CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

B_B_ontwerp_1_toelichting_Bijlage 3 Cultuurhistorie.PDF

Gemeenteraad 21 december 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 13: Voorstel inzake ontwerp provinciaal inpassingsplan Bergvennen en Brecklenkampse Veld22.966 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld Een cultuurhistorische inventarisatie en waardering

Rapportnummer CA1721

Colofon Titel:

D. Worst (2018). Natura-2000 gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld. Een cultuurhistorische inventarisatie en waardering.

Opdrachtgevers:

Landschap Overijssel Poppenallee 39 7722 KW Dalfsen

Opdrachtnemer:

Martijn Horst

Jan-Henk Schutte

(Projectleider Landschap)

(Projectleider Natura-2000 Bergvennen & Brecklenkampse Veld)

Cultuurland Advies Postbus 20 8180 AA Heerde Dennis Worst (Projectleider Landschap & Cultuurhistorie)

Projectcode: Versie: Datum:

CA1721_Bergvennen 1.0 7 juni 2018

Publicatierechten:

Deze rapportage is een intern document van Landschap Overijssel. Op basis daarvan is beeldmateriaal opgenomen. Wanneer de Landschap Overijssel besluit om over te gaan tot een publiekspublicatie, zowel digitaal als analoog, moet vooraf na worden gegaan in hoeverre het beeldmateriaal vrij gebruikt mag worden.

Met dank aan:

Harm Smeenge (Unie van Bosgroepen / Kenniscentrum Landschap RUG) Huub Scholte Lubberink (RAAP Archeologisch Adviesbureau)

>> De Bergvennen en het Brecklenkampse Veld weergegeven op de topografische kaart uit 2018. De grenzen van het Natura 2000-gebied worden weergegeven met een groene stippellijn. Eigendommen van Landschap Overijssel staan op de kaart aangegeven met een dikke zwarte lijn.

2

Ligging van het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld

Alte Dinkel Dinkel

Lage

Frenswegen

Breklenkamp Brecklenkampse Veld Forst Bentheim Geele Beek

De Vetpot

Lattrop

Lattropper Veld

Dinkel Lattropsche Veen

Tilligte Esri Nederland, Jan Willem van Aalst - www.imergis.nl

Ligging van het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld

Esri Nederland; Kadaster; Gemeentekaart (t/m 1:768.000), TK200 (t/m 1:192.000), TMK 50D (t/m 1:48.000), Bonnebladen (t/m 1:6.000)

Samenvatting Inleiding Met het oog op de komende landschappelijke ingrepen in het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld heeft Landschap Overijssel aan Cultuurland Advies de opdracht gegeven om de cultuurhistorische en archeologische elementen in en rondom dit Natura 2000-gebied te inventariseren en te waarderen. Zodoende kan Landschap Overijssel in een vroeg stadium weloverwogen keuzes maken bij gebiedsingrepen die zullen worden uitgevoerd om de unieke ecologische waarden binnen de gebieden te behouden en herstellen. Het natuurlijke landschap – tot 800 n. Chr. (Fase 1) Binnen het Natura 2000-gebied Bergvennen en het Brecklenkampse Veld kunnen we wat betreft de ontstaansgeschiedenis van het gebied drie belangrijke aardkundige eenheden onderscheiden. Het gaat om oeroude paleogeulen uit het Midden-Weichselien (Laat-Pleniglaciaal) van het Oerdinkelsysteem, hoog opgestoven dekzandruggen uit het Laat-Weichselien en dezelfde afgesnoerde paleogeulen en vennetjes die gedurende het Laat-Weichselien en het Holoceen met veen gevuld zijn geraakt. Door een geleidelijke vernatting zal er ook veenvorming plaats hebben gevonden buiten de vennen en oude paleogeulen. Ongetwijfeld heeft deze vernatting een effect gehad op de bewoning in het gebied. Tot in de bronstijd zijn er in en rondom het Natura 2000-gebied vondsten gedaan.

Daarvan is in de directe navolgende periode geen sprake meer. In dit natte gebied zullen de hoog opgestoven dekzandruggen altijd een grote aantrekkingskracht hebben gehad. De kans bestaat dat, indien het bodemprofiel nog intact is, er nog archeologische vondsten en bewoningssporen in de ondergrond aanwezig zijn. Daarom zijn deze hoge dekzandruggen aangewezen als ‘terrein van hoge archeologische verwachting’. Middeleeuwse dorpslandschappen – 800 tot 1850 (Fase 2) De Bergvennen en het Brecklenkampse Veld hebben eeuwenlang in een soort niemandsland gelegen tussen Lattrop – Breklenkamp – Nordhorn en Frenswegen. Het was een extensief gebruiksgebied waar eeuwenlang de markegrenzen van meer betekenis zal zijn geweest dan de rijksgrens. Waar de oudste historische kaarten een monotoon landschapsbeeld tonen zal de werkelijkheid afwisselender zijn geweest. Uiteenlopende veldnamen wijzen ons op een rijk geschakeerd landschap met hoogveenmoerassen, moerassige slenken met plukjes broekbos, natte heidevegetaties, natte hooilanden, droge heidevegetaties en schrale graslanden. Dit gevarieerde geheel werd in zijn geheel aangeduid met het toponiem–veld. Het veld werd door de Breklenkampse en Lattropse boeren gebruikt om er vee te weiden, voor turfwinning, het snijden van rijshout of om op de hoge zandkoppen heideplaggen te steken.

De markegrens was in dit gebruikslandschap van eminent belang: tot hier mochten de schapen van een specifieke marke hun schapen weiden. Bij grenspaal 52 staat nog immer de laaksteen die de scheiding vormde tussen de marken van Lattrop, Breklenkamp en Frenswegen. En de markegrens tussen Breklenkamp en Lattrop is in de Bergvennen nog deels als een fysieke greppel aanwezig. Andere belangrijke cultuurhistorische elementen hangen nauw samen met de grensfunctie van het gebied of met de belangrijke internationale handelsroute die direct langs het gebied voerder. Aan de oostkant van het Natura 2000-gebied vinden we vele rijksgrenspalen, of zelfs oudere grensmarkeringen. De twee kruiskuilen vormen hier hoogstwaarschijnlijk een prachtig voorbeeld van. Aan de zuidkant van de Bergvennen liggen diep ingesleten karrensporen die beschouwd mogen worden als holle wegen. Het zijn relicten van de oude handelsroute die onderdeel uitmaakte van het Hanzesysteem en waarover duizenden slachtossen zijn vervoerd. Grote kuddes ossen werden vanuit Denemarken en SleeswijkHolstein naar Nederland gedreven om hier vetgemest te worden. Als laatste liggen er in het gebied nog kluunplaatsen: kleine kuilen waarin turfbagger werd geworpen en waarvan turfjes werden gestoken zodra de bagger was ingedroogd en samen gestampt.

Recente landschappen – 1850 tot het heden (Fase 3) De laatste twee eeuwen hebben in Nederland voor een ware landschappelijke transformatie gezorgd. Eerst waren er de agrarische ontginningen nadat de gemeenschappelijke markegronden in het zandlandschap werden verdeeld. In 1871 is de akte opgemaakt van de verdeling van de

<< De Bergvennen en het Brecklenkampse Veld weergegeven op een historische kaart zo rond 1900. De grenzen van het Natura 2000-gebied worden weergegeven met een groene stippellijn. Eigendommen van Landschap Overijssel staan op de kaart aangegeven met een dikke zwarte lijn.

5

gemeenschappelijke markegronden van Breklenkamp. De marke van Lattrop-Tilligte was al eerder verdeeld, ergens rond 1850. In de daarop volgende periode, tussen 1850 en 1900, zijn in de Bergvennen drie nieuwe keuterboerderijen gesticht (nabij het Rietven en het Pluzenven). Stukken heide werden ontgonnen en omgezet tot kleinschalige akker- en weilanden. De contouren van deze ontginningen zijn gedeeltelijk nog terug te vinden in het huidige landschap. De belangrijkste ingrepen tussen 1900 – 1945 hebben te maken met de afwatering. Er werd een lange afwateringssloot (waterleiding) gegraven die begon in Duitsland, door het Lattropsche Veen (De Patatzak), de Bergvennen en op de markegrens tussen Lattrop en Breklenkamp om in westelijke richting uit te wateren in de Geele Beek. De van nature voedselarme en geïsoleerd liggende vennen werden nu met elkaar verbonden. Op deze manier veranderde de zure hoogveenvennetjes in een zwak gebufferde systemen waar onder andere de bijzondere waterlobelia zich goed in thuis voelde. Gedurende de na-oorlogse periode en tijdens de grootschalige ruilverkavelingen is er in de randzone van de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld nieuw cultuurland gecreëerd. De oorspronkelijke ‘velden’ werden steeds kleiner en kwamen op den duur geheel geïsoleerd te liggen.

Tot in de oorlog was er sprake van een geleidelijke extensivering van de gebruiksgronden vanaf de dorpskernen richting de rijksgrens. Na de ruilverkavelingen vormde de grens van het natuurgebied in feite de grens tussen intensief en extensief gebruikt gronden. Wetenschappelijke waardering van cultuurhistorische elementen De cultuurhistorische elementen binnen het Natura 2000-gebied zijn aangemerkt met een lage, gemiddelde, hoge of zeer hoge cultuurhistorische waardering. Zeer hoog scoren een drietal uitgesproken karrenspoorbundels (waaronder de ossenroute) en de daarbij horende kruiskuilen. Uiteraard zijn ook de oude markegrens en de bijbehorende laaksteen als zeer hoog aangeduid. Hetzelfde geldt voor de kluunplaatsen en enkele nog goed zichtbare wallen rondom één van de heideontginningen. Enkele greppels die rondom de vennen, kleinere karrenspoorbundels en de rijksgrenspalen kennen een hoge waardering. Vrij jonge waterleidingen, sloten en wandelpaden zijn als gemiddeld gewaardeerd. Als laatste zijn er de hoge dekzandruggen die een ‘hoge archeologische’ verwachting kennen. Voor de middelhoge dekzandruggen geldt een ‘archeologische verwachting’. Kansencatalogus en onderzoeksaanbevelingen Voor elk van de drie tijdsperioden blijken er in het gebied kansen te liggen. Zo kan er wat betreft het natuurlijke landschap onderzoek worden verricht in het Krakenven.

Aan de hand van de nog intacte veenlaag kan een groot deel van de Holocene landschapsgeschiedenis van de Bergvennen in kaart kan worden gebracht. Tevens biedt de landschappelijke driedeling aanknopingspunten voor het ontwerp. Uit de periode van het middeleeuwse dorpslandschap zijn er relicten bewaard gebleven als karrensporen, markegrenzen, kruiskuilen en belangrijke internationale handelswegen die nog steeds waarneembaar zijn in het gebied. Dergelijke cultuurhistorische elementen kunnen beter zichtbaar worden gemaakt om zodoende het verhaal van het gebied te vertellen. Ook uit de laag van het recente landschap zijn elementen bewaard gebleven die het verhaal van het gebied vertellen. Bijvoorbeeld de keuterontginningen of de vele verhalen die spelen omtrent de rijksgrens tussen Nederland en Duitsland.

6

Inhoudsopgave Samenvatting ___________________________________________________________________ 5 1. Inleiding _____________________________________________________________________ 9 Aanleiding en doelstelling _______________________________________________________ 9 Methodiek ____________________________________________________________________ 9 Opzet rapport en leeswijzer ______________________________________________________ 10 2. Natuurlijke landschappen - ijstijden tot 800 na Chr. (Fase 1) _________________________ 13 Een landschappelijke driedeling ___________________________________________________ 13 Stuwwallen, tongbekkens en paleogeulen – Pleistoceen ________________________________ 13 Wind en dekzandruggen – Laat-Weichselien _________________________________________ 15 Veenontwikkeling en een herkenbaar oerlandschap - Holoceen __________________________ 17 Prehistorische bewoning ________________________________________________________ 20 3. Middeleeuwse dorpslandschappen – 800 tot 1850 na Chr. (Fase 2) ____________________ 23 De vroegmiddeleeuwse wereldlijke en geestelijke ontwikkeling (800 tot ca. 1000) ____________ 23 Grootgrondbezit en horigheid in Twente (800 tot ca. 1000) _____________________________ 23 Lattrop en Breklenkamp in de vroege middeleeuwen (800 tot ca.

1200) ____________________ 24 De indeling van het middeleeuwse cultuurlandschap (1200 – heden) ______________________ 26 De marken van Breklenkamp en Lattrop (1200 – 1850) ________________________________ 29 De middeleeuwse boerenerven in Breklenkamp en Lattrop (1000 – heden) _________________ 32 De territoriale indeling van het middeleeuwse Twentse grensgebied (1100 – 1600) ___________ 35 Karrensporen en interregionale verbindingswegen ____________________________________ 38 4. Recente landschappen – 1850 – heden (Fase 3) ____________________________________ 41 De markeverdeling van Breklenkamp en Lattrop (1850) ________________________________ 41 De eerste heideontginningen (1850 – 1900) _________________________________________ 42 Ontginningen en ingrepen in de eerste helft van de twintigste eeuw (1900 – 1945) ___________ 45 De naoorlogse periode en de grootschalige ruilverkavelingen (1945 – 1970) ________________ 46 Bebossing en stuifzanden (1900 – heden) ___________________________________________ 49 Grensbewaking _______________________________________________________________ 49 5. Wetenschappelijke waardering van cultuurhistorische elementen_____________________ 53 Waarderingsmethodieken _______________________________________________________ 53 Waarderingsmethodiek voor cultuurhistorische elementen ______________________________ 53 6.

Kansencatalogus en onderzoeksaanbevelingen ___________________________________ 59 Het natuurlijke landschap en prehistorische bewoning _________________________________ 59 Middeleeuws dorpslandschap ____________________________________________________ 60 Recente landschap ____________________________________________________________ 61 7. Literatuurlijst ________________________________________________________________ 62 8. Bijlagen _____________________________________________________________________ 64 Bijlage 1. Overzicht van grenspalen in de regio Lattrop – Breklenkamp ____________________ 64

>> De middeleeuwse dorpslandschappen van Lattrop en Breklenkamp. Op de kaart zijn de buurtschappen (inclusief bouwlanden), de wei- en hooilanden, het heideveld en het veen als aparte categorieën aangegeven. In het rood de begrenzing van het Natura 2000-gebied.

7

Middeleeuwse dorpslandschappen van Lattrop en Breklenkamp

Aaksberg

Lemsmaten Rotmanskamp

Schabosch

Broekman Weekebroek

Onbekend 1 Het Moeras

Breklenkamp

Onbekend 4 Veldkamp

Breklenkampsche Veld

Weustink

Molendijkskamp

Binnenbroek Lattrop

Lattropsche Veld Horst

Braak

Onbekend 3

Lattropsche Veen

Onbekend 2

Rammelbeekmaten

Tussen de Beeken

Goozings Bonken Maten

Rammelhaar

Middeleeuwse dorpslandschappen Buurtschap

Begrenzing

Weide- en hooiland

Lattrop en Breklenkamp

Heideveld

Natura-2000 gebied

Veen

Terreinen LO

1. Inleiding Aanleiding en doelstelling Ter hoogte van het Duitse Nordhorn kent het Nederlandse grondgebied een driehoekige uitsparing. Tussen het stroomgebied van de Dinkel en de Vecht ligt hier het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld. De Bergvennen is het meest zuidelijk gelegen en wordt gekenmerkt door hogere dekzandruggen met in de tussengelegen laagtes een aantal relatief grote vennen. Het Brecklenkampse Veld ligt iets noordelijker. Het geaccidenteerde terrein heeft mede zijn vorm gekregen door een aantal oude paleogeulen die nog steeds als laagten in het landschap zichtbaar zijn. Precies in deze oude geulen liggen ook de hedendaagse vennen. Ecologisch gezien zijn vooral de arme op drogere gronden groeiende heide vegetaties en de (zeer) zwak gebufferde vennen van belang. Met de aanwijzing als Natura 2000-gebied zijn deze unieke ecologische waarden onderkend. In het kader van deze aanwijzing als Natura 2000-gebied en de PAS-regeling zijn er specifieke ecologische doelen aan het gebied gekoppeld. Zo is bijvoorbeeld ingezet op behoud of versterking van de droge heidevegetaties en de specifieke nattere habitattypen die samenhangen met de vennen en paleogeulen die het Natura 2000-gebied rijk is.1 De uitwerking van deze kernopgaven zullen gepaard gaan met specifieke gebiedsingrepen.

Vanwege deze opgaven is het van belang ook inzichtelijk te hebben welke cultuurhistorische, archeologische en landschappelijke waarden, naast de ecologische, het gebied bevat. Het huidige landschap is immers tot stand gekomen door een eeuwenlange wisselwerking tussen mens en natuur. Landschappelijke ingrepen hebben belangrijke gevolgen gehad, zelfs zodanig dat er half natuurlijke biotopen zijn ontstaan die thans behoudenswaardig zijn. Bijvoorbeeld de diverse heidesoorten of jeneverbesstruwelen die groeien op de arme dekzandruggen. Ook de specifieke zwak gebufferde plantengemeenschappen in de vennen zijn tot stand gekomen door menselijke ingrepen in het gebied. Tevens zijn er door menselijke ingrepen landschappelijke structuren en elementen ontstaan die soms al eeuwenlang onveranderd in het landschap aanwezig zijn. Zo kent iedere regio zijn eigen specifieke cultuurhistorische elementen. Vaak zijn het dit soort elementen die een regionaal landschap karakter geven. Met het oog op de komende landschappelijke ingrepen heeft Landschap Overijssel aan Cultuurland Advies de opdracht gegeven om de cultuurhistorische en archeologische elementen in en rondom de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld in kaart te brengen. Zodoende kunnen er weloverwogen keuzes worden gemaakt omtrent de cultuurhistorische elementen die passen binnen het huidige rijksbeleid.

Daarin is namelijk bepaald dat cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk moeten worden meegewogen in ruimtelijke plannen.2

Methodiek Wereldwijd kunnen landschappen vergeleken worden met een boek. Door de eeuwen heen zijn er door natuurlijke en culturele processen steeds nieuwe bladzijden (lagen) aan toegevoegd. Dit dynamische karakter maakt het inventariseren en waarderen van landschappen en de daarin gelegen cultuurhistorische elementen een delicate kwestie. Landschappen en cultuurhistorische elementen kunnen naast elkaar of juist gestapeld voorkomen. Om grip te krijgen op deze landschapsdynamiek maakt Cultuurland Advies gebruik van de landschapsbiografie voor cultuurhistorische inventarisaties. Het voordeel van deze methodiek is dat een landschapsbiografie inhoudelijk alle perioden van het landschap doorloopt en niet blijft steken bij één beperkte periodeanalyse.3 In de praktijk betekent dit dat de inventarisatie van cultuurhistorische en archeologische elementen wordt uitgevoerd aan de hand van drie tijdsperioden: het natuurlijke landschap, het middeleeuwse dorpslandschap en het recente landschap. Synchroon met de inventarisatie wordt ook het verhaal van het landschap in kaart gebracht. In de eerste tijdsperiode is dit verhaal sterk gericht op de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Voor het middeleeuwse en het recente landschap wordt vooral gekeken naar belangrijke ontwikkelingen in de bewoningsgeschiedenis en de invloed die deze ontwikkelingen hebben gehad op het landschap. 1

Kluin 2015, 15. Wijziging Besluit ruimtelijke ordening (Bro) naar aanleiding van de Modernisering Monumentenwet (MoMo). 3 Horst & Spek 2014, 103-125. 2

9

Het inventariseren van landschapstypen en cultuurhistorische elementen gebeurt met behulp van een GIS-database per thema of gebied. Door dit alles onder te brengen in een database kunnen structuren, objecten of landschapszones via zoektermen bevraagd en geordend worden. Bijvoorbeeld op basis van chronologie, thema, legendaeenheid of landschapstype. Naast nog aanwezige objecten en structuren zijn ter inspiratie ook reeds verdwenen elementen aan de database toegevoegd. De gehele database zal via vectorbestanden beschikbaar komen voor Landschap Overijssel.

Opzet rapport en leeswijzer Gebruikmakend van de landschapsbiografie wordt een aantal stappen doorlopen om te komen tot een volwaardige cultuurhistorische waardenkaart. De inhoudelijke hoofdstukken (hoofdstuk 2, 3 en 4) zijn chronologisch geordend en opgedeeld in thematische paragrafen. In hoofdstuk 5 staat de waardering van de cultuurhistorische elementen centraal. Het laatste hoofdstuk geeft informatie over welke beheersmaatregelen nodig zijn voor behoud van specifieke cultuurhistorische elementen. Vervolgens wordt afgesloten met een kansencatalogus en een kansenkaart.

>> Het actueel hoogtebestand Nederland 2 (AHN2) toont de Dinkelvallei ter hoogte van Denekamp – Lattrop. Ook zijn de zijbeekjes zoals de Gele Beek, Rammelbeek en de Sombeek aangegeven. Opvallend zijn de kleine en zeer sterk geaccentueerde dekzandkopjes (roodbruin tot witrood).

10

Uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland 2

Alte Dinkel Dinkel

Vecht

Lage

Frenswegen

Breklenkamp Brecklenkampse Veld Forst Bentheim

Dinkelvallei

Geele Beek

De Vetpot

Lattrop

Lattropper Veld

Dinkel Lattropsche Veen Rammelbeek

Gele Beek of Sombeek

Tilligte Esri Nederland, Jan Willem van Aalst - www.imergis.nl

Kaart 1 - Het natuurlijke landschap van het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse veld (tot 800 n. Chr.)

Alte Dinkel Dinkel

Vecht

_ ^

_ ^

Brekkeler Brecklenkampse Veld Veld

_ ^ _ ^ _ ^

Forst Bentheim _ ^

Huis _Brecklenkamp ^ _ ^

_ ^

Brekkeler Veld

Geele Beek

Dinkelvallei

Forst Bentheim

Nr. 13.556

De Vetpot Krakeven

Lattropper _ ^ Veld Lattropper Bergvennen

Veld

_ ^

Dinkel

Lattropper Veld Het _Lattropsche ^ Veld De Patatzak

_ ^

_ ^ _ ^

_ ^

_ ^

_ ^

Rammelbeek

_ ^ _ ^

Lattropsche Veen Het Lattropsche Veen

_ ^ _ ^

Gele Beek of Sombeek

_ ^

_ ^ _ ^ _ _^ ^

Esri Nederland, Jan Willem van Aalst - www.imergis.nl

Legenda Beekdallaagte

Cartograaf

Archeologische vindplaatsen

Natura-2000 gebied

Dekzandlaagte

Dennis Worst

Archeolgisch terrein van hoge waarde

Terreinen LO

Lage dekzandrug

Datum

Middelhoge dekzandrug

7-09-2018

Archeologie

_ ^

Kaartinformatie

Hoge en middelhoge dekzandruggen

Begrenzing

Het natuurlijke landschap

hoge archeologische verwachting

Fase 1: Oude riviergeulen (aanname)

archeologische verwachting

Fase 2: Hoge dekzandrug Fase 3: Veengebied Krakeven

Versie

Eindversie

Schaal 0

250

500

1.000 Meter

2. Natuurlijke landschappen - ijstijden tot 800 na Chr. (Fase 1) Een landschappelijke driedeling Binnen het Natura 2000-gebied Bergvennen en het Brecklenkampse Veld kunnen we wat betreft de ontstaansgeschiedenis van het gebied drie belangrijke aardkundige eenheden onderscheiden. Het gaat om oeroude paleogeulen uit het Midden-Weichselien (Laat-Pleniglaciaal) van het Oerdinkelsysteem, hoog opgestoven dekzandruggen uit het Laat-Weichselien en dezelfde afgesnoerde paleogeulen en vennetjes die gedurende het Laat-Weichselien en het Holoceen met veen gevuld zijn geraakt. In de onderstaande paragrafen wordt de ontstaansgeschiedenis van deze aardkundige eenheden nader toegelicht. Op het kaartbeeld van de vorige pagina zijn deze eenheden als fase 1, 2 en 3 aangeduid.

De geologische tijdvakken van het Weichselien en het Holoceen overzichtelijk weergegeven in een tijdbalk (Bron: Stouthamer, Cohen & Hoek, 2015: naar Berendsen, 1982).

Stuwwallen, tongbekkens en paleogeulen – Pleistoceen De ontstaansgeschiedenis van de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld kunnen we niet los zien van een veel grotere landschapsontwikkeling in Noordoost-Twente. De belangrijkste contouren van dit landschap zijn ontstaan tijdens het Pleistoceen. Dit is een geologisch tijdvak dat maar liefst duurde van 1,8 miljoen jaar tot zo’n 11.700 jaar geleden. Tijdens het Pleistoceen werden koude perioden (ijstijden) afgewisseld door warme periodes. Van groot belang voor de ontstaansgeschiedenis van het NoordTwentse landschap is de ijstijd die tussen 370.000 – 130.000 jaar geleden plaatsvond. Deze koude periode staat bekend als de Saale-ijstijd. Vanuit Scandinavië reikten zeer grote gletsjers tot ver in Nederland. Tijdens de maximale ijsuitbreiding zo’n 150.000 jaar geleden kwam het ijs ongeveer tot de grens Haarlem – Utrecht – Nijmegen. Eén van deze uit het noordoosten afkomstige ijslobben van honderden meters dik groef zich in tussen Ootmarsum en Nordhorn. Door opstuwing vanuit dit ‘tongbekken van Nordhorn’ ontstond een gesloten stuwwalboog bestaande uit de stuwwalreeks van Uelsen, Ootmarsum, Oldenzaal en Enschede. Tussen Ootmarsum en Oldenzaal is later een ijslob door de stuwwal heen gebroken (doorbraakpoort) waardoor een deel van de stuwwal in de richting van

13

Enschede is verschoven.4 Met het ingraven van de ijslob ontstond een tot wel tachtig meter diepe vallei, het al eerder genoemde tongbekken van Nordhorn. Het is dit tongbekken dat aan de wieg heeft gestaan van het latere Dinkeldal - waar ook de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld onderdeel van uitmaken – en het Vechtdal aan de Duitse zijde. Nadat de stuwwallen van Ootmarsum en Oldenzaal waren gevormd bleef het ijsfront schuiven. Zelfs zodanig dat de dikke ijsgletsjers over de stuwwallen heen werden geduwd. De stuwwallen werden hierdoor afgevlakt en er werd een dunne laag keileem op de stuwwal afgezet. Keileem is mix van tot gruis verpulverde stenen, leem, zand en grind. Het werd onder het landijs afgezet op het contactvlak tussen het ijs en de ondergrond. Het voorkomen van keileem op de stuwwal van Ootmarsum en Oldenzaal bewijst dus dat deze door ijsgletsjers zijn ‘overreden’.

Links het Nederlandse deel van het ‘tongbekken van Nordhorn’ met de doorbraakpoort. De afbeelding rechts geeft weer hoe de stuwwaldelen naderhand zijn verschoven (Bron: Jongmans et al., 2013).

Tijdens een relatief kortdurende warme periode na de Saale-ijstijd smolt het landijs. Het zeer diep ingesneden tongbekken van Nordhorn, ter hoogte van Brecklenkamp wel tachtig meter, raakte langzaam aan opgevuld met sedimenten. Al snel werd het opnieuw kouder en brak een nieuwe ijstijd aan: de Weichsel-ijstijd die duurde van 115.000 tot 11.700 jaar geleden. De Weichsel-ijstijd wordt beschouwd als de laatste ijstijd die de wereld heeft gekend. Hoewel het landijs Nederland niet bereikte, heerste er een zeer ijzig toendraklimaat. Door de koude omstandigheden was de toplaag van de bodem constant bevroren (permafrost) en harde winden waaiden over het kale landschap. In het Dinkeldal zijn in deze periode door een sterk meanderende rivier kalkrijke, zeer fijne zanden afgezet. Tussen deze fijne zanden zitten soms ook kleine veen- en leemlaagjes die wijzen op korte perioden van bijvoorbeeld plantengroei. In een hierop volgende periode, het Midden-Weichselien, nam de kracht van de sterk verwilderde rivier in het Dinkeldal toe. In plaats van zeer fijne zanden werden nu kalkloze, grove zanden met veel grind afgezet. De stroomsnelheid van de rivier was blijkbaar in belangrijke mate toegenomen. In deze perioden zijn ook de paleogeulen gevormd.

Dit zijn oude rivierbeddingen die hoorden bij het Oerdinkel systeem; een oerrivier die haar water via verschillende beddingen tegelijkertijd afvoerde (vlechtende rivier). Gedurende het Laat-Pleniglaciaal (zo’n 30.000 tot 14.500 jaar geleden) werd er steeds minder zand en grind door de Dinkel zelf afgezet. Nieuwe zandige afzettingen werden nu hoofdzakelijk aangevoerd door de wind (onder nat-eolische omstandigheden) die het zand afzette in vochtige terreindepressies. Dit fijne, lemige zand heeft een sterke gelaagdheid en is bekend geworden onder de naam ‘Oud Dekzand’. Plaatselijk ligt het vrij dicht onder, of zelfs aan het maaiveld (leemrijke zanden).5 4 5

Jongmans et al., 2013, 222-223; Ebbers en Van het Loo 1992, 19-24. Van Beek 2009, 143; Ebbers en Van het Loo 1992, 24-29; Van der Hammen en Wijmstra, 1971.

14

Wind en dekzandruggen – Laat-Weichselien De laatste fase uit de Weichsel-ijstijd is eveneens belangrijk voor de landschapsgenese van het Dinkeldal. Tijdens het Laat-Weichselien, dat tussen zo´n 14.500 tot 11.700 jaar geleden plaatsvond wisselden de temperaturen sterk. Gedurende enkele koude perioden kreeg de wind wederom vat op het kale landschap, waardoor zand uit drooggevallen beddingen werd opgenomen om vervolgens in ruggen evenwijdig aan de beddingen opnieuw te worden afgezet. Ook werd er veel zand afgezet in de oude paleogeulen van de Oerdinkel. Gehele paleogeulen konden zelfs worden afgesnoerd waardoor in de afgesneden laagtes kleine meertjes ontstonden. Vooral de Bergvennen zijn hier een goed voorbeeld van. De vennetjes in dit gebied liggen feitelijk in oude paleogeulen van de Oerdinkel. In het Brecklenkampse Veld zijn dezelfde paleogeulen nog wat beter te zien. Ook hier liggen de vennetjes in de laagten, maar met een beetje goede wil zijn de oudere geulen op de hoogtekaart van het gebied nog te herkennen.6 De zanden die in deze periode zijn afgezet liggen nu vaak nog aan de oppervlakte en worden aangeduid als Jong Dekzand.

Het zijn de leemarme tot matig leemrijke zanden die op de bodemkaart veelal voorkomen als veld- en haarpodzolgronden (Hn21/Hd21).7 Vlakbij het onderzoeksgebied tonen deze ontwikkelingen uit onder andere het Laat-Weichselien zich in het landschap van de brede Dinkelvallei ter hoogte van Breklenkamp, Lattrop, Tilligte en NoordDeurningen. Het dekzand is hier in het natte beekdal in kleine dekzandruggen of dekzandkopjes afgezet. Deze zijn later doorsneden door de Dinkel en haar zijbeken zoals de (voormalige) Rammelbeek of de Sombeek en de Gele beek. Zo ontstond een reliëfrijke brede Dinkelvallei met tal van ingesneden beeklopen en ontelbaar veel kleine zandeilandjes (zie hoogtekaart op pagina 11).

Een vlechtend rivierenstelsel op de hoogvlakte van Tibet met kleinschalige eolische afzettingen in de zomer. Het vlechtende rivierstelsel vormt een mooie referentie van het oergeulenlandschap, waarbij grote hoeveelheden smeltwater vrijkwamen waardoor er constant geulverleggingen plaatsvonden. Bron foto en informatie: H. Smeenge

6

In zijn te verschijnen proefschrift zal Harm Smeenge veel dieper op deze materie ingaan. Tijdens een gezamenlijk veldbezoek heeft Harm Smeenge zijn kennis met ons gedeeld waarvoor wij hem zijn erkentelijk zijn. 7 Ebbers en Van het Loo 1992, 24-29.

15

Foto van het duinlandschap waarbij de rol van de wind zeer goed zichtbaar is. De vegetatie in dit landschap is overeenkomstig aan die tijdens het jonge dryasstadiaal (laat-glaciaal). Op de voorgrond kraaiheide dat goed bestand is tegen instuivend zand uit de drooggevallen geulbeddingen. Tevens toont de foto een opgestoven rugstructuur met soorten zoals de den en jeneverbes. Soortgelijke rugstructuren kwamen voor in de Bergvennen en tijdens het jonge dryas zullen ze eenzelfde begroeiing hebben gekend. Bron foto en informatie: H. Smeenge

16

Veenontwikkeling en een herkenbaar oerlandschap - Holoceen De koude Weichsel-ijstijd wordt gevolgd door een definitieve klimaatsverbetering zo’n 11.700 jaar geleden: het Holoceen. Het Holoceen is het tijdvak dat voortduurt tot op de dag van vandaag. Het klimaat werd warmer en vochtiger waardoor de zeespiegel langzaam steeg en het open landschap veranderde in een beboste omgeving. De eerste bossen bestonden uit koude-resistente boomsoorten als de dwergberk en dwergwilg, iets later volgde ook de grove den. Zo´n 9000 jaar geleden konden ook de warmteminnende hazelaar en eik zich vestigen in het Nederlandse landschap. Door het opwarmende klimaat en de toename in begroeiing verminderde de aanvoer van sediment door lokale rivieren en beken. De meanderende Dinkel en haar zijbeken veranderden van glaciale smeltwaterbeken in beken waarvan het afvoerregime werd gedomineerd door regenval. Doordat de Dinkelvallei is opgevuld met erosiegevoelig materiaal mogen we ervan uitgaan dat de hoofdbeek en haar zijbeken gedurende het gehele Holoceen actief hebben gemeanderd.

Bewijs hiervan is geleverd toen onderzoekers in oude meanders verschillende afzettingslagen aantroffen die dateerden uit afzonderlijke Holocene fasen.8 Daarnaast is op basis van historische kaarten aangetoond dat de Dinkel in de negentiende en twintigste eeuw actief meanderende en haar loop constant verlegde.9 Er zijn aanwijzingen dat de invloed van de mens op het watersysteem al vanaf de late prehistorie heeft plaatsgevonden.10 Terug naar de vegetatieontwikkeling gedurende het Holoceen. Vooral de hogere en goed ontwaterde gronden raakten bedekt met vrijwel aaneengesloten Atlantische oerbossen. In de laaggelegen gebieden ontwikkelden zich andere vegetaties. In het kielzog van de zeespiegelstijging steeg ook de lokale grondwaterspiegel. De afwatering verslechterde en samen met het vochtige klimaat vormde dit ideale omstandigheden voor veenvorming. In de laagste delen van het Dinkeldal hoopten organische plantenresten zich op waardoor zich veenpakketten vormden. Op deze manier kon afhankelijk van de locatie een mozaïek aan natuurlijke landschapstypen ontstaan: droge of vochtige gemengde loofbossen op de hogere delen, dekzandeilandjes en in de beekdalen, terwijl in de afvoerloze laagten of op slecht waterafvoerende vlakten natte broekbossen met moerassige vegetaties ontstonden.11 Recentelijk is gepoogd deze Holocene vegetatieontwikkeling voor Twente in kaart te brengen.

Het vegetatiebeeld is gebaseerd op lokale landschapsreconstructies die vervolgens zijn geëxtrapoleerd op basis van bestaande aardkundige kaarten. Vanaf zo’n 4000 jaar geleden wordt in het Dinkeldal een mozaïek weergegeven van vochtige loofbossen (eik, iep, linde), gemengde loofbossen (eik, hazelaar, iep) en elzenbroekbos met es en wilg. Vanaf de Romeinse tijd is een beeld geschetst waarbij de hoogste delen van het Dinkeldal zijn omgezet in akkerlanden. De nattere lagere delen zouden bestaan uit open broekbossen en op de hogere gronden, waaronder het terrein van de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld, zijn heidevelden geschetst. De laatste dwarsdoorsnede dateert rond 1500 na Chr. en toont een beeld waarbij grote delen van het landschap in cultuur zijn gebracht. Het Dinkeldal bestaat uit akkers en graslanden terwijl ter hoogte van het Natura-2000 gebied heidevelden op natte gronden zijn gereconstrueerd.12

8

Van Beek 2009, 146-147. Van Kouwen 2015, 25; Hommel et al., 1994, 34. Proefschrift H. Smeenge in voorbereiding. 11 Bouman en Van beek, 2013. 12 Bouman en Van beek, 2013. 9

10

17

Veenontwikkeling in de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld In de voorgaande paragrafen is reeds uitgelegd dat bestaande paleogeulen in de Bergvennen afgesnoerd zijn door instuiving van dekzand. Hierdoor ontstonden er in de laagten van de oorspronkelijke paleogeulen een snoer van kleine vennetjes. Het Brecklenkampse Veld kenmerkt zich door een aantal langgerekte oost-westelijke paleogeulen die ook aan de Duitse zijde doorlopen in het Forst Bentheim.13 De afgesnoerde paleogeulen in het Brecklenkampse Veld en de geïsoleerde vennetjes in de Bergvennen zijn tijdens het Holoceen gevuld geraakt met een dik veenpakket. Dit veenpakket vormt een zeer interessant ‘landschapsarchief’. In het natte veenpakket blijven ingestoven pollen en allerlei andere lokaal gevormde macroresten zeer goed bewaard. Door een veenpakket onder een microscoop laagje voor laagje te bekijken kunnen pollen, zaden en macroresten gedetermineerd worden. Tevens kan de ouderdom van de afzonderlijke veenlagen aan de hand van een C14-methode bepaald worden. Met dit ‘paleo-ecologische’ onderzoek is het dus mogelijk de landschapsontwikkeling in hoofdlijnen te reconstrueren. Onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam hebben op deze wijze de veenlaag in het Eilandven onderzocht. het bovenste deel van deze veenlaag was echter al afgegraven en dieper gelegen veenlagen waren uitgebaggerd.

Het onderzoek richtte zich dus vooral op de oudste veenlagen die als eerste zijn gevormd. Nadat de Dinkel was afgesnoerd vormde zich een sedimentlaag in het meertje. Zo’n 11.500 jaar geleden trad er verlanding op en groeiden het dicht met moerasvegetatie waardoor er laagveen ontstond. Per toeval ontdekten de onderzoekers later langs de westoever van het Eilandven een laag van 15 centimeter hoogveen dat net boven de waterspiegel lag. Het was aan de aandacht van de veengravers ontsnapt doordat het was afgedekt met een pakket stuifzand. Aan de hand van deze veenlaag kon de Een vegetatiereconstructie van het Twentse landschap rond 200 na Chr. Rechtsboven de ‘punt’ van Breklenkamp en Lattrop met in de zwarte cirkel het Natura 2000-gebied. De groene kleuren geven loofbos aan, de licht rode/oranje kleur is een weergave van broekbossen in het Dinkeldal en de Bergvennen worden weergegeven als een heideveld.

wordingsgeschiedenis van het ven worden gecompleteerd. Nadat het vennetje geheel was verland werd de vegetatie steeds afhankelijker van voedselarm regenwater. Een ideaal vestigingsklimaat voor veenmossen waardoor zich geleidelijk aan een dikke veenmoslaag (hoogveen) ontwikkelde. Doordat veenmossen regenwater vasthouden groeide het hoogveen boven de grondwaterspiegel uit en breidde het zich ook zijdelings uit over de omgeving (stadium IV). 14 Hoogstwaarschijnlijk is de turfwinning in de met hoogveen dichtgegroeide vennetjes pas in de middeleeuwen begonnen. Eerst werd de droge hoogveenlaag gewonnen en later werden ook de diepere veenlagen (laagveen) uit het vennetje gebaggerd. Blijkbaar is het omliggende terrein in deze periode ook verdroogd en is de vegetatie op de hooggelegen dekzandruggen aangetast. Hierdoor traden middeleeuwse zandverstuivingen op waarbij het zand veenlagen in en rondom het meertje afdekten (stadium V).15

13

In zijn te verschijnen proefschrift zal Harm Smeenge veel dieper op deze materie ingaan. Tijdens een gezamenlijk veldbezoek heeft Harm Smeenge zijn kennis met ons gedeeld waarvoor wij hem zijn erkentelijk zijn. 14 Van Geel, 2005. 15 Idem.

18

Het Grenzpfad met links de Nederlandse zijde en aan de rechterkant de laagte in het Forst Bentheim. Het sneeuwlaagje op het ijs toont een doorlopende laagte vanuit het bos naar het Brecklenkampse Veld. Hierbij doet het Grenzpfad dienst als een soort van dijk.

Het Krakenven Uit het bovenstaande blijkt dat de landschapsreconstructie voor het Holocene Twente veel te globaal is geweest. Zeker in de Bergvennen bestonden de afgesnoerde vennetjes uit kleine hoogveenkoepeltjes. Ook de paleogeulen in het Brecklenkampse Veld zullen gevuld zijn geweest met vele dikkere veenlagen. De vraag is nu in hoeverre deze afzonderlijke veenkoepeltjes zijn samengesmolten tot één grote hoogveenkern. Negentiende-eeuwse historische kaarten tonen ons een nat heidelandschap met daartussenin een aantal vennetjes. Maar in die periode heeft de mens dan al in belangrijke mate in dit landschap ingegrepen. Een oudere kaart van Nicolaas ten Have geeft ons een geheel ander beeld. De cartograaf gaf een immens veenmoeras weer tussen Breklenkamp – Lattrop – Nordhorn en Frenswegen. Is dit het middeleeuwse landschapsbeeld van het Natura 2000-gebied? Het landschap zou er dan als volgt hebben uitgezien: een moerassige grenszone die bestond uit een aantal (aaneengesloten) hoogveenkernen, mogelijk met een aantal moerassige laagten (laagveen/broekbossen) en enkele dekzandhoogten, waarover onder andere de verbindingsweg tussen Ootmarsum en Nordhorn is aangelegd. De verlanding van het Eilandven schematisch weergegeven in een zestal stappen. Daarbij geeft de onderste afbeelding de situatie weer van zo’n 13.000 jaar geleden en de bovenste afbeelding toont het heden.

19

Ook wat betreft het Natura-2000 gebied is het natuurlijk razend interessant hoe dit natuurlijke landschap er in de middeleeuwen heeft uit gezien. Om hier meer gedetailleerde uitspraken over te kunnen doen is het nodig om aanvullend paleo-ecologisch onderzoek te doen naar veenvulling die het gehele Holoceen bestrijkt. En in de Bergvennen lijkt deze kans zich voor te doen. Dezelfde onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam ontdekten in 2005 dat in het Krakenven meer dan zes meter aan sediment (o.a. veen) nog aanwezig is. Tijdens veldwerk voor dit onderzoek is diezelfde dikke veenlaag aangetroffen in het Krakenven (zie kaart 1 voor de ligging). Deze laag kan ons veel vertellen over de landschapsontwikkeling van het Laat-Weichselien en een belangrijk deel van het Holoceen. Een onderzoek zou inzicht kunnen verschaffen of de vennetjes onder zwak gebufferde omstandigheden zijn verland en of er na verloop van tijd een systeem ontstond dat geheel regenwater gevoed was.

De historische kaart van Nicolaas Ten Have uit 1648. Het Natura 2000-gebied ligt midden in de driehoek Ootmarsum – Nordhorn – Nijenhuis. Oostelijk van Lattrop en Breklenkamp en noordelijk van de weg tussen Nordhorn – Ootmarsum ligt het onderzoeksgebied. Met het gestippelde/gearceerde vlak wordt op de kaart een moerassige omgeving weergegeven.

Prehistorische bewoning In het Brecklenkampse Veld en de Bergvennen zijn maar betrekkelijk weinig archeologische vondsten gedaan. Vooral voor de jongste fase van het Holoceen is dat gezien de zojuist geschetste landschapsontwikkeling weinig verassend. Door de veenontwikkeling en de hiermee gepaard gaande vernatting was het gebied niet interessant voor permanente bewoning. Gedurende het mesolithicum (midden steentijd) en het neolithicum (nieuwe steentijd) was dit anders. De net afgesnoerde paleogeulen bevatten toen nog open water en vormden daarmee interessante vestigingsplekken. Dat er in deze periode ook in het gebied gewoond werd wordt bevestigd door vondsten in het Brecklenkampse Veld, het bosje ten noorden van De Vetpot in het Lattroper Veld en ten zuiden van de Frensdorferweg

20

(oostwaarts van de afslag Rammelbeekweg).16 Het zijn vooral vuurstenen werktuigen die hier zijn gevonden zoals klingen, spitsen, schrabbers en een vuurstenen sikkel die mogelijk nog dateert uit een jongere periode (bronstijd of midden-ijzertijd). Tevens is er in het Brecklenkamper Veld een hamerbijl gevonden die stamt uit het laat-neolithicum of het gaat om een zogenoemde Arbeitsaxt uit de bronstijd (de late nieuwe steentijd). Tegenover de Vetpot ligt aan de noordkant van de Brekkelerveldweg een bosje waarvan het noordwestelijke deel voorheen werd aangemerkt als een archeologisch monument (nummer 13.556). Thans wordt het beschouwd als een terrein van hoge archeologische waarde. Hier zijn in 1970 op een dekzandrug vuurstenen artefacten, waaronder een driehoekige pijlspits (pijlpunt), gevonden uit het mesolithicum en het neolithicum. Later is het gebied opnieuw onderzocht en is er vastgesteld dat het bodemprofiel vrijwel geheel intact is. Vanwege deze goede bodemcondities blijft de vindplaats ook richting de toekomst toe interessant. Het algemene beeld is dat vooral de hogere dekzandruggen en dekzandkoppen plaatsen zijn met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Dat geldt uiteraard ook voor hogere terreinen in de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld.

In de loop van het Holoceen, mogelijk ergens in de bronstijd, raakt het gebied door de veenontwikkeling meer en meer afgesneden van de bewoonde wereld. Indien het gebied bewoning heeft gekend in de ijzertijd en de romeinse tijd, dan zullen we deze moeten zoeken aan de rand van de grotere dekzandruggen of op beekdalflanken aan de rand van een es. Dit patroon is ook elders in Twente waargenomen.17 Of er ook daadwerkelijk bewoning heeft plaatsgehad is niet helemaal zeker. Het is goed mogelijk dat veel van deze grondsporen nog onder dikke eslagen in de bodem verstopt zitten. Hierna zullen we zien dat het gebied in de loop van de vroege middeleeuwen zeker weer bewoond raakt. De bewoning vindt dan wederom plaats op de hogere dekzandruggen langs de Dinkel en haar zijbeken. Het ontoegankelijke (hoogveen)moeras van de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld zal in deze periode alleen extensief benut zijn.

De archeologische tijdvakken overzichtelijk weergegeven in een tijdbalk (Bron: Bazelmans et al., 2011).

16 17

Het gaat om de waarnemingsnummers: 1078, 2395, 2396, 2397 en 2405 uit het Archeologisch Informatiesysteem ARCHIS. Groenewoudt & Scholte Lubberink, 2007

21

Kaart 2 - Middeleeuwse dorpslandschappen van het Natura 2000gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld (800 - 1850 na. Chr.) E Twickelsvleier Oude

Eggelplas

kKruiskuil E

Lutke Vleier

Twickels E Vleier het Fledder of de Plessche Afgebrand paaltje

Veldkamp mat

D

k E

Vleier

E

Breklenkampsche Veld

Kruiskuil

kmet paaltje E 't Kleine Fledder

E

Achter in 't Veald

Pluzenven / Keul zien pool

$$

E

Bergsvenne / Eilandven / Grootn pool

$$ $$$

$ $$

3 &

De Blaasbal / Het Ronde Ven / Rools pool

Rietven / Hannes zien pool

Scheidsteen (laaksteen)

k E

De Livring Bult

3 E &

E Lattropsche Veld

Tussen de Beeken

Ven 2

Scheidssteen (keisteen)

k E

Achter in 't Veald

D × Braak

't Brook Pikkemoatsbrook

de Haa

Lattropsche Veen

E

Grote Moat

Bonken Maten

E

Goozings

Rammelbeekmaten Esri Nederland, Jan Willem van Aalst - www.imergis.nl

>

Legenda Industrie

Kaartinformatie Infrastructuur

$ kluunplaats - locatie nagaan

weg - aanwezig

Infrastructuur

weg - afwezig

Aardkunde stuifzand - herkenbaar

Infrastructuur

D

karrenspoorbundel - aanwezig k grensmarkering - aanwezig/herkenbaar Samenleving markegrens - aanwezig Waterstaat k grensmarkering - afwezig ven - aanwezig

E

rijksgrenspaal

3 &

kruiskuil

> boerderij D huis - afwezig ×

Middeleeuwse dorpslandschappen

Natura-2000 gebied

Buurtschap

Terreinen LO

Weide- en hooiland

Cartograaf Dennis Worst

Heideveld

Datum

Veen

7-09-2018

markegrens - afwezig

Waterstaat

Wonen

Begrenzing

beek - afwezig greppel - aanwezig

ven - afwezig ven - herkenbaar

Versie

Eindversie

Schaal 0

125

250

500

Meter

E

3. Middeleeuwse dorpslandschappen – 800 tot 1850 na Chr. (Fase 2) De vroegmiddeleeuwse wereldlijke en geestelijke ontwikkeling (800 tot ca. 1000) We pakken het verhaal van het landschap weer op in de vroege middeleeuwen. In de middeleeuwen konden heersers op twee verschillende manieren macht uitoefenen: via de geestelijke macht en via de wereldlijke macht. De geestelijke macht werd uitgeoefend door via de kerk inwoners van een bepaalde streek te binden aan een parochie. De parochianen verkregen via de kerk hun zielenheil en als wederdienst gaven zij jaarlijks diverse tienden voor het onderhoud van de kerk en de pastoor (een tiende van de oogstopbrengst of hun veestapel). De wereldlijke macht is de macht die keizers, koningen en edelen over het gewone volk hadden via bestuur en rechtspraak. Binnen het huidige Twente behoren Oldenzaal, Ootmarsum en misschien ook Enschede tot de oudere vroegmiddeleeuwse parochies waar al vroeg kerken zijn gesticht. Hetzelfde geldt voor de vlak over de grens gelegen plaatsen Uelsen, Veldhuizen (Veldhausen), Emlichheim (Emlichheum) en Nijenhuis (Neuenhaus). Daarmee behoorde Twente en een klein deel van Duitsland tot het uitgestrekte Utrechtse bisdom. Geografisch gezien vormde dit deel van Twente en Duitsland een belangrijk scharnierpunt voor de Utrechtse bisschop.

De Vecht en de Dinkel die door het graafschap hun weg zochten vormden natuurlijke grenzen ter verdediging van het Oversticht. Vanaf de tiende en elfde eeuw kregen bisschoppen door de keizer of koning steeds vaker graafschappen of grafelijke bevoegdheden geschonken. Deze wereldlijke macht uit zich in bestuurlijke, politieke en rechterlijke macht. Zo schonk Keizer Hendrik III van het Heilige Roomse Rijk vóór 1049 het graafschap Twente aan de bisschop van Utrecht. Vanaf dat moment zien we dat de geestelijke en wereldlijke macht elkaar steeds vaker gaan overlappen. Het zal dan ook geen verassing zijn dat het Duitse deel van het Oversticht in de middeleeuwen ook wel is aangeduid als Noord-Twente. Er zijn aanwijzingen dat dit Duitse ‘Noord-Twente’ in de vroege middeleeuwen een afzonderlijk graafschap heeft gevormd. Het ´Zuid-Twente’ zou dan overeenkomen met het huidige Twente. Al snel verdwijnt de naam ‘Noord-Twente’ uit de geschiedenis.

De wereldlijke en geestelijke macht in het Krakenvenschap Bentheim Vanaf de 11e eeuw en zeker vanaf de 12e eeuw komt het gebied steeds meer onder invloed te staan van het kasteel Bentheim. Van een graafschap met afgebakende grenzen kan dan nog niet gesproken worden. De vorming van het graafschap Bentheim is een zeer geleidelijk proces geweest, waarbij het eigendomsbezit van het gelijknamige geslacht gestaag toenam. Het duurde zelfs tot in de 14e eeuw voordat het Bentheimse grondgebied rechtmatig een graafschap van het Heilige Roomse Rijk mocht worden genoemd. Het graafschap Bentheim was geestelijk onderverdeeld in een ´Nedergraafschap´ en een ´Bovengraafschap´. Het geestelijke bewind in het Nedergraafschap, met als belangrijkste plaatsen Nijenhuis (Neuenhaus), Veldhuizen (Veldhausen), Emlichheim (Emlichheum) en Uelsen, was in handen van de Utrechtse bisschop en het Bovengraafschap behoorde tot het bisdom Münster.

Grootgrondbezit en horigheid in Twente (800 tot ca. 1000) Vóórdat de geestelijke machthebbers meer en meer graafschappen kregen geschonken was de wereldlijke macht vooral in handen van vazallen of leenmannen van de keizer of koning. De koning gaf grond uit in leen en kreeg daar loyaliteit en militaire diensten voor terug. De grond die de leenman verkreeg werd beheerd vanuit centraal gelegen hoven van de vazallen. In de volgende kadertekst wordt dit hofstelsel nader toegelicht. Het hofstelsel heeft ook voet aan de grond gekregen in Twente en het Duitse Noord-Twente. In Ootmarsum lag de belangrijke bisschoppelijke hof Ootmarsum dat gold als centrum van bestuur in het kader van het hofrecht dat over de horigen werd gesproken. De hof gold als centrum voor circa 30 boerenerven uit de omliggende buurschappen. Zo waren er bijvoorbeeld twee erven uit het gehucht Lattrop erven horig aan de hof in Ootmarsum. Later zijn aan de hof ook de horigen toegevoegd van de drie bisschoppelijke hoven uit het Nedergraafschap Bentheim. Hiertoe behoorden van oudsher drie centrale hoven - de Hof te Lage, de Hof te Hardingen en de Bisschopshof /Scholte Bisschopink te

23

Wilsum - waaronder maar liefst 78 hofhorige boerderijen ressorteerden.18 Naast deze bisschoppelijke hoven beschikten ook geestelijke instellingen zoals kapittels, proosdijen en de bekende Rijksabdijen van het Heilige Roomse Rijk over centrale hoven waaraan vele hofhorige boerderijen aan verbonden waren.

Vroegmiddeleeuwse bewoning in Lattrop en Breklenkamp: de samenleving De expansiedrift van Karel de Grote (776-814) heeft gezorgd voor de totstandkoming van een uitgestrekt Karolingische rijk. Ook Twente ging hier deel van uitmaken en dat had voor de Twentse samenleving een aantal ingrijpende gevolgen. Samen met het christendom werd ook het hofstelsel ingevoerd, terwijl er tegelijkertijd nieuwe en intensievere interregionale contacten ontstonden. Dit alles zorgde voor een belangrijke trendbreuk met de voorafgaande Frankische perioden met een bevolking die bestond uit Germaanse stammen. Met de komst van de Karolingen ontstond een nieuwe samenlevingsstructuur die gebaseerd was op het koningschap en nauwe relaties met de Karolingische elite. Het uitgebreide elitenetwerk verkreeg in ruil voor militaire diensten voor de koning de beschikking over grote hoeveelheden grond. Deze grond, met de bijbehorende boeren die het land bewerkten, was bedoeld voor het levensonderhoud van een edelman/militair, maar verschafte tevens een machtsbasis. Dit hofstelsel of het domeinstelsel is zeer bepalend is geweest voor de inrichting van het middeleeuwse landschap. Tot de hof van een koning/edelman of religieuze instelling (klooster) behoorden diverse hofhorige boerderijen met horigen (boeren) die het land bewerkten en die door vaste rechtsregels aan de grond gebonden waren.

De hofhorige boeren en hun erfgenamen hadden levenslang en eeuwig het gebruiksrecht over een boerderij. Als wederdienst leverden zij jaarlijkse vaste pachten en tevens moesten zij herendiensten verrichten op de hoofdhof (maaidiensten of bodediensten). De hof zelf vormde het centrum van het domeingoed met daaromheen de hofhorige boerderijen. Naast het hofstelsel werd er door de Karolingen ook het drieslagstelsel ingevoerd. Een nieuw vruchtwisselingssysteem waarbij een akker na twee jaar van bebouwing een jaar braak kwam te liggen. Deze vorm van wisselbouw leidde tot een krachtige agrarische groei in de vroege middeleeuwen. Een laatste belangrijke verandering was de invoering van het christendom. Merovingische en Karolingische koningen en de daaraan verbonden elite schonken stukken grond die de basis vormden voor de stichting van kloosters en kerken. Dit nieuwe grondgebonden Karolingische hofstelsel leidde samen met de goed georganiseerde kerkelijke organisatie tot een nieuwe landschapsinrichting en een sterk geïnstitutionaliseerde samenleving. Bronnen: Seyger, 2010 & Spek, 2010.

Door uitvoerig historisch boerderijonderzoek is ons bekend wie de historische eigenaren zijn geweest van de erven in Lattrop en Breklenkamp.19 Naast de Hof Ootmarsum beschikten ook de graaf van Bentheim, het geslacht Van Putten en het latere klooster Frenswegen over horige goederen, leengoederen of allodiale goederen in Lattrop. Leengoederen komen voort uit het vroegmiddeleeuwse leenstelsel. Dit is ontstaan als middel voor machthebbers om strijdbare en machtige mannen aan zich te binden en daarmee hun eigen macht en aanzien te vergroten. Een belening is een bevestiging tussen de leenheer en zijn leenman, vaak werd er bij een belening grond ter beschikking gesteld (domeingoed) door de leenheer die hier bescherming van zijn leenman voor terug kreeg. Allodiale goederen zijn goederen waarover de eigenaar vrij kon beschikken (eigen goederen). Het merendeel van de boerderijen in Breklenkamp was eigendom van de Graaf van Bentheim. Hij gaf deze boerderijen als leengoed uit. Onduidelijk is hoe de Graaf van Bentheim deze boerderijen heeft verworven. Wat verder opvalt is dat in Breklenkamp sprake is van het erve Scholten oftewel het ‘Hof te Brecklenkamp’. Allicht dat dit erf ooit als een wat kleinere hoofdhof heeft gefungeerd voor de omliggende boerderijen. Evengoed kan het echter alleen een wat grote boerderij zijn geweest.

Het erve Scholten en de hofhorige erven in Lattrop wijzen erop dat zowel Lattrop en Breklenkamp in de vroege middeleeuwen al bewoning hebben gekend, iets dat in de volgende paragrafen nader zal worden uitgewerkt.

Lattrop en Breklenkamp in de vroege middeleeuwen (800 tot ca. 1200) In het vorige hoofdstuk is uitgelegd dat het brede Dinkeldal tussen grofweg Ootmarsum en de DuitsNederlandse grens en van Breklenkamp tot Denekamp/Mekkelhorst in het Laat-Weichselien is opgevuld door dekzanden die in de vorm van kleine dekzandruggen en dekzandkopjes zijn afgezet. De Dinkel en 18 19

Woolderink 2015, 8; Hulshoff 1957, 39-40. Woolderink, 2015.

24

haar voormalige zijbeken, zoals de Rammelbeek, de Sombeek en de Geele Beek doorsneden dit beekdallandschap. Zodoende ontstond een kleinschalig, reliëfrijk en sterk geaccentueerd maaiveld. De bodemgesteldheid van de ruggen en kopjes kan verschillen van leemrijk tot zwak lemig of leemarm, afhankelijk van de periode waarin het dekzand is afgezet en het daarmee ‘Oud Dekzand’ of ‘Jong Dekzand’ is. Van nature zullen de meest vruchtbare en droog liggende gronden als eerste in gebruik zijn genomen. Deze leemrijke en goed ontwaterde gronden worden in de bodemkunde als moderpodzolgronden benoemd. De wat armere en drogere bodems worden door bodemkundigen getypeerd als haarpodzolgronden en hun nattere variant als veldpodzolgronden.

De Bergvennen in de wintermaanden met uitzicht over het Eilandven.

In het vroegmiddeleeuwse Dinkeldal zullen eerst de hoger gelegen, grootste en vruchtbaarste dekzandruggen zijn ontgonnen. De rijkere loofbossen op de moderpodzolgronden, die onder andere bestonden uit eik, beuk en linde, werden gekapt en omgezet tot akker of weide. In de periferie van Ootmarsum zal dit ook in de vroege middeleeuwen aan de oostelijke zijde van de Dinkel tussen Denekamp en Breklenkamp zijn gebeurd. Dit weten we doordat er goederenlijsten zijn overgeleverd van de door de missionaris Liudger gestichte Rijksabdij (klooster) van Werden (799). Tussen circa 930 – 966 is een lijst opgesteld met daarin alle eigendommen waarover het klooster beschikte. De kans bestaat dat deze goederen, of een deel daarvan, nog tijdens Liudgurs actieve leven aan hem zijn geschonken door de lokale elite (768 – 814). Om het iets ruimer te nemen wordt verondersteld dat de meeste schenkingen zijn gedaan tussen ca. 800 – 850.20 Op de lijst komen onder andere de plaatsnamen van Daginghem (Denekamp), Brakkinghem (Breklenkamp), Norhthornon (Noord-Heurne oftewel Nordhorn), Baningi (Beuningen) en Mikilunhurst (Mekkelhorst). Het mag duidelijk zijn dat de buurtschappen tussen Breklenkamp en Denekamp vanaf de 10e eeuw continu zijn bewoond en mogelijk al eerder.

20

Seyger 2010, 309.

25

Breklenkamp (Brakkinghem) en Denekamp (Daginghem) zijn typische -heem namen. De meeste heemnamen in Nederland vinden hun oorsprong in de vroege middeleeuwen en zijn afgeleid van ‘woonplaats’. In dit kader wordt Brakkinghem wel verklaard als ‘woonplaats van de lieden van de persoon Brakko’. Later verwordt inghem in Breckinchem (1312), Breckenkam (1540) en Breclincham (1793) langzaam aan tot kamp (net als Denekamp).21 Andere verklaringen van het element brak/brakking zijn: ‘vlas breken’ of ‘land breken’.22 Lattrop wordt voor het eerst genoemd als Lattorpe in een oorkonde uit 1272. De naam wordt verklaard uit de trop, torpe (dorp of dochternederzetting) in combinatie van de persoon Lêta (horige).23 Er is ook nog een andere verklaring, namelijk dat het gaat om een Trup-naam. Namen met –trup worden in verband gebracht met ‘alt-Saksische migranten’ uit het Westfälische Weserbergland. Lattrop zou van deze groep één van de meest westelijke zijn.24

De indeling van het middeleeuwse cultuurlandschap (1200 – heden) Inmiddels hebben we enig inzicht gekregen in de middeleeuwse samenleving. Maar hoe zag dit middeleeuwse landschap er bij benadering uit? En hoe gebruikte de middeleeuwse boer dit landschap? In de onderstaande tekst beschrijven we vier verschillende gebruiksgebieden: de essen en kampen, het bos, de groenlanden en als laatste de heidevelden met de veengebieden. Dit doen we door onder andere gebruik te maken van historische veldnamen, waternamen en gebiedsnamen. Dergelijke toponiemen leveren ons erg veel informatie over hoe het vroegere landschap eruit heeft gezien. De essen Op de vruchtbaarste, hoger gelegen dekzandeilanden werden essen aangelegd. Daarbij moeten we niet denken aan klassieke, grootschalige essen (eng of enk) die blok- of strookvormig verkaveld waren en die collectief bebouwd en nabeweid werden. In het versnipperde dekzandeilanden landschap ontstonden talrijke kampen of eenmansessen met één, twee of drie eigenaren en waarbij de verkaveling was afgestemd op het natuurlijke reliëf. Veelzeggende zijn de vele veldnamen uit Breklenkamp en Lattrop die eindigen op kaamp: Zuudkaamp, Seisenkaamp, Hofkaamp, Reuwenkaamp, maar ook ’n Es. De essen of kaampen waren volgens het oude drieslagstelsel twee achtereenvolgende jaren in gebruik als akkerland waarna het vervolgens één jaar braak lag.

Het drieslagstelsel verving het tweeslagstelsel en in de vroege middeleeuwen ingevoerd door Karel de Grote. Het heeft gefunctioneerd tot ongeveer de vijftiende eeuw toen door een intensievere bemesting overgeschakeld kon worden op het tweeslagstelsel zonder een periode van braakligging van de akkers.25 Grenzend aan het boerderijerf vinden we vaak de huisakker of woerd, deze werd in Drenthe wisselend als akker en weiland gebruikt. Een mooi voorbeeld is de Voaltakker aan de zuidkant van de Jonkershoesweg in Brecklenkamp. De ‘Vaalt’ of ‘Vaolt’ wordt in Drenthe uitgelegd als het erf waar de boerderij op heeft gestaan.26 Allicht heeft ter plaatse van de Voaltakker eertijds ook een boerderij gestaan. Later is de Vaolt als akker, maar ongetwijfeld ook als weiland, in gebruik genomen. Uiteraard is het nog wel de vraag of de Drentse principes ook voor het Twentse gebied golden. De bossen In eerste instantie waren de minder vruchtbare dekzandkoppen nog bebost. Door een bevolkingstoename vanaf de late 12e en 13e eeuw worden ook deze kleinere en minder vruchtbare bosgebieden omgezet tot eenmansessen. Oude veldnamen met Loo (half-open bos of bosweide) en ’t Rot (gerooid bos) verwijzen nog naar deze middeleeuwse bossen van het wat drogere type. In Brecklenkamp en Lattrop vinden we onder andere: Loomoat, ‘t Rot, Loovaeld en het Tijscholtenrot.

Gedurende de late middeleeuwen komen de bosgebieden meer en meer onder druk te staan en worden er allerlei reglementen opgesteld om het restant ervan te beschermen. De overgebleven bosjes liggen aan de rand van de essen, ze grenzen direct aan het erf en daarnaast zijn er natuurlijk de vele houtwallen die de hoger gelegen essen omzomen. De groenlanden Het dekzandeilandenlandschap wordt doorsneden door de Dinkel en zijn vele kleine zijtakken. De breedte van de laaggelegen beekdalen varieert sterk. Langs de Rammelbeek, de Somsbeek en de Geele Beek waren de beekdalen in het algemeen zeer smal. Op deze lage en veelal iets rijkere beekdalgronden groeiden oorspronkelijk moerasbossen met wilgen, elzen en berken. Snel na de eerste 21

Van Berkel & Samplonius, 2018 Seyger 2010, 392. 23 Van Berkel & Samplonius, 2018. 24 Brand 1986, 343-356. 25 Spek 2004, 999. 26 Spek 2004, 677. 22

26

ontginningen zullen delen van dit broekbos zijn ontwaterd en omgezet tot wei- en hooilanden. In de natste gebieden zal het broekbos zich lang gehandhaafd hebben. Zelfs deze natte broekbossen werden in de drogere zomermaanden soms gebruikt als weidegebied voor het vee. Veel van deze broekgebieden werden als gemeenschappelijk weiland gebruikt door de boeren van Breklenkamp (Boersmörs, ’t Binnenbroek) en Lattrop (Tijscholtenmös, Pikkemoat of ’t Pikkemoatsbrook). De hooggelegen essen en de wat ingesneden beekdalen vormen samen de kern van het intensief gebruikte cultuurlandschap in Breklenkamp en Lattrop. Een landschap dat met de verspreid liggende erven, de diverse beekjes en de vele hoogten door de voormalig provinciaal archeoloog Verlinde terecht is betiteld als een ‘eilandrijk’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/504/documents/16889