Toelichting - Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
Tekst van het document
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
3.4.3
Woningmarktonderzoek Heerhugowaard 2020
De gemeente Dijk en Waard (voorheen: Heerhugowaard) heeft behoefte aan actuele marktinformatie naar de ontwikkeling van de woningvraag van verschillende doelgroepen op korte en middellange termijn. Om vraag en aanbod op de Heerhugowaardse woningmarkt goed op elkaar aan te laten sluiten heeft de gemeente een woningmarktonderzoek uitgevoerd (juni 2020). Dit onderzoek geeft inzicht in relevante ontwikkelingen in het verleden, de huidige situatie van de bevolking en woningvoorraad, en een beeld van de toekomstige kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Daarmee wordt inzichtelijkwelke woningende komende jaren moeten worden toegevoegd, maar ook welke opgaven er liggen in de bestaande voorraad.
Op basis van de uitkomsten van het onderzoek zijn de belangrijkste opgaven alsvolgt samengevat: In de sociale huurvoorraad is vooral toevoeging gewenst van appartementen. Deze vraag is sterk afkomstig van één-en tweepersoonshuishoudens, zowel van jongeren als van ouderen. De uitbreidingsvraag van het aantal eengezinshuurwoningen is beperkt. Dit betekent overigens niet dat in het bouwprogramma geen ruimte moet worden opgenomen voor realisatie van (kleinere) eengezinswoningen. Dit is namelijk wel gewenst vanuit vervangings opgave ter compensatie van bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw. In de koopvoorraad ligt er de komende jaren een sterke opgave in het realiseren van betaalbare woningen. De prijsstijgingen van de afgelopen jaren, in combinatie met aanpassing van de hypotheekregels, hebben ervoor gezorgd dat het voor jonge huishoudens steeds lastiger is een woning te kopen. Hier zien we zowel een opgave in het realiseren van betaalbare grondgebonden woningen als appartementen. Daarnaast is er een opgave in het toevoegen van woningen in het middenhuursegment. Het gaat hierbij om woningen met een huurprijs tussen circa € 730 en € 1.000 per maand. De vraag naar huurwoningen met eenhuurprijs boven de €1.000 is beduidend lager. In de programmering blijft het belangrijk om oog te houden voor de onzekerheden met betrekking tot de woningmarkt en huishoudensontwikkeling.
Vandaar het advies om in de komende jaren te (blijven) werken met een bandbreedte voor de verwachte huishoudensontwikkeling. Daarbij is het belangrijk om in de plancapaciteit voldoende ruimte voor (kwantitatieve en kwalitatieve) sturing te houden. Versnellen als het kan en temporiseren als het moet. Ook blijft het belangrijk de huishoudensontwikkeling de komende jaren te blijven monitoren en de prognoses daarop te herijken. In de periode tot 2040 neemt het aantal personen in de gemeente Dijk en Waard (gedeelte van voormalige gemeente Heerhugowaard) met circa 4.840 personen toe, terwijl het aantal huishoudens met 3.330 toeneemt ten opzichte van 2019. De gemiddelde huishoudensgrootte gaat van 2,4 in 2019 naar 2,3. De woningbehoefte betreft 1.700 tot 2.325 woningen in de periode 2019-2025 en nog eens 750 tot 1.375 woningen in de periode 2025-2030.
Relatie tot ontwikkeling De realisatie van 40 grondgebonden woningen past binnen de kwantatieve woningbehoefte van Heerhugowaard. Het plangebied is gelegen binnen de wijk Bomen- Recreatiewijk. In de BomenRecreatiewijk is 65% van de woningen een rij- of hoekwoning. Daarnaast is 6% een twee-onder-een-kap woning ,8% een vrijstaande woning en 22% een appartement. Het toevoegen van 10 levensloopbestendige rijwoningen, 14 twee-onder-een-kap-woningen en 16 vrijstaande woningen sluit aan bij de huidige samenstelling aan woningen in de wijk. Het grootste aandeel betreft namelijk rij- en hoekwoningen, waar de beoogde ontwikkeling dan ook niet in zal voorzien.
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
3.4.4
Duurzaamheid
Op alle ruimtelijke schaalniveaus hebben keuzen gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving. Één van de ruimtelijke instrumenten die de gemeente ter beschikking staat is het bestemmingsplan. De vormgeving van duurzame ambities krijgen daarmee concreet gestalte in ruimtelijke en stedenbouwkundige plannen. Deze duurzame ambities zijn in het Heerhugowaardse programma duurzaamheid “Strategie Duurzame Ontwikkeling 2016 - 2019“ vastgelegd. Het streven is een energieneutraal Heerhugowaard in 2030, maar ook wettelijke zijn er de komende jaren aanscherpingen te verwachten op het gebied van duurzaam bouwen. Vanuit het collegeprogramma wordt duurzaamheid bredere getrokken dan alleen energie. Ook het sociaal domein: zorg, veiligheid en levensloopbestendigheid, en het economisch domein zijn hier bij gevoegd.
Om ervoor te zorgen dat dit realiteit wordt, dienen deze niet alleen in het voornoemde programma “Strategie Duurzame Ontwikkeling 2016 - 2019“ terug te komen, maar moeten ze doorwerken naar plannen en projecten binnen de gemeente. Duurzaamheid heeft een brede betekenis en het uitgangspunt van het programma duurzaamheid is dan ook People, Planet, Purpose. Een uiting van deze verbreding, dus geen Profit, dat misschien gelezen wordt alsof het alleen om economie gaat, terwijl duurzaamheid ook vertaald wordt naar winst op andere domeinen en ons steeds doet afvragen: wat willen toevoegen aan onze stad?
Met behulp van deze paragraaf wordt inzichtelijk gemaakt welke ambities worden nagestreefd met de beoogde ontwikkeling. Onderstaand volgt een algemeen overzicht van mogelijkheden. Over de maatregelen die bij dit specifieke project worden toegepast wordt in een latere planfase meer specifiek ingegaan.
Vanwege het beoogde natuurlijke karakter van de totale ontwikkeling zijn duurzaamheid en klimaatrobuustheid belangrijke thema's gericht op het creëeren van een groen en gezond leefmilieu. Derhalve is het streven om natuurinclusief en energieneutraal te bouwen. Daaronder wordt op deze locatie ondermeer verstaan: natuurontwikkeling, versterking biodiversiteit, water, circulair bouwen, klimaatadaptatie, energie en mobiliteit. Op energetisch vlak gaat duurzaamheid hier verder dan van gas los, het uitgangspunt voor de woningen is energieneutraal. Uitgangspunt bij de terreininrichting, ook op de kavels, is om zo weinig mogelijk verharding toe te passen. De wegprofelen zijn eenvoudig, trottoirs en parkeervakken zijn er niet of nauwelijks. Het gebied Waarderhout is losgekoppeld van het polderwatersysteem en kent op dat vlak een eigen dynamiek. Het verbeteren van de waterkwaliteit en kwantiteit van het gebied Waarderhout is een van de doelstellingen voor de "Make Over" van het bos. Ontwikkeling op deze locatie kan hierin een bijdrage leveren. 3.4.5
Nota Ruimtelijke Kwaliteit
In de voormalige gemeente Heerhugowaard heeft de gemeenteraad op 28 juni 2016 de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld, welke nota op 13 juli 2016 in werking is getreden. Op basis hiervan bestaat het beleid van de gemeente Heerhugowaard uit drie hoofdzaken: het Economisch domein, Sociaal domein en het Fysieke domein. Ingrepen op één van de drie domeinen heeft invloed op de andere twee domeinen.
Met de nieuwe nota wil de gemeente drie onderdelen verwezenlijken: 1. Het beleid vereenvoudigen, minder regels en daar waar het kan vrij laten; 2. De minst kwetsbare gebieden, zoals de bestaande woonwijken en de bestaande industrieterreinen de meeste vrijheid te geven door het welstandsvrije achtererfgebied te introduceren; 3. Bij de meer kwetsbare gebieden zoals de historische linten de ruimtelijke kwaliteit zoveel mogelijk behouden, maar wel door middel van een minimale set van regels.
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
Aansluitend worden vier specifieke deelgebieden onderscheiden: deelgebieden die vrij zijn van de toets van ruimtelijke kwaliteit; deelgebieden die vallen onder de toets ruimtelijke kwaliteit; deelgebieden die vallen onder de toets ruimtelijke kwaliteit, maar waarvan het achtererfgebied vrij is van toetsing van ruimtelijke kwaliteit; ontwikkelgebieden die door een supervisieteam getoetst worden aan een beeldkwaliteitsplan.
figuur 3.3: uitsnede Nota Ruimtelijke Kwaliteit
De projectlocatie ligt zowel in deelgebied 1 (bedrijfswoningen) als in deelgebied 6 (kassen). Beide deelgebieden vallen onder de toets van ruimtelijke kwaliteit. Voor dit specifieke woningbouwplan is een Landschapsontwikkelingsplan / Masterplan opgesteld op basis van de vastgestelde ambities van de gemeente. Dit plan betreft ook een beeldkwaliteitskader en vormt het toetsingskader voor de aan te vragen omgevingsvergunningen. Het Landschapsontwikkelingsplan vormt als bijlage onderdeel van de regels behorende bij dit bestemmingsplan en zal ook onderdeel gaan uitmaken van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit.
34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de milieu-aspecten die van belang zijn voor het gebied. Het bevat een inventarisatie van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten, alsmede de resultaten van de verschillende onderzoeken. Daarbij komen onder andere de volgende aspecten aan de orde: geluid, milieuzoneringen, water (waterparagraaf), luchtkwaliteit, bodem, cultuurhistorie en archeologie, ecologie, duurzaamheid en energie, externe veiligheid en andere belemmeringen.
4.2
Geluidhinderaspecten
In het kader van de modernisering van het instrumentarium geluidsbeleid is per 1 januari 2007 de Wet geluidhinder (Wgh) gewijzigd. Deze wet heeft vooral gevolgen bij wijzigingen of aanleg van voorzieningen met gevolgen voor geluidhinder. Zo moet volgens de wet worden voorkomen dat bij reconstructie van wegen de geluidhinder toeneemt. Heerhugowaard treft in bestaande situaties soms maatregelen om de geluidhinder te verminderen, zoals het aanleggen van stillere wegdekken bij groot onderhoud.
In beginsel is bij de realisatie van een geluidsgevoelige bestemming het uitvoeren van akoestisch onderzoek verplicht.
Relatie tot ontwikkeling Door M+P raadgevende ingenieurs BV is de rapportage 'Nieuwbouwplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard, onderzoek wegverkeerslawaai' (10 mei 2019) opgesteld. De rapportage is bijgevoegd in bijlage 2. Op het moment van opstellen was de definitieve verkaveling nog onbekend. Gekozen is om uit te gaan van een worst case scenario, en is een fictieve rooilijn van de mogelijke woningen aangehouden langs de zuidkant van het te ontwikkelen perceel. Ook zijn de twee voormalige bedrijfswoningen in het model meegenomen.
In de rapportage is onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting vanwege wegverkeer om de bestemmingsplanwijziging mogelijk te kunnen maken. De projectlocatie is gelegen binnen de zone van de Jan Glijnisweg. De geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer is bepaald met Standaard-Rekenmethode II van de Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 (RMG 2012) en getoets aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder (Whg).
Wegverkeerslawaai De regelgeving voor wegverkeerslawaai, met uitzondering voor Rijkswegen, is vastgelegd in de Wet geluidhinder. In artikel 74 van de Wgh is bepaald dat een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen, een zone heeft die zich aan weerszijden 200 meter uitstrekt vanaf de as van de weg. Binnen de geluidszone dient de geluidsbelasting te worden getoetst aan de voorkeursgrenswaarde.
De geluidsbelasting wordt uitgedrukt in Lden [dB]. Dit is een dosismaat voor het gewogen gemiddelde geluidsniveau per etmaal. De grenswaarde voor het wegverkeerslawaai bij nieuw te bouwen woningen bedraagt Lden = 48 dB. Toetsing aan de grenswaarde vindt plaats per weg. Alvorens de berekende geluidsbelasting wordt getoetst aan de grenswaarde mag, conform artikel art. 110g Wgh, een correctie worden toegepast. De hoogte van deze aftrek is aangegeven in artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. De aftrek is afhankelijk van de ter plaatse als representatief te beschouwen snelheid van de lichte motorvoertuigen. Voor rijsnelheden v < 70 km/uur geldt een aftrek van 5 dB.
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
Conclusie De geluidsbelasting is berekend op de rand van de kavel op drie waarneemhoogten. Verder is de geluidsbelasting berekend op de beide bedrijfswoningen voor zowel de Jan Glijnisweg als voor de ontsluitingsweg. Voor de ontsluitingsweg is het toetsingskader omtrent wegverkeerslawaai niet van toepassing (30 km/uur) maar wordt getoetst in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Deze methodiek is gevolgd inclusief 5 dB aftrek om te kunnen relateren aan het toetsingskader wegverkeerslawaai.
Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting nergens de grenswaarde van 48 dB overschrijdt. Daarnaast blijft de geluidsbelasting vanwege de ontsluitingsweg ruim onder de grenswaarde voor wegverkeerslawaai. Voor het tegenovergelegen woonhuis aan de Jan Glijnisweg 91 kan dezelfde conclusie worden afgeleid aangezien deze op een grotere afstand van de ontsluitingsweg is gelegen
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.3
Milieuzoneringen
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continu?teit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in niet-bindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Indien er sprake is van gemengd gebied, kunnen de richtafstanden met een afstandsstap worden verlaagd.
36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
Tabel 4.1: richtafstanden bedrijven en milieuzonering
Relatie tot ontwikkeling Het plangebied in voorliggend bestemmingsplan kan getypeerd worden als 'rustige woonwijk'. In het lint aan de Jan Glijnisweg zijn voornamelijk woningen gelegen. Aan de zuidzijde van het projectgebied - aan de overzijde van de Jan Glijnisweg - zijn een aantal kassen gelegen. Op basis van de VNG publicatie geldt voor kassen milieucategorie 2, waarbij een richtafstand van 30 meter wordt gehanteerd.
De dichtsbijzijnde kassen zijn gelegen op een afstand van ruim 50 meter (gemeten vanaf woning tot bestemmingsvlakgrens). Hiermee wordt aan de richtafstand van 30 meter voldaan. Naast de kassen wordt de projectlocatie omringd door woningen en natuur (bos). De voorgenomen ontwikkeling behelst enkel de realisatie van woningen en het transformeren van bedrijfswoningen naar reguliere woningen. Woningen leveren geen (milieu)hinder op ten opzichte van andere woningen.
Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Water
4.4.1
Algemeen
Het waterbeleid op rijksniveau is verwoord in het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid is verwoord in het Waterplan 2010 - 2015. Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft het Waterbeheersplan 4 opgesteld. Dit is enerzijds een voortzetting van het lopende beleid, anderzijds anticipeert het op een tijdige en doelmatige realisatie van de KRW en het NBW. De gemeenschappelijke visie van de voormalige gemeente Heerhugowaard en het Hoogheemraadschap staat beschreven in het ‘Waterplan Heerhugowaard 2006 – 2015’. Door de integrale aanpak worden het water (kwalitatief en kwantitatief), wonen, werken, recreatie en de natuur in hun onderlinge relaties in het waterplan in beeld gebracht, met een bijbehorende aanpak en invulling in de vorm van streefbeelden. 4.4.2
Beleid Hoogheemraadschap
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. Dit Waterprogramma is het equivalent van het vijfde Waterbeheersplan dat het hoogheemraadschap wettelijk verplicht is te maken. Het is dus ook een verplichte planvorm. Niet alleen in het kader van de Waterwet, ook in het kader van het Bestuursakkoord Water wordt met dit Waterprogramma invulling gegeven aan de afspraken over de programmering en uitvoering van het waterbeheer.
Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen.
De komende jaren staat het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier voor de taak het beheergebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Deze thema's zijn in dit Waterprogramma nader uigewerkt. Het Rijk heeft inmiddels beleid ontwikkeld om de gevolgen van klimaatverandering het hoofd te bieden, onder meer met het Deltaprogramma. In dit Waterprogramma bouwt het hoogheemraadschap voort op de eigen Deltavisie (2012), waarbij de landelijke Deltabeslissingen zijn verankerd.
Welke benadering kiest het hoogheemraadschap bij de uitvoering van haar taken? Dit Waterprogramma is in nauwe samenwerking met de omgeving tot stand gekomen. Samen met de provincie, LTO, natuurorganisaties, PWN, kennisinstituten en Rijkswaterstaat heeft het hoogheemraadschap gezamenlijke doelen en opgaven geïdentificeerd. Deze zogenoemde bouwstenen zijn samen met zeventig betrokken organisaties, waaronder de gemeenten, uitgewerkt. Alle opgaven zijn benaderd vanuit het effect dat men wil bereiken, uitgaand van een evenwicht tussen efficiency, effectiviteit en duurzaamheid. Het hoogheemraadschap werkt de opgaven in dit Waterprogramma effectgericht en gebiedsgericht uit.
Hoe wordt in de toekomst gezorgd voor veilige dijken, droge voeten en voldoende schoon water in Hollands Noorderkwartier? Voor Waterveiligheid wordt de benadering gevolgd van meerlaagsveiligheid, opgenomen in het Nationale Waterplan. Sterke waterkeringen blijven bepalend voor de waterveiligheid. Het nieuwe landelijke veiligheidsbeleid is gebaseerd op een risicobenadering. De kans op een overstroming en de mogelijke gevolgen bepalen het gewenste veiligheidsniveau. Het hoogheemraadschap gaat daarom naar een andere manier van toetsen, ontwerpen en gegevensbeheer. Beheer, onderhoud en vergunningverlening worden aangepast, de functie van regionale en overige waterkeringen bij de waterveiligheid wordt onderzocht en innovatieve oplossingen worden gesteund. Intussen wordt doorgegaan met het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Ook het programma om de boezemkades te versterken wordt gecontinueerd.
Wateroverlast is schadelijk, maar niet levensbedreigend. De komende periode ontwikkelt het hoogheemraadschap een basisniveau voor de preventie en wordt gezamenlijk werk gemaakt van gevolgbeperking. De flexibele besturing van het systeem wordt vergroot en verbeterd en er wordt een schaderegeling afgesproken. Waar mogelijk neemt het hoogheemraadschap het groot onderhoud van stedelijk water over van gemeenten. De adviesrol in de ruimtelijke ordening wordt versterkt, om verbeteringen in het watersysteem te kunnen koppelen aan ruimtelijke ontwikkelingen. Het programma Wateropgave wordt afgerond, waardoor het risico op wateroverlast beperkt wordt.
Zoet water wordt kostbaar en minder vanzelfsprekend. De kans op zoet watertekort wordt in de komende jaren groter, onder invloed de klimaatverandering. Het hoogheemraadschap zorgt daarom voor een duurzame en eerlijke verdeling van het zoet water met de huidige infrastructuur. Dat wordt gedaan
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard door duurzaam beheer van de beschikbare hoeveelheid schoon zoet water. In de planperiode wordt een een programma opgesteld voor het uitwerken van de voorgenomen strategie.
Voor schoon en gezond water worden lopende uitvoeringsprogramma's en beheersactiviteiten voortgezet. In overleg met de partners zijn maatregelen bepaald voor de Kaderrichtlijn Water (KRW), waarvoor een resultaatverplichting is aangegaan. Het programma 2e Fase KRW-doelen10 vervangt het huidige KRW-programma, omdat dit een ruimere doelstelling heeft gekregen. Gewerkt wordt nu ook aan de opgaven die worden bepaald door belangen en eisen van de omgeving. Het hoogheemraadschap werkt nauw samen met de gemeenten in het gebied en met PWN aan een doelmatig en duurzaam afvalwaterketenbeheer. Er wordt stevig ingezet op innovaties die hieraan bijdragen, op effectgericht werken en op bronaanpak.
Crisisbeheersing: als het toch dreigt fout te gaan moet het hoogheemraadschap klaar staan. Daarom wordt er samen met de partners voor gezorgd dat daadkrachtig kan worden gehandeld bij een (dreigende) crisis. Daarnaast worden watergerelateerde risico's uitgewerkt in risicoprofielen, worden zogenoemde hotspots benoemd en opgenomen in de Waterrisicokaart. Het vereiste kwaliteitsniveau van de crisisbeheersingsorganisatie wordt bepaald op grond van het maatschappelijk aanvaardbare schadeprofiel. Ook wordt een actieve bijdrage geleverd aan het Coördinatieplan overstromingen van de veiligheidsregio's.
Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn.
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
figuur 4.1: uitsnede Legger Wateren 2021
Op basis van de Legger Wateren 2021 is te zien dat aan de bestaande watergang aan de noordoostzijde van het plangebied een primaire waterloop is. De noordkant van deze waterloop is ingericht als natuurvriendelijke oever. Met voorliggend plan wordt ook de zuidkant, die grenst aan de uit te geven kavels uitgevoerd als natuurvriendelijke oever. Hiervoor kan een watervergunning nodig zijn. Dit wordt in de uitvoeringsfase verder overleg met het Hoogheemraadschap afgestemd. 4.4.3
Riolering en waterkwaliteit
Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Er wordt een gescheiden stelsel aangelegd en aangeboden.
Met het oog op de waterkwaliteit wordt het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk voorkomen. 4.4.4
Verharding en compenserende maatregelen
Er is geen sprake van een toename van de verharding. Op dit moment is het perceel voor ruim 80% verhard met kassen en bedrijfsgebouwen (circa 30.000 m2 van de in totaal 37.000 m2). In de nieuwe situatie neemt de verharding drastisch af door in ieder geval 50% van het plangebied in te richten als onverhard terrein (bos). Hierdoor hoeven er geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden. Bovendien wordt meer water in het plangebied teruggebracht, door de bestaande watergang rondom het perceel te verbeteren en een natuurlijke oever richting de kavels die grenzen aan de watergang te realiseren. Ook wordt op een plek het water het plangebied binnengebracht en wordt midden in het bosgebied ruimte gecreëerd voor een plan/drasgebied (wadi). 4.4.5
Watertoets
Op 17 mei 2019 is de digitale watertoets doorlopen. De uitkomst van deze watertoets is, dat de normale procedure gevolgd dient te worden, omdat het ingetekende plangebied de zonering van een primaire waterloop heeft geraakt. Aangezien de zuidelijke oevers van deze primaire waterloop als onderdeel van het plan aangepast gaan worden naar natuurvriendelijke oever, kan een watervergunning nodig zijn. Dit wordt nader afgestemd met het hoogheemraadschap. In oktober 2021 is het herziene masterplan opnieuw voorgelegd aan het hoogheemraadschap. Hierop is in november 2021 per mail door het hoogheemraadschap aangegeven dat zij graag in overleg blijft in verband met de nadere uitwerking en het beheer van de te realiseren watergangen.
4.4.6
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Luchtkwaliteit
Van de lucht kun je niet leven, maar zonder schone lucht evenmin. Om dit laatste te bewerkstelligen moet bij ruimtelijke plannen, verkeersplannen en milieuvergunningen het aspect luchtkwaliteit volwaardig in de beoordeling en besluitvorming worden meegenomen. Op 15 november 2007 is daarom de ‘Wet luchtkwaliteit’ in werking getreden. Met de ‘Wet luchtkwaliteit’, bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De wet kent op het gebied van de luchtkwaliteit eisen, welke zijn opgenomen in Hoofdstuk 5 titel 2 van de ‘Wet milieubeheer’. Deze luchtkwaliteitseisen hebben betrekking op plaatsen waar naar redelijke verwachting mensen blootgesteld staan aan luchtverontreiniging. De luchtkwaliteitseisen zijn vastgelegd in normen in de vorm van grenswaarden, plandrempels en alarmdrempels.
40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van 'niet in betekenende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.
De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. Relatie tot ontwikkeling NIBM-project In onderhavig geval is sprake van de realisatie van 40 nieuwe woningen en het omzetten van twee bedrijfswoningen naar burgerwoningen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt.
Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op www.atlasleefomgeving.nl (geraadpleegd op 12 april 2022) is te zien dat ter plaatse van de projectlocatie de grootschalige achtergrondconcentraties in 2020 van stikstofdioxide NO2, van fijnstof PM10 en van fijnstof PM2,5 onder de grenswaarden ligt. De grenswaarde voor toetsing voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 is 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m3.
Tabel 4.2: Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in nabijheid van de projectlocatie
Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
4.6
Bodem
Op 1 januari 2006 is de wijziging van de Wet bodembescherming in werking getreden. In de gewijzigde Wbb is een nieuwe formulering opgenomen van de saneringsdoelstelling (‘functiegericht saneren’) en het saneringscriterium (‘wanneer met spoed saneren’). Het bevat een saneringsplicht voor bedrijven en een basis voor een subsidieregeling. Er zijn diverse procedurele aanpassingen doorgevoerd waarvan een aantal leiden tot vereenvoudiging en andere bijdragen aan versterking van de handhaving. De wet bevat een basis voor algemene regels voor eenvoudige saneringen.
Door BK ingenieurs is een verkennend (water)bodemonderzoek op de Jan Glijnisweg 89d uitgevoerd (31 augustus 2018). De rapportage is bijgevoegd als bijlage 3. De landbodem en waterbodem zijn in het onderzoek onderzocht. De resultaten van dit onderzoek worden hieronder integraal overgenomen.
Landbodem Bovengrond Op grond van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de grond overwegend niet tot lokaal licht verontreinigd is en er geen asbestverdachtmateriaal of puin(sporen) zijn waargenomen.
Ondergrond Ter hoogte van de werkplaats (gebouw naast het kassencomplex) is in de ondergrond (0,5-1,0 m -mv) een sterke verontreiniging met koper en een matige verontreiniging met zink vastgesteld. De omvang van de verontreiniging is in het huidige onderzoek niet vastgesteld. Er is een aanvullend / nader onderzoek noodzakelijk om de omvang van de sterke verontreiniging vast te stellen. Indien meer dan 25 m3 bodemvolume met sterk verontreinigde grond aanwezig is, is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming. Indien hiervan sprake is, is het mogelijk noodzakelijk (afhankelijk van de werkzaamheden en inrichting in de toekomst) om de sterke verontreiniging te saneren.
Grondwater In enkele van de onderzochte grondwatermonsters nikkel in een matig verhoogd gehalte gemeten. In beginsel dient bij het aantonen van een matige verontreiniging in het grondwate een aanvullend onderzoek plaats te vinden om vast te stellen of deze deel uit maakt van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Echter kan het matig verhoogde gehalte aan nikkel gerelateerd zijn aan aspecten uit het bodemonderzoek. De noodzaak voor een aanvullend onderzoek wordt duidelijker na nader onderzoek van het grondwater op nikkel.
Waterbodem Er zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op verontreiging, daarnaast is geen asbestverdacht materiaal en zijn geen puinsporen waargenomen.
Conclusie Op basis van het verkennend onderzoek is geconcludeerd dat nader onderzoek uitgevoerd dient te worden om de omvang van de sterke verontreiniging te bepalen en om te bepalen of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het nader onderzoek is uitgevoerd en wordt hieronder besproken.
42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
4.6.1
Nader aanvullend bodemonderzoek
Naar aanleiding van het verkennend (water)bodemonderzoek (31 augustus 2018) is eveneens door BK ingenieurs een verkennend en aanvullend (water)bodemonderzoek (23 mei 2019) opgesteld. Deze rapportage is bijgevoegd als bijlage 4. De resultaten van dit onderzoek worden hieronder eveneens integraal overgenomen.
Landbodem In de werkplaats (boring 027) is een betonvloer aanwezig (15 cm) met hieronder zand tot 2,7 m -mv. De laag 0,5- 1,0 m -mv is zwak plastic-houdend. In de boringen buiten (028 t/m 033) is tot 2,0 m -mv zand aangetroffen. Er zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op een bodemverontreiniging. De dikte van de betonverharding in het toegangspad bedraagt 15 cm. Hieronder is direct zand aanwezig. De grondwaterstand is tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden waargenomen op 1,0 à 1,2 m -mv.
Tijdens de veldwerkzaamheden is visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen op het maaiveld (ter plaatse van de boringen) en in de opgeboorde grond. Evenmin zijn sporen van puin geconstateerd. Er is daarom niet alsnog asbestonderzoek conform de NEN 5707 en/of NEN 5897 uitgevoerd.
Aanvullend onderzoek In het aanvullend onderzoek is de afwijkende laag zoals aangetroffen in boring 027 niet meer aangetroffen
Grondwater In de grondwatermonsters uit de peilbuizen 005 en 010 is een matig verhoogd gehalte aan nikkel gemeten. Verder zijn in alle grondwatermonsters licht verhoogde gehalten aan minimaal één tot maximaal vier zware metalen (barium, cadmium, molybdeen en nikkel) en in drie monsters ook naftaleen gemeten. Molybdeen kan voorkomen in meststoffen en naftaleen in insecticiden. Van de overige metalen is door BK Ingenieurs geen relatie te leggen met het gebruik van de locatie. Het feit dat molybdeen en naftaleen toepassingen kennen die te relateren zijn aan tuin- en landbouw hoeft niet te betekenen dat in dit geval sprake is van een oorzakelijk verband. Aanvullend onderzoek In de grondwatermonsters uit de bemonsterde peilbuizen 005 en 010A zijn licht verhoogde concentraties nikkel gemeten. Waterbodem De waterdiepte in vak 1 (noordelijke en westelijke sloot) bedraagt 0,3 à 0,5 meter. Hieronder is een sliblaag van 0,2 à 0,5 meter dikte aanwezig. De vaste bodem bestaat uit zand tot minimaal 0,5 meter onder het slib. De waterdiepte in vak 2 (zuidelijke en oostelijke sloot) bedraagt 0,05 à 0,45 meter. Hieronder is een sliblaag van 0,1 à 0,45 meter dikte aanwezig. De vaste bodem bestaat uit zand tot minimaal 0,5 meter onder het slib.
Er zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op een verontreiniging. Er zijn geen asbestverdacht materiaal of puin(sporen) waargenomen. Ook in de waterbodem is daarom niet alsnog asbestonderzoek uitgevoerd.
Toelichting (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
Conclusie Bodem Uit de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de grond overwegend niet tot lokaal licht verontreinigd is met de onderzochte stoffen uit het standaardpakket, aangevuld met OCB. Ter hoogte van de werkplaats (gebouw naast het kassencomplex) is in de ondergrond (0,5-1,0 m -mv) een sterke verontreiniging met koper en een matige verontreiniging met zink vastgesteld. De sterke verontreiniging is horizontaal en verticaal afgeperkt (op 1,0 m -mv). De omvang van de verontreiniging is uiterst beperkt. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming en derhalve ook geen sprake is van een saneringsnoodzaak.
In twee van de vijf onderzochte grondwatermonsters is in eerste instantie een matig verhoogde concentratie nikkel gemeten. De twee peilbuizen zijn opnieuw bemonsterd (waarvan één na herplaatsen). In beide grondwatermonsters zijn nu licht verhoogde concentraties gemeten. Ook elders is het grondwater ten hoogste licht verontreinigd met enkele metalen en/of naftaleen. Waterbodem Indien bij baggerwerkzaamheden waterbodem vrijkomt kan de baggerspecie worden verspreid over de aangrenzende percelen. Indien dit niet mogelijk of wenselijk is kan het materiaal eventueel elders worden toegepast in oppervlaktewater en voor een deel ook op de landbodem. Er zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op een verontreiniging.
Omdat geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging geldt geen meldingsplicht bij eventuele werkzaamheden ter plaatse van de aangetroffen sterke verontreiniging. Ook is de Kwalibo-regeling niet van toepassing en hoeven de werkzaamheden niet onder milieukundige begeleiding (BRL 6000) of een erkende aannemer (BRL 7000) te worden verricht.
Gesteld kan worden dat het aspect bodem voldoende onderzocht is en dat de kwaliteit van de bodem geen belemmering oplevert voor de realisatie van de woningen en nieuw bos.
4.7
Natuurwaarden
4.7.1
Wet natuurbescherming
Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998.
Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen geen nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De zorgplicht
44
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet.
Het plangebied ligt op meer dan drie kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Eilandspolder. Gezien de grote afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen negatieve gevolgen verwacht van de plannen. Er hoeft geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Wel kent het project een verkeersaantrekkende werking tijdens de bouw en eindfase. In dit kader dient berekend te worden of sprake is van stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk. 4.7.2
Soortenbescherming
Door Ecologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Van der Goes & Groot is een ecologische quickscan uitgevoerd (7 september 2018). Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en veldbezoek. De rapportage is geactualiseerd op 26 februari 2021 door Van der Goes & Groot. Deze rapportage is bijgevoegd als bijlage 5. De conclusie wordt hieronder kort beschreven: Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond bescherme nesten voorkomen. Voor verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Buizerd, Huismus en Kerkuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep. Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’.
Voor incidenteel aanwezige kleine martelachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar beter biotoop in de naaste omgeving. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep. 4.7.3
Gebiedsbescherming
Van der Goes & Groot heeft in het kader van de mogelijke stikstofdepositie in de nabij gelegen Natura 2000-gebieden een berekening uitgevoerd met de rekentool Aerius. De rapportage d.d. 4 november 2019, geactualiseerd op 1 maart 2021, 15 april 2022 en 5 maart 2024 is bijgevoegd als Bijlage 6. De conclusie wordt hieronder weergegeven. De maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van de gebouwen is 0,00 mol/ha/jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. Gezien de geplande werkzaamheden betreft de hoogste bijdrage van het project de tijdelijke inzet van mobiele werktuigen. Bij de berekening van de aanlegfase is rekening gehouden met een specifieke inzet van mobiele werktuigen en bijbehorende draaiuren. Indien hier (significant) van wordt afgeweken is de berekening niet meer representatief voor het te verwachten effect op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden.
Toelichting (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
In de gerealiseerde bebouwing wordt door het afzien van stookinstallaties in de bebouwing (vrijwel) geen stikstof meer geëmitteerd. De transitie van oude bebouwing met zekere uitstoot van stikstof naar de beoogde bebouwing in dit project draagt daarmee bij aan een daling van stikstof emissie.
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Cultuurhistorie en archeologie
4.8.1
Regime voor het bouwen en ontgrondingen
Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht om bij vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Dat betekent dat er een archeologisch onderzoek moet plaats vinden. De conclusie van het onderzoek kan zijn dat de bestemming zich verdraagt met de archeologische waarden, maar dat zal zelden het geval zijn. Gebieden met archeologische verwachtingswaarden zullen in veel gevallen dan ook de dubbelbestemming “Waarde –Archeologie” krijgen. In de voorschriften worden naast de categorie van het gebied, de relevante begrippen gedefinieerd en de archeologiegebieden als dubbelbestemming met voorrangsbepaling aangegeven. Voor gebieden met deze bestemming geldt met betrekking tot het bouwen, dat herbouw bij recht is toegestaan, mits de bestaande fundering niet wordt gewijzigd. Voor de overige bouwwerken die op grond van de andere bestemming in principe zijn toegestaan en waarvoor een reguliere bouwvergunning is vereist, geldt een bouwverbod waarvan met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken. De omgevingsvergunning wordt verleend als: 1. er geen archeologische waarden in het geding zijn; 2. de archeologische waarden in voldoende mate worden veiliggesteld; 3.
de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade voorkomen kan worden door het verbinden van regels aan de omgevingsvergunning; Die regels zijn: het treffen maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem behouden kunnen blijven; het doen van opgravingen; de begeleiding van de bouwwerkzaamheden door een archeologisch deskundige. Deze omgevingsvergunning is niet nodig voor vergunningvrije bouwwerken. Voor ontgrondingen is een omgevingsvergunning voor werken geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden vereist. Deze omgevingsvergunning wordt onder dezelfde voorwaarden verleend als beschreven bij de omgevingsvergunning voor bouwen. De aanvraag van een omgevingsvergunning gaat vergezeld van een rapport, waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag wordt verstoord in voldoende mate is vastgesteld.
NB. De artikelen uit de Monumentenwet blijven op basis van het overgangsrecht Erfgoedwet hoofdstuk 9 van kracht tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
46
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
4.8.2
Archeologische waarden in het plangebied
Het Europees verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (het verdrag van Valletta) is ingevoerd middels een wijziging van de Monumentenwet (Wet op de archeologische monumentenzorg, WAMZ) die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het Verdrag heeft tot doel om archeologie te laten fungeren als inspiratiebron en toevoeging van kwaliteit aan de ruimtelijke ontwikkeling van stad en land, ook wel culturele planologie genoemd. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat het archeologisch onderzoek en de juridisch – planologische vertaling daarvan een volwaardige plaats heeft gekregen in het planologisch afwegingsproces. De WAMZ gaat uit van: het zoveel mogelijk bewaren van archeologische waarden in de bodem, het bevorderen van een in een zo vroeg mogelijk stadium van ruimtelijke ordening rekening houden met archeologische waarden en het principe “de verstoorder betaald” voor het archeologisch onderzoek en de eventuele opgraving. De WAMZ kent drie verschillende regimes: voor m.e.r. plichtige projecten; voor het bouwen en uitvoering van werken in het kader van bestemmingsplannen en afwijkingsprocedures; voor ontgrondingen. Het gemeentebestuur heeft een globale inventarisatie van archeologische waarden voor de hele gemeente laten uitvoeren als bedoeld in artikel 38a van de Monumentenwet.
De resultaten van het onderzoek zijn weergeven op de “Beleidskaart Archeologie” behorende bij de Nota Erf Goed, die als onderlegger dient voor bestemmingsplannen. Door Bureau voor Archeologie is een bureauonderzoek uitgevoerd aan de Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard (10 augustus 2018). Deze rapportage is bijgevoegd als bijlage 7.
Uit het bureauonderzoek blijkt dat in de ondergrond van het plangebied zich wad en kwelderafzettingen bevinden. De hogere delen van dit landschap (oeverwallen en kreekruggen) waren aantrekkelijk voor bewoning. Dergelijke afzettingen zijn echter niet waarschijnlijk in het plangebied. Theoretisch kunnen op oeverwallen en kreekruggen resten uit het Neolithicum aanwezig zijn. Archeologisch onderzoek in de omgeving van het plangebied heeft geen resten uit het Neolithicum aangetoont. Direct langs de Jan Glijnisweg kunnen resten van boerderijerven van na 1631 aanwezig zijn. Op basis van oud kaartmateriaal zijn geen aanwijzingen voor resten vanaf 1631 tot aan de bouw van het huidige kassenbedrijf in de periode na 1983. Resten vanaf 1631 worden daarom niet verwacht.
Uit het booronderzoek blijkt dat dergelijke afzettingen in het plangebied niet aanwezig zijn. Direct langs de Jan Glijnisweg kunnen resten van boerderijerven van na 1631 aanwezig zijn. Waarschijnlijk bevinden deze resten zich echter ter plaatse van het op de kadastrale minuutkaart afgebeelde erf ten zuidwesten van het plangebied.
Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit advies is door het NMF Erfgoedadvies onderschreven op 29 april 2019. Er is derhalve geen noodzaak meer een archeologische dubbelbestemming op te nemen in dit bestemmingsplan. 4.8.3
Cultuurhistorie
In de omgeving van het plangebied van het bestemmingsplan is één rijksmonument aanwezig. Dit is het perceel Jan Glijnisweg 29, dat een perceel is met landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Bescherming van dit pand vindt plaats via de Monumentenwet. Dit pand ligt op ca. 1,22 kilometer afstand van de projectlocatie en wordt niet beïnvloed door de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast in de projectlocatie niet aangewezen als een rijks-, provinciaal- of gemeentelijk monument en ligt het niet in het beschermd stadsgezicht.
Toelichting (vastgesteld)
47
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
De aspecten cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Duurzaamheid en energie
In paragraaf 3.4.4 Duurzaamheid is reeds ingegaan op het beleid ten aanzien van duurzaamheid en enkele duurzaamheidsaspecten in het plan. Deze worden hier nog herhaald en aangevuld met projectspecifieke maatregelen.
Vanwege het beoogde natuurlijke karakter van de totale ontwikkeling zijn duurzaamheid en klimaatrobuustheid belangrijke thema's gericht op het creëeren van een groen en gezond leefmilieu. Derhalve is het streven om natuurinclusief en energieneutraal te bouwen. Daaronder wordt op deze locatie ondermeer verstaan: natuurontwikkeling, versterking biodiversiteit, water, circulair bouwen, klimaatadaptatie, energie en mobiliteit. Op energetisch vlak gaat duurzaamheid hier verder dan van gas los, het uitgangspunt voor de woningen is energieneutraal. Uitgangspunt bij de terreininrichting, ook op de kavels, is om zo weinig mogelijk verharding toe te passen. De wegprofelen zijn eenvoudig, trottoirs en parkeervakken zijn er niet of nauwelijks. Het gebied Waarderhout is losgekoppeld van het polderwatersysteem en kent op dat vlak een eigen dynamiek. Het verbeteren van de waterkwaliteit en kwantiteit van het gebied Waarderhout is een van de doelstellingen voor de "Make Over" van het bos. Voorliggende ontwikkeling op deze locatie kan hierin een bijdrage leveren.
Uitgangspunt is dat binnen het plangebied een bijzonder woonmilieu met 40 wooneenheden wordt gerealiseerd en naast de aandacht voor de 'natuur' ook invulling geeft aan een prettige en duurzame woonomgeving. De nieuwe woonwijk sluit aan op de bestaande bosomgeving. Een woonmilieu met een natuurlijk boskarakter met daarbinnen veel potenties voor flora en fauna die enerzijds een unieke woonlocatie biedt en anderzijds bijdraagt aan versterking van de landschappelijke, ecologische en recreatieve waarden van Waarderhout in zijn geheel (bestaand bos + nieuwe woonwijk).
Klimaatadaptie In het kader van klimaatadaptie zijn de volgende aspecten relevant: Voorkoming van hittestress en droogte in warme periodes. Vertraagde afvoer van hemelwater door bufferfunctie. Extra verdamping en opname hemelwater. Afvangen van stikstof en CO2. Dit wordt bereikt door het realiseren van een nieuw bos waarbinnen de woningen worden gerealiseerd. Hierdoor blijft circa 50% van het totale oppervlak groen. Ook wordt aandacht besteed aan de bestaande watergangen en de opvang van heftige regebuien door het creeren van een wadi binnen in het plangebied. De bestaande watergangen worden geoptimaliseerd door natuurvriendelijke oevers te creeren.
Natuurinclusief bouwen Het versterken van de soortenrijkdom wordt bij het ontwikkelen van de woningen 'groen gedacht'. Deze groene gedachte is concreet gemaakt door bij het ontwerpen van de nieuwe woningen uit te gaan van een 'natuur inclusief ontwerp'. Dat betekent dat verblijfplaatsen voor soorten die aan bebouwing zijn gebonden in de ontwerpfase van de woning worden meegenomen. Zo wordt ook voor deze bedreigde soorten (vleermuizen, huismus, gierzwaluw) voortplantings- en verblijfshabitat gecreëerd. Een grote variatie aan soorten voor een hoge biodiversiteit. Realiseren van verblijfsplekken voor insecten, vogels en kleine zoogdieren ter bevordering van ecosystemen en biodiversiteit.
48
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
Een leefgebied voor diverse soorten dieren die de veerkracht en gezondheid van de omgeving vergroot.
Met voorliggend plan wordt een wezenlijke bijdrage geleverd aan de verduurzaaming van het plangebied. Niet alleen in de te realiseren woningen (gasloos, natuurinclusief), maar ook door groen als uitgangspunt voor de herontwikkeling te gebruiken. Met de realisatie van een nieuw bos waariin gewoond kan worden, ontstaat een duurzame woonwijk.
4.10
Verkeer en parkeren
De ontsluiting, de verkeersstructuur en het parkeren maken een integraal onderdeel uit van de landschappelijke opgave. Omdat het gebied alleen bestemmingsverkeer kent in combinatie met beperkte woningaantallen zal het een autoluw karakter hebben, de auto is te gast.
Bijzondere aandacht gaat uit naar het langzaam verkeer, zowel voor bewoners als voor recreatief gebruik in groter verband. Een goede aanhechting aan bestaande structuren en netwerken in de omgeving is hierin van groot belang. De inrichting van het woongebied stimuleert duurzame mobiliteit, fiets- en wandelroutes zijn comfortabel en aantrekkelijk. Autoverkeer is alleen daar waar nodig binnen het plangebied mogelijk, om de woningen en het parkeren te kunnen ontsluiten.
Parkeren Met het college van B&W van Dijk en Waard (voormalig Heerhugowaard) zijn afspraken gemaakt over de uitgangspunten van voorliggend plan, mede ten aanzien van parkeren in het collegebesluit van 11 juli 2019 met kenmerk BW19-0176. Het parkeren is opgelost bij de woningen zelf: elke woning kent zijn eigen parkeerplaatsen. Bij de vrijstaande woningen zijn twee parkeerplaatsen per woning mee ontworpen, afgeschermd door een haag zodat de auto's zoveel mogelijk uit het zicht blijven. De twee-onder-een-kap woningen krijgen ook eigen parkeerplaatsen voor de deur, ook twee per woning. Voor de rijwoningen geldt een norm van 1,5 per woning, maar ook hier worden twee parkeerplaatsen per woning ter beschikking gesteld aan de voorzijde van de woningen. Daarnaast worden nog vier parkeerplaatsen in een parkeerkoffer gerealiseerd. Op basis van de norm dienen in totaal 75 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Voorliggend plan voorziet in totaal in 75 parkeerplaatsen, waarmee voldoende in de behoefte wordt voorzien. Daarnaast wordt opgemerkt dat de weg die binnen het plangebied wordt aangelegd voldoende breed is voor voertuigen om langs deze weg te parkeren zonder dat de doorstroming belemmerd wordt.
woningen
parkeernorm
behoefte
te realiseren pp
Totaal
16 vrijstaande woningen
2 pp per woning
32
2 pp per woning
32
14 2-1 kap woningen
2 pp per woning
28
2 pp per woning
28
10 rijwoningen
min 1,5 pp per woning
15
1,5 pp per woning
15
Totaal
Toelichting (vastgesteld)
75
75
49
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
Geactualiseerde Nota Parkeernormen 2022 Op 20 deecember 2022 heeft de gemeenteraad van Dijk en Waard de Nota Parkeernormen 2022 vastgesteld. Volledigheidshalve is voorliggend project getoetst aan deze nota. De parkeernormen zijn bijgesteld en als volgt voor de ontwikkellocatie: vrijstaande woning 2,1: (16x2,1=) 33,6; 2-1 kapwoning 2,0: (14x2=) 28; tussenwoning 1,8: (10x1,8=) 18. Op basis van het programma leidt dit tot een parkeerbehoefte van 79,6=80 parkeerplaatsen. Op basis van het nieuwe beleid zijn er derhalve 5 extra parkeerplaatsen nodig. Zoals aangegeven is de
50
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard ontsluitingsroute dermate breed ontworpen, dat het mogelijk is om langs de weg te parkeren. Hier is dan ook meer dan voldoende ruimte om de 5 parkeerplaatsen op te lossen. Hiermee voldoet het plan niet alleen aan de gemaakte afspraken ten aanzien van parkeren, maar ook aan het geldende parkeerbeleid met de geactualiseerde parkeernormen.
Ontsluiting Voor ontsluiting van het gebied voor gemotoriseerd verkeer is de locatie aangewezen op de bestaande ontsluiting op de Jan Glijnisweg. De bestaande inrit is feitelijk een kavelontsluiting en heeft onvoldoende maat, kwaliteit en uitstraling om als volwaardige ontsluiting voor een woongebied te kunnen fungeren. Derhalve wordt de in- en uitrit van de locatie aangepast. De ontsluiting binnen het plangebied is vormgegeven middels een 'lus': op deze manier kun je een rondje rijden. De rijbaan wordt uitgevoerd met grasklinkers in de vorm van een karrespoor. De baan is breed genoeg om elkaar te passeren en voor hulpdiensten om elke woning te kunnen bereiken.
Verkeersgeneratie Met het realiseren van woningbouw vindt er een verschuiving plaats van het aantal verkeersbewegingen. Op dit moment vindt 's ochtends aankomend verkeer plaats (werknemers) en 's avonds vertrekkend verkeer. Gedurende de dag vindt veel zwaar verkeer plaats door de vrachtwagens die af en aan rijden over de Jan Glijnisweg om de producten op te halen uit de kassen. In de nieuwe situatie verdwijnt het vrachtwagenverkeer dat nu over de Jan Glijnisweg rijdt. De te realiseren woningbouw zorgt op basis van de C.R.O.W. kengetallen voor de volgende verkeersgeneratie:
Deze verkeersbewegingen kunnen gedurende de dag goed opgevangen worden door de Jan Glijnisweg. Ten opzichte van de huidige situatie vindt er een verplaatsing plaats van de ochtend en avond: 's ochtends zal sprake zijn van meer vertrekkend verkeer en 's avonds van meer aankomend verkeer. Dit betreft voornamelijk 'licht' verkeer (personenauto's) ten opzichte van zwaar vrachtverkeer in de huidige situatie. Het lichte verkeer kan goed afgewikkeld worden op de Jan Glijnisweg.
4.11
Veiligheid
4.11.1 Brandveiligheid In het Bouwbesluit 2012 zijn onder andere regels opgenomen met betrekking tot brandveiligheid. In artikel 6.19, lid 1 van het Bouwbesluit 2012 wordt vermeld dat een bouwwerk voorzieningen dient te hebben waardoor brand tijdig ontdekt kan worden en veilig gevlucht kan worden. In lid 2 van hetzelfde artikel is een tabel opgenomen. In deze tabel zijn per gebruiksfunctie voorschriften aangewezen. Door aan de voorschriften te voldoen, wordt voldaan aan lid 1 van artikel 6.19 van het Bouwbesluit 2012.
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' dient aangetoond te worden dat aan de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan.
Toelichting (vastgesteld)
51
bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard
4.11.2 Bereikbaarheid Op 7 maart 2019 heeft een overleg met de Veiligheidsregio plaatsgevonden. In dit overleg is de bereikbaarheid van hulpdiensten naar de locatie besproken. In dit overleg is de ontsluitingsroute van de locatie op de Jan Glijnisweg akkoord bevonden. Hierbij is wel de opmerking gemaakt dat de wegen in het plangebied voldoende breed moeten zijn, zodat de de hulpdiensten het plangebied zonder verkeershinderende maatregelen kunnen bereiken. De wegen binnen het plangebied zijn breed genoeg ontworpen zodat de hulpdiensten goed bij elke woning kunnen komen. De aanrijdtijd bedraagt ca. 8 minuten.
4.12
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over de opslag, transport en/of bewerking van gevaarlijke stoffen. Het beleid van de externe veiligheid is gelegitimeerd door de doelstelling dat de risico’s van bedrijfsmatige activiteiten met gevaarlijke stoffen beheerst worden en in wisselwerking hiermee andere ruimtelijke activiteiten in de nabijheid hiervan. 4.12.1 Algemeen Externe veiligheid gaat over de opslag, transport en/of bewerking van gevaarlijke stoffen. Het beleid van de externe veiligheid is gelegitimeerd door de doelstelling dat de risico’s van bedrijfsmatige activiteiten met gevaarlijke stoffen beheerst worden en in wisselwerking hiermee andere ruimtelijke activiteiten in de nabijheid hiervan. Met de inwerkingtreding van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is een aanzet gegeven tot het opstellen van normen voor externe veiligheid. Het besluit is gepubliceerd in het Staatsblad van 10 juni 2004 en in werking getreden op 27 oktober 2007.