CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Gebiedsbiografie Dijk en Waard - 2023 compleet definitief

Gemeenteraad 24 juni 2025, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Erfgoedbeleid Dijk en Waard 202529.059 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Dijk en Waard: een gebiedsbiografie

2023

Inhoudsopgave Inleiding.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 Deel 1: De vorming van het landschap. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 1 Drie landschappen binnen het Geestmerambacht. . . . . . . . . . . . . . . . . 6 De ontginning van het veenlandschap vanuit de kust en de strandwal. . . . . . . . 8 Bewoning en het ontstaan van het 1000- eilanden rijk. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 Het landschap van de droogmakerij: de Heerhugowaard . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13 Bewoning en bewerking van de droogmakerij. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17

Thema - De dorpen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19

2 De modernisering van het landschap rond 1900. . . . . . . . . . . . . . . . . . 24 Thema - Een economisch centrum voor de tuinbouw. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27 De ontwikkeling van de dorpen en het ontstaan van buurtschappen in Heerhugowaard. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30

3 Na 1945: tussen oorlog en ruilverkaveling. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35 Deel 2: De verstedelijking van het landschap. . . . . . . . . . . . . . . 41 4 1960-1975: Ruilverkaveling.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42 De ruilverkaveling van de Heerhugowaard. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42 Van vaar- naar rijpolder: Langedijk en Sint Pancras. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46

Thema - Familiebedrijven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50

5 1960-1970: Ruimte benutten, ruimte vinden: verstedelijking in Heerhugowaard en in Langedijk. . . . . . . . . . . . . . . 53

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Heerhugowaard: een hoog tempo van plannen maken. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 55 Thema - Stedenbouwkundigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 56 Langedijk en Sint Pancras: ruimte benutten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 63

6 1970-1980: Vlekken stedenbouw. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 67 Heerhugowaard: voor elk vlek een eigen vorm. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68 Langedijk en Sint Pancras: het landschap als leidend principe. . . . . . . . . . . . . 75 Thema - Vormen van gemeenschap . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81

INTERMEZZO: Een nieuw centrum voor Heerhugowaard. . . . . . . . . . 84 7 1980-1990: Terug naar een herkenbaar wijkontwerp.. . . . . . . . . . . . 90 Heerhugowaard: Butterhuizen en Oostertocht.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 91 Langedijk: Mayersloot. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95

8 1990-2000: Verhalende stedenbouw. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97 Zuidwijk/ Huygenhoek en Stad van de Zon. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 98 1990-2000: De bijdrage van Langedijk en Sint Pancras aan de HAL. . . . . . . . . 103

Thema - De geplande en geleefde stad in Heerhugowaard. . . . . . . . . . . . . . . . . . 105

Conclusie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 111 De cultuurhistorische kenmerken van Dijk en Waard. . . . . . . . . . . . . . 112 Bronnen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 118 Colofon . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 120

2

Inleiding

Een meervoudige geschiedschrijving

Aanleiding De gemeente Dijk en Waard werkt aan de uitwerking van de Omgevingsvisie. Deze beschrijft de maatschappelijke opgaven en beschermt de kernkwaliteiten van de gemeente door op basis van 9 speerpunten belangenafwegingen te maken. Eén van de 9 speerpunten is het behouden en versterken van de identiteit van Dijk en Waard. Om dit te kunnen doen, is inzicht nodig in de cultuurhistorische ontwikkelingen die binnen de gemeente hebben plaatsgevonden en de gemeente hebben gemaakt tot wat het nu is. Deze gebiedsbiografie brengt de cultuurhistorische kenmerken van Dijk en Waard in beeld. Ze beschrijft de historische gelaagdheid van de gemeente vanaf het ontstaan van het landschap tot de stedelijke uitbreidingen rond het jaar 2000. Rond dit jaar werden de plannen voor Huygendijk/Zuidwijk, Stad van de Zon en Twuyverhoek, die voortkwamen uit de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra, uitgewerkt. De verdichtingsplannen en uitbreidingsplannen die sindsdien gemaakt zijn, zijn nog voor een groot deel in uitvoering of nog maar net afgerond. Hierdoor ontbreekt de nodige afstand voor een objectieve geschiedschrijving.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Het feit dat de gemeente Dijk en Waard voortkomt uit opeenvolgende fusies heeft zijn sporen nagelaten in de geschiedschrijving van de verschillende kernen. Bij de vorming van het landschap gaat deze nog gelijk op, maar door de bestuurlijke herindelingen kent iedere gemeente zijn eigen ontwikkeling. De laatste fusie dateert uit januari 2022, toen de gemeenten Langedijk en Heerhugowaard tot de gemeente Dijk en Waard werden samengevoegd. De voormalige gemeente Langedijk is op haar beurt in 1941 ontstaan uit een samengaan van de gemeenten Broek op Langedijk, Zuid-Scharwoude, Noord-Scharwoude en Oudkarspel. Heerhugowaard bestaat weliswaar uit een groot aantal buurtschappen: De Noord, ‘t Kruis en Zuid, na de oorlog ook Centrumwaard genoemd, vormden op zichzelf nooit een zelfstandige gemeente. Veenhuizen was tot 1854 een zelfstandige gemeente. In dat jaar werd zij met de gemeentelijke herindeling samengevoegd met Heerhugowaard. Sint Pancras, tot 1990 een zelfstandige gemeente, werd in dat jaar toegevoegd aan de gemeente Langedijk. Een klein deel van Sint Pancras, de Nollen, werd in datzelfde jaar geannexeerd door Alkmaar. Sint Pancras bestond toen uit het dorp Sint Pancras en het in 1972 bij Sint Pancras gevoegde noordelijke deel van Koedijk. Het zuidelijk deel van Koedijk ging in 1972 deel uitmaken van Alkmaar.

De gebiedsbiografie is een belangrijk ingrediënt voor het versterken van de bestaande kernkwaliteiten die voortvloeien uit de historie van het gebied en voor het behouden van zowel de identiteit van de gemeente Dijk en Waard als geheel als van de afzonderlijke kernen. Ze bouwt voort op de gebiedsbiografie Centrum Dijk en Waard: een gebied van twee snelheden, die eind 2021 is gemaakt voor het centrumgebied.

3

Leeswijzer De gebiedsbiografie is opgedeeld in twee delen en sluit af met een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van het gebied. In Deel 1 wordt ingegaan op de vorming van het landschap van het Geestmerambacht, waarin het water een alles bepalende invloed heeft gehad. Hierin is ook aandacht voor de diversiteit van de landschappen en de gevolgen daarvan voor de vorming van gemeenschappen en het gebruik van het landschap. In Deel 2 wordt ingegaan op de schaalvergroting van het landschap als gevolg van de verstedelijking en de ruilverkaveling. Hierbij wordt gekeken naar de oorzaken die hieraan ten grondslag liggen, zoals de verschuivingen in de economie, de huisvesting van de vele nieuwkomers en de aanwijzing van Heerhugowaard tot regionale groeikern. De kaderteksten die los van de biografie gelezen kunnen worden, gaan dieper in op diverse voor de geschiedenis van de gemeente typerende onderwerpen. Ze zoomen in op

Verantwoording belangrijke perioden in de ontwikkeling van Dijk en Waard en voor de gemeente belangrijke thema’s zoals de invloed van familiebedrijven op de economie, het economische centrum van Langedijk en Heerhugowaard rond 1900 en het gebruik van de naoorlogse wijken.

Er bestaat nog geen literatuur die de geschiedenis van de gemeente Dijk en Waard als één gemeente in beeld brengt. Daarnaast is de geschiedschrijving van de voormalige afzonderlijke gemeentes voornamelijk beperkt tot de periode tot aan de Tweede Wereldoorlog. Wel is er een uitvoerige studie verschenen over de ruilverkaveling in het algemeen, waarin ook een hoofdstuk is gewijd aan het Geestmerambacht (Gerrie Andela, Kneedbaar landschap) en een boek gebaseerd op de ‘oral history’ van degenen die aan de ruilverkaveling hebben meegewerkt (Agnes de Groot, Van vaarpolder naar rijpolder). Deze gebiedsbiografie is daarom voor een groot deel gebaseerd op uitvoerig nieuw archiefonderzoek, observaties ter plekke (veldonderzoek) en gesprekken met stedenbouwkundigen en projectleiders, die bij de drie voormalige gemeentes hebben gewerkt. We hebben bovendien dankbaar gebruikt gemaakt van de gesprekken met vertegenwoordigers van Langedijker Verleden en van de publicaties van Langedijker Verleden (Otterplaat), de Historische Vereniging Heerhugowaard en de Historische Vereniging Sint Pancras. De inzichten die Henk Komen in belangrijke fasen van de geschiedenis van Heerhugowaard en Langedijk in zijn publicaties en in artikelen in de genoemde tijdschriften biedt, waren voor het begrip daarvan onmisbaar.

De gebiedsbiografie eindigt met een beschrijving van de cultuurhistorische kenmerken van Dijk en Waard. Op basis van deze beschrijving is een kenmerkenkaart gemaakt die het speerpunt Identiteit in de omgevingsvisie helpt onderbouwen. Hiervoor is dankbaar gebruik gemaakt van de Beleidsnota cultuurhistorie Langedijk 2011 (geactualiseerd in 2016, een productie van Stichting Cultureel Erfgoed Alkmaar) en de bijbehorende cultuurhistorische kaart en Gemeente Heerhugowaard – een historisch-geografische inventarisatie (inclusief de karakteristiek bebouwing), 2012, een productie van de Cultuur Compagnie Noord-Holland, Cultuurland Advies en Anita van Breugel, Adviesbureau Cultuurhistorie). Voor een uitvoeriger beschrijving van de nog aanwezige sporen van de landschappelijk en historisch-geografische ontwikkeling van de drie voormalige gemeentes kan hiernaar verwezen worden.

Daarnaast hebben we gedurende het veldwerk voor deze gebiedsbiografie op straat toevallige voorbijgangers en inwoners van de verschillende uitbreidingswijken aangesproken en gevraagd naar hun visie op de kwaliteiten van en het gebruik van deze wijken. Verdere participatie zal plaatsvinden in het kader van de Omgevingsvisie.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

4

Deel 1 De vorming van het landschap

1 Drie landschappen binnen het Geestmerambacht Het landschap van het westen van Nederland, ten noorden van de Rijn, bestond rond het begin van de jaartelling uit een uitgestrekt veengebied. Aan het eind van de eerste eeuw was het her en der bewoond. In de eeuwen daarvoor wisselden perioden van overstromingen en verlanding elkaar af, waarin de kustlijn zich steeds meer naar het westen verplaatste. De oudste herkenbare strandwal1 ligt op de lijn Beverwijk – Uitgeest – Sint Pancras. Die loopt zelfs tot in Zuid-Scharwoude door. Toen de kustlijn zich rond 1000 v. Chr. sloot en het water dat vanuit de rivieren werd aangevoerd, niet meer weg kon, ontstond een uitgestrekt veenlandschap. Door bodemdaling vormden zich op veel plekken meertjes en dellen. Dit veenlandschap was echter te nat voor bewoning. Alleen de strandwal van Sint Pancras kon rond

800 v.Chr. bewoond worden. De belangrijkste levensbronnen van de toenmalige bewoners hier waren akkerbouw en veeteelt. Deze bewoning duurde tot in de 3de eeuw, toen het gebied door wateroverlast onbewoond raakte. Pas vanaf de 8ste eeuw werd het gebied opnieuw in gebruik genomen. Vanaf dat moment is West-Friesland permanent bewoond. Tussen Petten en Callantsoog ontstond het zeegat van Zijpe, waardoor het zeewater via de Rekere (nu onderdeel van het Noord Hollands kanaal) diep het land binnen kon dringen. Door opeenvolgende doorbraken in de duinenrij ging ook weer veel veengebied verloren. De opeenvolgende stormvloeden van 1164 en 1170 veranderden het veengebied in een uitgestrekt eilandenrijk, omgeven door het water van de Noordzee en het Flevomeer, de latere Zuiderzee.

Nederland rond begin van de jaartelling (uit:Tussen buitenland en luizenknip, p. 13)

1 Een strandwal is een door de branding opgeworpen, boven het zeeniveau liggende, zandbank. Strandwallen zijn op verschillende plekken in Noord-Holland onder de oppervlak nog aanwezig.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

6

De bewoners die de eilanden in het veenlandschap ontgonnen, vestigden zich aanvankelijk op de aanwezige kreekruggen die droogvielen toen het zeegat van Bergen zich sloot. Die kreekruggen zijn op sommige plekken in het huidige landschap nog te herkennen. In de lagere delen van de

polder legden zij dijken als bescherming tegen het water. De eerste dijken in het Geestmerambacht waren bedoeld om de Rekere (nu Noord Hollands kanaal) te kanaliseren. Toen mede op gezag van de Graaf van Holland de dijken zich aaneensloten, ontstond rond 1250 de Westfriese omringdijk.

Reconstructie West-Friesland in de 13de eeuw uit 1865, met de grote binnenlandse meren, gemaakt door W.J. Hofdijk1 (herkomst: RAA, PR1005161)

Binnen de Westfriese omringdijk is een grote diversiteit aan landschappen te vinden, waaronder het rijk der duizend eilanden van Langedijk, het landschap op en rond de zandrug van Sint Pancras en de droogmakerij van Heerhugowaard.

Situatie van de kop van Noord-Holland rond 1600 met ligging van de dammen voor beheersing van het water (links) en de ligging van de dijken (rechts).

2 Deze reconstructie is gebaseerd op wat Beekman over de vorm van de meren kende op de oudste kaarten van het gebied uit de 17de eeuw. Dus laat de reconstructie een 13de eeuws landschap met 17de eeuwse meren zien.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

7

De ontginning van het veenlandschap vanuit de kust en de strandwal De ontginning van het veenlandschap startte vanuit twee gebieden. De ene ontginning begon vermoedelijk vanuit de omgeving van Schoorl. Aangenomen wordt dat de monniken van de Egmonder abdij de bewoners hielpen met de aanleg van de Langedijk, maar zeker is dat niet. De andere ontginning begon vanuit de strandwal waarop het dorp Vronen of Vronerlo lag, de voorloper van Sint Pancras. Zoals ook in de andere veengebieden in Nederland werd het agrarische land in lange, parallel liggende stroken verkaveld en gescheiden door afwateringssloten. De noordelijke ontginningen van het Geestmerambacht, in het gebied ten westen van Langedijk, begonnen vanaf de zogenoemde Geestgronden (geest=akkercomplex in strandwallengebied) in het duingebied. Omdat steeds dezelfde verkavelingsmethode en -richting werd aangehouden, kreeg het ontgonnen veengebied een west-oost gerichte strokenverkaveling. Voordat het grote moerasachtige gebied van de Grote Waard ontstond kende het landschap dat nu Heerhugowaard is, tot aan Veenhuizen een doorlopende verkaveling. Daarom is ook de verkaveling van Veenhuizen oost-westgericht. Zoals gebruikelijk bij veenontginningen werden de boerderijen op de kop van de kavels gebouwd, aan de ontginningsbasis die doorgaans bestaat uit een dijk met daar langs een waterloop.

Langedijk was waarschijnlijk een achterdichting op het eind van een veenontginningsfase. De bebouwing kwam op de dijk te staan, met westelijk daarvan de Dorpsstraat. Aan de westzijde van de dijk is de bebouwing tegen de dijk geplaatst. Op deze Langedijk ontstonden de vier dorpen die pas in de 19de eeuw tot een lint van doorlopende bebouwing aaneen zouden groeien. De ontginning vanaf de strandwal waarop het dorp Vronen lag, vond in de 9de eeuw eerst ten westen daarvan plaats, tussen de Rekere en de Vronermeer. Hiervoor werden de

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Rekere, die de oost-westverkaveling zoals die bij Langedijk aanwezig was, verstoorden. Deze verschilt sterk van de oostwest gerichte, verkaveling bij Langedijk.

aanwezige kreken en het natuurlijk reliëf gebruikt, waardoor de kleinschalige, zogenoemde blokverkaveling ontstond. Mogelijk werd deze gecreëerd door overstromingen van de

Toen de bewoners van Vronen in de 10de eeuw het veen aan de noord- en oostzijde ontgonnen, gebeurde dit wel door middel van de opstrekkende verkaveling. Zij stichtten rond 1000 Broek vanuit Vronen dat om die reden aanvankelijk Vronerbroek heette, en pas na de verwoesting van het dorp door Graaf Jan in 1297 Broek wordt genoemd. In de verkaveling ten zuiden en westen van Broek zit een duidelijke verdraaiing, omdat de boeren de ontginning vanuit Vronen in noordwest- zuidoost richting begonnen en bij de voormalige Burgsloot aansluiting zochten bij de verkavelingsrichting vanuit Schoorl.

De vorm en richting van de verkaveling ten zuiden en ten noorden van het Daalsmeer op deze kaart van 1853 verschilt sterk van de oostwest gerichte verkaveling bij Langedijk (Topotijdreis.nl)

De grens tussen Broek op Langedijk en Zuid-Scharwoude vormt een duidelijk grens tussen de verkavelingsrichtingen. Het noordelijk gebied werd vanuit Bergen en Schoorl ontgonnen, het zuidelijke vanuit Vronen/Oudorp. (uit: De geschiedenis van Sint Pancras tot ca. 1900, p. 35)

8

Vanaf Koedijk dat vanuit Vronen is gekoloniseerd, toen het dorp door de graaf in de 13de eeuw verwoest werd, liep op de grens van Oudkarspel en Noord-Scharwoude een dijk dwars door het Geestmerambacht richting de Langedijk. Deze dijk heette de Zijdewind en moest het gebied beschermen tegen de overstromingen van de Rekere, een rivier die uitkwam in de Zijpe en die weer in directe verbinding stond met de Noordzee. Vanaf ongeveer 1200 werd deze rivier bedijkt. Haar tracé werd onderdeel van het Noord-Hollands kanaal toen deze in 1819 werd aangelegd.

Het Barnewiel te Oudkarspel rond 1960. Zo moet het landschap rond Langedijk er ook rond 1600 hebben uitgezien (Uit: Tussen buitenland en luizenknip, p. 13)

Omdat een tuinder eilanden in bezit had die ver uit elkaar lagen, was van begin af aan het vervoer over water zeer tijdrovend (Fotoarchief Dienst Landelijk gebied, overgenomen uit: Kneedbaar landschap, kneedbaar volk, p. 167)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

9

Bewoning en het ontstaan van het 1000- eilanden rijk Binnen de Westfriese omringdijk was het gebied opgedeeld in ambachten, een soort rechtsgebied waarbinnen onderlinge afspraken gemaakt konden worden over afbakening van grenzen, het aanleggen van kades, het graven van borgsloten enz. Tot het eind van de 13de eeuw hadden zij ook een politiek/militaire functie. Eén van die ambachten was het Vronlegeister- of Geestmerambacht dat zich uitstrekte van Warmenhuizen in het noorden tot voorbij de latere Heerhugowaard. Zo’n ambacht was weer opgedeeld in Koggen, dat op hun beurt weer bestond uit een aantal bannen (dorpen). Vronen vormde samen met Broek, Oudorp en het eveneens vanuit Vronen gestichte Oterleek, een Kogge. Dat was een district dat voldoende mannen omvatte om in oorlogstijd een kogge te bemannen. Met de 7,5 kilometer bebouwing behoort Langedijk tot de langste lintdorpen van Nederland, al bestaat het natuurlijk in feite uit vier aangegroeide dorpen die elk een eigen ontstaansgeschiedenis kennen. De kolonisatie gebeurde vanuit Schoorl van west naar oost; eerst Oudkarspel tussen 950 en 1000, Noord- en Zuid-Scharwoude in 1289. Oudkarspel had een oudere, meer naar het westen gelegen kern, maar de bewoning ervan verplaatste zich naar de veendijk.

Het tracé van deze dijk dat eerst oostelijker lag, fungeerde niet als waterkering tegen overstromingen vanuit het oosten, dus vanuit de Waerd, maar tegen die uit de Noordzee vanuit het westen, al is ook dat niet helemaal zeker. Rond 1250 is deze dijk verlegd om aan te sluiten bij de ontginningsas van Broek en ook om meer afstand tot de Waerd te scheppen. Dat verklaart waarom de kapellen van Noord- en Zuid-Scharwoude op enige afstand ten oosten van de dijk staan, op een rechte lijn met de kerk van Oudkarspel. Hun bouw dateert namelijk van de tijd dat het eerste dijktracé werd aangelegd.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Reconstructie ligging van oorspronkelijk dijktracé door Henk Komen in: ‘Ontstaan van de Langedijk in de Middeleeuwen’. Op deze kaart is ook ligging van de Zijdewind, de dijk vanaf Koedijk richting Langedijk, weergegeven. (uit: De Otterplaat (2014), 28-35.)

Aan weerszijden van de Langedijk lagen waterlopen: de Achterburggracht en de Voorburggracht. De oudste bebouwing van Langedijk staat aan de oostzijde van de Dorpsstraat op het hoogste deel van de dijk. Over de hele lengte van de dijk stonden boerderijen tussen de straat en de Achterburggracht. Aan de westzijde van de Dorpsstraat stond alleen op sommige delen bebouwing. Het water van de Voorburggracht liep op veel plaatsen zo dicht langs de dijk dat bebouwing nauwelijks mogelijk was. Aan de westzijde bouwden bewoners schuren en zogenoemde boeten voor opslag en

legden bruggen over de Voorburggracht naar de Dorpsstraat neer, waardoor het beeld van een schier oneindige reeks bruggen ontstond. Vanaf begin 20e eeuw werden door gegoede burgers lange eilanden aan de westzijde in kleine kavels opgedeeld en bouwrijp gemaakt, waarop vervolgens huizen en/of schuren gebouwd en verkocht werden. Via een brug over de Voorburggracht werden ze verbonden met de Dorpsstraat. Voorbeelden hiervan zijn de Prinsengracht en de Kroonstraat.

10

De dorpsstructuur van Vronen week sterk van dat van de lintdorpen af, omdat het op een strandwal is gebouwd en al vanaf rond 500 bewoond was. Vronen was tot 1297, toen het dorp vanwege de opstand tegen Graaf Jan in brand werd gestoken, het belangrijkste dorp in de regio. De omvang van de strandwal viel samen met de geest, die tot de 19de eeuw als akkerland fungeerde. De Benedenweg, het Noordeinde en de Bovenweg vormde de begrenzing, de boerderijen stonden in de randzone. Het latere Sint Pancras vormde in de 15de eeuw opnieuw een zelfstandige parochie, gewijd aan Sint Pancras. In de opzet van het dorp is nog de structuur van het vroegere Vronen te herkennen. (Zie thematekst dorpen) De eerste bewoners van het Geestmerambacht legden zich eerst op de landbouw toe, maar bij inklinking en het natter worden van de percelen gingen zij over op veeteelt. Al in de 16de eeuw begonnen de boeren in de omgeving van de Langedijk en Vronen het ‘oude’ land productiever te maken door het uitbaggeren van de sloten en het ophogen van het land. Graslandpercelen werden gescheurd (omgeploegd om de graszode stuk te trekken) en omgezet in tuinbouwakkers. De omgevingsfactoren voor de teelt van kool waren hiervoor zeer gunstig. Op de kleigrond gedijt de kool goed en de wind van de nabijgelegen zee zorgt voor beweging in de lucht.

Door de aanwezigheid van veel water dat in de winter doorgaans langer warm blijft dan het land, zijn bovendien soms twee teeltperioden per jaar mogelijk.

Op een reconstructie van een kaart uit 1825 van Zuid-Scharwoude is goed de structuur van een Langendijker dorp te zien (RAA)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Door het uitbaggeren van de sloten en het ophogen van de tuinbouwakkers ontstond een waterrijk landschap. Wel werd het verkavelingspatroon brokkeliger, omdat ook bestaande dwarssloten werden uitgebaggerd en nieuwe werden aangelegd (en daarna ook weer periodiek uitgebaggerd). Aan het eind van het perceel werden van noord naar zuid dwarssloten of burgsloten gegraven om te voorkomen dat water uit het omliggend veen het perceel zou binnenstromen. De Zomersloot en de Winterweg waren twee van

Luchtfoto van Langedijk voor de ruilverkaveling, c. 1960 (uit: Het dorpsleven van de Langedijk vroeger en nu…, p. 16)

11

deze dwarssloten in het gebied, maar die zijn bij de ruilverkaveling verdwenen. Het landschap rond de Langedijk en ten noorden en westen van Sint Pancras transformeerde gaandeweg tot een gefragmenteerd eilandenrijk, het zogenoemde Rijk der Duizend Eilanden dat bestaat uit een groot aantal opgebaggerde, relatief kleine tuinbouwkavels omgeven door een uitgebreid slotenstelsel. De lengtesloten vormden de voornaamste vaarroute van en naar de akkers. Naast de ontginning van het veen, gingen de bewoners van het Geestmerambacht eind zestiende, begin zeventiende eeuw ook over tot inpoldering van de meren en kleine meertjes, ook wel dellen genoemd. Deze waren door de openvolgende overstromingen en dijkdoorbraken in het landschap ontstaan. Dat waren achtereenvolgens de Kleimeerpolder (nu gedeeltelijk herkenbaar in het gelijknamig natuurreservaat) ten oosten van Koedijk Noordeinde, de Daalmeerpolder tussen Koedijk en St. Pancras, de Kerkmeerpolder ten westen van Oudkarspel (niet meer herkenbaar door de ruilverkaveling). De Zuid- en Noord-Scharwouderpolder (beide tussen 1625 en 1629) tussen het Kanaal Alkmaar - Kolhorn in het westen en de Heerhugowaard in het oosten waren geen meren, maar hoger gelegen akkerlanden. Door het inklinken van het veen kwamen ze steeds lager te liggen en werden ze omdijkt en met een molen drooggehouden.

Beide polders liggen hoger dan het land van de Heerhugowaard. Een paar kleine plassen bleven open, zoals de Oosterdel, de Zuiderdel bij Broek op Langedijk en de Heinskedel ten westen van Zuid-Scharwoude.

Kaart met opeenvolgende inpolderingen van meren in Geestmerambacht (uit: uit: P. Glas e.a., z.j., p. 150)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

12

Het landschap van de droogmakerij: de Heerhugowaard Voordat het gebied van de Heerhugowaard onder water kwam te staan, maakte het deel uit van het doorlopende veengebied van het Geestmerambacht. De vanuit het westen ontgonnen verkaveling van Veenhuizen (vroeger Schoorlveen geheten naar de plaats van waaruit de ontginningen begonnen) laat dat zien. Omdat het gebied begrensd werd door de strandwal van Oudorp-Sint Pancras en omgeven door de Westfriese getijdenrug kon het gebied alleen naar het zuiden toe afwateren. Dwarssloten als de Zomersloot en de Waterweg ten westen van Langedijk zijn ook in de Heerhugowaard aanwezig geweest, zoals de veenstroom de Spiermer die door het zuidelijk deel van de Waard richting Oterleek liep en zich verbond met de Schermer. De Waard is een van oorsprong ondergelopen land. Door een doorbraak van het wad-achtige gebied tussen Oterleek en Sint Pancras liep dit gebied waarschijnlijk onder water vanuit de Schermer. Toen is een groot merengebied ontstaan, waarvan het zuidelijk deel de naam de Grote of Zuiderwaert kreeg. Op dit wad-achtig gebied is in de 13de eeuw de Huygendijk gelegd die met het flankerende voorland de Zuiderwaert moest scheiden van de naburige meren, het Schermer en het Beemstermeer, omdat de gronden tussen Oudorp en Ursem hoger lagen. Het vormde de enige verbinding van het westen met het oostelijk deel van West-Friesland.

Het zuiden van de Waert ligt dieper dan het noorden. De dijken rondom De Waard werden aangelegd als bescherming tegen het water van de Waard. De Oosterdijk hebben de Langedijkers opgeworpen, omdat het water van de Waard voortdurend de kooglanden aan de oostzijde van de Langedijk onder water zette. De voorlanden aan weerszijden van de Huygendijk bleven een zwakke plek in de verdediging tegen het water en van de dertiende tot de zeventiende eeuw steggelden de gemeenschappen van Schagen,

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Reconstructie uit 1300 door H. Schoorl, heruitgegeven door Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. (1982) Duidelijk is het waterrijke gebied van na de overstromingen in de 13de eeuw te zien. De vorm van de meren zijn ontleend aan 17de-eeuwse kaarten, omdat oudere kaarten niet bestaan.

13

Niedorp en Geestmerambacht met de openvolgende grafelijke vorsten over de aanleg van sluizen in de dijk. De snel op elkaar volgende stormvloeden, waarvan de Elisabethsvloed van 1421 de hefstigste was, noopten de graaf om heel West-Friesland mee te laten betalen aan het herstel van de dijk, omdat iedereen daar baat bij had. Rond 1450 werd de afwatering via de Huygendijk ontlast door de verbreding van de Wisene richting Hoogwoud in het noorden, de huidige Langereis.

Het voordeel van het uitgestrekte water van de Zuiderwaert was dat een snel transport over water mogelijk was en de omwonenden zich konden toeleggen op de visserij. Juist rond de sluizen waren de beste plekken voor de visvangst te vinden. Zij werden om die reden door de landheer in erfpacht uitgegeven. De eilanden die langs de randen zoals Oterleek en Veenhuizen en in het noordelijke deel van de Zuiderwaert lagen, zoals Groote Geldebos, Nessewerf en Sappewerf, waren in gebruik als huiserven of voor de

houtteelt. Aan de westkant lagen onder meer de hoger gelegen akkerlanden van de Zuid- en Noord-Scharwouderpolder. Ze worden druiplanden genoemd en varieerden in grootte tussen de 0,15 en 30 ha. In de droogmakerij van Heerhugowaard is de omtrek van sommige druiplanden nog te herkennen. In de zestiende eeuw werd begonnen met de drooglegging van de Noord-Hollandse meren en werden deze omgezet in landbouwgrond. Grote droogmakingen vonden plaats in de zeventiende eeuw (Schermer, Beemster). In 1624 namen enkele Alkmaarders, waaronder Floris van Teylingen en Nanning van Foreest het initiatief tot inpoldering van de Zuiderwaert waardoor een droogmakerij van 3500 ha groot ontstond, omgeven door een dijk en ringsloot van 32 km. De naam Heerhugowaard ontleenden ze aan de Huygen- of Heerhuygendijk. Het initiatief kon op veel interesse rekenen, maar ontmoette ook verzet. Hoorn bijvoorbeeld gebruikte de Waert als een belangrijke vervoerslijn en de vissers zagen hun nering inkrimpen. Maar tegenstanders uit onder meer Alkmaar, Hoorn en de Staten van Holland werden met gratificaties gepaaid om aan het project deel te nemen. Belangrijke voorwaarde die Alkmaar aan de inrichting van de polder stelde, was dat alle vaarten en wegen op Alkmaar gericht zouden zijn.

Zij verbood de inpolderaars aan de oostzijde van de ringvaart een overhaal of sluis aan te leggen die de vaart naar Hoorn mogelijk maakte. Goederenvervoer met schepen naar Hoorn werd onmogelijk, omdat de sluis bij Rustenburg zo klein mogelijk moest worden uitgevoerd.

Op deze uitsneden van ‘De Groote Zuyder Waert” van Bart Claesz, 1626, zijn de drie druiplanden bij Veenhuizen te zien en ten westen daarvan de Noord- en Zuid- Scharwouder polder (uit: Gemeente Heerhugowaard – Een historisch-geografische inventarisatie, p. 22)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

14

De inpoldering vond in 1630-1632 plaats. Voor de bemaling werden eerst de Ringvaart en de Ringdijk met grond uit de vaart aangelegd. Het peil van de Ringvaart ligt hoger dan het aan weerszijden liggende maaiveld. Om de aanleg van de dijk en de vaart te vereenvoudigen werden de tracés zoveel mogelijk recht getrokken, waardoor veel buitendijks land binnen de polder kwam te liggen. Dat gebeurde ook met buitendijks land op het grondgebied van Langedijk in het geval van de Noord- en Zuid - Scharwouderpolder op het grondgebied van Langedijk en bij Butterhuizen dat tot Sint Pancras behoorde. De bemaling van de polder gebeurde door middel van in totaal 47 molens, terwijl de investeerders dachten dat 18 voldoende zouden zijn. Dat betekende dat de kosten van de droogmakerij veel hoger uitvielen. Het ging bij de droogmakerij oorspronkelijk ook niet om één polder, maar om 14 onderpolders met peilen variërend tussen -2,40 en - 3,82 die door dammen en binnendijken van elkaar gescheiden waren. Om het hoogteverschil te overbruggen, werden voor een drietrapsbemaling verschillende typen molens ingezet. Van het totaal aantal molens is op het grondgebied van de droogmakerij alleen de Veenhuizermolen nog over. Aan de zuidzijde, ten oosten van Oterleek, ligt nog een molengang, maar inmiddels zonder molens.

De drie van de vier overgebleven strijkmolens bij Rustenburg staan niet op het grondgebied van Heerhugowaard. De Heerhugowaard kent zoals de meeste droogmakerijen een ‘rationeel’ verkavelings-, wegen- en waterpatroon: rechtlijnig, hiërarchisch en relatief grootschalig. De polder werd van west naar oost ingedeeld in vijf evenwijdig gelegen vakken die van noord naar zuid liepen, met als centrale noordzuid-as de Middenweg. De rechte Middenweg werd over de grootste lengte in het midden van de polder aangelegd. Aan beide zijden van de weg konden de kavels hierdoor dezelfde diepte krijgen, want zij moesten bij verloting even groot zijn. Daardoor ontstonden wel restkavels aan de randen. Vanwege de breedte van de polder ter hoogte van

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Rustenburg, werd hier een aparte verkaveling toegepast, uitgezet vanuit de Rustenburgerweg. Ook de gronden in het noordoosten kregen een enigszins afwijkende verkaveling, omdat deze werden ingelijfd bij het op het ‘oude’ land liggende Veenhuizen. De heer van Veenhuizen stond niet toe dat zijn gronden en dus ook het verdronken land van Veenhuizen tot de inpoldering van de Heerhugowaard ging behoren. Hij heeft dat land op eigen kosten ingepolderd. De niet-weggeslagen stukken oud land (‘druiplanden’) werden in de droogmakerij opgenomen. De langwerpige, rechthoekige kavels staan in het algemeen dwars op de hoofdlijnen van het wegenpatroon. Voor de afwatering van de polder werden twee hoofdtochten gegraven, de Oostertocht en de Botersloot (nu Westertocht), aan weerszijden van de Middenweg en op zo’n 800 meter daarvandaan. Het water werd via de kavelsloten, wegsloten, acht dwarstochten en de beide tochten uiteindelijk in de ringsloot gebracht. Om een optimale verbinding met Alkmaar te bereiken, kreeg de Middenweg ongeveer halverwege een knik van ongeveer 45 graden. Er werden nog enkele wegen aangelegd parallel aan de Middenweg, maar niet over de hele lengte. Dit zijn de Jan Glijnisweg, de Westerweg (vroeger Boterweg) en de Veenhuizer Middelweg (nu: Veenhuizerweg). Ten oosten en westen van de Middenweg werden dwarswegen aangelegd, verspringend ten opzichte van elkaar.

Deze waren gedeeltelijk vrij direct gericht op de dorpen buiten de polder, zoals de Rustenburgerweg, richting Rustenburg.

De Veenhuizermolen, een achtkantige binnenkruier die vermoedelijk dateert van 1603, is enige molen op het grondgebied van Heerhugowaard die bijdroeg aan het droogmalen van de polder. Zij vormt een landschappelijke eenheid met de molen De Vier Winden (1891) en de Berkmeermolen (1608, afkomstig uit de Wogmeerpolder. Sinds 1971 is de Veenhuizermolen weer in bedrijf door een maalvaardige restauratie toen een langer vijzel voor een dieper bemaling werd aangebracht en ook de achterwaterloop verdiept werd. (Herkomst: wikipedia)

15

Kaart van de verlote kavels in de Heerhugowaard, 1631, anoniem, naar Claes Jansz. Visscher in of na 1631 (herkomst: Rijksmuseum, Amsterdam).

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

16

Bewoning en bewerking van de droogmakerij Het doel van de droogmakerij was landbouw, zodat het graan niet meer uit het buitenland gehaald hoefde te worden. Maar daarvoor bleek de drooggevallen grond niet geschikt waardoor veeteelt het enig alternatief was, een complicatie die overigens bij veel Noord Hollandse polders aanwezig was. Het grondwater kon niet op een constant peil worden gehouden, wegen waren niet verhard en daardoor vaak niet begaanbaar. De prijzen van de grond daalden om die redenen tussen de aanleg in 1632 en 1795 van fl 440,- per morgen land naar fl 25,-. De boerderijen, type stolpboerderij, verschenen in de loop der tijd verspreid langs de Ringdijk en de ontwikkelingsassen van de Middenweg, Veenhuizerweg en Hensbroekerweg (nu Jan Glijnisweg). Dat is goed te zien op de Kaart van de Uitwaterende sluizen uit 1708. Er zijn nog enkel stolpboerderijen die niet alleen voor wat betreft de inwendige constructie van het vierkant, maar ook in de architectuur dateren uit het begin van de 17de eeuw. Boerderij ‘De Leeuwenhof’ op Middenweg 22 is daarvan een mooi voorbeeld.

Aan de dwarswegen stond nauwelijks bebouwing. Het aantal boerderijen in de polder bleef lange tijd laag: in 1745 zo’n 90 stuks. Hoogstwaarschijnlijk stonden daartussen ook enkele herenboerderijen of buitenplaatsen met windsingels. Door de rationele verkaveling hadden de boeren zowel via de wegsloot als via de tochten aan de achterzijde van de percelen de mogelijkheid om producten en materialen over water af en aan te voeren. Toch was Heerhugowaard eerder een rijpolder, dan een vaarpolder en werden de producten (kaas, boter) per boerenkar over de wegen naar de markt vervoerd. Ook het vee liep over de Middenweg naar de veemarkten in Alkmaar, Hoorn en Purmerend. Heel af en toe was er sprake van een hofstede, hetgeen betekende dat naast een boerenhuis ook een woning van de eigenaar stond. Buitenplaatsen waar de grondeigenaren zich in de zomer konden terugtrekken om de stank in de stad te ontvluchten, zoals langs de Vecht en in de Beemster, waren er in Heerhugowaard niet.

Kaart van de Uitwarende sluizen: Op deze Kaart van de Uitwaterende Sluizen uit 1708 zijn de toen aanwezige huisplaatsen te zien langs de Middenweg, de Hensbroekerweg (nu: Jan Glijnisweg) en ook langs de Veenhuizerweg in de Veenhuizerwaard. (herkomst: Noord-Hollandsarchief)

De stolpboerderij ‘De Leeuwenhof ’ (Middenweg 22, c. 1650 ) in Heerhugowaard is de op een na oudste stolpboerderij in Heerhugowaard. Deze boerderij is zoals veel boerderijen in de Heerhugowaard van het Noord-Hollandse stolptype. Hierbij liggen de vertrekken voor mens en dier rond de hoog opgaande tasruimte, waarin het hooi is opgeslagen. Deze tasruimte bestaat uit een vierkante houten constructie (het vierkant) dat afgedekt wordt door een piramidevormig dak. (RAA, datum foto: 1929)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

17

Al vanaf het midden van de zeventiende eeuw hadden de boeren door economische crises als gevolg van stagnatie in de bevolkingsgroei en oorlogen te maken met tegenvallende opbrengsten. Daar kwam begin achttiende eeuw de veepest nog eens bij. Toen het met de economie vanaf 1750 weer beter ging en de vraag naar zuivelproducten groeide, waren veel pachters in staat de grond van de grondeigenaren te kopen, zodat er op den duur zelfs sprake was van een boerenelite.

Deze romantische weergave van het gebruik van de Heerhugowaard op een uitsnede van een kaart uit de 18de eeuw strookt niet geheel met de werkelijkheid (uit: De Heerhugowaard – De geschiedenis van de Huygenwaert, p. 23)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

18

De Dorpen De dorpen aan de Langedijk verschillen in opzet nauwelijks van elkaar, hoewel Broek vanuit Vronen ontwikkeld is. De dijk met lintvormige bebouwing ligt tussen twee grachten, de Voorburg- en de Achterburggracht, in. Wanneer langs de westzijde van de Voorburggracht geen ruimte meer was voor nieuwe bebouwing, werden bruggen naar de eilanden aan de overzijde gelegd om nieuwe woonpercelen te creëren. Ieder dorp had in zekere zin een centrum rond een kerkje. In

Luchtfoto uit 1985 van Oudkarspel met op de achtergrond het Waardje. Op de voorgrond de naoorlogse wijk Barnewiel (Beeldarchief Langedijker Verleden)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

vrachtvervoer over de ringvaart, later verbreed tot kanaal Omval-Kolhorn.

Oud Karspel stond tussen 1000 en 1094 al een kapel (de Sint Maarten, deze werd vervangen in de 14de eeuw). De kapellen van Noord- en Zuid Scharwoude (Sint Jan de Doper en Sint Petrus) volgden snel daarna. Die van Broek op Langedijk, de Sint Pontianus, waar de grond later in cultuur werd gebracht, werd later gebouwd. De laat- gotische kruiskerk in Sint Pancras, oorspronkelijk gewijd aan Sint Pancratius, dateert van 1487, sinds de bewoners vanuit Koedijk dit dorp stichtten en staat in de kern van het oude dorp. De vier dorpen hebben door hun ligging wel onderscheidende kenmerken. Oudkarspel is de oudste kern. De ligging dichtbij het Waardje maakte het dorp goed bereikbaar voor

Beeldbepalend voor Broek op Langedijk is de haven in het verlengde van de Ringsloot en de alomtegenwoordigheid van het water. De haven ontstond, omdat Broek bij de droogmaking van de Zuiderwaard het Buitenland langs de Oosterdijk niet aan Heerhugowaard wilde afstaan. Het water van de Ringvaart boog hier naar het zuiden af, maar liep ook tot in het hart van Broek op Langedijk door, zodat hier een haven ontstond. De buurt rond de haven wordt Spieringbuurt genoemd, omdat tuinders hier bijverdiende met de visvangst.

Luchtfoto van Broek op Langedijk van voor de demping van de Voorburggracht, circa 1960. (Beeldarchief Langedijker Verleden)

19

In Noord-Scharwoude ging vanaf 1906 de enorme kerk van Sint Jan de Doper het silhouet domineren. Toen in 1915 de veiling van de Noordermarktbond langs de Wuiversloot werd gebouwd en een spoorlijn werd aangelegd die aantakte op de lijn Amsterdam – Den Helder, ontwikkelde zich in het noorden van Noord-Scharwoude een industriegebied. De bebouwing langs de Handelskade herinnert daar nog aan. Zuid-Scharwoude had met het kerkpad over de Koog al vroeg een verbinding met Heerhugowaard via een voetgangersbrug over de Ringvaart, de huidige Langebalkbrug. De historische bebouwing langs de Koog in Zuid-Scharwoude laat zien dat hier sprake is van zo’n oostelijke uitloper van het dorp.

Zuid-Scharwoude rond 1960 (RAA)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

De opzet van Sint Pancras wijkt sterk af van de dijkdorpen vanwege de ligging op de strandwal. Sint Pancras ligt op de locatie waar eens Vronen lag, een paar hoeven die met Oudorp tot een groter domein behoorde. Omdat de bewoners die zich tot de West-Friezen rekenden, na de moord op Floris V in 1296 in opstand kwamen tegen zijn opvolger Graaf Jan, verbrandde deze als wraak het gehele dorp. De inwoners vestigden zich in Koedijk. In de 15de eeuw vestigden zich weer bewoners op de strandwal die in 1487 een eigen parochie vormden onder bescherming van Sint Pancratius. Op de strandwal liggen twee wegen met op de kop een verbindingsweg. Op basis van de reconstructie van het dorp Vronen uit de 17de eeuw volgde de opzet van Sint Pancras

vermoedelijk het oorspronkelijke stratenverloop van Vronen. De eerste bebouwing van Sint Pancras concentreerde zich aan de westzijde van de strandwal. De noord-zuid gerichte Bredeweg (nu Bovenweg) vormde de centrale as, en op de oostflank liep de Achterweg, die nu in Sint Pancras de A.V.H. Destreelaan heet en ten westen daarvan een voetpad (nu: Benedenweg). Het accent van de bebouwing lag steeds rond de kerk bij het Noordeinde. Agrarische bebouwing en woonhuizen, allen met grote voortuinen, bepaalden het straatbeeld. Tussen de hoofdwegen ontstonden onofficiële dwarsverbindingen zoals doorstekertjes en doodlopende paden naar achterterreinen.

Noord-Scharwoude rond 1960 (RAA)

20

De Vronergeest en omgeving van rond 1297, gereconstrueerd door Simon Eikelenburg (1663-1738) (uit: De geschiedenis van Sint Pancras tot ca. 1900, p. ) Kaart van Sint Pancras van rond 1850 (RAA)

De structuur van Koedijk aan de Rekere (nu: Noord Hollands kanaal) bleef in de loop van de tijd vrijwel ongewijzigd. Het dijkdorp heeft altijd een eenzijdige lintbebouwing gehad aan de Westfriese Omringdijk, langs de oostzijde van de Rekere. De Kanaaldijk kreeg zijn naam met de aanleg van het Noord-Holandskanaal aan het begin van de negentiende eeuw. De lintbebouwing bestond rond 1900 zowel uit

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Koedijk rond 1920 (RAA)

agrarische bebouwing zoals stolpboerderijen – die behoorden tot veehouderijen – koolschuren en ook arbeiderswoningen. De bebouwing in het Langedijkse deel van Koedijk is sindsdien nauwelijks uitgebreid. Aan de parallel gelegen Achtergraft kwam slechts enkele bebouwing voor. Koedijk-anno-2023

21

Boombeplanting in de Heerhugowaard kwam aanvankelijk alleen voor langs de noord-zuid wegen; langs de dwarswegen mocht alleen aan de noordzijde bomen worden gepland, waarbij rekening werd gehouden met de biotoop van de molens. Dat rond 1800 een kwart van de droogmakerij toch uit bossen bestond, komt vermoedelijk door verwaarlozing van de boererven, nadat de failliet gegane boeren waren vertrokken. Ook zal sprake zijn geweest van verwilderde tuinen, boomgaarden en ‘plantagies’ rond de verlaten hofsteden. Uit een beschrijving van 1844 blijkt dat het noorden vanwege de geringere vruchtbaarheid vooral voor bos-, rieten bouwland werd gebruikt, en in het zuiden vooral kaasmakerijen aanwezig waren. Er waren geen dorpen in de polder. De initiatiefnemers van de inpoldering hadden voor de bouw van kerken, kroegen of

winkels geen geld over gehad. Voor de voorzieningen waren de bewoners van de Heerhugowaard aangewezen op de dorpen rond de polder. De kerken van Hensbroek, Broek, Hoogwoud of Obdam lagen vaak op één uur lopen vanaf de boerderij en waren op daartoe aangelegde paden op openbaar gebied te bereiken. Dat is de reden waarom veel van die paden in 17de en 18de eeuw Kerkpad heetten. Voorbeelden hiervan zijn de Zwarteweg richting Oterleek die er was voor de bewoners van de Jan Glijnisweg, evenals de Stationsweg (richting Broek), de Frik vanaf de Veenhuizerweg (richting Oude Niedorp), de Hasselaarsweg (richting de kerk achter de Koog in Zuid-Scharwoude), de Kabel naar Hensbroek en het kerkpad in Veenhuizen. De enige voorziening in de polder was een schoolhuis dat in 1642 aan de Middenweg gebouwd werd. Het gebouwtje is later ook gebruikt als armenhuis en voor de rechtspraak.

Praalgraf van Reinout van Brederode, ontworpen door Pieter de Keyser, 1633 (RAA)

De bewoners van Veenhuizen leefden van de veeteelt en de rietbouw. Veenhuizen had dus al in de 15de eeuw een stenen kerk. Nadat Reinout van Brederode, ambachtsheer van Brederode, het kerkje in 1633 uitkoos als rustplaats, groeide het buurtschap verder uit. Voor de overige voorzieningen was de gemeenschap gericht op Hoogwoud. Daarom liep de Kerkweg vanaf de kerk eerst alleen over het oostelijk deel. Na de inpoldering van de Zuiderwaard werd deze weg doorgetrokken naar de rond de polder lopende Groenedijk.

Veenhuizen is binnen de Heerhugowaard een vreemde eend in de bijt. Het tochten- en slotenpatroon is minder regelmatig als in de Heerhugowaard. De polder was in bezit van een adellijke familie en de eerste kerk dateerde uit de 13de eeuw.

Uitsnede van kaart uit 1912 (Topotijdreis.nl). Met name in het noorden van Heerhugowaard bevonden zich veel bossen.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Het kerkpad vanaf de kerk in Zuid-Scharwoude over de Hasselaarsweg naar de Middenweg op de kaart uit 1882 (Herkomst: Topotijdreis.nl)

22

Dijk en Waard rond 1900

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Afb. 18 en 18a.

23

2 De modernisering van het landschap rond 1900 De verbetering in de infrastructuur en de waterhuishouding stimuleerden de versnelling en schaalvergroting die de economie van Dijk en Waard in de periode tussen 1870 en 1945 laat zien. Lange tijd had het verkeer over land zich nauwelijks ontwikkeld, omdat het vervoer over water dominant was. In 1865 werd de spoorlijn Alkmaar - Den Helder aangelegd. In 1867 volgde de doortrekking van Alkmaar naar Uitgeest, vanwaar via Haarlem verbinding met Amsterdam mogelijk was. Het tuinbouwgebied kreeg hierdoor een veel betere verbinding dan voorheen met de stedelijke markten. De spoorlijn werd echter niet door het Langedijker gebied gelegd, terwijl vanuit deze gemeente wel het meeste gebruik van de lijn gemaakt werd. Omdat de bodem in de polder steviger is, viel de keuze op een tracé door de Heerhugowaard.

Tussen 1935 en 1938 werd het westelijk tracé van de Ringsloot verbreed tot het Kanaal Omval – Kolhorn als onderdeel van het Westfriese kanalenplan om de landbouwproducten afkomstig van de in 1934 gereedgekomen Wieringermeerpolder af te voeren. In hetzelfde jaar werd de Provincialeweg Schoorl-Leeuwarden (nu: N504) aangelegd. Tot dan toe vormde de Spoorstraat richting de Roskambrug de enige verbinding tussen Noord-Scharwoude en Heerhugowaard. De provincie pakte de verbreding van de Ringsloot tot kanaal aan om tegelijkertijd te starten met de aanleg van de Provincialeweg Alkmaar-Middenmeer (nu: Westerweg, N242). Op basis van het Primaire Wegenplan van 1923 had zij de weg aanvankelijk over de Middenweg geprojecteerd.

Op de kaart van het Primair Wegenplan uit 1923 is te zien dat tracé van de provinciale weg oorspronkelijk over de Middenweg was geprojecteerd (herkomst: nhwegen.nl)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

24

Om kosten in aankoop van grond te besparen en werk met werk te maken verschoof zij het tracé naar de Butterweg (nu: Westerweg/N242), naast het kanaal. Hierdoor ontstond een bundeling van regionaal vaar- en wegverkeer. Wat men toen nog niet kon beseffen, was dat zo een barrière zou ontstaan in de verbinding tussen Heerhugowaard en Langedijk.

de toenemende bevolking, aangezien voor tuinbouw minder grond nodig is om rendabel te zijn. De bouw van een stoomgemaal bij de Huygendijk in 1877 garandeerde een constant waterpeil, dat de landbouw en de tuinbouw begunstigde. De uitvinding van de kunstmest deed na 1890 de productie van tuinbouwproducten stijgen.

De boeren van de Heerhugowaard werden gedwongen tot de overstap naar de tuinbouw, omdat de goedkope graanimport vanuit de Verenigde Staten Argentinië en Rusland en concurrentie in de zuivelproductie vanuit Denemarken, de binnenlandse prijzen deden kelderen. Zij scheurden de grote landbouw- en graslandarealen tot kleinere percelen en de bossen werden gekapt en tot tuinbouwgronden omgeploegd. Hierdoor ontstond ook meer werkgelegenheid voor

De mechanisering van de landbouw, waardoor de toepassing van trekker en dorsmachine mogelijk werd, de wens om kennis te verspreiden en zich los te rukken van de afhankelijkheid van de macht van handelaren en fabrikanten brachten de boeren ertoe om coöperaties op te richten. Hierdoor namen ze zelf de afzet en verwerking van producten ter hand. De zuivelfabrieken De Kroon, Vita Nova en Ons Belang zijn daar voorbeelden van, evenals de Graanmaalderij De Goede

Verwachting aan de Westdijk. De Graanmaalderij uit 1916 op de hoek Westdijk/ Westerweg laat zien dat het netwerk van de ondernemers niet tot Heerhugowaard beperkt bleef. De leden waren uit de wijde omtrek afkomstig; uit de Schermer, Heiloo, Hensbroek, Obdam en omliggende dorpen en bestonden naast boeren, ook uit een slager en een caféhouder. De coöperatie organiseerde niet alleen de gezamenlijke inkoop van veevoeder en kunstmest, maar ook de inkoop en verhuur van zaaizaden, landbouwwerktuigen en brandstoffen. De Broeker groenteveiling, eveneens een coöperatie en opgericht in 1887, was de eerste doorvaart - groenteveiling van Europa en de eerste die volgens de afslagmethode werkte. De Broeker groenteveiling was opvolger van de openluchtveiling aan de Wik (doodlopende sloot) van Kroonenburg. Zij betekende een grote stimulans voor de tuinbouw. In 1912 werd een nieuw gebouw voor deze veiling geopend dichtbij de Bakkersbrug, de plek waar de veiling bij afslag in de open lucht ontstond. Een tweede veilinggebouw, die van de Noordermarktbond en in 1898 op initiatief van tuinders uit Noord-Scharwoude en Heerhugowaard Noord opgericht, kwam in 1915 te staan aan de Wuiversloot in Noord-Scharwoude. Hierlangs liep een spoorlijntje richting het station aan de spoorlijn naar Den Helder, waar deze op aantakte.

Het in 1877 gebouwde stoomgemaal, hier op een foto uit1935, kwam te staan op de plek van drie poldermolens op het zuideinde van de Oostertocht (Herkomst: RAA). Het gebouw werd tot twee maal toe vergroot. De twee stoommachines en twee centrifugaalpompen deden hetzelfde werk als de 47 molens uit 1629. In 1994 werd het gemaal buiten bedrijf gezet. Vanaf toen heeft het de functie van Poldermuseum.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

25

De Coöperatieve aankoopvereniging met malerij ‘De Goede Verwachting’ aan de Westdijk, ontwerp: H. Cramer ,1916. De Graanmalerij omvatte een kantoor, paardenstal, kapberg en een dubbele arbeiderswoning. De malerij diende voor het malen van graan, mais, gerst, tarwe, het breken van Amerikaanse koeken tot brokken en het vermalen daarvan. Later werd het gebouw uitgebreid met een kunstmestpakhuis. Voor het pand lag een loswal die vermoedelijk onder de huidige beschoeiing nog aanwezig is. De architectuur met bakstenen lisenen versierde gevel, met een getrapte gevelbeëindiging en een bovenrand van siermetselwerk is beïnvloed door de industriële architectuur in Duitsland die rond 1900 trendsettend was. (uit: De Overhaal, jaargang 2008, p. 37)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

Luchtfoto van het veilingcomplex van de Noordermarktbond en omgeving, c. 1950. Goed te zien is het voormalige spoorlijntje. (herkomst: Langedijker Verleden)

26

Een economisch centrum voor de tuinbouw Toen eind negentiende eeuw de tuinbouw voor zowel de dorpen van Langedijk, Sint Pancras als Heerhugowaard een belangrijke economische pijler was geworden, ontwikkelde de kruising van de Stationsweg, de spoorweg en het kanaal zich tot het economisch centrum. Tot de ruilverkaveling van de jaren zeventig zou dat zo blijven. Het brandpunt van dit centrum was de Broekerveiling. De veiling begon in 1887 in

de open lucht bij de Bakkersbrug. Maar in 1912 bouwde de coöperatie ‘Naamloze Landbouw- en Handelvereniging “Langedijk en omstreken”’ voor de veiling een prachtig in hout opgetrokken gebouw waar de boten varend langs de afslagveiling konden gaan. Het was het de eerste groente-doorvaartveiling in de wereld en omdat het enig in zijn soort is, konden de ontwerpers W. Dirkmaat en Joh. Groot

geen gebruik maken van een bestaand gebouwtype. De veiling is boven het water gebouwd op palen zodat de boten varend langs de afslagveiling konden gaan. De ornamentiek van het gebouw duidt enigszins op invloed van de Art Nouveau.

Het economisch centrum van de tuinbouw (op basis van een tekening gemaakt door Henk Komen, afkomstig (uit: H. Komen, ‘Tussen Dijk en Waard – geschiedenis van Broekhorn’, De Overhaal).

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

27

Alleen tuinders die lid waren konden aan de veiling deelnemen. Zij waren vanuit de wijde omtrek afkomstig. De Langedijker tuinders voeren vanuit het waterrijke gebied van het Geestmerambacht en Sint Pancras eerst richting de Broekerveiling, waarna de handelaren de ingekochte koopwaar naar Alkmaar en andere plaatsen voornamelijk over het spoor vervoerden. De producten uit Heerhugowaard gingen eerst naar de Broekerveiling om daarna weer terug naar het station Heerhugowaard te moeten worden gebracht. Vanaf 1902 kreeg de spoorlijn richting Den Helder een aftakking bij het kanaal en liep dit nieuwe spoorlijntje langs Sint Pancras om uit te komen op een halteplaats in de Zuiderdel, achter de Broekerveiling.

ducten bij de Broekerhoek naar de spoorlijn richting Alkmaar te brengen. De handelaren konden de overslag vanuit de Ringsloot op boerenkarren zo vermijden. Met de komst van het overslagstation in de Zuiderdel werd dit lijntje overbodig.

Middenwaard ligt, en onder een spoorbrug en een brug in de Boterweg doorvaren en uitkomen op de sloot langs de zuidkant van het druipland de Vlaarding. In 1910 was namelijk een schutsluis in de binnenringdijk van Broekhorn (Westerweg 217) gemaakt, die de sluis uit 1630 verving. Via de in 1912 aangelegde overhaal ter hoogte van Westdijk 10 werden de vaartuigen met de tuinbouwproducten met een lier over een op de dijk gelegde rail in de Ringsloot getrokken. In 1925 passeerden er maar liefst 8901 schuiten. De overhaal is in 1935 verplaatst naar een nieuwe locatie, even ten westen van de Groene Brug. De tuinders vervolgden hun route via de sluis naar de Broekerveiling.

Het transport van de tuinbouwproducten vanuit Heerhugowaard verliep vooral over land, omdat de Middenweg en andere wegen grote barrières vormden voor vervoer over water. Dat veranderde in 1902 toen het polderbestuur de opdracht gaf tot het maken van een plan voor het bevaarbaar maken van de Heerhugowaard. De vaartuigen van de Waardse tuinders konden over de Molentocht, ongeveer op de plek waar

De tuinders van Langedijk konden vanuit vele richtingen over het water de Broekerveiling bereiken. Aanvankelijk brachten zij de producten via de sluis in de Sluiskade, ten westen van de Spieringhaven naar de Ringvaart. Om de toevloed van schuiten aan te kunnen werd de sluis in 1882 vergroot. Door de verbreding van de Ringsloot tot het kanaal Omval-Kolhorn werd de sluis in 1941 verplaatst. Na de aanleg van de spoorlijn in 1865 brachten de tuinders de producten vanuit de Ringvaart langs de Westdijk, op de hoek van de Westerweg met paard en wagen naar het station. Dit punt werd ook wel Broekerhoek genoemd. Een door de uitbater van het café bij de Stationsweg gerund voetveer kon voetgangers naar de overkant brengen. Omdat Klaas van der Molen in 1879 een brug over de Ringsloot bouwde, later vervangen door de huidige brug, kon het vervoer ook over land plaatsvinden, over de Westdijk en de Stationsweg. Korte tijd onderhield Cornelis Swager, een boer die naast het station van Heerhugowaard woonde, een spoorlijntje om de pro-

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

In 1955 is de Broekerveiling nog altijd in bedrijf (Stichting Langedijker Verleden)

28

De overhaal in 1960 (Beeldarchief Langedijker Verleden).

Foto’s van restanten van de overhaal aan de Westdijk.

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

29

De ontwikkeling van de dorpen en het ontstaan van buurtschappen in Heerhugowaard De economische groei van de dorpen aan de Langedijk had een verdichting van de bebouwing tot gevolg. Anders dan bij Heerhugowaard waar boerderijen het beeld van de bebouwing beheersten, stonden langs de Langedijk voornamelijk tuinderswoningen met schuren ernaast of op het achtererf, af en toe afgewisseld door een stolpboerderij. Ze stonden vaak vrijstaand aan een verspringende rooilijn en haaks op de weg, dicht tegen de noordzijde van het perceel aan zodat de achtertuin maximaal profiteerde van de zon. De architectuur is eenvoudig, afgedekt met een zadel- of mansardedak die op de kop soms versierd is met een dakruiter. De smalle strook tussen woning en straat die beplant was met leilinden, essen of kastanjebomen, verdween door de verbreding van de Dorpsstraat. Rond de Kroonstraat in Oudkarspel staat nog een cluster tuinderswoningen. Tuinders die het voor de wind ging, bouwden luxere woonhuizen. Ook notabelen als huisartsen, verzekeringsagenten en fabrieksdirecteuren lieten villa’s bouwen in de rond 1900 heersende stijlen. De voorzieningen in elk dorp groepeerden zich rond het raadhuis dat elk dorp bezat, dikwijls dicht bij de kerk.

Zuid-Scharwoude bijvoorbeeld kreeg een centrum rond de kruising met de Koog met een raadhuis, de kerk en het in opvallende architectuur opgetrokken café De Gouden Leeuw met daarachter een Kolfbaan.

Op het Schapenland in Broek op Langedijk staat nog een tuinderswoning uit 1901 met koolschuur onder één dak. (herkomst: Langedijker Verleden)

De directeurswoning van Hendrik Hart uit 1903 (Voorburggracht 491) in Oudkarspel maakt deel uit van de Koninklijke Fabriek Hart & Co en is vormgegeven in de toen populaire Chalêt-stijl waarvoor de asymmetrische opzet, wolfseinden en steekkappen met brede overstekken kenmerkend is. (herkomst: wikipedia)

De Dorpsstraat in Broek op Langedijk rond 1900. Tuinderswoningen en een stolpboerderij wisselen elkaar af. De voortuinen zijn nog aanwezig. (herkomst: Langedijker Verleden)

DIJK EN WAARD: EEN GEBIEDSBIOGRAFIE

30

De eilanden die vooral in Noord- en Zuid-Scharwoude naast elkaar lagen, werden eind negentiende eeuw meer en meer voor bewoning ontwikkeld, zodat kleinschalige buurtjes ontstonden. Vanwege de bruggetjes staan ze bekend als ‘bruggetjesbuurten’. Ze waren bebouwd of werden later, eind 19de eeuw, de locatie voor een fabriek. In Broek hadden de eilanden namen als Oxhoofdpad, Schapenland en Fabriekspad. Op de oostzijde van de eilanden legden de bewoners siertuinen aan, wat bij het varen door de gracht een groene aanblik bood, maar dat vanaf de Dorpsstraat niet goed was waar te nemen.

Aan de Langedijk vormden zich op verschillende plekken aan beide zijden van de dijk kleine wijkjes, waarvan het initiatief vaak bij woningbouwverenigingen lag. Dat was ook wel nodig, want rond 1900 slibde de Dorpsstraat steeds verder dicht, en op het toenemend aantal eilandjes kwamen krappe en bedompte woningen. Als gevolg van de Woningwet van 1901 kon die ontwikkeling gestopt worden. Deze wet stelde gezondheidseisen aan de woningbouw en verplichtte gemeenten tot het maken van een uitbreidingsplan. In Langedijk zou zo’n plan er echter van overheidswege pas in de jaren dertig komen. De eerste initiatieven tot het bouwen van Handelskade nu

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=fb1dc1c7-daf5-42e6-a3bd-d5f0891e0dce