan kreeg het een naam die eindigde met – broek/brook.27 Zuurdere terreindelen zoals heideslenken of randen van veengebieden worden benoemd met vlier/flier/fledder/plessche.28 Een Riet of een naam die eindigde op –riet verwijst naar kleine stroompjes die door moerassige laagten stroomden. In dit geval zou het specifiek verwijzen naar afgesnoerde beddingen van de Oerdinkel (slenken) in het Brecklenkampse veld en de Bergvennen die tijdens hevige regenval niet alleen vol kwamen te staan, maar het water ook via natuurlijke moerasachtige laagte afvoerden.29 Uiteraard zijn er ook de vennen (poel/plas) oftewel kleine meertjes met vaak een veenachtige bodem.30 Als laatste wordt in het Lattropsche Veen nog de veldnaam de Haa genoemd. De naam is afkomstig van –haar zoals de Rammel Haar of de Evenhaar en de Hooge Haaren die ook ergens in het Lattropsche Veld of het Lattropsche Veen gelokaliseerd kunnen worden.
Het achtervoegsel –haar wijst op een droge en een wat armere zandkop of zandrug.31 Het zijn de typische zandruggen in het gebied van de Bergvennen (Lattropper Veld) die zijn gekarteerd als haarpodzolgrond en die in de middeleeuwen gedeeltelijk zijn verstoven. Het voorkomen van deze uiteenlopende veldnamen toont de landschappelijke variatie. Een rijk geschakeerd landschap met hoogveenmoerassen, moerassige slenken met plukjes broekbos, natte heidevegetaties, natte hooilanden, droge heidevegetaties en schrale graslanden. Gebieden die in zijn geheel werden aangeduid als -veld en extensief werden benut door de Breklenkampse en Lattropse boeren.
Het Brecklenkampse Veld in de natte wintertijd. Dit gebied werd in historische tijden aangeduid met veldnamen als vledder/fledder, riet, vennen of bijvoorbeeld mös en moat. Bron foto: H. Smeenge.
27
Spek 2010, 144-145.
28
Mededeling H. Smeenge en H. Scholte Lubbering.
29
Veldnamenboek (Veldnamen in de gemeente Denekamp), 41. Zie bijvoorbeeld de slenk iets ten noordwesten van waar de Lemsmatenweg uitkomt op de Kommiezendijk. Deze stond bekend als de ‘Vosriet’. 30 Eggelplas is vernoemd naar een plas die vol zat met bloedzuigers (Eggel, iggel of echel = bloedzuiger). 31 Bloemhoff en Worst, 2017.
28
De marken van Breklenkamp en Lattrop (1200 – 1850) Het Natura-2000 gebied Brecklenkampse Veld en de Bergvennen ligt in twee verschillende marken: de marke van Breklenkamp en de marke van Lattrop en Tilligte. Een marke (letterlijk grens of scheiding) vertegenwoordigd een middeleeuws collectief van boeren die gezamenlijk het gebruik en beheer van de gemeenschappelijke gronden reguleerde zoals de heiden, weiden, venen en bossen. De eerste schriftelijke bewijzen voor markegenootschappen stammen uit de 13e en 14e eeuw. Waarschijnlijk functioneerden de marken al eerder en zijn de markeregels pas relatief laat op schrift gesteld. Algemeen wordt aangenomen dat de marken zijn opgericht als reactie op de bevolkingstoename en de hiermee gepaard gaande druk op de bestaande cultuurgronden. In deze periode deden zich erfsplitsingen voor waarbij ook nieuwe kleine dekzandkopjes als éénmansessen (ook wel éénmanskampen) in gebruik werden genomen.
Het functioneren en bestuur van een markegenootschap De markegenoten (gewaarden) kwamen regelmatig bijeen tijdens een holtink om over zaken te spreken die gerelateerd waren aan de marke. Aangezien het beheer van het bos één van de belangrijkste thema´s was is de holtink of holtsprake hiernaar vernoemd. De holtink werd geleid door een markerichter. De markerichter kon gekozen worden, maar soms was de functie erfelijk (erfmarkerichter). Afhankelijk van het aantal waardelen of waren mocht gewaarden een bepaald aantal stuks vee laten weiden, heide maaien of plaggen, turfsteken en varkens weiden in het bos (akeren). De grootste en oudste boerderijen waren veelal volgewaard en hadden één stem in de marke. Gewaarde erven konden ook opgesplitst worden, waardoor er twee boerderijen met elk een half waardeel ontstonden, of later vier met elk een kwart waardeel. Dergelijke erven zijn vaak aangeduid met ‘klein’ of ‘luttike’. Als laatste waren er nog de keuters, katers of kotters die niet beschikten over een waardeel in de marke. Zij verwierven slechts geringe rechten op de markegronden en tegen betaling mochten zij ook markegrond aankopen en in ontginning nemen.
Lattrop vormde samen met Tilligte één markegericht en gezamenlijk hadden zij één markerichter, ook de notulen van de holtings werden geregistreerd in een gezamenlijk markeboek. De holting werd in Tilligte gehouden op het erve Scholte Varwijk. Dit was een hofhorige boerderij die behoorde tot de Hof van Ootmarsum. De aanduiding ‘scholte’ verwijst nog naar het hofstelsel en moet niet verward worden met het markerichterschap. Grootgrondbezitters zoals de bisschop van Utrecht, vooraanstaande lieden of kloosters exploiteerden hun bezittingen vanuit een aantal hoofdhoven. Op deze administratieve centra werden alle pachten (in natura) verzameld van de omliggende horige boeren. Daarvoor was een door de grootgrondbezitter aangestelde horige scholte of meier verantwoordelijk. Verder was de scholte belast met de lokale rechtspraak, de handhaving van de orde en zagen zij erop toe dat de horigen bepaalde diensten verrichten op de hoofdhof. Vanaf de late middeleeuwen en in de nieuwe tijd zien we dat de scholtenboeren een steeds prominentere rol ging vervullen binnen het dorpsleven.32 Op het erf Scholte Varwijk resideerde dus van oudsher de scholte van het Hof van Ootmarsum. Blijkbaar heeft het erf Varwijk in Tilligte als hoofdhof of grote boerderij gefunctioneerd voor de horige boeren van de Hof van Ootmarsum uit de regio Lattrop en Tilligte.
Waarschijnlijk niet geheel toevalligerwijs was aan dit erf dus ook het erfmarkerichterschap verbonden. Soms werden de holtings ook gehouden op het erf Bonke in Lattrop dat eveneens horig was aan het Hof van Ootmarsum. Breklenkamp vormde een zelfstandige marke en het erfmarkenrichterschap was in deze plaats eveneens verbonden aan de Scholtenhof. Aangezien de boerderij in handen was van de graaf van Bentheim voerde deze ook het voorzitterschap over het markerichterschap. In 1651 komt de Scholtenhof en in 1659 het markrichterschap in handen van de heer van Twickel. Zoals gebleken uit de goederenlijsten kunnen boerderijen in Twente erg oude wortels hebben. Doordat in Twente uitvoerig historisch boerderij-onderzoek is gepleegd is er veel bekend over de ouderdom en aard van veel Twentse erven.33 Dat geldt ook voor de boerderijen uit Breklenkamp en Lattrop. In een register uit 1475 worden in Breklenkamp 12 erven opgetekend en in Lattrop 14. Vijf van de Breklenkampse erven waren volgewaard (een vol waardeel) en waarschijnlijk was het van schatting vrijgestelde erve Tijhuis dat ook. Van de overige zes erven bezaten vijf een half waardeel, terwijl over 32
Vooral in de omgeving van Winterswijk en Aalten ontwikkelden de scholten zich tot herenboeren die vanwege hun vele bestuursfuncties veel macht konden uitoefenen in de lokale samenleving. 33 Henk Woolderink heeft hier veel onderzoek naar verricht. Zo ook voor het richterambt Ootmarsum (Woolderink, 2013).
29
het erf Rotman niet bekend is in hoeverre het gewaard was in de marke. Rond 1500 waren in Lattrop 9 erven volgewaard, drie werden voor een half aangeslagen en van de overige drie erven is niet bekend in hoeverre ze gewaard waren in de marke. Een van deze drie erven was Tijscholte, een 18e-eeuwse afsplitsing van Scholte Lubberink die daarvoor vermoedelijk functioneerde als lijftucht. Het erf Zegelvoort is waarschijnlijk ongewaard, of een afsplitsing van een groter erf. Nog in de veertiende eeuw was het Bentheims bezit.34
Historische kaart uit de Hottinger Atlas van Overijssel en Helderland (1773 – 1794). Oostelijk zijn de Bergvennen aangegeven als ’t Harsevelds-veen en daaronder is de Voelen dijk zichtbaar. Linksondering de verspreid liggende boerderijen in Lattrop met onder andere het erf Bonke en Lubbrink. Bovenin is ’t huys te Brekkelenkamp weergegeven. . 34
Woolderink, 2013 (Brekelenkamp & Lattrop); mededeling H. Scholte Lubbering.
30
Markegrenzen Het ontstaan van de marken had als gevolg dat er ook onderlinge afspraken gemaakt dienden te worden over de gebiedsgrenzen tussen de verschillende marken. Het moest voor iedereen duidelijk zijn tot welke marke de gemeenschappelijke gronden behoorden. Zodoende zijn er ook markegrenzen getrokken tussen de marke Breklenkamp en de marke Lattrop-Tilligte. Vaak werden natuurlijke grenzen genomen zoals beekjes, ontoegankelijke moerassen of andere duidelijke landschappelijke scheidingen. Wanneer duidelijke natuurlijke grenzen ontbraken dan werden laakstenen gebruikt om de markegrens te markeren. Het woord laak heeft de betekenis van grens.35 Vanaf de grens met Duitsland in oostelijke richting vormde de Geele Beek de natuurlijke markegrens tussen Breklenkamp en Lattrop. Door het rechttrekken van de beek is deze natuurlijke markegrens verloren gegaan (zie kaart 2).36 Slechts in de omgeving van het erve Dasselaar aan de Spiekweg lijken nog enige relicten aanwezig te zijn van de voormalige loop van de Geele Beek. Verder oostelijk, waar de Geele Beek zuidwaarts afbuigt, is de exacte loop van de markegrens over enkele honderden meters onbekend. De verdere begrenzing in min of meer oostelijke richting is overgeleverd op de kadastrale minuutplans.
Het is een kaarsrechte grensscheiding over het voormalige heide en veengebied die aansluit op de ‘knik’ in de landsscheiding tussen Duitsland en Nederland. Hier staat sinds 1824 de grenspaal met nummer 52, maar voordien werd dit punt aangeduid met een ‘scheidsteen’ die dienst deed als markegrens tussen Breklenkamp, Lattrop en Frenswegen. De markegrens liep precies door de Bergvennen en deelde zelfs de Bergsvenne of het Eilandven in tweeën. Een gedeelte van de markegrens is nog steeds zichtbaar in het landschap. Ten noorden van de Bergvennenweg is de voormalige grensgreppel verdiept tot een sloot. En in het natuurgebied zelfs is de markegrens over zo’n 150 meter nog duidelijk te volgen als de originele grensgreppel.
De wit geblokte streep toont een ondiepe greppel door de Bergvennen . Deze greppel is de historische markegrens en is als fysiek relict nog steeds zichtbaar in het veld.
35 36
Schönfeld 1980, 53 (noot 169). Zie de kaart 2 (Middeleeuwse dorpslandschappen) voor de markegrens.
31
In de oude markeboeken zijn nog veel meer gegevens te vinden over de markegrenzen. De markeboeken van Lattrop-Tilligte worden bewaard in het HCO in Zwolle en het markeboek van Breklenkamp heeft onderdak gekregen in het archief van het kasteel Twickel bij Delden.37 Een mooi voorbeeld is een geschil over de brandwinninge (het turfsteken) en het winnen van mestplaggen voor de potstal in het Lattroper Veld. Daarbij worden bepaalde gebieden aangewezen door middel van het zetten van baken (merkteken/markering). Zo is de eerste baak gezet ‘op de Evenhaar bij de weg tegens de Laaksteen van de Graafschap Bentheim aan de sijde van het sogenaamde Bergers of Hertzevelds Veen’.38 Op dezelfde wijze volgen nog een zestal bakens waarvan de exacte locatie helaas niet meer bepaald kan worden. Het voorbeeld toont wel dat de oude markeboeken ons nog heel veel kunnen leren over bijvoorbeeld het vroegere gebruik van het landschap en de historische markegrenzen.
De hiervoor getoonde greppel is ook verder oostwaarts te volgen (zie wit geblokte lijn). Op de foto snijd een ondiepe greppel door het heideveld. De jeneverbes op de foto staat precies langs de rand van de oude markegrens. Net achter de jeneverbes ligt het wandelpad door de Bergvennen (vanaf de parkeerplaats bij de Bergvennenweg langs het Eilandven).
De middeleeuwse boerenerven in Breklenkamp en Lattrop (1000 – heden) Door het historisch-boerderijonderzoek weten we niet alleen veel over de historie van de boerenplaatsen, ook kunnen we de historische locaties ervan traceren.39 Dit maakt het mogelijk om boerderijerven in Breklenkamp en Lattrop nader te analyseren. Hoe liggen ze verspreid in het landschap? Zien we een duidelijke kern van volgewaarde erven versus halfgewaarde erven? En is er een kern aan te wijzen van oudere erven in de buurtschappen? Om deze vragen te beantwoorden keren we terug naar het middeleeuwse landschap. Vanaf de vroege middeleeuwen werden de hoogste en grootste dekzandeilanden van bos ontdaan en omgezet tot cultuurland. Bewoning vond toen nog plaats op de hoge en droge dekzandkoppen. Vaak al in de 10e en 37
HCO Zwolle toegang 0003.1, nummer 1.2.2.5.1.6.3.2.35 Marken Tilligte en Lattrop; HCO Zwolle toegang 0157, nummer 1.62 Lattrop en Tilligte; Huisarchief Twickel, toegang 2, inummer 2.2.2.1.1.3.2.2 Markerichterschap van de marke Brecklenkamp. 38 HCO Zwolle, toegang 0003.1; inventarisnummer 3839. 39 Zie hiervoor ook: HISGIS (www.hisgis.nl – horigheid).
32
11e eeuw werden de boerderijen verplaatst naar de iets vochtigere flanken van dekzandopduikingen.40 Wanneer we de boerderijplaatsen van Breklenkamp en Lattrop vervolgens plotten op de hoogtekaart van het gebied dan blijkt dat de boerderijen in 1832, en waarschijnlijk ook vóór die tijd, reeds op de dalflanken liggen.41 Vrijwel alle erven zijn gelegen in het reliëfrijke beekdal met de vele dekzandeilanden. Boerenerven in Breklenkamp In Breklenkamp liggen een achttal boerderijen min of meer in een cirkel geclusterd in de directe nabijheid van een aantal bijeen gelegen dekzandkoppen. Verder noordelijk liggen nog verspreid over meer geïsoleerde dekzandruggen nog eens vier afzonderlijke erven. Opvallend is dat vier van de vijf volgewaarde erven geclusterd liggen. Hiertoe behoort onder andere het belangrijke erve Scholtenhof, ofwel het Hof Breklenkamp, met het hiervan afgesplitste Tijhuis (later Huis Brecklenkamp). Zoals eerder al ter sprake kwam wijst de naam Scholtenhof op de centrale positie die het erf innam binnen de horige gemeenschap. Het lijkt dus geen toeval dat ook het erfmarkenrichterschap aan dit erf verbonden is. Doordat het Scholtenhof een leengoed was van de Graaf van Bentheim oefende deze ook de functie uit van erfmarkerichter.42 Overigens had de graaf van Bentheim naast de Scholtenhof vrijwel alle volgewaarde en halfgewaarde erven in Breklenkamp in handen.
De graaf heeft ze in een relatief laat stadium verkregen door ruil en aankoop. De van het Scholtenhof afgesplitste erf Tijhuis (Huis Brecklenkamp) wijst eveneens naar de centrale positie van het Scholtenhof. De naam Thije is in historisch opzicht erg interessant. Het is afgeleid van het oude Germaanse begrip tie of thye. Verspreid over het oude Saksische grondgebied (vanaf de IJssel in oostelijke richting tot aan de Elbe) kwamen talrijke namen met het bestandsdeel tie voor. Een tie was een plaats waar de inwoners van een dorp of streek samenkwamen om met elkaar te vergaderen en recht te spreken. Het woord zou een relatie hebben met ‘beschuldigen, terechtwijzen en rechtspreken. Dergelijke namen hebben vaak een hoge ouderdom en kunnen zelfs teruggaan tot vóór de vroege middeleeuwen, hetgeen niet zegt dat iedere naam ook daadwerkelijk zo oud is. Toch liggen op veel plaatsen in Twente en Drenthe tie-namen in of naast de oudste nederzettingskern.43 Iets wat ook opgaat in Brecklenkamp waar het Tijhuis tussen de volgewaarde erven, waaronder de Scholtenhof, in ligt. Boerenerven in Lattrop In Lattrop loopt van noord naar zuid een cluster van dekzandeilanden. Precies daar waar de dekzandkoppen iets breder zijn ligt een clustering van een elftal boerderijen, ze liggen zowel ten noorden als ten zuiden van de Frensdorferweg.
Binnen dit cluster liggen maar liefst acht van de in totaal negen volgewaarde boerderijen. We kunnen hier dus met recht spreken van het middeleeuwse centrum van Lattrop. Het markenrichterschap van de marke Lattrop-Tilligte lag op het erf Scholte Varwijk in Tilligte dat hofhorig was aan de Hof Ootmarsum. Gevolg was dat de hofmeier (scholte) van Ootmarsum het voorzitterschap tijdens de markevergaderingen uitoefende. De vergaderingen in Lattrop zouden plaats hebben gevonden op het erf Bonke.44 Dit was niet geheel toevallig want samen met het erf Wiggerink in Lattrop was ook het erf Bonke horig aan de Hof Ootmarsum. Overigens is het wel de vraag of de marke Lattrop-Tilligte van meet af aan een eenheid heeft gevormd. Anders dan Scholte Varwijk in Tilligte en het Scholtenhof in Breklenkamp draagt het erf Bonke niet de naam van ‘scholte’. Dat was wel het geval voor het erf ‘Scholte Lubberink’ dat eveneens was gelegen in het centrum van middeleeuws Lattrop. Het huis was een leen van het Huis Putten.45 De naam ‘Scholte’ is verdacht en net als in Breklenkamp is van het oude scholtenerf, hoewel pas in de achttiende eeuw, een nieuw erf afgesplitst met de naam ‘Tijscholte’.
Zal het erf Scholte Lubberink ooit een centrumfunctie als hoofdhof hebben gehad voor een aantal boerderijen in de directe regio? De reden dat het markenrichterschap uiteindelijk is overgegaan naar een Staats (voormalig hofhorig) erf kan er in liggen dat Scholte Lubberink tijdens de tachtigjarige oorlog een katholieke eigenaar had.46 Dit maakt het waarschijnlijk dat dit erf nog vóór de zestiende eeuw het richterschap heeft gevoerd over de zelfstandige marke Lattrop. Een interessante vraag is nu hoe het Huis Putten aan dit bezit is gekomen?
40
Groenewoudt & Scholte Lubberink 2007, 63. Het gaat om boerderijplaatsen die al in 1475 of voor die tijd bekend waren. 42 Wanrooij 2010, 72 (vanwege een lening aan de graaf van Bentheim heeft de Familie Bentinck in latere tijden een pandrecht gehad op de Scholtenhof waardoor zij het markerichterschap konden opeisen). 43 Spek 2010, 228-230. 44 Asma 2001, 1. 45 In 1313 wordt het leen in Lattrop al beschreven in een leenregister van het Huis Putten als ‘et bona in Lattorpe’ (Doorninck en Molhuysen 1902, 3). 46 Deze optie is aangedragen door H. Scholte Lubberink. 41
33
Vol- en halfgewaarde erven in Lattrop en Breklenkamp (1832) Boerderijerven
_ ^
Volgewaard
Lattrop en Breklenkamp
j k
Halfgewaard
Natura-2000 gebied
g _
Onbekend
Terreinen LO
Rotman
g _
Brookman/Brookhuis
_ ^
Lutke Veldman
j k
Breklenkamp
Goosink/Gosenink
_ ^ _ ^
Alberink Herspink
Grote Veldman
j k
j k
Tijhuis (Huis Breklenkamp)
g _
Wernsink/Warsink Nijhof
j k
_ ^
Scholtenhof (Hof Breklenkamp)
_ Molendijk ^ Molendijk
j k
Dasseler/Dasselaar
j k Voet/Wagenvoort
g _
Stokkink/Stokke
_ ^
Boomhuis
j k
Kuipers/Busschers
g _
Kukkert
g _
Rerink Leferink
Scholte Lubberdink
Lattrop
_^ ^ _
_ Wiggerink/Wigger^ _^ ^ _ g Zegelvoort/Segelvoort Tijscholte j k g _ _ Beernink _ ^
Hofstede
Bonkink/Bonke Goosink
_ ^
_ ^
Pikkemaat
Begrenzing
g _
De territoriale indeling van het middeleeuwse Twentse grensgebied (1100 – 1600) Gesitueerd aan de Nederlands-Duitse rijksgrens vormen Breklenkamp en Lattrop echte grensdorpjes. Hoewel de grens een harde scheiding vormt, is deze vanuit cultureel oogpunt veel diffuser. Zo werd het Duitse grondgebied in de middeleeuwen ook wel aangeduid als Noord-Twente. Het ´Zuid-Twente’ zou dan overeenkomen met het huidige Twente. Al snel verdwijnt de naam ‘Noord-Twente’ uit de geschiedenis. Vanaf de 11e eeuw en zeker vanaf de 12e eeuw komt het gebied steeds meer onder invloed te staan van het kasteel Bentheim. Van een graafschap met afgebakende grenzen kan dan nog niet gesproken worden. De vorming van het graafschap Bentheim is een zeer geleidelijk proces geweest, waarbij het eigendomsbezit van het gelijknamige geslacht gestaag toenam. Het duurde zelfs tot in de 14e eeuw voordat het Bentheimse grondgebied rechtmatig een graafschap van het Heilige Roomse Rijk mocht worden genoemd.
Een historische kaart van Blaeu van het graafschap Bentheim uit 1645. De kaart is gedraaid waardoor het lijkt alsof de Dinkel en de Vecht naar het westen stromen i.p.v. naar het noorden. In het geel de grenzen van het graafschap Bentheim en de groene lijn geeft het graafschap Twente weer. Ook hier is weer de belangrijke verbindingsweg tussen Nordhorn – Denekamp/Ootmarsum weergegeven (Voelendijk).
35
Grenstractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Hannover, Meppen, 02-07-1824. Art. 14 Van den steen aan den oostelijken hoek van Strootmanskamp, loopt de grens verder in regte lijn op eenen keisteen, in de nabijheid van den zoogenaamden Voelendijk of weg van Ootmarssum naar Noordhoorn gelegen; vervolgens dwars over dezen dijk of weg, in regte lijn, op eenen keisteen, oostelijk van het daarbij gelegen zoogenaamd Bergsvinne, welke, volgens opgave, tevens de scheidsteen is tusschen Breckelenkamp, Frensdorf en Lattrup. Van hier door het heideveld regt op eenen kruiskuil in de zoogenaamde Wateringspool, weleer Wateringsblanke en ook Tibbenpool genaamd, alwaar een paal staat; alsdan in regte lijn door het heideveld op eenen oord in het Veen, de Plessche of Vledder genaamd en verder door eenen ouden Kruiskuil, noordelijk van den weg van Frenswege, regt op den zoogenaamden Scheidebult, waarop een zandsteen, zonder jaartal of merkteeken, staat. Deze steen is, volgens opgave, tevens Marktescheiding tusschen de westelijk gelegen Nederlandsche boerschap Breckelenkamp en de Hanoversche boerschappen Frensdorf en Grasdorf, zoo mede de opgegeven scheiding tusschen het Boven- en Neder-Graafschap Bentheim. Van dezen steen verder in regte lijn door het heideveld op eenen heuvel, westelijk van eenen waterpoel, Pispot genaamd, gelegen.
Van hier in dezelfde rigting op eenen noordelijk gelegen kruiskuil, waarbij thans een wachholder struik staat; verder regt op een ander punt aan de oostzijde des wegs, welke langs het Groenland, de Breckelenkamper Schiphorst genaamd, loopt: als dan in regte lijn op een punt in de rigting op de zoogenaamde kalverlage, hetwelk aan de Grasdorper Schiphorst en Zuidoostwaarts van den hoek van Kalverlagenkamp, het nieuwe Land genaamd, ligt, van waar de grens, in regte lijn door het heideveld, naar het westen draaijende digt aan en noordwestelijk langs den zoogenaamden Rondenbult loopt, in de rigting op de schuur van den Bentheimschen boer Bucht, tot aan het klein Breckelenkamper eikenboschje, aan de oostzijde der heg of wal van Bucht: alsdan, langs deze heg of wal, die op Hanoversch grondgebied ligt, tot aan bovengemelde schuur van Bucht. De rijksgrens tussen Twente en Bentheim In 1548 is met het verdrag van Augsburg één van Nederlands oudste grenstraktatengrenstraktaten gesloten tussen het graafschap Bentheim en het Spaanse rijk, helemaal van Coevorden tot Losser.47 Ook de grens tussen Breklenkamp – Lattrop en het graafschap Bentheim is daarin opgenomen. Tegen het einde van de 18e eeuw komt een proces op gang waarbij op veel plaatsen langs de Nederlandse grens nieuwe stenen worden geplaatst. Op de grens tussen Breklenkamp-Lattrop en het graafschap Bentheim gebeurde dit in 1824.
Er is een officieel grenstractaat opgesteld tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het voormalige Duitse Koninkrijk Hannover dat tegenwoordig op internet raadpleegbaar is.48 Ook zijn toen voor het gehele grensgebied specifieke grenskaarten opgesteld.49 In het beschrijvende grenstractaat zijn diverse veldnamen opgenomen en ook wordt duidelijk dat op de grens tussen Lattrop-Brecklenkamp en Duitsland vóór 1824 nog bestond uit kruiskuilen, palen, scheidbulten en heuvels. Interessant is de vermelding van een keisteen die dienst deed als markescheiding tussen Brecklenkamp, Lattrop en het Duitse Frensdorf. Even ten noorden van het Brecklenkampse Veld lag op een scheidbult een zandsteen zonder jaartal of merkteken die volgens opgave de scheiding was tussen de marke Brecklenkamp en het Duitse Frensdorf en Grasdorf, dezelfde steen zou tevens de scheiding hebben aangegeven van het Neder- en Bovengraafschap Bentheim. Tevens wordt er melding gemaakt van oude kruiskuilen. Dit is een in de vorm van een kruis gegraven kuil in de grond die soms met veldkeien gevuld was. De kuil had dezelfde functie als een kruis op een landkaart: de ene arm geeft de richting van de grens aan (hij loopt er parallel mee) en de andere wijst naar de grens.50 Vlakbij de grens net ten westen van grenspaal 51 II en iets ten noordwesten van grenspaal 52 liggen twee kuilen in de vorm van een kruis.
En vooral de kuil ter hoogte van grenspaal geeft ook precies de richting van de grens aan. Het is goed mogelijk dat dit de kruiskuil is die in het artikel 14 wordt omschreven (zie tekstkader hierboven) en is gelegen tussen de markesteen (laaksteen) en de Wateringspool. De gestage uitbouw van het graafschap Bentheim geeft goed weer hoe we de grenzen in de middeleeuwen moeten interpreteren. Ze waren veel minder hard dan tegenwoordig het geval is. Niet 47
De Witt, 2013. www.wetten.overheid.nl (Grenstractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Hannover, Meppen, 02-071824). 49 Stadsarchief Deventer, toegang 1236, invt. nr. 784OIK (digitaal raadpleegbaar). 50 Ten Hove 2012, 33. 48
36
voor niets lijken de gebieden aan beide zijde van de grens qua gebruik, cultuurlandschap en taal sterk op elkaar. Pas tegen het einde van de volle middeleeuwen komt een proces op gang waarbij de grenzen tussen gebieden worden geformaliseerd. In de 15e eeuw is er voor het eerst sprake van geschillen over de grens tussen Overijssel en Bentheim. De grensaanduidingen waren zeer primitief en bestonden uit kenmerkende punten in het landschap en soms zelfs uit kruisjes op bomen, kruiskuilen of houten paaltjes. Rechts de grenspaal nummer 53 die zoals het jaartal aangeeft in 1824 geplaatst is. Links een afbeelding van de flink gehavende grenspaal 52 (kogelgaten) en de laaksteen daar schuin achter.
Na 1824 zijn er nieuwe grensstenen (zandsteen) geplaatst op de Rijksgrens tussen Nederland en Duitsland. Aan de Duitse zijde werden deze bedrukt met een H, het nummer van de grenspaal en soms het jaartal 1824 - Bentheim behoorde toen immers tot het Duitse Koninkrijk Hannover - en aan de Nederlandse zijde werd in de steen een N gebeiteld met eveneens soms met het nummer en jaartal. Op de Rijksgrens die het Brecklenkampse Veld en de Bergvennen doorsnijdt vinden we de grensstenen met de nummers 48 t/m 55. In latere perioden zijn er tussen deze grensstenen in nog kleinere granieten ‘hulpsteentjes’ geplaatst. Deze werden voorzien van een subnummer, bijvoorbeeld 51-I of 51-II. In bijlage 1 wordt een overzicht van de grensstenen in de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld gegeven met daarbij ook, indien bekend, de vermelding van het type grensteken van vóór 1824.
51-II
52
Het Actueel Hoogtebestand Nederland met links de mogelijke kruiskuil ten noordwesten van grenspaal 52 en rechts een vermoedelijke kruiskuil ten westen van grenspaal 51-II. Bij grenspaal 51-II zijn de karrenspoorbundels ook nog duidelijk zichtbaar. De kruiskuilen zijn zwart omcirkeld en de rijksgrens is met een wit geblokte stippenlijn weergegeven.
37
Karrensporen en interregionale verbindingswegen De boerenerven in het middeleeuwse Lattrop en Breklenkamp lagen in een grensgebied tussen het graafschap Bentheim en het graafschap Twente (later het Drostambt Twente) dat onderdeel uitmaakte van het Utrechtse Oversticht. Voor de huidige Nederlandse begrippen lagen en liggen de buurtschapjes in een uithoek. In de middeleeuwen was deze grensscheiding echter veel diffuser. Er waren allerlei internationale, regionale en lokale (handels)contacten tussen Twente en Bentheim. In een interregionaal perspectief lagen Lattrop en Breklenkamp precies temidden van de grotere steden of dorpen als Oldenzaal, Ootmarsum, Denekamp en in Duitsland Nordhorn en Nijenhuis. Verder waren er natuurlijk nog de burcht van Lage en het in Duitsland gelegen klooster Frenswegen. Bij dergelijke wegen moeten we ons vooral zandpaden voorstellen die tijdens zeer natte of erg droge tijden vaak moeilijk begaanbaar waren. De smalle wielen van de karren hadden een sterk erosieve werking waardoor smalle ‘karrensporen’ ontstonden. Zodra een pad moeilijk begaanbaar was werd een nieuwe weg gezocht waardoor zeer brede bundels met karrensporen konden ontstaan langs intensief gebruikte doorgaande routes. Tussen de kern van de dorpen Lattrop en Breklenkamp en de grens met Duitsland lag een grootschalig nat gebied dat bekend stond als het Lattroper- en Breklener Veld.
Natte moerassige weilanden, vennetjes en iets hogere zandruggen wisselden elkaar af. Dit slecht-toegankelijke gebied maakte het dat hier vooral lokale verbindingswegen lagen tussen Lattrop en Breklenkamp aan de ene zijde en Frensdorf en (klooster) Frenswegen aan de andere zijde. Daarnaast waren er natuurlijk vanuit de buurtschapjes kleine paden die naar het ‘Veld’ liepen. Veel van deze wegen zijn tegenwoordig niet meer te traceren. Op de inventarisatiekaart zijn ze met stippellijntjes aangegeven. Naast de lokale wegen waren er twee regionale wegen die deel uitmaakten van vele grootschaligere interregionale netwerken. De eerste was de noord-zuid gerichte weg langs de dekzandeilanden tussen Denekamp – Noord Deurningen - Lattrop – Breklenkamp en vandaar over de grens naar Lage. Tegenwoordig benoemen we deze wegen van noord naar zuid als Hoofdstraat, Dorpsstraat en Lattroperstraat. In Denekamp en Lage takte deze route weer aan op uitgebreide wegennetwerken, bijvoorbeeld in de richting van Oldenzaal of Nijenhuis. Logischerwijs verbond deze weg de kern van de buurtschapjes Breklenkamp en Lattrop met de directe buitenwereld. Later bood de meer oostelijk gelegen Kommiezendijk een alternatief voor de noord – zuid verbinding tussen Lattrop en Breklenkamp.
De Kommiezendijk is rond 1800 aangelegd en vormde de ‘Nieuwe Dijkweg’ van Nieuwenhuis in Breklenkamp naar het Komiesenhuis in Lattrop. Een route die waarschijnlijk nog veel belangrijker is geweest is de weg tussen het Duitse Nordhorn en Ootmarsum. De weg loopt tegenwoordig nog steeds langs de zuidkant van de Bergvennen. Op deze locatie stond de weg ook wel bekend als ‘Voelendijk/Fuledick’. Dijk verwijst hier naar een verhoging in een lager gelegen terrein en voel kan de betekenis dragen van moerassige grond, terwijl vuil ook wel wordt gebruikt om ‘kwade, slechte of minderwaardige’ gronden aan te geven (bv. akkers met veel onkruid).51 De route was in de late middeleeuwen een handelsroute. De route is erg belangrijk geworden binnen het Hanzesysteem en voor de handel in slachtossen. Vanaf de late middeleeuwen werden grote kuddes ossen vanaf Denemarken en Sleeswijk-Holstein naar Nederland gedreven om hier op de rijke weides vetgemest te worden. De kuddes werden over land verplaatst langs een internationale route die de naam droeg van de ‘Vlaamse straat’. Dit was een verbinding vanaf Denemarken naar Nordhorn en vandaar langs Ootmarsum – Goor – Holten – Deventer – Arnhem – Nijmegen – Grave – ’sHertogenbosch – Tilburg – Hoogstraten – Antwerpen – Eeklo en vandaar naar Brugge.52 Over dezelfde voerden ook de legers of legerafdelingen op weg naar de Staatse vesting te Lingen.
Zo wordt nog in het verpondingsregister vermeldt: ‘Die marcke van Lattorpe is bedorven dorch het leger van Syne maiesteyt tho Degenichem’ (koning Phillips II).53 De weg voerde dus ook langs Lattrop en dat betekende het wegennet onder hoge druk stond. Bestaande karrensporen werden vertrapt en het lawaai, de stank en de traagheid zullen onaangenaam zijn geweest voor de medeweggebruikers.54 Dat de weg ter hoogte van de Bergvennen ook veel te voorduren heeft gehad blijkt wel uit de diep ingesleten karrenspoorbundels. Met een diepte van soms zo´n twee meter zijn het haast holle wegen die over de plaatselijke zandrug voeren. Deze karrensporen
51 52
Schönfeld 1980, 55 en 65. Gijsbers 1999, 90-91 en 382 (noot 281).
53
Woolderink 2013, 17.
54
Gijsbers 2002, 62-66.
38
zijn als karrenspoorbundels ingetekend. Ook verder noordelijk in de Bergvennen liggen ter hoogte van grenspaal 51-II (westelijk) en grenspaal 52 (noordwestelijk) enkele karrenspoorbundels die elkaar kruizen. Precies op deze kruispunten liggen diep ingesneden kuilen in de vorm van een kruis. Waarschijnlijk gaat het hier om gegraven kruiskuilen zoals eerder in dit rapport aan de orde is geweest. De kans is groot dat deze kuilen als oriëntatiepunt werden gebruikt en dat zodoende de karrenspoorbundels van en naar deze kruiskuilen zijn ontstaan. Niet toevalligerwijs zijn deze kruiskuilen op de hoger gelegen dekzandruggen aangelegd die de Bergvennen doorsnijden.
Een holle weg langs de ‘Voelendijk’ vlakbij de grens met Duitsland. Rechts op de foto een hoge wal die ook aan de linkerkant ligt (niet zichtbaar). Het middendeel van de foto toont de holle weg die is ingesneden in de plaatselijke dekzandrug.
39
Kaart 3 - Recente landschappen van het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld (1850 - heden)
Brecklenkampse Veld
Forst Bentheim
De Vetpot
" )
Pluzenven / Keul zien pool Bergsvenne / Eilandven / Grootn pool
D > D >
De Blaasbal / Het Ronde Ven / Rools pool
Lattropper Veld Rietven / Hannes zien pool
> D Ven 2
>
De Patatzak
> Lattropsche Veen
Esri Nederland, Jan Willem van Aalst - www.imergis.nl
Legenda Defensie
" )
kommiezenhut - herkenbaar
Wonen
> boerderij - aanwezig > D boerderij - afwezig
Kaartinformatie Groenelement wal - aanwezig wal - afwezig wal - herkenbaar
Infrastructuur
Recreatie wandelpad - aanwezig
Waterstaat greppel - aanwezig greppel - afwezig
Groenelement
Natura-2000 gebied
bos - afwezig
Terreinen LO
Waterstaat greppel, aanwezig
Wonen
toerit - afwezig
waterleiding - aanwezig
weg - aanwezig
waterleiding - afwezig
boederijerf - afwezig
waterleiding - herkenbaar
boederijerf - herkenbaar
weg - afwezig
Begrenzing
bos - aanwezig
Cartograaf Dennis Worst
Datum 7-09-2018
Versie
Eindversie
Schaal 0
120
240
480
Meter
4. Recente landschappen – 1850 – heden (Fase 3) De markeverdeling van Breklenkamp en Lattrop (1850) Zowel de marke van Breklenkamp als die van Lattrop-Tilligte zijn in de negentiende eeuw verdeeld. Voorbereidingen op de verdeling vonden in Breklenkamp al plaats vanaf 1864 en in 1871 is uiteindelijk de akte van verdeling opgemaakt.55 De marke van Lattrop-Tilligte is al eerder verdeeld, ergens rond 1850. De huidige Bergvennen en het Brecklenkampse Veld behoorden tot de woeste gronden van respectievelijk de marke Lattrop-Tilligte en die van Brecklenkamp. Met de markeverdeling veranderde er veel. De voormalige gemeenschappelijke gronden raakten geprivatiseerd. Vaak was dit een langdurig proces waarbij commissies werden benoemd die gezamenlijk een plan indienden tot verdeling van de marke.
De 19e-eeuwse markeverdelingen in Twente Het markesysteem in Twente heeft voortgeduurd tot in de 19e eeuw. Naast het beheer van de gronden hadden ze ook een belangrijke primaire taak: namelijk het voorzien in de eerste levensbehoeften van de bevolking. Exploitatie van de gemeenschappelijke gronden ten behoeve van korte termijnwinsten zijn door de markeorganisaties eeuwenlang tegengegaan. Helemaal op slot stonden de marken niet, vaak kregen ongewaarde keuters een klein stukje markegrond toegewezen. Soms zelfs met beperkte rechten op het gebruik van de markegronden, zodat zij niet geheel afhankelijk waren van loondienst. Gedurende de 19e eeuw kwam er steeds meer kritiek op het systeem van de marken. In de tijdsgeest van innovatie, productieverhoging en razendsnelle bevolkingsgroei werd het collectieve grondbezit als een verouderd systeem beschouwd. Vanuit de groeiende boerensamenleving kwam er steeds meer verzet tegen de adellijke en burgerlijke grootgrondbezitters die veel waardelen in bezit hadden. Er werd door landbouwkundigen zelfs gesteld dat het markesysteem de vooruitgang van de landbouw blokkeerde. Tijdens het Franse bewind van Napoleon werd er in 1809/1810 voor het eerst een poging gedaan de markegronden te verdelen. Veel effect had de wet niet aangezien het nog zeker twintig jaar duurde voordat de eerste markeverdelingen in gang werden gezet.
Vooral na 1837 ging het snel met de markeverdelingen en tegen 1860 waren de meeste marken verdeeld. Het aanvankelijke verzet van de gewaarde boeren nam af doordat zij de voordelen zagen van de nieuw te ontginnen gronden of de te ontvangen sommen geld. Daarnaast was er een gunstige prijsontwikkeling van vee en zuivelproducten. Paradoxaal genoeg waren het niet de gewaarden, maar juist de ongewaarden, de keuters, die fel tegen de markeverdeling bleven. Zij verloren het recht tot het gebruik van de marke (turf steken, vee weiden of plaggen steken) en blijkbaar achten zij dat van groter belang dan het (kleine) aandeel van de verdeelde gronden dat zij toe kregen gewezen tijdens de markeverdeling. Bronnen: De Lange 2015, 44; Van Zanden 2001, 129-143; Demoed 1987, 80-82. Het Lattropsche Veld en het Lattropsche Veen Met hun dikke veenpakketten vormden de vennen het meest waardevolle onderdeel van de woeste gronden. Van oudsher waren dit de plekken waar turf werd gestoken (brandwinninge) en in dat kader was het zeker interessant om een veenput/ven aan te kopen/toegewezen te krijgen in de periode van de markeverdeling. Dit is de reden waarom de vennen in het Lattroper Veld op historische kaarten vanaf 1850 door greppels omgeven zijn: het zijn eigendomsgrenzen van na de markeverdeling.
Waarschijnlijk hebben de vennen in deze periode ook namen gekregen zoals: Rools poel, Keujers pleske, Hannes zien Poel, Keul zien pool of Bennad zien pool. Waarschijnlijk zijn in dezelfde periode, of misschien al eerder, ook kluunplaatsen aangelegd. Rondom de vennen werden ondiepe kuilen gegraven in de dekzandruggen. Deze kuilen werden volgebaggerd met veenprut uit de vennen. Via een ondiepe greppel kon het water uit de bovenlaag weer teruglopen het ven in. De bagger werd samengeperst en gedroogd waarna uit de gedroogde veenbagger turfjes gestoken konden worden. Rondom de Eilandven liggen diverse van dit soort kluunplaatsen. Ze zijn echter moeilijk te lokaliseren op basis van de hoogtekaart. Het is aannemelijk dat ook rondom de andere (geprivatiseerde) vennen dergelijke kluunplaatsen zijn gegraven.56
55 56
Huisarchief Twickel, toegang 2, inv. nr. 6525. Allicht dat beheerders van het terrein nog de exacte locatie van een aantal kluunplaatsen aan kunnen wijzen.
41
In deze periode zijn ook in het Lattropsche Veen de eerste grensscheidingen aangebracht. Althans vanaf 1850 zijn hier rechte wegen aangelegd die het gebied ontsluiten en mogelijk ook dienst deden als grensscheiding. De wegen zijn namelijk niet zichtbaar op de kadastrale kaart van 1832. Tot 1960 zijn de wegen alleen nog als vage lijnen zichtbaar op historische kaarten, maar vanaf 1960 zijn ze wederom in gebruik als (ruilverkavelings-)wegen. De ‘Patatzak’ heeft zijn vorm dus te danken aan de periode van de markeverdeling. Op kaart 3 is het toponiem ‘De Patatzak’ samen met andere gebiedsnamen uit deze periode weergegeven.
De Patatzak
De nettekening van de Topografische Militaire Kaart van rond 1850 geeft de vennen in kleur weer met daaromheen de eigendomsgreppels. Interessant zijn ook de duikers in de Kommiezendijk en de weg naar Nordhorn zodat stagnerend water afgevoerd kon worden.
Breklener Veld De markeverdelingen in de omgeving van het Brecklenkampse Veld hebben ook enkele sporen nagelaten. Vooral de aanleg van de rechte west-oost gerichte Brekkelerveldweg, de rechte Vleierweg en ook de Seiseweg hadden invloed op de landschappelijke structuur. Tevens werd de afwatering van het natte Breklener Veld aangepakt door nieuwe afwateringssloten aan te leggen. De thans nog aanwezige sloot in het Brecklenkampse Veld is na de markeverdeling aangelegd om het water noordwaarts af te voeren, via de ‘punt’ van Breklenkamp en vervolgens via ‘De Bocht’ over de Rijksgrens naar de Dinkel. Deze diep ingegraven afwateringssloot is thans nog zeer goed zichtbaar in het veld. Na de markeverdeling zijn er in het Breklenerveld ook twee bospercelen aangelegd. Een naaldbos tegenover het huidige natuurreservaat ´de Vetpot´ en een bosje aan de noordzijde van de Vleierweg vlakbij het erf (Grote) Veldman dat na dertig jaar alweer gekapt is. Het naaldbos tegenover ‘de Vetpot’ bestaat nog steeds en zelfs de aanvankelijke begrenzing is nog zichtbaar in het bos in de vorm van een wal met greppels om nieuw gevormde privébezit af te bakenen.
De eerste heideontginningen (1850 – 1900) Door de privatisering van de woeste gronden konden voormalige gemeenschappelijke gronden op individuele basis worden omgezet in cultuurgrond. In geheel Oost-Nederland werden stukken heideveld met de hand omgespit en in gebruik genomen als akker- en weiland. Vaak werd er bij dergelijke ontginningen een klein keuterboerderijtje gebouwd. Deze ontginningen die hoofdzakelijk plaatsvonden tussen 1850 – 1900 worden ook wel gekarakteriseerd als de heideontginningen.
42
Een historisch topografische kaart uit 1905 waarop rechts van de Kommiezendijk de twee kleine keuterontginningen zijn weergegeven. Links van de weg de heideontginning Nijhof.
Het Lattropsche Veld In het Lattropsche Veld kunnen we drie afzonderlijke heideontginningen aanwijzen. Waarschijnlijk al vlak na de markeverdeling, zo rond 1850, is er aan de zuidoostzijde van het huidige Rietven heideveld in gebruik genomen. In 1859 kwamen Heinink Jaan (Hendrik Jan) en Leentje Nijhof op deze keuterboerderij te wonen en zodoende ontstond de huisnaam Heinink-Jaan in ’t Veld (Lattropsche Veld).57 Het boerderijerf heeft er tot ongeveer 1954 gestaan en nadien zijn de contouren van de ontginningen (akkers en omliggende wallen) lange tijd zichtbaar gebleven. Later is dit gebied in gebruik genomen als kampeerterrein en thans behoort het tot ‘camping de Bergvenne’. In de bossen rondom dit terrein zijn de voormalige wallen nog steeds zichtbaar. Aan de noordkant van het Lattroper Veld, tegen de markegrens met Breklenkamp, werden vóór 1905 ook twee kleine keuterboerderijtjes (hutten/schoppen) gesticht. De meest westelijke boerderij heeft tot ongeveer 1954 bestaan terwijl in de andere boerderij een toezichthouder/opzichter van de Bergvennen woonde van de Bergvennen.58 Laatstgenoemde keuterboerderij is rond 2004 gesloopt.
Op satellietbeelden van google earth zijn nog prachtig de restanten zichtbaar van twee houtwallen (omcirkeld) die ooit rondom de twee keuterboerderijtjes aan de noordkant van het Lattroper Veld zijn aangelegd. Tegenwoordig ligt pal aan de oostkant van deze houtwal de parkeerplaats van de Bergvennen. 57 58
www.heemkunde-lattrop-breklenkamp.nl (Hendrik Jan in ’t Veld). Persoonlijke mededeling Huub Scholte-Lubberink.
43
Helemaal aan de westkant van het Lattropsche Veld is vóór 1904 heidegrond omgezet in cultuurgrond. De boerderijnaam ‘Nijhof’ is veelzeggend, namelijk het ‘Nieuwe Hof’. Tot de heideontginning behoorde de keuterboerderij, een akkerperceel, enkele weilanden en een vennetje. De begrenzing van de gehele heideontginning komt overeen met de begreppeling rondom de twee vennetjes die hier vóór 1900 lagen (vergelijking de twee voorgaande kaarten). Waarschijnlijk heeft de toenmalige eigenaar het gebied vanuit de markeverdeling verkregen/ of aangekocht en het gebied niet alleen gebruikt om turf uit de vennen te winnen, maar tevens om het te ontginnen. Het geheel was omgeven door houtwallen die dienden als perceels- en eigendomsgrens. De contouren van de voormalige heideontginning zijn thans vrijwel geheel verdwenen. Het erf zelf bestaat nog en is bekend onder de naam ‘Het Pandoer’. Breklener Veld Een prachtig voorbeeld van de landaanwas door de markeverdeling kan gevonden worden in de archieven die behoren bij het Huis Brecklenkamp. In het gelijknamige dorp beschikte Baron Frédéric van Heeckeren van Wassenaer, eigenaar van Huis Brecklenkamp, vóór de markeverdeling over acht afzonderlijke erven.
Als grootste grondeigenaar van de marke zag de baron zijn grondgebied in 1871 maar liefst toenemen met 115 hectare.59 Anders dan in Lattrop zijn er na de markeverdeling echter geen nieuwe keuterboerderijen op het Breklener Veld gesticht. We zien vooral dat de bestaande erven hun landareaal vergroten door aan de rand van het Breklener Veld heidegronden om te zetten in cultuurland. Waarschijnlijk om de transitie van gemeenschappelijk naar privé te onderschrijven werden ook deze nieuwe ontginningen voorzien van houtwallen die dienden als eigendomsgrens. Vooral tussen de Vleierweg en de Brekkelerveldweg, helemaal aan de westkant, zijn nieuwe percelen land aangemaakt. Hetzelfde geldt voor het perceel oostelijk van het erve Seise waarvan de oorspronkelijke houtwal nog steeds bestaat. Ten noorden van het Brecklenkampse Veld zijn tegen de Duitse grens aan ook enkele walstructuren aangelegd in het heideveld. De ontginning van deze percelen is echter nooit of slechts gedeeltelijk vervolmaakt.
Een oude, nog zichtbare slootstructuur in het Brecklenkampse veld
59
Hakstegen en Bunt 2007, 18-19 (Twickelblad, jaargang 16, voorjaar 2007).
44
Ontginningen en ingrepen in de eerste helft van de twintigste eeuw (1900 – 1945) Op basis van historische kaarten lijken de landschappelijke ingrepen tussen 1900 – 1945 zich vooral na 1935 te hebben voorgedaan. Tussen 1905 – 1935 is de historische kaart van deze streek echter niet of nauwelijks aangepast.60 In de tussentijd zal er echter genoeg veranderd zijn in het landschap. Landelijk deden zich vanaf 1890 namelijk enkele fundamentele veranderingen voor in de landbouw. Belangrijk waren bijvoorbeeld de introductie van kunstmest en veevoeders, de mechanisatie en onder andere de afzet van producten buiten de eigen landsgrenzen.61 In Nederland heeft dit geleid tot een aantal decennia van landbouwkundige voorspoed. Het zou dus vreemd zijn indien er tussen 1900 en 1935 geen nieuwe ontginningen zijn doorgevoerd. Waarschijnlijk zijn de ontginningen van de nieuw aangemaakte weilanden uit 1935 al uitgevoerd in de daaraan voorafgaande periode. Hetzelfde geldt voor de nieuwe infrastructurele werken en de verbeterde afwatering van het gebied. Het Lattropsche Veen In het Lattropsche Veen hebben de veranderingen in deze periode de minste impact gehad. De hogere heidegronden zijn hoofdzakelijk woest blijven liggen en hetzelfde geldt voor de natte zone waarin diverse vennen waren gelegen.
Het is vooral aan de zuidwestelijke kant van het gebied, direct ten noorden van de Rammelbeekweg, waar ontginningen hebben plaatsgevonden. Mogelijk geschiedde vanuit de boerderij ‘Baksboer’ aan de Rammelbeekweg dat hier na de verdeling van de markegronden is gebouwd. Vlak tegen de Frensdorferweg, in de patatzak, is nog vóór 1935 een boerderij gesticht. Het was een typische omwalde ontginning op de heide met een kleine keuterboerderij. Later is het landbouwareaal rondom de boerderij sterk uitgebreid en tot op de dag van vandaag staat op het voormalige boerenerf nog een huis (Dennenweg 14).
De herziene editie van de Waterstaatskaart uit 1928 toont een gegraven afwateringssloot die vanuit Duitsland, via de Patatzak en vervolgens de Bergvennen is aangetakt op de Geele Beek om het water af te voeren. De sloot is in feite een lang snoer van allerlei vennetjes waarvan een aantal in Duitsland hebben gelegen.
In dezelfde periode is ook de afwatering van de natte noordelijke zone van de patatzak aangepakt. Een langgerekte snoer met talloze vennetjes tussen Duitsland en Nederland zijn door een afwateringssloot met elkaar verbonden. Het overtollige water werd hierdoor vanuit Duitsland in noordwestelijke richting afgevoerd, door de Bergvennen en vervolgens door een afwateringssloot op de grens tussen de voormalige marke Lattrop-Tilligte en de marke Breklenkamp in westelijke richting. Via allerlei andere 60 61
Zie www.topotijdreis.nl voor de veranderingen tussen de kaart van 1923 – 1934 en die van 1935 – 1955. Bieleman 2000, 14-15.
45
sloten kon het water uiteindelijk rechtstreek in de Geele Beek terecht komen of via een omweg in de Dinkel. De van nature voedselarme en geïsoleerd liggende vennen waren nu met elkaar verbonden en de sloot zal in perioden van overvloedige regenval ook voor doorstroming hebben gezorgd. Op deze manier veranderde de zure hoogveenvennetjes in een zwak gebufferde systemen met onder andere de bijzondere waterlobelia.62 Het Lattropsche Veld Zoals gezegd zijn de Bergvennen nog vóór 1928 op elkaar aangesloten door een afwateringssloot. Via de vennen uit de Patatzak kwam het water achtereenvolgens terecht in twee afzonderlijke vennen en vervolgens in het Rietven, het Ronde Ven, Eilandven (Bergsvenne), vlak langs het Pluzenven en uiteindelijk in een nu niet meer bestaand vennetje ter hoogte van de Kommiezendijk. De sloten hadden als doel het gebied te ontwateren, maar een neveneffect was dat het systeem zwak gebufferd raakte. Vooral in de periode voorafgaand aan de ruilverkaveling toen in het Lattropsche Veen en het Duitse achterland nog maar weinig ontginningsactiviteiten plaatsvonden. Ten westen van de Bergvennen vonden vóór 1935 grootschalige ontginningen plaats. Zowel aan weerszijden van de Kommiezendijk en ook aan de noordkant van de Bergvennenweg.
Het natte gebied van de huidige Bergvennen bleef van deze ontginning gespaard, behalve dan de keuterboerderij die in deze periode is gebouwd aan de zuidkant van de huidige camping. De houtwallen rondom de voormalige ontginning lijken nog gedeeltelijk intact, maar helemaal zeker is dit niet. Breklener Veld De verandering op het Breklener Veld is ook aanzienlijk ten opzichte van 1900. Zowel westelijk als oostelijk van de Kommiezendijk is veel heideveld omgezet in weiland. Her en der zijn in het veld ook kleine bouwlanden aangelegd. De nieuw aangemaakte landerijen worden veelal omzoomd door singels of houtwallen. Ook in het Brecklenkampse Veld vonden kleinschalige ontginningen plaats. De reeds bestaande afwateringssloot blijft zijn functie vervullen en daarnaast er een aantal kleine weilanden aangemaakt. Een aantal van de destijds aangelegde greppelstructuren zijn nog in het veld te herkennen. Ook in de landbouwenclave tussen het Brecklenkampse Veld en de Bergvennen zijn in deze periode de eerste weilanden aangemaakt. Het meest oostelijke deel van de Vleierweg is in deze periode komen te vervallen, terwijl de Brekkelerveldweg juist verder in zuidoostelijke richting is doorgetrokken.
De naoorlogse periode en de grootschalige ruilverkavelingen (1945 – 1970) Tussen 1945 – 1970 kunnen we grofweg twee perioden onderscheiden: een fase met kleinschalige ontginningen die voortborduurt op de voorafgaande periode (1945 – 1960) en een fase van grootschalige ruilverkavelingen die het landschap behoorlijk van aanzien doen veranderen (1960 – 1970). Tussen 1945 en 1960 zijn de ontginningen van de voormalige markegronden doorgegaan. De ontginningen blijven kleinschalig en het grootste verschil met de voorafgaande periode is dat er steeds meer areaal aan woeste grond verdwijnt. Het is vooral een uitbreiding van bestaande ontginningen zonder dat er nieuwe boerderijen worden gesticht. Uiteraard zal het een en ander hebben samengehangen met de woelige periode van de Tweede Wereldoorlog. Vooral in de periode tussen 1960 – 1970, en soms al iets eerder, zullen grote delen van Nederland van aanzien veranderen. Onder het motto ‘Nooit meer Hongerwinter’ werd na de Tweede Wereldoorlog aan de slag gegaan met de herinrichting van het agrarische landschap. Herverkavelingen en schaalvergrotingen moesten leiden tot een nieuwe bedrijfsvoering die veel efficiënter en productiever was. Door heel Nederland heen hadden agrarische bedrijven te kampen met een versnipperd grondbezit dat bestond uit vele kleine kavels.
De ruilverkaveling was het instrument bij uitstek om de versnippering tegen te gaan. Bestaande percelen werden samengevoegd en tegelijkertijd werden er nieuwe weteringen, wegen en drainagesystemen aangelegd om de landerijen zo optimaal mogelijk te kunnen benutten.
62
Zie hiervoor ook Kieskamp, Eysink en Veeneklaas 2017, 6-8.
46
Historische topografische kaarten uit 1935, 1955 en 1966 met daarop de voortgaande ontginning van de Bergvennen.
Lattropsche Veen Het Lattropsche Veen kenmerkt zich in de periode voorafgaand aan de ruilverkaveling vooral door de uitbreiding van bestaande ontginningen. Deze kenmerken zich hoofdzakelijk aan de oostkant van de Rammelbeekweg en oostelijk van de Dennenweg. Blijkbaar heeft de afwateringssloot zijn werk gedaan want de voormalige vennen in de Patatzak zijn inmiddels van het kaartbeeld verdwenen. Het is ook in deze periode dat bestaande zandpaden zijn verbreed en opnieuw in gebruik zijn genomen (waaronder de Dennenweg). Tijdens de ruilverkaveling verandert er nog veel meer. Het grootste deel van de laatste woeste gronden werden nu ook ontgonnen en door de Rammelbeekweg en de Dennenweg te verharden is ook de infrastructuur verbeterd. Opvallend is ook de schaalvergroting van de percelen langs de beide genoemde wegen. Tevens is er langs de Dennenweg een nieuwe ruilverkavelingsboerderij gebouwd die ook tegenwoordig nog aanwezig is. Als laatste is ook de afwatering van de Patatzak op de schop gegaan. De vennen zijn inmiddels ontwaterd en de voormalige afwateringssloot is in onbruik geraakt of zelfs geheel uit het landschap verdwenen. In plaats van de oude afwateringssloot is dwars door de Patatzak een nieuwe ‘afwateringssloot’ gegraven die het water langs de Frensdorferweg afvoert naar de inmiddels gekanaliseerde Rammelbeek.
Lattroper Veld Zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog gaat ‘het terecht maken van de grond’ (ontginnen) van het Lattropsche Veld gestaag door. Het areaal tussen de Kommiezendijk en de Bergvennenweg is nu vrijwel geheel omgezet tot cultuurland. Ook aan de zuidkant van de Vetpot is vrijwel alle woeste grond omgezet in grasland. Door de verbeterde afwatering en de ontginningen werden ook steeds meer vennen omgetoverd tot cultuurgrond. Aanvankelijk zou deze ontginningswoede zich ook meester hebben gemaakt van de Bergvennen. Door ingrijpen van de overheid en het Overijssels Landschap zijn de Bergvennen zo rond het jaar 1940 opgekocht en van de ontginning gespaard gebleven. Buiten het natuurgebied de Bergvennen heeft de ruilverkaveling in het Lattropsche Veld geleid tot een sterke schaalvergroting. De kleinschalige percelen die vanaf de periode van de heideontginningen tot stand zijn gekomen werden samengevoegd tot vele grotere percelen. Een gevolg was dat ook veel kleine landschapselementen zoals houtwallen en singels verdwenen uit het landschap. Ten noorden van de Bergvennenweg zijn in de ruilverkavelingsperiode drie nieuwe boerderijen gebouwd. Het natuurreservaat en ook het Twickelse bezit ‘de Vetpot’ bleven gespaard.
47
Ook wat betreft de afwatering veranderde er het een en ander. Vanwege de doorgaande ontginningen in de Patatzak en in Duitsland voerde de afwateringssloot door de Bergvennen inmiddels veel nutriëntrijk water aan. Het gevolg was dat rond 1950 het ‘Rietven’ geheel dichtgroeide met riet, zelfs zodanig dat het ven van deze vegetatie ontdaan moest worden.63 Tijdens de ruilverkavelingswerkzaamheden in 1961 zijn aan de zuid- en westzijde van het gebied nieuwe waterlopen aangelegd. Het ontginningswater uit de Patatzak werd zodoende buiten het natuurgebied om geleid. En ook langs de Bergvennenweg werd een nieuwe sloot gegraven die in noordwaartse richting uitkwam op de oudere afwateringssloot die precies lag op de voormalige markegrens. Door deze ingreep zouden de vennen geleidelijk aan zijn verzuurd, mede door zwaveldepositie, waardoor de populatie waterlobelia’s afnam.64 Breklener Veld Het patroon in het Breklener Veld is vergelijkbaar aan dat in Lattrop. Door de naoorlogse ontginningen nam het areaal aan woeste grond, vooral heidevelden, snel af. Vlak tegen de Duitse grens en rondom het bosgebied tegenover de Vetpot bleven een aantal gebieden gespaard. De kleinschaligheid van het landschap bleef in deze periode wel intact vanwege de vele houtwallen rondom de oudere heideontginningen.
Ook na de ruilverkavelingsperiode is het gros van deze structuurlijnen in de vorm van houtwallen overeind gebleven. Een verandering vormde de verharding van de hoofdwegen door het gebied. Verder zien we dat ook in dit gebied schaalvergroting heeft plaatsgevonden, zij het minder uitvoerig dan aan de Lattropsche zijde. Daarnaast zijn er noordwaarts van het Brecklenkampse Veld en in de omgeving van de Vetpot nog enkele heidevelden omgezet in landbouwgrond. Het is in deze periode dat we de latere contouren zien ontstaan van de huidige natuurterreinen in dit gebied. In het Brecklenkampse Veld komt dezelfde periodisering naar voren. Tussen 1945 – 1960 is er redelijk wat heideareaal omgezet in cultuurland door de vele kleinschalige ontginningen. Vooral het landbouwareaal tussen de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld nam in deze periode sterk in omvang toe. Voormalige vennen werden gedempt of ontwaterd en het nieuwe landschapsbeeld werd gevormd door kleine weilanden en akkertjes. Hoewel de aanwas van landbouwareaal op het Brecklenkampse Veld zelf gering was, werd de afwatering wel verbeterd door greppels en kleine sloten aan te takken op de bestaande hoofdafwatering. De ruilverkavelingsperiode heeft naast schaalvergroting niet voor noemenswaardige veranderingen gezorgd in dit gebied.
Een van de hogere dekzandruggen door de Bergvennen. In het heideveld recht achter de berk op de foto lopen nog diverse karrensporen. Deze karrensporen liepen hoofdzakelijk over deze droger gelegen hoge koppen. 63 64
Verslag Prof. Dr. M.F. Mörzer Bruyns (uit het archief van L.O). Kieskamp, Eysink en Veeneklaas 2017, 6-8.
48
Bebossing en stuifzanden (1900 – heden) Vanaf de middeleeuwen tot ver in de twintigste eeuw was hout een schaars goed. Gedurende de twintigste eeuw is dit aanzien van het landschap behoorlijk veranderd. Zo is rond 1900 een naaldbosje aangeplant aan de noordkant van de Brekkelerveldweg. Veel ingrijpender was echter de aanplant van het ‘Forst Bentheim’. De aanplant blokkeerde het zichtveld naar Duitsland die de Breklenkampers tot dan toe gewoon waren. Tussen 1900 - 1945 neemt het areaal bos niet noemenswaardig toe. Toch verandert het landschap aanzienlijk van karakter. Het is een gevolg van de aanleg van houtwallen en heggen die als omheining dienden van het nieuw aangemaakte cultuurland. Het weidse kale landschap maakte opeens ruimte voor een gestructureerd kleinschalig landschap waarin houtwallen het aangezicht bepaalden. In de navolgende periode tussen 1945 - 1970 worden er nog weinig nieuwe houtwallen aangelegd. De grootste landschappelijke verandering is in deze periode de spontane bosontwikkeling in de omgeving van de Vetpot, het Brecklenkampse Veld, in de Bergvennen en in de omgeving van ‘De Hooge Weust’ in het Lattropsche Veen. Dit alles werd treffend geschetst door een oudere boer die uit de regio afkomstig was. Hij vertelde dat je tot de jaren ’60 door de Bergvennen tot Nordhorn aan toe kon kijken. Het ziekenhuis was bijvoorbeeld goed zichtbaar.
Vanwege de spontane bosopslag van vooral grove den is dit thans niet meer het geval. Aardig is nog om te vermelden dat bewoners uit de streek vroeger de kleine grove dennen uit de Bergvennen haalden om deze te gebruiken als kerstboom. Ook werd er mos uit de heide bij de Vetpot gehaald voor bij de kerstkribbe.65 Deze spontane bosopslag heeft zich vanaf 1970 gestaag doorgezet waardoor de Bergvennen, het Brecklenkampse Veld en de Vetpot steeds meer bebost zijn geraakt. Vanaf 2000 is de opslag van bos in de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld tegengegaan door gefaseerd delen van het ontstane bos te kappen. Wat opvalt is dat buiten de natuurterreinen ook na de ruilverkavelingsperiode nog En voorbeeld van de bosopslag, houtwallen zijn verdwenen.