B_B_ontwerp_1_regels_Bijlage 3 Aanwijzingsbesluiten Natura 2000.PDF
Tekst van het document
19
Natura 2000-gebied
Doel oppervlakte
Doel kwaliteit
Relatieve bijdrage
Besluit
016
Wijnjeterper Schar
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit
023
Fochteloërveen
behoud
behoud
C
ontwerpbesluit
024
Witterveld
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit
025
Drentsche Aa-gebied
behoud
behoud
C
ontwerpbesluit
027
Drents-Friese Wold & Leggelderveld
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit x
029
Holtingerveld
behoud
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
030
Dwingelderveld
behoud
verbetering
B1
ontwerpbesluit
032
Mantingerzand
uitbreiding
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
039
Vecht- en Beneden-Reggegebied
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
040
Engbertsdijksvenen
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit x
042
Sallandse Heuvelrug
uitbreiding
verbetering
B2
aanwijzingsbesluit
043
Wierdense Veld
behoud
verbetering
C
ontwerpbesluit
044
Borkeld
behoud
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
Landelijk doel gewijzigd: Aanwijzingsbesluiten Natura 2000-gebieden Wijnjeterper Schar en Elperstroomgebied (Stcrt. 2010, 2212). 25
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
045
Springendal & Dal van de Mosbeek
uitbreiding
046
Bergvennen & Brecklenkampse Veld
048
Lemselermaten
049
bijlage B
verbetering
C
ontwerpbesluit
uitbreiding
behoud
C
conform ontwerp
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
Dinkelland
uitbreiding
behoud
C
ontwerpbesluit
051
Lonnekermeer
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
054
Witte Veen
behoud
behoud
C
ontwerpbesluit
055
Aamsveen
behoud
behoud
C
ontwerpbesluit
057
Veluwe
uitbreiding
verbetering
A2
ontwerpbesluit
060
Stelkampsveld
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit
128
Brabantse Wal
uitbreiding
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
133
Kampina & Oisterwijkse Vennen
behoud
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
134
Regte Heide & Riels Laag
behoud
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
135
Kempenland-West
behoud
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
136
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux
uitbreiding
verbetering
B1
ontwerpbesluit
137
Strabrechtse Heide & Beuven
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit x
139
Deurnsche Peel & Mariapeel
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit x
140
Groote Peel
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit x
149
Meinweg
behoud
verbetering
B1
ontwerpbesluit
155
Brunssummerheide
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
Ruim twee derde van de landelijke oppervlakte van het habitattype droge heiden is opgenomen binnen het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van dit habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “matig ongunstig” en “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Niet in alle gebieden kan de landelijke doelstelling worden nagestreefd. In een aantal gebieden wijkt de doelstelling voor het aspect oppervlakte af van de landelijke doelstelling omdat bijvoorbeeld de oppervlakten waar het habitattype droge heiden voor kan komen al volledig benut zijn (Havelte-Oost (029), Wierdense Veld (043) en Borkeld (044)). De doelstelling voor het aspect kwaliteit wijkt af van de landelijke doelstelling in de gebieden Bergvennen & Brecklenkampse Veld (046) en Dinkelland (049), omdat het habitattype in deze gebieden reeds in goed ontwikkelde vorm aanwezig is. In diverse gebieden wordt zowel behoud van de oppervlakte als behoud van de kwaliteit beoogd. In het gebied Stelkampsveld (060) ligt de focus op andere habitattypen en komen droge heiden slechts over kleine oppervlakten voor. De gebieden Fochteloërveen (023), Witterveld (024), Witte Veen (054) en Aamsveen (055) zijn hoogveengebieden.
In deze gebieden wijken de doelstellingen af van de landelijke doelstelling omdat het habitattype droge heiden voorkomt op de zandruggen van de gebieden en hierdoor de mogelijkheden in het hoogveenlandschap volledig zijn benut. Ook in het, overwegend natte, Drentsche Aagebied (025) zijn de mogelijkheden voor droge heiden volledig benut. De doelstellingen voor het gebied Wijnjeterper Schar (016) wijken af van de landelijke doelstelling omdat het gebied reeds een goed voorbeeld is betreffende dit habitattype en behoud van de kwaliteit en oppervlakte derhalve voldoende is. H5130 – Jeneverbesstruwelen Landelijke doelstelling: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit N2k-nr
Natura 2000-gebied
Doel oppervlakte
Doel kwaliteit
Relatieve bijdrage a
025
Drentsche Aa-gebied
behoud
verbetering
C
ontwerpbesluit
026
Drouwenerzand
behoud
verbetering
B
aanwijzingsbesluit
027
Drents-Friese Wold & Leggelderveld
behoud
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
030
Dwingelderveld
behoud
verbetering
B
ontwerpbesluit
032
Mantingerzand
behoud
verbetering
B
aanwijzingsbesluit
039
Vecht- en Beneden-Reggegebied
behoud
verbetering
B
ontwerpbesluit
041
Boetelerveld
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit
042
Sallandse Heuvelrug
behoud
verbetering
C
aanwijzinsbesluit
Besluit
26
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
bijlage B
044
Borkeld
uitbreiding
verbetering
045
Springendal & Dal van de Mosbeek
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
046
Bergvennen & Brecklenkampse Veld
behoud
behoud
C
conform ontwerp
053
Buurserzand & Haaksbergerveen
behoud
verbetering
C
ontwerpbesluit
057
Veluwe
behoud
verbetering
B
ontwerpbesluit
062
Willinks Weust
behoud
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
136
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux
behoud
behoud
C
ontwerpbesluit
144
Boschhuizerbergen
behoud
verbetering
C
ontwerpbesluit
(a)
B
aanwijzingsbesluit
Klassen zijn slechts globaal geduid (B = 2-15%, C < 2%), omdat de gebieden onderling niet goed kunnen worden vergeleken, aangezien de oppervlakten op verschillende wijzen zijn berekend (al dan niet inclusief open delen). De aard van de vegetaties verschilt sterk van gebied tot gebied: van verspreide bomen tot dichte struwelen.
Ongeveer de helft van de landelijke oppervlakte jeneverbesstruwelen is gelegen binnen het Natura 2000netwerk. De landelijke staat van instandhouding van het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Hoewel de oppervlakte van jeneverbesstruwelen sinds 1950 stabiel is gebleven, is de kwaliteit afgenomen. Door successie en vergrassing is de soortensamenstelling verarmd. Het merendeel van de jeneverbessen staat in oudere struwelen met een vrij eentonige soortensamenstelling. Natuurlijke verjonging vindt zelden plaats, waardoor een scheve leeftijdsopbouw is ontstaan. De landelijke doelstelling is dan ook gericht op behoud van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. Het merendeel van de gebiedsdoelstellingen sluit hierop aan. In Borkeld (044) en Springendal & Dal van Mosbeek (045) zijn goede kansen voor uitbreiding van het habitattype. Dit zijn de enige twee gebieden in Nederland waar potentie is voor het kiemen van jeneverbessen op de lemige bodems. De uitbreidingsopgave in deze gebieden is nodig om de te verwachten landelijke areaalverliezen op te vangen. In enkele gebieden geldt een behoudopgave op het aspect kwaliteit.
In Boetelerveld (041), Bergvennen & Brecklenkampse Veld (046) en Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (136) komen slechts zeer kleine oppervlakten van het habitattype voor, waardoor kwaliteitsverbetering niet mogelijk wordt geacht. H6230 – *Heischrale graslanden Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Natura 2000-gebied
Doel oppervlakte
Doel kwaliteit
Relatieve bijdrage
004
Duinen Terschelling
uitbreiding
verbetering
B2
aanwijzingsbesluit
005
Duinen Ameland
uitbreiding
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
015
Van Oordt’s Mersken
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
016
Wijnjeterper Schar
uitbreiding
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
025
Drentsche Aa-gebied
uitbreiding
verbetering
B1
ontwerpbesluit
026
Drouwenerzand
uitbreiding
behoud
C
aanwijzingsbesluit x
027
Drents-Friese Wold & Leggelderveld
uitbreiding
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
028
Elperstroomgebied
uitbreiding
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
029
Holtingerveld
uitbreiding
verbetering
B2
aanwijzingsbesluit
030
Dwingelderveld
uitbreiding
behoud
B2
ontwerpbesluit
032
Mantingerzand
uitbreiding
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
033
Bargerveen
behoud
behoud
C
ontwerpbesluit
039
Vecht- en Beneden-Reggegebied
behoud
verbetering
C
ontwerpbesluit
041
Boetelerveld
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit
042
Sallandse Heuvelrug
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit
044
Borkeld
uitbreiding
behoud
C
aanwijzingsbesluit
045
Springendal & Dal van de Mosbeek
uitbreiding
behoud
C
ontwerpbesluit
046
Bergvennen & Brecklenkampse Veld
uitbreiding
verbetering
C
conform ontwerp
049
Dinkelland
behoud
behoud
C
ontwerpbesluit
N2k-nr
Besluit
27
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
behoud
bijlage B
051
Lonnekermeer
behoud
C
ontwerpbesluit
055
Aamsveen
behoud
behoud
B1
ontwerpbesluit
057
Veluwe
uitbreiding
verbetering
A2
ontwerpbesluit
058
Landgoederen Brummen
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
060
Stelkampsveld
uitbreiding
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
062
Willinks Weust
uitbreiding
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
085
Zwanenwater & Pettemerduinen
uitbreiding
behoud
B1
aanwijzingsbesluit
155
Brunssummerheide
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
156
Bemelerberg & Schiepersberg
uitbreiding
verbetering
B1
ontwerpbesluit
157
Geuldal
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
159
Sint Pietersberg & Jekerdal
uitbreiding
verbetering
B1
ontwerpbesluit
Het habitattype heischrale graslanden heeft een sterk versnipperd voorkomen dat doorgaans over kleine oppervlakten voorkomt. Van de circa 100 ha heischrale graslanden in Nederland is ongeveer de helft opgenomen in het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van dit habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In enkele gebieden wijkt de doelstelling betreffende de oppervlakte af van het landelijk doel en wordt behoud nagestreefd. De belangrijkste reden hiervoor is dat er buiten het huidig voorkomen in het betreffende gebied niet of nauwelijks uitbreidingsmogelijkheden aanwezig zijn, onder andere in Dinkelland (049). Het landelijke doel ter verbetering van de kwaliteit van dit habitattype kan ook niet in alle gebieden gerealiseerd worden. De meest kansrijke gebieden zijn aangewezen voor kwaliteitsverbetering van het habitattype. In enkele andere gebieden wordt behoud van de kwaliteit nagestreefd, in tegenstelling tot het landelijk doel. Mogelijke redenen hiervoor zijn de aanwezigheid van reeds goede kwaliteit (Bargerveen (033)) en geringe mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering (Dinkelland). H6410 – Blauwgraslanden Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit N2k-nr
Natura 2000-gebied
Doel oppervlakte
Doel kwaliteit
Relatieve bijdrage
006
Duinen Schiermonnikoog
013
Alde Feanen
uitbreiding
behoud
C
behoud
verbetering
C
015
ontwerpbesluit
Van Oordt’s Mersken
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
016
Wijnjeterper Schar
behoud
verbetering
B1
aanwijzingsbesluit
018
Rottige Meenthe & Brandemeer
uitbreiding
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
021
Lieftinghsbroek
behoud
verbetering
C
ontwerpbesluit
025
Drentsche Aa-gebied
uitbreiding
verbetering
B1
ontwerpbesluit
028
Elperstroomgebied
uitbreiding
verbetering
B1
aanwijzingsbesluit
034
Weerribben
behoud
verbetering
B1
ontwerpbesluit
035
De Wieden
behoud
verbetering
B1
ontwerpbesluit
037
Olde Maten & Veerslootslanden
behoud
verbetering
B1
ontwerpbesluit
041
Boetelerveld
uitbreiding
behoud
C
aanwijzingsbesluit
045
Springendal & Dal van de Mosbeek
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
046
Bergvennen & Brecklenkampse Veld
uitbreiding
verbetering
B1
conform ontwerp
047
Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek
uitbreiding
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
049
Dinkelland
uitbreiding
verbetering
B1
ontwerpbesluit
051
Lonnekermeer
behoud
behoud
C
ontwerpbesluit
057
Veluwe
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
058
Landgoederen Brummen
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
060
Stelkampsveld
uitbreiding
behoud
C
aanwijzingsbesluit
061
Korenburgerveen
uitbreiding
verbetering
B1
aanwijzingsbesluit
062
Willinks Weust
uitbreiding
behoud
C
aanwijzingsbesluit
Besluit aanwijzingsbesluit
28
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
bijlage B
065
Binnenveld
uitbreiding
behoud
B1
ontwerpbesluit
069
De Bruuk
uitbreiding
verbetering
B2
aanwijzingsbesluit
083
Botshol
behoud
verbetering
C
ontwerpbesluit
084
Duinen Den Helder – Callantsoog
behoud
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
087
Noordhollands Duinreservaat
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
085
Zwanenwater & Pettemerduinen
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit x
094
Naardermeer
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
095
Oostelijke Vechtplassen
behoud
verbetering
C
ontwerpbesluit
103
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck
uitbreiding
verbetering
B2
ontwerpbesluit
105
Zouweboezem
uitbreiding
behoud
C
ontwerpbesluit
116
Kop van Schouwen
uitbreiding
behoud
C
ontwerpbesluit
130
Langstraat
uitbreiding
verbetering
B1
ontwerpbesluit
131
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
uitbreiding
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
132
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek
uitbreiding
verbetering
B2
ontwerpbesluit
133
Kampina & Oisterwijkse Vennen
behoud
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
135
Kempenland-West
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit x
Het habitattype blauwgraslanden komt in verspreid liggende gebieden in kleine oppervlakten voor. Van de circa 180 ha blauwgrasland in Nederland is ongeveer twee derde opgenomen in het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van het habitattype blauwgraslanden is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “zeer ongunstig”20. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Voor het merendeel van de gebieden geldt dat de doelen aansluiten bij de landelijke doelstelling van uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit van het habitattype. In een aantal gevallen is hiervan afgeweken en is er gekozen voor een behoudsdoelstelling voor de oppervlakte of de kwaliteit. De belangrijkste reden met betrekking tot de oppervlakte is dat er buiten het huidig voorkomen in het betreffende gebied niet of nauwelijks uitbreidingsmogelijkheden aanwezig zijn. De landelijke doelstelling ter verbetering van de kwaliteit van dit habitattype kan ook niet in alle gebieden gerealiseerd worden. In het gebied Duinen Schiermonnikoog (006) bijvoorbeeld wordt gezien de geïsoleerde ligging van het gebied geen potentieel herstel van de kwaliteit verwacht. De meest kansrijke gebieden zijn aangewezen voor kwaliteitsverbetering van het habitattype. H7150 – Pioniervegetaties met snavelbiezen Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit N2k-nr
Natura 2000-gebied
Doel oppervlakte
Doel kwaliteit
Relatieve bijdrage
Besluit
016
Wijnjeterper Schar
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit
025
Drentsche Aa-gebied
behoud
behoud
C
ontwerpbesluit
027
Drents-Friese Wold & Leggelderveld
uitbreiding
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
029
Holtingerveld
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit
030
Dwingelderveld
uitbreiding
verbetering
B2
ontwerpbesluit
032
Mantingerzand
uitbreiding
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
039
Vecht- en Beneden-Reggegebied
behoud
behoud
C
ontwerpbesluit
041
Boetelerveld
behoud
behoud
B1
aanwijzingsbesluit
044
Borkeld
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit x
046
Bergvennen & Brecklenkampse Veld
behoud
behoud
C
doel toegevoegd x
049
Dinkelland
behoud
behoud
C
ontwerpbesluit
057
Veluwe
uitbreiding
verbetering
A1
ontwerpbesluit
058
Landgoederen Brummen
behoud
behoud
C
ontwerpbesluit
20
De beschreven staat van instandhouding wijkt af van de staat van instandhouding zoals gegeven in het Natura 2000 doelendocument (2006). Zie het Natura 2000 profielendocument (2008) voor een nadere uitleg. 29
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
bijlage B
060
Stelkampsveld
uitbreiding
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
133
Kampina & Oisterwijkse Vennen
uitbreiding
behoud
B1
aanwijzingsbesluit
134
Regte Heide & Riels Laag
behoud
behoud
C
aanwijzingsbesluit
135
Kempenland-West
behoud
behoud
B1
aanwijzingsbesluit
136
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux
behoud
behoud
B1
ontwerpbesluit
145
Maasduinen
behoud
behoud
C
ontwerpbesluit
149
Meinweg
behoud
behoud
C
ontwerpbesluit
155
Brunssummerheide
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
Ongeveer de helft van de landelijke oppervlakte van het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen is opgenomen binnen het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als respectievelijk “gunstig” en “matig ongunstig”. Landelijk wordt zowel uitbreiding van de oppervlakte als verbetering van de kwaliteit nagestreefd. Uitbreiding van de oppervlakte is als landelijk doel gesteld omdat de gunstige staat van instandhouding slechts een tijdelijke situatie betreft21. Deze situatie is te danken aan recent op vele plekken uitgevoerde plagwerkzaamheden ten behoeve van herstel van het habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010A) waarvoor Nederland een grote verantwoordelijkheid heeft. De oppervlakte van pioniervegetaties met snavelbiezen heeft zich plaatselijk kunnen uitbreiden door plagwerkzaamheden. Dit heeft de achteruitgang op de plaatsen waar het habitattype van nature voorkomt gemaskeerd. Uitbreiding van de oppervlakte is gericht op herstel van natuurlijke pioniervegetaties met snavelbiezen als duurzaam onderdeel van het (natte) heidelandschap. Deze herstelopgave geldt alleen voor gebieden waar het type van nature aanwezig is en waar goede mogelijkheden voor herstel aanwezig zijn, onder andere de gebieden DrentsFriese Wold & Leggelderveld (027) en Dwingelderveld (030).
In de overige gebieden, waar het habitattype voorkomt op plagplekken in vochtige heiden (H4010), wordt volstaan met behoud. H7230 – Kalkmoerassen Landelijke doelstelling: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Natura 2000-gebied
Doel oppervlakte
Doel kwaliteit
028
Elperstroomgebied
uitbreiding
verbetering
C
aanwijzingsbesluit
045
Springendal & Dal van de Mosbeek
uitbreiding
verbetering
B2
ontwerpbesluit
046
Bergvennen & Brecklenkampse Veld
behoud
behoud
C
doel toegevoegd x
048
Lemselermaten
uitbreiding
behoud
B1
ontwerpbesluit
060
Stelkampsveld
uitbreiding
verbetering
B1
065
Binnenveld
070
Lingegebied & Diefdijk-Zuid
uitbreiding
verbetering
B2
ontwerpbesluit
130
Langstraat
uitbreiding
verbetering
B2
ontwerpbesluit
154
Geleenbeekdal
uitbreiding
verbetering
B2
ontwerpbesluit
157
Geuldal
uitbreiding
verbetering
C
ontwerpbesluit
N2k-nr
Relatieve bijdrage
ontwikkeling
Besluit
aanwijzingsbesluit ontwerpbesluit
Ruim de helft van de landelijke oppervlakte van het habitattype kalkmoerassen is opgenomen binnen het Natura 2000-netwerk. De landelijke staat van instandhouding van het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “zeer ongunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. Het habitattype is in de loop van de 20e eeuw sterk achteruit gegaan. Vrijwel alle gebiedsdoelstellingen sluiten aan op de landelijke doelstelling om dit sterk onder druk staande habitattype te herstellen.
21
Dit is voor dit habitattype ook de reden dat de staat van instandhouding wat betreft het aspect toekomstperspectief als “matig ongunstig” is beoordeeld (zie ook Natura 2000 profielendocument (2008)). 30
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
bijlage C
Motivering van het besluit op basis van de binnengekomen zienswijzen
1
INLEIDING
Op 27 november 2006 zijn 111 ontwerp-aanwijzingsbesluiten gepubliceerd voor de eerste tranche Natura 2000-gebieden. Deze ontwerp-aanwijzingsbesluiten hebben in de periode van 9 januari 2007 tot en met 19 februari 2007 ter inzage gelegen. Dit heeft ertoe geleid dat er door bijna 7.800 personen of organisaties een zienswijze is ingediend over één of meer gebieden. Een belangrijk deel van de argumentatie in deze zienswijzen heeft betrekking op de gebruikte criteria, de voorgestelde begrenzing van de gebieden en de mogelijke gevolgen van Natura 2000 voor burgers en het bedrijfsleven. In veel zienswijzen werd dezelfde argumentatie gebruikt en werden gelijkluidende zorgen geuit. Er is destijds besloten om in één nota tot een algemene beantwoording van deze breed geuite kritiekpunten over te gaan. In deze Nota van Antwoord22 is op hoofdlijnen het gevoerde beleid uiteengezet. De Nota van Antwoord is op 21 november 2007 aan de Tweede Kamer aangeboden en op 13 februari en 6 maart 2008 heeft de Tweede Kamer de nota besproken. Iedereen die een zienswijze heeft ingediend, heeft in een persoonlijke brief een antwoord ontvangen, waarin op de algemene opmerkingen uit de zienswijze is ingegaan.
Gelet op het grote aantal zienswijzen dat voor elk gebied is ingediend en het grote aantal onderwerpen dat daarbij aan de orde is gekomen, is besloten om bij elk besluit de individuele zienswijzen per thema te behandelen. Dit gebeurt in deze bijlage C. Verder wordt in deze bijlage C vermeld welke specifiek op het aanwijzingsbesluit van dit gebied betrekking hebbende inspraakreacties zijn binnengekomen en hoe hiermee is omgegaan bij het opstellen van het aanwijzingsbesluit. Bij de beantwoording van de zienswijzen zijn ook de provinciale beschouwingen op de zienswijzen betrokken. Voor het gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld zijn 48 zienswijzen ingediend. De reacties worden hieronder thematisch besproken.
22
Ministerie van LNV (2007): Nota van Antwoord. Inspraakprocedure aanwijzing Natura 2000-gebieden. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. 31
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
bijlage C
32
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
2
bijlage C
REACTIES OVER DE PROCEDURE
In een aantal zienswijzen zijn vragen gesteld en opmerkingen gemaakt over de gebruikte aanmeldingsgegevens en de onderbouwing van de vermelde gegevens in het standaardgegevensformulier, waaronder “beschermingsstatus”. Verder wordt opgemerkt dat er voor de soorten en habitattypen met de kwalificatie “aanwezig maar verwaarloosbaar” geen instandhoudingsdoelstellingen in de besluiten hoeven te worden opgenomen. Daarnaast wordt opgemerkt dat op het standaardgegevensformulier de bedrijfsactiviteiten, die in en om het gebied plaatsvinden, niet zijn vermeld. Men vraagt zich af of de Europese Commissie bij de beoordeling van de selectie van de gebieden daarmee rekening heeft kunnen houden. Men vraagt zich ook af of de aanmeldingsprocedure wel zorgvuldig genoeg is doorlopen en wijst in dit kader mede op de verschillen tussen de huidige besluiten en de eerdere concepten die eind 2005 zijn opgesteld. Zo wordt er gesteld dat de vertaling van de aanmeldingsgegevens naar de doelstellingen disproportioneel is. Daarnaast zijn de doelstellingen volgens deze insprekers uitgebreider dan de Richtlijn voorschrijft voorschrijven.
Door doelstellingen op te nemen in het ontwerp-aanwijzingsbesluit voor alle soorten en habitattypen en dus ook voor die habitattypen waarvoor het gebied niet is geselecteerd, wordt er naar de mening van een aantal insprekers ten onrechte de suggestie gewekt dat de maatregelen die hieruit voortvloeien het gevolg zijn van de verplichtingen van de Habitatrichtlijn. In een aantal zienswijzen wordt erop aangedrongen om in een gebied alleen die habitattypen te beschermen, waarvoor het gebied tot de categorie van belangrijkste gebieden behoort. Insprekers wijzen verder op documenten die in een eerdere fase van het proces ter beoordeling zijn aangeboden, waarop men wijzigingen heeft voorgesteld en ten aanzien waarvan wijzigingen zijn doorgevoerd in de ontwerpbesluiten. Het betreft onder andere de profielendocumenten 200623 en gebiedendocumenten uit 2005. Verder wordt er door diverse insprekers op gewezen dat de aanwijzing van een Natura 2000-gebied een nieuwe wettelijke status tot gevolg heeft. Dat zou moeten betekenen dat in de besluitvorming de belangen van alle betrokkenen zorgvuldig dienen te worden meegewogen.
Met betrekking tot de hierboven genoemde reacties worden de volgende opmerkingen gemaakt: Stappen in het selectieproces van Habitatrichtlijngebieden Zoals in het Verantwoordingsdocument (2003)24 beschreven staat, heeft de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden in twee stappen plaatsgevonden: Eerste stap van de selectie: Bij de eerste stap zijn voor elk prioritair habitattype en voor elke prioritaire soort in principe de tien belangrijkste gebieden geselecteerd. Dit zijn de gebieden waar het type of de soort het best ontwikkeld is en met de grootste oppervlakte of populatie aanwezig is. Indien bij een bepaald prioritair habitattype de variatie in soortensamenstelling zodanig groot is dat er meerdere subtypen (plantensociologische eenheden op verbondsniveau) zijn te onderscheiden, zijn per subtype de vijf belangrijkste gebieden geselecteerd. Een onderverdeling in subtypen is niet toegepast indien de verschillende subtypen in dezelfde gebieden voorkomen. Voor elk niet-prioritair habitattype of elke niet-prioritaire soort is in principe dezelfde methodiek toegepast, met dien verstande dat voor die typen of soorten de vijf belangrijkste gebieden zijn geselecteerd. Ook hier geldt dat alleen die gebieden zijn geselecteerd waar het habitattype of de soort het best ontwikkeld is en waar de grootste oppervlakte of populatie aanwezig is.
Indien de variatie in soortensamenstelling van een niet-prioritair habitattype zodanig groot is dat het type meerdere subtypen omvat, zijn per subtype de drie
23
Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 profielendocument. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. Ministerie van LNV (2003): “Verantwoordingsdocument”. Selectiemethodiek voor aangemelde Habitatrichtlijngebieden. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag.
24
33
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
bijlage C
belangrijkste gebieden geselecteerd. Ook hier is deze onderverdeling in subtypen niet gemaakt indien de verschillende subtypen in dezelfde gebieden voorkomen. Tweede stap van de selectie: Bij de tweede stap van het selectieproces is onderzocht in hoeverre de landelijke dekking en de geografische spreiding van de gebieden als voldoende kunnen worden aangemerkt. De landelijke dekking van habitattypen of soorten betreft de totale oppervlakte van een habitattype of de totale populatie van een soort binnen de aangemelde gebieden als percentage van de landelijke oppervlakte van dat habitattype of als percentage van de landelijke populatie van de soort. Als op basis van de selectie in de eerste stap het aantal geselecteerde “belangrijkste” gebieden onvoldoende dekking oplevert, moet onderzocht worden welke gebieden aanvullend geselecteerd dan wel aangemeld moeten worden om voldoende landelijke dekking te halen. Daarnaast is bekeken of gebieden die één ecologische eenheid vormen met gebieden in België of Duitsland aan de lijst van aangemelde gebieden toegevoegd moeten worden. Voor ieder niet-prioritair habitattype en iedere niet-prioritaire soort wordt voldoende landelijke dekking nagestreefd.
De indicaties van het European Topic Centre (ETC) en de conclusies van de biogeografische seminars zijn hiervoor als leidraad gebruikt: • < 20% wordt in de meeste gevallen als onvoldoende dekkingsgraad beschouwd; • 20-60% is een bespreekbaar dekkingspercentage; • > 60% is over het algemeen voldoende dekking. Hierbij is uitdrukkelijk rekening gehouden met de specifieke kenmerken en eisen die de afzonderlijke habitattypen en soorten stellen. Een relatief laag dekkingspercentage is aanvaardbaar als er sprake is van weinig bedreigde habitattypen of soorten en deze verspreid voorkomen. Hier geldt het proportionaliteitsbeginsel: voor habitattypen en soorten die sterker onder druk staan, wordt relatief meer bijgedragen binnen het Natura 2000-netwerk dan voor meer algemeen voorkomende habitattypen en soorten. Voor prioritaire habitattypen en prioritaire soorten hebben de lidstaten een bijzondere verantwoordelijkheid en verwacht de Europese Commissie dat een hoger dekkingspercentage wordt bereikt. Beoordeling aanmeldingen door de Europese Commissie In 2003 is de Nederlandse bijdrage aan de communautaire lijst van Habitatrichtlijngebieden door de Europese Commissie goedgekeurd (zie hoofdstuk 2). Daaraan voorafgaand zijn in respectievelijk 1996 en 1998 voorlopige aanmeldingen bij de Europese Commissie ingediend.
In het Lijstdocument (2004)25 is het Nederlandse deel van de communautaire lijst voor de Atlantische biogeografische regio opgenomen. Hoofdstuk 3 van het Lijstdocument geeft per habitattype en per soort een toelichting op de selectie van gebieden. Hierbij staat steeds expliciet aangegeven hoe de Europese Commissie de aanmelding van 1998 heeft beoordeeld. Daaruit blijkt dat de Europese Commissie voor diverse habitattypen en soorten in 2002 heeft gemeld dat er een onvoldoende dekking was. Om die reden is de aanmelding van 2003 nog met een aantal gebieden uitgebreid. Het Reactiedocument (2004)26 bevat een Nota van Antwoord met betrekking tot de openbare voorbereidingsprocedure voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden, die begin 2003 heeft plaatsgevonden. Misverstanden over de aanmelding Een veel gehoord argument is dat de bedrijfsactiviteiten die in en om het gebied plaatsvinden bij de aanmelding gemeld hadden moeten worden, zodat de Europese Commissie rekening had kunnen houden met bestaand gebruik. Dit berust op een misverstand. Zoals in paragraaf 2.1.1 van de Nota van Antwoord uitvoerig uiteen is gezet, is het standaardgegevensformulier bedoeld om de potentiële Habitatrichtlijngebieden met de natuurwaarden bij de Europese Commissie aan te melden. Op het formulier staat per rubriek nauwkeurig aangegeven welke gegevens vóór de aanmelding verstrekt dienen te worden en
25
Ministerie van LNV (2004): “Lijstdocument”. Overzicht van gebiedsselectie voor de Habitatrichtlijn. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. 26 Ministerie van LNV (2004): Reactiedocument aanmelding Habitatrichtlijngebieden. Resultaten van de ontvangen reacties bij de openbare procedure voor de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden in het kader van Natura 2000. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. 34
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
bijlage C
welke gegevens in een later stadium verstrekt kunnen worden. Eén van de rubrieken die pas ingevuld hoeft te worden nadat het gebied deel uitmaakt van het Natura 2000-netwerk is de rubriek “Activiteiten en invloeden in en buiten het betrokken gebied”. Die gegevens dienen vooral als basisinformatie voor de Europese Commissie om de uitvoering van de Richtlijn te kunnen volgen en haar rol als toezichthouder te kunnen vervullen. De aanmelding vindt uitsluitend op ecologische gronden plaats. Het is dan ook een misvatting te veronderstellen dat de Europese Commissie bij de besluitvorming van onjuiste of onvolledige gegevens zou zijn uitgegaan. Zoals in paragraaf 3.3 van de Nota van Antwoord staat beschreven, dienen ook voor de soorten en habitattypen die niet direct tot de selectie van dat betreffende Habitatrichtlijngebied hebben geleid, maar die wel in dat gebied voorkomen, instandhoudingsdoelstellingen te worden opgesteld. Dat zijn namelijk ook soorten en habitattypen waarvoor het gebied is aangemeld. Het berust op een misverstand te veronderstellen dat uit de Richtlijn uitsluitend een verplichting zou voortvloeien met betrekking tot habitattypen en soorten waarvoor het gebied is geselecteerd en dat er met betrekking tot de overige habitattypen en soorten van bijlage II geen verplichtingen zouden bestaan.
Er worden daarom niet alleen instandhoudingsdoelstellingen voor de habitattypen of de soorten waarvoor het gebied is geselecteerd geformuleerd, maar voor alle habitattypen of soorten, waarvoor een gebied is aangemeld. Op het standaardgegevensformulier dat naar de Europese Commissie gaat moeten alle relevante Natura 2000waarden worden vermeld en de daarop verstrekte gegevens moeten geregeld worden geactualiseerd. Voor één bepaalde categorie kan het formuleren van instandhoudingsdoelstellingen echter achterwege blijven. Het betreft de categorie “aanwezig maar verwaarloosbaar”. Een habitattype of soort kan in een bepaald gebied in zodanige minieme oppervlakte of slechts incidenteel aanwezig zijn, dat mag worden aangenomen dat het habitattype of de soort zich in dit gebied niet blijvend kan handhaven. Het ontstaan van deze categorie (aanwezig maar verwaarloosbaar) is het gevolg van de voorgeschreven aanmeldingssystematiek, waarbij de lidstaat voor elk gebied alle aanwezige habitattypen en soorten – ongeachte de mate waarin ze voorkomen – dient te melden. Voor deze categorie zijn dan ook geen instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Motivering Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is de selectie van de gebieden inzichtelijker gemaakt. Er is per gebied uiteengezet waarom het gebied is aangemeld en op grond van welke criteria dit is gebeurd.
Naast de reeds uitgebreide toelichting in de Nota van Antwoord is in de Nota van toelichting van dit besluit op een overzichtelijke wijze aangegeven voor welke soorten en habitattypen het gebied is aangemeld. Betrokkenheid bij de voorbereiding van de aanwijzing Voor de nationale procedure voor de aanwijzing van Natura 2000-gebieden wordt verwezen naar de paragrafen 1.1.4 en 1.3.5 van de Nota van Antwoord. In deze paragrafen wordt uitvoerig ingegaan op de gevolgde procedure, die uiteindelijk tot de terinzagelegging van het ontwerp-aanwijzingsbesluit van dit gebied heeft geleid. Daaruit blijkt dat dit deel van de procedure meerdere jaren in beslag heeft genomen. Zo hebben de betrokken ministeries, provincies, kamers van koophandel, (regionale) land- en tuinbouworganisaties, gemeenten, waterschappen, drinkwaterwinners, visserijorganisaties, recreatieorganisaties, natuurbeschermingsorganisaties en gegevensbeheerders eind 2005 het concept Natura 2000 doelendocument (2005) en de concept Natura 2000-gebiedendocumenten (2005) voor de 162 gebieden ontvangen, met het verzoek om commentaar te geven. Naar aanleiding van de reacties zijn waar nodig nog aanvullende gesprekken gevoerd. Deze consultatie maakte deel uit van de voorbereiding van de besluitvorming en heeft nog tot wijzigingen geleid.
Het resultaat van deze voorbereiding heeft ter inzage gelegen en ten aanzien van deze ontwerp-aanwijzingsbesluiten heeft een ieder een zienswijze kunnen indienen. Zorgvuldigheid van de procedure en afweging van belangen In de paragrafen 2.1.1 en 1.1.8 van de Nota van Antwoord is de selectieprocedure uitvoerig beschreven en is uiteengezet hoe de verschillende belangen tegen elkaar zijn afgewogen. De keuze van een Natura 2000gebied heeft uitsluitend plaatsgevonden op basis van de aanwezigheid van de in bijlage I en II van de Habitatrichtlijn genoemde habitattypen en soorten. Deze werkwijze vloeit voort uit de in de Habitatrichtlijn genoemde criteria en de hierop gebaseerde Europese jurisprudentie. Het is niet mogelijk om hiervan af te 35
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
bijlage C
wijken. Pas in een later stadium – bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen en bij het vaststellen van het beheerplan – kunnen naast de ecologische belangen ook andere belangen aan de orde komen. Dit is in de paragrafen 3.4 en 3.5 van de Nota van Antwoord verder uiteengezet. Gesteld mag worden dat de procedure die bij de aanwijzing van de gebieden is gevolgd zorgvuldig is geweest en geheel overeenkomstig de wet- en regelgeving heeft plaatsgevonden.
36
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
3
bijlage C
REACTIES OVER DE BEGRENZING
3.1 ALGEMEEN Bij de begrenzing van het gebied heeft een aantal insprekers aangegeven dat geen rekening wordt gehouden met andere dan ecologische eisen. Insprekers hebben aangegeven dat ze bezwaar hebben tegen de opname van nieuwe natuur: delen van de Ecologische Hoofdstructuur die een natuurfunctie krijgen en die in landbouwkundig gebruik zijn of waren. Insprekers wijzen op de gedane toezeggingen in het kader van nieuwe natuur en de Ecologische Hoofdstructuur. Tevens wordt in zienswijzen gemeld dat bepaalde habitattypen en soorten niet of in beperkte mate aanwezig zijn in delen van het gebied. Insprekers verwachten dat in ieder geval die gronden waar deze waarden niet aanwezig zijn buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied worden gelaten. Er wordt voor gepleit om de Natura 2000-gebieden op eenduidige wijze ook in het verticale vlak te begrenzen op 500 voet, zijnde de bestaande minimumvlieghoogte. Verder wordt aangegeven dat bij de aanwijzing van de Vogelrichtlijngebieden destijds voor een bufferzone van 100 meter rond jachthavens gekozen is. In die geest wordt er bepleit om een bufferzone van 300 tot 500 meter rond agrarische- en recreatiebedrijven in te stellen. Tevens wordt er aangegeven dat de aanmelding onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd is, zodat de onderzoeksplicht bij de belanghebbende wordt gelegd wanneer deze de begrenzing gewijzigd wil zien.
Met betrekking tot de hierboven genoemde argumenten worden de volgende opmerkingen gemaakt: Uitgangspunten begrenzing Habitatrichtlijngebieden Zoals in paragraaf 2.2 van de Nota van Antwoord en in bijlage 9.1 van het Natura 2000 doelendocument (2006)27 uitvoerig uiteen is gezet, is ook bij het begrenzen van een gebied geen rekening gehouden met andere vereisten dan die verband houden met de aanwezigheid en de instandhouding van de natuurlijke habitats en soorten. Daarbij zijn de volgende algemene uitgangspunten gebruikt: • Habitattypen en soorten van de bijlagen: de habitattypen van bijlage I en de leefgebieden van de soorten van bijlage II van de Habitatrichtlijn (en dus niet de soorten van bijlage IV) vormen het uitgangspunt voor de begrenzing. Dit is inclusief in kwaliteit achteruitgegane en gedegenereerde terreindelen, indien herstel haalbaar is en voor zover nodig voor de instandhouding van de aanwezige habitattypen en/of soorten. • Herkenbare eenheden en identiteit: er is gestreefd naar de begrenzing van herkenbare en beheerbare eenheden: ecologische eenheden (bijvoorbeeld op basis van vegetatiestructuur, hydrologie of geomorfologie) of beheereenheden. Door eenheden op deze manier te begrenzen krijgt het gebied een duidelijke identiteit.
• “Cement tussen de bakstenen”: de begrenzing van ecologische eenheden impliceert dat het Habitatrichtlijngebied bestaat uit de habitattypen van bijlage I en het leefgebied van de soorten van bijlage II én een stelsel van natuurwaarden waarvoor het gebied niet is geselecteerd en/of niet is aangemeld. Die natuurwaarden, gekenmerkt als het “cement tussen de bakstenen”, maken integraal onderdeel uit van de ecosystemen en zijn nodig voor herstel en/of instandhouding van de betreffende in de Richtlijn opgenomen habitattypen en/of soorten. • Deelgebieden: bij zeer sterke versnippering in meerdere deelgebieden worden alleen deze deelgebieden begrensd. De verschillende deelgebieden bevatten dan elk afzonderlijk de habitattypen en/of soorten waarvoor het gebied geselecteerd is. • Enclaves: binnen grote eenheden zijn enclaves van grootschalige landbouw en/of bebouwing uitgesloten, voor zover ze geen wezenlijke bijdrage leveren aan de instandhouding van de betreffende habitattypen en/of soorten. • Aansluiting bij administratieve grenzen: er is zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande administratieve grenzen (bijvoorbeeld begrenzing van onder de Natuurbeschermingswet aangewezen gebieden, Nationale Parken, Vogelrichtlijngebieden en/of eigendomsgrenzen).
27
Ministerie van LNV (2006): Natura 2000 doelendocument. Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. 37
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
•
bijlage C
Herkenbare topografische lijnen: de gebiedsgrenzen vallen bij voorkeur samen met duidelijk in het landschap herkenbare topografische lijnen, zoals wegen, sloten, heggen, oevers, bosranden en markante verschillen in landgebruik.
Hoofdlijnen aanpassing begrenzing Natura 2000-gebieden De herbegrenzing is doorgevoerd op basis van technische en/of inhoudelijke argumenten. Technische aanpassingen: Dit zijn vaak minieme kaarttechnische verbeteringen teneinde de grenzen af te stemmen en gelijk te trekken. Het zijn ook pragmatische aanpassingen. Hierdoor blijven het beheer en de bescherming hanteerbaar en wordt de burger een zo duidelijk en eenvoudig mogelijke begrenzing geboden. Dit kan betekenen dat Vogel- en Habitatrichtlijngebieden die voor een belangrijk deel overlap vertonen met (voormalige) beschermde en staatsnatuurmonumenten op deze begrenzing afgestemd worden. Hierdoor worden onlogische verschillen vermeden. Verder betreft dit ook het zoveel mogelijk op kaart uitzonderen van bestaande bebouwing, tuinen en erven die alleen tekstueel waren geëxclaveerd. Tot deze categorie behoren ook aanpassingen aan de hand van kadastrale perceelsgrenzen in verband met de kadastrale registratie van bij de aanwijzing “betrokken” percelen (zie Nota van toelichting, paragraaf 3.3). Hiermee wordt voorkomen dat kadastrale percelen die slechts voor een onbetekenend deel met het gebied overlappen, kadastraal worden ingeschreven als deel uitmakend van het gebied.
Inhoudelijke aanpassingen: Gebleken is dat in een beperkt aantal gevallen bij de begrenzing van Habitatrichtlijngebieden onvoldoende rekening is gehouden met de verspreiding van relevante habitattypen of leefgebieden van soorten, waardoor aanpassingen (zowel uitbreiding als verkleining) noodzakelijk waren. Dit is meestal het gevolg van verbeterde en toegenomen kennis. Ook uitbreidingen die noodzakelijk zijn voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, vallen in deze categorie van inhoudelijke aanpassingen. Meebegrenzen van nieuwe natuur Met nieuwe natuur worden delen van de Ecologische Hoofdstructuur bedoeld die een natuurfunctie krijgen en die in landbouwkundig gebruik zijn of waren. Een groot deel van deze nieuwe natuur is inmiddels al verworven en als natuurgebied ingericht. Nieuwe natuur is meebegrensd indien (in geval van een Habitatrichtlijngebied) één van de volgende situaties van toepassing is: 1. wanneer het natuurdoel van de nieuwe natuur overeenkomt met dat van het aangrenzende aangemelde Natura 2000-gebied (de natuurwaarden zijn al aanwezig of zullen conform vastgestelde plannen worden ontwikkeld). Het betreffende natuurdoel dient uiteraard invulling te geven aan de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. 2. wanneer de nieuwe natuur aantoonbaar noodzakelijk is om de instandhoudingsdoelstellingen te kunnen realiseren.
Voor nieuwe natuur die nodig is voor de realisatie van Natura 2000 blijft het principe van vrijwilligheid gelden bij verwerving van de gronden en bij omzetting van cultuurgrond naar natuur (zie verder paragraaf 2.2.2 van de Nota van Antwoord). De nieuwe natuur die is toegevoegd na de aanmelding in 2003 is naar aanleiding van ingediende zienswijzen op de ontwerp-aanwijzingsbesluiten nogmaals kritisch getoetst aan de hiervoor genoemde criteria. Het resultaat staat beschreven in paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting. Het beleid om nieuwe natuur van ná 1 mei 1988 niet als verzuringsgevoelig aan te merken, is nooit van toepassing geweest op de oude Natuurbeschermingswet. Ook voor de inwerkingtreding van de Natuurbeschermingswet 1998 was het voor de beoordeling alleen van belang of een bepaalde activiteit schade aan een aangewezen beschermd natuurmonument toebracht. De vraag of een deel van een bepaald beschermd natuurmonument als zogenoemde nieuwe natuur moest worden aangemerkt, heeft in deze besluitvorming geen rol gespeeld. Als een bepaald gebied als beschermd natuurmonument was aangewezen, genoot zo’n natuurmonument de volledige bescherming van de Natuurbeschermingswet.
Bufferzones en exclavering van recreatieondernemingen en agrarische bedrijven Een bufferzone van 300 tot 500 meter rond recreatieondernemingen en agrarische bedrijven, waar door vele ondernemers om is verzocht, behoort niet tot de mogelijkheden. De reden hiervoor is dat menselijk gebruik 38
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
bijlage C
of de door de mens toegekende bestemming niet bepalend is voor de vraag of een gebied of terrein als Natura 2000-gebied aangewezen dient te worden. Ecologische redenen zijn daarbij bepalend. Een Natura 2000-gebied is in zijn geheel van belang. Ook in de uitspraak van de Raad van State over de aanwijzing van één van de eerste Natura 2000-gebieden is de vraag over een bufferzone aan de orde gekomen. De Raad van State was toen van oordeel dat “het aanhouden van een minimale afstand tot bedrijfsbebouwing niet mogelijk is, omdat niet in algemene zin ten behoeve van de in het gebied gelegen agrarische bedrijfsbebouwing kan worden vastgesteld in hoeverre de binnen die afstand gelegen gronden naar ecologische maatstaven al dan niet tot het aan te wijzen gebied moeten worden gerekend”28. Bij Vogelrichtlijngebieden wordt het hele gebied door de vogels gebruikt voor broeden, foerageren en/of rusten, hoewel niet elk deel even intensief wordt benut. Voor Habitatrichtlijngebieden geldt een vergelijkbare aanpak hoewel habitattypen meestal geen grote, aaneengesloten oppervlakten beslaan. Daar staat tegenover dat de instandhouding van habitattypen meestal een ruimere begrenzing vereist omdat ook rekening moet worden gehouden met een mogelijke verschuiving van de habitatwaarden door het gebied (successie).
Daarentegen maken bestaande bebouwing, erven, tuinen, steigers, verhardingen en hoofdspoorwegen geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Zij zijn door hun fysieke aard meestal ongeschikt. Eventuele uitzonderingen op deze algemene regel zijn opgenomen in paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting van het besluit. Ook mijnbouwinrichtingen en -installaties vallen onder de definitie van een bouwwerk en daarmee onder de exclaveringsformule (zie paragraaf 3.4 van de Nota van toelichting). Dat geldt niet voor ondergronds of onderwater voorkomende structuren zoals gas- en waterleidingen. De aanwezigheid hiervan betekent niet per definitie dat deze gebieden ongeschikt zijn voor planten of dieren en ze zijn daarom niet geëxclaveerd. Zie ook paragraaf 2.2.6 van de Nota van Antwoord. Verticale begrenzing In paragraaf 2.2.9 van de Nota van Antwoord wordt vermeld dat er geen verticale grens in de Natura 2000gebieden is opgenomen. Wel moet gewaarborgd zijn dat vliegbewegingen in de omgeving van Natura 2000gebieden niet tot aantasting van natuurlijke kenmerken leiden. Dat geldt voor de gehele burgerluchtvaart (inclusief parasailen, parachutespringen en luchtballonvaren), het militaire luchtverkeer en alle andere activiteiten die in samenhang met deze vliegbewegingen in het luchtruim of op de grond plaatsvinden, zoals schietoefeningen en parachutespringen.
De effectbeoordeling van dit soort activiteiten kan daarom het best per gebied plaatsvinden, toegesneden op de omstandigheden ter plekke. Het is dus niet zinvol om hiervoor generieke normen in de besluiten op te nemen. Indien aan de orde, wordt het bestaand gebruik door luchtverkeer beoordeeld bij het opstellen van het beheerplan. Voorwaarde blijft ook hier dat het bestaande gebruik de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mag brengen. 3.2 SPECIFIEKE REACTIES OVER DE BEGRENZING Een inspreker verzoekt om de naam van het Natura 2000-gebied zowel in het ontwerp-aanwijzingsbesluit als in de Nota van toelichting correct te vermelden. Volgens de inspreker is de schrijfwijze “Bergvennen en Brecklenkampse Veld”. De zienswijze heeft geleid tot aanpassing van het besluit. De naam van het Natura 2000-gebied wordt in het gehele aanwijzingsbesluit geschreven als “Bergvennen & Brecklenkampse Veld”, conform de schrijfwijze van Brecklenkampse Veld op de topografische kaart die als uitgangspunt voor de schrijfwijze wordt gehanteerd.
28
Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 5 november 2008, nr. 200802546/1. 39
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
bijlage C
Een inspreker verzoekt de aanwijzing van het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld in te trekken. De inspreker merkt hierbij op dat de Europese Commissie in 2002 met betrekking tot het habitattype zeer zwakgebufferde vennen (H3110) oordeelde, dat er voor dit habitattype voldoende gebieden zijn aangemeld. Het huidige Natura 2000-gebied is indertijd niet aangemeld. De inspreker vraagt waarom Bergvennen & Brecklenkampse Veld toch is toegevoegd. Bovendien komen volgens de inspreker de habitattypen die in het ontwerp-aanwijzingsbesluit zijn opgenomen niet voor en zijn deze ook niet realiseerbaar gezien het huidige gebruik en de vegetatieve en hydrologische situatie. De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het besluit. Intrekking van een als Habitatrichtlijngebied aangemeld gebied is niet mogelijk indien habitatwaarden er in belangrijke mate aanwezig zijn. Dat is hier ongetwijfeld het geval: zo behoort het gebied voor het habitattype zeer zwakgebufferde vennen (H3110) tot één van de vijf belangrijkste gebieden van Nederland. Alle habitattypen die in het ontwerp zijn opgenomen, zijn blijkens de kartering van habitattypen in het gebied ook aanwezig.
Een inspreker wijst erop dat het Natura 2000-gebied wordt aangewezen vanwege de aanwezigheid in dit gebied van het habitattype zeer zwakgebufferde vennen (H3110) terwijl in 2002 de Europese Commissie oordeelde dat er voldoende gebieden met dit habitattype zijn aangemeld. Voor de inspreker is niet duidelijk waarom het gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld nu opeens wel is aangewezen. De inspreker maakt uit het ontwerp-aanwijzingsbesluit op dat de reden voor de aanwijzing ligt bij het herstel in het gebied van het habitattype zeer zwakgebufferde vennen. De inspreker betwijfelt of dit habitattype realiseerbaar is. De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het besluit. Deze opmerking is in het Reactiedocument (2004), dat is uitgebracht naar aanleiding van de inspraakronde van begin 2003, reeds uitvoerig behandeld: “Het gebied is geselecteerd voor het habitattype 3110 (…”). Het klopt dat het aantal van zes oorspronkelijk voor dit habitattype aangemelde gebieden door de Europese Commissie indertijd als “voldoende” is aangemerkt. Tijdens de herziening van de Nederlandse lijst is op grond van nieuwe gegevens en inzichten vastgesteld dat het habitattype in vier van deze zes gebieden niet of onvoldoende representatief aanwezig is (… ).
Eén van deze vier gebieden is daarom zelfs van de lijst van Habitatrichtlijngebieden afgevoerd (…) en in de andere drie bleek het te gaan om het habitattype 3130 (…), dat nauw verwant is aan habitattype 3110 (…). Van de oorspronkelijke aanmelding resteren dus nog twee gebieden waar het habitattype 3110 in voldoende representatieve vorm aanwezig is (Strabrechtse Heide en Beuven; Drents-Friese Wold en Leggelderveld).Het onderhavige gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld is niet alleen aan de lijst toegevoegd om de selectie voor dit habitattype te completeren, maar ook omdat het sinds de grondige schoonmaak en herstel van de Bergvennen eind jaren negentig het best ontwikkelde voorbeeld van dit habitattype in Nederland is (het gebied is ook de belangrijkste groeiplaats van de waterlobelia, één van de kenmerkende soort van dit habitattype).” Meerdere insprekers verzoeken in het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld het deelgebied Vetpot, en met name de cultuurgronden, niet binnen de begrenzing op te nemen. Volgens de insprekers is er voor deze uitbreiding geen juiste onderbouwing. De insprekers zijn van mening dat een recent, gedetailleerde ecologische onderbouwing ontbreekt. De insprekers merken op dat de gronden niet gelegen zijn binnen de Habitatrichtlijn en dat het gebied doorsneden wordt door wegen en sloten.
Ook zien de insprekers de hydrologische noodzaak van deze begrenzing niet voor instandhoudingsdoelstellingen buiten het deelgebied. De zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het besluit. Het gedeelte van het gebied ten westen van de Kommiezendijk (Vetpot-Oost en omgeving) is uit de begrenzing verwijderd. De oorspronkelijke reden voor toevoeging was de aanwezigheid van blauwgraslanden (H6410) maar dit blijkt niet aanwezig. Er is nog wel een kleine oppervlakte vochtige heiden (H4010A) aanwezig maar dat is op enige afstand van het hoofdgebied (ruim 200 meter). Bovendien zal dit habitattype ook in samenhang met vennen en droge heide gerealiseerd kunnen worden in de agrarische enclave tussen de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld. Hierdoor ontstaat ook een betere samenhang tussen deze beide deelgebieden.
40
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
bijlage C
Enkele insprekers verzoeken om in het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld het gebied Vetpot-West mee te begrenzen. Dit is volgens de insprekers van belang voor de instandhouding van de habitattypen zeer zwakgebufferde vennen (H3110) en blauwgraslanden (H6410). Ook is dit deel ondersteunend voor de kwaliteit van de habitattypen zeer zwakgebufferde vennen (H3110), zwakgebufferde vennen (H3130) en vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010A) in het deelgebied de Bergvennen. De insprekers wijzen erop dat dit voorstel aansluit bij het streven om de begrenzing samen te laten vallen met herkenbare, beheerbare eenheden, de eigendomsgrenzen en herkenbare topografische lijnen. De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het besluit. Allereerst wordt verwezen naar de reactie in de vorige alinea. Er is niet gekozen voor de gevraagde (verdere) uitbreiding in westelijke richting (VetpotWest) omdat waarden hier nog niet of nauwelijks aanwezig zijn en ontwikkeling van waarden relatief moeilijk is (aan drie zijden omgeven door agrarisch gebied) en daarmee nauwelijks een bijdrage zal kunnen leveren aan het ecologisch herstel van het hoofdgebied (Bergvennen en Brecklenkampse Veld). De agrarische enclave aan de oostzijde van de Kommiezendijk wordt daarvoor veel kansrijker geacht.
Meerdere insprekers merken op dat in het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied is uitgebreid met een groot percentage nieuwe natuur, gelegen op gronden die volgens de insprekers momenteel nog als cultuurgronden in gebruik zijn. De insprekers vragen wat de ecologische basis voor deze uitbreiding is en verzoeken deze cultuurgronden buiten de begrenzing te brengen. Hierbij verwijzen de insprekers naar het bestaand gebruik van de gronden maar ook naar ontwikkelingen op agrarisch en recreatief terrein in de onmiddellijke omgeving, alsmede de nabije ligging van de Duitse grens en de Duitse stad Nordhorn. Eén inspreker wijst erop dat diverse malen door zowel het ministerie als politici is aangegeven dat aanwijzing van het Natura 2000-gebied geen agrarische gronden kan bevatten. Omdat volgens de inspreker het belangrijkste habitattype de vennen zijn, stelt de inspreker voor om het gebied te beperken tot bestaande natuur en alleen behoud van oppervlakte en kwaliteit van zeer zwakgebufferde vennen (H3110) op te nemen en de begrenzing hierop aan te passen. Enkele insprekers verzoeken om spoedige duidelijkheid over de cultuurgronden die in de nieuwe begrenzing van het Natura 2000-gebied omgevormd worden naar nieuwe natuur. De huidige onduidelijkheid hierover verontrust de insprekers.
De insprekers vragen de verschillende overheden hun beleid zodanig op elkaar af te stemmen dat er sprake is van een integrale, realistische benadering van de toekomstige landbouw- en natuurontwikkeling. Een inspreker vraagt om de begrenzing van het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld te heroverwegen en daarbij rekening te houden met de ligging van het gebied aan de grens met Duitsland, de doorsnijding van wegen, de ligging van landbouwgronden tussen de begrensde gebieden en de verschillende eigenaren. Bovendien wijst de inspreker op de tegenstellingen in het beheer van de waterhuishouding vanwege andere doelstellingen, aan de Duitse en Nederlandse kant van de grens. Ook is volgens de inspreker niet aangetoond dat nieuwe natuur nodig is en is het niet duidelijk waarom landbouwgrond is begrensd. De zienswijze heeft geleid tot aanpassing van het besluit. De nieuwe natuur ten zuiden van de Vetpot is verwijderd (zie boven). De nieuwe natuur ten oosten van de Kommiezendijk is gehandhaafd om de uitbreidingsdoelstellingen voor de habitattypen zeer zwakgebufferde vennen (H3130), vochtige heiden (H4010) en droge heiden (H4030) te kunnen realiseren.
Bovendien zijn met name de agrarische gronden tussen Bergvennen en Brecklenkampse Veld van groot belang om het herstel en de uitbreiding van habitattypen in deze deelgebieden mogelijk te maken (deze gronden hebben een sterk drainerende werking op de aangrenzende gebieden).
41
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
bijlage C
Een inspreker geeft aan dat bij de reconstructie diens eigendom en de omgeving is bestempeld als verwevingsgebied. Dit betekent dat er mogelijkheden zijn voor natuur, recreatie en landbouw. De inspreker begrijpt dat de drie kilometer zone beperkingen opwerpt voor de landbouw, wat dus tegen de reconstructiedoeleinden indruist. De inspreker is van mening dat binnen drie kilometer rondom een landbouwontwikkelingsgebied geen Natura 2000 mag worden ingekleurd (net zoals er binnen de stankcirkel van een boerderij geen stadsuitbreiding mag plaatsvinden). De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het besluit. De aanwijzing en de begrenzing van Natura 2000-gebieden gebeurt uitsluitend op ecologische gronden. Het is dus niet mogelijk bepaalde gebieden uit te sluiten van aanwijzing wegens de aanwezigheid van landbouwontwikkelingsgebieden of andere gebiedscategorieën. Dat binnen een zone van 3 km rond Natura 2000-gebieden automatisch beperkingen zouden gelden is overigens een onjuiste veronderstelling. Zie ook verder op in deze toelichting bij 5. Relatie met stikstof.
42
Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-046 | 046 Bergvennen & Brecklenkampse Veld
4
bijlage C
REACTIES OVER DE INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN
4.1 ALGEMEEN In de zienswijzen zijn veel opmerkingen gemaakt over de instandhoudingsdoelstellingen en over de realisatie hiervan. Er is voorgesteld om de tekst van de algemene instandhoudingsdoelstelling “behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitattypen en soorten binnen de Europese Unie” te vervangen door de letterlijke tekst van de Habitatrichtlijn: “behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van habitattypen en soorten binnen de Europese Unie”. Verder is voorgesteld om de tekst van de algemene instandhoudingsdoelstelling “behoud en waar nodig herstel van de natuurlijke kenmerken en van de samenhang van de ecologische structuur en functie van het gehele gebied voor alle habitattypen en soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd” te schrappen omdat met de formulering in het ontwerpbesluit onvoldoende rekening is gehouden met de wijze waarop in jurisprudentie rekening is gehouden met de termen “natuurlijke kenmerken” en “instandhoudingsdoelstellingen”. Er zijn vragen gesteld over de gestelde nationale doelen, de monitoring in Natura 2000-gebieden, de afstemming en de verantwoordelijkheden.
In een aantal zienswijzen wordt de vraag gesteld of de besluiten in samenhang met elkaar en met de gebieden daarbuiten wel een voldoende bijdrage leveren om de soorten en habitattypen in een landelijk gunstige staat van instandhouding te brengen of te houden. De vrees wordt uitgesproken dat dit niet het geval is. Daarnaast wordt er verzocht om voor die soorten en habitattypen, waarvoor sprake is van een ongunstige staat van instandhouding, zowel landelijk als op gebiedsniveau een herstelopgave te formuleren tenzij er ecologische redenen zijn om hiervan af te zien. Het achterwege laten van adequate herstelopgaven wordt door insprekers als onacceptabel gezien en in strijd met de wettelijke verplichtingen. In een zienswijze is gevraagd om alsnog, voor de soorten en habitattypen die zich in een zeer ongunstige staat van instandhouding bevinden, minimaal complementaire doelen op te nemen in de gebieden waar herstelmogelijkheden zijn of migratie kan plaatsvinden. Het besluit zou moeten aangeven wat de gevolgen zijn wanneer een soort uit een gebied dreigt te verdwijnen. Daarnaast zou er een gegronde reden aanwezig moeten zijn wanneer er niet gestreefd wordt naar een gunstige staat van instandhouding. Anderzijds wordt in zienswijzen aangeduid dat veel doelen te hoog gegrepen zijn en dat deze alleen met grote (financiële) inspanningen bereikt kunnen worden.