CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

B_B_ontwerp_1_regels_Bijlage 3 Aanwijzingsbesluiten Natura 2000.PDF

Gemeenteraad 21 december 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 13: Voorstel inzake ontwerp provinciaal inpassingsplan Bergvennen en Brecklenkampse Veld39.228 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Er wordt over de instandhoudingsdoelstellingen opgemerkt dat ze de status zouden moeten krijgen van een inspanningsverplichting en niet van een resultaatsverplichting. Enkele insprekers menen dat bij het vaststellen van de doelstellingen veel geleund wordt op informatie over het voorkomen van flora en fauna in vroegere jaren, die niet gebaseerd is op voldoende wetenschappelijke gegevens. Het is onduidelijk of deze waarden daadwerkelijk aanwezig zijn. Om die reden zouden de aanwezige habitattypen op een kaart aangeduid moeten worden. Weer anderen menen dat de uitgangssituatie helder moet worden omschreven in het aanwijzingsbesluit. Tegelijkertijd zal er een termijn gegeven moeten worden waarbinnen de doelstellingen gerealiseerd moeten worden. In de besluiten wordt er volgens insprekers niet ingegaan op de mogelijke gevolgen van klimaatverandering, terwijl deze veranderingen bepalend kunnen zijn voor de haalbaarheid van de natuurdoelen. Er wordt bovendien gevraagd om de kernopgaven in de aanwijzingen op te nemen, dan wel het Natura 2000 doelendocument (2006) deel uit te laten maken van de aanwijzingsbesluiten. Uit het besluit zou duidelijk moeten blijken voor welke functie(s) en voor welke soort(en) het gebied wordt aangewezen, zodat duidelijk is of de soorten in al hun levensbehoeften worden beschermd.

Daar waar niet alle levensbehoeften in een Natura 2000-gebied zijn beschermd dient te worden aangegeven waar de ontbrekende functies zijn gelegen en wat de beschermingsstatus is.

43

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld

bijlage C

Er wordt gevraagd om rekening te houden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden. In dat verband wordt dan ook met nadruk gewezen op het belang van het gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld voor de recreatie. Dat het concretiseren van maatregelen wordt doorgeschoven naar het beheerplan geeft voor veel insprekers onduidelijkheid; hierdoor kan het overleg over het beheerplan onder grote spanning komen te staan. Zij bepleiten duidelijke kaders voor het beheerplan, zodat er constructief aan de uitwerking kan worden gewerkt. Daarnaast wordt opgemerkt dat bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen alleen wordt uitgegaan van bestaande budgetten. Welke consequenties de instandhoudingsdoelstellingen hebben in financiële zin wordt pas duidelijk bij het tot stand komen van de beheerplannen. Met betrekking tot de hierboven genoemde zienswijzen worden de volgende opmerkingen gemaakt: Algemene instandhoudingsdoelstellingen De algemene instandhoudingsdoelstellingen beogen de algemene hoofddoelstelling van de Vogel- en Habitatrichtlijn in de individuele aanwijzingsbesluiten te verankeren. Daarmee wordt de bijdrage van de Nederlandse Natura 2000-gebieden aan het behoud van de biodiversiteit in Europa vastgelegd. Per gebied zijn de specifieke doelstellingen voor de relevante habitattypen en soorten nader omschreven.

Op basis van deze instandhoudingsdoelstellingen en de algemene doelstellingen wordt naar een landelijk gunstige staat van instandhouding van de voor Nederland relevante habitattypen en soorten gestreefd. Dit houdt in dat het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat of van de soort stabiel moet zijn of moet toenemen; dit moet in de toekomst ook zo blijven. Een duurzaam behoud van een habitattype kan alleen maar gerealiseerd worden wanneer de planten- en diersoorten die typisch zijn voor de habitat behouden kunnen worden. Dit geldt ook voor de bescherming van een bepaalde plantensoort of diersoort. De betreffende soort kan alleen effectief beschermd worden wanneer de beschermingsmaatregelen zich, naast op de soort zelf, ook richten op het leefgebied van de soort. Zodoende strekt in een Natura 2000-gebied de instandhoudingsdoelstelling van een soort zich mede uit tot het leefgebied van de betreffende soort. De formulering van de algemene instandhoudingsdoelstellingen is aangepast in hoofdstuk 5 van de Nota van toelichting van dit besluit. In de aangepaste formulering van het tweede algemene doel is niet de letterlijke tekst van de Habitatrichtlijn (artikel 2) gevolgd, omdat het in de Richtlijn een algemene doelstelling van de Richtlijn betreft en in dit geval om de gebiedsspecifieke invulling daarvan gaat.

Meer in het bijzonder: een Europese Richtlijn kan een bijdrage leveren aan het waarborgen van de biologische diversiteit, maar een gebied kan alleen bijdragen aan het behoud van de biologische diversiteit. Verder is de term “natuurlijke kenmerken” in de algemene doelen gehandhaafd, omdat dit een begrip is dat in de Richtlijn ook gebruikt wordt in verband met de bescherming van de gebieden (artikel 6). Verder geldt ook dat invloeden van buitenaf op het Natura 2000-gebied van grote invloed kunnen zijn op de staat van instandhouding van een habitattype of soort: de externe werking. De instandhoudingsdoelstelling richt zich op het gehele biotische en abiotische complex van factoren, die het habitattype of de soort haar specifieke aanzien geven en die noodzakelijk zijn voor het behoud van de biologische diversiteit van het gebied. Contour “haalbaar en betaalbaar” In de paragrafen 3.4 en 4.1.7 van de Nota van Antwoord staat aangegeven dat zowel de selectie als de begrenzing uitsluitend gebaseerd is op ecologische criteria. Dit betekent echter niet dat andere dan ecologische belangen geen rol hebben gespeeld bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen. Hierbij heeft het uitgangspunt “haalbaar en betaalbaar”, zowel landelijk als per gebied, nadrukkelijk een rol gespeeld. Er is daarbij rekening gehouden met de economische en sociale belangen van de directe omgeving.

Dit betekent in de praktijk dat voor een bepaald habitattype of soort de relatief grootste ecologische bijdrage komt van het gebied waar de ecologische vereisten reeds op orde zijn of waar ze op relatief eenvoudige wijze op orde te brengen zijn, om zodoende bij het opstellen van beheerplannen een evenwichtige balans tussen economie en ecologie na te kunnen streven. In paragraaf 3.4 van de Nota van Antwoord staat dat Nederland zich inspant om zoveel mogelijk habitattypen en soorten in een gunstige staat van instandhouding te houden of te brengen. Er kan echter geen onevenredige financiële inspanning verwacht worden om alle habitattypen en soorten te herstellen. Met oog 44

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld

bijlage C

hierop is voor een aantal soorten en habitattypen in het Natura 2000 doelendocument (2006, hoofdstuk 6) gekozen voor een lager niveau dan gunstige staat van instandhouding. In die gevallen wordt verbetering van de ecologische vereisten voorlopig niet realistisch geacht of staat de inspanning in geen verhouding tot de extra bijdrage die een gebied kan leveren aan de realisering van de Natura 2000-doelen op landelijk niveau. Anderzijds is het logisch dat een hogere inzet wordt nagestreefd voor habitattypen en soorten waar Nederland relatief belangrijk voor is en/of voor habitattypen en soorten die sterk onder druk staan. Dit geldt bijvoorbeeld voor de habitattypen zeer zwakgebufferde vennen (H3110) en heischrale graslanden (H6230). Voor deze habitattypen zijn de ecologische omstandigheden nog niet op orde. Contour “strategisch lokaliseren” Bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen is ook geanticipeerd op bestaande plannen en projecten ter realisering van de Ecologische Hoofdstructuur en bestaand beleid met betrekking tot bijvoorbeeld mest en waterhuishouding. Dit is het gehanteerde principe van “strategisch lokaliseren”: behoud of herstel nastreven daar waar de grootste potentie ligt en waar dit gemakkelijk kan zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de ecologische uitgangspunten en ambities.

Om daaraan invulling te geven zijn diverse consultatierondes met deskundigen en terreinbeheerders gehouden en zijn analyses uitgevoerd, waaronder de knelpunten- en kansenanalyse van KIWA Water Research/EGG-consult29. In de toekomst zullen inspanningen voor het waterbeheer meer gericht moeten worden op het natuurbelang. Waar nodig is de begrenzing van gebieden aangepast om een op termijn duurzamere situatie te verkrijgen. Voor een aantal habitattypen en soorten zijn gezien de urgentie ten aanzien van één of meerdere kernopgaven (“sense of urgency”)30, op de korte én lange termijn, aanvullende water- of beheermaatregelen nodig. Trends, dynamiek en autonome ontwikkelingen In het aanwijzingsbesluit staat het resultaat van de bovenstaande contouren uitgewerkt in de vorm van de instandhoudingsdoelstellingen. Op grond daarvan worden in het beheerplan de benodigde maatregelen uitgewerkt om de genoemde habitattypen en soorten in de gewenste staat van instandhouding te brengen of te behouden, zodat het gebied voldoende bijdrage kan leveren aan het realiseren van de gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Eén van de uitgangspunten in de Natura 2000 contourennotitie (2005)31 is dat doelstellingen in de tijd robuust geformuleerd moeten worden. Dit is gedaan om zo te kunnen anticiperen op bijvoorbeeld de natuurlijke dynamiek of mogelijke klimaatveranderingen.

Als de instandhoudingsdoelstellingen niet gehaald lijken te worden, bijvoorbeeld omdat een populatie vogels of een bepaald habitattype ondanks de bescherming toch kleiner wordt, moet Nederland maatregelen nemen om deze ontwikkeling te keren. Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, verplicht de lidstaat namelijk om verslechtering van habitattypen en leefgebieden van (vogel)soorten te voorkomen. Soms zullen de genomen maatregelen niet werken, bijvoorbeeld bij klimaatverandering, een te grote externe beïnvloeding of als trekkende soorten in het buitenland negatief worden beïnvloed. Er zijn dan geen sancties. Gezien een aantal onzekerheden over te verwachten ontwikkelingen, die voortkomen uit natuurlijke dynamiek en klimaatveranderingen, is voor het jaar 2015 voorzien in een evaluatie van het Natura 2000 doelendocument (2006). Indien noodzakelijk worden dan ook de betreffende aanwijzingsbesluiten aangepast (zie Nota van Antwoord, paragraaf 3.19). In bijlage B.3 van de Nota van toelichting van dit besluit wordt nader op de specifieke keuzes ingegaan. Herijking instandhoudingsdoelstellingen De lidstaten van de Europese Unie hebben de afspraak gemaakt om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om een gunstige staat van instandhouding van de aangewezen soorten en habitattypen waarvoor gebieden zijn aangewezen te realiseren.

Pas wanneer daadwerkelijk is gebleken dat de doelen om wat voor reden dan ook niet haalbaar zijn, bestaat er – zoals onder andere in paragraaf 1.4.1 van de Nota van Antwoord staat 29

KIWA & EGG (2007): Knelpunten- en kansenanalyse Natura 2000 gebieden. Versie 2007. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Een “sense of urgency” is toegekend aan een gebied als binnen tien jaar (na 2005) mogelijk een onherstelbare situatie ontstaat. Zie verder bijlage 2 begrippen en definities uit de Nota van Antwoord (2007). 31 Ministerie van LNV (2005): Natura 2000 contourennotitie. Kaders voor Natura 2000-doelen, besluiten en beheersplannen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. 30

45

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld

bijlage C

vermeld – een aantal momenten waarop de doelen bijgesteld kunnen worden. De drie momenten waarop de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden geëvalueerd en zo nodig kunnen worden bijgesteld (zie ook Nota van Antwoord, paragrafen 3.4 en 3.14): • bij de definitieve aanwijzing; • bij het opstellen van het beheerplan; • bij de geplande evaluatie in 2015. Ecologische samenhang en belangenafweging De afweging tussen economie en ecologie moet zodanig plaatsvinden dat de gunstige staat van instandhouding van de habitattypen en soorten waar het gebied voor is aangewezen niet in gevaar komt. De situatie kan zich voordoen dat in een bepaald gebied een aantal habitattypen of soorten voorkomt, waarvoor geen instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld. Er is dan de inschatting gemaakt dat het betreffende habitattype of de betreffende soort weliswaar marginaal in het gebied aanwezig is, maar dat het gebied op termijn geen bijdrage kan leveren aan de instandhouding van het habitattype of de soort. Ook bij de formulering van een doel voor vogels is bepalend of het gebied een relevante bijdrage aan het realiseren van het landelijke doel levert of kan gaan leveren (zie ook paragraaf 3.11 van de Nota van Antwoord).

Voor elk specifiek gebied komt het erop neer dat de instandhoudingsdoelstelling van een bepaald habitattype of bepaalde soort alleen in samenhang kan worden gezien met de instandhoudingsdoelstelling op landelijk niveau en in andere Natura 2000-gebieden. Dat betekent dat er weliswaar landelijk per soort of per habitattype naar een gunstige staat van instandhouding moet worden gestreefd, maar dat deze situatie niet in elk gebied afzonderlijk hoeft te worden nagestreefd. Binnen dit kader kan ook rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden. Recreatie en toerisme Beseft wordt dat Bergvennen & Brecklenkampse Veld een belangrijk onderdeel uitmaakt van het Overijsselse toeristische product. De heide en vennen zijn de belangrijkste trekpleisters voor toeristen. Het toeristische bedrijfsleven vindt dat de aard van het gebied zo moet blijven. In die zin is het belang van een adequaat natuurbeheer ook in het belang van een gezonde toeristische sector. In onder meer paragrafen 4.1.3 en 4.1.4 van de Nota van Antwoord is ingegaan op de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven en de concurrentiepositie: afhankelijk van de bedrijfstak biedt de aanwezigheid van een Natura 2000-gebied dikwijls nieuwe mogelijkheden.

Dit specifieke gebied is een natuurgebied waar, ondanks de toeristische druk, natuurwaarden zich hebben kunnen handhaven of kunnen ontwikkelen. Niettemin is het door de ongunstige staat van instandhouding van habitattypen of soorten noodzakelijk om een herstelopgave te formuleren, zoals bijvoorbeeld geldt droge heiden (H4030) en blauwgraslanden (H6410) in dit betreffende gebied. Wanneer er een herstelverplichting is, dient bij de te nemen maatregelen rekening te worden gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied. Bij het formuleren van de instandhoudingsdoelstellingen is dat gedaan. Het afwegen van ecologie en economie gebeurt ook in het stelsel van vergunningverlening. Zie verder paragraaf 3.5 van de Nota van Antwoord. Complementaire doelen De analyse van de implementatie van Natura 2000 in Nederland (Kamerstuk 32670 nr. 24) laat zien dat de bescherming van complementaire doelen onder het Natura 2000-regime niet expliciet door de Vogel- en Habitatrichtlijn wordt voorgeschreven. Daarom zullen deze doelen dan ook niet langer in de aanwijzingsbesluiten worden opgenomen. Onderbouwing besluiten In diverse ecologische rapporten32 en databanken zijn de natuurwaarden en vogelgegevens van Nederland beschreven.

Het is voor de selectie of ecologische onderbouwing van een Natura 2000-gebied niet noodzakelijk dat de aanwezige natuurwaarden op kaart worden aangegeven. Wel wordt in paragraaf 4.4 van deze Nota van toelichting een globale, niet-uitputtende, omschrijving gegeven van de verspreiding van de 32 Zie voor een overzicht van de bronnen onder andere Ministerie van LNV (2007): Nota van Antwoord. Inspraakprocedure aanwijzing Natura 2000gebieden, bijlage 3. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag.

46

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld

bijlage C

habitattypen en soorten in dit gebied. Het Natura 2000 doelendocument (2006) is één van de dragende beleidsdocumenten die aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegen. Het beleid zoals daar is uiteengezet, is bij de besluitvorming toegepast, maar het Natura 2000 doelendocument (2006) maakt géén onderdeel uit van het besluit. Met betrekking tot de vraag op welke wijze de gunstige staat van instandhouding voor een bepaald habitattype of een bepaalde soort kan worden bereikt, is er in de Nota van toelichting een uitgebreid overzicht opgenomen waarin alle gebieden staan vermeld waaraan voor het betreffende habitattype of de betreffende soort een doel is toegekend. Op deze wijze is na te gaan hoe de landelijke opgave over het Natura 2000-netwerk is verdeeld. Het is echter een indicatieve vermelding, want het is niet de bedoeling in deze aanwijzing een besluit te nemen over de instandhoudingsdoelstellingen van andere gebieden. Kernopgaven In paragraaf 1.3.4 van de Nota van Antwoord staat vermeld dat de kernopgaven een belangrijk hulpmiddel zijn bij de focus en eventuele prioritering binnen de Natura 2000-beheerplannen. Ze beschrijven de belangrijkste behoud- en herstelopgaven per Natura 2000-landschap en zijn in het Natura 2000 doelendocument (2006) toebedeeld aan gebieden.

Het toevoegen van de kernopgaven aan de Nota’s van toelichting bij de definitieve aanwijzingsbesluiten heeft geen meerwaarde, omdat die informatie is opgenomen in het Natura 2000 doelendocument (2006). De kernopgaven zijn in deze procedure dan ook niet aan inspraak onderhevig. Ambitieniveau van de instandhoudingsdoelstellingen Indien een soort of habitattype landelijk in een ongunstige staat van instandhouding verkeert, betekent dit niet automatisch dat in alle gebieden waar de betreffende waarde voorkomt hiervoor een hersteldoelstelling moet worden geformuleerd. In de Natura 2000 contourennotitie (2005) en het Natura 2000 doelendocument (2006) staan de hoofdlijnen voor het formuleren van de Natura 2000 doelen uitgewerkt. Daarmee is het Europese kader toegespitst op de Nederlandse situatie. Per gebied zijn er gebiedsdoelen opgesteld. Deze richten zich op de kwaliteit en oppervlakte van het habitattype of van het leefgebied van een soort. Voor soorten wordt daarnaast een doel gesteld voor de gewenste populatie. Voor sommige soorten en vrijwel alle vogels zijn hierbij richtinggevende aantallen genoemd. Deze dienen als (minimale) draagkracht voor het leefgebied binnen de begrenzing van het gebied. In het geval van herstel is de uitwerking van de landelijke doelen middels het principe van “strategisch lokaliseren” bepaald.

Dat wil zeggen dat de herstelopgave is neergelegd in de gebieden waar de meeste potentie is om het habitattype of het leefgebied van de soort te verbeteren. Voor verspreid voorkomende habitattypen en soorten is het niet mogelijk om de landelijke doelstellingen alleen binnen het Natura 2000-netwerk te realiseren. Opgaven buiten het Natura 2000netwerk worden via ander natuurbeleid gerealiseerd, zoals de Flora- en faunawet en de Ecologische Hoofdstructuur. Voor een aantal habitattypen is in het Natura 2000 doelendocument de expliciete keuze gemaakt om niet te streven naar een gunstige staat van instandhouding (Natura 2000 doelendocument (2006), pagina 138). Bij de evaluatie in 2015 worden zowel de ambities van de gebiedsdoelen als de landelijke instandhoudingsdoelstellingen, tegen het licht gehouden en wordt bekeken of bijstelling nodig is. Monitoring Het ministerie van Economische Zaken (EZ) is verantwoordelijk voor de periodieke algemene rapportages aan de Europese Commissie en voor de monitoring van de staat van instandhouding van soorten en habitattypen op landelijk niveau. Het ministerie van EZ zorgt voor een landelijk monitoringssysteem. De gebiedsgerichte monitoring zal plaatsvinden op basis van de monitoringsparagraaf in de beheerplannen waarin ook rollen en verantwoordelijkheden zijn uitgewerkt.

Voor zowel de landelijke als de gebiedsgerichte monitoring wordt momenteel - in samenhang - een programma van eisen ontwikkeld in overleg met het betrokken bevoegd gezag (ministerie van EZ, ministerie van Infrastructuur en Milieu, ministerie van Defensie en de provincies (Interprovinciaal Overleg)). Zie ook paragraaf 1.5.1 van de Nota van Antwoord. Nulsituatie of uitgangspunt In paragraaf 3.18 van de Nota van Antwoord staat vermeld dat bij het vaststellen van de gebiedsdoelen niet is uitgegaan van een bepaald referentiejaar, zoals het moment van aanwijzing als Vogelrichtlijngebied of aanmelding als Habitatrichtlijngebied. Als uitgangspunt geldt echter wel dat er geen verslechtering mag 47

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld

bijlage C

optreden ten opzichte van 2004, het moment waarop door Brussel de communautaire lijst met Habitatrichtlijngebieden is vastgesteld. Bij het vaststellen van de doelen is gekeken naar de staat van instandhouding van de betreffende soort of het habitattype op landelijk niveau. Ook is gekeken naar de (minimaal) benodigde oppervlakte leefgebied en/of habitattype om een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau te realiseren. Die (landelijke) staat van instandhouding vormde mede de basis voor vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen voor soorten en/of habitattypen per gebied. In de Nota’s van toelichting bij de besluiten is aangegeven of voor een soort of habitattype in een concreet gebied een behoud- of herstelopgave geldt. Zo is bijvoorbeeld een behoudopgave geformuleerd als er onevenredige maatregelen nodig zouden zijn om het gebied een grotere bijdrage te laten leveren. Realisatietermijnen Zoals in paragraaf 3.16 van de Nota van Antwoord wordt gesteld, zijn termijnen onmisbaar om de realisatie van doelen te plannen. Deze planningen zijn grotendeels afhankelijk van regionale en zelfs lokale omstandigheden. Daardoor zijn de op te stellen beheerplannen de aangewezen plaats voor het bepalen van de realisatietermijnen. Om die reden is ervan afgezien realisatietermijnen in de aanwijzingsbesluiten op te nemen.

Flankerend beleid In paragraaf 5.8 van de Nota van Antwoord staat als uitgangspunt geformuleerd dat de instandhoudingsdoelstellingen met behulp van bestaande budgetten worden gerealiseerd. De “bestaande budgetten” waaruit realisatie van de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen gefinancierd moet worden, zijn grotendeels opgenomen in het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) en de financiële middelen voor de bestrijding van verdroging in de zogenoemde TOP-lijst gebieden33. Daarnaast is ook het bestaande beheerbudget voor Staatsbosbeheer een financieringsbron voor de instandhoudingsdoelstellingen. Waar de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen gekoppeld zijn aan waterkwaliteit kunnen de additionele kosten worden gefinancierd via het spoor van de Kaderrichtlijn Water. Veel subsidiemogelijkheden voor inrichting en (agrarisch) natuurbeheer zijn met het ILG onder verantwoordelijkheid van de provincies gekomen. Daartoe behoren de maatregelen die vallen onder het Subsidiestelsel Natuur- & Landschapsbeheer (vanaf 2010) en de provinciale subsidieregelingen zoals de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL).

Verder is er in het kader van het LIFE+-programma vanuit de Europese Commissie geld beschikbaar voor overheden en NGO’s voor co-financiering van de ontwikkeling, implementatie, monitoring, evaluatie en communicatie van het Europees milieu- en natuurbeleid en van wetgeving op dit gebied, bijvoorbeeld voor projecten die gericht zijn op maatregelen voor behoud en herstel van Natura 2000-waarden. 4.2 SPECIFIEKE REACTIES OVER DE INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN Een inspreker wijst erop dat in eerdere concepten van het ontwerp-aanwijzingsbesluit Bergvennen & Brecklenkampse Veld onder de gebiedsbeschrijving, de Bergvennen werden genoemd als de belangrijkste vennen in Nederland voor de waterlobelia. Volgens de inspreker was de aanwezigheid van de waterlobelia de voornaamste reden voor de aanwijzing van het Natura 2000-gebied. De inspreker verzoekt de waterlobelia alsnog te noemen omdat deze soort nog steeds aanwezig is in de Bergvennen. De zienswijze is overgenomen. Het voorkomen van de waterlobelia in het gebied, met verreweg de grootste populatie van ons land, wordt nu expliciet vermeld in de toelichting van habitattype zeer zwakgebufferde vennen (H3110).

33

De door de provincies opgestelde lijsten met gebieden die in het kader van het verdrogingsbeleid met voorrang worden aangepakt. 48

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld

bijlage C

Een inspreker verzoekt het ontwerp-aanwijzingsbesluit onder de gebiedsbeschrijving tekstueel aan te passen om zo een completer en juister beeld te beschrijven van de situatie in het deelgebied Bergvennen. Het verzoek betreft het noemen van het habitattype zeer zwakgebufferde vennen (H3110) in plaats van “een aantal grote zwakgebufferde vennen” en de vervanging van het woord “hydrologie” door “waterkwaliteit” omdat het niet gaat om de waterkwantiteit, maar de kwaliteit. De zienswijze is overgenomen en heeft geleid tot aanpassingen in de gebiedsbeschrijving. Een inspreker verzoekt het habitattype stuifzandheiden met struikhei (H2310) te schrappen omdat volgens de inspreker het type slechts zeer beperkt voorkomt in het gebied. Ook draagt het habitattype minder dan 2% bij aan het landelijke doel. Bovendien ligt meer dan 70% van het landelijk areaal binnen Nature 2000gebieden, terwijl 60% als ruim voldoende wordt beschouwd. Er zijn dan ook zestien gebieden die grotere oppervlaktes bezitten, aldus de inspreker. De zienswijze is niet overgenomen. Nederland heeft de verplichting instandhoudingsdoelstellingen op te nemen voor alle in het gebied aanwezige habitattypen en habitatsoorten, zie ook Nota van Antwoord paragraaf 3.3. Een inspreker is van mening dat gezien de ligging van de vennen, uitbreiding van het habitattype zeer zwakgebufferde vennen (H3110) niet mogelijk is.

Het gaat veelal om agrarische gronden en het blijkt dan ook dat met name buiten het gebied maatregelen hiervoor getroffen moeten worden. Gezien de reeds aanzienlijke oppervlakte stelt de inspreker voor om de doelstelling te veranderen naar behoud oppervlakte en kwaliteit vergelijkbaar aan het doel van het habitattype zwakgebufferde vennen (H3130). De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het besluit. De potenties voor uitbreiding van het habitattype zeer zwakgebufferde vennen (H3110), conform de landelijke doelstelling, zijn het grootst in dit gebied. . Een inspreker merkt op dat in het ontwerp-aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld, bij het habitattype zeer zwakgebufferde vennen (H3110), het doel “uitbreiding oppervlakte” is opgenomen en dat in de toelichting staat “In een deel van het gebied kan de oppervlakte van het habitattype uitgebreid worden door de waterhuishouding op orde te brengen.” Volgens de inspreker is uitbreiding alleen mogelijk als binnen en buiten de huidige begrenzing een herstel van de waterhuishouding in combinatie met grootschalige inrichtingsmaatregelen plaatsvindt. Eveneens is voor uitbreiding noodzakelijk dat er waterhuishoudkundige maatregelen worden genomen, er moet gebiedsgericht gewerkt worden en daarvoor is volgens de inspreker de uitbreiding van de begrenzing met Vetpot-West weer nodig.

Op deze manier kan het verzuurde ven weer een zeer zwakgebufferd ven worden. De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het besluit. Het habitattype zeer zwakgebufferde vennen komt op uitgebreide schaal voor in het deelgebied Bergvennen. Er zijn hier potenties aanwezig om het habitattype verder uit te breiden. De wijze waarop de uitbreiding zal worden gerealiseerd vormt een onderdeel van het beheerplan. Enkele insprekers wijzen erop dat uit het ontwerp-aanwijzingsbesluit blijkt dat de hydrologie voor het habitattype zeer zwakgebufferde vennen (H3110) in het deelgebied Vetpot nog niet in orde is en dat er daarom kunstmatig wordt ingegrepen. Volgens de inspreker kan de instandhoudingsdoelstelling op de wijze zoals het besluit aangeeft niet behaald worden en kan alleen bereikt worden in samenwerking met de eigenaren van de direct omliggende gebieden. Bovendien zien de insprekers het gebied niet als waardevol natuurgebied voor het habitattype zeer zwakgebufferde vennen (H3110) en vinden de insprekers het onduidelijk waarom dit Natura 2000-gebied voor dit habitattype is aangewezen. De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het besluit.

Het deelgebied Vetpot is weliswaar uit de begrenzing verwijderd (zie eerdere zienswijze onder 3.2 Specifieke reacties over de begrenzing, waar dit nader wordt toegelicht), maar in het deelgebied Bergvennen komt het habitattype zeer zwakgebufferde vennen (H3110) voor en zijn er potenties voor uitbreiding. 49

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld

bijlage C

Een inspreker is van mening dat het habitattype zwakgebufferde vennen (H3130) een tegenspraak heeft tussen het geformuleerde doel en de toelichting. De inspreker is het eens met de toelichting en wenst dat het doel veranderd wordt in “verbetering kwaliteit”. Dit is volgens de inspreker in de Vetpot-West mogelijk, maar ook in de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld. De zienswijze heeft geleid tot aanpassing van het besluit. De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype zwakgebufferde vennen (H3130) is aangepast van “behoud kwaliteit” naar “verbetering kwaliteit”. In de deelgebieden Bergvennen en Brecklenkampse Veld zijn goede potenties voor kwaliteitsverbetering van de zwakgebufferde vennen. Een inspreker is van mening dat voor het habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010A) voldoende gebieden aangewezen zijn met meer dan 2% bijdrage. Toevoeging van het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld is volgens de inspreker overbodig gezien het geringe voorkomen van het habitattype (aan de randen). De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het besluit. Het habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010A) komt in het gebied voor en dient volgens de Habitatrichtlijn te worden beschermd (zie Nota van Antwoord, paragraaf 3.3). Voor het gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld is dit het qua oppervlakte belangrijkste habitattype.

Een inspreker is van mening dat voor het habitattype jeneverbesstruwelen (H5130) het gebied geen potentiële en relatieve bijdrage levert. Ook is volgens de inspreker het type niet meegenomen in het knelpuntenonderzoek. Aangezien er voldoende andere gebieden in Overijssel zijn aangewezen vindt de inspreker dat het habitattype geschrapt moet worden. De zienswijze heeft niet tot aanpassing van het besluit geleid. Hoewel de huidige oppervlakte jeneverbesstruwelen in het gebied beperkt is, is het habitattype wel in het gebied aanwezig en moet derhalve een instandhoudingsdoelstelling opgenomen worden (zie Nota van Antwoord, paragraaf 3.3). Aangezien de relatieve bijdrage beperkt is, is de ambitie voor de doelstelling laag gehouden en wordt er van de landelijke doelstelling afgeweken met een behoudopgave (zie bijlage B.3.1). Dit habitattype is niet onderzocht in de KIWA knelpunten- en kansenanalyse, omdat deze analyse zich uitsluitend richt op “waterafhankelijke” habitattypen en jeneverbestruwelen is een “droog” habitattype. Een inspreker is van mening dat Bergvennen & Brecklenkampse Veld niet hoort bij de tien belangrijkste gebieden voor het habitattype heischrale graslanden (H6230). Het type komt volgens de inspreker minder dan 2% voor en de kwaliteit wordt onzeker of onbekend ingeschat. Uitbreiding kan volgens de inspreker niet aan de orde zijn.

De zienswijze heeft niet geleid tot wijziging van het besluit. Hoewel Bergvennen & Brecklenkampse Veld niet tot de tien belangrijkste gebieden behoort, moet alsnog een instandhoudingsdoelstelling opgenomen worden, zie ook Nota van Antwoord, paragraaf 3.3. Het gebied levert een bijdrage aan de landelijke doelstelling. Zoals ook blijkt uit onder meer de knelpunten- en kansenanalyse van KIWA, is in het gebied uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit goed mogelijk. Aanwijzing voor het habitattype blauwgraslanden (H6410) is volgens een inspreker overbodig en aangezien er forse maatregelen buiten het gebied moeten worden genomen om het habitattype uit te breiden en bovendien zeer kwetsbaar is voor ammoniak stelt de inspreker dat de ligging nabij Nordhorn dit doel onmogelijk maakt. Schrappen van het gebied zal volgens de inspreker niet tot onvoldoende oppervlakte leiden. De inspreker verzoekt blauwgraslanden te schrappen. De zienswijze is niet overgenomen. Op basis van de Habitatrichtlijn heeft Nederland de verplichting om een gebied voor alle aanwezige habitattypen aan te wijzen, zie ook Nota van Antwoord paragraaf 3.3. Het habitattype is aanwezig in het gebied, waardoor de doelstelling gehandhaafd zal blijven.

Het gebied levert met 2-6% van de landelijke oppervlakte een belangrijke bijdrage aan de landelijke doelstelling en draagt bij aan het realiseren van een gunstige staat van instandhouding. Zoals ook blijkt uit onder meer de knelpunten50

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld

bijlage C

en kansenanalyse van KIWA, is in het gebied uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit goed mogelijk. Het is voor een inspreker niet duidelijk wat met “het westelijk deel” wordt bedoeld in de toelichting van het habitattype blauwgraslanden (H6410). In het Brecklenkampse Veld komen volgens de inspreker met name in het oostelijke gedeelte blauwgraslanden voor en deze blijven zeker behouden. In het westelijke deel van het Brecklenkampse Veld zijn ze nog volop in ontwikkeling. In de nu nog niet begrensde Vetpot-West komen volgens de inspreker ook gedegenereerde blauwgraslanden voor, maar ook deze moeten nog verder ontwikkeld worden. De zienswijze heeft tot aanpassing van het besluit geleid. De toelichting op het doel in paragraaf 5.3 is aangepast, zodat er geen locaties in genoemd worden. Een globale beschrijving van het huidige voorkomen van blauwgraslanden is opgenomen in paragraaf 4.4 van de Nota van toelichting. Tijdens het beheerplanproces zal bepaald worden op exact welke locatie en met welke maatregelen de doelstelling nagestreefd zal worden. Vetpot-West zal niet aan de begrenzing van het Natura 2000-gebied toegevoegd worden (zie paragraaf 3.2 van deze bijlage C voor een toelichting), maar binnen de huidige begrenzing is ook voldoende potentie voor de instandhoudingsdoelstelling van blauwgraslanden.

Een inspreker verzoekt pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150) op te nemen in de aanwijzing van het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld met het doel “Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit” met de toelichting bijvoorbeeld “Het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen komt voor in laagtes in de vochtige heide, zowel in de Bergvennen als in de Vetpot. Uitbreiding en kwaliteitsverbetering is mogelijk door waterhuishoudkundige maatregelen”. De zienswijze is deels overgenomen. Er is een instandhoudingsdoelstelling opgenomen voor het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen, zie bijlage B.1 voor een nadere toelichting. De doelstelling luidt echter “behoud oppervlakte en kwaliteit”. De instandhoudingsdoelstellingen die zijn toegevoegd ten opzichte van het ontwerpbesluit, zijn in principe op behoud gesteld, omdat de landelijke doelstelling al haalbaar werd geacht zonder deze toevoegingen.

51

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld

bijlage C

52

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld

5

bijlage C

REACTIES OVER DE RECHTSGEVOLGEN

Er wordt door diverse insprekers gewezen op het feit dat de gevolgen van het huidig gevoerde natuurbeleid een onevenredige belasting vormen voor de agrarische ondernemers rondom het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld. Men stelt dat het onmogelijk is om op basis van de stukken te bepalen wat de gevolgen van de aanwijzing zijn voor de individuele bedrijfsvoering. De scheiding in tijd tussen het aanwijzingsbesluit en het beheerplan wordt daarvoor verantwoordelijk gehouden. Daarnaast worden er veel opmerkingen gemaakt en vragen gesteld over de diverse facetten van bestaand gebruik, de externe werking, de relatie met het toetsingskader Ammoniak en Natura 2000, de relatie met de Kaderrichtlijn Water en de relatie met bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen. Enkele insprekers wijzen er op dat 1 oktober 2005 (de inwerkingtreding van de Natuurbeschermingswet 1998) niet als peildatum voor bestaand gebruik kan dienstdoen. Met betrekking tot de hierboven genoemde argumenten worden de volgende opmerkingen gemaakt: Externe werking Het is moeilijk aan te geven wat de precieze omvang van de externe werking van een bepaalde activiteit is. In paragraaf 4.3 van de Nota van Antwoord staat dat dit afhangt van de aard van de activiteit zelf, de intensiteit ervan en de gevoeligheid van de aanwezige habitattypen en soorten.

Het valt op voorhand dus niet te zeggen of er beïnvloeding plaatsvindt. Dat betekent dat wanneer niet uitgesloten kan worden dat een Natura 2000-gebied door een bepaalde activiteit wordt beïnvloed, er bekeken moet worden of er op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 een vergunningplicht voor een bepaalde activiteit aan de orde is. Het is dus evenmin aan te geven waar de externe werking van een bepaalde activiteit eindigt. In het beheerplan zal duidelijkheid gegeven worden voor welke activiteiten een vergunningplicht aan de orde kan zijn. De afstand tussen de locatie van de activiteit en de te beschermen natuurwaarden is daarbij niet altijd doorslaggevend; het gaat er om of een bepaalde activiteit al dan niet de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied, waar habitattypen en leefgebieden van soorten onderdeel van uitmaken, kan aantasten. Rond de Natura 2000-gebieden wordt, volgens sommige insprekers, een beschermingszone ingesteld van 3.000 meter. Dat is echter niet van toepassing op de beoordeling van effecten op Natura 2000-gebieden. In het kader van de Interimwet ammoniak en veehouderij34 werd in verband met de ammoniakdepositie een zone van 3.000 meter gehanteerd. Binnen die zone was de beïnvloeding door een veehouderijbedrijf van verzuringsgevoelig gebied nog meetbaar.

Tot deze grens kon een vergunningplicht voor deze verzuringsgevoelige gebieden aan de orde zijn. Deze grens is inmiddels vervallen. Natura 2000 is gericht op de bescherming van de in het gebied voorkomende habitattypen en soorten. Een exacte grens waar de externe werking ophoudt, is in algemene zin niet aan te geven. Dit wordt van geval tot geval beoordeeld. Bepalend is dus niet de afstand, maar of er sprake kan zijn van verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden in het betreffende gebied. Bestaand gebruik: peildatum en vergunningplicht Het aanwijzen van een Natura 2000-gebied leidt niet tot een verbod op het verrichten van bepaalde handelingen zoals fietsen, wandelen of het laten loslopen van de hond. In het aanwijzingsbesluit staat alleen voor welke waarden het gebied is aangewezen, welke instandhoudingsdoelstellingen gelden en wat de grens van het betreffende gebied is. In het besluit zelf is niet aangegeven of, en onder welke voorwaarden, een activiteit kan worden toegestaan.

Op grond van de huidige Natuurbeschermingswet 1998 geldt een vergunningplicht voor activiteiten in en om Natura 2000-gebieden die gelet op de instandhoudingdoelstellingen van het gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

34

Wet van 9 juni 1994, houdende tijdelijke regeling inzake de ammoniakdepositie veroorzaakt door veehouderijen (Interimwet ammoniak en veehouderij). Staatsblad 1994, nr. 634. 53

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld

bijlage C

In de wet is op deze vergunningplicht een uitzondering gemaakt voor bestaand gebruik. Bestaand gebruik is als gevolg van de wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 door de Crisis- en herstelwet altijd vergunningvrij, tenzij het gebruik een project is dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied. De Natuurbeschermingswet 1998 omschrijft bestaand gebruik als “gebruik dat op 31 maart 2010 bekend is, of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn bij het bevoegd gezag.” Om te voorkomen dat het bestaand gebruik de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied verslechtert en dat er door bestaand gebruik storende factoren optreden die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen een significant effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen draagt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid dat er in het gebied passende maatregelen genomen worden. In het uiterste geval kan dit betekenen dat op last van het bevoegd gezag het bestaande gebruik wordt stilgelegd. In het beheerplan zal het bestaande gebruik beschreven moeten worden en zal zo nodig aan voorwaarden worden gebonden.

Doorwerking aanwijzing in andere plannen De verplichting om Natura 2000-gebieden aan te wijzen volgt direct uit de Habitatrichtlijn en uit de Vogelrichtlijn. Mede op basis van Europeesrechtelijke uitspraken kan er bij de selectie en bij de begrenzing van Natura 2000-gebieden uitsluitend van ecologische criteria worden uitgegaan. Dat betekent in de praktijk dat de grenzen van deze gebieden zijn bepaald door het gebruik dat de betreffende planten- en diersoorten van het gebied maken. Terreindelen die van mindere kwaliteit zijn, kunnen deel uitmaken van Natura 2000gebieden als herstel van die terreinen haalbaar is en als ze nodig zijn voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Daardoor zal de begrenzing van zo’n gebied niet in alle gevallen overeenkomen met de bestemming die in een vastgesteld bestemmingsplan aan het gebied is toegekend. In het uiterste geval zou dat kunnen betekenen dat een bepaalde bestemming die in een bestemmingsplan aan zo’n gebied rechtsgeldig is toegekend, toch niet gerealiseerd kan worden, omdat daarvoor geen vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet 1998 kan worden verleend. In paragrafen 4.2 en 6.1 van de Nota van Antwoord wordt hierop verder ingegaan. Ook voor reconstructieplannen35, provinciale waterplannen en waterbeheerplannen van de waterschappen geldt een gelijksoortige situatie.

Het kan zijn dat dit soort plannen nog onvoldoende concreet zijn om ze op de gevolgen voor Natura 2000-gebieden te toetsen, maar op een gegeven moment zullen al deze plannen, al dan niet bij hun nadere uitwerking, bij het opstellen van beheerplannen afgestemd worden (zie ook paragraaf 6.3.2 van de Nota van Antwoord). Relatie met stikstof Stikstof is een groot probleem bij de implementatie van Natura 2000 en daarmee het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen. Van de 166 aangewezen natuurgebieden in Nederland zijn er 133 stikstofgevoelig. In Nederland wordt het probleem van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zwaarder gevoeld dan in de ons omringende landen. Dat heeft te maken met het feit dat we in een dicht bevolkt land leven, waarin kwetsbare natuur en bijvoorbeeld (snel)wegen dicht bij elkaar liggen. Om de instandhoudingsdoelstellingen te kunnen realiseren moet de neerslag van stikstof uit vooral landbouw, verkeer en industrie minder worden. Tegen die achtergrond is het steeds moeilijker vergunningen te verlenen voor nieuwe economische activiteiten die tot extra uitstoot van stikstof (kunnen) leiden in en rond de natuurgebieden. Projecten kunnen alleen doorgang vinden indien aangetoond kan worden dat er geen verslechtering van de kwaliteit van de habitats36 optreden en de instandhoudingsdoelstellingen van een gebied niet in gevaar komen.

35 Plannen op grond van de Wet van 31 januari 2002, houdende regels inzake de reconstructie van concentratiegebieden (Reconstructiewet concentratiegebieden). Staatsblad 2002, nr. 115. 36 Het betreft zowel stikstofgevoelige habitattypen als stikstofgevoelige leefgebieden van Natura 2000-soorten.

54

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld

bijlage C

In het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld is het habitattype zeer zwakgebufferde vennen (H3110) het meest gevoelig voor stikstof37. In 2007 is het toetsingskader ammoniak en Natura 2000 vastgesteld. Met behulp van dit toetsingskader konden provincies relatief eenvoudig beoordelen of er zich nieuwe bedrijven konden vestigen. In maart 2008 oordeelde de Raad van State dat dit toetsingskader onvoldoende zekerheid biedt over het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de minister van het voormalig ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de Taskforce Trojan ingesteld. Deze Taskforce heeft vervolgens een handreiking opgeleverd waarmee het bevoegd gezag maatwerk kan leveren bij de beoordeling van (nieuwe) activiteiten. Deze maatwerkoplossing bleek echter niet altijd werkbaar in de praktijk. Vervolgens is de commissie Huys gevraagd om een advies. Samengevat luidde dit advies dat er ruimte is voor economische ontwikkeling in Natura 2000 gebieden mits wordt zeker gesteld dat ecologische en economische doelen gelijktijdig en in samenhang worden beschouwd. Om dat uitgangspunt in de praktijk toepasbaar te maken is er gestart met de programmatische aanpak stikstof (PAS). Duidelijk is dat het stikstofprobleem te groot is voor één partij.

Essentie is dat de PAS in beeld brengt wat de bijdrage op verschillende niveaus (generiek, provinciaal, gebiedsgericht) en van verschillende sectoren (landbouw, verkeer, industrie) is aan de oplossing van het probleem. Onder oplossing verstaan we het geleidelijk maar onvermijdelijk omlaag brengen van de stikstofdepositie, waardoor de instandhoudingsdoelstellingen gerealiseerd kunnen worden, maar waarbij economische ontwikkelingen mogelijk blijven. Dit wil niet zeggen dat iedere economische ontwikkeling mogelijk blijft. Het incalculeren van ruimte voor economische ontwikkelingen (ontwikkelingsruimte) maakt onderdeel uit van de aanpak. Meer informatie over de stand van zaken rond de PAS is te vinden op de website: http://pas.natura2000.nl/ Kaderrichtlijn Water Bergvennen & Brecklenkampse Veld maakt deel uit van het stroomgebiedbeheerplan voor de Rijn-Delta38 dat in het kader van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) vastgesteld is. Natura 2000-gebieden zijn in de stroomgebiedbeheerplannen opgenomen als gebieden waar water een bijzondere bescherming behoeft. De in de stroomgebiedbeheerplannen opgenomen milieudoelstellingen en bijbehorende maatregelen moeten dan ook overeenstemmen met de doelen van Natura 2000.

De afstemming van doelen en de weergave daarvan in het stroomgebiedbeheerplan beperkt zich tot die delen van de doelstellingen van Natura 2000 die een relatie hebben met de ecologische of chemische kwaliteit van het water. Het stroomgebiedbeheerplan wordt uitgewerkt in de provinciale waterplannen en in waterbeheerplannen van waterschappen. Daar waar in de afstemming strijdigheid kan ontstaan wordt maatwerk toegepast en wordt afhankelijk van de situatie de KRW of de Vogel- en Habitatrichtlijnen als richtinggevend genomen. Tot gebiedsspecifiek maatwerk behoort bijvoorbeeld de door de waterschappen opgestelde Gewenst Grond en Oppervlakte Water Regimes (GGOR’s)39. Waar nodig zullen de lokale watervereisten en de daarvoor benodigde maatregelen verder worden uitgewerkt en in de Natura 2000-beheerplannen worden opgenomen. Zie ook Nota van Antwoord paragraaf 6.3. Waterwinning Zie ook Nota van Antwoord 4.5.2. Natura 2000-gebieden nabij de grens De aanwijzingsbesluiten (en ook de beheerplannen) worden opgesteld vanuit de nationale Natuurbeschermingswet. De Natuurbeschermingswet gaat echter niet over de grens heen. Er zal daarom een Nederlands beheerplan worden opgesteld dat enkel van toepassing is op het beschermde gebied op 37

H.F. van Dobben, R. Bobbink, D. Bal en A. van Hinsberg, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Wageningen, Alterra. Alterra-rapport 38 http://www.kaderrichtlijnwater.nl/uitvoering/ 39 De te nemen maatregelen voor grondwater worden gebiedsspecifiek vastgesteld via het GGOR in het stroomgebiedbeheerplan dat opgesteld wordt naar aanleiding van de Kaderrichtlijn Water (EU-richtlijn voor waterkwaliteit). 55

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld

bijlage C

Nederlandse grond. Hierbij is samenwerking met het betreffende buurland een nadrukkelijk punt van aandacht. Zie ook Nota van Antwoord paragrafen 1.1.5 en 1.3.3. Aangezien de Natuurbeschermingswet 1998 beperkt is tot Nederlands grondgebied, kan Nederland geen vergunningplicht worden opgelegd voor activiteiten die in een andere lidstaat plaatsvinden. Die andere lidstaat zal, volgens artikel 6 van de Habitatrichtlijn, zijn eigen nationale wetgeving moeten hanteren om te beoordelen of zo’n activiteit mogelijke gevolgen heeft voor een Nederlands Natura 2000-gebied. Andersom moet Nederland in het kader van een vergunningverlening een habitattoets uitvoeren, om te bepalen of activiteiten binnen onze landsgrenzen mogelijke effecten hebben op Natura 2000-gebieden in Duitsland of België. Zie ook Nota van Antwoord paragraaf 4.3.3.

56

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld

6

bijlage C

REACTIES OVER DE RELATIE MET DE BEHEERPLANNEN

De wijze waarop de instandhoudingsdoelstellingen al dan niet verwezenlijkt moeten worden, wordt in vele zienswijzen aan de orde gesteld. Zo wordt in verschillende zienswijzen de wens uitgesproken om de plannen zo te ontwikkelen dat daardoor de aanwezige natuurwaarden zich kunnen verbeteren en voor de komende generaties behouden blijven. Er wordt gewezen op de diverse vormen van ongewenst gebruik van het gebied. In weer andere zienswijzen is men van mening dat bepaalde vormen van gebruik geen negatieve invloed op de natuurwaarden hebben en wordt bepleit dat het huidige landgebruik ongehinderd voortgang moet kunnen vinden. In een ander verband wordt er zorg uitgesproken over de bescherming van habitattypen als zeer zwakgebufferde vennen (H3110) en zwakgebufferde vennen (H3130). Er wordt opgemerkt dat door de nationale procedure, waarbij eerst de gebieden worden aangewezen en doelstellingen worden geformuleerd en pas in een later stadium de beheerplannen worden opgesteld, aan sociaaleconomische belangen voorbij wordt gegaan. Ook zou er in zijn algemeenheid onvoldoende duidelijkheid bestaan over het algehele ambitieniveau en de consequenties van de aanwijzing en het toekennen van instandhoudingsdoelstellingen. Tot slot geven verschillende insprekers aan betrokken te willen worden bij het opstellen van het beheerplan.

Met betrekking tot de hierboven genoemde argumenten worden de volgende opmerkingen gemaakt: Volgorde aanwijzing en beheerplan De Nota van Antwoord gaat in paragraaf 1.4 in op de relatie tussen de aanwijzingsbesluiten en de nog op te stellen beheerplannen. De onderbouwing van de keuze om niet gelijktijdig tot vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen en het beheerplan over te gaan wordt in paragraaf 1.4.1 van de Nota van Antwoord uiteengezet. Een verbijzondering hierop vormen de gebieden waar de provincies het voortouw hebben voor het opstellen van de beheerplannen. Op verzoek van de provincies heeft de minister van LNV in het Algemeen Overleg met de Tweede Kamer van 13 februari 2008 toegezegd te wachten met het definitief maken van de aanwijzingsbesluiten voor die gebieden waarvoor de provincie voortouwnemer is en die daarvoor door de provincie zijn aangemeld (“koppelingsafspraak”). De provincies zijn voor deze gebieden eerst in de gelegenheid gesteld met de betrokken partijen in de gebieden concept-beheerplannen op te stellen op basis van de ontwerp-aanwijzingsbesluiten. Deze afspraak beoogde draagvlak te creëren voor de beheerplannen en de implementatie daarvan en meer inzicht te geven in de haalbaarheid en betaalbaarheid van de instandhoudingsdoelstellingen en de begrenzing.

De besluitvorming over de definitieve aanwijzingsbesluiten van deze gebieden is daarom uitgesteld tot na 1 september 2009. Voor dit Natura 2000-gebied zijn daarover afspraken gemaakt met de minister van LNV. In het kader van de “koppelingsafspraak” hebben de provincies tot 1 september 2009 de mogelijkheid gehad om gebiedsspecifieke wijzigingsvoorstellen in te dienen die voortkwamen uit de opgestelde concept-beheerplannen. De wijzigingsvoorstellen zijn in samenhang met de zienswijzen en op eenzelfde manier zorgvuldig in overweging genomen. Bij brief van 26 januari 2010 zijn de provincies op de hoogte gebracht van hoe de minister voornemens is met de voorstellen van de provincies in het definitieve besluit om te gaan. Binnen het reguliere proces van de aanwijzing zijn alle overige zienswijzen behandeld. Voor de gebieden waarvoor op 1 september 2009 nog geen concept-beheerplan was opgesteld, geldt dat evident nieuwe inzichten uit het beheerplanproces eveneens in het reguliere aanwijzingstraject zijn meegenomen, ook hier met inachtneming van de ingediende zienswijzen. Beheerplan en bestaand gebruik Het aanwijzingsbesluit legt - naast de begrenzing - de instandhoudingsdoelstellingen vast waarvoor het gebied als Natura 2000-gebied is aangewezen.

De instandhoudingsdoelstellingen geven op hoofdlijnen duidelijkheid over het ambitieniveau (zie ook paragraaf 4.1 van deze bijlage), in termen van “behoud” en “uitbreiding”/“verbetering” van de omvang en kwaliteit van betreffende aangewezen habitattype of leefgebied van een (vogel)soort. De uitwerking in omvang, ruimte en tijd van de instandhoudingsdoelstelling(en) uit het aanwijzingsbesluit, is een thema dat in een beheerplan thuishoort. Als er voor het realiseren van deze instandhoudingsdoelstellingen bepaalde specifieke maatregelen nodig zijn, dan behoort dit ook in het 57

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld

bijlage C

beheerplan geregeld te worden. Dat kan betekenen dat er ook maatregelen buiten de grenzen van het Natura 2000-gebied genomen moeten worden. Zoals in paragrafen 1.5 en 4.2 van de Nota van Antwoord staat vermeld, kan bestaand gebruik een plaats in het beheerplan krijgen. Hierbij wordt zoveel mogelijk ruimte gelaten voor het continueren van bestaand gebruik, echter wel binnen de voorwaarden die de instandhoudingsdoelstellingen daaraan stellen. Uiteindelijk heeft het beheerplan een centrale rol als het gaat om de regulering van bestaand gebruik. In een beheerplan wordt concreet gemaakt hoe en op welke termijn de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied gerealiseerd kunnen worden. Het beheerplan zal duidelijkheid verschaffen over de vereiste ecologische randvoorwaarden ten behoeve van de instandhoudingsdoelstellingen en over de ruimtelijke samenhang met de omgeving. In het beheerplan zal dus ook aan de orde komen of bestaand gebruik (mogelijk onder voorwaarden) overeenkomstig het beheerplan kan worden uitgeoefend.

Kan het bestaand gebruik niet overeenkomstig het beheerplan uitgeoefend worden en zorgt het bestaand gebruik ervoor dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied verslechtert of dat er door het bestaand gebruik storende factoren optreden die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen een significant effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, dan moet het bevoegd gezag passende maatregelen treffen. Het bevoegd gezag kan dan de aanschrijvingsbevoegdheid gebruiken. De opstellers van het beheerplan zullen onderling afstemmen hoe zij met bestaand gebruik om willen gaan en hoe zij dit in het beheerplan zullen opnemen. Mogelijk kan niet voor al het bestaand gebruik ten tijde van het vaststellen van het beheerplan worden bepaald wat het effect is op de instandhoudingsdoelstellingen. Voor deze gevallen zal dan een eventuele aanschrijving plaats moeten vinden indien blijkt dat er toch (significante) negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen. Jacht, wildbeheer en schadebestrijding worden gereguleerd door de bepalingen van de Flora- en faunawet. Dit betekent dat zienswijzen over dit onderwerp geen directe relatie hebben met de aanwijzing van Natura 2000-gebieden, maar met de bepalingen van de Flora- en faunawet.

De huidige regels voor jacht en wildbeheer volgens de Flora- en faunawet zijn door de aanwijzing als Natura 2000-gebied niet gewijzigd. Over wildbeheer en schadebestrijding zijn afspraken gemaakt in het Faunabeheerplan. Zie verder paragraaf 6.4.2 van de Nota van Antwoord. Betrokkenheid bij beheerplan De wens om betrokken te worden bij het opstellen van het beheerplan en de diverse ideeën die daarover naar voren zijn gebracht, zoals over de samenhang met het waterbeheer aan Duitse zijde, zijn een goed signaal. De integrale benadering die het beheerplan voorstaat, kan alleen succesvol zijn bij voldoende betrokkenheid. Per gebied is één bevoegd gezag de zogenaamde voortouwnemer voor het opstellen van het beheerplan. Voor dit gebied is dat Provincie Overijssel. Het is aan de voortouwnemer om grondeigenaren, gebruikers, andere overheden en belanghebbenden of vertegenwoordigers te betrekken bij het beheerplan. Belanghebbenden kunnen natuurlijk ook zelf het initiatief nemen de voortouwnemer of hun vertegenwoordigers te benaderen. Het is niet uitvoerbaar verzoeken om betrokkenheid bij het beheerplan, zoals verwoord in een aantal zienswijzen, door te zenden aan de voortouwnemer.

58

Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld

7

bijlage C

REACTIES OVER SCHADE

In een groot aantal zienswijzen wordt erop gewezen dat er als gevolg van deze aanwijzing inkomens- en vermogensschade kan optreden. Men mist in het besluit een paragraaf over schade en het betalen van een schadevergoeding. Verder wordt aangevoerd dat bij het aannemen van de Habitatrichtlijn de toezegging is gedaan dat de eigenaren en de gebruikers van de grond niet de financiële last van deze maatregelen hoeven te dragen. Artikel 31 van de Natuurbeschermingswet 1998 biedt volgens de insprekers geen afdoende mogelijkheid voor compensatie. Verder zou de aanwijzing als Natura 2000-gebied een schending van het eigendomsrecht opleveren en in strijd zijn met artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ook de beperkingen van artikel 19d tot en met 19l en artikel 20 van de Natuurbeschermingswet 1998 zou een dermate zware verplichting opleveren dat het eigendom of het gebruikersrecht geen waarde van enige betekenis overhoudt. Er wordt in dit kader om een volledige schadeloosstelling gevraagd. Met betrekking tot de hierboven genoemde argumenten worden de volgende opmerkingen gemaakt: Schadevergoeding Zoals in hoofdstuk 5 van de Nota van Antwoord over dit onderwerp staat vermeld, zijn in de aanwijzingsbesluiten geen aparte vergoedingsregelingen opgenomen. De huidige wettelijke regeling biedt namelijk voldoende mogelijkheden voor compensatie.

Het gaat dan in het bijzonder om artikel 31 van de Natuurbeschermingswet 1998. De aanwijzingsbesluiten zullen naar verwachting niet snel een recht op schadevergoeding geven, omdat het aanwijzingsbesluit zelf over het algemeen geen beperkingen oplevert. Pas in het kader van het beheerplan of bij vergunningverlening kunnen beperkingen worden gesteld aan het bestaand gebruik, aan voorgenomen uitbreidingsmogelijkheden of aan de ontwikkeling van nieuwe activiteiten. Men komt in aanmerking voor schadevergoeding, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1. er is schade geleden door een aanwijzing van een Natura 2000-gebied, door het weigeren van een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (of door een daaraan verbonden voorwaarde) of door bepalingen in het Natura 2000-beheerplan; 2. de schade behoort redelijkerwijs niet (geheel) voor eigen rekening te blijven; 3. de vergoeding van de schade is niet (voldoende) verzekerd door aankoop, onteigening of door andere maatregelen, zoals beheersubsidies. Rol van het beheerplan bij schade In de nog op te stellen Natura 2000-beheerplannen zal uiteindelijk worden bepaald wanneer en hoe de doelen gerealiseerd worden en welke maatregelen daarvoor noodzakelijk zijn. Pas op dat moment kan er een nauwkeurige kosteninschatting worden gemaakt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/504/documents/16884