CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Gebiedsbiografie Dijk en Waard - 2023 compleet definitief

Gemeenteraad 24 juni 2025, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Erfgoedbeleid Dijk en Waard 202529.059 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Terwijl in Heerhugowaard alle ruimte voor uitbreidingen aanwezig was, moest in Langedijk en Sint Pancras door de aanwezigheid van het water en de ligging op de zandrug geschikte ruimte voor een uitbreiding worden gezocht. Dat had weer tot gevolg dat stedenbouwkundigen met name in Langedijk steeds moesten bepalen op welke manier zij wilden reageren op de wisselwerking tussen land en water. Nu de eerste buurtjes na de oorlog tot uitvoering kwamen, kon, nu de vier dorpen echt één gemeente vormden, een samenhangende ontwikkeling van Langedijk concreet worden

Uitbreidingsplan-in-hoofdzaak voor Langedijk, Elze van den Ban 1964, (uit: RAA)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Luchtfoto van Oudkarspel van rond 1985 met op de voorgrond de wijk Barnewiel (Langedijker Verleden)

63

Middenstanders in Oudkarspel en Zuid-Scharwoude hadden er in 1954 per brief op aangedrongen dat de gemeente bij Barnewiel, de eerste uitbreiding van Oudkarspel, en het veel later gerealiseerde Mayersloot ten noordwesten van de Broekerveiling zou beginnen. Nog voordat de ruilverkaveling gereed was, vond de gemeente echter aan de oostzijde ruimte om uitbreidingen te realiseren. De eerste plannen daarvoor dateren al van de jaren vijftig, maar werden pas in de jaren zestig uitgevoerd. Achtereenvolgens kwam zo het tweede deel van de Oranjebuurt, ten oosten van de Louise de Collignystraat, de zuidelijk daarvan gelegen Bloemenbuurt en de Bomenbuurt (ook wel Plan Koog Noord genoemd) gereed.

Plantsoen langs vm. Machinesloot in de Bomenbuurt, met op de achtergrond de Hervormde kerk, begin jaren 70 (herkomst: Langedijker Verleden)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Bestemmingsplan Koog-Noord (Bomenbuurt), Bureau Wieger Bruin, 1958 (RAA)

64

Heerhugowaard zelf een grachtenloop te ontwerpen. Ze integreerden de oude Doesensloot (nu: Machinesloot), een bestaand landschapselement, in het plan als drager van de centrale groenzone. In Sint Pancras verschilde de economische situatie niet veel van die van de gemeente Langedijk. Er werd ingezet op glastuinbouw om werkgelegenheid te behouden en bij de uitbreiding werden tuinbouwgronden zoveel mogelijk gespaard. Ook in Sint Pancras zochten de jongeren steeds vaker werk buiten de gemeentegrenzen in de Zaanstreek en bij Hoogovens. Sint Pancras was al sinds de Eerste Wereldoorlog voor inwoners van Alkmaar een aantrekkelijk woongebied. Vanuit de noodzaak om het grondgebied uit te breiden had Alkmaar in 1963 behalve Oudorp en Koedijk, ook Sint Pancras willen annexeren. Toch wist Sint Pancras de annexatie tegen te houden.

Vergelijk tussen landschappelijke verkaveling voor (1952) en na de aanleg (1972) van de Bomenbuurt. De Potjessloot en de Doesensloot zijn geïntegreerd in het plan. (Topotijdreis.nl)

De Bomenbuurt is een mooi voorbeeld van de mate waarin de aanpak van Wieger Bruin Vink Van de Kuilen in Langedijk verschilde van hun ontwerpen voor Heerhugowaard. Diezelfde benadering is ook zichtbaar in de Oranjebuurt en de Bloemenbuurt uit ongeveer dezelfde periode. De verkaveling van de Bomenbuurt is moderner dan voorheen met half-open bebouwing en de langs de Hulststraat geschakelde eengezinswoningen in een getrapte zaagtandverkaveling. Parkeren werd net als in Heerhugowaard in de binnenhoven gesitueerd en woningen konden zowel aan straten als aan woonpaden komen te liggen. Voor het bouwrijp maken van de gronden zijn de sloten weliswaar dicht gegooid, maar Wieger Bruin Vink Van de Kuilen hoefden niet zoals in

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Het Bouwfonds Nederlandse Gemeenten had de populariteit van Sint Pancras bij particuliere kopers uit Alkmaar al snel ontdekt. Het gebied waar de Bomenbuurt van Sint Pancras verrees, lag onder de rook van Alkmaar. Het was de eerste uitbreiding aan de oostkant van het dorp. Het Bouwfonds realiseerde aan de Stuimellaan in de oostelijke uitbreiding van het dorp, seriematige woningbouw. Het project omvatte zeventig eengezinswoningen. Industriële werkgevers (onder meer firma Huiskamp aan de Frieseweg) kochten deze woningen voor hun werknemers op.

65

De Bomenbuurt kwam tot stand op basis van een uitbreidingsplan uit 1965 naar ontwerp van stedenbouwkundige Vink van het bureau Wieger Bruin Vink Van de Kuilen, bijgestaan door H.P. Kuypers. De uitbreiding kon profiteren van de geprojecteerde Schagerweg (N245), westelijk van Sint Pancras, waardoor de nieuwbouw goed ontsloten was. Belangrijke hoofdas is de A.V.H. Destreelaan die een breed opgezet profiel met mooie groenzones heeft. De opzet is vergelijkbaar met wijken in Langedijk uit dezelfde periode. Het omvatte verder eengezinswoningen in een ‘Woonhof’ rond de Wilgenlaan, veel openbaar groen, een sport- en speelterrein en een zwembad. Langs de Vinkenlaan kwamen bungalows en bejaardenwoningen in een halfopen hofje (Kroonenburghof).

A.V.H. Destreelaan, Sint Pancras.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Uitbreidingsplan in onderdelen, Bureau Wieger Bruin Van de Kuilen, 1965 (herkomst: RAA)

66

6 1970-1980: Vlekken stedenbouw

Uitbreidingsplan Centrum West 1970, Langedijk H.P. Kuypers, 1971 (Herkomst: RAA)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Uitsnede Structuurplan 45.000, Heerhugowaard, Vink Van de Kuilen Klein, 1971 (Herkomst: RAA)

67

Het structuurplan dat door de gemeente van Heerhugowaard werd vastgesteld en het uitbreidingsplan Centrum West van Langedijk, beide uit 1971, laten een nieuwe vorm van stedenbouw zien. In de jaren zestig was op de uitbreidingsplannen vrij gedetailleerd aangegeven hoe de verschillende wijken verkaveld werden, werd de locatie van de scholen en andere voorzieningen aangegeven en waar groen en water zich zouden bevinden. Rond 1970 waren de uitbreidingsplannen van Wieger Bruin Vink Van de Kuilen met H.P. Kuypers als projectarchitect planologisch van opzet. Hierop was alleen globaal aangegeven waar gewoond kon worden, waar bedrijven, onderwijs- en zorginstellingen moesten komen en hoe hoofd- en secundaire ontsluitingen de verbindingen daartussen moesten leggen. De precieze uitwerking per wijk kwam tot stand in het overleg tussen de stedenbouwkundig adviseur, de projectleiders en stedenbouwkundige van de gemeente en de door projectontwikkelaars en corporaties ingehuurde architecten. Flexibiliteit stond voorop. De structuurplannen moesten ruimte openlaten voor noodzakelijke wijzigingen, wanneer de bevolkingsgroei opeens enorm zou toenemen. Maar ze moesten ook houvast bieden voor de invulling. In Heerhugowaard kon zo in snel tempo aan de uitwerking van de verschillende wijken in Zuid-Westen van Heerhugowaard gewerkt worden, want het raamwerk was al door de raad vastgesteld.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Heerhugowaard: voor elke vlek een eigen vorm Hoe snel de bevolking van Heerhugowaard groeide laten de cijfers zien die in het Structuurplan 1980 van 1968 werden gepresenteerd. Jaartal

Aantal inwoners

1955

6500

1960

6730

1967

10.323

1 jan 1970

14.939

1 juli 1970

16.204

1975

26.000

1980

32.478

een locatie ten noorden van de spoorlijn naar Hoorn. Zo ver kwam het echter niet. Er werd voor gekozen om de brede groene strook langs de Zuidtangent niet meer te verlaten. Hierop kwam Middenwaard, de naar Amerikaans voorbeeld gebouwde ‘shopping mall’, te staan. Tegenover Middenwaard had het bureau van Wieger Bruin een strook met hoogbouw gedacht om enige afwisseling in de bebouwing aan te brengen zonder aan te geven welke vorm de stad daarmee zou kunnen krijgen. Die hoogbouw is er uiteindelijk niet gekomen. Dat verklaart de onevenwichtige verhouding tussen de breedte van de Zuidtangent en de hoogte van de aanliggende woonbebouwing. De geplande uitbreidingen en verschuiving van het centrum betekende een radicale verandering van de infrastructuur van Heerhugowaard. In de opzet van het structuurplan bestaat een hiërarchische verdeling tussen de regionale verbindingen, de stadshoofdwegen zoals de Westtangent, de Oosttangent en de Zuidtangent en de wijkontsluitingswegen, denk aan de Krusemanlaan. Want de auto was in de gedachtegang van de ontwerpers dominant. Voor verbetering van de regionale verbindingen ten oosten van de Oosttangent had een verkeersader, de zogenoemde Stamweg, moeten worden toegevoegd en voor de verbinding Geestmerambacht- Enkhuizen werd ten zuiden van het hoofdcentrum een oost-westverbinding geprojecteerd. Die laatste twee zijn er nooit gekomen.

Na een vertrekoverschot in de eerste jaren na de oorlog was binnen tien jaar sprake van een vestigingsoverschot, want nieuwkomers kwamen uit de IJmond, Amsterdam, Alkmaar, Zaanstreek, Haarlem en West-Friesland om in Heerhugowaard te wonen en elders te werken. De inkt van het structuurplan van 1968 was nog niet droog of er werd al gewerkt aan het structuurplan van 1981. De uitgangspunten waren hetzelfde. H.P. Kuypers had zich nu losgemaakt uit het bureau Vink Van de Kuilen Klein en was alleen verantwoordelijk voor dit plan en ontwerpen voor de wijken die daarop volgden. Het structuurplan van 1981 was flexibel en ging uit van drie fasen in de groei van Heerhugowaard. De eerste fase ging uit van de 15.000 inwoners die Heerhugowaard in 1971 telde. In 1981 zou dat aantal 45.000 inwoners tellen en zou het centrum moeten verschuiven naar een locatie ten zuiden van de Zuidtangent. Bij de groei naar 70.000 inwoners werd voorgesteld om het centrum te verplaatsen naar

68

nw eg

Geplande Westtangent en N194

iet

,n

Ge p

lan

ing

de

ind

Oo

stt

erb tv

an g

en

te

s we stOo

nN ol

le

Vondellaan

rd

e vo

ge uit

Structuurplan 1969, Vink Vande Kuilen Klein. Op de kaart van het Structuurplan 1969 zijn goed de gepland regionale ontsluitingswegen te zien. De oost-west weg werd niet gerealiseerd, de Oostertocht ten oosten van de bebouwing kwam er pas veel later. (herkomst: RAA)

Icaruslaan

De Westtangent die langs de Westertocht kwam te liggen, nam de hoofdverbindingsfunctie van de Middenweg over. De Stationsweg werd hierdoor in tweeën gesplitst. Aan de oostzijde werd, overigens pas in 1990, de Oosttangent gelegd en de Zuidtangent diende als verbinding tussen Middenwaard en Langedijk. Deze doorsnijdt het druipland de Vlaerding en verving de Uitvalsweg die juist om dit druipland heen was gelegd.

van de Zuidtangent gelegen wijken, maar dat veranderde niet voor de wijken in het plan voor Centrum Zuid West.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Het verkeer moest volgens de ontwerpers zo veilig en vlot mogelijk verlopen. Daarom werd in de toelichting nadrukkelijk aangegeven dat op de wijkwegen ‘directe toegang tot huizen, winkels of andere panden waar mogelijk moet worden vermeden’. Het gevolg daarvan was dat de wijken een naar binnen gekeerd karakter hebben gekregen. Slechts op sommige plekken staan de ingangen van de woningen aan de wijkontsluitingswegen. Dat was al zo bij de noordelijk

Het probleem van deze globale opvatting van stedenbouw is dat de vormgeving van de stad losgekoppeld wordt van de ruimtelijke identiteit en de unieke kenmerken van de Heerhugowaard. Er wordt een kader van wegen- en groenstructuur aangegeven, maar de invulling wordt per wijk bepaald.

69

De raster structuur van de droogmakerij van Heerhugowaard bood voor deze benadering natuurlijk een ideale onderlegger. Binnen dat raster van wegen kon steeds weer opnieuw een wijk met een geheel eigen identiteit worden ontworpen. Maar hoe de stad als geheel vorm moest krijgen bleef onduidelijk. Deze planologische benadering werkte ‘projecten stedenbouw’ in de hand. Het gevolg daarvan was dat het stationsgebied, Middenwaard, en de wijken ten zuidwesten daarvan op zichzelf staande eenheden werden, die geen duidelijk ruimtelijke samenhang met elkaar hebben. De wijken ten zuiden van de Zuidtangent kregen ook heel andere opzet dan de wijken ten noorden daarvan. Ze vormden met het hoofdcentrum en het park onderdeel van het bestemmingsplan Centrum Zuid West 1972 dat in 1973 werd vastgesteld. De geplande oost-west verbindingsader die Enkhuizen met het Geestmerambacht moest verbinden, vormde de zuidelijk grens van het plangebied. Op de plek van deze weg die uiteindelijk niet gerealiseerd werd, kwam het Luipaardpark te liggen. Qua woningaantal werd in 1973 uitgegaan van in totaal 3600 woningen, overwegend laagbouw. Bij de behandeling van het bestemmingsplan Centrum Zuid West in de raad stelde een raadslid voor om meerdere architecten bij de invulling van een wijkplan te betrekken. Maar het college meende dat de variatie zou ontstaan als één bureau meerdere woningtypen moets ontwerpen.

Grote delen van een wijk zijn door één architect – bijvoorbeeld Ben Loerakker of de Architectengroep – ontworpen. De opeenvolgende wijken, in de praktijk van alledag als vlek A tot en met K aangeduid, werden met elkaar verbonden door een ringweg (Smaragd-Amstel-Geul-Diamant). In de noord, oost, west- en zuidzijde fungeerden respectievelijk de Rustenburgerweg, Haringvliet, de Middenweg, Saffier en Robijn de toegang vanuit de hoofdverkeerswegen.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

E H

J C

K D

F

A

B

G

Plan bij Bestemmingsplan Zuid West 1972, Heerhugowaard, Vink Van de Kuilen Klein, projectarchitect: H.P. Kuypers, 1973 (Herkomst: RAA)

Naam wijk

vlek

datum

aantal woningen

W per ha

Edelstenenwijk Zuid

A

1974

296

30

Edelstenenwijk Zuid West

B

1974

220

27,5

Edelstenenwijk Oost

C

1974

539

28

Edelstenenwijk West

D

1973

261

35

Centrum Zuid West E

E

1976

310

36

Rivierenwijk Noord

F

1974

480

33

Rivierenwijk Zuid

G

1979

651

28

Molenwijk Noord

H

Niet bekend

Molenwijk Zuid

J

Niet bekend

Molenwijk Oost

K

Niet bekend

70

H.P. Kuypers ontwierp alle wijken binnen dit plan. Hij volgde hierbij de trend van begin jaren zeventig door voor de nieuwe wijk variaties op een zogenoemde ’bloemkoolwijk’ te kiezen. Als ontsluiting van zo’n wijk dient een ringweg van waaruit kleinere, doodlopende straatjes toegang geven tot de buurten. De oorsprong van de opzet van deze wijken ligt in Emmen, in Emmerhout en Angelslo, tussen 1961 en 1974 ontworpen door Niek de Boer en A.J.M. de Jong. Alleen gebruikten beide stedenbouwkundigen daar de oorspronkelijke landschapselementen om variatie in de bebouwing te brengen en in de openbare ruimte een grote afwisseling in stenige en groene delen te brengen. In het platte landschap van de Heerhugowaard waren dat soort elementen niet aanwezig. In de opzet van de ‘bloemkoolwijk’ is de klassieke straat met driedeling van middenweg en stoepen langszij verdwenen. Vanuit de wens om de collectieve ruimte als plek van ontmoeting vorm te geven, kwam er een eenheid tussen bebouwde en onbebouwde ruimte en een grote variatie van verschillende soorten buitengebied. In de plattegrond kwam de keuken aan de voorzijde, een omkering van wat altijd gebruikelijk was geweest, om de overgang tussen private en openbare ruimte vorm te geven. De schuur aan de voorzijde markeert die overgang. Zowel voor- als achter komt de woning uit op een collectieve ruimte.

De openbare ruimte werd ingericht als woonerf, waarin geen trottoirs aanwezig zijn, omdat de scheiding tussen verkeerstromen ontbreekt en de

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

openbare en private ruimte in elkaar overlopen. Het idee is dat kinderen veilig op straat kunnen spelen; de voetganger had geen last van snelverkeer. In de stedenbouwkundig benadering die kleinschalig van karakter is, verdween min of meer de scheiding tussen stedenbouw en architectuur, maar ook tussen voor- en achterzijde van de woning.

Het grootste verschil tussen de noordelijke en zuidelijke wijken is de verkaveling van de woningbouw en de architectuur. In deze wijken vinden we geen woningbouwstroken rond binnentuinen. Hier verspringen de woningbouwblokjes ten opzichte van elkaar en staan de woningen met de achtertuinen of de entrees aan een straat of aan een plantsoentje. Kleine perkjes bij de bergingen, langs de zijkanten van de woningen of als afscherming van parkeerplaatsen moeten het groene karakter van dit soort wijken versterken. Een belangrijke opgave was om een plek voor de auto te vinden. In de wijken in Centrum Zuid West liggen parkeerplekken aan weerszijden van groene speelvelden, soms binnen groene hagen, en vaak is er een plek voor de auto op het eigen woonerf. In de toelichtingen op de bestemmingsplannen wordt expliciet aangegeven dat bewoners soms 200 meter naar hun auto zullen moeten lopen.

Deze wijkopzet ontstond als reactie op de als anoniem en monotoon ervaren wijken uit de jaren zestig. Die kenden in andere steden vaak een rastervormig stratenstelsel met hoogbouw langs de randen, langs de hoofdwegen of bij de entree van de wijk. In Heerhugowaard kon de nieuwe opzet van de bloemkoolwijk echter moeilijk als tegenreactie worden gezien, aangezien deze typische jaren zestig wijken met hoogbouw hier ontbreken. De uitgangspunten voor de wijken na 1945 veranderden eigenlijk niet. Die kregen vanaf 1971 alleen maar op een ander manier vorm. Net als in de wijken van de jaren zeventig, worden ook in de wijken van Centrum Zuid West de rechtstanden in de buurtstraten kort gehouden om de snelheid van de auto af te remmen; en ook hier zorgt een onafhankelijk stelsel van voetpaden ervoor dat de voetganger een eigen weg kon kiezen. Openbaar groen is alom aanwezig: groene zones vormen het hart van de wijk of doorkruisen de wijk en zijn verbonden met een parkstrook die de wijk omsluit en de grens vormt met de ernaast liggende wijk. En net als in de noordelijke wijken, omvatte het programma van eisen ook een lagere school, meestal in het centrum of bij de toegang van de wijk.

71

Bestemmingsplan Rivierenwijk, Vink Van de Kuilen Klein, projectarchitect: H.P. Kuypers, 1974 (Herkomst: RAA): In de meeste van de jaren zeventig wijken valt de grote hoeveelheid auto’s op die niet altijd op het erf van de woningen of onder carports kunnen staan. Op papier ziet de Rivierenwijk Noord er groen uit. In werkelijkheid is die stenig en domineren de geparkeerde auto’s het straatbeeld. De gevarieerde woningverkaveling waarin rechte woningblokjes worden afgewisseld door getrapt geplaatste woningen, sneuvelden in de uitvoering van het ontwerp sneuvelden en werden vervangen door alleen maar rechte woningblokjes.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

72

Klein, projectarchitect: H.P. Kuypers, 1974 (RAA). In Edelstenenwijk Oost deelt het noordoost-zuidwest lopende water de wijk in twee ongeveer gelijk delen, terwijl het zuidelijk deel door groenzones weer in drieën wordt gedeeld. Bruggen die alleen toegankelijk zijn voor voetgangers en fietsen verbinden de buurten onderling. De voetpaden verbinden het woongebied met de parkstrook rondom en de groengebieden tussen de buurten. In de Edelstenenwijk Oost ontleent elke buurt zijn identiteit aan de vorm van het plantsoen, waar omheen de aaneengeschakelde woningen zich plooien.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

73

De architectuur van de woningen in de verschillende wijken van Centrum Zuid West verschilt niet veel van elkaar. De vormgeving wordt vooral bepaald door de typologie: geschakelde eengezinshuizen, vrijstaande woningen, seniorenwoningen of meer-verdiepingenwoningen, maar de laatste zijn ook in deze wijken zeldzaam. In de jaren zeventig werd de kleinschaligheid van de woningen benadrukt door toepassing van allerlei vormen van hoog opgaande en ver tot de grond reikende zadeldaken en wordt de overgang privé en openbaar vormgegeven door de bergingen aan de voorzijde, een carport of door een getrapte rooilijn toe te passen. Het toegepaste materiaal is overwegend rood baksteen, met boeiboorden van trespa. Het landelijk karakter dat past bij het sub-urbane wonen, benadrukt door houten beschietingen van borstweringen, die oorspronkelijk van gelakt hout zijn gemaakt, maar later vaak geschilderd worden. Heel af en toe springt de architectuur van de woningbouw vanwege een bijzondere vormgeving eruit, zoals in het centrum van de Edelstenenwijk oost en de Molenwijk Noord.

Woningbouw aan Obsidiaan

Aad Breed, woningbouw rond Moutmolen, begin jaren 90, Eind jaren negentig ontwierp Aad Breed rond de Moutmolen 46 huur- en 80 koopwoningen die elk een onderscheidend kenmerk kregen door een afwijkende kleur, variatie in toepassing van metselverband, een andere raamindeling of in de dakvorm. Centraal in de wijk staat een poortgebouw, die een getrapte driehoekige vorm heeft en een baken vormt in de buurt.

Woningbouw aan Albast, ontwerper onbekend, jaren negentig: In het centrum van Edelstenenwijk Oost aan Albast staat een complex dat bestaat uit geschakelde, kubistisch vormgegeven eengezinswoningen en dat door de licht hellende daken en het oranjeroze pleisterwerk een Mediterraan karakter heeft gekregen.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

74

Langedijk en Sint Pancras: het landschap als leidend principe Een belangrijk doel van de ruilverkaveling van het Geestmerambacht was, naast modernisering van de tuinbouw, ook de sanering van de bestaande woningvoorraad en creëren van land voor de uitbreidingen van Langedijk en Sint Pancras. In Langedijk werden de bestaande woningen voor het eerst aangesloten op een rioleringsstelsel. De straat zelf werd nadrukkelijk aangemerkt als structurerend, cultuurhistorisch waardevol element. Wel moesten veel voortuinen van woningen wijken voor de verbreding van de Dorpsstraat. Veel sloten verdwenen onder een laag zand om bouwrijp gemaakt te worden. Bij het ontwerp van de wijken opereerde H.P. Kuypers die in de jaren zeventig ook in Langedijk verantwoordelijk was voor de uitleg van de wijken, echter anders dan in Heerhugowaard. Hierboven werd beschreven dat het raster van wegen en sloten in de droogmakerij in de jaren zeventig nauwelijks een factor was bij de uitleg van de wijken in Centrum Zuid West. In Langedijk is het vinden van aansluiting bij het onderliggend landschap in het ontwerp van de uitbreidingen juist een belangrijk thema. De bestuurders van Langedijk werden door de bewoners van Langedijk ook onder druk gezet om met de cultuurhistorische kenmerken en de natuurwaarden in het gebied rekening te houden. Dat laten de acties voor het behoud van de Oosterdel goed zien.

Bij het maken van het plan voor de ruilverkaveling was het Oosterdel-gebied buiten schot gebleven. Dit gebied van 260 ha bestond voor 40 ha uit water met diepe sloten, hetgeen de herverkaveling tot een kostbare onderneming maakte. Het bestuur wilde het gebied wel als natuurgebied handhaven, maar zij was armlastig en zag zich genoodzaakt de grond te verkopen. Van de zeventien ontwikkelaars die met plannen voor de bebouwing kwamen, kreeg BOHAN, een dochteronderneming van Ballast Nedam, uit Utrecht

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

uiteindelijk de opdracht. De bewoners, verenigd in Actiegroep ‘Behoud Oosterdel’ en gesteund door 30 verenigingen en natuurorganisaties, startten een handtekeningenactie, waaruit bleek dat 85% van de bevolking tegen de plannen was.

Bijeenkomst van bewoners en natuurorganisaties. voor het behoud van Oosterdel, 1974 (herkomst: Langedijker Verleden)

De Lepelaar met rechtsonder het Schapenland, jaren zeventig.(herkomst: Langedijker Verleden)

75

Niet alleen waren zij bang voor een grove aantasting van de natuur, waar de weidevogels na de ruilverkaveling waren neer gestreken. Ook zou de toevloed van nieuwe, doorgaans rijkere inwoners uit de randstad, die waarschijnlijk hun villa op een van de eilandjes slechts als tweede huis zouden gebruiken, het evenwicht in de dorpsgemeenschap uit balans brengen. De actiegroep wist te bewerkstelligen dat de toenmalige staatsecretaris Meyer van het ministerie van Cultuur, Recreatie en Milieu zelf polshoogte kwam nemen. Toen bleek dat BOHAN het zand voor de ophoging ook nog eens uit het onbebouwde deel van de Oosterdel moest halen, haalde het gemeentebestuur van Langedijk bakzeil. BOHAN verkocht een deel van de eilanden, zodat de kopers daarop een eigen huis konden bouwen. Door een grondruil kwam Staatsbosbeheer in het bezit van het zuidelijk deel van Oosterdel. Er werd een ringweg aangelegd – de Lepelaar - om de woningen die op de schiereilanden gebouwd werden bereikbaar te maken. Iets van het vroegere karakter van bewoning van de vroegere eilanden is nog ervaarbaar op het Schapenland, waar ook nog een enkele tuinderswoning bewaard is gebleven. De ontwerpbenadering van H.P. Kuypers bij het ontwerp voor de uitbreidingen voor de westzijde en de oostzijde van Langedijk verschilt aanzienlijk.

Bij de uitleg van Langedijk Centrum West uit 1971 had hij te maken met het feit dat het slotenpatroon hier al onder een laag zand was verdwenen. De opzet verschilt niet veel van de wijken die hij in die periode ook voor Heerhugowaard maakte. Op het globale bestemmingsplan is net als bij zijn plan voor Heerhugowaard Centrum Zuid West een ringweg getekend die de verschillende deelgebieden aan elkaar rijgt. Het centrum van Langeweide zoals deze wijken zijn gaan heten, wordt gevormd door een groene zone. De loop van het water heeft weinig verband met het onderliggende verkavelingspatroon.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

H.P. Kuypers, Langedijk Centrum West 1970, 1972 (herkomst: RAA)

76

Invulling van Plan Centrum West 1970 met ontwerp voor deelgebied Langeweide e.o., 1974. Net als bij de wijken in Heerhugowaard Centrum Zuid West gaat het bij Langeweide om woonerfwijken: kleinschalige bebouwing waarbij het onderscheid tussen stedenbouw en architectuur zo klein mogelijk is gemaakt, de rechtstanden van de rijwegen kort zijn gehouden om de snelheid af te remmen en de voetganger een dominante positie krijgen. (herkomst: RAA)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

77

Ontwerp Vissenbuurt, H.P. Kuypers, 1979.(Herkomst: RAA)

Luchtfoto Vissenbuurt, Zuid-Scharwoude, 2020. In de Vissenbuurt weet Kuypers aan de ene kant een harmonieuze aansluiting van de dorpsbebouwing en de zichtlijn op de Nederlands Hervormde kerk te handhaven. Aan de andere kant is de sluit het dun bebouwd deel aan bij het aanwezige cultuurlandschap. (Google Earth)

Uitsnede topografische kaart 1976 (Topotijdreis.nl)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

78

Hoewel de stedenbouwkundige benadering niet wijzigt en de architectonische vormgeving van de woningen niet veel verschilt, dringt in de plannen aan de oostzijde van de Dorpsstraat het water van het bestaande landschap in de nieuwe wijkjes door. Het gaat om de ontwerpen voor de Vissenbuurt in Zuid-Scharwoude (1979), en de Dubbele buurt (1978), niet te verwarren met de oude buurt ten westen van de Dorpsstraat. Ook Sint Pancras koesterde door de ontwikkelingen rond het dorp haar unieke, dorpse karakter. Door de regionale ontwikkelingen rond Sint Pancras werd duidelijk dat het dorp door haar ligging in het agrarisch gebied een unieke identiteit bezat. In 1972 kwam de noordelijke kern van Koedijk bij Sint Pancras. De overige gebieden - het zuidelijke deel van Koedijk, Westbeverkoog en Daalmeer - werden door Alkmaar geannexeerd om hier woningbouw en industrie te realiseren. Door de ruilverkaveling en als gevolg daarvan de aanleg van de Schagerweg (N245) in 1971 en de komst van het recreatiegebied rond de Kleimeerpolder werd Sint Pancras steeds toegankelijker. Dat was nodig omdat de bevolkingsgroei in de regio van Alkmaar geen gelijke trad hield met de werkgelegenheid, en het forensenverkeer toenam, ook van en naar Sint Pancras. Al bleef Sint Pancras een zelfstandige gemeente, het dorp moest in de jaren zestig zowel ruimtelijk als mentaal zijn geïsoleerde positie opgeven.

Zij raakte ingeklemd tussen de oprukkende bebouwing op het grondgebied van Alkmaar en Heerhugowaard. In het streekplan van 1962, dat in 1982 werd herzien, moest de noordelijke kanaalzone langs Koedijk haar landelijke karakter behouden. De Vroonermeer bleef in gebruik voor tuinbouw, en vormde een groene buffer tussen Alkmaar en Sint Pancras in.

Bestaande toestand Zuideinde 1963 (herkomst: RAA)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

79

Het plan voor Zuideinde omvat een groot aantal typen eengezinswoningen. De ten opzichte van elkaar verspringende woningblokjes liggen overwegend aan traditioneel ingerichte straten, maar woonerf-achtige inrichting van de openbare ruimte met woningen aan voetpaden komt ook voor. Voor behoud van het dorpse karakter werd de bouwhoogte beperkt, en ook de menging van open en half-open bebouwing sluit aan bij de opzet van het dorp. De woningen zijn gegroepeerd rond een scholencluster. Uitbreidingsplan Zuideinde, H.P. Kuypers, 1975 herkomst: RAA)

Luchtfoto Zuideinde Sint Pancras (Vogelbuurt) (Google Earth)

Voor het behoud van dat dorpse karakter werd voor het noordelijk deel van Sint Pancras een conserverend bestemmingsplan opgesteld. Zo werd bijvoorbeeld vastgelegd dat de diepe, overwegend onbebouwde zandgronden tussen de Kerkelaan en Van de Vijzellaan niet bebouwd konden worden. Waar de agrarische werkzaamheden stil kwamen te liggen, zoals aan de westzijde van de Benedenweg, kwam ruimte voor kleinschalige bedrijvigheid. Grootschalige bedrijvigheid werd verplaatst naar bedrijfsterreinen in de regio. Voor de ondersteuning van het gemeenschapsleven liet Sint Pancras een sportcomplex met zwembad, tennisbanen een dorpshuis bouwen tussen de Vinkenlaan en de Boeterslaan.

Toen in de jaren zestig een uitbreidingsplan voor Zuideinde van Koedijk werd gemaakt, in de tijd dat Koedijk nog een zelfstandige gemeente was, hoopten de rooms katholieke parochianen dat daarin ruimte kwam voor een eigen dorpskern. Elze van den Ban had al in 1964 een uitbreidingsplan in hoofzaak voor Zuideinde gemaakt. De Zuideinders waren tot dan toe gericht geweest op de Sint Laurentiusparochie van Oudorp-Sint Pancras. Binnen het overwegend protestantse Sint Pancras wilden zij een centrum dichterbij met een eigen kerk en een wijkgebouw/dorpshuis, een lagere school, een tweede kleuterschooltje, een bejaardentehuis en een aantal bejaardenwoningen, winkels, werkplaatsen en andere bijzondere gebouwen. Inderdaad werden scholen en

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

kerk (inmiddels gesloopt) gerealiseerd, maar daar bleef het bij. Het uitgevoerde plan voor Zuideinde, wat de Vogelbuurt zou gaan heten, dateert uit 1968-1975 en was uiteindelijk van H.P. Kuypers en van F.J. Zandvoort met wie hij veel samenwerkte. De stedenbouwkundige opzet is een mengvorm van de tuinstedelijke opzet zoals we die van Heerhugowaard Noord kennen en de soms meanderende straten van de stedenbouw van de jaren zeventig.

80

Vormen van gemeenschap Lange tijd waren de kerkelijke gezindten waarvan de bewoners lid waren, een bepalende factor voor de cultuur in de dorpen en buurtschappen binnen Dijk en Waard. De godshuizen domineren ook nu in de dorpskernen nog het dorpsbeeld, hoewel ook in Dijk en Waard de ontkerkelijking heeft ingezet. Heerhugowaard gold als rooms katholiek, ondanks dat de rooms-katholiek inwoners sinds de reformatie in de 16de eeuw formeel geen bijeenkomsten mochten organiseren. Met het herstel van de bisschoppelijk stoel in 1851 symboliseert de bouw van Rooms Katholieke kerken eind 19de eeuw de emancipatie van de Rooms Katholieke gelovigen binnen de samenleving. Eerst verrees in 1870 de Sint Dyonisius aan de Middenweg, ontworpen door de toen bekende architect A. Bleijs. Onder druk van de Rooms Katholieke gelovigen in het noorden van Heerhugowaard, die de tocht naar de Sint Dyonisius te ver vonden, werd aan de Middenweg in het noorden tegen de zin van de pastoor in door C.P.W. Dessing een imposante Heilige Hart kerk gebouwd in Byzantijns-Romaanse stijl. Van een buurtschap De Noord was toen eigenlijk nog nauwelijks sprake. De Sint Dyonisius zelf werd in 1963 gesloopt en vervangen door een bijzonder vormgegeven, moderne kerk (A. Lourijssen en B.J. Stevens) waarvan de plattegrond beïnvloed werd door de liturgische vernieuwing die voortkwam uit het Tweede Vaticaans Concilie.

De protestanten gingen in de rond de polder liggende dorpen ter kerke, omdat het polderbestuur de bouw van een eigen protestantse kerk te duur vond. De protestante

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

vooral Noord- en Zuid-Scharwoude. In Oudkarspel kreeg het socialisme een stevige voet aan de grond, omdat er vanwege grote bedrijven als het Houtbedrijf van Eecen en de zuurkoolfabriek van Hart veel arbeiders woonden. De bescheiden, oorspronkelijk 14de eeuwse Allemanskerk aan de Dorpsstraat, is er de enige kerk van betekenis en kende in haar geschiedenis veel verbouwingen en door verwoestende branden ook grote herstelwerkzaamheden.

geloofsgemeenschap kon eindelijk zelf in 1871 een kerk in Heerhugowaard bouwen, dichtbij de Sint Dyonisius. Hij werd ontworpen door J. de Haan en H.G. Gallay. Vanwege de doleantie in 1886, de afscheiding van de gereformeerden onder Abraham Kuyper, splitste een groep zich af om de Gereformeerde kerk (Jan Leegwater, 1916) aan de Stationsweg te bouwen, met een eigen schoolgebouw, pastorie en begraafplaats. De protestantse gelovigen waren, anders dan de naam doet vermoeden, in Sint Pancras in de meerderheid. Koedijk was overwegend rooms katholiek. De parochie daar vroeg en kreeg met de aanleg van de nieuw wijk Zuideinde een eigen parochiaal centrum. In de dorpen van Langedijk was de verdeling over de verschillende geloofsgroepen en niet-religieuzen als de socialisten gelijkmatiger, met uitzondering van Broek op Langedijk. Daar stichtten de verschillende richtingen binnen de protestantse kerk – gereformeerd, christelijk-gereformeerd, hervormd, doopsgezind - dicht bij elkaar een eigen kerkgebouw. Enkele van hen zijn inmiddels weer samengegaan. In Noord-Scharwoude kon de Rooms Katholieke geloofsgemeenschap door een opgaand economisch tij en door schenkingen in 1907 de Sint Jan de Doper in gebruik nemen. P.J. Bekkers ontwierp de kerk in een neogotische stijl. Door de grote omvang strekt de kerk zich vanwege het ondiepe perceel breed uit langs de toen nog niet gedempte Voorburggracht.

Samen met een klooster en de erachter gelegen scholen werd de ‘Kathedraal van het Noorden’ een Rooms Katholiek bolwerk voor rooms-katholieke gelovigen uit

Opening van de Gereformeerde school naast pastorie en kerk aan de Stationsweg (voorheen: Basseweg) in Heerhugowaard, 1912 (Herkomst: RAA)

81

De Sint Jan de Doper in Noord-Scharwoude, de ‘Kathedraal van het Noorden’ in 1960 aan de Voorburggracht, voordat deze gedempt werd (Herkomst: RAA) Kolfwedstrijd in september 1911 van de Kolfclub ‘Op Maat’ in café ‘de Rode Leeuw’ te Zuid-Scharwoude (Herkomst: RAA)

Zoals ook elders in Nederland was de verzuiling alom aanwezig. Elke geloofsrichting en politieke richting kende zijn eigen verenigingen waarvan er zelfs rond 1972 nog zeker 300 actief waren. Van de gymnastiek-, handbal-, voetbal-, huisvrouwen- en zangverenigingen bijvoorbeeld konden er daarom meerdere bestaan. Langedijk gold lange tijd als centrum van de Kolfsport, een oude volkssport die overal in de Hollandse provincies werd beoefend. Nog steeds zijn in Oudkarspel en Zuid-Scharwoude meerdere Kolfverenigingen actief.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Buiten de door geloofsgemeenschappen of politieke richtingen georganiseerde evenementen en bijeenkomsten, kennen Heerhugowaard, Sint Pancras en Langedijk ook tradities die of al eeuwenlang bestaan, of die direct gekoppeld zijn aan de voor de dorpen typerende economie. Elk dorp heeft in Dijk en Waard zijn eigen kermis waarvan het katknuppelen een vast onderdeel is. De kat is sinds lang vervangen door een houten klos. Wanneer, zoals in Sint Pancras in 1886 de gemeenteraad meent de kermis te moeten afschaffen, haalt

zij vanwege protesten van de inwoners bakzeil. In Sint Pancras is het Sint Catharijnefeest op 25 november direct met de tuinbouw verbonden. De betaaldag van de landhuur werd aangegrepen om schoolkinderen te trakteren, eerst met bier met een laag alcoholgehalte en later met een taai-taaipop. Met de opkomst van de welvaarstaat na de oorlog verdween dit gebruik. In Koedijk vieren sommige bewoners nog steeds het Gouden Engelenfeest, waarvan de herkomst niet helemaal zeker is.

82

Andere tradities kwamen toen op, eerst met de start van de ruilverkaveling, later met de jubilea van het bestaan van de dorpen. Zo houdt Koedijk sinds de start van de ruilverkaveling in 1963 op de derde zaterdag van augustus de Koedijker Gondelvaart, een gebruik dat tot dan toe incidenteel met bruiloften verbonden was. In het begin werd gevaren met traditionele akkerschuiten, maar de versieringen zijn tegenwoordig zo omvangrijk dat daarvoor enorme dekschuiten nodig zijn.

Er zijn nog steeds veel verenigingen actief – De Noord op zich telt er alleen al iets van zestien – en er komen ook steeds weer tradities bij, die bijdragen aan het gemeenschapsgevoel in de dorpen en buurtgemeenschappen. Voetbalverenigingen als csv (christelijke sportvereniging) BOL in Broek op Langedijk en Reiger Boys in Heerhugowaard leiden een bloeiend bestaan. Met het 900 jarig bestaan van Langedijk in 1980 werd de beddenrace in Langedijk geïntroduceerd. Wat begon als een wedstrijd met ziekenhuisbedden, heeft

Sinds 1963 wordt op de derde zaterdag in augustus de Koedijker Gondelvaart gehouden, een traditie die is geregistreerd als immaterieel erfgoed (Herkomst: Facebookpagina Gondelvaart Koedijk)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

zich ontwikkeld tot een van de grootste evenementen in de regio met een race tussen teams op zelfgebouwde bedden, voortbewogen op racefietswielen. En sinds kort organiseert ’t Kruis Bruist in juli een driedaags festival, een eigen variant op de kermis, die zij met muziek, mountainbiken, kinderspelen en beach-handbal combineert.

Met de viering van het 900 jarig bestaan in 1980 werd de beddenrace in Langedijk geïntroduceerd dat sindsdien een van de grootste evenementen in de kop van Noord-Holland is (Herkomst: Facebookpagina Beddenrace Langedijk)

83

INTERMEZZO: Drie centra in Heerhugowaard

Het komt niet vaak voor dat een gemeente een centrum heeft dat twee keer is verhuisd, maar bij Heerhugowaard is dat wel het geval. Het eerste centrum ontstond eind 19de eeuw rond de kruising Van Veenweg-Middenweg. Als raadhuis diende Middenweg 179, gebouwd in 1835 en nog steeds in hoofdvorm en architectuur aanwezig. Die school dateerde

al van 1642. In 1913 kreeg Heerhugowaard een nieuw raadhuis op Middenweg 193 met een monumentale trappartij en trapgevel. Rond 1870 kwam er zowel een Rooms Katholieke (de Sint Dionysius, A.C. Bleijs, 1868) als een Nederlandse Hervormde kerk (J. de Haan, H.G. Gallay, 1871) aan de Middenweg te staan. Een gereformeerde kerk volgde in 1917 aan

Middenweg 179, gebouwd in 1835, heeft tot 1913 als raadhuis gefungeerd. De classicistische vormgeving met lisenen op de hoeken, bovenaan eindigend in kapitelen en de symmetrische indeling van de gevel met de dakkapel als hoofdaccent is typerend voorde bouwperiode. Het raadhuis huisvestte lange tijd ook de hoofdmeester van de erachter gelegen school.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

de Stationsweg, ontworpen door J. Leegwater, waarvan de kerkgangers rondom woonden en voor de kerkgang niet meer op Broek waren aangewezen. De komst van scholen en woningen voor ouderen in de jaren 20 tekende Heerhugowaard als een echte leefgemeenschap waarin van geboorte tot op hoge leeftijd zorg geboden kon worden.

Op dit straatbeeld van rond 1920 van de Middenweg zijn links met de Sint Dionysius op de achtergrond de woningen van een barbier en een dokter te zien en rechts een manufacturenzaak, een kruidenier en een café (RAA)

84

Uitsnede verkavelingsplan Heerhugowaard, 1964 (herkomst: RAA) Uitsnede uitbreidingsplan Centrum 1965, Bureau Wieger Bruin Vink Van de Kuilen, 1965 (herkomst: RAA)

Luchtfoto van het nieuwe centrum, rond 1962 (Uit: Overhaal (2010), p.53) De vorm van het plein van Centrumwaard werd bepaald door de samenkomst van twee verkavelingsrichtingen als gevolg van de knik in de Middenweg, zoals op het oude verkavelingsplan te zien is. Rond het plein werden winkels gebouwd met daarboven woningen, zodat een omsloten ruimte en daarmee een vrij traditioneel dorpsplein ontstond. Om de dominantie van het stadhuis en vooral de losstaande toren te markeren werd een groot zebrapad tot aan de toren aangelegd, die in de zichtlijn van de Sportlaan stond.

Na de oorlog, toen het inwonertal door de explosieve groei van Heerhugowaard toenam verplaatste het centrum zich naar het zuiden. Een nieuw raadhuis, in 1962 ontworpen door JF. Berghoef, vormde de blikvanger en het hart van Centrumwaard zoals de wijk toen al heette. De wigvormige ruimte ontleent zijn vorm aan de aanwezige verkaveling. Het plein vormt de beëindiging van de Sportlaan, waarvoor huizen langs de Middenweg gesloopt moesten worden.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

85

Omdat zowel het structuurplan van 1965 als dat van 1980 ervan uitgingen dat Heerhugowaard snel tot 45.000 inwoners zou groeien, werd de bouw van een nieuw centrum nodig geacht. Het zou het derde centrum in de geschiedenis van Heerhugowaard worden. Net als voor Heerhugowaard als geheel, werd in de gefaseerde opzet van het Hoofdcentrum, zoals het nieuwe centrum steevast genoemd werd, rekening gehouden met de groei van de stad. Bij elke fase van 15.000 naar 45000, naar 70.000 inwoners kon het winkelcentrum in omvang toenemen. Het zou zich in uiterlijk toch als een afgerond geheel moeten voordoen. Het inwonertal groeide minder snel dan verwacht en dus behield het winkelcentrum uit 1974 tot de vergroting van 2007 hetzelfde aanzien.

1920

1970

Voor het nieuwe centrum dat naast een overdekt winkelcentrum, ook sociale, culturele en medische voorzieningen en een nieuw stadskantoor omvatte, was een plek dicht bij het station het meest geschikt. Zo lag het op makkelijk bereikbare afstand tot Heerhugowaard Centrum ten noorden van de Zuidtangent en de nieuw te ontwikkelen wijken ten zuiden van het winkelcentrum. De zuidoost-noordwest gericht opzet is bepaald door de looplijnen van het kruispunt Middenweg-Rustenburgerweg, richting het station. De winkels langs de overdekte voetgangersroute werden opgespannen tussen twee grote trekkers: een warenhuis en een supermarkt. Zes grote parkeerplaatsen, twee aan twee gegroepeerd, werden rondom het winkelcentrum geprojecteerd. De looplijnen naar de winkels konden zo kort worden gehouden.

2000

Twee keer verplaatste het centrum van Heerhugowaard zich waardoor ook de verhouding tussen pleinruimte en bebouwing en de relatie tussen centrum en de regio veranderde. Bij de komvorming rond de kruising Van Veenweg was nog sprake van lintbebouwing; bij het ontwerp van Centrumwaard kwam een traditioneel plein tot stand met een omsloten ruimte en makkelijk bereikbaar vanuit alle nieuwe wijken die toen werden gebouwd. De verbinding met de Stationsweg bleef intact. Middenwaard kreeg een regionale functie, kwam tegen de hoofdontsluiting van de Zuidtangent te liggen en was omgeven door zes parkeerplaatsen. Daarbij ging een relatie tussen bebouwing en pleinruimtes verloren, en ook van een duidelijk verbinding met de Stationsweg en het station was geen sprake meer. In de plannen van Urbis is geprobeerd weer traditionele, ombouwde pleinruimtes te creëren, al blijft de wisselwerking met de bebouwing ten noorden van het Zuidtangent moeizaam en kent Heerhugowaard niet echt een herkenbaar vormgegeven entree.(tekening: Jutta Raith)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

86

In de uitleg van het centrum streefde het architectenbureau Spruit en de Jong in samenspraak met stedenbouwkundig H.P. Kuypers een nauwe verwevenheid met het zuidelijk gelegen park na. De culturele en sociale voorzieningen kwamen rond een plein te liggen dat aan het park grensde. De onenigheid tussen de architecten en de stedenbouwkundige over het handhaven van twee boerderijen, werd in het voordeel van de architecten werd beslecht. De wens van de stedenbouwkundige om over de Middenweg heen het nieuwe gemeentehuis te bouwen ging niet door. Zo kon het historisch karakter van de Middenweg beter zichtbaar blijven. Het stadskantoor werd uiteindelijk aan de westzijde gerealiseerd, opnieuw naar een ontwerp van het bureau van Berghoef die ook het stadhuis aan het Raadhuisplein had ontworpen.

Middenwaard omgeven door parkeerplaatsen, 1994 (herkomst: RAA / NL-AmrRAA_1353_0011_0156) Met het oog op de verwachte uitbreiding was het winkelcentrum op afstand van de Zuidtangent gelegd en lag er lange tijd een groot, groen gazon voor de westzijde, wachtend tot uitbreiding van het centrum en op de bouw van nieuw woningbouwprojecten.

Hoe het winkelcentrum er precies heeft uitgezien is moeilijk te zeggen, want gek genoeg er zijn niet veel foto’s uit de begintijd van Middenwaard bewaard gebleven. De ontwerpers hadden Middenwaard naar voorbeeld van de Amerikaanse ‘shopping malls’ vormgegeven, waardoor het een naar binnen gekeerd karakter had en geen verbinding maakte met de context.

Verkavelingsplan van het Hoofdcentrum, Vink Van de Kuilen Klein, medewerker: H.P. Kuypers, 1972 (herkomst: RAA)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Ontwerp plattegrond voor het Hoofdcentrum van Heerhugowaard, met aan de Middenweg de twee gehandhaafde boerderijen. K.F.G. Spruit, 1972 (herkomst: RAA)

87

Vanaf de jaren ’80 is geprobeerd het monofunctionele gebied rond het station en Middenwaard door toevoeging van meerdere functies te verstedelijken. Het gebied aan de noordzijde van het station bestond eind jaren tachtig uit een maisveld met olifantspaden en een weg voor de autobus.

Op basis van een door een ontwikkelcombinatie waarvan Dura Vermeer en architectenbureau Claus Brandjes onderdeel vormden, kwam rond het station en later ook op De Frans langzaamaan een gemengd stedelijk gebied tot stand.

naar buiten keerde en meer een eenheid ging vormen met het park dan tot dan toe het geval was. De visie diende als basis voor het stedenbouwkundig plan van Kraaijevanger Urbis uit 2004. Met het plan werd geprobeerd het als introvert ervaren winkelcentrum binnenste buiten te keren en door toevoeging van bebouwing beter in het stedelijk weefsel te verankeren.

In de visie waarmee het college van Heerhugowaard uit 1995 naar buiten kwam, moest een stadscentrum meer zijn dan een verzameling winkels, openbare gebouwen, horeca en culturele centra. Het moest een uitnodigende plek worden, zowel overdag als s’ avonds, waarbij het centrum zich meer

Maisveld op de plek waar later het stationsplein zou komen, Heerhugowaard, c. 1992 (Herkomst: Henk Komen)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Maquette van het plan voor het Stationsplein, 1990.Heerhugowaard, c. 1992 (herkomst: RAA)

88

In het stedenbouwkundig plan van Urbis is de kruising van een nieuw stadsplein en de horecaboulevard – het stadsterras - het centrum geworden. Door toevoeging van bebouwing kwamen adressen aan de rondom lopende wegen komen te liggen en het winkelcentrum zich meer naar buiten toe presenteren. Het parkeren werd zoveel mogelijk overbouwd en het zuidelijk gelegen park werd naar een ontwerp van Jeroen Leemans beter aan Middenwaard gekoppeld. Voor de versterking van het stedelijke karakter kregen vooral culturele en recreatieve functies in de vorm van theater- en bioscoopbezoek en avond – naast daghoreca veel aandacht. Het gemeentehuis dat een nieuwe vleugel aan het Stadsplein kreeg en een trouwzaal aan de noordoostzijde, beide naar een ontwerp van Hans van Heeswijk, werd door een horecaboulevard verbonden aan het nieuwe theater Cool. Tussen winkelcentrum en gemeentehuis, kwam een verhoogd plein te liggen. Rondom werden ook woningen in de vorm van woontorens in het park en woongebouwen als wanden voor het plein toegevoegd. Daarmee werd het taboe op hoogbouw in Heerhugowaard voorgoed doorbroken.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Stedenbouwkundig plan Kraaijevanger Urbis (Donald Lambert), 2004-2007 (Collectie A. Balm)

De beide transformaties van Middenwaard en het stationsgebied werden los van elkaar uitgevoerd, tot ongenoegen van Urbis en verschillende projectleiders van de gemeente. Zij hadden liever een koppeling tussen beide projecten gewild, zodat een samenhangende openbare ruimte tussen

Middenwaard en het Stationsgebied kon ontstaan. De planologische benadering van het vlekkenplan bleef leidend. Met het in 2020 vastgestelde Masterplan Stationsgebied wordt geprobeerd om nu toch meer samenhang tussen beide gebieden te realiseren.

89

7 1980-1990: Terug naar een herkenbaar wijkontwerp

Eind jaren zeventig werd de bouw van woningen vanwege de economische crisis even afgeremd, zelfs zo zeer dat de Heerhugowaard de bouw van de wijk Oostertocht I, waarvoor een geheel uitgewerkt stedenbouwkundig plan klaarlag, aflastte. Zij besloot dat alleen voor de eigen woningbehoefte gebouwd moest worden en Heerhugowaard even niet meer als overloopgemeente voor Alkmaar moest fungeren. Omdat ze veel geld kwijt was aan de rente op de aangekochte grond, liet zij Staatsbosbeheer het productiebos ‘t Waarderhout aanleggen, dat op termijn ook voor recreatie kon worden gebruikt. Ook in Langedijk werden de plannen die volgden op de wijken uit de jaren zeventig, namelijk Mayersloot in Broek op Langedijk en Sint Maarten in Oudkarspel, pas eind jaren tachtig vastgesteld. In Sint Pancras lag de bouw van nieuwe wijken in de jaren tachtig zo goed als stil. In 1982 keerde, althans voor Heerhugowaard, het tij alweer. Het rijk kwam in 1976 met een Verstedelijkingsnota die gericht was op het versterken van steden zodat het woon-werkverkeer beperkt werd. Het idee van het stadsgewest werd geboren, waarin uitbreidingen binnen dat gewest gebundeld moesten worden. Alkmaar, Bergen en Heerhugowaard vormde samen zo’n stadsgewest.

Toen Alkmaar in 1984 de status van groeikern verloor, kreeg Heerhugowaard juist de taak om de woningbehoefte van Alkmaar en Bergen op te vangen, en overigens ook voor een klein deel van de woningzoekenden uit het zuiden van de provincie. In de

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

structuurschets van Noord-Holland van 1984 kreeg Heerhugowaard ook de taak het centrumgebied verder uit te bouwen met een uitbreiding van winkels in het centrum, waar een menging van wonen en werken centraal kwam te staan en

de uitbreiding van het bedrijventerrein op de Zandhorst en de ontwikkeling van Beveland als een nieuw bedrijventerrein.

Het bestemmingsplan voor Broek op Langedijk uit 1978 is gebaseerd op een zorgvuldig onderzoek naar de morfologie van het dorp (uit: Bestemmingsplan Broek op Langedijk Zuid, H.P. Kuypers, 1978. Herkomst: RAA)

90

Een belangrijk thema in de Verstedelijkingsnota van 1976 en later de Structuurschets Landelijke gebieden (1977) was om versnippering van het landelijk gebied tegen te gaan. De vrees was dat de identiteit van het landelijk gebied door rationalisatie van de landbouw en de vele uitbreidingen aan de rand van de steden verloren ging. De provincie wees zelfs stedelijke beëindigingszones aan. Heerhugowaard besloot in overleg met Alkmaar en Langedijk de nieuwe uitbreiding daarom zoveel mogelijk in de zuidwesthoek te concentreren, een afspraak die vooruitliep op de HAL-visie uit 1992. Deze wijken liggen aan een belangrijke vervoersas, die nog belangrijker werd door het voornemen in het zuiden van Heerhugowaard een nieuw station te bouwen voor het woon-werkverkeer en de nieuwe bedrijventerreinen.

H.P. Kuypers over en zette de lijn van Kuypers door. Want ook in de ontwerpbenadering van Zandvoort en zijn medewerkers is tussen de plannen voor Langedijk en Heerhugowaard sprake van een verschil in de omgang met de bestaande landschappelijk verkaveling, terwijl de stedenbouwkundige benadering hetzelfde is. In Langedijk is de aanwezige waterstructuur in de uitleg van Mayersloot en Sint-Maarten leidend; in de wijken die de projectarchitect Hans van der Linden van het bureau voor Butterhuizen en Oostertocht in Heerhugowaard ontwierp, laat de efficiënte verkaveling van de droogmakerij veel meer vrijheid toe. De nieuwe tendens die zich in de Nederlandse stedenbouw van eind jaren tachtig manifesteert, is hierin duidelijk herkenbaar.

herkenbare stedenbouwkundige patronen. In de ontwerpen van Van der Linden is die trend duidelijk zichtbaar. Ook de met trottoirs en fietspaden geprofileerde straat was weer terug en werd het onderscheid tussen private en openbare ruimte duidelijk afgebakend. Voor gemeentes was deze nieuwe stedenbouwkundige opvatting, waarin minder ruimte voor openbare ruimte werd gereserveerd, gunstig vanwege het neergaande economisch tij. Door de crisis in de vrije sector- en premiebouw, was er sprake van dalende grondprijzen. Er was dus ook geen geld meer voor de aanleg en onderhoud van veel openbare ruimte. In de jaren tachtig zou hoogbouw, zij het op bescheiden schaal, nu ook in Heerhugowaard definitief zijn intrede doen om accenten in het stedelijk beeld te brengen.

Dat identiteit en cultuurhistorische waarden eind jaren zeventig meer aandacht kreeg, bleek ook uit het bestemmingsplan voor Broek op Langedijk dat een sterk conserverend karakter had. Het bureau van Kuypers had hiertoe een zeer zorgvuldig stedenbouwkundig en architectuurhistorisch onderzoek gedaan van de dorpskern.

Heerhugowaard: Butterhuizen en Oostertocht

Het was de uitdrukkelijke wens van de gemeente om in Butterhuizen en Oostertocht duidelijk herkenbare buurtjes, vaak in de vorm van hofjes, op te nemen. Dat zou de betrokkenheid van de bewoners bij hun leefomgeving vergroten. De wijken lagen dan misschien aan de rand van Heerhugowaard, zij moesten wel een stedelijk karakter krijgen, vooral in de delen die dichter bij het centrum lagen. Ook het woonprogramma was zoals gezegd veelzijdiger. Er moesten niet alleen eengezinshuizen worden gebouwd, maar ook woningen voor starters, tweeverdieners, ‘empty-nesters’, ‘werkende moeders’ en bewoners die thuiswerken. Dat betekende dat nu ook in een uitbreidingswijk van Heerhugowaard meergezinswoningen mogelijk werden gemaakt. Oostertocht verschilt in dat opzicht van Butterhuizen door een grotere diversiteit aan woningtypes. In Butterhuizen werden voor het eerst urban villa’s gebouwd, maar in Oostertocht was sprake van een menging van urban villa’s, meer verdiepingen hoge woningbouwblokken, complexen midden-hoogbouw met gemeenschappelijke binnentuinen, enz.

In het structuurplan van 1982 voor Langedijk werden mogelijke locaties voor woningbouw aangewezen, maar ook weer op zo’n manier dat deze niet ten kosten gingen van landschappelijke waarden. Voor de werkgelegenheid met een belangrijke focus op de voedingswarenindustrie werden twee terreinen – de Mossel in Noord-Scharwoude en Zuiderdel in Broek - verder tot ontwikkeling worden gebracht. De bouw van de N.V. Smith’s Potato Crisps aan het eindpunt van de toenmalige spoorlijn en als eilandje in het water van de del was in 1958 legde de kiem voor ontwikkeling van het bedrijventerrein Zuiderdel. Zowel in Heerhugowaard als Langedijk was er in het ontwerp van nieuwe uitbreidingswijken een wisseling van de wacht. Het bureau van F.J. Zandvoort nam de opdrachten van

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Het hierboven beschreven woningbouwproject van Aad Breed aan de Moutmolen dateert van eind jaren tachtig, begin jaren negentig en vormde in de veelvormigheid die het woonprogramma liet zien, een opmaat voor de programmering van Butterhuizen en Oostertocht. In de vroegere wijken van Centrum Zuidwest was het woonprogramma zeer eenvormig. Zo werden in de Edelstenenwijk West vooral woningwetwoningen gebouwd, in de Rivierenwijk (vlek G) vooral koopwoningen, enz.; van menging van doelgroepen was nauwelijks sprake. Rond de Moutmolen (Vlek H) werd juist ingezet op een sterke menging van woningtypes dat ook in de architectuur een uitdrukking kreeg. Die tendens werd in de nieuwe wijken in een geheel andere stedenbouwkundige setting voortgezet. Begin jaren tachtig zochten stedenbouwkundigen weer naar een samenhangend stadsbeeld, waarin een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen de stedenbouwkundige opzet en de architectuur. Hierbij werd weer teruggegrepen op

91

Ontwerp Butterhuizen, Hans van der Linden (Zandvoort Ordening & Advies), 1991 (herkomst: RAA)

Bij beide wijken nam Hans van der Linden de orthogonale, noordoost-zuidwest gerichte landschappelijk structuur van Heerhugowaard als uitgangspunt voor een strak georganiseerde stedenbouwkundige verkaveling. Langs de grenzen met het landschap projecteerde hij de vrijstaande woningen, meer naar het centrum nam de dichtheid in bebouwing toe. Butterhuizen omvat een grote hoeveelheid, symmetrisch opgezette buurtjes. Oostertocht is geleed in grotere eenheden, elk met een geheel eigen verkaveling Voor de groen- en waterstructuur greep Hans van der Linden (Zandvoort Stedenbouw) bewust terug op de singels in de noordelijke wijken van Heerhugowaard uit de jaren zestig.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Ontwerp Oostertocht, Hans van der Linden (Zandvoort Ordening & Advies), 1993 (herkomst: RAA)

De waterlopen langs de Reuzenpandasingel in Butterhuizen en langs de Westfrieslandsingel in Oostertocht structureren de wijken; ze lopen gelijk op met de wijkontsluitingswegen en worden begeleid door fraaie boombeplanting. Terwijl Butterhuizen rond een grote, groene open ruimte is ontworpen – een trapveld, dat ook voor manifestaties kan worden gebruikt – zijn de plantsoentjes in Oostertocht, kleiner dan gepland en meer over de buurten verdeeld. Ze zijn stedelijker van sfeer door de hoge randbebouwing.

Westfrieslandsingel

92

Een beperkt aantal toegangen tot de wijk en de afwezigheid van een ontsluiting vanaf de Middenweg moesten ervoor zorgen dat de wijken niet voor sluipverkeer konden worden gebruikt. Beide wijken kennen dan ook een hiërarchisch wegenstelsel om de buurten autoluw te houden. Anders dan in de wijken uit de jaren zeventig kennen deze wijken niet of nauwelijks een onafhankelijk stelsel van voetpaden; alleen Butterhuizen heeft een paar vrijliggende fietspaden die een snelle route naar het centrum mogelijk maken.

Luchtfoto van Butterhuizen en Oostertocht (Google Earth).

Woningbouw aan het Walvisplein

Hofbebouwing rond Goudparkiet

Butterhuizen omvat een grote hoeveelheid, symmetrisch opgezette buurtjes, de ene keer georganiseerd rond een as, zoals bij het Walvisplein in de zuidoosthoek, de andere keer om een rond een pleintje, zoals bij de Gele Varaan. De hoogte en de architectuur van de woningen ondersteunt de stedenbouwkundige opzet.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

93

Oostertocht is geleed in grotere eenheden, elk met een geheel eigen verkaveling: de golvende wanden aan de Heemlaan en Keilaan, de serie hofjes langs het Burgplantsoen en het hoogbouwwijkje rond de Tjaarlingermeer. Het project rond het Keinsmerwiel wijkt af van het oorspronkelijke plan, omdat hiervoor bij de uitwerking een prijsvraag werd uitgeschreven. Midden-hoogbouw met gemeenschappelijke tuin, Hogere bebouwing aan het Burgplantsoen, Oostertocht.

Tjaarlingermeer, Oostertocht

Hoewel Van der Linden die bij beide wijken als supervisor optrad, vooral woningen met hellende daken wilde, zette de gemeente in op meer diversiteit in vormgeving. Woningen met platte en hellende daken wisselen elkaar af. In Butterhuizen is de architectuur in kleur en materiaalgebruik nog vrij eenvormig, maar dat verandert met de uitwerking van Oostertocht waar de architectuur veel diverser is.

De gemeente Heerhugowaard hechtte groot belang aan de ontwerpkwaliteit van de woningen door een rol op te eisen in de architectenkeuze. Ze hoopte dat de onderscheidende identiteit van de woningen een grotere variëteit aan bewoners zou aantrekken. Daarbij ging zij het experiment in de toepassing van duurzame materialen en alternatieve energievoorzieningen niet uit de weg, waardoor Oostertocht eigenlijk al vooruitloopt op het ontwerp van Zuidwijk/Huygenhoek en vooral op de Stad van de Zon.

Vrijstaande huizen aan Paradijsvogel, Butterhuizen

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

94

Langedijk: Mayersloot Langedijk was geen groeikern en hoefde alleen voor de eigen woonbehoefte te bouwen. Voor de woningbouw waren slechts twee locaties geschikt uit oogpunt van het behoud van het aanwezige natuurlijke milieu, landschap en bestaande gebouwde omgeving: Sint-Maarten in Oudkarspel en Mayersloot in Broek op Langedijk. Beide wijken hebben min of meer eenzelfde opzet en bestaan overwegend uit vrijstaande woningen. In Broek was aan de westzijde nog de oorspronkelijke eilandenstructuur aanwezig; in Oudkarspel was de eilandenstructuur met de ruilverkaveling onder een laag zand verdwenen. Daar werd een eilandenstructuur voor de aanleg van Sint-Maarten teruggebracht.

Kaart Broek op Langedijk 1987 en 2011, Mayersloot, ten noorden van Broek op Langedijk, kent nog deels een eilandenstructuur die voor de nieuwe wijk benut wordt (Topotijdreis.nl)

Kaart van Oudkarspel uit 1987 en 2011, voor Sint-Maarten moest in het ruilverkavelde land opnieuw een eilandenstructuur gemaakt worden (Topotijdreis.nl)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=fb1dc1c7-daf5-42e6-a3bd-d5f0891e0dce