CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage3b NL.IMRO.1980.BpVaandelnoord-VA01 Bijlagen bij regels

Gemeenteraad 9 september 2025, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan De Vaandel Noord23.712 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de grafkelder onder de gesloopte kapel liggen nog de beenderen van Reinout en meerdere familieleden van Brederode.

Afb. 17: De huidige kerk van Veenhuizen, die in 1965 werd gebouwd, huist in het voorportaal het praalgraf van Reinout van Brederode, dat de status van een rijksmonument heeft.

De bronzen luidklok die in een stalen klokkenstoel naast de moderne kapel hangt, komt uit de vijftiende eeuwse kerk en werd in 1460 gegoten in Mechelen. De klok draagt het opschrift: “Int jaer

37

Divelee, 1994

28

ons heren M CCCC LX Dyonisius is mijn naem myn gheluyt sy gode bequaem”. De klok hing tussen 38 1862 en 1965 in de Nederlands Hervormde kerk. De klok is een gemeentelijk monument. Hoewel het oorspronkelijke kerkje van Veenhuizen gesloopt is, heeft de plek door zijn historie, het kunsthistorisch waardevolle praalgraf uit 1633 van Pieter de Keyser (rijksmonument), het groen, het kleine aangrenzend begraafplaatsje en de luidklok uit 1460 (gemeentelijk monument) een belangrijke cultuurhistorische waarde. De locatie als totaal vormt de kern van het oorspronkelijke Veenhuizen en geeft het buurtschap een heel specifieke identiteit. De drie stolpen (Kerkweg 17, 24 en 30b) en het tweeklassig schooltje met onderwijzerswoning aan de Kerkweg 28 vormen een belangrijke bijdrage aan de historische, agrarische en kleinschalige identiteit van de kern van Veenhuizen. Nabij het huidige kapelletje ligt een drietal stolpen (Kerkweg 17, 24 en 30b), die ‐ hoewel niet alle drie meer gaaf van architectuur ‐ uiting zijn van de kleinschalige en van oorsprong agrarische kern van Veenhuizen. Vanwege hun ligging nabij het kerkje is de kans groot dat er bij de stolpen nog sprake is van historische vierkantconstructies. De meest oostelijk gelegen stolp (nr.

30b met staartstuk), vormt samen met een naastgelegen aanbouw, tegenwoordig het dorpshuis/café.39 Tussen het huidige dorpshuis en het kapelletje is aan de naastgelegen vaart, in 1889 een onderwijzerswoning gebouwd met een tweeklassig schooltje daar aan vast (1892).40

Afb. 18: De Kerkweg 17 is één van de drie stolpboerderijen in Veenhuizen, die mogelijk nog een historische vierkantconstructie bevat.

38

Gemeentelijk monumentenregister Komen en Van Zanten, 1994; Op de kaart uit 1680 van Uitwaterende Sluizen is op deze locatie reeds bebouwing te zien, dus wellicht is hier sprake van hoge ouderdom. Nader bouwhistorisch onderzoek zou dit kunnen aantonen. 40 Van der Lee, 1999 39

29

Oostelijke bebouwingsconcentratie Veenhuizen: Dijkbuurt Een concentratie van historische bebouwing in Veenhuizen ligt rond de Dijkbuurt, aan het oostelijk eind van de Kerkweg, aan de Langereis. Twee stolpen (Dijkweg 5 en 7) getuigen nog van het feit, dat de stolpen van oudsher aan het water lagen om producten gemakkelijk aan en af te voeren. Op de kaart van 1680 van Uitwaterende Sluizen staat ter plekke reeds bebouwing aangegeven. Ook de ligging van de nabijgelegen voormalige smederij aan de Kerkweg moet gerelateerd zijn aan het water.

Afb. 19: De oude stolpboerderij aan de Dijkweg 7 dateert mogelijk nog uit de zeventiende eeuw en was oorspronkelijk op het water georiënteerd.

30

Westelijke bebouwingsconcentratie Veenhuizen Een westelijke concentratie van bebouwing in Veenhuizen ligt rond de kruising van de Groenedijk en de Kerkweg. Hier liggen twee stolpen (Kerkweg 4 en 6). Van deze twee is nummer 4 nog bijzonder, omdat deze ook een functie had als tolhuis. Zijn ligging nabij de grens van het vroegere Veenhuizen, zo direct aan de weg, laat dit nog zien. Daarnaast is hij zoals veel oudere stolpen ook aan het water gelegen vanwege aan‐ en afvoer van producten. Kerkweg nr. 6 bezit nog een gave hoofdvorm, maar is helaas door te veel verbouwingen en door de plaatsing van een grote loopstal achter de stolp, sterk in ruimtelijke kwaliteit achteruit gegaan. De grootte van de stolpen Kerkweg 4 en 6 laat zien dat zij gebouwd zijn als veeboerderijen. Zoals ook elders in Heerhugowaard is door de komst van tuinbouw en later ook bollenteelt ontstaan. Doordat deze boerderijen geen hooi en vee meer behoefden te herbergen, konden de stolpen minder groot te zijn. Ook omdat het wegenstelsel zich inmiddels verder had ontwikkeld, was deze meer op de tuinbouw gerichte bebouwing minder afhankelijk van het water. Langs de Kerkweg zijn daardoor in de negentiende en begin twintigste eeuw nog wat kleinschalige tuinderstolpjes en landarbeidershuisjes ontstaan.

Afb. 20: De Kerkweg 11 is één van de landarbeidershuisjes, die in de negentiende en twintigste eeuw langs de Kerkweg zijn ontstaan.

31

De Veenhuizerwaard Met de inpoldering van de Zuiderwaert ontstond bij Veenhuizen een polder die de Veenhuizerwaard werd genoemd. De eigenaren van Veenhuizen eisten van de bedijkers dat de nieuwe polder een centrale ontginningsweg kreeg, nu bekend als de huidige Veenhuizerweg, met wegsloten aan beide 41 zijden. De huisplaatsen werden langs deze Veenhuizerweg aangelegd. Op de kaart van Uitwaterende Sluizen van 1680 is al een zevental bebouwde locaties waar te nemen. Vanwege de bodemsamenstelling hebben de land‐ en tuinbouwactiviteiten hier altijd prioriteit gehad en zijn er geen grootschalige veebedrijven ontstaan. Er zijn geen historische huisplaatsen uit de vroege ontginningstijd bewaard. Anno 2012 toont de Veenhuizerweg de kenmerken van een land‐ en tuinbouwgebied met boerderijen uit het laatste kwart van de negentiende eeuw en later.42 De stolpen zijn van een relatief klein formaat en er zijn enkele aardige tuinderswoningen; bereikbaar met bruggetjes over de wegsloot.

Afb. 21: De boerderij aan de Veenhuizerweg 6 is een kleine stolp uit de negentiende eeuw.

41

Komen en Van Zanten, 1994 Nader bouwhistorisch onderzoek zou kunnen uitwijzen of er nog stolpen met een vierkant uit de zeventiende of achttiende eeuw bewaard zijn.

42

32

33

2.6 Overzichtskaart van de verdwenen en nog aanwezige relicten (1:30.000 op A3)

34

Oude Niedorp

SmuigelpolderII-004v

II-030v

70v

Groenedijk

II-0

v

II-080v

II-061v

74 v II0

II-0

II-050a II-0

a 76

7v II-05

II-026v

II-074a

Langebos II-025v

II

8v - 05

II-0

56a

e ad

ad

rk ze ui h en Ve

ep Kerk elijk Zuid

II-007v

II-008v

II-078v

II-001

II-030v

Lutkebos

II-048a

II-051a

II-049a

v II-060

II-006v

II-047a

II-063v

Sappewerf

II-053a

II-062v

Langereis

II-046a

II-027a

Zuid-Scharwoude

II-043a II-075a

II-066v

II-052a

Plaetmanbosch

44a II-0

v

II-028v

II-065v

II-079

Paerdebos

II-005v

v 72

De Noord

II-041a

Dijkweg

v

II-067v

A.C . de Gra afw eg

II-040a

II-029v

0 II-

Noord-Scharwoude

II-07 7v

II-055

Nessewerf

II-005v

II-042a

Bercxwerck

II-064v

Klein Geldebos

03 a

Groote Geldebos

II-005v

II-031v

II-024v

II-009v

II-011v

De Vlaerding

II-010v

Sint Pancras

Heerhugowaard II-023v

't Groote Bos II-016v

II-022v II-021v

II-020v

II-019v

II-040a

II-018v

II-012v

De Koebos

II-017v II-015a

II-032v

II-039v

II-033v

II-034v

II-035v II-036v II-037v

't Groote Bos

II-013a

Oterleek

II-014v

Oterleek

Oude H

II-038v

uigen dijk

II-002a

Heerhugowaard - Overzichtskaart bij hoofdstuk II Legenda Gemeentegrens

Dijk

Druipland

Kanaal

Schaal is 1:30.000 op A3-formaat juni

Tocht Weg

2012

Cartograaf: Martijn Horst

Kerkepad Ontginningssloten

o

Volle Middeleeuwen (1000 n. Chr.) tot Vroege Nieuwe Tijd (1630 n. Chr.)

0

2.500 meter

35

3. Na inpoldering ontstaat de Heerhugowaard

Van de Vroege Nieuwe Tijd (1631) tot aan WOII (1945)

36

3.1 Octrooiaanvraag en opstartfase Twee Alkmaarse regenten, Floris van Teylingen, burgermeester van de stad, en Nanning van Foreest, de secretaris, namen in 1624 het initiatief om de Heerhugowaard droog te malen. Voor de inpoldering was de medewerking van andere voorname burgers nodig om niet alleen het vereiste kapitaal bijeen te krijgen, maar ook om toestemming, of ‘octrooi’ van de Staten van Holland en West‐ Friesland te krijgen. Op 20 maart 1624 werd een onderling contract gesloten. Door Hans van Loon, één van de deelnemers en een zeer vermogend Amsterdamse koopman, werd namens de gehele groep de octrooiaanvraag in het voorjaar van 1624 aan de Staten van Holland en West‐Friesland toegezonden. De heren Van Teylingen en Van Foreest probeerden eerst hun eigen stad Alkmaar voor hun plan te winnen. De stad wilde wel meewerken op enkele “voordelige conditiën”. Zo moesten alle vaarten en wegen in de richting van de stad worden aangelegd, omdat men wilde voorkomen dat de boeren naar de markt van Hoorn zouden gaan in plaats van naar de Alkmaarse markten. Verder moest het college van dijkgraaf en heemraden in Alkmaar vergaderen en werden er 500 morgens in de nieuwe polder geëist voor de stad zelf of voor leden van de vroedschap.

Aan al deze voorwaarden werd door de bedijkers voldaan.43 Op 11 maart 1625 werd door de Staten van Holland het octrooi verleend, waarbij nog wel werd opgenomen dat de bedijkers van de Zuiderwaert en die van de Wormer er voor moesten zorgen dat er een sluis in de Nieuwendam tussen Uitgeest en Krommenie kwam. Deze veertiende eeuwse dam verbond het Schermeer met het Wijkermeer en de Nieuwendammersluis moest de afwatering van Geestmerambacht en van de Schager‐ en Niedorper Koggen garanderen en het tevens mogelijk maken om in droge zomermaanden voldoende zoet water in te laten. Wanneer de sluis, naar het oordeel van de dijkgraaf en heemraden van Uitwaterende Sluizen, niet voldeed aan de gestelde eis van afwatering, dan moest de Zuiderwaert een tweede gelijke sluis op een andere plaats bouwen. Door verzanding werd de sluis echter al spoedig geheel onbruikbaar. Tot geluk van het polderbestuur van de Heerhugowaard werd in 1631 in het octrooi van de droogmaking van het Schermeer opgenomen dat er voor een goede afwatering twee vaarten gegraven moesten worden, één van Alkmaar naar het noorden en één naar het zuiden. In deze zuidelijke vaart, de Nauernasche Vaart, moest een stenen sluis worden gebouwd. Deze sluis kon de taak van de Nieuwendammersluis in zijn geheel overnemen, waardoor de Heerhugowaard niet voor een nieuwe afwatering hoefde te zorgen.

In 1651 kon het polderbestuur van de Heerhugowaard dan ook het onderhoudscontract met de Uitwaterende Sluizen afkopen.44 De stad Hoorn eiste kort na het verlenen van het octrooi, op 30 mei 1625, van de bedijkers een vaart van de ringsloot via Wognum naar hun stad op kosten van de bedijkers. Verder wenste men zeggenschap in het polderbestuur door de benoeming van een heemraad en twee hoofdingelanden uit Hoorn. Het werd een slepende zaak en pas op 8 november 1629 deden de Commissarissen uitspraak: er moesten twee hoofdingelanden en een heemraad uit Hoorn worden gekozen en wegen en bruggen moesten in overleg met Hoorn worden aangelegd. De gewenste waterverbinding met de ringsloot, die de boerenklandizie naar de stad had moeten brengen, kwam er echter niet. Alkmaar had daarbij aan het langste eind getrokken.45 De bedijking moest van de Staten binnen vier jaar voltooid worden. De drooggelegde gronden zouden volledig eigendom van de bedijkers zijn, mits zij jaarlijks een bedrag per morgen aan de Staten zouden betalen. Verder kregen de bedijkers vrijdom van enige belastingen voor de tijd van 43

Dil, 1987, 4 naar H.E. van Gelder, ‘De bedijking van de Heerhugowaard’, in: Bijdragen voor de Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, Arnhem 1906. H.E. Komen geeft op 21 mei 2012 aan dat alle onderzoekers na Van Gelder zich baseren op zijn onderzoek wat betreft de octrooiaanvraag, welke regenten deelnamen, grondverdeling, investeringen, bedragen, familieverbanden, ect. 44 Dil, 1987, 4, 9‐11; zie ook Belonje, 1929, 7, De Vries, 1876, 410 45 Dil, 1987, 16

37

vijftien jaren en eeuwigdurende tolvrijdom. De hoofdingelanden mochten de heemraden benoemen, maar de dijkgraaf zou door de Staten worden gekozen uit een, door de hoofdingelanden opgestelde, voordracht van drie personen. De aanvragers hadden daarmee niet zo veel gekregen als zij hadden gevraagd, namelijk een looptijd van zes jaar in plaats van vier jaar en belastingvrijdom van dertig jaar in plaats van de verkregen vijftien jaar. Wel kregen ze in 1627 toestemming om enkele eilanden in de Zuiderwaert aan te kopen of te onteigenen voor de aanleg van wegen en sloten.46

Themakader: Droogmakerijen in hun context Nadat in de Late Middeleeuwen het veengebied van West‐Friesland sterk gereduceerd werd door overstromingen probeerde men met kaden en dijkjes het land te behouden. In de zestiende eeuw kwam men vervolgens met een nieuwe manier om het nog aanwezige land te beschermen en het verloren gegane land weer in te lijven: de uitvinding van de droogmakerij. Binnen de droogmakerijen worden vier belangrijke periodes onderscheiden. Als eerste is dat de experimenteerfase tussen 1533 en 1565, waarin voor het eerst een aantal kleinere meertjes drooggelegd werd in de buurt van Alkmaar. Na de ervaringen die men hier opdeed konden de grote droogmakerijen in de zeventiende eeuw worden uitgevoerd, zoals de Beemster (1612), de Heerhugowaard (1630) en de Schermer (1635). Deze grote droogmakerijen vormen de tweede fase van de geschiedenis van de droogmakerijen. Voor de diepere meren was de invoering van de getrapte molenbemaling in deze periode van essentieel belang. Door meerdere molens achter elkaar te plaatsen werd het water telkens een stukje hoger opgemalen, totdat het uiteindelijk op het boezemwater geloosd kon worden. De derde fase van de droogmakerijen treedt in als in de negentiende eeuw stoomgemalen kunnen helpen met pompen, waardoor bijvoorbeeld de Haarlemmermeer kon worden drooggepompt en de IJpolders ontstonden.

De vierde en laatste fase bestaat uit de grote droogmakerijen van het Zuiderzeeproject in de twintigste eeuw.47 De Heerhugowaard is daarmee dus een inpoldering uit de tweede fase, waarin de techniek het mogelijk maakte om ook de grotere meren droog te malen. In de periode van 1608 tot 1641 werden alleen al in West‐Friesland 27 plassen en moerassen drooggelegd. In geheel Noord‐Holland werd maar liefst 36.000 hectare gewonnen, waardoor het bebouwbare land met 25 procent vermeerderde.48 Doordat daardoor de oppervlakte van het boezemwater verkleind werd kon men de veiligheid van West‐Friesland gemakkelijker waarborgen. De dreiging van een binnenzee was daarmee verleden tijd.49

Niet iedereen was een voorstander van inpoldering van de Zuiderwaert. De Zuiderwaert was een groot zoetwaterreservoir, dat van belang was voor de visserij en als vaarweg tussen de dorpen rond de Zuiderwaert gelegen en Alkmaar en Hoorn. Vooral over het hernieuwde afwateringsysteem waren critici bezorgd. De oppervlakte van de ringsloot was slechts twee procent van de oppervlakte van de Zuiderwaert en moest er toch voor zorgen dat het overtollige water van de omringende gebieden en van de nieuwe polder via de Langereis en de Schermerboezem naar zee werd afgevoerd.50

46

Dil, 1987, 6‐7 Haartsen, 2009, 61; zie ook Baas, 2001, Droogmakerijen 17e‐19e eeuw, Rosing, 1995, 69‐72 en Stol, 2005, 82 48 Dil, 1987, 4 49 Rosing, 1995, 51 50 Dil, 1987, 8‐9 47

38

Afb. 22: In tegenstelling van wat vaak gedacht wordt was het waterrijke landschap van West‐Friesland niet alleen dreigend voor de bewoners, maar was voor velen ook een bron van inkomsten en de enige manier om contact te onderhouden met de dorpen in de regio. Op deze facsimile van Jan van Jagen uit 1778 naar de kaart van Joost Jansz. Beeldsnijder uit 1575 is het waterrijke landschap goed te zien.

39

3.2 Droogmaling met een ringdijk, ringvaart en molens Ringdijk en ‐vaart De eerste fase in het droogmaken van een meer was het leggen van een ringdijk [III‐001a en‐v] rondom het gehele meer. Bij de Heerhugowaard betekende dit de aanleg van 32 kilometer dijk, die ruimschoots om de Zuiderwaert heen werd gelegd. In 1750 werd de loop van de ringdijk beschreven door Tirion: “[De ringdijk] gaat ten Noorden langs de Vrye Heerlyk heid van Haringkarspel waar van een Gedeelte binnen den Waard bedykt is als mede langs de Banne van Oude Nieuwdorp. Ten Oosten gaat de Dyk door de [Vrye]51 Heerlykheid van Veenhuizen zoo dat Gedeelte dier Heerlykheid, de Veenhuizer Gronden geheeten mede in deezen Waard leggen. De Dyk aan den Oostkant verder langs de drooggemaakte en de Vrye Heerlykheden Obdam, Hensbroek en de Banne van Urshem. Ten Zuiden van de Waard gaat de Dyk van Banne van Urshem af tot aan die van Ouddorp langs de Bedykte Schermeer , en aan deezen kant is de Ban van Oterleek in den Heer‐Huigenwaard ingetrokken. De Dyk ten Westen van den Heer‐Huigenwaard loopt langs een Gedeelte der Banne van Ouddorp, de Bannen van Sint Pankras, Broek op Langendyk, Zuidscherwoude, Noordscherwoude en Oudkarspel.”52 De ringdijk had een gemiddelde hoogte van 0,25 Ellen +AP. Tussen Veenhuizen en de Heerhugowaard maakt de Groenedijk de scheiding uit.

De eigenaars aan beide kanten van de dijk mochten de dijk gebruiken met de verplichting om deze bij hekken en overritten aan te vullen. Het bestuur van de polder Heerhugowaard had de schouw over de dijk. Het gedeelte van de ringdijk dat tussen de Zuiderwaert en het Berkmeer moest komen te liggen, de Plempdijk [III‐002a], is in het water opgeworpen. De dijk werd voorheen ook wel de Plompdijk genoemd.53

Afb. 23: De ringdijk en –vaart van de polder Heerhugowaard gezien vanaf de Oostdijk. Links van de dijk ligt het lage land van de polder en rechts het hoge water in de ringvaart, dat in plaats van de oorspronkelijke waterboezem voor de afwatering van de polder moet zorgen. 51

Er lijkt sprake van een typefout, omdat Veenhuizen geen vrije heerlijkheid was, maar bezit was van adellijke families. Wellicht dat het in deze periode anders was, maar daar gaat dit onderzoek niet verder op in. 52 Tirion, 1750, 406‐409 53 De Vries, 1864, 513‐517

40

De zuidelijke dijk, die de Nieuwe Huigendijk [III‐003a] werd genoemd, is evenwijdig gelegd aan de Oude Huigendijk [zie II‐002a] en daarvan door de ringvaart gescheiden. De Oude Huigendijk is tegenwoordig de noordelijke dijk van de Schermer. Op de Nieuwe Huigendijk werd door de provincie Noord‐Holland in 1846 een schelpweg aangelegd. Met uitzondering van de Veenhuizeromloopdijk en de “kunstweg” op de Nieuwe Huigendijk werd de gehele ringdijk door de polder Heerhugowaard onderhouden.54 Met het grondverzet om de ringdijk op te hogen werd tegelijkertijd een ringvaart [III‐004a] gegraven. In deze vaart moesten de molens het boezemwater pompen. De ringvaart ligt – net als de ringdijk – boven het maaiveld. De waterbuffer die nodig was voor de afvoer zorgde ervoor dat het water hoog boven het maaiveld uitkwam. Vaak lag de ringvaart dan ook ingeklemd tussen twee dijken. Molens Een van de eerste polders van Heerhugowaard was de Veenhuizerpolder. Deze was al ingepolderd voordat de Heerhugowaard werd drooggelegd. Langs de oost‐ en zuidzijde van de Veenhuizerpolder, aan de Langereis, staan nog steeds de restanten van deze vroege en aangrenzende inpolderingen, namelijk drie molens, alle drie met riet gedekte achtkantige poldermolens op een met hout beklede voet.

Het gaat om de “Veenhuizer” uit 1603 (Veenhuizerkade 3) [III‐042a], een molen ter plekke van de vroegere Berkmeermolen (Berkmeerdijk 8) welke komt uit de Wogmeerpolder (gebouwd circa 1608, maar aan de Berkmeer geplaatst in 1863), en molen De Vier Winden (Langereis 2) uit 1891, welke de polder de Lage Hoek bemaalde.55 De drie molens vormen tot op de dag van vandaag een belangrijke landschappelijke eenheid en dragen nog steeds bij aan het droogmalen van het omliggende gebied. Van de drie molens behoort alleen de “Veenhuizer” tot de gemeente Heerhugowaard. Deze heeft de status van rijksmonument.

Afb. 24: De “Veenhuizer” uit 1603, op deze foto gezien vanaf de andere kant van de ringvaart, is de enige molen die nog op het grondgebied van de gemeente Heerhugowaard staat. Oorspronkelijk waren alleen voor het drooghouden van de Heerhugowaard al 47 molens nodig.

54 55

De Vries, 1864, 513‐517 Noord‐Hollandse Molenfederatie, 2007

41

De vrij diepe Heerhugowaard, met een waterpeil variërend van 2,40 tot 3,82 ‐AP, kon met behulp van een drietrapsbemaling worden drooggemalen. Het noorden viel in 1630 door de ondiepere ligging eerder droog dan het dieper gelegen zuiden.56 Strijkmolens bij Rustenburg, Oudorp en bij Alkmaar aan de Hoornse Vaart zorgden ervoor dat het water behalve normale lozing via de Langereis bij een te hoge waterstand ook nog op de Schermerboezem gemalen kon worden. Deze strijkmolens waren een vierde trap in de bemaling.57

Afb. 25: Om het hoogteverschil te overwinnen werden twee, drie of vier molens achter elkaar geplaatst, die het water steeds een stukje hoger maalden. Het water werd uiteindelijk via schutsluizen op het buitenwater geloosd. Deze afbeelding laat de situatie van 1871 zien.

De kosten van de bemaling zijn uiteindelijk veel hoger geworden dan was begroot. In de begroting werd slechts rekening gehouden met 18 molens, waar in werkelijkheid 33 poldermolens nodig waren. Daarnaast moesten er nog 12 strijkmolens worden gebouwd. Deze 27 extra molens vertegenwoordigden een post van 135.000 gulden.58 De polder Heerhugowaard heeft door de eeuwen heen een afnemend aantal molens gehad en een aantal molens werd verplaatst. Van de 47 molens in 1633 waren er in de laatste fase van de windbemaling in 1871 nog 37 over. Dat waren 10 ondermolens [III‐005v t/m III‐014v], 5 middenmolens [III‐015v t/m III‐019v], 11 bovenmolens [III‐020v t/m 030v] en 11 strijkmolens [III‐031a t/m III‐041a]. Met de verdwenen molens en de molens die in de buurt van de Heerhugowaard lagen [III‐042a t/m III‐089v] en vaak ook afwaterden op de ringvaart kwam het totaal aantal molens op minimaal 85 molens. Daarvan lagen er 33 op het huidige grondgebied van de gemeente Heerhugowaard, waarvan alleen de Veenhuizermolen nog over is. Echter veel molens die buiten de huidige gemeentegrenzen lagen hoorden wel bij de polder Heerhugowaard, zoals bijvoorbeeld de strijkmolens. Van deze strijkmolens zijn er nog acht over: drie bij Rustenburg, één bij Oudorp en vier bij Zeswielen Alkmaar. Daarnaast betaalden veel molens jaarlijks een bedrag aan de polder om op de ringvaart te mogen uitwateren. 56

Komen, 2001, 51 Devilee, 1994, 9; Dil, 1987, 4; Zie voor een uitgebreide tekst over de molens van de Heerhugowaard de publicaties van Schilstra, 1981, 34‐67, Noord‐Hollandse Molenfederatie, 2007, 58 Dil, 1987, 17 57

42

Vanaf 1876 nam het aantal molens in de Heerhugowaard in een snel tempo af, doordat de molens vervangen werden door het stoomgemaal dat aan de Huigendijk kwam te staan. Alleen het aantal strijkmolens bleef gelijk, omdat deze nog op de Schermer af moesten wateren.59 De elf strijkmolens werden in 1934 buiten dienst gesteld door de kanalisatie van West‐Friesland. Acht strijkmolens werden door de provincie Noord‐Holland in eigendom overgenomen en de drie bij Oudorp werden gesloopt. De molens bij Rustenburg zijn in 2000 in eigendom overgedragen aan de Stichting Schermer Molens en bij Alkmaar aan de Molenstichting Alkmaar.60

Afb. 26: Deze staat uit 1864 maakt het aantal molens en hun specificaties per onderpolder inzichtelijk. Het aantal molens varieerde door de eeuwen heen, alhoewel daar wel een dalende trend in te herkennen is van 47 molens in 1635 tot 11 molens in 1910. 59 60

Devilee, 1994, 9‐10 Kooiman, 1936, 775; Mededeling van H.E. Komen op 21 mei 2012.

43

3.3 Onderpolders in de Heerhugowaard Onderpolders Binnen de ringvaart was de polder verdeeld in veertien onderpolders [III‐091v t/m III‐102v], die onderling in hoogte van waterstand verschilden en van elkaar waren gescheiden door binnendijken of dammen. De onderpolders moesten op een bepaalde hoogte worden gehouden, zodat het water van de hoger gelegen bemalingen niet in de lagere kon aflopen. Door duikers waren alle delen van de polder met elkaar verbonden. Door inlaatduikers kon water worden ingelaten. De grenzen varieerden door de tijd, omdat steeds weer geëxperimenteerd werd met leggen van dammen, binnendijken en molens.61 De ontginners hadden namelijk beperkt overzicht welke gronden uiteindelijk boven water kwamen te liggen en hoe de getrapte bemaling het beste opgesteld kon worden. Voordat de beste opstelling gevonden was waren al veel dammen, dijken en molens verplaatst.62 Hierdoor hadden vooral de Rustenburgpolder en de Oostertochtpolder ten zuidwesten van de Middelweg voortdurend wateroverlast. Het peil waarop de bemalingen in 1936 worden gehouden is voor de verschillende onderpolders als volgt:63         

Broekhorn Kilpolder met een gedeelte van Broekhorn en Rustenburg (hoog) Pannekeet Amerswiel Veenhuizen (hoog) Veenhuizen (laag) Middelpolder en Berkmeerdijk Rustenburg (laag) Oostertocht

3.66 meter ‐NAP 3.46 meter ‐NAP 3.00 meter ‐NAP 2.70 meter ‐NAP 2.88 meter ‐NAP 3.05 meter ‐NAP 3.31 meter ‐NAP 3.64 meter ‐NAP 3.72 meter ‐NAP

Binnen de ringdijk van de Heerhugowaard lagen nog vijf polders, namelijk de polder Oterleek, de Zuid‐Scharwouderpolder, de Noord‐Scharwouderpolder, de Smuigelpolder en de polder Veenhuizen. Deze bestonden uit oud land dat vroeger in of langs de Zuiderwaert lag. Elke polder had zijn eigen polderbestuur.64 De Zuid‐Scharwouderpolder had geen eigen bemaling, maar loosde zijn water door een duiker op de Heerhugowaard. De polder had door middel van een duiker in de ringdijk gelegenheid om in tijd van droogte water uit de ringvaart in te laten. Voor de bemaling werden geen kosten aan de Heerhugowaard vergoed. Het peil bedroeg 1.50 meter –NAP. De polderlasten werden geïnd door de banne Zuid‐Scharwoude, dat ten westen van de polder Heerhugowaard ligt. De Zuid‐ Scharwouderpolder trok verder baten uit verpachting van viswater en een paar rietvelden. Het zomerpeil van de Noord‐Scharwoudepolder was 1.35 ‐NAP. In de ringdijk lag een schutsluis, die vanaf de ringvaart toegang gaf tot de Noord‐Scharwouderpolder.65 De Smuigelpolder had oorspronkelijk 12 ha buitendijks land, maar deze werden na de indijking als vroegere druiplanden alsnog tot de Smuigelpolder gerekend. Bemaling had de polder niet, doordat deze zijn water met een overlaat ‐ van 1.80 meter breed ‐ loosde op de polder Heerhugowaard.

Een schutsluis in de ringdijk van de Heerhugowaard gaf de gelegenheid om uit de ringvaart de sloten van de Smuigelpolder binnen te varen en kon tevens dienen als waterinlaat.66 61

Op de relictenkaart zijn de laatst bekende onderpolders opgenomen, zoals deze op de kaartbijlage van Kooiman in 1936 zijn weergegeven. Schilstra, 1981, 38 neemt bijvoorbeeld een andere periode en daarmee een net iets andere indeling. 62 Uit de literatuur wordt niet duidelijk hoe de transformatie van de onderpolders met hun dammen, binnendijken en molens door de eeuwen heen verliep en welke relicten daarvan nog in het landschap te vinden zijn. Zie Komen, 1994. 63 De Vries, 1864, 513‐517; Kooiman, 1936, 776‐777; Schilstra, 1981, 35 64 De Vries, 1864, 513‐517; de polder Oterleek ligt tegenwoordig buiten de gemeentegrenzen van Heerhugowaard. 65 Kooiman, 1936, 782‐783 66 Kooiman, 1936, 781 en 783

44

Afb. 27: De kaartbijlage bij de derde druk van De zeeweringen en waterschappen van Noordholland van D. Kooiman uit 1936 laat de onderpolders van de polder Heerhugowaard zien met een schaal van 1:100.000. De kaart geeft per polder aan wat het zomerpeil ten opzichte van NAP in die tijd was. De grenzen van de onderpolders liepen gedeeltelijk gelijk met de oude gemeentegrenzen.

45

Afb. 28: Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) komt de noordzuidelijke afhelling van de polder Heerhugowaard goed naar voren. In het noorden is de hoogte overwegend hoog (geel tot bruin) met het oude land van Veenhuizen als uitschieter (bruin). In het zuiden is de hoogte gemiddeld een meter lager (blauw) met als uitzondering het land van Oterleek (geel).

46

3.4 Inrichting met wegen, tochten en verkaveling Nadat de polder in 1631 was drooggevallen na aanleg van een ringdijk‐ en vaart, molens en onderpolders kon de inrichting van het nieuwe land beginnen. Het duurde echter nog een aantal jaar voordat daadwerkelijk het land bebouwd kon worden in de polder. Wegen De polder Heerhugowaard heeft – net als de meeste droogmakerijen – een rationeel, rechthoekig wegenpatroon. De enige weg die niet rationeel en rechtlijnig is aangelegd is de weg die bovenop de ringdijk van de polder Heerhugowaard loopt [zie III‐001a en‐v], omdat deze grofweg de loop van de Zuiderwaert volgde. De weg heeft verschillende benamingen, waaronder de Westerweg, de Waarddijk, de Oostdijk en de Berkmeerdijk, en loopt rondom de Heerhugowaard, Oterleek en Veenhuizen. Langs de ringdijk werden op onregelmatige afstand boerderijen neergezet. Het rationele wegenpatroon van de polder Heerhugowaard sluit aan op de weg die op de ringdijk ligt. De belangrijkste weg in het rationele wegenpatroon was de Middenweg [III‐103a en ‐v]. De weg lag midden in polder en werd over de volle lengte van de droogmakerij aangelegd. Ongeveer halverwege maakt deze weg een knik van ongeveer 45 graden, waardoor de weg op de uiterste zuidwesthoek van de droogmakerij en daarmee op de stad Alkmaar geprojecteerd werd.67 Tot 1850 was de Middenweg de belangrijkste verbindingsweg in de Heerhugowaard.

De Middenweg was de belangrijkste weg om boerderijen neer te zetten.

Afb. 29: Dwars door de polder liep de Middenweg – op deze kaart van Blaeu uit 1642 de Middel Wech genoemd – die halverwege de polder met een knik van ongeveer 45 graden afboog richting de stad Alkmaar. De kaart is op het westen georiënteerd. 67

Devilee, 1994, 9‐10, 13

47

Ten oosten en westen van de Middenweg werd haaks een achttal ontsluitingswegen aangelegd, van waaruit de polder de dorpen in de omgeving konden bereiken. Zo lag in het westen de Weg in Amerswiel [III‐104a en ‐v] (de huidige Laanderweg en de N242) om voor een ontsluiting richting Noord‐Scharwoude te zorgen. Ten zuiden daarvan lag de Bosweg [III‐105a] (de huidige Hasselaarsweg), die naar Zuid‐Scharwoude liep. De eilanden van het dorp Zuid‐Scharwoude mochten wel ingepolderd worden, maar niet droog komen te liggen. Om dat te voorkomen, moesten de inpolderaars om die eilanden een ringdijk leggen. Aan de noordzijde werd dat een dijk die liep vanaf de Westdijk naar de toen bestaande boerderij Het Hasselaarshuis (Hasselaarsweg 15). Deze lag op de uiterste oostrand van de eilanden van Zuid‐Scharwoude. Op die dijk kwam een weg te liggen die Bosweg werd genoemd. Het westelijk deel ervan is een plempdijk. Nu kennen we die weg als de Hasselaarsweg. Deze weg is dus niet primair aangelegd als toegangsweg naar de Langedijk, maar als een afsluitdijk aan de noordzijde van de binnengepolderde eilanden van Zuid‐Scharwoude. Daarom slingert het westelijk deel van de Hasselaarsweg enigszins.

Later is de weg doorgetrokken in rechte lijn naar de Middenweg.68 Daaronder lag een onbekende, naamloze weg [III‐106v], waarvan de vraag is of deze ooit is aangelegd of wellicht een marginale rol heeft gespeeld in de ontsluiting van de Heerhugowaard. Ten zuidwesten van de knik in de Middenweg lag de Broekerweg [III‐107a] (de huidige Stationsweg), die tegenwoordig midden in het stedelijk gebied van Heerhugowaard ligt. In het oosten werden twee, aan de Middenweg parallel lopende, wegen aangelegd, namelijk de Veenhuizer Middelweg [III‐108a] (de huidige Veenhuizerweg) en de Hensbroekerweg [III‐109a] (de huidige Jan Glijnisweg). Langs beide wegen werden boerderijen neergezet. De boerderijen stonden daarmee langs alle drie de noordzuid‐lopende ontginningsassen in de polder en langs de ringdijk. De dwarswegen hadden nauwelijks bebouwing in de eerste eeuwen van de polder Heerhugowaard. De Hensbroekerweg liep in het noordoosten om het druipland ‘t Groote Bos heen en sloot in het zuidoosten aan op Oterleek met de Oterlekerweg [III‐130a] en de Groeneweg [III‐129a]. De Rustenburgerweg [III‐110a] liep vanaf de Middenweg richting Rustenburg en kruiste daarbij de Hensbroekerweg. Vandaar dat het eerste gedeelte ook wel de Kruisweg werd genoemd. Pas later ontstond daar de buurschap ’t Kruis.

Verbinding met Hensbroek was er via de Korte Weg [III‐111a], dat om het druipland van de gemeente Hensbroek heen moest lopen en dus één van de weinige wegen is die niet recht loopt. Ten noorden daarvan liepen de Van Veenweg [III‐112a] en de Molenweg [III‐113a]. De Sappewerfweg [III‐114a en ‐v] (de huidige Donkere Weg), dat om het druipland Sappewerf heen moest worden gelegd, zorgde voor een verbinding van de Middenweg richting Veenhuizen. Het middelste gedeelte van de weg is al voor de negentiende eeuw rechtgetrokken. Na de inpoldering werd de Kerkweg [III‐115a] doorgetrokken naar de Veenhuizer Middelweg. Het stukje tussen Groenedijk en de Veenhuizer Middelweg werd in de beginjaren nog Clamweg genoemd. De wegen waren vaak, vooral in de winter, onbegaanbaar. Het verkeer ging daarom voornamelijk langs de waterwegen. De voetpaden waren vaak glibberig en soms voorzien van aan elkaar gelegde planken. Soms stond het water zo hoog op het land dat de boer zijn vee op de dijk moest jagen en het veldgewas verloren ging. Zelfs de voornaamste weg van de polder, de Middenweg, was in de wintermaanden niet berijd‐ en begaanbaar. Het voetpad erlangs was wellicht nog de beste verbinding, doordat met het leggen van planken de voeten redelijk droog gehouden konden worden.

Tot ver in de negentiende eeuw ging vrijwel al het vervoer dan ook over het water en ging men zondags per boot naar de kerken, die buiten de polder lagen. Pas na 1850, toen zand‐, schulp‐, grint‐

68

Komen, 2011, 252

48

en straatwegen kwamen, werd het wegverkeer steeds belangrijker. Daardoor verdween op den duur het schuitenvervoer en werden geleidelijk vele bruggen door dammen vervangen.69

Afb. 30: De vier kilometer lange Rustenburgerweg, op deze foto vanaf de ringdijk richting de Heerhugowaard genomen, is één van de rationeel aangelegde wegen in de polder Heerhugowaard. Na twee kilometer zit er een lichte knik in de weg om daardoor haaks op de Middenweg uit te komen. Vijfhonderd meter verder wordt de huidige Jan Glijnisweg gekruist, waarna de Rustenburgerweg als de Kruisweg verder ging.

Het octrooi van 1631 noemt het recht van eigenaren om bomen te mogen planten langs hun gedeelte van de weg. Maar wel tot 60 roe vanaf de molens, die volgens een keur uit het windrecht vrij op de wind moesten staan. Bij het planten én bij het rooien werd een heffing van één gulden per boom opgelegd. In 1841 gold nog steeds het recht van planten van bomen langs de wegen door de rechthebbende landeigenaren. De afstand van 60 roe, gerekend vanaf de molens waarbinnen geen bebouwing en geen bomen mochten staan, werd nog altijd gehandhaafd. Bomen moesten van een hoogopgaande soort zijn, dus geen knotwilgen of korthout zijn. Ook mochten er geen bomen langs bestaande bossen worden gebouwd. Langs de dwarswegen mochten alleen bomen worden geplant aan de noordkant, om zo overbodige schaduw op de toch al slechte wegen te voorkomen. In 1885 vervalt het recht van planten van bomen langs de wegen. Vanaf dat jaar gaat de polder het zelf doen. In 1887 werden er maar liefst 3000 stuks iepen besteld voor de Middenweg, Basseweg, Rustenburgerweg en de Jan Glijnisweg. Als in 1928 de iepenziekte opkomt worden langs de Middenweg om en om iepen uitgekapt; in totaal 254 stuks. Het bomenbestand langs de wegen kreeg vervolgens in de Tweede Wereldoorlog de genadeklap uitgedeeld.

Door het gebrek aan brandstof werden veel bomen gekapt.70 In 1809 wordt de Huigendijk bepuind, omdat deze weg een militaire doorgangsfunctie had en daarmee een bovenlokale betekenis had. In 1813 was er weer een aanbesteding voor de bepuining van de Huigendijk waarin te kennen wordt gegeven dat “de verbetering zal bestaan in de verhooging en gelijkmaking der aarde kaai, en de bepuining met afbraak ter breedte van 2 ½ meters midden dezer weg”. Na de Huigendijk werd in 1854 de Middenweg een straatweg. Uiteindelijk zal de 69 70

Schilstra, 1981, 22, 33, 106‐109 Schilstra, 1981, 22, 110‐111

49

bestrating bijna 110.000 gulden kostten. Aan het begin van de twintigste eeuw zijn de overige wegen bestraat of begrint.71 Met uitzondering van de Veenhuizer Omloopdijk en de kunstweg op de Huigendijk was de gehele ringdijk voor rekening van de polder. Vanaf 1900 werd voor de overige wegen een afzonderlijke rekening aangehouden en een afzonderlijke omslag geheven. De gehele polder moest daaraan mee betalen, dus ook de druiplanden die voor de bemaling vaak een grotendeelse vrijstelling kregen. In 1933 bedroeg de totale uitgave aan onderhoud van de wegen bijna 39.000 gulden, waarvan de gemeente 4.500 gulden voor haar rekening nam. De belastbare oppervlakte van de polder bedroeg 3365 ha. De kosten per ha voor het wegenonderhoud kwamen daarmee dus neer op ongeveer tien gulden per ha. De polder rekende daarvan acht gulden per ha door aan de eindgebruikers.72

Afb. 31: De gemeentekaart van J. Kuijper uit 1868 heeft een schaal van 1:75.000 en laat ‐ in deze uitsnede van het zuidelijke deel van de polder – de doorgaande wegen en de spoorlijnen zien, waaronder de Middenweg, de Hensbroekerweg, de Rustenburgerweg, de Boterweg en de Molenweg. De kaart geeft verder aan dat de gemeente Heerhugowaard destijds uit 3783 bunders en 2000 inwoners bestond.

71

Schilstra, 1981, 100, 155‐156; Anoniem, ‘[Geen titel]’, in: Staatkundig dagblad van het Departement der Zuiderzee, 22 juli 1813, 7 72 Kooiman, 1936, 775 en 778

50

Tochten Aan weerszijden van de Middenweg, evenwijdig en op een gelijke afstand van bijna achthonderd meter daaraan, werden twee hoofdtochten of ‐vaarten gegraven: de Wester‐ en Oostertochtsloot [resp. III‐116a en –v en III‐117a]. De Oostertocht loopt niet helemaal door tot aan de noordelijke ringdijk, maar werd afgebroken ten hoogte van de Veenhuizergronden, die niet in het bezit van de polder waren, maar oorspronkelijk bij Veenhuizen hoorde. Van daaruit werd in oostelijke richting langs de Molenweg afgewaterd. In eerste instantie op het Berkmeer en later – toen ook het Berkmeer ingepolderd was – op de ringvaart. Het water uit de polder werd via kavelsloten, wegsloten, acht dwarstochten en één verticale sloot [III‐118a t/m III‐126v] en de Wester‐ en Oostertochtsloot uiteindelijk in de ringvaart gebracht. De tochtsloten waren voor rekening van de polder. De kavelsloten, als grens en voor afwatering, voor rekening van de eigenaren.73 In het westelijke gedeelte van de polder werd door twee molengangen uitgewaterd op de ringvaart, namelijk één via een naamloze tocht bij Zuid‐Scharwoude en één via de Molentocht bij de Vlaerding. In het zuiden waterde de Oostertochtsloot via een molengang rechtstreeks op de ringvaart.

Vanaf de Hensbroekerweg (de huidige Jan Glijnisweg) liep een dwarsloot op de grens met Oterleek en deze waterde nabij Rustenburg uit op de ringvaart en kon daar met een vierde trap ook rechtstreeks op het Schermeer – en later op de ringvaart van de Schermer – uitwateren. Bij Veenhuizen en ten zuiden van Veenhuizen liepen twee dwarssloten die tevens met molengangen op resp. het Berkmeer en de ringvaart afwaterden. De laatste molengang lag in het noorden in verlengde van de Middenweg.

Afb. 32: Op de kruising van de Plempdijk en de oude Groenedijk ligt een relict van een dwarstocht die oorspronkelijk in verbinding stond met het water dat vanaf de Middenweg kwam. Op deze plek stond een molengang waar het water uit twee dwarssloten de polder werd uitgemalen. In eerste instantie werd het water op het Berkmeer gemalen en – nadat deze ook ingepolderd was – later op de ringvaart.

73

Schilstra, 1981, 12

51

Verkaveling Het verkavelingspatroon van de Heerhugowaard is voor het eerst te zien op de verkavelingskaarten uit 1631. De polder Heerhugowaard vertoont het typische rationele en geometrische karakter van een droogmakerijverkaveling. De rechthoekige kavels [III‐127a en ‐v] staan in het algemeen dwars op de hoofdlijnen van het wegenpatroon. Bij de verkaveling werd de polder van west naar oost ingedeeld in vijf evenwijdig gelegen vakken die van noord naar zuid liepen. Elk vak kreeg een letter en ten westen van de Westertochtsloot lagen de letters A en B, tussen de Westertochtsloot en de Middenweg lag letter C, tussen de Middenweg en de Oostertocht lag letter D, tussen de Oostertocht en de Hensbroekerweg (de huidige Jan Glijnisweg) lag letter E. In het zuidoosten lagen tussen de Hensbroekerweg en Rustenburg nog drie vakken met de letters F, G en H. Deze waren echter niet noord‐zuid georiënteerd. De kavels in de vakken werden in cijfers onderverdeeld. Op de verkavelingskaart van Metius, Claess, et al stond het als volgt uitgelegd: “[Elke kavel] leggende onder sijn letter A, B, C, met de no van 1, 2, 3. Soo in ijder parck [vak] geteykent staet, en bij lotinghe elck het sijn ontfanghen heeft, op de 20 Iunijus [juni] Anno 1631. Aldus gecavelt ende gemeten, bij dees ondergheschreven geadmiteerde Lantmeters [in 1631].”74

Afb. 33: Op deze uitsnede van de verkavelingskaart van de Heerhugowaard uit 1631 is de langwerpige vakindeling en de nummering van de kavels goed te zien. De kavels staan haaks op de tochten en wegen. De kavellengte ligt meestal tussen 750 en 800 meter en de breedte varieert van 150 tot 200 meter.

Niet alle vakken hadden evenveel kavels, maar hadden zoveel kavels als het vak lang was. Dat betekende dat de vakken het volgende aantal kavelnummers hadden:   

    

74

A B C D E F G H

4 kavels 25 kavels 51 kavels 55 kavels 41 kavels 13 kavels 5 kavels 6 kavels

Cartouchebijschrift op de verkavelingskaart van Metius, Claess, et al uit 1631

52

Het ging erom dat elke kavel even groot was als de andere kavel, zodat bij verloting iedereen evenveel oppervlakte grond kreeg. Men probeerde de oppervlakte van alle kavels even groot te laten zijn. Hierdoor kregen de restkavels aan de randen van de polder afwijkende maten.75 Een aparte verkaveling was die van de Veenhuizergronden [III‐128a] dat door Veenhuizen werd ingelijfd. Deze hoorden niet bij de polder Heerhugowaard, omdat Veenhuizen de gronden tussen de druiplanden van Groot Geldebos, Paerdebos en Sappewerf claimde. Het water tussen de druiplanden en Veenhuizen stond voor de inpoldering dan ook wel bekend als de Veenhuizerwaert. De bestuurders van de polder Veenhuizen verkavelden dan ook zelf de Veenhuizer Gronden. Op de cartouche van de kaart van Visser staat het volgende vermeld over de 21 kavels in de Veenhuizergronden: “De Veenhyser gronden daer onder Geleghen, sijn mede verdeelt en geloot aen stucken van 15 morgens, Rynlandts maet van 600 int Morghen, gemeten ter halver weghen en Slooten; mede gheloot op den 20 Junij Anno 1631 […]”76

Afb. 34: De Veenhuizergronden waren een aparte verkaveling binnen polder Heerhugowaard en hoorden niet bij de polder zelf maar bij de banne van Veenhuizen. Deze ingepolderde gronden bleven ook nadat Nederland in gemeenten werd opgedeeld bij Veenhuizen horen.

75 76

Mededeling van H.E. Komen op 21 mei 2012. Cartouchebijschrift op de verkavelingskaart van Visser uit 1631.

53

3.5 Eerste bebouwing in de Heerhugowaard (1631‐1850) door Anita van Breugel

De eerste boerderijen ontstaan verspreid langs de ontwikkelingsassen van de Middenweg en Hensbroekerweg (nu Jan Glijnisweg). De boerderijen hadden door de rationele aanleg van de kavels, zowel over de wegsloot als over de tochten aan de achterzijde van de percelen, de mogelijkheid om producten efficiënt over water af en aan te voeren. Op de kaart van Uitwaterende Sluizen van 1680 is te zien dat er in die periode al een flink aantal huisplaatsen langs de Middenweg gebouwd is, alsmede aan de westzijde van de Hensbroekerweg. In 1799 wordt het aantal huizen in de eerste helft van de achttiende eeuw duidelijk: “[Zestig jaar geleden, in 1740] telde men 116 huizen in den Waard, welke zeventien jaren laater [rond 1757], op 109 verminderd waren.”77 Wat voor boerderijen dat zijn geweest is in een advertentie uit 1776 te lezen, waarin “een kapitale, hegte, sterke en voor weinig Jaaren nieuw getimmerde Huismans Wooning, Stal en Kapberg, genaamt Waartwyk, met omtrent 30 Morgen, zoo Wei als Zaad‐land, gelegen in de Heer Huygenwaardt” werd aangeboden.78 Het aantal inwoners in de Heerhugowaard is bekend uit de negentiende eeuw.

In 1805 wonen 854 zielen in de polder, waarvan 337 protestant, 477 rooms‐katholiek en 6 doopsgezind.79 In 1844 telt de gemeente Heerhugowaard 162 huizen, bewoond door 192 huisgezinnen, ”uitmakende eene bevolking van ruim 900 inwoners, die meest hun bestaan vinden in de kaasmakerij”.80 In de polder Heerhugowaard werden boerderijen van het type stolp gebouwd. De typische piramidale vorm van de stolp is ontstaan door de wens tot bescherming van de hooiopslag tegen weer en wind. In de open, winderige en lege gebieden van de droogmakerijen werd de centrale hooiopslag om die reden omtimmerd en werden er en rondom ruimtes voor mens en dier gemaakt. De twee meest voorkomende typen zijn de Noord‐Hollandse stolp en de West‐Friese stolp. De Noord‐Hollandse is piramidaal van hoofdvorm, (bijna) vierkant van plattegrond, het woongedeelte bevindt zich aan de wegzijde en de darsdeuren bevinden zich aan de achterzijde. De hoofdvorm van de West‐Friese stolp is niet geheel piramidaal; er zit een staartstuk of uitbouw aan, de darsdeuren bevinden zich aan de weg en het woongedeelte bevindt zich voor en opzij.81 In Heerhugowaard is het merendeel van de boerderijen van het Noord‐Hollandse type.

Nog aanwezige bebouwing uit de vroege inpolderingsfase Enkele zeventiende en achttiende eeuwse stolpen met authentieke kenmerken uit de vroege inpolderingsfase is Heerhugowaard nog rijk, zoals de Middenweg 22 (Leeuwenhof), Middenweg 23, en Jan Glijnisweg 27a. Deze bezitten vanwege hun gave karakter en ouderdom de status van rijksmonument.82 Ook al werd gewoonlijk de stolp in de loop van de tijd verbouwd, vaak is de degelijke vierkantconstructie ‐ de basis van de stolp ‐ toch bewaard gebleven. Onderhoud of aanpassingen aan de mode van de tijd leidden er toe, dat de constructief niet met de kern verbonden gevels van een stolp relatief gemakkelijk werden gewijzigd. Van historische vierkantconstructies is (voor zover bekend) nog sprake bij Middenweg 6, 7 en 28 en Middenweg 523 en 584 (met telmerken in de constructie) en Jan Glijnisweg 57.83

77

Kok, 1799, 117 Anoniem, ‘Advertentie’, in: Amsterdamse Courant, 6 februari 1776, 2 79 Schilstra, 1981, 155 80 Van der Aa, 1848, 303 81 Boerderijenstichting Noord‐Holland en Steunpunt Cultureel erfgoed Noord‐Holland, 2001 82 Register rijksmonumenten Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 83 Van der Lee, 1999 78

54

Afb. 35: Aan de Jan Glijnisweg 27a (de oude Hensbroekerweg) staat deze oude stolp op een ruim erf.

Afb. 36: Aan de Middenweg 6, staat een oude stolpboerderij met een getrapte dakspiegel en waarin een oudere kern aanwezig is, dan deze vanaf de buitenkant doet vermoeden.

55

3.6 Grondgebruik in de Heerhugowaard Het algemene beeld is dat de agrarische opbrengsten in nieuw ontstane polders vaak teleurstellend waren, omdat de vruchtbaarheid van de bodem tegenviel. Slechte vruchtbaarheid was meestal niet het enige probleem. Vaak was ook niet voorzien dat het toenmalige systeem van molenbemaling technisch niet instaat was een constant waterpeil te garanderen, een absolute voorwaarde voor akkerbouw. De eerste graanteelt mislukte, doordat de wortels door het te hoge waterpeil wegrotten. Al vrij snel kwam men erachter dat akkerbouw in de droogmakerijen niet mogelijk was en men moest overschakelen op weilanden, die minder kwetsbaar zijn voor hoge waterstanden. Maar aan weilanden was geen gebrek, waardoor de grondprijzen van de droogmakerijen al snel kelderden. Doordat landelijk de prijs van grond zakte kon de grondprijs in de droogmakerijen zich niet meer herstelden.84 Of de vruchtbaarheid van de Heerhugowaard ook aanmerkelijk minder bleek te zijn dan verwacht is niet onomstotelijk vast te stellen. Wel had de polder last had van overwoekering van heermoes. Onder natuurlijke omstandigheden komt heermoes voor als pionier op kale, vochtige zandgronden. Daarnaast komt het voor op omgewerkte, natte en dichtgeslempte gronden. In beide gevallen zijn polders dus een ideaal vestigingsklimaat voor heermoes.

Heermoes schijnt behalve voor dieren ook voor planten giftig te zijn. Vermoedelijk remt of verhinderd het de kieming van grassen in zijn omgeving. Op zichzelf leidt ploegen tot verspreiding van de wortelstokken, maar als het bij herhaling gebeurt kunnen ze niet diep genoeg de grond in dringen en wordt de plant tenslotte uitgeput. De slechte omstandigheden voor akkerbouw en de overwoekering met heermoes maakte de landen onverkoopbaar. In de Heerhugowaard konden de hofsteden nauwelijks in koop opbrengen, wat zij aan betimmering en beplanting gekost hadden. De grondprijs van de graslanden daalde al spoedig tot minder dan éénderde van de prijs van goede, ontwaterde grond, zoals in de Beemster.85 Veeboeren waren het meest afhankelijk van de markt en leenden zich het minst voor aanpassing. Velen konden het in Heerhugowaard niet bolwerken. De wurgende belastingen en polderlasten lieten de schulden dermate hoog oplopen, dat velen geen andere uitweg meer zagen dan het verlaten van de boerderij. Openbare verkopen volgden zonder dat er kopers waren. Het beeld dat uit het polderarchief naar voren komt is dat Heerhugowaard een armenpolder was. Omstreeks 1681 werd er dan ook over nagedacht om aan de Rekenkamer te vragen om de polder weer onder mogen te laten lopen en deze als viswater te gebruiken. Dit verzoek is echter nooit aangevraagd en waarschijnlijk nooit echt de bedoeling geweest.86

84

Mededeling van H.E. Komen op 21 mei 2012; Komen verwijst naar Komen, 2011, 12‐31. Zie verder over dit onderwerp de dissertatie H. van Zwet, Lofwaerdighe dijckagies en miserabele polders. Een financiële analyse van landaanwinningsprojecten in Hollands Noorderkwartier, 1597‐1643, Hilversum 2009, waarin ook de Heerhugowaard wordt behandeld. 85 De Vries, 1876, 424‐425; Dil, 1987, 17; Weeda, et al, 1985, 21‐23; De Vries geeft ook aan dat er unjer en kattestaarten groeiden, maar waarschijnlijk werden hier ook heermoes mee bedoeld. 86 Komen, 2011, 18, 24‐25; Volgens H.E. Komen is het weer onder water zetten van de Heerhugowaard geen serieuze opmerking geweest, maar een opmerking van de bestuurders om te dramatiseren. De negatieve berichtgeving van de bestuurders over de situatie in Heerhugowaard ging jaar op jaar door en geen enkel jaar was financieel goed. Deze negatieve berichtgeving werd echter geschreven door rijke regenten die er baat bij hadden dat de polder van belasting werd vrijgesteld. Diezelfde polderbestuurders zaten tevens in de hogere raden die moesten oordelen over de door henzelf geschreven negatieve verslagen en uiteraard gaven zij zichzelf voortdurend vrijstelling van belastingen.

Komen denkt dan ook dat het met de onvruchtbaarheid in de Heerhugowaard wel mee viel en baseert dit onder andere op de rijke boerenelite die tussen 1750 en 1800 in de Heerhugowaard ontstond en de overschakeling van veeteelt naar tuinbouw, nog voor dat het stoomgemaal gebouwd werd en kunstmest op de markt kwam. Met onvruchtbare gronden hadden deze twee veranderingen niet plaats kunnen vinden. Dat er niets wilde groeien had vooral met de beginperiode van vóór 1670 te maken door de zeer lastig te beheersen waterstand. Heerhugowaard was een moeilijke polder met veel hoogteverschillen, een onregelmatige vorm en meer druiplanden dan in de andere droogmakerijen. Er waren meer molens en voorzieningen nodig dan elders. Volgens Komen had Heerhugowaard daaraan zijn slechte naam te danken.

56

Afb. 37: De bodem van de drooggemaakte Heerhugowaard bestaat grotendeels uit oude zeekleigrond. In het noordelijk deel en ten oosten van het dorp Heerhugowaard bestaat deze uit sterk kleiig zand en sterk zandige klei, ook wel lichte zavel genoemd. Hoe meer zand in de bodem hoe lichter de zavel, hoe meer klei hoe zwaarder de zavel. In het zuidelijk deel is het voornamelijk zware zavel en lichte klei. De bodem van de polder Veenhuizen bestaat uit jonge zeekleigrond met zware zavel en in het zuiden zware klei. Op het eerste gezicht lijkt het daardoor met de onvruchtbaarheid van de polder mee te vallen.

57

Een beschrijving uit 1844 maakt duidelijk hoe men destijds met de bodemomstandigheden omging: “In het zuidelijke deel van dit meer [de Heerhugowaard] bestaan de inwoners meestal van de Noordhollandsche kaasmakerij. In het oostelijke gedeelte vindt men daartoe zelfs best land; doch het noorderdeel, waarvan de grond minder vruchtbaar of met unjer [heermoes] bezet is, bestaat uit bosch‐ en bouwland, tusschen welke eenige weilanden verspreid liggen; terwijl men ten Noorden van de Laanderweg [...] en langs de gemeente van Oude‐Niedorp, uitgestrekte rietvelden […] aantreft.”87 Na droogmaking vond bij een inpoldering bodemdaling plaats door inklinking van de bodem. Afhankelijk van de grondsoort kon deze inklinking 0,5 tot 1,5 meter bedragen. De inklinking was het grootst in de eerste decennia na de drooglegging. Dit had als gevolg dat de sloten en vaarten steeds verdiept moesten worden en een diepere bemaling nodig was. De maaivelddaling hinderde in de beginperiode het ontstaan van een welvarende boerenstand, doordat door de inklinking en de daarmee gepaarde hoge grondwaterstanden geen akkerbouw mogelijk was.

Dit gaf aanleiding tot het ontstaan van de zegswijzen: ”De eerste boer dood, de tweede hongersnood, de derde zijn brood” en “Men wint land voor de derde hand.”.88 Graslanden Doordat men met de molenbemaling technisch niet instaat was een constant waterpeil te garanderen was akkerbouw niet mogelijk in de Heerhugowaard. Men schakelde over op weilanden en de daarbij horende veeteelt. Tot ongeveer 1850 bestond de Heerhugowaard dan ook voor 95 procent uit weiland. Vóór de kunstmest was het verkrijgen van goede weilanden een arbeidsintensief karwei. Dagelijks trok de veeboer er met zijn knechten op uit om ‘stekels te pikken’. Deed de boer dat niet dan stond het weiland vol met heermoes, stekelen en netelen en ander kwalijk onkruid.89 Goed grasland zonder ‘netelen en stekelen’ had dus vooral met de veeboer te maken. Grasland met voor koeien veel schadelijk onkruid was minder waard. Elke veeboer moest tot in de twintigste eeuw ‘stekels pikken’. Goede veeboeren hadden goede weilanden, slechte veeboeren hadden minder waardevolle weilanden. Dat de grondkwaliteit in de Heerhugowaard de schuld van de armoede was hoefde dus zeker niet terecht te zijn.

Zeker is dat er na 1750 goede veeboeren naar Heerhugowaard kwamen die geen last hadden van de zogenaamd slechte grond.90 Naast de arbeidsintensieve graslanden kregen de veeboeren vanaf 1713 een zware tegenvaller; de runderpest, die gedurende acht of negen jaar woedde. In 1718 had de pest alleen al in de Schermer aan meer dan 8000 koeien het leven gekost. In 1744 brak de runderpest opnieuw uit en richtte zij twintig jaar lang verwoestingen aan. De pest kostte in 1754 in de Heerhugowaard aan 4497 stuks vee het leven.91 Bossen In de literatuur over Heerhugowaard komt voortdurend de erbarmelijk slechte staat van de grond naar voren en dat men uit armoede op de slechtste percelen daarom maar bossen aanplantte, maar de vraag is of dat wel zo is geweest. Bij het ontstaan van de bossen in de Heerhugowaard speelde waarschijnlijk niet de slechte gronden, maar de verwaarloosde gronden een grote rol. De graslanden werden door pachters ‐ die door de economische crisis en de extreem hoge lasten failliet gingen ‐ verlaten. Gronden die niet meer bewerkt werden, verruigden snel met elzen, essen en wilgen.92

87

Van der Aa, 1844, 302‐303 Stol, 2005, 87 89 Mededeling van H.E. Komen op 21 mei 2012; Komen heeft zich uitgebreid laten informeren door agrariërs die de praktijk van het veebedrijf van rond 1900 nog kenden of van hun ouders hadden meegekregen. De conclusie was dat in de Heerhugowaard de veeboeren goede weilanden hadden en daar ook een goede veestapel en goede opbrengsten op voort konden brengen. 90 Mededeling van H.E. Komen op 21 mei 2012. 91 De Vries, 1876, 427 92 Komen, 2011, 24‐25 88

58

Uit de zeventiende eeuw zijn geen bronnen bekend van de Heerhugowaardse bossen, maar in de achttiende eeuw worden de bossen met enige regelmaat genoemd. In 1747 werd opgetekend dat de aanplant van een bos een uitgave betekende van 200 gulden per morgen. De eerste vijftien jaar waren er alleen onkosten voor het snoeien en schoonhouden van slingerroos en wilde hop. Daar stond echter een vermindering van belasting tegenover. Uiteindelijk bleef er een ‘matig goed rendement’ per morgen over. Daarnaast waren de bossen een paradijs voor hazenjagers.93 De verkoop van houtpercelen werd vanaf het einde van de achttiende eeuw aangeboden in krantenadvertenties. Zo werd in 1776 een “kapitaal Houtbosch, circa 14 morgen groot” in de Heerhugowaard aangeboden. Enkele jaren later wordt het duidelijk waar deze “houtboschen” uit bestonden. In 1780 werden kavel 45 en 46 van de Heerhugowaard geveild met “22 morgen beplant met Elsen‐ en Essen‐hakhout, […], gelegen aan de Oost‐Zyde van de Middel‐Weg, in de polder D.” Een dergelijk bos bestond dus uit elzen‐ en essenhakhout. In 1783 kwam daar nog wilgenhakhout bij: “een zeer wel aangelegd en voordeelig HOUT‐BOS, bestaande in Esse, Willige, en elsen Hakhout, met deszelfs Bosmans‐Huis, groot ruim 14 Morgen, staande en geleegen aan de Jan Gleynes Weg, in de Heer Hugo Waard, naby Oterleek, genaamd het Oterleeke Bos” ter verkoop aangeboden. 94

Afb. 38: Op deze Bonnekaart, met nummer 245 uit 1880, is in het noorden van de polder Heerhugowaard nog steeds een groot aantal bossen te vinden en dan met name ten zuiden van de Laanderweg, waarvan de N242 tegenwoordig ook een gedeelte van uitmaakt. De rest van de bossen ligt door de polder verspreid.

Hoeveel bos er destijds aanwezig was is niet met zekerheid te zeggen, maar wel bekend is dat na de inval van de Engelsen en Russen in 1799 tweederde van de houtstapel doodvroor, omdat de polder 93

Schilstra, 1981, 110 Anoniem, ‘Advertentie’, in: Amsterdamse Courant, 6 februari 1776, 2 en 19 december 1780, 2; Anoniem, ‘Advertentie’, in: Oprechte Haarlemse Courant, 27 november 1783, 2, 15 september 1798, 4 en 29 december 1829, 7

94

59

onder water was gezet. In de negentiende eeuw bestond een kwart van de Heerhugowaard uit bossen. In 1808 was er 700 ha bos aanwezig in de polder Heerhugowaard. In 1841 was dat afgenomen tot 585 ha in de polder Heerhugowaard en 58 ha in Veenhuizen.95 De bossen werden voornamelijk omgezet in tuinbouwgrond. Interessant is echter dat de succesvolle overschakeling van bossen naar tuinbouw in Heerhugowaard niet mogelijk zou zijn geweest als de grond onvruchtbaar was. Verschillende bossen waren dan ook niet uit armoede ontstaan, maar bijvoorbeeld uit voormalige wandelbossen bij hofsteden, aangelegd door rijke kooplieden‐regenten uit de stad.96 Kadastraal onderzoek van meer dan 370 boerderijen (dat betreft 95% van de bebouwing in Heerhugowaard tot 1900) toont aan dat de houtkap al rond 1850 begon. Nog voor de landbouwcrisis van 1880 en ver voor de invoering van de kunstmest. De allerlaatste bossen werden in de periode 1930‐1940 met subsidie van de gemeente alsnog gerooid. In 1942 was er geen bos meer te vinden in zowel de Heerhugowaard als Veenhuizen. 97 Tuinbouwgrond en akkerbouw In de periode tussen 1850 en 1940 ging men in het noorden van de Heerhugowaard steeds meer over op tuinbouw. De exporten van tuinbouwproducten naar Engeland en Duitsland bleven groeien en ook de binnenlandse markt ontwikkelde zich goed.

Het gevolg hiervan was dat er al vóór 1870 een grotere vraag ontstond naar grond voor de tuinbouw, ook in Heerhugowaard. Op de onroerend goedmarkt zien we dat grote veebedrijven met dertig tot veertig hectare land verkocht werden in kleine percelen aan een grote groep gegadigden. Er was een groeiende vraag naar kleine percelen die door een enkele tuinder bewerkt kon worden. De bevolking was toegenomen en percelen voor de tuinbouw boden meer werkgelegenheid per hectare grond dan grote veebedrijven.98

Afb. 39: Op deze Bonnekaart, met nummer 245 uit 1922, zijn de bossen verdwenen en in gebruik genomen als tuinbouwgrond en voornamelijk akkerbouw. De tuinbouwgrond is te herkennen aan de kleine percelen en lagen in de uitloop van de tuinbouwgronden van Noord‐ en Zuidscharwoude op de oude druiplanden. 95

Schilstra, 1981, 110; Devilee, 1994, 11; Mededeling van H.E. Komen op 21 mei 2012 Mededeling van H.E. Komen op 21 mei 2012 97 Mededeling van H.E. Komen op 21 mei 2012; Komen, 2011, 24‐25 98 Komen, 2011, 24‐25 96

60

Door de grote vraag naar tuinbouwgrond werd het lonend om de vele bossen in Heerhugowaard te kappen. Menig speculant kocht een bosperceel, kapte het bos, bouwde er een stolpboerderij en verkocht deze vervolgens. Daarnaast stapten veel veeboeren, die door de crisis failliet waren gegaan, over op tuinbouw en een groot areaal aan weiland werd gescheurd.99

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=b85facb4-6853-4b3d-89ae-d61a98e5d1b3