Bijlage Besluit bouwwerken leefomgeving werkversie
Tekst van het document
(uitvoering van aanbevelingen bij het energielabel) Een overheidsinstantie voert voor een gebouw of gedeelte daarvan, dat in haar eigendom is, de in artikel 6.29, eerste lid, bedoelde aanbevelingen uit binnen de geldigheidsperiode van het energielabel. Artikel 3.86. (afbakening maatwerkvoorschriften maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik) Een maatwerkvoorschrift over artikel 3.84 kan alleen inhouden het toestaan van een gefaseerde uitvoering van de in artikel 3.84, eerste lid, bedoelde maatregelen. Artikel 3.86a (opwekking zonne-energie) 1. Een gebouw met een gebruiksoppervlakte van meer dan 2.000 m² (750 m2 per 01-01-2029; 250 m2 per 01-01-2031), dat eigendom is van een overheidsinstantie, voldoet aan een minimumwaarde voor zonne-energie, opgewekt op het gebouw, van 10 x (Aroof/Ag;tot) kWh/m².jr, bepaald volgens NTA 8800, waarbij Aroof/Ag;tot ten hoogste 1,0 is. 2. Aan het eerste lid wordt ook voldaan als: a. de zonne-energie op een bijbehorend bouwwerk wordt opgewekt; of b. in plaats van zonne-energie een andere hernieuwbare energiebron wordt gebruikt. 3. Het eerste is niet van toepassing op: a. een gebouw dat is aangesloten of aantoonbaar binnen drie jaar na het van toepassing worden van de eis, bedoeld in het eerste lid, wordt aangesloten op een warmtenet als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet; b.
een gebouw, voor zover het als gevolg van locatiegebonden omstandigheden of bouwtechnische belemmeringen niet mogelijk is om aan de minimumwaarde voor zonneenergie te voldoen; c. een gebouw waarbij de maatregelen die nodig zijn om aan de minimumwaarde voor zonne energie te voldoen een terugverdientijd hebben van meer dan 10 jaar, mits de maximale hoeveelheid zonne-energie wordt gerealiseerd die mogelijk is met maatregelen die een terugverdientijd hebben van ten hoogste 10 jaar; d. een gebouw dat niet is bestemd om te worden verwarmd of gekoeld voor personen; e. een gebouw met een of meer woonfuncties; en f. een gebouw met een logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw.
Artikel 3.87. (energieprestatie-eis labelverplichting kantoorgebouw) 1. Het is verboden om een kantoorgebouw in gebruik te nemen of te gebruiken zonder een geldig energielabel als bedoeld in artikel 6.29 met een maximumwaarde voor primair fossiel energiegebruik van 225 kWh/m2.jr, bepaald volgens NTA 8800, of met een in een letter of lettercombinatie uitgedrukte weergave van de energieprestatie van C of beter, die daarin op grond van bij ministeriële regeling gestelde regels is omgezet. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw met een gebruiksoppervlakte aan kantoorfuncties kleiner dan 50% van de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van het gebouw waarvan het kantoorgebouw deel uitmaakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw als de totale gebruiksoppervlakte aan kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in het kantoorgebouw of in het gebouw waarvan het kantoorgebouw deel uitmaakt kleiner is dan 100 m². 4. Een woonfunctie voor verhuur heeft een primair fossiel energiegebruik van ten hoogste 290 kWh/m2.jr, bepaald volgens NTA 8800 of een energielabel met de letter D of beter. 54. Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebouw dat behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 6.28. Het eerste lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw: a.
waarvoor geen energie wordt gebruikt om het binnenklimaat te regelen; b. dat een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is; c. dat wordt gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten; d. dat ten hoogste twee jaar wordt gebruikt; e. dat een alleenstaand gebouw is met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2; en f. dat bij minnelijke verwerving als bedoeld in 11.7, eerste lid, onder a, van de wet, wordt verkregen en voor de uitvoering van het werk waarmee die verkrijging verband houdt zal worden gesloopt. Het eerste lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw dat behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 6.28. 65. Als de maatregelen die nodig zijn om de in het eerste lid bedoelde energieprestatie te realiseren een terugverdientijd hebben van meer dan 10 jaar, kan worden volstaan met het treffen van de maatregelen met een terugverdientijd tot en met 10 jaar en de daarbij behorende energieprestatie. 76. Op het berekenen van de terugverdientijd, bedoeld in het zesde lid in het vijfde lid, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 8.
Het vierde lid is niet van toepassing als nakoming van de verplichting, bedoeld in het vierde lid, redelijkerwijs een besluit van de vergadering van eigenaars, bedoeld in artikel 125, eerste lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, vereist en hiervoor de instemming van een of meerdere eigenaren van een woonfunctie, niet zijnde een woonfunctie voor verhuur, benodigd is. Degene die zich op deze uitzonderingsbepaling beroept dient in te stemmen met een redelijk voorstel van een lid of het bestuur dat strekt tot nakoming van die verplichting. Artikel 3.87a. (overgangsrecht energieprestatie-eis uitzondering labelverplichting kantoorgebouw) 1. Artikel 3.87, eerste lid, is niet van toepassing op een kantoorgebouw met een geldig energielabel als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit energieprestatie gebouwen zoals dat gold op 31 december 2020, met een energie-index van 1,3 of beter. 2. Artikel 3.87, vierde lid, is niet van toepassing op een woonfunctie voor verhuur met een geldig energielabel als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit energieprestatie gebouwen zoals dat gold op 31 december 2020, met een energie-index van 2,1 of beter. Artikel 3.87a1 (warmtetransitiegebied) 1. Een bouwwerk met een technisch bouwsysteem of een kooktoestel in een warmtetransitiegebied veroorzaakt ter plaatse geen koolstofemissies uit fossiele brandstoffen.
2. Het eerste lid geldt vanaf de bij omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit bepaalde datum, bedoeld in artikel 5.131b, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 3.87a2 (uitzonderingen noodstroomvoorziening) Artikel 3.87a1 is niet van toepassing op de voorzieningen voor het ter plaatse opwekken van elektriciteit ten tijde van een ongewoon voorval.
§ 3.4.2. Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen Artikel 3.87a3 3.87aa. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk heeft voldoende laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen. 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf. Artikel 3.87b. (oplaadpunt voor elektrische voertuigen) 1. Een gebouw met een parkeergelegenheid in het gebouw of buiten het gebouw op hetzelfde bouwwerkperceel met meer dan 20 parkeervakken, heeft ten minste één laadpunt. (per 01-01-2027) Een gebouw met een parkeergelegenheid in het gebouw of buiten het gebouw op hetzelfde bouwwerkperceel met meer dan 20 parkeervakken, heeft: a. ten minste één laadpunt voor elke tien parkeervakken; of b. leidingdoorvoeren voor laadpunten voor elektrische voertuigen voor ten minste de helft van het aantal parkeervakken. 2. (per 01-01-2031) Een gebouw als bedoeld in het eerste lid dat eigendom is van of in gebruik is door een overheidsinstantie, heeft in aanvulling op het eerste lid, onder a of b, voorbekabeling voor ten minste de helft van het aantal parkeervakken. 32. (per 01-01-2031) Het eerste en tweede lid zijn Het eerste lid is niet van toepassing op: a. een gebouw dat niet is bestemd om te worden verwarmd of gekoeld voor personen: b. een gebouw met een of meer woonfuncties; en c. een gebouw met een logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw. 3.
Een laadpunt is geschikt voor slim laden. Een gebouw, anders dan een woongebouw, met een parkeergelegenheid in het gebouw of buiten het gebouw op hetzelfde bouwwerkperceel, met meer dan 20 parkeervakken, heeft tenminste een oplaadpunt. Artikel 3.87c. (afbakening maatwerkvoorschriften laadpunt voor elektrische voertuigen overgangsrecht) Een maatwerkvoorschrift over artikel 3.87b kan alleen inhouden dat een laadpunt geschikt moet zijn voor bi-directioneel laden. Artikel 3.87b is niet van toepassing tot en met 31 december 2024. Artikel 3.87d (overgangsrecht) Artikel 3.87b, eerste lid, is tot 1 januari 2029 niet van toepassing op een gebouw dat tussen 28 mei 2022 en 28 mei 2024 is gerenoveerd om te voldoen aan het eerste lid zoals dat luidde tot 1 januari 2027. Afdeling 3.5. Bruikbaarheid § 3.5.1. Verblijfsgebied en verblijfsruimte Artikel 3.88. (aansturingsartikel)
1. Een woonfunctie heeft een verblijfsgebied dat bruikbaar is voor de voor de woonfunctie kenmerkende activiteiten. 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf. Artikel 3.89. (aanwezigheid niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied) Een woonfunctie heeft een vloeroppervlakte van ten minste 10 m2 aan niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied. Artikel 3.90. (afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte) 1. In ten minste een verblijfsgebied ligt een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 7,5 m2 en een breedte van ten minste 2,4 m. 2. Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben boven de vloer een hoogte van ten minste 2,1 m. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een woonfunctie die is ontstaan door functiewijziging van een logiesfunctie voor het bieden van recreatief verblijf niet gelegen in een logiesgebouw die wordt gebruikt voor wonen dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit op grond van artikel 5.161e van het Besluit kwaliteit leefomgeving besluit is toegelaten. 3.
Het eerste lid is niet van toepassing op een logiesfunctie voor recreatief gebruik niet gelegen in een logiesgebouw die wordt gebruikt voor wonen dat in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegestaan op grond van artikel 5.161f van het Besluit kwaliteit leefomgeving. § 3.5.2. Toiletruimte Artikel 3.91. (aansturingsartikel) 1. Een woonfunctie heeft voldoende toiletruimte. 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf. Artikel 3.92. (aanwezigheid toiletruimte) Een woonfunctie heeft een toiletruimte. Artikel 3.93. (afmetingen toiletruimte) Een toiletruimte als bedoeld in artikel 3.92 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,64 m2, met een breedte van ten minste 0,6 m en een hoogte boven de vloer van ten minste 2 m. § 3.5.3. Opstelplaatsen Artikel 3.94. (aansturingsartikel) 1. Een woonfunctie heeft opstelplaatsen voor een aanrecht en voor een kooktoestel. 2. Als voor een woonfunctie in tabel 3.94 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. Tabel 3.94
afmetingen opstelplaatsen
leden van toepassing
aanwezigheid opstelplaatsen
gebruiksfunctie
artikel
3.95
3.96
*
1
2
a. voor zorg
–
–
–
b. andere woonfunctie
*
1
2
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
–
–
–
lid 1
Woonfunctie
Artikel 3.95. (aanwezigheid opstelplaats) Een woonfunctie heeft een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel die in een besloten ruimte liggen. Artikel 3.96. (afmetingen opstelplaats) 1. Een opstelplaats voor een aanrecht als bedoeld in artikel 3.95 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,4 m. 2. Een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 3.95 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,4 m x 0,4 m. Afdeling 3.6. Toegankelijkheid, bereikbaarheid vanaf de openbare weg Artikel 3.97 (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk is vanaf de openbare weg voldoende toegankelijk voor personen met een functiebeperking. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.97 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. Tabel 3.97 leden van toepassing
Bereikbaarheid van een gebouw
gebruiksfunctie
artikel lid 1
5
11 12
Woonfunctie a. woonwagen b. andere woonfunctie Industriefunctie a. lichte industriefunctie b. andere industriefunctie Overige gebruiksfunctie Bouwwerk geen gebouw zijnde Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
3.98 * * * *
Artikel 3.98 (bereikbaarheid van een gebouw Een verhard pad waarover voor personen met een functiebeperking een route loopt tussen de openbare weg en een gebouw wordt in stand gehouden als dit pad is aangelegd om te voldoen aan de eisen voor de bereikbaarheid van het gebouw die golden bij de bouw van het gebouw. Afdeling 3.7. Bouwwerkinstallaties
§ 3.7.1. Verlichting Artikel 3.99. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk heeft een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden gebruikt en verlaten. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.99 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. Tabel 3.99
lid
aansluiting op voorziening voor elektriciteit verduisterde ruimte
overgangsrecht: noodverlichting
artikel
noodverlichting
leden van toepassing
verlichting
gebruiksfunctie
3.100
3.101
3.102
3.104
3.103
1
2
3
4
5
1
2
3
4
5
*
*
*
1
Woonfunctie
–
–
–
4
–
–
–
–
–
–
*
–
–
2
Bijeenkomstfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
3
Celfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
4
Gezondheidszorgfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
5
Industriefunctie a. lichte industriefunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
b. andere industriefunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
6
Kantoorfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
7
Logiesfunctie a. in een logiesgebouw
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
b. andere logiesfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
–
*
8
Onderwijsfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
9
Sportfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
10
Winkelfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
*
11
Overige gebruiksfunctie a. voor het personenvervoer
–
2
3
4
–
–
2
3
–
5
*
*
*
b. voor het stallen van motorvoertuigen
–
2
–
4
–
–
2
3
–
5
*
*
*
c. andere overige gebruiksfunctie
–
–
–
4
–
–
–
–
–
–
*
*
*
a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
–
–
–
4
5
–
–
3
4
5
*
–
*
b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
4
–
–
–
3
–
5
*
*
*
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 3.100. (verlichting) 1. Een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.
2. Een onder het meetniveau gelegen functieruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux. 3. Een overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 heeft in een boven het meetniveau gelegen functieruimte een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux. 4. Een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute of beschermde route voert, heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer en een tredevlak gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux. 5. Een wegtunnelbuis heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer en een tredevlak gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux. Artikel 3.101. (noodverlichting) 1. Een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert, hebben noodverlichting. 2. Een onder het meetniveau gelegen functieruimte als bedoeld in artikel 3.100, tweede lid, heeft noodverlichting. 3. Een besloten ruimte als bedoeld in artikel 3.100, vierde lid, heeft noodverlichting. 4. Een wegtunnelbuis heeft noodverlichting. 5.
Noodverlichting als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte van ten minste 1 lux. Artikel 3.102. (aansluiting op voorziening voor elektriciteit) Een verlichtingsinstallatie als bedoeld in de artikelen 3.100 en 3.101 is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit. Artikel 3.103. (verduisterde ruimte) Een ruimte bestemd om te worden verduisterd tijdens het gebruik door meer dan 50 personen heeft zodanige voorzieningen dat tijdens de verduistering een redelijke oriëntatie mogelijk is. Artikel 3.104. (overgangsrecht: noodverlichting) Zolang de indeling van een bouwwerk of een gedeelte daarvan niet verandert en het aantal personen in dat bouwwerk of gedeelte niet groter is dan het onmiddellijk voorafgaand aan 1 april 2012 voor dat bouwwerk toegestane aantal personen, blijft op dat bouwwerk of gedeelte artikel 3.101 buiten toepassing als dat bouwwerk of dat gedeelte daarvan voldoet aan de artikelen 2.66 en 2.67 van het Bouwbesluit 2003 zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaande aan 1 april 2012. § 3.7.2. Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie Artikel 3.105. (aansturingsartikel) 1.
Bij een bouwwerk met een voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie is die voorziening veilig zodat er geen sprake kan zijn van ongevallen zoals elektrocutie, verstikking, brandwonden of verwonding door explosies. 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf. Artikel 3.106. (voorziening voor elektriciteit) Een voorziening voor elektriciteit voldoet aan: a. NEN 1010 bij lage spanning; en b. de door de Hoofdcommissie voor de Normalisatie uitgegeven leidraad V 1041 bij hoge spanning.
Artikel 3.107. (voorziening voor gas) Een voorziening voor gas voldoet aan: a. NEN 8078 bij een nominale werkdruk van ten hoogste 0,5 bar; en b. NEN 2078 bij een nominale werkdruk hoger dan 0,5 bar en lager dan 40 bar. § 3.7.3. Watervoorziening Artikel 3.108. (aansturingsartikel) 1. Bij een bouwwerk met een voorziening voor drinkwater of warmwater is die voorziening zodanig dat de gezondheid niet nadelig kan worden beïnvloed als gevolg van het vrijkomen, ontstaan of ontwikkelen van gevaarlijke stoffen of biologische agentia in drinkwater of warmwater. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.108 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf. Tabel 3.108
artikel lid 1
2
3 4 5 6 7 8
9 10 11 12
Woonfunctie a. voor verhuur b. voor gastouderopvang c. andere woonfunctie Bijeenkomstfunctie a. voor kinderopvang b. overige bijeenkomstfunctie Celfunctie Gezondheidszorgfunctie Industriefunctie Kantoorfunctie Logiesfunctie Onderwijsfunctie a. voor basisonderwijs b. overige onderwijsfunctie Sportfunctie Winkelfunctie Overige gebruiksfunctie Bouwwerk geen gebouw zijnde
concentratie lood
warmwatervoorziening
leden van toepassing
drinkwatervoorziening
gebruiksfunctie
3.109 *
3.109a 1
2
3
3.110 *
* * *
1 1 –
2 2 –
3 3 –
* * *
* * * * * * *
1 –
2 –
3 –
* *
– – – –
– – – –
– – – –
* * * *
* * * * * *
1 – – – – –
2 – – – – –
3 – – – – –
* * * * * *
Artikel 3.109. (drinkwatervoorziening) Een voorziening voor drinkwater voldoet aan NEN 1006. Artikel 3.109a (concentratie lood) 1. De concentratie van lood in een voorziening voor drinkwater is niet hoger dan 5 μg/l. 2. Op het meten van de concentratie zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 3. Als een voorziening voor drinkwater loden leidingen heeft, wordt aangenomen dat de concentratie van lood in deze voorziening hoger is dan 5 μg/l.
Artikel 3.110. (warmwatervoorziening) Een voorziening voor warmwater voldoet aan NEN 1006. § 3.7.4. Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater Artikel 3.111. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.111 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. Tabel 3.111 leden van toepassing
artikel lid
afvoer van hemelwater
afvoer van huishoudelijk afvalwater
gebruiksfunctie
3.112
3.113
1
2
*
1
Woonfunctie
1
2
*
2
Bijeenkomstfunctie
1
2
*
3
Celfunctie
1
2
*
4
Gezondheidszorgfunctie
1
2
*
5
Industriefunctie
1
2
–
6
Kantoorfunctie
1
2
*
7
Logiesfunctie a. in een logiesgebouw
1
2
*
b. andere logiesfunctie
1
2
–
8
Onderwijsfunctie
1
2
*
9
Sportfunctie
1
2
*
10
Winkelfunctie
1
2
*
11
Overige gebruiksfunctie
1
2
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
1
2
–
Artikel 3.112. (afvoer van huishoudelijk afvalwater) 1. Een gebruiksfunctie met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel heeft voor dat lozingstoestel een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater. 2. Een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater als bedoeld in het eerste lid heeft een zodanige capaciteit dat elk daarop aangesloten lozingstoestel binnen 5 minuten kan worden geleegd en een lucht- en waterdichtheid die voldoen aan NEN 3215.
Artikel 3.113. (afvoer van hemelwater) Een binnen een bouwwerk gelegen voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater is, bepaald volgens NEN 3215, lucht- en waterdicht. § 3.7.5. Tijdig vaststellen van brand Artikel 3.114. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat brand tijdig kan worden ontdekt zodat veilig kan worden gevlucht. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.114 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. Tabel 3.114
lid
rookmelders
artikel
melding en doormelding
leden van toepassing
brandmeldinstallatie
gebruiksfunctie
3.115
3.116
3.117
1
2
3
4
1
2
1
2
3
4
5
6
a. zorgclusterwoning in een woongebouw
1
2
–
–
1
2
–
–
–
–
–
–
b. zorgclusterwoning niet in een woongebouw
1
2
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
c. groepszorgwoning voor 24-uurs zorg
1
2
–
–
1
2
–
–
–
–
–
–
d. groepszorgwoning niet voor 24-uurs zorg
1
2
–
–
1
–
–
–
–
–
–
–
e. voor kamergewijze verhuur
–
–
–
–
–
–
–
2
3
–
5
–
f. andere woonfunctie
–
–
–
–
–
–
1
–
–
–
–
–
a. voor het aanschouwen van sport
–
–
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
b. voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar
1
2
3
4
–
2
–
–
–
4
5
–
c. andere bijeenkomstfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
3
Celfunctie
1
2
3
–
–
2
–
–
–
–
–
–
4
Gezondheidszorgfunctie
1
2
3
–
–
2
–
–
–
–
–
–
5
Industriefunctie a. lichte industriefunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
b. andere industriefunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
6
Kantoorfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
7
Logiesfunctie 1
2
3
–
–
–
–
–
–
4
5
6
1
2
Woonfunctie
Bijeenkomstfunctie
a. in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking
b. in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking
1
2
3
–
–
2
–
–
–
4
5
–
c. andere logiesfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
8
Onderwijsfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
9
Sportfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
10
Winkelfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
11
Overige gebruiksfunctie a. voor het stallen van motorvoertuigen
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
b. voor het personenvervoer
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
c. andere overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
12
Artikel 3.115. (brandmeldinstallatie) 1. Een gebruiksfunctie heeft een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535 met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals aangegeven in bijlage II, als: a. de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw voor zover die gebruiksfuncties op eenzelfde vluchtroute zijn aangewezen groter is dan de in die bijlage genoemde waarde; b. de hoogste vloer van een verblijfsruimte van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau hoger ligt dan op de in die bijlage genoemde hoogte; of c. die bijlage dit aanwijst zonder dat sprake is van een hoogte als hierboven bedoeld. 2. Een brandcompartiment waarin een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in het eerste lid ligt, heeft een brandmeldinstallatie met eenzelfde omvang van de bewaking en doormelding als die gebruiksfunctie. 3. Voor zover vanuit de uitgang van een verblijfsruimte in niet meer dan een richting kan worden gevlucht, zijn de buiten die verblijfsruimte gelegen ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert, en verblijfsruimten en ruimten met een verhoogd brandrisico en een doorgang die aan die buiten die verblijfsruimte gelegen ruimte grenst, voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als bedoeld in NEN 2535, als: a.
de loopafstand tussen de uitgang van een verblijfsruimte en het punt van waaruit in meer dan één richting kan worden gevlucht meer dan 10 m is; b. de totale vloeroppervlakte van de ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert en van de daarop aangewezen verblijfsruimten meer dan 200 m2 is; of c. het aantal op de enkele vluchtroute aangewezen verblijfsruimten meer dan twee is. 4. Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing als boven de in bijlage II bedoelde hoogste vloer niet meer dan zes opstelplaatsen voor bedden voor kinderen zijn. Artikel 3.116. (melding en doormelding) 1. Een in artikel 3.115 bedoelde brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks: a. naar een zorgcentrale bij zorg op afroep; en b. naar een zusterpost bij 24-uurszorg. 2. Een doormelding als bedoeld in artikel 3.115 vindt rechtstreeks plaats naar de regionale alarmcentrale van de brandweer. Artikel 3.117. (rookmelders) 1. Een woonfunctie heeft op iedere bouwlaag met een verblijfsruimte of met een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een rookmelder die voldoet aan EN 14604. 2. Bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur heeft een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een
3.
4.
5. 6.
of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555. Een verblijfsruimte heeft een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555. Dit is niet van toepassing op een verblijfsruimte in een wooneenheid als elke wooneenheid in de woonfunctie in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment ligt met een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag vanuit dat beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment van ten minste 30 minuten. Een verblijfsruimte en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van het gebouw hebben een of meer rookmelders die voldoen aan de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555. Het eerste, tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115. In aanvulling op het vierde lid is het in de primaire inrichtingseisen bedoelde alarmeringssignaal permanent waarneembaar door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.
§ 3.7.6. Vluchten bij brand Artikel 3.118. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat de gebruikers het bouwwerk kunnen ontvluchten of op een andere manier in veiligheid kunnen worden gebracht. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.118 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.118
artikel lid
3.120
3.121
zelfsluitende constructieonderdelen
deuren in vluchtroutes: draairichting
vluchtrouteaanduiding
3.119
deuren in vluchtroutes: weerstand bij het openen
leden van toepassing
ontruimtingsalarminstallatie
gebruiksfunctie
3.122
3.123
1
2
3
1
2
3
4
5
1
2
3
1
2
3
4
5
6
1
2
3
4
a. voor zorg met een g.o. > 500 m2
1
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
4
5
6
1
2
3
–
b. andere woonfunctie voor zorg
1
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
4
5
–
1
2
3
–
c. voor kamergewijze verhuur
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
1
–
3
4
5
–
1
2
3
–
d. andere woonfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
4
5
–
1
2
–
–
2
Bijeenkomstfunctie
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
3
Celfunctie
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
4
4
Gezondheidszorgfunctie
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
5
Industriefunctie a. lichte industriefunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
b. andere industriefunctie
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
6
Kantoorfunctie
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
7
Logiesfunctie
–
–
–
1
Woonfunctie
a. in een logiesgebouw met 24uursbewaking
1
–
3
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
b. in een ander logiesgebouw
1
2
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
c. andere logiesfunctie
1
–
–
–
–
–
–
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
8
Onderwijsfunctie
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
9
Sportfunctie
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
10
Winkelfunctie
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
11
Overige gebruiksfunctie a. voor het stallen van motorvoertuigen
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
b. voor het personenvervoer
1
–
–
1
–
3
4
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
c. andere overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
1
2
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
–
–
–
–
2
3
–
5
–
–
3
–
–
–
4
5
6
1
–
–
–
b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
1
2
–
–
2
–
4
5
6
1
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 3.119. (ontruimingsalarminstallatie) 1. Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115, eerste tot en met derde lid, heeft een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575. 2. Het ontruimingssignaal van een in het eerste lid bedoelde ontruimingsalarminstallatie wordt bij het activeren van de automatische melder of handbrandmelder onmiddellijk en in het gehele gebouw in werking gesteld. 3. In aanvulling op het eerste lid is het ontruimingssignaal van een ontruimingsalarminstallatie permanent waarneembaar door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris. Artikel 3.120. (vluchtrouteaanduiding) 1. Een ruimte waardoor een verkeersroute voert en een ruimte voor meer dan 50 personen hebben een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838. 2. Een wegtunnel heeft een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6, van NEN-EN 1838. De vluchtrouteaanduiding is niet hoger dan 1,5 m boven de vloer aangebracht en de afstand tussen twee vluchtrouteaanduidingen is niet meer dan 25 m, gemeten langs de tunnelwand.
Bij de vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar aangegeven de loopafstand in twee richtingen tot het einde van de tunnelbuis of, als die loopafstand korter is, de loopafstand tot de meest nabije toegang tot een beschermde route als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid. 3. Een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste en tweede lid: a. is aangebracht op een duidelijk waarneembare plaats; en b. voldoet binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, gedurende een periode van ten minste 60 minuten, aan de in het eerste of tweede lid bedoelde zichtbaarheidseisen. 4. Op een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste lid gelegen op een vluchtroute vanuit een ruimte met een verlichtingsinstallatie die geen noodverlichting is als bedoeld in artikel 3.101, zijn bij het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit de in het eerste lid bedoelde zichtbaarheidseisen niet van toepassing. 5. Een deur in een tunnel die toegang geeft tot een beschermde route als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, is uitgevoerd in de kleur groen, RAL 6024. Artikel 3.121. (deuren in vluchtroutes: draairichting) 1. Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in als meer dan 60 personen op die uitgang zijn aangewezen. 2. Een nooddeur kan geen schuifdeur zijn. 3.
Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in. Artikel 3.122. (deuren in vluchtroutes: weerstand bij het openen) 1. Een deur op een vluchtroute vanaf de uitgang van een wooneenheid naar de uitgang van de woonfunctie voor kamergewijze verhuur kan worden geopend: a. door een lichte druk tegen de deur; of b. met behulp van een ontsluitingsmechanisme dat voldoet aan NEN-EN 179 of NEN-EN 1125. 2. Een deur waarop bij het vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen, kan worden geopend door: a. een lichte druk tegen de deur; of b. een lichte druk tegen een op circa 1 m boven de vloer over de volle breedte van de deur aangebrachte panieksluiting die voldoet aan NEN-EN 1125. 3. Een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen, kan tijdens het vluchten met een sleutel worden geopend. 4. Een automatisch werkende deur en een voorziening voor toegangs- of uitgangscontrole op een vluchtroute mogen het vluchten niet belemmeren.
5. Een deur die toegang geeft tot een overdruktrappenhuis is voorzien van een aanduiding waaruit blijkt dat hard duwen noodzakelijk kan zijn. Dit is niet van toepassing op een schuifdeur. 6. Aan de aan de buitenlucht grenzende zijde van een nooddeur is het opschrift «nooddeur vrijhouden» of «nooduitgang» aangebracht. Dit opschrift voldoet aan de eisen voor aanvullende tekens in NEN 3011. Artikel 3.123. (zelfsluitende constructieonderdelen) 1. Een beweegbaar constructieonderdeel in een inwendige scheidingsconstructie waarvoor een eis aan de weerstand tegen branddoorslag, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of weerstand tegen rookdoorgang geldt, is zelfsluitend. 2. Het eerste lid geldt niet voor een deur in een niet-gemeenschappelijke doorgang. 3. Het tweede lid geldt niet voor een deur in een gezamenlijke doorgang. 4. Het eerste lid geldt niet voor een deur van een celeenheid. § 3.7.7. Bestrijden van brand Artikel 3.124. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.124 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. Tabel 3.124
artikel lid
3.125
blustoestellen
bluswatervoorziening wegtunnel
leden van toepassing
droge blusleiding
gebruiksfunctie
3.126
3.127
1
2
3
4
*
1
2
3
a. voor zorg met een g.o. > 500 m2
1
–
3
4
–
–
–
3
b. voor kamergewijze verhuur
1
–
3
4
–
1
–
3
c. andere woonfunctie
1
–
3
4
–
–
–
–
2
Bijeenkomstfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
3
Celfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
4
Gezondheidszorgfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
5
Industriefunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
6
Kantoorfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
7
Logiesfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
8
Onderwijsfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
9
Sportfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
10
Winkelfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
11
Overige gebruiksfunctie
1
–
3
4
–
–
–
3
1
Woonfunctie
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
–
2
–
4
*
–
2
3
b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
Artikel 3.125. (droge blusleiding) 1. Een gebruiksfunctie met een vloer van een verblijfsgebied hoger gelegen dan 20 m boven het meetniveau heeft een droge blusleiding. 2. Een wegtunnelbuis heeft een op een in artikel 3.126 bedoelde bluswatervoorziening aangesloten droge blusleiding met in een hulppost als bedoeld in artikel 3.62 een brandslangaansluiting die bij brand een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren. 3. De loopafstand tussen een brandslangaansluiting van een in het eerste lid bedoelde droge blusleiding en een punt in een op die aansluiting aangewezen gebruiksgebied is niet groter dan 110 m. 4. De inrichting van een droge blusleiding voldoet aan NEN 1594 voor: a. de drukbestendigheid; b. de onbrandbaarheid van het materiaal van de leiding; c. de soorten koppelingen voor de aansluiting van brandslangen; d. de aanduiding van de brandslangaansluitingen; en e. de aanduiding van de voedingsaansluitingen. Artikel 3.126. (bluswatervoorziening wegtunnel) Een wegtunnel heeft een bluswatervoorziening die bij brand gedurende ten minste 60 minuten een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren. Artikel 3.127. (blustoestellen) 1. Een woonfunctie voor kamergewijze verhuur heeft een draagbaar blustoestel in een gezamenlijke keuken en ten minste een per bouwlaag in een ruimte waardoor een gezamenlijke vluchtroute voert.
Dit is niet van toepassing op de aanwezigheid van brandslanghaspels als bedoeld in artikel 6.35, tweede lid. 2. Een hulppost als bedoeld in artikel 3.62 heeft een draagbaar brandblusapparaat. 3. Een blustoestel als bedoeld in het eerste en tweede lid is duidelijk zichtbaar opgehangen of gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011. § 3.7.8. Toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten Artikel 3.128. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk is zodanig toegankelijk voor hulpverleningsdiensten dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulpverlening kan worden geboden. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.128 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. Tabel 3.128 gebruiksfunctie
leden van toepassing
lid
3.129
afbakening maatwerkvoorschriften mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten
mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten
afbakening maatwerkvoorschriften brandweeringang
brandweeringang artikel
3.130
3.131
3.132
1
2
*
1
2
*
1
Woonfunctie
1
2
*
–
–
–
2
Bijeenkomstfunctie
1
2
*
1
–
*
3
Celfunctie
1
2
*
1
–
*
4
Gezondheidszorgfunctie
1
2
*
1
–
*
5
Industriefunctie
1
2
*
1
–
*
6
Kantoorfunctie
1
2
*
1
–
*
7
Logiesfunctie a. in een logiesgebouw
1
2
*
1
–
*
b. andere logiesfunctie
1
2
*
–
–
–
8
Onderwijsfunctie
1
2
*
1
–
*
9
Sportfunctie
1
2
*
1
–
*
10
Winkelfunctie
1
2
*
1
–
*
11
Overige gebruiksfunctie
–
–
*
1
–
*
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
1
2
–
–
2
*
b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde
1
2
*
1
–
*
Artikel 3.129. (brandweeringang) 1. Een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat heeft een brandweeringang. 2. In een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met doormelding wordt een brandweeringang bij een brandmelding automatisch ontsloten of ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald. Artikel 3.130. (afbakening maatwerkvoorschriften brandweeringang) Een maatwerkvoorschrift over artikel 3.129 kan alleen inhouden: a. dat een bouwwerk geen brandweeringang hoeft te hebben als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist; of b. het aanwijzen van een of meer toegangen als brandweeringang als een bouwwerk meerdere toegangen heeft.
Artikel 3.131. (mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten) 1. Een voor grote aantallen bezoekers bestemd bouwwerk waarbij het goed functioneren van hulpverleningsdiensten afhankelijk is van mobiele radiocommunicatie heeft, als dat voor die communicatie nodig is, een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten dat bouwwerk. 2. Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten die wegtunnel. Artikel 3.132. (afbakening maatwerkvoorschriften mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten) Met een maatwerkvoorschrift over artikel 3.131, eerste lid, kan alleen nadere invulling worden gegeven aan de maatregelen voor binnenhuisdekking. § 3.7.9. Aanvullende regels tunnelveiligheid Artikel 3.133. (aansturingsartikel) 1. Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft zodanige voorzieningen dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd. 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf. Artikel 3.134. (uitrusting hulppost wegtunnel) Een hulppost als bedoeld in artikel 3.62 heeft een noodtelefoon en een wandcontactdoos met een elektrische spanning van 230 volt. Artikel 3.135.
(bedieningscentrale wegtunnel) Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m is aangesloten op een bedieningscentrale met een voorziening voor permanente videobewaking en automatische detectie van ongevallen en van brand. Artikel 3.136. (afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen) Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft ter beperking van uitbreiding van brand door verspreiding van brandbare vloeistoffen en ter beperking van verspreiding van giftige vloeistoffen een voorziening voor de afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen. Artikel 3.137. (verkeerstechnische aspecten tunnelbuis) 1. Een op een wegtunnelbuis aansluitende rijbaan heeft eenzelfde aantal rijstroken als de rijbaan in de wegtunnelbuis. Een eventuele wijziging van het aantal rijstroken buiten de tunnelbuis vindt op zodanige afstand van de tunnelbuis plaats dat geen onrustige verkeersbewegingen in de tunnelbuis door die wijziging kunnen optreden. 2. In een wegtunnelbuis is geen tweerichtingsverkeer toegestaan. 3. In afwijking van het tweede lid is tweerichtingsverkeer toegestaan als is aangetoond dat eenrichtingsverkeer in verband met fysieke, geografische of verkeerstechnische omstandigheden niet mogelijk is en het tweerichtingsverkeer met voldoende veiligheidswaarborgen is omgeven. 4.
Bij toepassing van het in het derde lid bedoelde tweerichtingsverkeer is de wegtunnelbuis in ieder geval voorzien van een systeem voor permanent toezicht en een systeem voor de afsluiting van rijstroken en is de toegestane maximumsnelheid ten hoogste 70 km per uur. Artikel 3.138. (communicatievoorzieningen wegtunnel) 1. Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m heeft een voorziening: a. waarmee door luidsprekers mededelingen kunnen worden gedaan aan personen op elke rijbaan en vluchtroute; b. voor heruitzending van radiosignalen in elke wegtunnelbuis; en c. om radio-uitzendingen te kunnen onderbreken om mededelingen te doen.
2. Een mededeling als bedoeld in het eerste lid, onder a en c, wordt ten minste in het Nederlands en het Engels gedaan. Artikel 3.139. (aansluiting op noodstroomvoorziening) De voor een evacuatie noodzakelijke voorzieningen, systemen en installaties in een wegtunnel, die voor het functioneren zijn aangewezen op een voorziening voor elektriciteit, zijn aangesloten op een voorziening die binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten de werking van die voorzieningen, systemen en installaties zeker stelt. § 3.7.10. Tegengaan van veel voorkomende criminaliteit Artikel 3.140. (aansturingsartikel) 1. Een woongebouw heeft voorzieningen waarmee veel voorkomende criminaliteit wordt voorkomen. 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf. Artikel 3.141. (voorkomen van veel voorkomende criminaliteit in een woongebouw) 1. Een afsluitbare toegang van een woongebouw heeft een zelfsluitende deur die van buitenaf niet zonder sleutel kan worden geopend. 2. Als een woonfunctie in een woongebouw alleen bereikbaar is via een afsluitbare gemeenschappelijke verkeersruimte, heeft ten minste een toegang van het woongebouw aan de buitenkant een voorziening waarmee een signaal kan worden gegeven dat in een nietgemeenschappelijke ruimte van die woonfunctie waarneembaar is. § 3.7.11.
Inzicht in de kwaliteit van de binnenlucht Artikel 3.142. (aansturingsartikel) 1. Een onderwijsfunctie voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra heeft een voorziening die inzicht geeft in de kwaliteit van de binnenlucht. 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf. Artikel 3.143. (kooldioxidemeter) 1. Een verblijfsruimte in een onderwijsfunctie voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra heeft een kooldioxidemeter. 2. De kooldioxidemeter: a. functioneert continu op: 1°. de gangbare elektrische netspanning, waarbij een tijdelijke onderbreking van de elektrische aansluiting de ingestelde signaalniveaus niet verstoort; of 2°. een elektrische voeding met een signaalfunctie als de capaciteit van die voeding een minimumniveau heeft bereikt;. b. kalibreert zichzelf automatisch; c.
heeft ten minste een CO2-meetfunctie met: 1°. een meetbereik van ten minste 300 tot 5.000 ppm; 2°. een bedrijfstemperatuur van 0 – 50 °C; 3°. een nauwkeurigheid in temperatuurbereik van +15 tot + 35 °C: i. bij een CO2-waarde van 300–1.000 ppm: < 10% van meetwaarde; en ii. bij een CO2-waarde van 1.000–5.000 ppm: < 100 ppm; en 4°. een resolutie van 1 ppm;
d. waarschuwt tijdig voor ventilatieproblemen door middel van een duidelijke indicatie over de mate waarin de ruimte wordt geventileerd; en e. heeft drie signaalniveaus met een eigen kleurcode: 1°. een CO2-concentratie van minder dan 1.001 ppm; 2°. een CO2-concentratie van 1.001 tot en met 1.400 ppm; en 3°. een CO2-concentratie van meer dan 1.400 ppm. § 3.7.12. Systeem voor gebouwautomatisering en -controle en automatische lichtregeling Systeem voor gebouwautomatisering en –controle Artikel 3.145. (aansturingsartikel) 1. een gebouw, anders dan een gebouw met een of meer woonfuncties hetzij met een logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw, dat is bestemd om te worden verwarmd of gekoeld voor personen, Een bouwwerk, anders dan een woonfunctie, met een verwarmingssysteem of gecombineerd ruimteverwarmings- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 70 kW 290 kW of een airconditioningsysteem of gecombineerd airconditioning- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 70 kW 290 kW heeft een systeem voor gebouwautomatisering en -controle en voor automatische lichtregeling. 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf. Artikel 3.146.
(systeem voor gebouwautomatisering en -controle) Het systeem voor gebouwautomatisering- en controle als bedoeld in , bedoeld in artikel 3.145, aanhef artikel 3.145, eerste lid, is in staat: a. het energieverbruik permanent te controleren, bij te houden, te analyseren en de bijsturing ervan mogelijk te maken; b. de energie-efficiëntie van het gebouw te toetsen, rendementsverliezen van technische bouwsystemen op te sporen, en de beheerder van de voorzieningen of technische installaties te informeren over de mogelijkheden om de energie-efficiëntie te verbeteren; en c. communicatie met verbonden technische bouwsystemen en andere apparaten in het gebouw mogelijk te maken, en interoperabel te zijn met technische bouwsystemen van verschillende soorten eigendomstechnologieën, toestellen en fabrikanten;. d. de binnenmilieukwaliteit te monitoren. Artikel 3.147 (systeem voor automatische lichtregeling) (overgangsrecht) Het systeem voor automatische lichtregeling, bedoeld in artikel 3.145, eerste lid, is op passende wijze per zone zijn ingedeeld en kan bezetting detecteren. De artikelen 3.145 en 3.146 zijn niet van toepassing tot en met 31 december 2025. Hoofdstuk 4. Nieuwbouw Afdeling 4.1. Algemeen Artikel 4.1. (toepassingsbereik: activiteiten) 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwactiviteiten die het bouwen van nieuwe bouwwerken betreffen. 2.
Met het bouwen van nieuwe bouwwerken wordt gelijkgesteld het vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert. Artikel 4.2. (toepassingsbereik: oogmerken) De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. duurzaamheid en bruikbaarheid.
Artikel 4.3. (toepassingsbereik: normadressaat) Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die het bouwwerk bouwt. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 4.4. (toepassingsbereik: aansturingsartikel niet van toepassing) In dit hoofdstuk is een aansturingsartikel niet van toepassing op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen in de tabel van dat aansturingsartikel. Dit geldt niet voor de artikelen 4.16, 4.49, 4.56, 4.83, 4.171 en 4.207. Artikel 4.5. (maatwerkvoorschriften) 1. Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet, kan worden gesteld over de afdelingen 4.2 tot en met 4.7, met uitzondering van artikel 4.245 anders dan voor de woonfunctie voor zorg en bepalingen over meet- of rekenmethoden. 2. Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de in het eerste lid bedoelde afdelingen, waarbij afwijken alleen versoepelen kan inhouden. 3. In afwijking van het tweede lid kan een maatwerkvoorschrift als bedoeld in de artikelen 4.103a, 4.149a, 4.160ba, 4.227 en 4.230 of een vergunningvoorschrift op grond van artikel 4.103a alleen het bepaalde in die artikelen inhouden. 4. Een maatwerkvoorschrift op initiatief van het bevoegd gezag wordt alleen gesteld over de artikelen 4.226 en 4.229. 5.
Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift op aanvraag van degene die het bouwwerk bouwt, kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 4.2, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich daartegen niet verzetten. Artikel 4.6. (maatwerkvoorschriften herbouw) 1. In afwijking van artikel 4.5 kan een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift, als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet over het vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert, alleen versoepelen inhouden. 2. Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift op aanvraag van degene die het bouwwerk bouwt, kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 4.2, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich daartegen niet verzetten. Artikel 4.7. (maatwerkregels) Een maatwerkregel kan worden gesteld over afdeling 4.5, met uitzondering van bepalingen over meetof rekenmethoden. Artikel 4.8. (tijdelijk bouwwerk) 1. Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de regels van de afdelingen 3.2 tot en met 3.7 van toepassing, tenzij in de afdelingen 4.2 tot en met 4.7 anders is bepaald voor een tijdelijk bouwwerk. 2.
Als een tijdelijk bouwwerk na het verstrijken van de instandhoudingstermijn op een bouwwerkperceel aanwezig blijft, wordt dat bouwwerk voor het verstrijken van die termijn in overeenstemming gebracht met de regels van de afdelingen 4.2 tot en met 4.7 met uitzondering van de regels voor een tijdelijk bouwwerk. Als een als tijdelijk bouwwerk bedoeld bouwwerk na het verstrijken van de instandhoudingstermijn op de locatie aanwezig blijft, wordt dat bouwwerk voor het verstrijken van die termijn in overeenstemming gebracht met de regels van de afdelingen 4.2 tot en met 4.7. Artikel 4.9. (uitzonderingen woonfunctie voor particulier eigendom) Op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom zijn afdeling 4.6 en de paragrafen 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6 niet van toepassing. Wat betreft de paragrafen 4.2.3, 4.2.4, 4.3.10, 4.5.2, 4.5.3 en 4.5.7 zijn de regels van de paragrafen 3.2.3, 3.2.4, 3.3.6, 3.5.1 tot en met 3.5.3 voor een
bestaand bouwwerk van toepassing. Wat betreft artikel 4.78, eerste lid, is artikel 3.59, eerste lid, voor een bestaand bouwwerk van toepassing. Artikel 4.10. (uitzonderingen drijvend bouwwerk) 1. Op een drijvend bouwwerk zijn de paragrafen 4.4.2 en 4.5.4 tot en met 4.5.6 de paragrafen 4.5.4 tot en met 4.5.6 niet van toepassing. In plaats van de paragrafen 4.2.3, 4.2.4, 4.3.10, 4.5.2, 4.5.3 en 4.5.7 zijn de regels van hoofdstuk 3 van toepassing. Voor artikel 4.78, eerste lid, wordt artikel 3.59, eerste lid, gelezen. 2. In aanvulling op het eerste lid zijn op een drijvend bouwwerk zonder toegankelijkheidssector paragraaf 4.2.3, de artikelen 4.30 tot en met 4.32 en paragrafen 4.6.1 en 4.6.3 niet van toepassing. 3. Bij het bepalen van de afstand tot de perceelsgrens van een drijvend bouwwerk mag worden uitgegaan van een horizontaal gemeten afstand van 2,5 m vanuit de uitwendige scheidingsconstructie van het drijvende bouwwerk. 4. Bij toepassing van paragraaf 4.2.10 mag bij een drijvend bouwwerk voor het aansluitend terrein worden gelezen de steiger tussen het drijvende bouwwerk en de wal. Artikel 4.10a (geen gelijkwaardige maatregel) Het treffen van een gelijkwaardige maatregel is uitgesloten voor artikel 4.245. Afdeling 4.2. Veiligheid § 4.2.1. Constructieve veiligheid Artikel 4.11. (aansturingsartikel) 1.
Een bouwwerk is bestand tegen krachten die tijdens het beoogde gebruik op het bouwwerk worden uitgeoefend en is zodanig dat bij een calamiteit voortschrijdende instorting van het bouwwerk wordt voorkomen. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.11 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. Tabel 4.11
artikel
7
tijdelijk bouwwerk
buitengewone belastingscombinaties
4.12
4.13
*
1
2
1
2
3
1
2
a. in een woongebouw
*
1
2
1
2
–
1
2
b. andere woonfunctie
*
1
2
1
2
3
1
2
a. in een logiesgebouw
*
1
2
1
2
–
1
2
b. andere logiesfunctie
*
1
2
1
2
3
1
2
lid 1
bepalingsmethode niet bezwijken
leden van toepassing
fundamentele belastingscombinaties
gebruiksfunctie
4.14
4.15
Woonfunctie
Logiesfunctie
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
*
1
2
1
2
–
1
Artikel 4.12. (fundamentele belastingscombinaties) Een bouwconstructie bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990. Artikel 4.13. (buitengewone belastingscombinaties) 1. Een bouwconstructie bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de buitengewone belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990, als dit leidt tot het bezwijken van een andere bouwconstructie die niet in de directe nabijheid ligt van de bouwconstructie. Daarbij wordt uitgegaan van de bekende buitengewone belastingen, bedoeld in NEN-EN 1991. 2. Een dak of een vloerafscheiding bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de buitengewone belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990. Daarbij wordt uitgegaan van stootbelastingen, bedoeld in NEN-EN 1991. Artikel 4.14. (bepalingsmethode niet-bezwijken) 1. Het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.12 en 4.13, wordt bepaald volgens: a. NEN-EN 1999 of NEN-EN 1993, als de constructie is vervaardigd van metaal als bedoeld in die normen; b. NEN-EN 1992 of NEN-EN 1996, als de constructie is vervaardigd van steenachtig materiaal als bedoeld in die normen; c. NEN-EN 1994, als de constructie is vervaardigd van staal-beton als bedoeld in die norm; d.
NEN-EN 1995, als de constructie is vervaardigd van hout als bedoeld in die norm; e. NEN 2608, als de constructie is vervaardigd van glas als bedoeld in die norm; of f. NEN 6707, als de constructie van de bevestiging van de dakbedekking is vervaardigd van materiaal als bedoeld in die norm. 2. Als een ander materiaal of een andere bepalingsmethode is toegepast dan bedoeld in het eerste lid, wordt het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.12 en 4.13, bepaald volgens NEN-EN 1990. 3. Bij een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen gebruiksfunctie kan bij het bepalen van het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.12 en 4.13, rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van een op een aangrenzend perceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort. Artikel 4.15. (tijdelijk bouwwerk) 1. Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk met een ontwerplevensduur van 5 jaar als bedoeld in NEN-EN 1990 zijn de artikelen 4.12 en 4.14 van overeenkomstige toepassing. 2. Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk met een ontwerplevensduur van 15 jaar als bedoeld in NEN-EN 1990 zijn de artikelen 4.12 tot en met 4.14 van overeenkomstige toepassing. § 4.2.1a. Stabiliteit, drijvend vermogen en sterkte drijvende bouwwerken Artikel 4.15a. (aansturingsartikel) 1. Een drijvend bouwwerk en een drijvend tijdelijk bouwwerk heeft voldoende stabiliteit, drijfvermogen en sterkte. 2.
Voor een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1 of CC2 als bedoeld in NEN-EN 1990, zonder vloer van een verblijfsgebied hoger dan 6 m boven de waterlijn en niet gelegen in: a. een rivier, kanaal, meer of ander water dat bestemd is voor motorvrachtschepen; of b. een water dat onderhevig is aan getijdenwisseling; wordt aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
2
Artikel 4.15b. (afstand en scheefstand) 1. De afstand tussen het metacentrum van een drijvend bouwwerk en het zwaartepunt van het drijvend bouwwerk is ten minste 0,25 m bij gevolgklasse CC1 en 0,60 m bij gevolgklasse CC2. Hierbij ligt het metacentrum boven het zwaartepunt. 2. De loodrechte afstand tussen het wateroppervlak en het laagste punt van de ingedompelde zijde waarboven een drijvend bouwwerk niet meer waterdicht is, is bepaald volgens NEN 2778 ten minste: a. 0 mm bij een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1; b. 0 mm bij een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 met een drijflichaam zonder holle ruimte; c. 150 mm bij een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 met een drijflichaam met een of meer holle ruimten. 3. Als de significante golfhoogte, bepaald volgens tabel 4.15b.1 of 4.15b.2, vermenigvuldigd met 1,125 groter is dan 300 mm, wordt de in het tweede lid bedoelde afstand verhoogd met het verschil tussen de waarde in de tabel vermenigvuldigd met 1,125, en 300 mm. 4. De scheefstand van het horizontale vlak van het drijflichaam, behorend bij de in het tweede lid bedoelde afstand, mag niet groter zijn dan 5 graden. Tabel 4.15b.1 Significante golfhoogte in mm als functie van de waterdiepte en strijklengte voor windgebied I (voor tussenliggende waarden mag lineair worden geïnterpoleerd) Waterdiepte (m)
Strijklengte (m) 30
50
75
100
150
200
500
700
1.000
1.500
2
250
310
370
420
490
490
630
680
730
780
2.5
250
310
370
420
490
560
680
740
800
870
3
250
310
370
420
490
560
700
780
850
940
3.5
250
310
370
420
490
560
820
810
890
990
4
250
310
370
420
490
560
820
830
920
1.030
4.5
250
310
370
420
490
560
820
940
950
1.060
5
250
310
370
420
490
560
820
940
1.090
1.090
5.5
250
310
370
420
490
560
820
940
1.090
1.110
6
250
310
370
420
490
560
820
940
1.090
1.300
6.5
250
310
370
420
490
560
820
940
1.090
1.300
Tabel 4.15b.2 Significante golfhoogte in mm als functie van de waterdiepte en strijklengte voor windgebieden II en III (voor tussenliggende waarden mag lineair worden geïnterpoleerd) Waterdiepte (m)
Strijklengte (m) 30
50
75
100
150
200
500
700
1.000
1.500
2
230
290
340
390
460
460
600
650
700
750
2.5
230
290
340
390
460
520
640
700
760
830
3
230
290
340
390
460
520
670
740
810
890
3.5
230
290
340
390
460
520
760
760
850
940
4
230
290
340
390
460
520
760
880
870
980
4.5
230
290
340
390
460
520
760
880
890
1.010
5
230
290
340
390
460
520
760
880
1.020
1.030
5.5
230
290
340
390
460
520
760
880
1.020
1.050
6
230
290
340
390
460
520
760
880
1.020
1.210
6.5
230
290
340
390
460
520
760
880
1.020
1.210
Artikel 4.15c. (bepaling afstanden) 1. De afstand, bedoeld in artikel 4.15b, eerste lid, wordt bepaald op basis van: a. de meest ongunstige belastingcombinatie uitgaande van de grenstoestand EQU volgens NENEN 1990; b. de blijvende belastingen volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991 de volgende belastingen ook als blijvende belastingen worden beschouwd: 1°. scheidingswanden; 2°. permanent aanwezige installatie; 3°. het trimgewicht; en c. de opgelegde belastingen volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991: 1°. geen rekening wordt gehouden met een ongunstige plaatsing van de gebruiksbelasting op een vloer; en 2°. op een vloer de extreme waarde van de belasting in rekening is gebracht en op de overige vloeren de reductiefactor ψo in rekening is gebracht. 2. De afstand, bedoeld in artikel 4.15b, tweede en derde lid, wordt bepaald op basis van: a. de meest ongunstige belastingscombinatie uitgaande van de grenstoestand EQU volgens NEN-EN 1990; b. de blijvende belasting volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991 de volgende belastingen ook als blijvende belastingen worden beschouwd: 1°. scheidingswanden; 2°. permanent aanwezige installaties; 3°. het trimgewicht; en c. de veranderlijke belastingen volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991: 1°.
de opgelegde belasting, als deze overheersend is als bedoeld in NEN-EN 1990, op een vloer met de extreme waarde en op de meest ongunstige plaats wordt beschouwd en op de overige vloeren de reductiefactor ψo in rekening is gebracht, waarbij de opgelegde belasting niet gecombineerd wordt met overige veranderlijke belastingen; 2°. de opgelegde belasting, als deze niet overheersend is als bedoeld in NEN-EN 1990, niet op de meest ongunstige plaats op een vloer wordt beschouwd; en 3°. belastingen door golven volgens NEN-EN 1997 uitgaande van golven met een significante golfhoogte die zijn bepaald volgens de tabellen 4.15b.1 en 4.15b.2 voor zover deze hoger zijn dan 0,5 m. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde bepalingsmethoden worden alleen toegepast als: a. de scheefstand van het drijvend bouwwerk bij oplevering niet groter is dan 0,5 graden; b. het een drijvend bouwwerk betreft met een drijflichaam met holle ruimte beschikt over een waterniveau-alarm; en c. het een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 betreft met een drijflichaam met holle ruimte, waarbij het drijflichaam bestaat uit ten minste twee gescheiden compartimenten en het drijvend bouwwerk beschikt over een automatische pomp die binnendringend water direct afvoert in ieder compartiment. Artikel 4.15d.