CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting - Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard

Gemeenteraad 23 april 2024, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d Heerhugowaard24.620 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Het besluit kent twee belangrijke begrippen waaraan moet worden getoetst namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico Onder plaatsgebonden risico wordt verstaan: risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon, die onafgebroken op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof is betrokken. Het plaatsgebonden risico wordt beheerst door de inherente veiligheid (veiligheidsmaatregelen die aan risicobronnen zijn opgelegd zonder tussenkomst van externe veiligheid) waarmee risicobronnen zijn omgeven. De kans op een ongeval is daardoor zowel volgens de risicoanalyseberekeningen als blijkens de statistiek buitengewoon klein. Het plaatsgebonden risico is daarom een norm waaraan moet worden voldaan.

Het groepsrisico Onder groepsrisico wordt verstaan: cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof is betrokken. De mogelijkheid van een ramp is een beleidsrelevante afweging voor de inrichting van de ruimte. Omdat de kans op een ongeval buitengewoon klein is, is de zeer kleine kans op een ramp daarmee per definitie een gegeven. Het groepsrisico is om die reden een oriëntatiewaarde, ten aanzien waarvan een afweging moet worden gemaakt. Oriëntatiewaarde is: de waarde waarmee het groepsrisico wordt vergeleken. Grafisch wordt dit weergegeven als een lijn in een grafiek. Karakteristieke kansen van de oriëntatiewaarde zijn: een kans van 1 op 10.000 per jaar (10 –4) op 10 of meer doden; een kans van 1 op een miljoen per jaar (10 –6) op 100 doden of meer doden; een kans van 1 op 100 miljoen per jaar (10 –8) op 1000 of meer doden. 52

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard

Figuur 4.1: groepsrisico en oriëntatie waarde

Het groepsrisico is de risicomaat die bij de bestuurlijke afweging een rol speelt om te verantwoorden welk ramprisico samenhangt met het ruimtelijke ordening- of het milieuvergunningbesluit. Dit komt neer op het aangeven in welke mate de kans op sociale ontwrichting voor de (lokale) samenleving, gegeven de lokale maatschappelijke baten en kosten, te tolereren is. Bij het groepsrisico gaat het niet om de bescherming van de individuele burger, maar om het tolereren van een ramprisico op grond van afwegingen over het belang van ruimtelijke activiteiten naast andere afwegingen.

De verantwoordingsplicht (algemeen) De kans dat in één keer een groep burgers van een bepaalde omvang komt te overlijden (groepsrisico of misschien duidelijker het ramprisico) moet worden verantwoord. Het verantwoorden houdt in dat het afwegingsproces voor de burgers en belanghebbende navolgbaar is. Dit afwegingsproces draagt het besluit om de risicosituatie, waarbij een zeer kleine kans bestaat dat een ramp zou kunnen plaatsvinden, te aanvaarden. In de artikelen 12 en 13 van het Bevi is de verantwoordingsplicht voor het bevoegd gezag ten aanzien van de acceptatie van het groepsrisico wettelijk geregeld. Artikel 12 regelt de verantwoordingsplicht bij milieuvergunningen en artikel 13 bij de vaststelling van besluiten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. In artikel 13 lid 1 onder a tot en met i staat aangegeven welke onderwerpen in elk geval in de verantwoordingsplicht aan de orde moeten komen. “In elk geval” is limitatieve opsomming en betekent dat er ook nog andere onderwerpen aan de verantwoordingsplicht kunnen worden toegevoegd. De informatie die volgens het Bevi in elk geval bij de verantwoordingsplicht moet worden betrokken is: a. b. c. d. e. f. g. h. i.

het aantal personen in het invloedsgebied; het groepsrisico; de mogelijkheden tot risicovermindering door degene die de inrichting drijft; maatregelen ter beperking van het groepsrisico die in het besluit zijn opgenomen; voorschriften ter beperking van het groepsrisico te verbinden aan de inrichting; voor en nadelen van andere ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico; de mogelijkheden om het groepsrisico te beperken in nabije toekomst; mogelijkheden op de voorbereiding van rampenbestrijding; mogelijkheden tot zelfredzaamheid;

De beleidsvisie “Externe Veiligheid” In juni 2010 heeft de gemeenteraad de “Beleidsvisie externe veiligheid in Heerhugowaard vastgesteld. De beleidsvisie “Externe Veiligheid” geeft aan dat het beleid zich richt op het beperkt houden van de toename van het groepsrisico dat ontstaat door ruimtelijke besluiten of Milieuvergunningen. De beleidsvisie onderscheidt drie soorten te doorlopen verantwoordingsprocessen. Welk proces voor de verantwoording wordt doorlopen hangt af van de hoogte van het groepsrisico in relatie tot de

Toelichting (vastgesteld)

53

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard oriëntatiewaarde. 4.12.2 Relatie tot ontwikkeling Door Prevent Adviesgroep is de herontwikkeling getoetst in het kader van externe veiligheid. Het volledige onderzoeksrapport is bijgevoegd in de bijlagen. Het betreffende onderzoek is beoordeeld door de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord (9 mei 2019). In de beoordeling wordt gesteld dat in voldoende mate aandacht is besteed aan het aspect externe veiligheid. De resultaten van dit onderzoek worden in de hierna volgende paragrafen integraal overgenomen. 4.12.3 Besluit externe veiligheid inrichtingen Met de inwerkingtreding van het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ is een aanzet gegeven tot het opstellen van normen voor externe veiligheid. Het besluit is gepubliceerd in het Staatsblad van 10 juni 2004 en in werking getreden op 27 oktober 2007.

Voor risicovolle activiteiten is het wettelijk toetsingskader voor externe veiligheid bij ruimtelijke besluiten opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het plangebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van risicovolle activiteiten binnen inrichtingen. De meest dichtbij zijnde risicovolle inrichting is het gasontvangstation van Gasunie en een vuurwerkopslag voor consumentenvuurwerk (beide gelegen op 480 meter afstand). Het gasontvangststation en de vuurwerkopslag vallen niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen en beschikken niet over een wettelijk bepaald invloedsgebied waarmee rekening moet worden gehouden. Het LPG tankstation is gelegen op een afstand van 950 meter van het plangebied Het LPG tankstation heeft een wettelijk bepaald invloedsgebied van 150 meter rondom het LPG vulpunt en het LPG reservoir. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied.

De aanwezigheid van risicovolle activiteiten binnen inrichtingen vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. 4.12.4 Transport van gevaarlijke stoffen Voor transportroutes voor gevaarlijke stoffen over (spoor)wegen is het wettelijk toetsingskader voor externe veiligheid bij ruimtelijke besluiten opgenomen in het Besluit externe veiligheid transportroutes. In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen, waterwegen, provinciale wegen en rijkswegen gelegen waarover bulktransport plaatsvindt van gevaarlijke stoffen. De normen in het Besluit externe veiligheid transportroutes vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. 4.12.5 Besluit externe veiligheid buisleidingen Het besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

Voor buisleidingen voor het transport voor gevaarlijke stoffen is het wettelijk toetsingskader voor externe veiligheid bij ruimtelijke besluiten opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. In figuur 4.2 is de ligging van het plangebied en het invloedsgebied van hoge druk aardgas buisleidingen weergegeven.

Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied (1% letaliteitscontour) van 3 hoge druk aardgasbuisleidingen. In tabel 4.3 zijn de gegevens van deze buisleidingen weergegeven en de afstand tot het plangebied.

54

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard

Figuur 4.2: ligging plangbied, buisleidingen en 100% en 1% legaliteitscontouren (bron: Toetsing externe veiligheid, Prevent Adviesgroep B.V.)

Tabel 4.3: gegevens buisleidingen (bron: Toetsing externe veiligheid, Prevent Adviesgroep B.V.)

Op grond van het besluit externe veiligheid buisleidingen en de regeling externe veiligheid buisleidingen gelden normen ten aanzien van belemmeringenstroken, het plaatsgebonden risico en (de verantwoording van) het groepsrisico.

Belemmeringstroken Voor de betreffende buisleidingen geldt een belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden van de buisleiding. Het plangebied is op veel grotere afstand gelegen. De norm voor de belemmeringenstrook vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied.

Toelichting (vastgesteld)

55

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard

Plaatsgebonden risico Bij de buisleiding A-550, A-551 en A-566 is ter hoogte van het plangebied geen plaatsgebonden risicocontour (PR=10-6) aanwezig. De normen voor het plaatsgebonden risico vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied.

Groepsrisico Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied (1% letaliteit) van de buisleiding A-550, A-551 en A-566, maar ligt ruim buiten de 100% letaliteitscontour. Op grond van het besluit externe veiligheid kan voor de ontwikkelingen in het plangebied volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Deze verantwoording houdt het volgende in: a. de personendichtheid in het invloedsgebied moet worden aangegeven (bestaande situatie en de nieuw te bestemmen situatie); b. het groepsrisico moet per buisleiding worden berekend voor de bestaande situatie en de nieuw te bestemmen situatie en weergegeven door middel van een fN-curve. Tevens moet worden getoetst aan de oriëntatiewaarde; c. ten aanzien van de mogelijkheden om de omvang van de ramp te beperken en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid moet de Veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen. Dit advies moet worden betrokken bij de verantwoording en besluitvorming. 4.12.6 Verantwoording groepsrisico Ad. a: personendichtheid Voor de berekening van het aantal personen in het glastuinbouwbedrijf wordt uitgegaan van 6 personen per hectare bebouwd oppervlak1. Binnen het invloedsgebied van de buisleidingen is 1,5 hectare bebouwd oppervlak van het glastuinbouwbedrijf aanwezig. In de bestaande situatie bedraagt het maximale aantal aanwezige personen 9 in de dagperiode.

In de nachtperiode zijn geen personen aanwezig. In het plangebied worden maximaal 40 woningen gerealiseerd. Het plangebied heeft een oppervlak van 3,8 hectare, hiervan is 2 hectare gelegen in het invloedsgebied. Binnen het invloedsgebied worden maximaal 21 woningen gerealiseerd2 .

Voor woningen wordt uitgegaan van de aanwezigheid van 1,2 personen in de dagperiode en 2,4 personen in de nachtperiode. Het maximale aantal aanwezige personen bedraagt 25 in de dagperiode en 50 in de nachtperiode. De personendichtheid in het plangebied neemt door de voorgenomen ontwikkeling binnen het invloedsgebied toe met 16 personen in de dagperiode en 50 personen in de nachtperiode.

Ad. b: berekening groepsrisico en toets oriëntatiewaarde Het plangebied ligt buiten de 100% letaliteitscontouren (deze komt overeen met de 35 kW/m2 contour) van de buisleidingen. Bij de berekening van het groepsrisico (conform de handleiding Risicoberekeningen Bevb) wordt voor personen die aanwezig zijn in gebouwen aangehouden dat bij een warmtestraling < 35 kW/m2 niemand komt te overlijden. Volgens de handleiding Risicoberekeningen Bevb wordt uitgegaan van de verdeling 93% binnen en 7% buiten in de dagperiode en 99% binnen en 1% buiten in de nachtperiode. Bij de personen die buiten aanwezig zijn wordt gerekend met de factor 0,14*Plethaal. Op de 100% letaliteitscontour is Plethaal gelijk aan 1, op de 1% letaliteitscontour is Plethaal gelijk aan 0,01. Een gedeelte van het plangebied is gelegen in het gebied tussen de 1% letaliteitscontour en de 100% letaliteitscontour. Worst case is in de onderstaande berekening uitgegaan van Plethaal =0,5. Op grond van het bovenstaande zal het mogelijke aantal dodelijke slachtoffers bij een

56

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard fakkelbrand bij de buisleiding rekenkundig maximaal het volgende bedragen bij de nieuwe situatie: dagperiode : (25 x 0,07) x (0,14 x 0,5) = 0,1 nachtperiode : (50 x 0,01) x (0,14 x 0,5) = 0,04 Op grond van het bovenstaande valt af te leiden dat de voorgenomen ontwikkeling rekenkundig niet zal leiden tot dodelijke slachtoffers (minder dan 1) binnen het plangebied. Hierdoor zal de voorgenomen wijziging niet leiden tot een toename van het aantal dodelijke slachtoffers en daarmee niet tot een toename van het groepsrisico.

Door AVIV zijn in het verleden in het kader van de beleidsvisie externe veiligheid Heerhugowaard (2010) en bestemmingsplan De Draai groepsrisicoberekeningen uitgevoerd waaruit blijkt dat het groepsrisico van alle buisleidingen binnen de gemeente lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico van de buisleidingen ter hoogte van het plangebied minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde bedraagt en door de voorgenomen ontwikkeling niet zal toenemen. De hoogte van het groepsrisico vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Ad. c.: beperken omvang ramp en mogelijkheden zelfredzaamheid Bij een calamiteit met buisleiding A-551 op de kortste afstand tot het plangebied kan bij een gemiddelde spreiding van de woningen bij ca. 21 woningen op de gevel die gericht is naar de buisleiding door de optredende fakkelbrand een warmtestraling ontstaan van meer dan 12,5 kW/m2 (maar veel lager dan 35 kW/m2). Bij een calamiteit met buisleiding A550 en A566 betreft het een kleiner aantal woningen. Bij een dergelijke warmtestraling biedt het gebouw enige tijd bescherming aan de personen in het gebouw. Na verloop van tijd is brandoverslag naar het gebouw mogelijk en moeten aanwezige personen alsnog het gebouw ontvluchten.

De personen in het gebouw zijn zelfredzaam en kunnen zelfstandig het gebouw ontvluchten. Op het terrein zal een rondweg worden aangelegd.

Toelichting (vastgesteld)

57

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard

Figuur 4.3: ligging 1% letaliteitscontour A-551 bij 2 breuklocaties en enkele vluchtroutes vanuit woningen (bron: Toetsing externe veiligheid, Prevent Adviesgroep B.V.)

Personen kunnen, afhankelijk van de locatie van de leidingbreuk/fakkel, de fakkelrichting en de locatie van de woning via de voor of achterzijde van de woning via de rondweg vluchten van de fakkel vandaan tot buiten de 1% letaliteitsgrens. Buiten dit gebied kan een schuilplaats worden gezocht in of achter de daar gelegen woningen in het plangebied. In figuur 4 zijn ter indicatie enkele mogelijke vluchtroutes voor woningen weergegeven op de ontwerpschets voor twee leidingbreuk locaties bij buisleiding A-551. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling rekenkundig niet zal leiden tot dodelijke slachtoffers binnen het plangebied en de hoogte van het groepsrisico (< 0,1 maal de oriëntatiewaarde) bestaat er op grond van de beleidsvisie externe veiligheid Heerhugowaard geen aanleiding tot het adviseren van bouwkundige maatregelen. Bij de definitieve inrichting van het plangebied kan overwogen worden om looproutes in zuidwestelijke richting op te nemen in het gebied binnen de rondweg om de vluchtroutes te verkorten. 4.12.7 Beoordeling regionale uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord De regionale uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord heeft het voornoemde onderzoek beoordeeld. In de beoordeling is vermeld dat in voldoende mate aandacht is besteed aan het aspect externe veiligheid.

Daarnaast geeft de inhoudelijke beoordeling aan dat het plangebied gedeeltelijk is gelegen binnen het invloedsgebied van enkele gebundeld gelegen buisleidingen te oosten van het plangebied. Het plangebied ligt op een afstand van ca. 315 meter van de buisleidingen waardoor het buiten de 100 % letaliteitsgrens ligt. Op grond van het Bevb kan dan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Het in de beoordeling bijgevoegde advies luidt als volgt: "Omdat het plangebied is gelegen binnen invloedsgebieden van buisleidingen, maar buiten de 100% letaliteitsgrens, kan worden volstaan met een zogenaamde beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hiertoe dient nog een advies gevraagd te worden aan de Veiligheidsregio Noord Holland Noord".

Conclusie De normen voor externe veiligheid zoals aangegeven in het Bevi, het Bevt en het Bevb vormen geen

58

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.13

Kabels, leidingen, straalpaden en andere belemmeringen

Planologische relevante buisleidingen dienen in het bestemmingsplan te worden bestemd. De bestemming leiding wordt gecombineerd met de bestemming van de gronden waarin de leiding is gelegen en beperkt de rechten en het gebruik van die gronden (de zogenaamde dubbelbestemming). Planologisch relevante leidingen zijn: hoofdtransportleidingen; hoogspanningsleidingen van 50 KV en hoger; buisleidingen voor het transport van brandbare gassen met een druk van 20 bar of hoger; buisleidingen voor het transsport van brandbare vloeistoffen met een diameter van 400 mm en groter; buisleidingen voor het transsport van giftige stoffen; buisleidingen met een diameter van 400 mm en groter en gelegen buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor het transport van afvalwater van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier met een diameter van 400 mm en groter (hoofdleidingen van en naar de afvalwaterzuiveringsinrichting); optisch vrije paden (straalpaden). Relatie tot ontwikkeling Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming/regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen (riool(pers)leidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) vervullen uitsluitend een functie voor de aanwezige functies in het gebied (kavelaansluitingen) en kunnen ook zonder planologische regeling worden aangelegd.

Deze leidingen zijn veelal aangelegd langs en/of in combinatie met aanwezige infrastructuur. Bij de technische uitwerking van het plan wordt de veiligheid van deze kabels en leidingen gewaarborgd via het KLIC-systeem.

4.14

M.e.r.-beoordeling

Toetsingskader Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieu een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) geeft aan of voor een project een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing is. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de C-lijst van het Besluit m.e.r. geldt de zogenoemde m.e.r.-plicht. Deze activiteiten worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt de zogenoemde m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor deze activiteiten geldt dat zij, afhankelijk van de omstandigheden, nadelige milieugevolgen kunnen hebben.

De voorliggende ontwikkeling betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, die als activiteit is opgenomen in de D-lijst onder categorie D11.2 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject).Zie ook onderstaande tabel.

Toelichting (vastgesteld)

59

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard

Het Besluit m.e.r. geeft onder 'gevallen' per activiteit aan wat de relevante drempel is voor een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Met de aanleg van het stedelijk ontwikkelingsproject worden de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet overschreden, aangezien het planvoornemen ver onder de grens van 100 hectare, 2.000 woningen of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 blijft. Op basis hiervan geldt er dus geen formele m.e.r.-(beoordelings)plicht. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de 'Europese richtlijn milieueffectbeoordeling' te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.- beoordeling'. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-plichtig.

Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient het bevoegd gezag expliciet te beoordelen of zij het noodzakelijk acht om de m.e.r.-procedure te doorlopen. Er kunnen twee uitkomsten zijn: belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden à er dient een m.e.r.-procedure te worden doorlopen; belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op à er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen. Het uitgangspunt bij deze beoordeling is: 'Nee, tenzij...'

Dit uitgangspunt betekent dat er geen m.e.r. nodig is, tenzij er sprake is van mogelijke 'belangrijke nadelige gevolgen' voor het milieu op basis waarvan een dergelijke procedure wel noodzakelijk moet worden geacht. Deze 'belangrijke nadelige gevolgen' moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van Bijlage III EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. Het project dient te worden getoetst aan: Kenmerken van de activiteit Plaats van de activiteit Kenmerken van het potentiële effect Relatie met plan Het plan blijft, met maximaal 40 woningen ruim beneden de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. In categorie D11.2 is voor "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject" een drempelwaarde van 100 hectare of meer, of 2.000 of meer woningen opgenomen. Vervolgens is een aanmeldnotitie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is als bijlage aan de toelichting van dit bestemmingsplan toegevoegd (Bijlage 9). De conclusie van deze vormvrije m.e.r-beoordeling is dat gezien de omvang van de activiteiten in relatie tot de drempelwaarden en te verwachten effecten, belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uit te sluiten. Nader onderzoek in een MER/m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.

Het college van B&W heeft hier op basis van de aanmeldnotitie voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan over besloten.

60

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt aangegeven welke bestemmingen in het plan zijn opgenomen en hoe deze de inhoud van het plan regelen. Deze toelichting dient als uitleg over de wijze waarop de bestemmingsregels moeten worden uitgelegd en de reden waarom deze zijn opgenomen. In de paragraaf over het juridisch systeem wordt nader uitleg gegeven over de verhouding met wet- en regelgeving naast het bestemmingsplan. In de handhavingparagraaf is aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt gehandhaafd.

5.2

Inleidende regels

In het eerste hoofdstuk van de planregels worden begrippen verklaard die in de planregels voorkomen en wordt ook aangegeven op welke wijze gemeten moet worden om bijvoorbeeld een goot- of bouwhoogte te bepalen. 5.2.1

Begrippen

In artikel 1 zijn de begripsbepalingen opgenomen. Begripsbepalingen zijn nodig om een planologisch juridische precisering ten opzichte van het algemeen spraakgebruik te verkrijgen. In beginsel dient er voor gewaakt te worden een begrip een sterk van het spraakgebruik afwijkende betekenis te geven. Begripsbepalingen zijn alleen dan nodig indien het begrip gebruikt wordt in de planregels en dit begrip zonder nadere definitie tot verwarring zou kunnen leiden. Men kan voorts een definitie nodig hebben indien een term of woord in verschillende wettelijke regelingen niet dezelfde betekenis heeft, of wanneer men een woord wil afzetten tegen een ander woord (bijvoorbeeld woning tegenover zomerhuis). Een aantal begrippen is vastgegd in de RO - Standaarden, een uitgave van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Van de definiëring van deze begrippen, mag niet worden afgeweken. 5.2.2

Wijze van meten

In het artikel ‘Wijze van meten’ is aangegeven hoe moet worden gemeten. Het betreft hier technische zaken die deels landelijk zijn voorgeschreven en deels aanvullend zijn opgenomen. Daar waar het in het algemeen spraakgebruik wel duidelijk is wat wordt bedoeld met bijvoorbeeld de hoogte van een gebouw, is het in juridische zin toch van belang om aan te geven dat daarbij gemeten moet worden vanaf het 'peil' tot het hoogste punt van het gebouw. Daarbij wordt het begrip 'peil' uitgelegd onder de begripsbepalingen. Over de wijze waarop in algemene zin 'gemeten' moet worden bestaat zo dus geen verschil van mening. Voor het bepalen van de bouwhoogte worden onderschikte bouwdelen als schoorstenen en antennes niet meegerekend. Bij het bepalen van de goothoogte worden incidentele verhoogde goten, zoals bij dakkapellen, wolfseinden en dergelijke buiten beschouwing gelaten. Omdat dit niet in de RO Standaarden is geregeld, is in de bouwregels is opgenomen dat deze goten niet aan de goothoogte worden getoetst. Voor de dakhelling is aangegeven dat deze alleen geldt voor het dakvlak. Incidentele doorbrekingen van het dakvlak zijn voor het bestemmingsplan van minder belang. De doorbreking van het dakvlak kan wel onderdeel uitmaken van een welstandstoetsing. De oppervlakte moet buitenwerks worden gemeten en op het peil. Het vloeroppervlak in gebouwen is niet van belang.

Voorts is aangegeven dat bovengrondse bouwonderdelen vanaf één meter boven peil moeten worden meegerekend. Hiermee wordt oneigenlijke uitbreiding van gebouwen boven de toegestane oppervlakte voorkomen. De inhoud moet boven peil worden gemeten. Ondergrondse ruimten tellen niet mee voor het bepalen van de inhoud.

Toelichting (vastgesteld)

61

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard

5.3

Bestemmingsregels

De systematiek van de planregels zijn zoveel mogelijk gebaseerd op de modelregels van de gemeente Dijk en Waard. Daanraast zijn voor de nieuwe woningen en bijbehorende tuinen specifieke regelingen ontwikkeld. 5.3.1

Bos

Deze bestemming ziet op de realisatie van het gewenste bosachtige landschap. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor recreatief medegebruik, een speelbos en water. Het is verboden om op de gronden gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, te bouwen. Om de gewenste landschappelijke en architectonische kwaliteit te borgen, is middels een bouwregel ten aanzien van de bouwprincipes en een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van de inrichtingsprincipes een directe koppeling gelegd met het Masterplan. In dit Masterplan worden de spelregels ten aanzien van de inrichtingsprincipes van het bos vastgelegd. Ook wordt aangegeven hoe de openbare ruimte én de uit te geven kavels ingericht moeten worden: welke bomen, beplanting, erfafscheiding, bestrating etc is toegestaan. Voorwaarde is dat het bos (de openbare ruimte) eerst wordt aangelegd voordat gebouwd gaat worden. 5.3.2

Bos - bostuin

Deze bestemming ziet op de realisatie van de gewenste tuinen die horen bij de uit te geven kavels van de vrijstaande woningen. Om te voorkomen dat de bewoners vergunningvrije bouwwerken kunnen realiseren (bijbehorende bouwwerken, schuttingen e.d.) is gekozen voor een bestemming Bos - bostuin. hiermee wordt duidelijk dat deze gronden niet beschouwd moeten worden als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht (dat vergunningvrij bouwen mogelijk maakt). Binnen deze besteming mogen de gronden enkel gebuikt worden als bostuin, die in de regels gedefinieerd is. De erfafscheidingen tussen de kavels dienen uitgevoerd te worden als haagbeuk. De inrichting van de tuinen kan op basis van het beplantingsplan uit het Masterplan. Er wordt een koppeling gemaakt met het Masterplan in de regels. 5.3.3

Tuin - 2

De bestemming 'Tuin - 2' kent een beperkte bouwmogelijkheid om het karakter van de hoofdbebouwing in relatie tot het straatbeeld te behouden. Het bouwen op de bestemming 'Tuin - 2' is toegestaan voor het aan de voor- en zijgevel aanbouwen van een uitbouw of entreepartij of het aanbouwen van een overkapping boven de voor- of achterdeur. De lengte van de uitbouw, een entreepartij of een overkapping is afhankelijk van de gevellengte van de woning. Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in de vorm van erfafscheidingen en afscheidingen toegestaan. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de toegestane bouwhoogten. Op de bestemming 'Tuin - 2' mogen buiten de garageoprit twee personenauto’s worden geparkeerd. Op de garageoprit mag altijd worden geparkeerd, waarbij het aantal auto's dat op garageinrit mag worden geparkeerd afhankelijk is van de lengte van de garageoprit. Het is strijdig om ter plaatse van de bestemming 'Tuin - 2' de tuin als parkeerplaats, buiten de garage oprit, voor meer dan twee auto's per woning te gebruiken. 5.3.4

Verkeer - 1

Deze bestemming heeft betrekking op wegen, straten, voet- en fietspaden, met als hoofdfuncties verblijf en ontsluiting en bij de bestemming horende verkeers-, parkeer- en groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, fietsenstallingen, water en terreinen. Voor de gronden geldt dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden gebouwd onder de voorwaarde dat aan de inrichtingsprincipes voor wegen uit het Masterplan wordt voldaan.

62

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard

5.3.5

Water

De gronden op de verbeelding aangewezen voor deze bestemming zijn bestemd voor water en groenvoorzieningen. Op deze gronden zijn toegelaten bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder kunstwerken en tewaterlaatplaatsen. Het is niet toegestaan de gronden te gebruiken als ligplaats voor woonschepen. Daar waar een brug is voorzien, is dit aangeduid op de verbeelding met 'brug'. 5.3.6

Wonen

Ter plaatse van deze bestemming zijn de gronden bestemd voor wonen. Hierbij is aangesloten bij de bestaande woonbestemmingen langs de Jan Glijnisweg. Enkel de twee bestaande woningen aan de Jan Glijnisweg krijgen deze bestemming wonen. 5.3.6.1 Gebruik Hoofdfunctie De hoofdfunctie van woningen en woongebouwen is de bewoning door één gezin per eenheid. In Artikel 1 Begrippen is aangegeven wat onder een woning en een huishouden wordt verstaan. Op grond van deze definities kan, in samenhang met het in de regels aanmerken van bewoning van één woning door meer huishoudens als een met het bestemmingsplan strijdig gebruik, tegen het huisvesten van meer huishoudens in één woning worden opgetreden.Naast de hoofdfunctie wonen, zijn de volgende gebruiksmogelijkheden eveneens toegestaan.

Een aan huis verbonden beroep en/of dienstverlenend bedrijf of dienstverlenende instelling. Deze gebruiksmogelijkheden zijn toegestaan onder de voorwaarden dat niet meer dan 1/3e deel van de als verblijfsgebied aan te merken vloeroppervlakte van de woning met de daarbij behorende bijgebouwen, met een maximum van 45 m², voor de uitoefening van het beroep of bedrijf wordt gebruikt, geen omgevingsvergunning of meldingsplicht op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer of andere milieuwetgeving vereist is, detailhandel uitsluitend is toegestaan in producten en diensten die op het betreffende perceel zijn vervaardigd.

Een webwinkel Deze gebruiksmogelijkheid is toegestaan onder de voorwaarden dat bij een webwinkel opslag van goederen binnen het maximaal toegestane oppervlak voor de bedrijfsmatige activiteit blijft, geen afhaaladres en geen uitstalling ten verkoop aanwezig is,

Gastouderopvang. Deze gebruiksmogelijkheid is toegestaan onder de voorwaarden dat bij gastouderopvang het aantal op te vangen kinderen niet meer mag bedragen dan 6.

Bed & Breakfast Met ingang van 23 januari 2013 is beleid in werking getreden met betrekking tot het exploiteren van een bed & breakfast in de woning. Omdat de planologische effecten behorende bij een bedrijfsvoering van maximaal 2 kamers (maximaal 4 slaapplaatsen) in de woning en/of de bijbehorende bouwwerken van de woning voor een oppervlakte van maximaal 50 m2 zeer gering wordt geacht, is voor dit aantal kamers geen binnenplanse afwijking opgenomen maar is het als een recht opgenomen bij de bedrijf aan huis regeling in de gebruiksbepaling. Dit laat onverlet dat overige regelgeving m.b.t. bed & breakfastgelegenheden in acht moet worden genomen zoals het bijhouden van een nachtregister als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht.

Toelichting (vastgesteld)

63

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard

5.3.7

Wonen - wonen in het bos

Deze specifieke woonbestemming wordt gegeven aan de nieuw te realiseren woningen in het bos. Hiervoor gelden andere regels dan voor de reguliere woningen binnen Dijk en Waard (en dus ook de twee bestaande woningen aan de Jan Glijnisweg). Uitgangspunt voor deze woningen vormt het Masterplan, en dan met name de architectonische bouwprincipes zoals door Leeuwenkamp architecten verwoord in dit stuk. De massa inclusief bouwhoogte is opgenomen op de verbeelding. De bebouwingsprincipes uit het masterplan inclusief beeldkwaliteit zijn leidend voor de realisatie van de woningen. In de regels wordt een directe link gemaakt met deze bebouwingsprincipes en kavelpaspoort uit het Masterplan. Uitgangspunt is tevens dat alle bebouwing (hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken) binnen het bouwvlak gerealiseerd wordt.

5.4

Algemene regels

De formulering van deze planregels is wettelijk vastgelegd en heeft betrekking op de algemene regels die voor het hele plangebied gelden ongeacht de specifieke bestemming. 5.4.1

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Hierdoor wordt voorkomen dat met gebruikmaking van privaatrechtelijke overeenkomsten, de publiekrechtelijke regels worden ondergraven. 5.4.2

Algemene gebruiksregels

Dit artikel geeft aan welk gebruik strijdig is met de regels van dit bestemmingsplan. Daarnaast is hier een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het realiseren van voldoende parkeerplaatsen. 5.4.3

Algemene afwijkingsregels

Dit artikel biedt o.a. de mogelijkheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van het bestemmingsplan voor kleine maatoverschrijdingen die het gevolg zijn van standaardmaten, waardoor het bouwwerk net niet past binnen de maatvoering van het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning kan worden verleend tot maximaal 10 procent van de in het bestemmingsplan gegeven maten. Het is niet de bedoeling dat de omgevingsvergunning wordt gebruik om standaard 10 procent groter te bouwen dan op de verbeelding staat aangegeven. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning dient aanvrager gemotiveerd aan te geven waarom van de afwijkingsmogelijkheid gebruik moet worden gemaakt. Het kan zijn dat het toepassen van deze algemene afwijkingsmogelijkheid vanuit stedenbouwkundig oogpunt, vanwege de belangen van omwonenden of vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening, ongewenst is. Mocht dit het bij een bepaalde maximale maat het geval zijn, dan zal in de bestemmingsregels worden aangegeven dat de algemene afwijkingsbevoegdheid niet toegepast kan worden.

5.4.4

Overgangs- en Slotregels

Overgangsregels zijn van toepassing op situaties (gebruik) die op het moment van het van kracht worden van dit bestemmingsplan van het nieuwe plan afwijken, dan wel op basis van een geldige omgevingsvergunning nog gebouwd mogen worden (bouwwerken). Met deze overgangsregels wordt duidelijk dat die afwijking toegestaan is, maar wel begrensd is tot de bestaande afwijking. Tenslotte wordt in de regels vastgelegd op welk moment het bestemmingsplan is vastgesteld en onder welke titel het plan heeft.

64

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard

5.5

Uitvoerbaarheid en handhaving

5.5.1

Uitvoerbaarheid

Ingevolge artikel 3.1.6. onder f van het Besluit ruimtelijke ordening, dienen in de toelichting bij een bestemmingsplan de uitkomsten van het onderzoek naar de uitvoerbaarheid van het plan weergegeven te worden. Die uitvoerbaarheid kan onderscheiden worden in maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid. 5.5.1.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Ten aanzien van de maatschappelijke uitvoerbaarheid is in de eerste plaats een breed draagvlak nodig voor de regels die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Deze regels komen gedeeltelijk voort uit wettelijke verplichtingen. Daarnaast is bestuurlijk draagvlak van belang. Dit wordt bevorderd door het bestemmingsplan goed af te stemmen op het gewenste ruimtelijk beleid van het rijk en de provincie, als ook op de wensen en ambities van het lokale bestuur. Zij zijn het immers die na vaststelling ook de handhaving van het plan ter hand moeten nemen. Behalve door de wet gestelde eisen en bestuurlijke overeenstemming over het plan, is het maatschappelijk draagvlak onder de bevolking en met name onder de bewoners en gebruikers van de wijken van groot belang.

In het hoofdstuk ‘Overleg en inspraak’ wordt gerapporteerd over de verplichte overleggen met instanties en de gehouden inspraakprocedure. 5.5.1.2 Financiële uitvoerbaarheid Indien sprake is van een bouwplan en voor de goedkeuring van dit bouwplan een wijziging of afwijking van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk is, is een gemeente verplicht om haar kosten op de initiatiefnemer en/of grondeigenaar te verhalen. Er moet een exploitatieplan worden vastgesteld ter verzekering van het verhaal van kosten. In artikel 6.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn categorieën aangewezen waarbij deze verplichting van toepassing is.

Het gaat daarbij om de volgende categorieën: de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met tenminste 1000 m² brutovloeroppervlakte of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1500 m² brutovloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van tenminste 1000 m² brutovloeroppervlakte Van het vaststellen van een exploitatieplan kan op basis van artikel 6.12 lid 2 onder a Wet ruimtelijke ordening worden afgezien als er op een andere wijze is voorzien in het verhaal van kosten.

Voor de onderhavige ontwikkeling worden de proceskosten en de ontwikkelingskosten en het risico op planschade gedragen door de ontwikkelende partijen. Er zijn geen bijzondere kosten voor de aanleg van ontsluitingen, kabels en leidingen. Met de ontwikkelende partij is daarnaast een anterieure overeenkomst afgesloten. Er is om die reden geen aanleiding voor het opstellen van een exploitatieplan aangezien alle kosten op een andere wijze worden gedekt.

Toelichting (vastgesteld)

65

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard

5.5.2

Handhaving

Handhaving en toezicht op de uitvoering zijn geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet ruimtelijke ordening. Burgemeester en wethouders zijn primair verantwoordelijk voor de bestuursrechtelijke handhaving. Aan de aan burgemeester en wethouders opgedragen zorgplicht tot handhaving ligt de in de rechtspraak ontwikkelde ‘beginselplicht tot handhaving’ ten grondslag. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal ingeval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Om inzicht te bieden in het (gemeentelijk) handhavingsbeleid is in de Wro voorzien in verplichte rapportages, zoals een jaarlijks handhavingsplan en een handhavingsverslag. 5.5.2.1 Gemeentelijk handhavingsbeleid Er is daarom een kadernota ‘Handhaving’ opgesteld. Deze kadernota is de eerste aanzet tot een verdere, integrale professionalisering van de handhaving en vormt de basis voor de uitvoeringsnota’s Milieu, Bouwen, Brandveiligheid en Overige vergunningen.

In deze uitvoeringsnota’s is voor de desbetreffende werkvelden concreet aangegeven hoe tot een goede en adequate uitvoering van de handhavingstaken gekomen wordt, met als voornaamste doel het verbeteren van de naleving van regelgeving door burgers en bedrijven. Per taakveld zal jaarlijks een (onderling afgestemd) handhavingprogramma worden vastgesteld, waarin staat aangegeven welke doelen zijn gesteld. De handhavingprogramma’s vinden op hun beurt weer een vertaling in werkplannen.

De burgers moeten er in beginsel aanspraak op kunnen maken dat met het bestemmingsplan strijdige situaties worden aangepakt. Een recht op handhaving bestaat niet, maar de gemeente moet deugdelijke en zwaarwegende argumenten hebben om niet tot handhaving over te gaan. Handhaving is dus niet alleen maar een zaak die uitsluitend aan het beleid van de gemeente is overgelaten. Als legalisatie niet mogelijk is, moet in beginsel worden opgetreden. Wil er zicht op legalisatie zijn, dan moeten er concrete en realistische stappen zijn gezet. 5.5.2.2 Wet op de economische delicten Bij wet van 30 juni 2004 zijn de strafbepalingen van de Wet op de Ruimtelijke Ordening overgeheveld naar de Wet op de economische delicten. Onder deze wet zijn de volgende delicten gebracht: handelingen in strijd met gebruiksvoorschriften en aanlegvergunningenstelsel; na afloop van een tijdelijke ontheffing het niet herstellen van de situatie in de vorige toestand of het in overeenstemming brengen van de situatie met het bestemmingsplan; handelingen in strijd de aanlegvoorschriften in een voorbereidingsbesluit, een besluit van Gedeputeerde Staten of een vervangingsbesluit; het niet in overeenstemming met de bestemming brengen van werken en werkzaamheden na aanzegging daartoe door burgemeester en wethouders, die zijn uitgevoerd na afloop van de termijn die in de aanlegvergunning is genoemd.

Deze normoverschrijdingen zullen worden aangemerkt als overtreding en als een economisch delict. Strafrechtelijk optreden is ook mogelijk bij overtredingen waarvan de gevolgen niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, overtredingen die zich telkens weer herhalen en kortdurende overtredingen. Er kan maximaal een geldboete worden opgelegd van € 45.000,-. Tevens biedt de wet de mogelijkheid de overtreder de verplichting op te leggen om op eigen kosten de gevolgen van het delict goed te maken. Het openbaar ministerie is belast met de uitvoering van de Wet op de economische delicten en voert daarin een geheel eigen beleid. Een combinatie van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving behoort ook tot de mogelijkheden.

66

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard

Toelichting (vastgesteld)

67

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard

Hoofdstuk 6 6.1

Overleg en inspraak

Uitkomsten overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Overeenkomstig artikel 3.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan: Provincie Noord - Holland; Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier; Veiligheidsregio NHN; Staatsbosbeheer; Gasunie. De provincie Noord-Holland heeft aangegeven dat het plan binnen bestaand stedelijk gebied ligt en dat de woningbouwaantallen regionaal zijn afgestemd. Het Hoogheermaadschap Hollands Noorderkwartier heeft in haar reactie aangegeven positief tegenover deze ontwikkeling te staan. Wel heeft zij nog enkele aandachtspunten meegegeven voor de nadere uitwerking van de plannen. Dit heeft te maken met beheer en onderhoud van de toekomstige watergangen. De gemeente blijft in overleg over het onderhoud van deze watergangen. De overige opmerkingen van het Hoogheemraadschap zijn verwerkt in de waterparagraaf 4.4.

6.2

Inspaakreacties en ambtshalve wijzigingen

Inspraakreacties Het voorontwerpbestemmingsplan Waarderhout heeft met ingang van donderdag 5 december 2019, gedurende een periode van vier weken voor eenieder ter inzage gelegen. Tijdens de periode van ter inzagelegging had ieder belanghebbende de mogelijkheid op de inhoud van het voorontwerpbestemmingsplan te reageren. Over de ter inzagelegging van het bestemmingsplan is voorafgaand aan de terinzagelegging bekendheid gegeven via het Heerhugowaards Stadsnieuws en de Staatscourant. Ook is er een informatiebijeenkomst gehouden voor omwonenden waar is gepresenteerd wat de herontwikkeling en beoogde realisatie van een bijzonder woonmilieu inhoudt. Tijdens de periode van ter inzagelegging zijn twee inspraakreacties ingediend. Deze inspraakreacties zijn beantwoord in de Nota van beantwoording inspraakreacties. Deze nota is als bijlage 10 toegevoegd. Belangrijkste wijzigingen zijn het schrappen van diverse afwijkingsbevoegdheden ten aanzien van het toestaan van antennemasten, maar ook maatschappelijke opvang en het toevoegen van woningen of slaapplekken.

Ambtshalve wijzigingen In de afgelopen jaren na de inspraakronde is het plan veel concreter geworden. Dit heeft ertoe geleid dat de verkaveling duidelijk is vast komen te liggen. Ook zijn de kwalitatieve randvoorwaarden ten aanzien van inrichting van de zowel de openbare ruimte als de uit te geven tuinen en de architectonische principes van de te realiseren woningen opgesteld. Dit heeft ertoe geleid dat de bestemmingen nu ook concreter op de verbeelding zijn aangegeven en dat bijvoorbeeld elke woning met een bouwvlak en woonbestemming is aangeduid. Hieronder worden de ambtshalve wijzigingen opgesomd: opnemen bestemming Wonen-Wonen in het bos; opnemen bouwvlakken met maatvoering waarbinnen de woningen gerealiseerd moeten worden; opnemen bestemming Bos-Bostuin waarbinnen vergunningsvrij bouwen niet mogelijk is; verwijderen parkeerhof bij binnenkomst: parkeren vindt nu plaats bij de woningen zelf; bij alle bestemmingen is een koppeling gemaakt naar de bebouwings- en inrichtingsprincipes uit het Masterplan dat als bijlage bij de regels is toegevoegd.

68

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard

6.3

Zienswijzen en ambshalve wijzigingen

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan 'Jan Glijnisweg 89d heeft vanaf 2 september 2023 voor 6 weken ter inzage gelegen. Eenieder is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Er is één zienswijze ontvangen. Deze zienswijze is beantwoord in de 'Nota van beantwoording zienswijzen Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard' die terug te vinden is als bijlage 11. De ingekomen zienswijze is beantwoord en heeft niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan geleid.

Ambshalve wijzigingen Er is een kleine aanpassing gedaan aan het plangebied ter hoogte van de Jan Glijnisweg. De bestaande in-en uitrit aan de Jan Glijnisweg, waar ook de nieuwe ontsluitingsweg voor het woongebied op de Jan Glijnisweg over zal worden ontsloten is voor de volledigheid en helderheid aan het plangebied toegevoegd.

Toelichting (vastgesteld)

69

bestemmingsplan Jan Glijnisweg 89d te Heerhugowaard

Eindnoten

1. Voor agrarische gebouwen is niet uitgegaan van het standaard bedrijfskental handreiking (geeft nl. forse overschatting). In PGS 1 deel 6 wordt in paragraaf 3 voor landbouw uitgegaan van 3 personen/hectare (totaal bebouwd en onbebouwd). De agrarische percelen beschouwd als industrie personeelsdichtheid laag = 5 personen/ha bebouwd en onbebouwd. Uitgaande van een gemiddeld bebouwingspercentage voor kassenbouwbedrijven van 80% bedraagt de personendichtheid 6 personen/hectare bebouwd oppervlak. 2. 40 (woningen) maal 2 (hectare) gedeeld door 3,8 (hectare) geeft 21 woningen

70

Toelichting (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=37a8fe60-9b82-4838-b8ec-79daa4e2ed33