Bijlage3c_NL.IMRO.1980.BpVaandelnoord-VA01 Toelichting
Tekst van het document
4.4
Water
Kader De watertoets is een verplicht onderdeel van een bestemmingsplan. Het is verplicht in beeld te brengen wat de effecten van de voorgenomen activiteit op de waterhuishouding zijn. Het gaat hier zowel om de waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het streven is er zoveel mogelijk op gericht om water (regen-, afval- en oppervlaktewater) op een goede manier in te passen in het ontwerp. Het plangebied maakt onderdeel uit van het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Het HHNK heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2022-2027) opgesteld. In het Waterprogramma 2022-2027 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het HHNK opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het HHNK over een verordening: de Keur 2016.
Hierin staan de geboden en De Vaandel Noord Pagina 22 van 49
verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. Betek enis voor het bestemmingsplan: Om de wateropgave te borgen is een memo ten behoeve van de wateropgave opgesteld door de gemeente Dijk en Waard. Deze watertoets is als Bijlage 5 toegevoegd. De resultaten zijn hieronder beschreven. Water- en groenstructuur Om tot een groot samenhangend gebied en daarmee efficiënte verkaveling te komen is het watersysteem zoveel mogelijk naar de randen gebracht. De rechte watergangen zorgen voor een heldere begrenzing en worden aangesloten op het netwerk van sloten in de zones langs de Middenweg en de Hasselaarsweg. Langs de Middenweg zijn gronden aangewezen als zoekgebied voor de uitbreiding van waterberging. Aansluitend op de waterstructuur is groen gesitueerd. De groenblauwe zomen aan de flanken van De Vaandel worden met een dwarsverbinding met elkaar verbonden, zodat een robuust watersysteem ontstaat, met een groenstructuur (zie ook figuur 4.1).
Figuur 4.1 Groenblauw structuur De Vaandel Voor de waterstructuur is bestemmingsplan De Vork (2007) als uitgangspunt genomen. In de Vork was het het uitgangspunt om het gehele gebied in totaal te bezien. Dat betekent dat nu ook voor de watertoets rekening dient te worden gehouden met de Vaandel Zuid, De Vaandel Midden en De Vaandel Noord. Voor de hoofdstructuur wordt uitgegaan van twee noordzuidstromen, één direct naast het opstelterrein en de ander als natuurlijke grens tussen het bedrijventerrein en de tuinen van de woningen aan de Middenweg. Bij deze oostelijke noord-zuidstroom wordt de lijn aangehouden van de slootstructuur van de Vaandel Midden. Er wordt uitgegaan van één robuuste watergang die van west naar oost stroomt. Bij het opstelterrein wordt ten behoeve van de veiligheid een minimale afmeting gezocht van de breedte van de sloot. In het planproces wordt ingezet om hier een robuuste waterstrook te realiseren, en te verbreden waar dan kan.
De Vaandel Noord Pagina 23 van 49
Bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein De Vaandel is uitgegaan van een gefaseerde uitgave van het complete terrein tot de Hasselaarsweg. Daarop was dan ook het waterplan ingericht. Door de temporisering in uitgave van bedrijfsgronden en het vooralsnog beperken van de het bestemmingsplan tot de huidige plangrens zal ook het watersysteem daarop moeten worden aangepast. Aan de Noordzijde van het plangebied nabij de Hasselaarsweg is de verbinding met de Westertocht van belang. Daarvoor dient nog te worden afgewogen om ofwel het water aan de noordwestzijde strak langs het opstelterrein te laten lopen en dan via de Hasselaarsweg richting het oosten, of dat er al eerder een afbuiging komt, om de relatie met het Altongebied (onder de Hasselaarsweg door) wel te kunnen maken. HHNK heeft in haar eerste reactie aangegeven geen voorkeur te hebben welke route dit wordt. Daarbij is het hoogstwaarschijnlijk in beide situaties noodzakelijk om de duiker onder de Hasselaarsweg aan te passen. Daar vanwege de doorstroming van het watersysteem het water ten noorden van de Hasselaarsweg een verbinding moet hebben met de nieuwe hoofdwaterloop langs het ProRail opstelterrein, één van beide situaties uiteindelijk dient te worden gekozen.
Deze afweging dient in een ander stadium met HHNK samen gedaan te moeten worden waarbij van belang is dat er naast een goede doorstroming van het watersysteem er zo min mogelijk kunstwerken vergt. Watertoets De Vaandel Noord is het laatste gebied binnen De Vork. Voor De Vaandel Noord geldt daarmee dan ook dat de watercompensatie niet kan worden afgewenteld. Een eventuele wateropgave voor De Vaandel Noord dient in het hele gebied De Vaandel te worden opgelost. Uitgangspunt is dat 12% van het totale oppervlakte water dient te zijn voor het gehele bruto plangebied De Vaandel (Zuid, Midden en Noord). Tezamen met de opmerking om het dan niet te hebben over 'dempen is graven'. In latere memo's is gesteld dat het gaat om 15% water ten behoeve van toename van verharding voor de deelgebieden. Gelet op de positieve wateropgave in de andere deelgebieden, kan voor de Vaandel Noord compensatie plaats vinden. Hieronder is dat in beeld gebracht.
De ambitie is om aan de oostzijde door de jaren heen meer waterpartijen (water en groencombinaties) te ontwikkelen. Er wordt in dit plan uitgegaan van het maximaal percentage watercompensatie 15%, inhoudende dat van de toename verharding in open water dient te worden gemaakt in het gebied. Voor de Vaandel Noord is de waterbehoefte 24.311 m2. Er is een aantal locaties waar dit percentage van 15% kan worden behaald. Dit kan onder andere door de opties genummerd van 1 t/m 6:
Hieronder staat weergegeven waar deze gronden zich bevinden:
De Vaandel Noord Pagina 24 van 49
Figuur 4.2 Locaties watercompensatie Conclusie Bij de ontwikkeling van De Vaandel Noord dient 15% van het plangebied te bestaan uit water. Om dit te garanderen is hiervoor een regel opgenomen onder artikel 16.1. Verder zullen in de uitvoering en in het kader van de nog aan te vragen watervergunningen in overleg met HHNK onderzoeken worden verricht met HHNK om samen de beste waterverbinding (aan noordkant) met de minste belemmeringen (kunstwerken) te creëren. Water vormt daarmee geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit
Kader De regels en grenswaarden voor luchtkwaliteit staan in de Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2: luchtkwaliteitseisen. Uit artikel 5.16 lid 1 van de Wm blijkt dat het project toelaatbaar is indien het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: 1. 2. 3. 4.
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt alleen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Daarnaast dient rekening te worden gehouden met een goede ruimtelijke ordening. Betek enis voor het bestemmingsplan: Het plan leidt niet tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden wat betreft fijnstof en stikstofdioxide. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, maar legt enkel de huidige situatie grotendeels opnieuw vast. Daarmee is er bijvoorbeeld geen sprake van een toename aan verkeersbewegingen ten opzichte van wat er op dit moment reeds mogelijk is.
4.6
Bodem
Kader In een bestemmingsplan dat nieuwe functies mogelijk maakt dient de bodemgesteldheid in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of De Vaandel Noord Pagina 25 van 49
geschikt te maken is) voor de nieuwe bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Situatie: In 2007 heeft de gemeente Dijk en Waard het bestemmingsplan 'De Vork' vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakte de bestemmingswijziging van agrarische grond tot bedrijventerrein mogelijk. Bij de bestemmingswijziging moest al worden aangetoond dat de grond geschikt is om te worden gebruikt als bedrijventerrein. Onderhavig bestemmingsplan borgt enkel de doelstellingen uit de Gebiedsvisie De Vaandel Noord. Daarmee worden er bepaalde mogelijkheden geamoveerd en blijven bouw- en gebruiksmogelijkheden nagenoeg gelijk. Er worden dus geen nieuwe grote ontwikkelingen mogelijk gemaakt die nog niet mogelijk waren onder bestemmingsplan 'De Vork'. Een bodemonderzoek is daarmee in feite niet aan de orde, omdat het gebruik niet wijzigt. Daarnaast is sinds de vaststelling van het bestemmingsplan het grondgebruik niet ingrijpend veranderd en is de hoofdfunctie, agrarisch gebruik, gelijk gebleven. Daarmee worden er geen nieuwe ernstige bodemverontreiningen verwacht ten opzichte van de situatie uit bestemmingsplan 'De Vork'.
Om toch inzicht te bieden in de bodemsituatie op het terrein zijn hieronder de relevante bodemonderzoeken die in het gebied hebben plaatsgevonden samengevat. Verkennend bodemonderzoek projectgebied De Vork (Bureau Grondslag, 2010) In 2010 heeft de gemeente Heerhugowaard opdracht gegeven voor het uitvoeren van een bodemonderzoek door middel van boringen op een aantal percelen op het terrein (zie ook Bijlage 6 en figuur 4.3). Dit is uitgevoerd vanwege de voorgenomen uitgifte van de gronden ten behoeve van het bedrijventerrein.
Figuur 4.3 Plangebied verkennend bodemonderzoek Bureau Grondslag (2010) Bodem Uit dit onderzoek volgde dat op de grens van perceel A en B zijn in de bovengrond sterke verhogingen aan lood en zink aangetoond. Deze verontreiniging is mogelijk te relateren aan de puinbijmengingen die ter plaatse zijn waargenomen en is daarom waarschijnlijk gering van omvang. De Vaandel Noord Pagina 26 van 49
Ter plaatse van de dompelbaden op het erf op de percelen E en F zijn in de grond sterke verhogingen aangetoond aan DDE en DDT. De verhogingen zijn te relateren aan de voormalige activiteiten die ter plaatse hebben plaatsgevonden. In het grondwater ter plaatse zijn geen verhogingen aangetoond. De sterke verhogingen in de grond ter plaatse van de dam en de voormalige dompelbaden vormen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. In de overige grond en grondwatermonsters zijn hooguit lichte verhogingen aangetoond. Verhardingslaag Ter plaatse van het erf op de percelen E en F is plaatselijk een verhardingslaag met slakken waargenomen. De verhardingslaag is indicatief beoordeeld als niet geschikt voor hergebruik. Indien de verhardingslaag vrijkomt bij de ontwikkeling van de locatie, dient het materiaal te worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Asbest Ter plaatse van de dam op de grens van perceel A en B zijn twee stukjes asbest aangetroffen. In de fijne fractie is geen asbest aangetoond. Het totale gewogen gehalte asbest overschrijdt de interventiewaarde niet. Tevens is er op het maaiveld ter plaatse van het erf op de percelen E en F asbestverdacht materiaal op het maaiveld aangetroffen. Aanbevolen wordt om deze materialen te handpicken en te verwijderen van de locatie. Slib Het slib is hooguit licht verontreinigd.
Naar aanleiding van de verontreinigingen aan DDE en DDT is nader onderzoek uitgevoerd. Deze wordt hieronder beschreven. Nader onderzoek projectgebied De Vork (Bureau Grondslag, 2010) In het nader onderzoek (Bijlage 7) is gekeken naar de voormalige dompelbaden (DDT/DDE) en de dam (barium, lood en zink in de grond). Voormalige dompelbaden Uit het nader onderzoek volgt dat de omvang van de verontreiniging in de grond circa 800 m3 bedraagt, waarvan circa 240 m3 sterk verontreinigd met DDT en DDE. Daarmee is sprake van een ernstige bodemverontreiniging. Voor een geval van ernstige bodemverontreiniging geldt formeel een saneringsplicht. Deze saneringsplicht wordt echter pas door het bevoegd gezag geëffectueerd, indien sanering van de verontreiniging spoedeisendheid is. Dit was niet het geval. In een later stadium is deze locatie alsnog gesaneerd (zie ook Saneringsevaluatie Middenweg 457). Dam Ter plaatse van de dam is de puinhoudende toplaag matig verontreinigd met barium en sterk verontreinigd met lood en zink. De omvang van de verontreiniging wordt geschat op hooguit 15 m3. Er is geen sprake van een 'geval van ernstige bodemverontreiniging'. Op basis van het nader onderzoek zijn er milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen voor de toekomstige bedrijfsmatige bestemming van de locatie.
Bij een bestemmingswijziging, de aanvraag van een bouwvergunning of bij de uitvoering van grondwerkzaamheden, dient er evenwel rekening te worden gehouden met het feit dat ter plaatse een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is. Wijzigingen in gebruik en de uitvoer van grondwerkzaamheden kunnen een aanleiding geven tot sanering. Deze sanering heeft inmidels plaatsgevonden. Verkennend bodemonderzoek Middenweg 455 (Bureau Grondslag, 2020) Bureau Grondslag heeft in 2020 de bodemsituatie ter plaatste van Middenweg 455 onderzocht (zie Bijlage 8). Uit het onderzoek volgde dat in de bodem ter plaatste van de onderzoekslocatie geen verontreiningen zijn aangetroffen. Aanvullend onderzoek is daarmee niet benodigd. Actualiserend bodemonderzoek Hasselaarsweg 7-9 (Bureau Grondslag, 2020) In 2020 heeft Bureau Grondslag de bodemsituatie ter plaatste van Hasselaarsweg 7-9 onderzocht
De Vaandel Noord Pagina 27 van 49
(zie Bijlage 9). Uit dit onderzoek volgde dat een sterke verhoging gemeten is aan nikkel. Er is echter geen sprake van een geval van bodemverontreiniging en er bestaat geen saneringsnoodzaak. Wel is sprake van verontreinigd grondwater. Voor werkzaamheden op deze locatie in dit grondwater zal een saneringsplan moeten worden opgesteld. Asbest is niet aangetroffen. Actualiserend bodemonderzoek Middenweg 457 (RB Geo BV, 2021) In opdracht van de gemeente Dijk en Waard heeft RB Geo BV een bodemonderzoek laten uitvoeren op de percelen S2177, S3505, S3506, S3507 en S876 als actualisatie op de onderzoek van Bureau Grondslag uit 2010 en het nader onderzoek (zie Bijlage 10). Uit het onderzoek volgde dat er sprake van meerdere verontreiningen: OCB verontreiniging (DDT/DDE) in grond ter plaatste van voormalige dompelbaden, zware metalen verontreiningen in grond bij dam en stortgat ten westen van schuur en asbestverorontreiningen in grond rondom de schuur. Voor deze verontreinigingen geldt dat hier sprake is van een 'geval van ernstige bodemverontreiniging'. Bij een bestemmingswijziging, de aanvraag van een omgevingsvergunning of bij de uitvoering van grondwerkzaamheden, dient er rekening te worden gehouden met het feit dat ter plaatse gevallen van ernstige bodemverontreiniging aanwezig zijn.
Hiervoor is een saneringsplan en een saneringevaluatie opgesteld, waaruit is gebleken dat de saneringsdoelstellingen zoals aangegeven in het saneringsplan zijn behaald. Saneringsevaluatie bodemsanering aan de Middenweg 457 In opdracht van de Gemeente Heerhugowaard is door RB Geo BV een saneringsplan opgesteld voor de sanering van een drietal verontreinigingsspots met zink, lood, OCB's en asbest in de grond rondom een oude schuur op het terrein en ter plaatse van een dam aan de Middenweg 457. Op basis van de uitgevoerde sanering is bepaald dat de saneringsdoelstellingen zoals aangegeven in het betreffende saneringsplan zijn behaald. De bodem is daarmee geschikt voor het beoogde gebruik, namelijk een bedrijventerrein. Betek enis voor het bestemmingsplan: Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. De gronden waren reeds bestemd als bedrijventerrein, waardoor het gebruik niet wijzigt. Om toch inzicht te bieden in de bodemsituatie op het terrein zijn de relevante bodemonderzoeken in het gebied geanalyseerd. Deze onderzoeken toonden verschillende verontreinigingen aan. Deze verontreiningingen zijn door middel van een sanering verwijderd, waardoor de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik, namelijk een bedrijventerrein.
4.7
Ecologie
Kader In de natuurwetgeving worden gebiedsbescherming en soortenbescherming onderscheiden. Beide beschermingsregimes zijn van belang voor de ontwikkelingsmogelijkheden van een gebied. De soortenbescherming is geregeld in de Wet natuurbescherming. Hierin zijn verschillende beschermingsregimes voor soorten aangewezen. Onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is quickscan natuur uitgevoerd (zie Bijlage 11). De quickscan is er op gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het projectgebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effect-onderzoek en nadere procedures. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op meer dan 9,5 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Noordhollands Duinreservaat’. Gezien de grote afstand, afscherming door groengebieden en stedelijk gebied en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het geplande project leidt De Vaandel Noord Pagina 28 van 49
mogelijk tot verhoogde emissie van stikstof. In paragraaf 4.8 wordt hier nader op ingegaan. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN-gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk. Het gebied is niet begrensd als een Bijzonder Provinciaal Landschap en ligt ook niet in de directe omgeving hiervan. Er is geen negatief effect mogelijk op het BPL, een nadere toetsing is niet nodig. Soortenbescherming Over de bescherming van soorten planten en dieren kan het volgende worden gesteld: Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Wanneer de boerderij en omgelegen bomen worden gesloopt en/of gekapt, is aanvullend onderzoek naar vleermuizen, vogels, grondgebonden zoogdieren noodzakelijk. Aanvullend onderzoek naar de Rugstreeppad is altijd noodzakelijk waar graafwerkzaamheden gaan plaats vinden. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond be-schermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden.
Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt grofweg van half maart tot half juli. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus en in bomen broedende roofvogels (Ransuil, Sperwer). Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoorten noodzakelijk. Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus, Sperwer en Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. In het onderzoeksgebied kunnen beschermde amfibieën en grondgebonden zoogdieren voorkomen die zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn of als ‘andere soort’. Het gaat om de rugstreeppad, kleine marterachtigen en steenmarter.
Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of kennisdocumenten één of meer van deze soorten aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Voor incidenteel aanwezige kleine marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. De dieren kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.
Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep, omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een
De Vaandel Noord Pagina 29 van 49
veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijk-baar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Het plangebied kan gebruikt worden als onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde. De aard van het plangebied zal echter tijdens de aanleg maar ook later niet dusdanig veranderen dat belangrijke gevolgen worden verwacht. Daarnaast zijn er diverse beschutte landschapslijnen in de nabijheid van het plangebied aanwezig die in dezelfde richting lopen en als alternatieve vliegroute kunnen worden gebruikt. Uit het uitgevoerde verkennende onderzoek komt naar voren dat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn wat betreft vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en vogels. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is een vervolgonderzoek naar deze soorten uitgevoerd (zie ook Bijlage 12). Vervolgonderzoek beschermde soorten Uit het vervolgonderzoek kwamen de volgende conclusies: Er zijn geen huismussen of nestplaatsten waargenomen in, bij en rondom de bebouwing van het plangebied. Negatieve gevolgen kunnen daarmee worden uitgesloten. Er zijn geen waarnemingen gedaan van de ransuil of de sperwer in en rondom het plangebied. Negatieve gevolgen zijn daarmee uitgesloten.
Direct naast het plangebied is een broedplaats aanwezig van de steenuil. De aanwezige uilen gebruiken het plangebied mogelijk als leefgebied. Als er werkzaamheden aan de bebouwing van Middenweg 441 zijn voorzien, is het mogelijk dat de verblijfplaats verloren gaat. Tevens is het mogelijk dat door de ontwikkelingsplannen de Steenuil in zijn leefgebied wordt verstoord. Als de verblijfruimte en/of leefgebied beschadigd of verstoord wordt of verdwijnt, dient een vergunning te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘activiteitenplan’ mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgewerkt. In het plangebied broeden op verschillende plaatsen algemene broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot half juli. In het plangebied is de aanwezigheid van Wezel (Hermelijn) aangetoond door verkregen prenten in drie sporenbuizen.
Indien binnen het plangebied of de directe omgeving hiervan werkzaamheden worden verricht aan met name slootkanten, oevertaluds, ruigtes of andere dichte vegetaties, dan dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit plan dient te worden ingediend in het kader van een vergunning OW. In het plangebied zijn geen beschermde, niet vrijgestelde, amfibieën vastgelegd. Er zijn geen negatieve effecten van de ingreep op beschermde, niet vrijgestelde, amfibieën mogelijk. In de woning van Middenweg 437 werd een ruige dwergvleermuis aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving daarvan. De holte waar de ruige dwergvleermuis verblijft zal gezien de plannen behouden blijven. Gedurende de actieve periode is wel verstoring mogelijk door werkzaamheden vanwege geluid en kunstlicht. Werkzaamheden moeten beperkt zijn tot de dagperiode zonder fel aanschijnend licht. Het foerageergebied voor de overige soorten vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Er dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht.
Betek enis voor het bestemmingsplan: Binnen het plangebied zijn verschillende (broedplaatsen van) beschermde soorten aangetroffen. Bij de uitvoering zullen de voorgeschreven (mitigerende en compenserende) maatregelen in acht worden genomen om negatieve effecten te beperken. Indien blijkt dat dit niet mogelijk is, wordt ontheffing aangevraagd. In het kader van het bestemmingsplan zijn er echter geen vervolgstappen aan de orde. Wel is er wel een vergunning benodigd voor een Flora- en fauna-activiteit voor de steenuil, wezel en mogelijk de ruige dwergvleermuis. Naar aanleiding van de ecologische De Vaandel Noord Pagina 30 van 49
onderzoeken worden deze vergunning verleenbaar geacht. Ecologie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.8
Stikstof
Kader Een (afwijking van een) bestemmingsplan kan alleen worden vastgesteld als het plan geen significant effect heeft op de Natura 2000-gebieden ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie. Dit is het geval indien uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar). Indien uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) op reeds overbelaste habitattypen is net als bij projecten meestal een passende beoordeling nodig en tenminste een voortoets. Als uit de passende beoordeling (of voortoets) blijkt dat significante gevolgen zijn uitgesloten, of als de ADC-toets met succes is doorlopen, kan de ontwikkeling worden toegelaten. De Wet natuurbescherming staat dan niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het plan. Betek enis voor het bestemmingsplan: In het kader van de Wnb is er voor de beoogde ontwikkeling een stikstofberekening uitgevoerd (Bijlage 13) middels het nationaal toegewezen rekenprogramma AERIUS. Gebruiksfase Binnen het plangebied wordt een bedrijventerrein planologisch mogelijk gemaakt. Tijdens de gebruiksfase ontstaan er stikstofemissies door bedrijfsactiviteiten en door de transportbewegingen van en naar het plangebied.
Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat het plan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura-2000 gebieden. Ten opzichte van de referentiesituatie komt de verschilberekening voor de beoogde situatie uit op 0,00 mol/ha/jaar. Dit betekent dat op geen enkel relevant hexagoon sprake van een toename in stikstofdepositie. Aanlegfase Tijdens de bouwfase ontstaan stikstofemissies door de inzet van bouwmaterieel (mobiele werktuigen), door het stationair draaien van vrachtwagenmotoren tijdens het laden en lossen, en door transportbewegingen van en naar het plangebied. Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat de activiteiten in de bouwfase an sich niet leiden tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura-2000 gebieden. Combinatie aanlegfase en gebruiksfase Een deel van het bedrijventerrein zal al in gebruik zijn terwijl de aanlegfase nog bezig is. Uit de verschilberekening blijkt dat ook op geen enkel relevant hexagoon sprake van een toename in stikstofdepositie. Conclusie Voor het bestemmingsplan bedrijventerrein De Vaandel Noord zijn de effecten van stikstofdepositie beoordeeld ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie (referentiesituatie).
Het bestemmingsplan leidt niet tot een toename van stikstofdepositie in de aanlegfase, gebruiksfase of een combinatie van de aanlegfase en gebruiksfase. Daarmee zijn er geen negatieve effecten te verwachten op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het vaststellen van het plan. In de AERIUS-berekening is echter gebruik gemaakt van intern salderen om tot voorgaande conclusie te komen. Daarom zal in het projectspoor, bij de vergunningaanvragen, moeten worden aangetoond dat kan worden voldaan aan het additionaliteitsvereiste.
De Vaandel Noord Pagina 31 van 49
4.9
Archeologie
Kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is iedere gemeente verplicht aandacht te besteden aan de archeologie op haar grondgebied en dit te verwerken in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke instrumenten. De gemeente Heerhugowaard heeft sinds 2023 archeologisch beleid dat is vastgelegd in een beleidsnota met archeologiekaart. Onderzoek In opdracht van de gemeente Heerhugowaard heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in augustus 2010 een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in verband met bouwwerkzaamheden en bodemingrepen in onderzoekgebied De Vork in de gemeente Heerhugowaard (zie Bijlage 14). De conclusie van dit onderzoek was dat er geen redenen waren om hier nog verder archeologisch veldonderzoek uit te laten voeren. In 2022 is door NMF Erfgoedadvies voor de gemeente Dijk en Waard een nieuwe beleidskaart opgesteld die tevens is vastgesteld door de gemeenteraad. Daarin heeft het plangebied vier archeologische dubbelbestemmingen gekregen die archeologisch vooronderzoek voorschrijven bij ingrepen dieper dan 40 cm en bij oppervlaktes variërend van 50 tot 10.000 m2. Deze beleidskaart is door de gemeenteraad vastgesteld op 7 juni 2022.
Het nieuw op te stellen bestemmingsplan De Vaandel Noord, hoort aan te sluiten bij het door de gemeente vastgestelde beleid, dat bij diverse ingrepen archeologisch onderzoek vereist, maar in tegenspraak is met de conclusies van het veldwerk ter plaatse uit 2010. Om dit uit te zoeken is RAAP gevraagd een oordeel te geven over de zin en het nut van deze beleidsvoorschriften in het licht van het in 2010 uitgevoerde booronderzoek en eventuele nieuwe archeologische gegevens die sinds 2010 over het plangebied bekend geworden zijn. Uit het nieuwe advies (zie Bijlage 15) volgt dat de conclusies van het archeologische veldonderzoek uit 2010 – gezien de afwezigheid van nieuwere gegevens – gehandhaafd kunnen blijven. Nader archeologisch veldonderzoek is hier niet noodzakelijk. De gehanmteerde beleidscategorieën WA4 en WA5 sluiten hier ook min of meer bij aan met vrijstellingsoppervlakten van 5000 en 10.000 m2. Het plangebied zelf is echter veel groter én reeds onderzocht. Vastgesteld kan ook worden dat de toekenning van beleidscategorie WA1 aan de twee percelen die zichtbaar zijn op de kaart van 1850, waarvan het noordelijke perceel ook al in 1683 bebouwd was, inhoudelijk te onderbouwen is. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ook het noordelijke erf dan meegenomen zou moeten worden, aangezien dat ook op de kaart van 1850 staat.
Alle drie percelen zijn inmiddels bebouwd met panden uit later tijd. Resten van deze eerste bebouwing zullen dan ook verstoord zijn. De toekenning van beleid op de aanwezigheid van lintbebouwing langs de Middenweg is echter niet gestoeld op informatie uit kaarten sinds de drooglegging van de polder Heerhugowaard in 1629. Lintbebouwing lijkt zich pas in de loop van de 20e eeuw te ontwikkelen. De beleidscategorie WA2 voor de lintbebouwing langs de Middenweg lijkt – in ieder geval binnen het plangebied – geen inhoudelijke onderbouwing te hebben. Op basis van de resultaten is daarom geadviseerd de huidige beleidscategorieën te laten vervallen en het plangebied vrij te geven, behalve de drie erven met bebouwing uit de 17e en 19e eeuw, waarvan er twee op de beleidskaart al onder beleidscategorie WA1 vallen. De historische erven die in de beleidskaart onder WA1 vallen kunnen deze categorie behouden en voor de strook langs de middenweg blijft de categorie WA2 van toepassing. Alle andere beleidscategorieën (WA4 en WA5) komen daarmee te vervallen. Betek enis voor het bestemmingsplan: In onderhavig bestemmingsplan wordt bovenstaand advies opgevolgd waardoor een groot deel van de beleidscategoriën komen te vervallen en waardoor een groot deel van het plangebied, het gedeelte waar het bedrijventerrein wordt ontwikkeld, vrij is van dubbelbestemmingen ten aanzien
De Vaandel Noord Pagina 32 van 49
van archeologie. Wel wordt op enkele erven de beleidscategorie WA1 in stand gehouden evenals WA2 op de strook langs de Middenweg, maar deze zijn niet beperkend voor de realisatie van het bedrijventerrein. De bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar.
4.10
Bedrijven en milieuzonering
Kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: woonfuncties nabij bestaande en opvolgende bedrijvigheid zijn alleen mogelijk als ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd; bestaande bedrijven worden niet onevenredig geschaad in hun bedrijfsvoering. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. Betek enis voor het bestemmingsplan: Bij dit bestemmingsplan is een ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ gevoegd. Aan de hand van deze staat wordt bepaald welke bedrijven waar kunnen worden toegelaten. Daarbij is rekening gehouden met de bestaande woningen langs de Middenweg en de Hasselaarsweg.
Net als in het voorgaande bestemmingsplan mogen aangrenzend aan de woningen langs de Middenweg enkel categorie 2 bedrijven worden gevestigd en zijn er langs de Hasselaarsweg enkel categorie 1 bedrijven en glastuinbouw toegestaan. Deze hebben een beperkte impact op de omgeving. De meer milieuintensieve bedrijven zijn toegestaan op een grotere afstand van de woningen. Dit is ook terug te vinden in het plan. De bedrijven uit een zwaardere milieucategorie zijn enkel te vinden ten westen van de Vaandeldrager. Ten aanzien van richtafstanden van bedrijven tot aan woningen vinden er daarmee geen veranderingen plaats ten opzichte van het huidige bestemmingsplan De Vork.
4.11
Externe veiligheid
Kader Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen: bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt; transportroutes (wegen, waterwegen, spoorwegen) waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd; ondergrondse buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor LPG-tankstations geldt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen tevens de circulaire effectafstanden externe veiligheid lpg-tankstations. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen waterwegen is het wettelijk kader vastgelegd het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. De normen voor ondergrondse buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd De Vaandel Noord Pagina 33 van 49
in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Betek enis voor het bestemmingsplan: Met betrekking tot de externe veiligheid is van belang: de aard en locatie van de risicovolle bedrijvigheid op het bedrijventerrein. De aard van de bedrijvigheid op bedrijventerrein De Vaandel Noord is in dit stadium van planvorming nog niet bekend. Gelet op de toegestane bedrijfscategorieën (t/m 3.2) is het risico van calamiteiten beperkt. De voorgestelde zonering op het bedrijventerrein, met op een deel van het terrein eventueel enigszins risico dragende bedrijven, beperkt de externe omvang van een calamiteit. Gevoelige objecten als woningen, dienstwoningen uitgezonderd, staan in het algemeen op veilige afstand van de bedrijvigheid. De woningen langs de Middenweg worden daarbij afgeschermd door een groene bufferzone. Belangrijk aspect is de bereikbaarheid van het bedrijventerrein voor hulpdiensten in geval van een calamiteit. De ernst van een calamiteit hangt in belangrijke mate af van de tijdsduur waarbinnen hulpdiensten ter plaatse kunnen zijn. Het bedrijventerrein is in de toekomst goed bereikbaar aan de westzijde vanaf de N194 en de noordzijde via de Hasselaarsweg. Daarnaast worden er geen risicovolle inrichtingen/ toegevoegd. Wel loopt ten westen van het bedrijventerrein hogedruk aardgasleiding W-574-04.
Voor deze gasleiding is gekeken naar het plaatsgebonden risico, het brandaandachtsgebied en het belemmeringengebied (zie ook Bijlage 16): Voor het plaatsgebonden risico geldt dat de bedrijfsbestemming niet valt binnen de PR-contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het plan. Het brandaandachtgebied (hierna: BAG) meet 75 m vanuit het hart van de buisleiding. Figuur 4.3 toont de ligging van het plangebied ten opzichte van de aardgasleiding en het BAG aan weerszijden daarvan. Uit figuur 4.4 blijkt dat het BAG van de aardgasleiding weliswaar tot over de plangrens reikt, maar dat eventuele toekomstige bebouwing binnen bestemming 'Bedrijf' daarbuiten ligt.
Figuur 4.4 Brandaandachtsgebied en plangebied De Vaandel Noord Pagina 34 van 49
Rond aardgasleiding W-574-04 geldt een belemmeringengebied van 4 m aan weerszijden van de buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. De plangrens ligt op een afstand van ca. 10 m van de aardgasleiding en daarmee buiten het belemmeringengebied. Daarmee kan worden gesteld dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor het bestemmingsplan.
4.12
Cultuurhistorie
Kader Volgens het Besluit ruimtelijke ordening is de gemeente verplicht om in de toelichting van het bestemmingsplan een gemotiveerde beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening gehouden is met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden. Betek enis voor het bestemmingsplan: In het plangebied zijn een gemeentelijk monument (Middenweg 451) en twee beeldbepalende panden (Middenweg 469 en Middenweg 445) te vinden. Beeldbepalende panden en andere cultuurhistorisch waardevolle elementen worden nu beschermd door de dubbelbestemming 'cultuurhistorische waarde'. Gemeentelijke monumenten worden beschermd door de monumentenverordening, maar hebben nu ook de dubbelbestemming 'cultuurhistorische waarde' gekregen. Het bestemmingsplan leidt daarmee niet tot aantasting van cultuurhistorische waarden.
4.13
Verkeer en parkeren
Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een bestemmingsplan inzicht te geven in de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van verkeer en parkeren. Betek enis voor het bestemmingsplan: Verkeer Voor verkeer kan worden gesteld dat door de conserverende aard van het bestemmingsplan de verkeerssituatie niet wijzigt ten opzichte van wat reeds was toegestaan in de eerdere planologische situatie uit bestemmingsplan 'De Vork'. Wel is nagedacht over de invulling en opbouw van het bedrijventerrein om de verkeerssituatie zo goed mogelijk in te passen in de omgeving. De infrastructuur van het bedrijventerrein is opgebouwd uit zijstraten die op regelmatige afstand (slagen) van oost naar west lopen en aan de kopse kanten met elkaar verbonden zijn, zodat een netwerk ontstaat en elk adres via meerdere wegen te bereiken is. De zijstraten worden aaneengeregen en ontsloten door ‘De Vaandeldrager’ die van de N194 tot aan de Hasselaarsweg schuin door het terrein loopt. De hoofdtoegang van het bedrijventerrein De Vaandel Midden en Noord, blijft de N194. De aansluiting op de Hasselaarsweg moet zorgen voor een flexibele routing, meer gerichte transportbewegingen, en een ontlasting van andere wegen zoals de Middenweg. Voor de aansluiting op de Hasselaarsweg loopt een apart traject.
In de nadere uitwerking moet ervoor worden gezorgd dat de structuur van de Hasselaarsweg helder blijft. De oost-west lijn is dominant ten opzichte van de noord-zuid lijn van de Altonstraat – De Vaandeldrager. Kassen op de locatie voor glastuinbouw worden ook via De Vaandeldrager ontsloten. Afhankelijk van de omvang en logistieke opzet van de glastuinbouwbedrijven zal de ontsluiting verder worden uitgewerkt. In ieder geval wordt centraal in de locatie een zone open gehouden voor een openbare weg of interne ontsluitingsstructuur. Deze is net als het bedrijventerrein oost-west georiënteerd. Bedrijven aan de Hasselaarsweg worden via een zijweg aan De Vaandeldrager ontsloten, dus ‘achterom’. Dit zorgt voor een betere bereikbaarheid van de bedrijven en een veiligere Hasselaarsweg. In aanvulling op de hoofdtoegangen zijn calamiteitenverbindingen met de Middenweg gemaakt. De Vaandel Noord Pagina 35 van 49
Deze functioneren normaliter als voet- en of fietsverbinding maar kunnen in geval van nood door de hulpdiensten worden gebruikt. Deze toekomstige ontwikkeling is berekend in het verkeersmodel van de regio Alkmaar, waar Dijk en Waard onderdeel vanuit maakt. In dit verkeersmodel is een basisjaar 2021 en een toekomstjaar 2040 gemodelleerd. Een verkeersmodel is een soort maquette van het huidige en toekomstige gebruik van het wegennet. Hierbij wordt rekening gehouden met landelijke trends en de demografische ontwikkelingen van de regio. Het verkeersmodel vormt een belangrijk hulpmiddel om het effect van bepaalde beleidskeuzes in te kunnen schatten. Dan gaat het om bijvoorbeeld vertraging in het verkeer, de totale hoeveelheid afgelegde voertuigkilometers, en ook de uitstoot van verkeer. Dit model is relatief nieuw. Dit heeft als voordeel dat de meest actuele landelijke trends van o.a. Planbureau voor de Leefomgeving zijn meegenomen. Ook is het nieuwe verkeersmodel geijkt op de meest actuele verkeerstellingen. Concrete wijzigingen ter plaatse van bedrijventerrein De Vaandel ten opzichte van 2021 zijn het doortrekken van 'De Vaandeldrager' tot aan de Hasselaarsweg, waar 'De Vaandeldrager' in de toekomst dus op aan zal sluiten. Ook zullen er in 2040 meer bedrijven gevestigd zijn dan nu het geval is.
Hiervoor is ten opzichte van 2021 een toename van bedrijven voorzien ter grootte van 20 hectare, wat in het verkeersmodel op basis van kencijfers ingevoerd is als 1.300 extra arbeidsplaatsen. In het model wordt ervan uitgegaan dat de verkeersintensiteit op 'De Vaandeldrager' van noord naar zuid steeds hoger zal zijn. Van ongeveer 2.700 aan de noordzijde tot ongeveer 4.000 motorvoertuigen per dag aan de zuidzijde. Deze verwachte hoeveelheid verkeer kan goed verwerkt worden op het directe wegennet en daarmee op de aansluiting op de N194. Parkeren Omdat nog niet bekend is welke bedrijven zich op de Vaandel zullen vestigen, kan nog niet in detail op de parkeersituatie worden ingegaan. In het bestemmingsplan is wel opgenomen dat het gebruik van gronden of bouwwerken binnen het bestemmingsplan, uitsluitend is toegestaan indien op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid voor het parkeren of stallen van auto's en fietsen in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort wordt aangelegd en in stand gehouden overeenkomstig de Nota Parkeernormen 2022 van de gemeente Dijk en Waard en diens rechtsopvolgers. Gezien de grootte van de percelen kan daaraan worden voldaan. Daarmee is het geborgd dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Conclusie Verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.14
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
Kader In de uitvoering van het bestemmingsplan zal aandacht worden besteed aan het aspect duurzaamheid. Duurzaam bouwen betreft een wijze van plannen, bestemmen, ontwerpen, bouwen, inrichten en beheren (inclusief slopen en hergebruik) van de te realiseren woningen. Duurzaamheidsaspecten waar bij de bouw van de woningen aan moet worden gedacht zijn: energiehuishouding, materiaalgebruik, watergebruik, gezondheid, comfort, toekomstbestendigheid, etc. In de Lokale Energie Strategie (zie paragraaf 3.5.3) is de ambitie op het gebied van duurzaamheid vastgelegd. Het streven is een energieneutraal Heerhugowaard in 2030. Daarnaast wordt gewerkt naar een klimaatrobuuste stad. Betek enis voor het bestemmingsplan: Duurzaamheid is integraal onderdeel van de eisen die gesteld worden op drie niveaus: gebouw, kavel, en inrichting van de openbare ruimte. Voor de ontwikkeling van De Vaandel Noord zijn een De Vaandel Noord Pagina 36 van 49
aantal duurzaamheidsaspecten als speerpunten gedefinieerd: Energietransitie De gemeente Dijk en Waard heeft de ambitie om in de nabije toekomst energieneutraal te zijn. In De Vaandel Noord is het belangrijk om vroegtijdig invulling te geven aan deze ambitie. Het doortrekken van het bestaande energiecircuit de Duurzame Ring Heerhugowaard dat op De Vaandel Midden al in gebruik is, vormt een kansrijke optie om een energieneutraal bedrijventerrein mogelijk te maken. Het warmtenetwerk van HVC kan hier ook eenvoudig naartoe worden getrokken. Daarnaast kan de uitwisseling van warmte en energie tussen bedrijven op De Vaandel en omgeving (bijvoorbeeld het Altongebied) worden onderzocht. Om de energietransitie te faciliteren, wordt in de ondergrond voldoende ruimte gereserveerd om geplande en toekomstige energie-infrastructuur een plek te kunnen geven. De gemeente behoudt vooralsnog de mogelijkheid om ook bovengronds ruimte te reserveren voor de energietransitie, indien technische ontwikkelingen gedurende de ontwikkeling van het bedrijventerrein hierom vragen. Op dit moment wordt in De Vaandel al energie gewonnen uit asfalt. In de weg is een buizensysteem met een overdrachtsvloeistof aangelegd, dat in verbinding staat met twee bodembronnen. In de zomer levert dat buizensysteem warm water op, in de winter koud water.
Bedrijven die zijn aangesloten op het systeem kunnen het warme water ’s winters gebruiken om hun pand te verwarmen. Het koude water kan ’s zomers worden gebruikt voor koeling. Klimaatadaptatie & natuurinclusiviteit Een duurzaam bedrijventerrein betekent ook dat het gebied voorbereid is op een veranderend klimaat. In De Vaandel Noord wordt daarbij ingezet op natuurlijke maatregelen, zoals groene daken en gevels, zoveel mogelijk groen op maaiveld en waterdoorlatende verharding waar mogelijk. In lijn met het gemeentelijk ‘Beleidsprogramma klimaatadaptatie 2021-2026’ zijn voor De Vaandel Noord de meest recente normen van het Basisveiligheidsniveau Klimaatbestendige Nieuwbouw van toepassing. Hierin zijn uitgangspunten opgenomen om wateroverlast te voorkomen, droogte tegen te gaan, verkoeling te bieden bij extreme hitte, en gevolgen van overstromingen te beperken. Deze normen stellen eisen aan de opvang van regenwater op privaat terrein, het creëren van schaduw en koele plekken, het warmtewerend en verkoelend inrichtingen van horizontale en verticale oppervlakten. De duurzaamheidsambities vragen ook om aandacht voor een natuurinclusieve inrichting van de openbare ruimte, de terreinen en gebouwen, om de ecologische waarden van het gebied te versterken. Het creëren van robuuste ecologische verbindingszones door De Vaandel Noord is daarin het uitgangspunt.
Klimaatrobuustheid kan op een slimme manier gekoppeld worden aan ecologische maatregelen, zodat ook de biodiversiteit wordt versterkt. Daarbij valt te denken aan groene daken die een verkoelende werking hebben en tegelijkertijd een habitat voor vogels en insecten kunnen vormen, of groenzones in de openbare ruimte en op de terreinen die zo biodivers mogelijk worden ingericht. Klimaatadaptieve en natuurinclusieve toepassingen dragen ook bij aan een groen imago van het bedrijventerrein. Conclusie Duurzaamheid is een integraal onderdeel van de ontwikkeling van bedrijventerrein de Vaandel. Daarmee vormt duurzaamheid geen belemmering voor het bestemmingsplan.
De Vaandel Noord Pagina 37 van 49
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische aspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt aangegeven welke bestemmingen in het plan zijn opgenomen en hoe deze de inhoud van het plan regelen. Deze toelichting dient als uitleg over de wijze waarop de bestemmingsregels moeten worden uitgelegd en de reden waarom deze zijn opgenomen. In de paragraaf over het juridisch systeem wordt nader uitleg gegeven over de verhouding met wet- en regelgeving naast het bestemmingsplan. In de handhavingparagraaf is aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt gehandhaafd.
5.2
Planvorming - juridisch systeem
Dit bestemmingsplan De Vaandel Noord is een conserverend gedetailleerd bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro), waarin de Gebiedsvisie De Vaandel Noord juridisch planologisch wordt geborgd. Een gedetailleerd plan biedt directe rechtszekerheid aan de belanghebbenden en is een duidelijk toetsingskader bij het beoordelen van bouw/omgevingsvergunningaanvragen. De bestemmingen zijn gedetailleerd in de regels en in de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen. De planregels zijn per hoofdstuk in alfabetische volgorde weergegeven. De regels zijn gegroepeerd in vier hoofdstukken: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregel. De systematiek van de planregels is zoveel mogelijk gebaseerd op de modelregels van de gemeente Dijk en Waard en de landelijke richtlijnen voor RO standaarden en meer in het bijzonder SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen). 5.2.1
Aanduidingen
5.2.1.1 Functieaanduiding In dit bestemmingsplan wordt naast het gebruik van gedetailleerde bestemmingen tevens gewerkt met functieaanduidingen. Voor veel bestemmingen kan worden volstaan met de naam van een hoofdgroep voor een bestemming. Het kan echter, in het belang van een goede ruimtelijke ordening en van de leesbaarheid van het bestemmingsplan, gewenst zijn om specificaties aan te brengen. Bij een bestemming die meerdere functies kent kan er worden gespecificeerd door middel van een specifieke functieaanduiding. Op deze wijze kan tot uitdrukking worden gebracht dat ter plaatse alleen een bepaalde, met name genoemde functie, is toegestaan. Functieaanduidingen lenen zich er ook voor om op een bepaalde locatie een specifieke, niet bij de bestemming passende functie mogelijk te maken. Verder lenen functieaanduidingen zich ook goed om binnen een (hoofd)bestemming meerdere functies toe te staan in meerdere (bouw)lagen (ondergronds, begane grond, verdieping enz.). Ook het niet toestaan van een bepaalde functie kan via een functieaanduiding (met een -teken ervoor) worden aangegeven.
De Vaandel Noord Pagina 38 van 49
5.2.1.2 Bouwaanduiding Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Veel voorkomende bouwaanduidingen zijn: vrijstaand, aaneengebouwd, twee-aaneen, gestapeld, onderdoorgang, nokrichting, plat dak, kap, antennemast, karakteristiek, en bijgebouwen. Deze bouwaanduidingen zijn opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP). Bij het opstellen van een bestemmingsplan kan – voor zover van toepassing – van deze bouwaanduidingen gebruik worden gemaakt. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening kan het echter nodig zijn om ook met andere dan de daar genoemde bouwaanduidingen te werken. Dit kan door gebruik te maken van een verzamelaanduiding die aangeeft dat het hier om een specifieke bouwaanduiding (sba) gaat, dat wil zeggen een bouwaanduiding die niet in de lijst in de SVBP is opgenomen. 5.2.2
Wabo en vergunningvrij bouwen
Sinds 1 oktober 2010 geldt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Artikel 2.1 is het kernartikel van de wet en noemt in de eerste plaats de activiteiten waarvoor op grond van de wet een omgevingsvergunning is vereist. Voor het bestemmingsplan zijn met name de in lid 1 onder a, (bouwen) b (aanleggen) en c (gebruik) genoemde activiteiten van belang. De vergunningsplicht vloeide, voor het grootste deel van de activiteiten, die in het eerste lid worden genoemd, voor de inwerkingtreding van de Wabo voort, uit afzonderlijke wetten, zoals de Woningwet (bouwvergunning), Wet milieubeheer (milieuvergunning) en het bestemmingsplan (vrijstelling). Deze vergunningstelsels zijn nu volledig geïntegreerd in de Wabo. Een bouwvergunning heet sinds het in werkingtreden van de Wabo een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Het artikel voorziet in lid 3 ook in de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur uitzonderingen te maken op de omgevingsvergunningplicht (vergunningsvrije activiteiten). Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt in het algemeen op twee punten aan het bestemmingsplan getoetst namelijk: 1. de omvang (lengte, breedte, hoogte, percentage enz.) 2. gebruik (wonen, detailhandel, horeca enz.). Als aan de eisen van het bestemmingsplan wordt voldaan, is het bestemmingsplan geen grond om de vergunning te weigeren.
Wordt niet aan de eisen van het bestemmingsplan voldaan dan kunnen Burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan. Afwijken van het bestemmingsplan kan zowel voor de omvang als voor het gebruik. Het is aan Burgemeester en wethouders om te beoordelen of zij van die bevoegdheid gebruik maken. De uitzonderingen op de omgevingsvergunningplicht worden genoemd in artikel 2.3 van de Wabo, juncto bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Artikel 2.3 lid 1 van het Bor heeft alleen betrekking op het verbod dat wordt genoemd in artikel 2.1 onder a (bouwen) van de Wabo. Het tweede lid van het artikel heeft zowel betrekking op het verbod genoemd onder a als onder c (bouwen en gebruik). Dat betekent dat de onder lid 1 genoemde categorieën alleen vergunningvrij zijn als het gebruik conform het bestemmingsplan is of met een omgevingsvergunning wordt afgeweken van het gebruik van het bestemmingsplan. De in lid 2 genoemde catgorieën zijn altijd, ongeacht het gebruik, vergunningvrij. In bijlage II artikel 3 worden de activiteiten genoemd die alleen vergunning vrij zijn als het gebruik confom het bestemmingsplan is. danwel met een omgevingsvergunning wordt afgeweken van het gebruik van het bestemmingsplan. In artikel 2 van bijlage worden de activiteiten genoemd die ongeacht het gebruik vergunningvrij zijn.
In artikel 5 van bijlage II wordt de reikwijdte van de uitzonderingen waarvoor geen vergunning is vereist weer beperkt. Deze beperkingen gelden o.a voor illegaal gebruik, voor monumenten als bedoeld artikel 1 onder d van de Monumentenwet, veiligheidszones rondom een munitieopslag of een inrichting voor activiteiten met ontplofbare stoffen en voor veiligheidszones vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10 tot de macht -6 als gevolg van de aanwezigheid van een transportroute, buisleiding of inrichting danwel vanwege de ligging in een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van een buisleiding. De Vaandel Noord Pagina 39 van 49
Vergunningvrij betekent niet regelvrij. Ook bouwwerken die vergunningvrij zijn moeten voldoen aan het bouwbesluit, redelijke eisen van welstand, het Burgelijk Wetboek enz. De burger is zelf verantwoordelijk voor de toetsing van zijn bouwinitiatief aan de regelgeving. Handhaving door het bevoegd gezag gebeurt achteraf.
5.3
Inleidende regels
In het eerste hoofdstuk van de planregels worden begrippen verklaard die in de planregels voorkomen en wordt ook aangegeven op welke wijze gemeten moet worden om bijvoorbeeld een goot- of bouwhoogte te bepalen. Het nieuwe bestemmingsplan is opgesteld volgens de structuur van de landelijke RO standaard IMROPT2012. Op deze manier wordt voldaan aan de meest recente richtlijnen. 5.3.1
Begrippen
In artikel 1 zijn de begripsbepalingen opgenomen. Begripsbepalingen zijn nodig om een planologisch - juridische precisering ten opzichte van het algemeen spraakgebruik te verkrijgen. In beginsel dient er voor gewaakt te worden een begrip een sterk van het spraakgebruik afwijkende betekenis te geven. Begripsbepalingen zijn alleen dan nodig indien het begrip gebruikt wordt in de planregels en dit begrip zonder nadere definitie tot verwarring zou kunnen leiden. Een aantal begrippen komt nagenoeg in elk bestemmingsplan voor, deze zijn landelijk als standaard voorgeschreven. Daarnaast zijn er ook enkele begrippen opgenomen die meer specifiek voor dit plangebied en de opgenomen planregels van belang zijn. Voorts kan men een definitie nodig hebben indien een term of woord in verschillende wettelijke regelingen niet dezelfde betekenis heeft, of wanneer men een woord wil afzetten tegen een ander woord (bijvoorbeeld woning tegenover zomerhuis). Van begrippen die vastgelegd zijn in de RO - Standaarden, een uitgave van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, mag niet van de definiëring worden afgeweken. 5.3.2
Wijze van meten
In het artikel ‘Wijze van meten’ is aangegeven hoe moet worden gemeten. Het betreft hier technische zaken die deels landelijk zijn voorgeschreven en deels aanvullend zijn opgenomen. Daar waar het in het algemeen spraakgebruik wel duidelijk is wat wordt bedoeld met bijvoorbeeld de hoogte van een gebouw, is het in juridische zin toch van belang om aan te geven dat daarbij gemeten moet worden vanaf het 'peil' tot het hoogste punt van het gebouw. Daarbij wordt het begrip 'peil' uitgelegd onder de begripsbepalingen. Over de wijze waarop in algemene zin 'gemeten' moet worden bestaat zo dus geen verschil van mening. Voor het bepalen van de bouwhoogte worden onderschikte bouwdelen als schoorstenen en antennes niet meegerekend. Bij het bepalen van de goothoogte worden incidentele verhoogde goten, zoals bij dakkapellen, wolfseinden en dergelijke buiten beschouwing gelaten. Omdat dit niet in de RO - Standaarden is geregeld, is in de bouwregels is opgenomen dat deze goten niet aan de goothoogte worden getoetst. Voor de dakhelling is aangegeven dat deze alleen geldt voor het dakvlak. Incidentele doorbrekingen van het dakvlak zijn voor het bestemmingsplan van minder belang. De doorbreking van het dakvlak kan wel onderdeel uitmaken van een welstandstoetsing. De oppervlakte moet buitenwerks worden gemeten en op het peil.