CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Gebiedsbiografie Dijk en Waard - 2023 compleet definitief

Gemeenteraad 24 juni 2025, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Erfgoedbeleid Dijk en Waard 202529.059 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

goede arbeiderswoningen kwamen hier van Woningbouwvereniging Broek op Langedijk die in 1913 werd opgericht. Ze startte in 1919 met de bouw van 18 woningen aan de Wilhelminastraat, ten zuiden van de haven. Tegelijkertijd konden in Noord-Scharwoude 24 arbeiderswoningen worden betrokken aan de Oosterstraat, in dit geval ontwikkeld door woningbouwvereniging ‘Algemeen Belang’, die een jaar eerder was opgericht. Beide woningbouwprojectjes zijn inmiddels gesloopt. In Sint Pancras zijn langs de Rozenlaan en Van de Vijzellaan rijtjes arbeiderswoningen bewaard gebleven uit het begin van de jaren dertig. De Langedijker dorpen breidden zich voornamelijk in oostelijke richting uit. Dat gebeurde langs al bestaande oostwest gerichte dwarsverbindingen, langs belangrijke waterwegen of nabij een spoorlijn of veiling. Voorbeelden zijn de Handelskade en Molenkade in Noord-Scharwoude en de Sluiskade in Broek. Het karakter van de dwarsverbindingen week af van de bebouwing langs de Dorpsstraat, doordat de woningen op ruime kavels zijn gesitueerd, met soms doorkijkjes naar het achterliggende landschap. De bebouwing getuigt bovendien nog van het industriële karakter van het gebied.

Achterzijde Handelskade. Noord-Scharwoude, c. 1900 (Langedijker Verleden)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

31

De bebouwing aan de kades had een nauwe relatie met de infrastructurele verbeteringen voor de oorlog. De Spoorstraat, ooit in 1630 aangelegd als ‘Nieuweweg’, dankte haar naam aan de spoorlijn die voor het transport vanaf de Noordermarktbond, de groenteveiling aan de Wuiversloot, was aangelegd en die voorbij de Roskambrug aantakte op de spoorlijn naar Den Helder. De Spoorstraat ligt op de grens tussen Oudkarspel en Noord-Scharwoude. Parallel hieraan verscheen in 1938 de Provincialeweg ( nu N504), die op zijn beurt in de volksmond nog lang ook ‘de Nuweweg’ werd genoemd. Deze weg deelde Noord-Scharwoude in tweeën, waardoor inwoners van het noordelijk deel tot de dag van vandaag meer op Oudkarspel zijn georiënteerd. De spoorlijn verdween, het dijklichaam is nog herkenbaar. In Sint Pancras gebeurde de langzame verdichting, niet alleen langs de Benedenweg en het Noordeinde, maar nu ook langs de Bovenweg. Net als in de dorpen van Langedijk, bestond de bebouwing voornamelijk uit tuinderswoningen met schuren ernaast of aan de achterzijde, af en toe

De Middenweg rond 1915 met de wegsloot waarover de bruggen liggen en de rijke beplanting met bomen. (Herkomst: RAA)

van buurschappen of dorpen. Weliswaar kreeg de Middenweg een halte op de spoorlijn naar Hoorn met in de buurt daarvan de zuivelfabriek Excelsior, die vanaf 1912 voor werkgelegenheid zorgde. Maar de halte heeft nauwelijks gefunctioneerd. Langs de Middenweg en de Jan Glijnisweg ontstond geleidelijk meer bebouwing. In het zuiden van de droogmakerij lag het accent op veeteelt. Vooral door de grote hoeveelheid stolpboerderijen die langs deze laatste weg aanwezig zijn en een samenhangende reeks vormen is sprake van een stolpenstructuur. Ten noorden van de spoorlijn kwamen veel gemengde bedrijfjes en tuinbouw voor. Tussen de kleinere stolpen, werden tuinderswoningen en rentenierswoningen gebouwd.

afgewisseld met een agrarisch bedrijf. De huizen en schuren staan in een grillige rooilijn meestal haaks op de weg. Het centrum van het dorp lag rond het Kerkplein met een raadhuis, een lagere school en woningen voor de notabelen.

Rentenierswoning van rond 1900 aan de Middenweg 155. Boeren bouwden deze woningen voor zichzelf op het moment dat hun kinderen het boerenbedrijf overnamen. (herkomst: wikipedia)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

In Heerhugowaard vestigde zich rond 1900 nu ook een middenklasse door de komst van industrie, de vestiging van ondernemers als bakkers (maar liefst negen in Heerhugowaard, De Noord en Veenhuizen!), winkeliers, aannemers, fietsenmakers, maar ook huisartsen en ambtenaren. Tussen 1870 en 1915 vond rond de driesprong Middenweg - Van Veenweg komvorming plaats, waardoor nu ook in de droogmakerij sprake was

32

Openbare lagere school met onderwijzerswoning aan de Middenweg 466 in De Noord, jaren twintig. Het klaslokaal is herkenbaar aan de grote ramen in de zijgevel; de onderwijzerswoning bevindt zich aan de voorzijde. (herkomst: auteur).

De Stations weg (voorheen: Broekerweg of Basserweg) behoorde al tot het wegenplan van de droogmakerij. (herkomst: RAA)

Halteplaats van de Middenweg richting Noord met zicht op Zuivelfabriek Excelsior, 1915 (Onbekend / RAA)

De Heilige Hart van Jezus kerk domineert het kleine buurtschap de Noord, rond 1915 (herkomst: RAA)

Kruising van de Rustenburgerweg en de Jan Glijnisweg rond 1900 met een schoolgebouw, te herkennen aan de grote ramen. De wegen in het buurtschap zijn nog onverhard. (herkomst: RAA)

De Stationsweg en het verbindende tracé van de Middenweg werden ook tot het centrum van Heerhugowaard gerekend. De weg behoorde al tot het wegenplan van de droogmakerij. De Stationsweg heette toen nog Broekerweg en was een kerkpad, gericht op - de naam zegt het al - Broek op Langedijk. Omdat er weerszijde van de weg voorheen grote bossen hebben gestaan, heette deze lange tijd de Basserweg. Nadat in 1866 de Stationsweg bestraat werd en in 1887 beplant, raakte de weg aan beide kanten bebouwd met villa’s, boerderijen en een in 1917 gebouwde gereformeerde kerk, pastorie en school. Hoewel het gebied aan weerszijde verstedelijkte, behield de weg door de diepe achtertuinen toch een landschappelijk karakter. De buurtschappen van De Noord en ‘t Kruis waar tot op vandaag sprake is van hechte woongemeenschappen, ontstonden tegen het einde van de 19de eeuw. Het centrum van deze dorpskernen kenden vergelijkbare voorzieningen. In

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

33

beide buurtschappen vormen een kerk en twee schooltjes, vaak met een onderwijzerswoning, de kern daarvan. Net als in Heerhugowaard waren de bewoners hier overwegend Rooms Katholiek. In de Noord verrees in 1922-23 de wat architectuur betreft indrukwekkende Heilige Hart van Jezus kerk; in het ’t Kruis in het zelfde jaar de bescheidener, maar eveneens opvallende Heilige Familiekerk, ontworpen door Jan Klomp. Op de hoek met de Hasselaarsweg markeert het bijzondere, in een aan de Art Nouveau verwante stijl vormgegeven café het begin van De Noord. Hoe flexibel de structuur van de lintdorpen van Langedijk en de dorpslinten van de Heerhugowaard waren, bleek bij de

schaalvergroting als gevolg van de industrialisatie. De fabrieken voegden zich in de bebouwingstructuur van de doorgaande wegen in Heerhugowaard en het lint van de Langedijk op een manier waarop dat al eeuwenlang werd gedaan. In Heerhugowaard kwamen de fabrieken tussen de boerderijen en overige bebouwing aan de belangrijkste ontginningsassen terecht. Voor de fabrieksgebouwen aan het dijklint van Langedijk werden eilanden aan de overzijde van de beide grachten bouwrijp en door middel van bruggen bereikbaar gemaakt. Dat is goed te zien bij de positionering van de gasfabriek in Noord-Scharwoude en bij familiebedrijven als de nauw met de koolteelt verbonden Zuurkoolfabriek van P. Kramer in Zuid-Scharwoude of de conservenfabriek van

Het fabriekscomplex van P. Verburg, via een brede brug over de Voorburggracht bereikbaar op een daartoe uit verschillende samengevoegde percelen bestaand eiland, jaren zestig (herkomst: Langedijker Verleden)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

P. Verburg in Noord-Scharwoude. De laatste combineerde de conserven- en zuurkoolfabriek met een aantal land- en tuinbouwbedrijven zodat hij voor zijn eigen grondstoffen kon zorgen. Het vervoer ging ook voor deze steeds verder uitdijende bedrijven vooral over water, omdat de Dorpsstraat te nauw was en het vrachtverkeer opstoppingen veroorzaakte. Terwijl Van der Hart en Kramer hun bedrijf door middel van een rijk vormgegeven villa manifesteerden, was de architectuur van de fabriek van Verburg zelf beeldbepalend.

De Zuurkoolfabriek van Verburg heeft een in Neorenaissance stijl vormgegeven architectuur, 1905. De Zuurkoolfabriek werd in 1878 gebouwd door de Duitse firma Grelinger en Jansen, maar in 1894 overgenomen door P. Verburg en door hem omgedoopt in Noord-Hollandsche Conservenfabriek (herkomst: Noord-Hollandsarchief)

34

3 Na 1945: tussen oorlog en ruilverkaveling

Voor de Tweede Wereldoorlog liet de tuinbouw, mede door de economische crisis van de jaren 30, in zowel Heerhugowaard, Sint Pancras als Langedijk een neergaande lijn zien. Omdat de Nederlandse overheid vasthield aan de harde gulden werden tuinbouwproducten als aardappelen, kool en andere groenten onbetaalbaar. Bij de veiling kregen de tuinders nauwelijks geld voor hun waar en moesten de oogsten zelfs worden doorgedraaid. Als alternatief begonnen boeren met de teelt van tomaten in kassen, maar ook daarvan stagneerde de verkoop voor de oorlog. De overheid kwam met steunmaatregelen als rentedragende voorschotten, rentedragende kredieten en bedrijfssteun, maar die hielpen niet. Als alternatieve kostwinning werden werkverschaffingprojecten in de vorm van baggerwerkzaamheden georganiseerd. Tot overmaat van ramp mislukte de oogst vaak door aardappelziekte en de ‘draaihartigheid’ van de kool, een soort vergroeiing die veroorzaakt wordt door de larven van de koolgalmug. Na de oorlog, wees de afname van het aantal tuinbouwbedrijven van 1830 in 1948 tot 857 in 1959 erop dat rigoureuze maatregelen nodig waren. Die maatregelen vonden plaats door de ruilverkaveling van zowel het Geestmerambacht als de Heerhugowaard en door een verschuiving in de economisch activiteiten in de gemeenten. Hoewel

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Het zwaartepunt in de uitbreidingen kwam op Noord-Scharwoude te liggen. Dit dorp moest uitgroeien tot het centrum van de nieuwe gemeente. Het lag het meest centraal, er stonden kerkgebouwen voor de verschillende gezindten en omvatte ook andere voorzieningen als het grootste verenigingsgebouw en het nieuwste gemeentehuis. En nog belangrijker: er was aan de oostzijde genoeg ruimte om uit te breiden.

er rond 1923 al ideeën waren voor de ruilverkaveling van land- en tuinbouwgrond, werd in de jaren direct na de oorlog nog niet op grootschalige landschappelijk veranderingen gerekend en ook niet op de komst van nieuwe industrie. De uitbreidingsplannen die in de jaren veertig en vijftig werden uitgevoerd dateerden vaak nog van voor de oorlog. In de jaren dertig was de verwachtte bevolkingstoename bescheiden, maar mede vanwege de betere ontsluiting zou groei echter onoverkomelijk zijn. De vier gemeentes (Langedijk, Sint Pancras, Koedijk en Heerhugowaard) hoefden van de provincie niet een gezamenlijk plan te maken, maar zij adviseerde om voor alle plannen hetzelfde bureau, namelijk dat van Wieger Bruin, in te huren. Zij hoopte dat door de planvorming in één hand te houden de karakteristieke dorpsstructuur niet verloren ging door ongewenste bouwspeculatie. Wieger Bruin tekende voor de oorlog uitbreidingsplannen voor zowel Noord-Scharwoude als Broek op Langedijk. De als zelfstandige stedenbouwkundige opererende Elze van den Ban nam echter na de oorlog de opdracht van Wieger Bruin over. Zij werkte de plannen voor de verschillende dorpen verder uit.

Het plan ‘Centrum Oost’ voor het gebied tussen Dorpsstraat (west), de Provincialeweg (noord), het Kanaal en de Oosterstraat (zuid) werd vanaf het begin van de jaren vijftig gefaseerd uitgevoerd en omvatte woningen en allerlei voorzieningen en een industrieterrein. In dit stratenplan werd de polderverkaveling genegeerd. De Dorpsstraat behield de functie van hoofdwinkelstraat, vanuit de wijken ontsloten door oost-west lopende ontsluitingswegen. Eengezinswoningen in laagbouw, opgebouwd uit baksteen en afgedekt met zadeldaken domineerden het beeld en waren meestal voorzien van een voortuin. Door de laagbouw bleven de kerktorens in het silhouet van de dorpen overheersen.

35

De Oranjebuurt, vernoemd naar de voorouders van de Oranjes als Frederik Hendrik en Willem de Zwijger, kwam in de eerste fase van Centrum Oost tot stand. Het plan, door de inwoners lange tijd ‘de nuwbouw’ of ‘het bouwplan’ genoemd, was kleinschalig van karakter. Het westelijke deel kent een traditionele opzet die lijkt op die van tuindorpen van voor de Tweede Wereldoorlog. De Willem de Zwijgerstraat fungeert als toegangsweg met hier haaks op tweezijdig bebouwde buurtstraten met blokken rijtjeswoningen. De oost-west georiënteerde woonblokken zijn gunstig geplaatst ten opzichte van de zon. Aan de Frederik Hendrikstraat (even zijde) zijn de vrijwel oudst bewaard gebleven naoorlogse woningen van de voormalige gemeente Langedijk te vinden.

De eerste woningen uit 1953 zijn gebouwd door de gemeente zelf, opgetrokken met rationele bouwmethoden in een constructie van beton en muren van baksteen. Een jaar later volgden woningen in traditionele baksteenarchitectuur, gebouwd door Woningbouwvereniging Langedijk. Om eentonigheid van de woningrijtjes te doorbreken kwamen op de straathoeken, langs de randen van de wijk en langs een groenstrook vrijstaande huizen te staan met een wisselende vormgeving. De Willem de Zwijgerstraat heeft een zekere allure door de luxere woonhuizen, het rijtje winkelwoningen, verspringende rooilijnen, boombeplanting en de zichtlijn naar het wigvormige plantsoen langs de Charlotte de Bourbonstraat.

Woningbouw aan de Speelweide, Louise de Colignystraat, Noord-Scharwoude, jaren zestig (Beeldarchief Langedijker Verleden)

De Oranjebuurt, Noord-Scharwoude, z.j (Beeldarchief Langedijker Verleden)

De Oranjebuurt, Noord-Scharwoude, z.j (Beeldarchief Langedijker Verleden) De Oranjebuurt in Noord-Scharwoude: gemeentewoningen in systeembouw aan de Frederik Hendrikstraat en een villa op de hoek met de Willem de Zwijgerstraat. Rechts luxe woonhuizen en boombeplanting langs de Willem de Zwijgerstraat.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

36

Parallel aan de ontwikkeling van het Centrum werd in Broek een vooroorlogs uitbreidingsplan van Wieger Bruin ook dit keer door Elze van den Ban uitgewerkt. De buurt ligt wat excentrisch, in het verlengde van de lintbebouwing langs de Dijk. Enkele open stukken land langs de Prins Hendrikkade bestonden uit relatief weinig kavels, die niet door veel sloten werden doorsneden. Ze waren vrij eenvoudig en goedkoop te onteigenen en bouwrijp te maken.

Luchtfoto van Broek op Langedijk Zuid, jaren 50 (van: Langedijker Verleden)

uitvoering. De eerste uitbreidingen die het dorp voor de eigen woningbehoefte ondernam zijn zeer kleinschalig. Zo zijn langs de Rozenlaan en Van de Vijzellaan nog rijtjes arbeiderswoningen uit die tijd bewaard gebleven, in dit geval gebouwd door de ondernemer H.Hart koffiebranderij.

Goed aangesloten op het bestaande dorp en ingeklemd tussen de Dorpsstraat en het kanaal, vormt de Oranjebuurt van Broek een besloten eenheid. Hier verwijzen de straatnamen naar de koninklijke familie. Woningbouwvereniging Langedijk die kort daarvoor was samengegaan met ‘Algemeen Belang’ uit Noord-Scharwoude, bouwde parallel aan de reeds bestaande Wilhelminastraat eengezinswoningen aan de Beatrix- en Prinses Irenestraat (in 1998 gesloopt). Senioren konden terecht in eenlaagse bejaardenwoningen rondom een groen open hofje aan de Julianastraat. Op de beeldbepalende straathoeken, met zicht op het water, en aan de zuidzijde, tegen de sportvelden aan, was plek voor luxe villa’s en bungalows. De kinderen konden op loopafstand naar de lagere Prins Marijkeschool of de Christelijke lagere Tuinbouwschool (beide gesloopt).

Uitbreidingsplan voor de Oranjebuurt, 1938 (RAA)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Terwijl de Langedijker dorpen eind jaren dertig, voor de fusie van 1941, gezamenlijk optrokken, hield Sint Pancras zich als zelfstandige gemeente afzijdig. Ook hier vormt de oorlog niet direct een scheiding in de ruimtelijke ontwikkeling en kwamen plannen van voor de oorlog pas daarna tot

Vooroorlogse arbeiderswoningen aan de Rozenlaan in een sobere baksteenarchitectuur met zadeldak, Sint Pancras (herkomst: auteur)

37

In de vroeg-naoorlogse periode werd gestart met de verdere invulling van de bebouwde kom van Sint Pancras. Net als bij de dorpen aan de Langedijk zou het dorp vanaf de jaren zestig voornamelijk aan de oostzijde van de bebouwde kom uitbreiden, zowel woningbouw als voorzieningen waaronder sportcomplexen. De dorpslinten Benedenweg en Bovenweg, maar ook de Twuyverweg en aan de oostelijke kant de Achterweg die zich ontwikkelde als belangrijke derde noordzuid gerichte verbindingsas (nu: A.V.H. Destreelaan-Kabelrijs) raakten aan beide zijden bebouwd. Dit gebeurde allemaal zonder een vooropgezet plan. Daarvan was pas in 1951 sprake, opnieuw getekend door Elze van de Ban. De provincie had er voor de oorlog nog op aangedrongen Wieger Bruin in de arm te nemen, maar de gemeente besliste anders. Van de Ban wilde een geconcentreerde dorpsuitbreiding; lintbebouwing en verspreide bebouwing moesten worden vermeden. Van den Ban schetste in 1958 als zelfstandig stedenbouwkundig adviseur een plan voor de bebouwing noordelijk van de ijsbaan (Vinkenlaan). De gemeente was echter niet tevreden en droeg de opdracht toch weer over aan het bureau van Wieger Bruin. Op een detailkaart van het uitbreidingsplan-in-onderdelen uit 1959 staat de eerste naoorlogse bebouwing van Sint Pancras ingetekend. Rond de Nobelhof, direct ten noorden van de Bakkerslaan, zijn begin jaren vijftig woningwetwoningen gebouwd.

Ze staan rondom een groene hof en zijn uitgevoerd in een traditionele architectuur met verfijnd gedetailleerde dakkapellen. Zuidelijk hiervan staan zes bungalows aan de Mimosalaan, die door de platte daken voor die tijd modern ogen. Langs de Benedenweg en Parallelweg kwamen rijtjes eengezinswoningen. Beide projecten kwamen tot stand op initiatief van Bouwfonds Nederlandse Gemeente.

Plan voor Nobelhof, Mimosalaan en Parallelweg, Bureau Wieger Bruin, Vink & Van der Kuilen, 1959 (RAA)

Woningwetwoningen aan de Nobelhof en bungalows van het type ‘Mimosa’ aan de Mimosalaan

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

38

Ook in Heerhugowaard waren in de jaren dertig al aanzetten tot uitbreiding van het centrum rond de kruising Middenweg-Van Veenweg gedaan. Het eerste uitbreidingsplan was van J.W. Theunissen. In de jaren veertig, begin jaren vijftig nam Wieger Bruin het van hem over. In de toelichting gaf hij aan de uitbreiding tot de drie kernen te willen beperken om zo het agrarisch en landelijke karakter van de polder te behouden. De noodzaak tot uitbreiding kwam voort uit de voortdurende splitsing van kleine bedrijven, waardoor werknemers in de dorpen kwamen wonen. De opstellers zagen dat als positief om hen zo ‘onafhankelijker van hun werkgevers te maken’. Door de uitvoering van het Westfries kanalenplan kwam Heerhugowaard bovendien aan een belangrijke handelsader te liggen, wat de economische groei en

daarmee ook de bevolkingsgroei stimuleerde. De uitbreiding van het centrum van Heerhugowaard kwam neer op twee extra straten, parallel aan de Middenweg: aan de noordkant de Bickerstraat, aan de zuidkant de Dreef die de Van Veenweg (voorheen Hondeweg) en Lindenlaan verbindt. Haaks op de Middenweg werd de Sportlaan (voorheen Nieuwe weg) gelegd. Deze straat, rond 1935 al door de aannemer G. Bot aangelegd, vormt de spil van het plan. Aan weerzijden werden vrijstaande woonhuizen gebouwd en de straat komt uit op een paar sportvelden. Om de verbinding met de Stationsweg te benadrukken werd het profiel van de Middenweg verbreed door demping van de sloten en de aanleg van een groenstrook.

Uitbreidingplan van Theunissen Hendricks, 1935 (uit: RAA)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

39

Ook de centra van De Noord en ’t Kruis kregen een compacte vorm, en bij beide buurtschappen werd ruimte voor een plein gecreëerd. In ’t Kruis kwamen de voorzieningen in de omgeving van de kerk te staan en een gazon voor de kerk moest het zicht op de kerk vergroten; voor de kerk van De Noord werd het boerenerf heringericht tot een plein en de sloot gedempt om de kerk meer bij de weg te betrekken.

De Sportlaan in 1937 (Collectie Henk Komen): het idee voor de aanleg van de Sportlaan kwam in 1937 van timmer- en aannemersbedrijf G.G. Bot toen die om werk verlegen zat. De woonhuizen met hoog opgaande daken zijn traditioneel van vormgeving. Ze staan voor het merendeel haaks op de laan waarvan de opzet door de vrij staande positionering van de woningen en rijke boombeplanting enig allure meekreeg.

Uitbreidingsplan Heerhugowaard, Wieger Bruin, 1941 (herkomst: RAA)

Luchtfoto van De Noord, rond 1970 (uit: Overhaal 2013, p. 22)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

40

Deel 2 De verstedelijking van het landschap

4 1960-1975: Ruilverkaveling In de gemeentes binnen het Geestmerambacht is direct na de oorlog het besef bij bestuurders, tuinders en boeren groot dat alleen modernisering en schaalvergroting de tuinen landbouw weer gezond kunnen maken. Daarvoor moet ook de infrastructuur flink worden aangepakt. Om het tij te keren verschuift Heerhugowaard, in aanvang sterker dan Langedijk, de aandacht naar industrialisatie en uitbouw van de dienstensector. Samen met de bouw van veel woningen en de stimulering van onderwijs om jongeren voor te bereiden op een andere beroepspraktijk, hoopt Heerhugowaard een grotere aantrekkingskracht op nieuwe inwoners te

De ruilverkaveling van de Heerhugowaard

creëren. Met de bouwexplosie die dat tot gevolg heeft wordt Heerhugowaard een forenzenstad. De ruilverkaveling startte in alle drie de gemeentes begin jaren zestig en werd begin jaren zeventig afgerond. Voor Langedijk is de ruilverkaveling het aangewezen middel om de tuinbouw weer gezond te maken en ruimte te maken voor nieuwe uitbreidingen. Ruilverkaveling en de invloed die dat heeft op de verschuiving naar andere economische sectoren, betekenen zeker voor Langedijk een grote transformatie van zowel het landschap, als de gehele dorpsstructuur.

Direct na de oorlog waren ook in Heerhugowaard de landen tuinbouw de belangrijkste bestaansmiddelen. Sterker nog, in de eerste bestemmingsplannen van na de oorlog rekenden de samenstellers niet op de komst van industrie naar Heerhugowaard. Vanouds was er in het zuiden meer veeteelt (weide) en nam naar het noorden het aantal tuinbouwbedrijven in meerderheid toe. Wie de kaarten van de Heerhugowaard van voor en na de ruilverkaveling vergelijkt, ziet ogenschijnlijk niet veel verschil in het landschapsbeeld van voor en na de ruilverkaveling. Maar schijn bedriegt. Meer dan het 1000 eilandenrijk van het Geestmerambacht was Heerhugowaard een rij- en niet een vaarpolder. Maar net als daar lagen de kavels van een bedrijf vaak ver uit elkaar, de ontsluiting van de kavels was vaak ingewikkeld.

Busdienst voor werknemers van de Hoogovens (filmstill uit: De hoogovenbus vertelt het verhaal van Noord-Holland, NH Nieuws)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

42

Plan van wegen en waterlopen voor de ruilverkaveling van de Heerhugowaard, 1969 (herkomst: RAA)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Beplantingsplan voor de ruilverkaveling van de Heerhugowaard, 1969 (herkomst: RAA)

43

Heerhugowaard kende nog een grote hoeveelheid onverharde wegen, in combinatie met het gegeven dat het merendeel van de bedrijven, 220 van de 560, minder dan 5 ha grond bezat, betekende dat enorm veel verkeersbewegingen en tijdverlies. De remedie was een koerswijziging in de bedrijfsvoering: kleine percelen werden samengevoegd en waar mogelijk werden bedrijven verplaatst zodat de bereikbaarheid vergroot werd. Onverharde wegen werden bestraat; ontbrekende schakels in het wegen en slotenplan werden toegevoegd. Bestaande en nieuwe wegen kregen een rijke boombeplanting. Maar de vergroting van de percelen betekende dat veel sloten moesten worden gedempt, landelijke kerkpaden verdwenen, druiplanden werden minder herkenbaar, afvoertochten verwijderd en de Groenedijk van Veenhuizen verloor haar duidelijk profiel. Daarmee gingen sporen uit de tijd van voor de droogmakerij en van de aanleg van de droogmakerij zelf verloren.

Er werd ingezet op een grotere variatie in de teelt: naast kool en vroege aardappelen, teelden tuinders witlof en bloembollen. Ook werd de ontwikkeling van de glastuinbouw gestimuleerd. Hiertoe werd in 1967 de Alton stichting (Algemene Land en Tuinbouwontwikkeling Noord Holland) opgericht. Vooral in het noorden bij de Altonweg, achter De Noord, verschenen de eerste kassen, later uitgebreid met Alton II, ten westen van de spoorweg. Niet alleen tuinders uit Heerhugowaard legden zich toe op de glastuinbouw. In dit gebied vestigden zich ook tuinders uit Aalsmeer en Sloten die daar vanwege de aanleg van nieuwe wijken waren verdreven. De herverdeling van de kavels stimuleerden jongeren om elders werk te zoeken. Daardoor werd de traditie doorbroken dat kinderen in de voetsporen van de ouders traden, Nieuw tuindersbedrijf, 1967. Door de ruilverkaveling werden ook nieuwe agrarische en tuinbouwbedrijven gebouwd. Met de moderne architectuur van grote ramen, duidelijk geprononceerde daken en schoorsteenpartij verbeelden ze het optimisme van de jaren zestig. (herkomst: Nationaal archief)

Bij een vergelijk van kaarten uit 1925 en 1995 van het noorden van de Heerhugowaard is goed het verschil te zien van voor en na de ruilverkaveling. Bij de vergroting van de kavels gingen veel tochten en wegen verloren; de hoogte van de Groenendijk werd afgevlakt. (herkomst: Topotijdreis)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

44

waardoor de kavels door opdeling steeds kleiner werden. Dat werk vonden zij in de Zaanstreek, het Noordzeekanaalgebied en vooral ook in de Hoogovens die voor dorpen in de wijde omtrek van IJmuiden een belangrijke werkgever werd. Voor hen werd door het bedrijf een aparte busdienst opgezet die werknemers vanuit de dorpen ophaalden en weer thuisbrachten, waardoor er dagelijks 40 bussen achter elkaar door Heerhugowaard en Langedijk reden. Het bedrijf nam ook contingenten woningen in Langedijk en Heerhugowaard af voor de huisvesting van haar werknemers. Heerhugowaard reserveerde binnen haar uitbreidingsplannen grote terreinen voor vestiging van bedrijven. In het uitbreidingplan van 1965 was tussen de spoorlijn en de provinciale weg een bedrijventerrein van 15 ha opgenomen, de Zandhorst, die alle mogelijkheid tot uitbreiding bood (zie

De Zandhorst, jaren zestig (herkomst: RAA)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

voor afbeelding plan, p. 55). Vanuit de Vondellaan-Beukenlaan had een directe verbinding daar naartoe gemaakt moeten worden die onder de spoorlijn door zou lopen. Deze ging uiteindelijk niet door.

tussen Westertocht en spoorlijn waarvoor in 1973 een ontwerp gemaakt werd, werd het bedrijventerrein langs de provinciale weg steeds duidelijker het visitekaartje van Heerhugowaard. De buffer tussen Heerhugowaard en de latere fusiepartner Langedijk werd er ook breder door. De Frans was vooral bestemd voor de bouw van kantoren, verzorgingshuizen en onderwijsinstellingen.

Ook wilde Heerhugowaard het terrein rond de Graanmaalderij aan de Westdijk tot een bedrijventerrein uitbreiden. De provincie wilde hiermee niet akkoord gaan, maar Heerhugowaard wist bij de Raad van State toch haar gelijk te halen. Uiteindelijk zou het merendeel van de nieuwe bedrijvigheid zich toch op de Zandhorst concentreren, dichtbij het station, zodat de bedrijven zowel vanaf het spoor, vanaf het kanaal als vanaf de weg goed bereikbaar waren.

Heerhugowaard verbreedde niet alleen het economisch spectrum, zij zorgde er ook voor dat de jeugd door het verbeteren van het onderwijs meer keuzemogelijkheden kreeg. De bouw van de Rooms Katholieke ULO in 1967 aan de Bickerstraat was daarvan de eerste voorbode.

Het bedrijventerrein ligt in het plan van 1965 nog ver van de woonbebouwing. Maar later, met de aanleg van De Frans

Rooms Katholieke ULO ‘Don Bosco’, 1967 (foto: Bureau op het Plein)

45

Van vaar- naar rijpolder: Langedijk en Sint Pancras Voor de inrichting van het Geestmerambacht, het gebied ten westen van de Langedijk, had de ruilverkaveling een alles bepalende invloed. Bij het Geestmerambacht ging het om de grootste waterrijke polder van Nederland. Onder de tuinders leefden de gedachte dat ruilverkaveling het enige middel was om het ‘stervende Geestmerambacht’ weer gezond te maken. 97% van de tuinders ging dan ook akkoord met de ruilverkaveling. Door de toenemende vraag naar fijnere groenten daalde de behoefte aan aardappelen, rode en witte kool en door de eilanden structuur was rationalisatie en

mechanisatie onbegonnen werk.Daarnaast zorgde de fosfaatverrijking van het water als gevolg van wasmiddelen en kunstmest voor plantengroei en dus hinder voor de vaartuigen. De bedrijfsbebouwing stond aan de rand van de polder, ver van de te oogsten groenten. De ruilverkaveling die gepaard ging met schaalvergroting, rationalisatie en mechanisering moest al deze belemmeringen voor een toename van de productie en een gezondere woonomgeving wegnemen. De vaarpolder zou door dit besluit veranderen in een rijpolder.

De ruilverkaveling kreeg zijn beslag in de jaren zeventig. Ze startte eind jaren zestig, begin jaren zeventig in het noorden rond Warmenhuizen en Oudkarspel en kwam naar het zuiden toe gefaseerd tot stand. De operatie gebeurde op basis van een zogenoemde multi-purpose methode, waarbij de herverkaveling naar het model van de New Deal van F.D. Roosevelt van voor de oorlog werd gebruikt om meerdere opgaves op te lossen. En dat niet alleen, het rijk en de provincie, geholpen door landbouworganisaties en huisvrouwenverenigingen zetten ook in op een algehele mentaliteitsverandering. Voor de ruilverkaveling werd een Streekverbeteringscommissie opgericht. Zij liet de boeren en tuinders met hun echtgenotes kennismaken met nieuwe teeltmethoden en grasonderzoeken, nodigde hen uit voor bloembollen studieclubs en nam hen mee naar de Wieringermeer en naar proeftuinen elders in het land. De echtgenotes kregen op praatavonden voorlichting over de nieuwe inrichting van de keuken en manieren om een doelmatig huishouden te voeren. De ruilverkaveling van het Geestmerambacht omvatte niet alleen de verbetering van de productievoorwaarden en de waterhuishouding, maar ook het scheppen van recreatievoorzieningen en de aanleg van de riolering. In de dorpen aan de Langedijk werd het afval namelijk nog geloosd op de sloten. Ook werden de woningen met overheidssteun bouwtechnisch verbeterd.

In het midden van de jaren tachtig zou worden gewerkt aan dorpsverbeteringsplannen.

Voorlichting voor de huisvrouw (Uit: Kneedbaar landschap, kneedbaar volk, p. 130)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

46

De aanleg van de riolering die onderdeel was van de ruilverkaveling, maakte de karakteristieke wc-huisjes boven de sloot die voor vervuiling van het water zorgde, overbodig. De foto laat de situatie in Langedijk voor de aanleg van de riolering zien. (Collectie Nico Vader)

De herverdeling van het land werd gefaciliteerd door een geheel nieuw wegenplan, zodat de tuin- en landbouwbedrijven aan de weg kwamen te liggen. De aanleg van de Schagerweg (N245) voor het regionale verkeer en van de oostelijke en westelijke randweg zorgde voor ontlasting van het dorp. De Voorburggracht werd gedempt waardoor het verkeer in twee snelheden door het dorp kon bewegen.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Plan voor de ruilverkaveling van Geestmerambacht, 1964 (uit: Kneedbaar landschap, kneedbaar volk, p. 170)

47

Voor de vormgeving van het nieuwe landschap ontwierp Meto Vroom een landschapsplan. Hij was een van de meest vooraanstaande landschapsarchitecten en vanaf 1966 hoogleraar aan de Landbouwuniversiteit van Wageningen. Hij streefde naar een compartimentering van het landschap om voor het oog schaal aan het ogenschijnlijk onbegrensde landschap te verlenen. Hij wilde het zicht op de duinen van Schoorl openhouden, maar het zicht op de achterkant van de dorpsbebouwing wegnemen. Langs de Schagerweg opende de rijen boombeplanting zich ter hoogte van het zicht op de duinstreek bij Schoorl; langs de Provincialeweg (N305), de Swaan, de Nauertogt en de Westelijke Randweg kwam aan een zijde boombeplanting. Van de door hem getekende erfbeplanting rond de boerderijen in het nieuwe land kwam echter niet veel terecht.

De Veertweg

Een belangrijk doel van de ruilverkaveling was ook om de natuur in het Geestmerambacht een betere positie te geven en de recreatiemogelijkheden voor de bewoners van het Geestmerambacht te vergroten. Beide ingrepen moesten het gebied aantrekkelijker maken voor nieuwe bewoners. Want wat soms vergeten wordt, is dat het duizend eilandenrijk op de oudere bewoners van Langedijk en Koedijk een desolate, kale indruk maakte, omdat in het gebied nauwelijks bomen voorkwamen. Zij kennen immers dit landschap van voor de ruilverkaveling. De Kleimeerpolder met de nog oorspronkelijk verkaveling van de droogmakerij uit de 16de eeuw werd tot natuurreservaat bestemd. De ernaast gelegen zandwinningsplaats voor verkavelingswerken en aanleg van nieuwe wijken, de Zomerdel, werd het hart van het recreatiegebied Geestmerambacht. Het ontwerp is van de Grontmij en gebeurde in een stijl die met de scheiding tussen fiets- en wandelwegen en bosschages die voor afwisselende doorkijkjes zorgen, doet denken aan recreatiegebieden als ‘t Twiske en het Spaarnewoud. De opzet van deze recreatiegebieden was weer sterk beïnvloed door het ontwerp voor het Amsterdamse Bos.

Landschapsplan van Meto Vroom voor het Geestmerambacht, 1969 (uit: Kneedbaar landschap, kneedbaar volk, p.174)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

48

Luchtfoto van Twuyvermolen en het spoorlijntje naar Broek op Langedijk, rond 1960 (herkomst: Langedijker Verleden)

Ontwerp recreatiegebied Geestmerambacht, rond 1970 (uit: Tussen buitenland en luizenknip, p. 251)

Voor de vestiging van nieuwe industrie of de verhuizing en uitbreiding van bestaande werden in Langedijk drie industriegebieden aangewezen. Ze waren al opgenomen in het uitbreidingsplan-in-hoofdzaak uit 1962. In Oudkarspel breidde de vooroorlogse houthandel van Eecen uit. In Noord-Scharwoude was industrieterrein de Wuyver onderdeel van het uitbreidingsplan Centrum-Oost, gunstig gelegen in de nabijheid van de Provincialeweg en de veiling. In de jaren tachtig kwam daar terrein De Mossel bij. In Broek vormde de bouw van de N V Smith’s Potato Crisps in 1958, aan het eindpunt van de toenmalige spoorlijn, de aanzet tot industrieterrein Zuiderdel. Weliswaar kreeg Sint Pancras op het buitendijks land van de Westbeverkoog een industrieterrein, maar na de annexatie door Alkmaar in 1972 kwam deze uiteindelijk op Alkmaars grondgebied.

In de omgeving van de Twuyvermolen is bij een vergelijk tussen de kaart uit 1963 en 1983 goed te zien dat de ruilverkaveling ook voor een drastische verandering van de omgeving van Sint Pancras zorgde. De molen ligt op de grens van het Geestmerambacht en het buitendijks land van de Westbeverkoog die oorspronkelijk deel uitmaakte van het Geestmerambacht maar ook een deel van de Heerhugowaard besloeg. (Topotijdreis.nl)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

49

Familiebedrijven In de periode tussen de inpoldering van de Heerhugowaard begin 17de eeuw en de modernisering van de economie eind 19de eeuw, verschilden de bestaansbronnen tussen het gebied rond Langedijk en Heerhugowaard sterk. West-Friesland was in de tiende eeuw door de stijgende zeespiegel van een graan exporterend land veranderd in een gebied waar in de 13de eeuw alleen veeteelt mogelijk was. Maar door verschillende uitbraken van veepest in de 16de een 18de eeuw werden de graslanden omgezet in akkerland voor de teelt van uien, wortelen en rapen door het uitbaggering en de vorming van eilanden. Door het vele water dat langer warm blijft dan land, waren soms twee oogsten per jaar mogelijk en kon de tuinbouw als belangrijke economische pijler van het gebied rond Langedijk uitgroeien. De droogmaking van de Heerhugowaard was aanvankelijk bedoeld voor het scheppen van grond voor de landbouw en de veeteelt. Omdat er geen sprake was van een contant waterpeil, werden boeren gedwongen om over te stappen op de veeteelt. Door de hoge waterstand was in sommige delen van de polder alleen verbouwing van riet mogelijk was. Door opeenvolgende economische crises in de 17de en 18de eeuw en de hoge belastingdruk, hielden de veeboeren in de Heerhugowaard amper het hoofd boven water. Daar kwamen in de 18de eeuw ook nog eens de gevolgen van de veepest bij.

Rond 1880 kregen de boeren te maken met moordende concurrentie door de boterexport uit Denemarken. De bouw van een stoomgemaal in 1877 waardoor een constant waterpeil mogelijk werd en de komst van kunstmest maakten dat veel

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Luchtfoto van G. Kramer en Zn voor de ruilverkaveling (herkomst: Langedijker Verleden)

50

boeren in Heerhugowaard op de tuinbouw overstapten. De veeteelt bleef echter een factor van betekenis. In zowel Heerhugowaard als bij Langedijk organiseerden veehouders en tuinders zich in coöperaties om maximaal te profiteren van technologische vernieuwingen. Al voor de Tweede Wereldoorlog liet de tuinbouw, mede door de economische crisis van de jaren dertig, in zowel Heerhugowaard, Sint Pancras als Langedijk een neergaande lijn zien. Omdat de Nederlandse overheid vasthield aan de harde gulden werden tuinbouwproducten als aardappelen,

kool en andere groenten onbetaalbaar. Bij de veiling kregen de tuinders nauwelijks geld voor hun waar en moesten de oogsten zelfs worden doorgedraaid. Als alternatief begonnen boeren met de teelt van tomaten in kassen, maar ook daarvan stagneerde de verkoop voor de oorlog. De overheid kwam met steunmaatregelen als rentedragende voorschotten, rentedragende kredieten en bedrijfssteun, maar die hielpen niet. Als alternatieve kostwinning werden werkverschaffingprojecten in de vorm van baggerwerkzaamheden georganiseerd. Na de oorlog, wees de afname van het aantal tuinbouwbedrijven van 1830 in 1948 tot 857 in 1959 erop dat

rigoureuze maatregelen nodig waren. Die maatregelen vonden plaats door de ruilverkaveling van zowel het Geestmerambacht als de Heerhugowaard en een verschuiving in de economisch activiteiten in de gemeenten. De ruilverkaveling had grote economische gevolgen voor de andere bedrijvigheid in Langedijk en Sint Pancras. Voor schuitenmakers en smeden was weinig werk meer en winkeliers werden weggeconcurreerd door opkomende winkelketens die filialen vestigden in de verschillende dorpen. Mechanisering en rationalisatie in het tuin- en landbouwbedrijf brachten de tuinders en boeren er toe seizoenswerk als zaaien, dorsen, ploegen en sproeien uit te besteden aan loonbedrijven. Bedrijven die al generaties lang bestonden, gingen over op schaalvergroting en specialisatie. Goed voorbeeld daarvan is de zuurkoolindustrie. Piet Kramer, oud-directeur van G. Kramer en Zn., noemt de ruilverkaveling een zegen. Hij was blij dat het onhandig manoeuvreren met bootjes over de talloze slootjes van de baan was en de markt nationaal en internationaal door het gemotoriseerd vrachtvervoer over de weg veel makkelijker te bedienen was. Van de tientallen zuurkoolfabriekjes bleef uiteindelijk alleen die van Kramer over. Door het aanvoelen van de tijdgeest, weet dit bedrijf zijn aanbod steeds weer te vernieuwen.

Andere bedrijven specialiseren zich juist, waardoor de kwaliteit van hun product uitzonderlijk hoog is, zoals Palingrokerij Vlug B.V. laat zien, die al 125 jaar bestaat, eerst aan de Dijk in Broek op Langedijk, vanaf 1994 in op bedrijventerrein Zuiderdel.

Ligging bedrijfsbebouwing van G. Kramer en Zn voor en na de ruilverkaveling (Topotijdreis.nl)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

51

Ook In Heerhugowaard stimuleerden de modernisering in industrie en land- en tuinbouw de bestaande familiebedrijven tot schaalvergroting. Zij verdiepten zich in nieuwe bedrijfstechnieken en zochten manieren om hun afzetmogelijkheden te vergroten. Het transportbedrijf van de familie Kuiper en het Bouwbedrijf Kamp zijn sprekende voorbeelden van hoe zij zich op inventieve wijze wisten aan te passen aan de veranderende vraag. In 1869 startte Bernardus Kamp een timmerbedrijfje aan de Middenweg 275, waarna zijn zonen en kleinzonen betrokken raakten bij de aanleg van de wijken en de bouw van scholen in de jaren zeventig wijken. Zij bouwden in de periode tussen 1910 en 2000 hun bedrijf verder uit door overname van een CV en loodgietersbedrijf, een projectontwikkelingsbedrijf, een bedrijf voor het maken van kunststofkozijnen en een doe het zelf winkel. Het aanpassingsvermogen en ondernemerschap van een familiebedrijf is ook goed zichtbaar in de uitbreiding en uiteindelijke verplaatsing van de huisvesting van Kuiper Transport van de Jan Glijnisweg naar de Zandhorst. Jan Kuiper begon in 1939 met schuit, paard en wagen en hondenkar groenten te vervoeren van de Schermer naar de Broekerveiling, om na de oorlog met zijn eerste Chevrolet-vrachtwagen de soorten lading en afzetgebied uit te breiden naar andere veilingen in de omgeving.

Geholpen door innovaties in het vrachtwagenvervoer als laadklep, de komst van heftrucks en mobilofoon verbreedde het familiebedrijf zijn activiteiten van vervoer van groentes, bloembollen, hoogovenslakken, zand en tuinturf naar de ontwikkeling van een opslag en distributiecentrum op de Zandhorst.

Huisvesting van Transportbedrijf Kuiper op de Jan Glijnisweg in 1953 en jaren negentig en uiteindelijk op de Zandhorst (uit: Overhaal 2015, 27-29)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

52

5 1960-1970: Ruimte benutten, ruimte vinden: verstedelijking in Heerhugowaard en in Langedijk

De drie gemeentes van Heerhugowaard, Langedijk en Sint Pancras waren bij hun plannen voor de heroriëntatie van hun economie en de planning van nieuwe woonwijken wel gehouden aan het beleid van rijk en provincie. Dat beleid moest in de vorm van rijksnota’s voor de ruimtelijke ordening, streekplannen en provinciale structuurnota’s landen in de structuur- en bestemmingsplannen van de gemeente. De groei van Heerhugowaard in de jaren zestig en zeventig was een belangrijk beleidsdoel uit provinciale nota 3 miljoen Noordhollanders. Hierin werd de wens geuit om de werkgelegenheid en ook bewoners over de provincie te spreiden, om zo ook de druk op het zuiden en de regio Amsterdam te verlichten. Deze nota was weer direct gerelateerd aan de nota Ontwikkeling van Noord West Nederland uit 1958 en de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening van 1966. Rode draad in alle drie de nota’s was om onder de noemer van ‘gebundelde deconcentratie’ uitbreidingen rond daartoe aangewezen groeikernen mogelijk te maken, en tegelijk het landschap te sparen. Alkmaar, Purmerend en Hoorn behoorden in Noord- Holland tot de van rijkswege aangewezen groeikernen en Heerhugowaard niet. Maar in de provinciale nota werd uitgegaan van het zogenaamde ‘blokmodel’ waarin Alkmaar, Bergen en Heerhugowaard een blok vormde. Heerhugowaard kreeg dus, veel meer dan Langedijk en Sint Pancras, de status van secundaire groeikern.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Alternatieven voor ontwikkeling van agglomeraties in Noord-Holland zoals gepresenteerd in de nota Drie miljoen Noordhollanders uit 1966. De keuze valt op het blokmodel. (uit: Nota 3 miljoen Noordhollanders)

53

De woonruimtebehoefte van de Nederlanders nam als teken van welvaart na de oorlog toe. Gezinnen werden kleiner, de behoefte aan woonruimte groeide. Door ruilverkaveling en achteruitgang van land- en tuinbouw moest de werkgelegenheid in industrie en dienstensector groeien, ook in de dunbevolkte gebieden van Noord-Holland. Spreiding van inwoners en industrie maakten bovendien de verbetering van de infrastructuur noodzakelijk door aanleg van nieuwe wegen en tunnels. De provincie hield daarbij ook rekening met wat zij ‘mentale verstedelijking’ noemde. Bewoners in de dorpen willen dezelfde voorzieningen als in de steden. Om het wonen in de nog dunbevolkte gebieden aantrekkelijk te maken was de zorg voor het landschappelijke schoon daarom uit oogpunt van recreatie heel belangrijk. Heerhugowaard en Langedijk reageerden elk op eigen wijze op het door de landelijk en provinciale overheid uitgestippelde beleid. Het verschil in landschappelijk opzet en vooral de relatie tussen land en water in de dorpen van Langedijk

en in de droogmakerij van Heerhugowaard bepalen sterk de ruimtelijke ontwikkeling van de drie gemeentes. Langedijk en Sint Pancras moesten, ook als de barrière van het vele water door de ruilverkaveling is weggenomen, naar ruimte voor uitbreidingen zoeken. De droogmakerij van Heerhugowaard, biedt juist een ideaal kader voor de aanleg van nieuwe wijken.

van de stad en iedere wijk weer uit enkele buurten bestond, zou de bewoner zich meer betrokken voelen bij de eigen wijk. Een wijk moest in zo’n geval bestaan uit een menging van verschillende welstandsklassen en leeftijdsgroepen. Hoewel stedenbouwkundigen in Nederland de wijkgedachte midden jaren vijftig al snel als reactionair en betuttelend afdeden, zou het als inrichtingsprincipe voor nieuwe wijken nog lang dienstdoen. Elke nieuwe wijk in Heerhugowaard, Langedijk en Sint Pancras kende, mits groot genoeg, buurten als herkenbare eenheden met een diversiteit aan woningtypen en eigen voorzieningen als een school en, wanneer de wijk groot genoeg was, ook een eigen winkelcentrum. Omdat de nieuwe uitbreidingen in Heerhugowaard door de beschikbare ruimte groter waren, dan in de twee andere gemeentes, konden de nieuwe ideeën over gemeenschapsvorming hier beter vorm krijgen.

Omdat de plannen voor Heerhugowaard, Langedijk en Sint Pancras door hetzelfde bureau werden gemaakt, is de stedenbouwkundige benadering die aan de ontwerpen ten grondslag ligt gelijk. Uit de toelichting op de plannen blijkt dat niet met zoveel woorden, maar het lijkt het erop dat de opzet van de wijken door de wijkgedachte uit de jaren ’50 werd bepaald. Dit idee van stedenbouw is afgeleid van de ‘neighborhood unit’ van de Amerikaans pedagoog Clarence Arthur Perry. Dat was een methode om door de manier waarop nieuwe wijken werden ingedeeld, een gemeenschapsleven te doen ontstaan. Bij een wijk-gewijze opbouw

Heerhugowaard in 1950 en 1973. Zichtbaar is de explosieve groei van het centrumgebied (Topotijdreis.nl)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

54

Heerhugowaard: een hoog tempo van plannen maken In Heerhugowaard was in de jaren zestig en zeventig dan ook sprake van een ware bouwexplosie. Door de komst van de energieke burgemeester A.F. Molleman in 1957 en de taak die Heerhugowaard van de provincie als groeikern kreeg, volgden de uitbreidingsplannen en structuurplannen zich vanaf eind jaren vijftig in snel tempo op. Op het structuurplan van 1959 volgde het Uitbreidingsplan in hoofdzaken van 1962, maar die werd in 1965 door een nieuw Structuurplan opgevolgd dat in 1969 werd vastgesteld. Twee jaar later startte dan alweer de schets voor het structuurplan van 1980. Zijn de structuurplannen eerst nog vrij traditioneel met een duidelijke weergave van de voor de wijken bedachte verkaveling; in de jaren zestig worden ze meer planologisch en globaler van opzet. Ondertussen werkte de afdeling Openbare Werken nijver door aan het maken van uitwerkingsplannen voor de verschillende wijken. In de motivatie voor deze plannen klonk het in de nota 3 miljoen Noord-Hollanders uitgestippelde beleid door. Het belangrijkste doel van de uitbreidingsplannen was om het vertrekoverschot te keren. De aantrekkelijkheid van de gemeente moest vergroot worden door andere vormen van werkgelegenheid te scheppen, het winkelapparaat te saneren en op één plek te concentreren.

Door het bieden van voortgezet onderwijs wilde Heerhugowaard bij jongeren de interesse in andere beroepssectoren dan land- en tuinbouw wekken.

Uitbreidingsplan Centrum Heerhugowaard, Bureau Wieger Bruin Vink Van de Kuilen, 1965 (herkomst: RAA)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

55

Stedenbouwkundigen Bij de eerste uitbreidingsplannen van de drie gemeenten Langedijk, Sint Pancras en Heerhugowaard was steeds het bureau van Wieger Bruin, vanaf 1956 Wieger Bruin Vink en vanaf 1962 Wieger Bruin Vink Van de Kuilen betrokken. Wieger Bruin associeerde zich in 1956 met Hubertus Vink (19252012), in 1961 werd Wouter van de Kuilen (1923-2003) partner in het bureau. Soms, zoals in het geval van Heerhugowaard, namen zij het ontwerpwerk uit de jaren dertig van een ander over. In Langedijk zou na de oorlog Elize van de Ban korte tijd verantwoordelijk zijn voor de uitbreidingsplannen, maar ook daar kreeg het bureau van Wieger Bruin uiteindelijk de opdracht voor het merendeel van de plannen. Dat gebeurde ook in Sint Pancras, dat tot 1990 een zelfstandige gemeente was. Vanuit het bureau van Wieger Bruin Vink van de Kuilen, dat nadat Wieger Bruin afscheid nam Vink Van de Kuilen Klein heette, trad H.P. Kuypers steeds prominenter als hoofdarchitect op. Hij zou vanaf 1976 de opdrachten voor de drie gemeentes op eigen naam coördineren. Dat Wieger Bruin (1893-1971), voor het ontwerpwerk voor alle drie gemeentes verantwoordelijk was, is niet verwonderlijk.

Zijn bureau zou in de jaren ’50, ‘60 en ’70 in het kader van de wederopbouw en de bebouwing van de IJsselmeerpolders talloze uitbreidingsplannen voor dorpen en steden ontwerpen, waarvan sommige direct werden uitgevoerd en andere zoals in Alkmaar op veel verzet stuitte. Wieger Bruin, eerst opgeleid als schilder, volgde vanaf 1912 bouwkundig onderwijs aan de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijzers en studeerde in 1915 af. Daarna deed hij ervaring op bij

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

verschillende architectenbureaus zoals die van A.R. Hulshoff, de latere stadsarchitect van Amsterdam. Hij begon in 1923 zijn loopbaan als zelfstandig architect en ontwikkelde zich na de oorlog steeds meer als stedenbouwkundige. Hij onderwees aan verschillende ontwerpopleidingen en was bijzonder hoogleraar bouwkunde en stedenbouw aan de Landbouwhogeschool in Wageningen (1947-1958).

ontwerp voor de mega-structuur van Hoog Catharijne in Utrecht laten zien. In de naoorlogse uitbreidingsplannen krijgt het autoverkeer op regionale schaal en de schaal van de stad als geheel ruim baan. Het bureau was dan ook verantwoordelijk voor grootschalige doorbraken. In het saneringsplan voor Alkmaar van 1957 projecteerde Bruin een vierbaansweg door het centrum van de stad en wilde hij veel grachten dempen. Door het hevige verzet vanuit de bevolking zou het plan niet worden uitgevoerd. Het structuurplan voor Heerhugowaard van Wieger Bruin Vink Van de Kuilen is representatief voor de planologische manier van denken die eind jaren zestig opkwam. Het plan dat vermoedelijke vooral het werk was van Vink en Kuypers, laat geen vormgeving van stedelijke ruimtes zien, maar alleen een indicatie van de hoofdwegenstructuur en de locatie van de verschillende bestemmingen. De uitwerking kon mettertijd aan veranderende omstandigheden worden aangepast.

Wieger Bruin drukte zeker in het begin zijn stempel op de stedenbouwkundige benadering die ten grondslag lag aan de uitbreidingen van de drie gemeentes. Maar het kan ook zijn dat de andere ontwerpers daarop steeds meer invloed kregen. Over de drie andere ontwerpers is niet veel bekend. Van de Kuilen (1923-2003) profileerde zich vooral als architect. Ook over H.T. Vink is weinig bekend. De architectuur van Wieger Bruin is vooral geënt op traditionele voorbeelden. Het stedenbouwkundig werk van Wieger Bruin begon in de jaren ‘20 met uitbreidingsplannen voor kleine gemeenten in Noord-Holland als Uithoorn, Anna Paulowna en Purmerend. Hij volgde de trends die met de tuinstadbeweging was ingezet, maar dan op een grotere schaal. In de uitleg van de wijken in Heerhugowaard, Langedijk en Sint Pancras domineren de rond binnentuinen gegroepeerde woningenrijtjes, waarbij de hoeken open worden gelaten zoals dat ook in de Nederlandse tuindorpen van de jaren ‘20 en ‘30 het geval was. Ook is er aandacht voor veel groen en de esthetische functie van water in het beeld van de wijk. Dit betekent overigens niet dat het bureau op stedenbouwkundig gebied traditioneel was. Zij liep daarin zelfs voorop, zoals Vinks

Vroegere medewerkers van H.P. Kuypers vinden het moeilijk de stedenbouwkundige benadering van Kuypers te omschrijven. Zijn benadering verschilde vermoedelijk niet veel van die van Vink. Hij was vooral degene die acquisitie deed en de regie voerde; zijn medewerkers maakten het ontwerp. In Sint Pancras en Langedijk wisselde Elize van der Ban (1894-1973) de werkzaamheden af met het bureau van Wieger Bruin. Zij was de eerste vrouw die in Delft als civiel-ingenieur afstudeerde. Ze werkte bij Rijkswaterstaat in Noord-Holland en als stedenbouwkundig adviseur bij

56

verschillende Noord-Hollandse gemeenten. Over haar persoon en werk is niet veel bekend, maar aan haar ontwerpen te zien had zij in de jaren ’60 een gelijke stedenbouwkundige benadering als Wieger Bruin. Fred J. Zandvoort (1923-2019) en zijn bureau voor stedenbouw nam in 1984 het bureau van H.P. Kuypers over en dus ook diens functie van stedenbouwkundig adviseur voor Langedijk, Sint Pancras en Heerhugowaard. Hans van der Linden zou vanuit dit bureau de plannen maken in de lijn van de opvattingen van Zandvoort. Zandvoort studeerde af als stedenbouwkundige in TU Delft. In samenspraak met juristen, filosofen, landschapsarchitecten en planologen die ook bij het bureau werkten, ontwikkelde hij de filosofie van de recreatieve stad. Vanuit zijn kritiek op de monofunctionele stedenbouw van eind jaren zestig, pleitte Zandvoort voor

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

een menging van functies, maar was hij kritisch op het het sub-urbane karakter van de bloemkoolwijken. Hij opteerde aan de ene kant voor een meer stedelijke karakter van de wijken, maar tegelijk ook voor een sterkere versmelting van stad en land. Toen het bureau van Zandvoort de opdracht voor uitbreidingsplannen van Heerhugowaard kreeg, was Zandvoort zelf al weg. Het bureau ging verder onder de naam Zandvoort Ordening & Advies. Daartoe behoorde ook Hans van der Linden, de ontwerper van Butterhuizen en Oostertocht I. Typerend voor Van der Lindens ontwerpbenadering zijn de speelse verkavelingsvormen aan de ene kant en de afwisseling van stedelijke buurten en buurten met een dunner bebouwde opzet langs de randen. In de strakke opzet van Butterhuizen en Oostertocht probeerde hij tegelijk de rationele verkaveling van de droogmakerij terug te laten keren. In Mayersloot creëerde hij in 1987 vanuit het karakter van Broek op Langedijk een eilandenstructuur.

Ashok Bhalotra (1943-2022) genoot zijn opleiding tot architect in India en kwam na enkele omzwervingen door Europa waaronder een aanstelling bij het bureau van Candilis en Woods in Parijs, in 1971 terecht bij het stedenbouwkundige bureau Kuiper Compagnons in Rotterdam. Vanuit dit bureau zou Balohtra verantwoordelijk zijn voor het ontwerp van de wijken Zuidwijk/Huygenhoek en de Stad van de Zon. Hij kreeg grote bekendheid met zijn stedenbouwkundig ontwerp van de Amersfoortse wijk Kattenbroek. Hij introduceerde hier een verhalende vorm van stedenbouw waarin de het gebruik van thema’s als reizen en thuiskomen architecten moest inspireren om tot nieuwe vormen van stedelijke ruimte en architectuur te komen. Heel belangrijk vond hij dat deze organisatie van de stedelijke ruimtes tot sociale cohesie leidde en hij wilde dan ook verschillende sociale groepen binnen de buurten zouden mengen.

57

De eerste uitbreidingswijken van Heerhugowaard zijn de Schrijverswijk, de Schilderswijk, de Planetenwijk en de Bomen- en Recreatiewijk en zijn alle in een periode van ongeveer tien jaar gerealiseerd. Ze verschillen in vorm en grootte, maar ze bestaan alle uit een compositie van woningen van verschillende typen – stroken eengezinswoningen, drive-inwoningen, vrijstaande woningen en af en toe ook seniorenwoningen -, wegen die opgesplitst zijn in autowegen en een onafhankelijk net van voetpaden, groen en parkeerplaatsen. Representatief voor de stedenbouwkundige benadering zijn de Schilderswijk en de Bomenwijk. De opgave was om het voetpadennet zo op te zetten dat kinderen op hun route naar school zo min mogelijk autowegen hoefden te kruisen (zie Thema: de geplande en de geleefde stad in Heerhugowaard). Voor het beperken van de snelheid werden de rechtstanden in de straten kort gehouden. De parkeernorm lag rond de 1 – 1,5 parkeerplaats per huishouden en dus relatief hoog. Daarom werd geprobeerd de parkeerplaatsen en garageboxen zoveel mogelijk uit het zicht te houden, door deze op de binnenterreinen van woonhoven te bouwen of rond pleintjes aan het eind van een wijkweg.

Ontwerp uitbreidingsplan Centrum Oost: Schilderswijk Noord, Vink Van de Kuilen Klein, 1968 (Herkomst: RAA)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Garageboxen op het binnenterrein van Versproncklaan-Albert Cuyplaan

58

Op deze kaart staat aangegeven welke wijken in de opeenvolgende perioden tussen 1945 en 1990 zijn gerealiseerd in Dijk en Waard (Tekening: Jos Kenter)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

59

Uitsnede uit ontwerp Centrum Oost: Bomenwijk (eiland), Vink Van de Kuilen Klein, 1973 (Herkomst: RAA); de parkeerhoven maken een route langs groene velden in en langs de randen van de Bomenwijk mogelijk.

Vergelijking gesloten verkaveling Schilderswijk in Heerhugowaard en open verkaveling Slotermeer, Amsterdam (Herkomst: Google Earth)

De situering van de garageboxen in binnenhoven was mogelijk, omdat de stedenbouwkundige opzet van de wijken vrij traditioneel is. Er was geen sprake van een open verkaveling met stroken- en hakenbouw, zoals bijvoorbeeld in de westelijke tuinsteden van Amsterdam.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

60

In Nuyenburg wordt onderscheid gemaakt tussen de achterkant waar auto’s parkeren, en de voorkant van de straten met autovrije pleintjes.

De wigvormig groene ruimte in het centrum van de schrijverswijk ontstaat, omdat de Basiusstraat parallel loopt aan de Middenweg en de Van Duivenvoordestraat de loop van de Middenweg volgt voorbij de knik bij de Van Veenweg (Topotijdreis.nl)

De opzet doet eerder denken aan die van vooroorlogse tuindorpen, waarin de gesloten bouwblokken op de hoek geopend zijn en zicht bieden op de binnentuinen.

In de Schilderswijk en de Bomenwijk zijn de grachten niet alleen voor waterberging opgenomen, maar ook om esthetische redenen.

Groen is in deze wijken in overvloed aanwezig. Met veel bomen beplante straten leiden naar grote, open groene ruimtes. Er wordt dan ook onderscheid gemaakt tussen straten met parkeerplaatsen en ruimtes zonder auto’s, zoals in de Heemradenwijk/Nuyenburg.

In 1959 werd de behoefte gevoeld aan een uitgebreid recreatiegebied, die dan ook in de uitbreidingsplannen van 1965 op de kaart verschijnt in de vorm van een hertenkamp bij de Dreef en een park met kinderboerderij De Bongerd in het centrum daarvan.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Brouwersgracht. De met brede, groene oevers ontworpen grachten lopen midden door de wijken en dienen zoals bij de Planetenwijk en Nuyenburg ook als begrenzing van de wijk.

61

In de uitleg van de wijken uit de jaren zestig is de onderliggende verkaveling van de droogmakerij nog herkenbaar. De wigvormige groene ruimte en de richting van de straten binnen de wijken hebben verband met de knik in de Middenweg. Zelfs de ligging van de vroegere kilpaden – paden die op een stuk hoger gelegen land liepen – zijn in het stratenverloop nog zichtbaar. De ontwerpers hadden in de verschillende wijken ook hoogbouw willen opnemen. De keuze hiervoor gebeurde vooral vanuit esthetische overwegingen. Ze wilden accenten aanbrengen in wijken waarin laagbouw domineert. Maar in de uitwerking is daar, ook door weerstand vanuit de bevolking, vanaf gezien.

Kaarten uit 1960 en 2021: de zogenoemde kilpaden - paden die op een kil, ofwel hoger gelegen land liepen – zijn niet meer als zodanig herkenbaar. Ze hebben wel de loop van de Cromhoutstraat, de Van Loonstraat, de Van Foreestsstraat en min of meer die van de Nuyenburglaan en de afstanden daartussen bepaald. (Topotijdreis.nl)

De drie zwarte vierkantjes duiden op hoogbouw in Fabritiuspark, Uitbreidingsplan Centrum Oost: Schilderswijk Noord, Vink Van de Kuilen Klein, 1968 (herkomst: RAA)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

62

Langedijk en Sint Pancras: ruimte benutten

gemaakt in een algemeen uitbreidingsplan. Nog voordat de ruilverkaveling op gang kwam, nam stedenbouwkundige Elze van den Ban met het maken van het Uitbreidingsplan-in-hoofdzaak uit 1962 een voorschot op de mogelijkheid voor een uitbreiding aan de westzijde van de dijk. De realisatie van wat Centrum West ging heten was pas mogelijk na de herverkaveling, omdat daarmee de vele oost-west lopende vaarsloten werden gedempt. Er staat op de kaart van Van der Ban al een nieuwe wegenstructuur met randwegen getekend. Die kwamen uiteindelijk op een grotere afstand van de dijk te liggen, waardoor de bandbreedte voor de uitbreidingen toenam.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=fb1dc1c7-daf5-42e6-a3bd-d5f0891e0dce