Bijlage Besluit bouwwerken leefomgeving werkversie
Tekst van het document
Tabel 3.11
bepalingsmethode nietbezwijken
leden van toepassing
tijdsduur niet-bezwijken
gebruiksfunctie
artikel
3.12
3.13
lid
1
2
3
4
5
6
1
2
1
Woonfunctie
1
2
–
–
–
–
1
2
2
Bijeenkomstfunctie
1
–
3
–
–
–
1
2
3
Celfunctie
1
–
–
4
–
–
1
2
4
Gezondheidszorgfunctie a. met bedgebied
1
–
–
4
–
–
1
2
b. andere gezondheidszorg -functie
1
–
3
–
–
–
1
2
5
Industriefunctie
1
–
3
–
–
–
1
2
6
Kantoorfunctie
1
–
3
–
–
–
1
2
7
Logiesfunctie
1
–
–
4
–
–
1
2
8
Onderwijsfunctie
1
–
3
–
–
–
1
2
9
Sportfunctie
1
–
3
–
–
–
1
2
10
Winkelfunctie
1
–
3
–
–
–
1
2
11
Overige gebruiksfunctie a. voor het personenvervoer
1
–
3
–
–
–
1
2
b. andere overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
1
–
–
–
5
–
1
2
b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
6
1
2
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 3.12. (tijdsduur niet-bezwijken) 1. Een vloer, trap of hellingbaan, waarover of waaronder een beschermde route voert, bezwijkt niet binnen 20 minuten bij brand in een subbrandcompartiment waarin die beschermde route niet ligt. 2. Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 3.12a aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan dat brandcompartiment. Dit is niet van toepassing op een bouwconstructie van een aan dat brandcompartiment grenzend subbrandcompartiment of grenzende buitenruimte. Tabel 3.12a brandwerendheid met betrekking tot bezwijken Woonfunctie
tijdsduur in minuten
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau
30
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau
60
3. Een bouwconstructie van een gebruiksfunctie met een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 m boven het meetniveau bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen 30 minuten door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment. 4. Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 3.12b genoemde tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment. Tabel 3.12b brandwerendheid met betrekking tot bezwijken Andere gebruiksfunctie dan een woonfunctie
tijdsduur in minuten
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau
30
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau
60
5. Een bouwconstructie van een tunnel bezwijkt niet binnen 30 minuten, en voor zover deze onder open water ligt, niet binnen 60 minuten bij brand in de tunnel. 6. Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen een tijdsduur die afhankelijk van de bestemming en inrichting van het bouwwerk redelijkerwijs nodig is om het bouwwerk bij brand te kunnen verlaten en te doorzoeken, door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment. Artikel 3.13. (bepalingsmethode niet-bezwijken) 1. Bij het bepalen van het niet-bezwijken van een bouwconstructie, bedoeld in artikel 3.12, wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN 8700 kunnen optreden bij brand. 2. De tijdsduur van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.12, wordt bepaald volgens: a. NEN 8700; of b. NEN 6069. § 3.2.3. Afscheiding aan de rand van een vloer, trap of hellingbaan
Artikel 3.14. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het door personen vallen van de rand van een vloer, een trap en een hellingbaan, zo veel mogelijk wordt voorkomen. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.14 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. Tabel 3.14
artikel 3.15 lid
1
2
3
4
5
3.16
3.17
1
2
3
4
1
openingen afscheiding
openingen afscheiding
waarden
hoogte afscheiding
leden van toepassing
aanwezigheid afscheiding
gebruiksfunctie
3.17 2
1 [m]
1
Woonfunctie
1
2
3
4
–
1
2
3
4
1
2
0,2
2
Bijeenkomst-functie a. voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar
1
2
3
4
5
1
2
3
4
1
2
0,1
b. andere bijeenkomst-functie
1
2
3
4
5
1
2
3
4
–
2
–
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
1
2
3
4
5
1
2
3
4
–
2
–
Artikel 3.15. (aanwezigheid afscheiding) 1. Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water. 2. Een trap heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een afscheiding. 3. Een hellingbaan heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een afscheiding. 4. Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan: a. een trap; of b. een hellingbaan. 5. Onverminderd het vierde lid geldt het eerste lid niet voor: a. een rand van een podium; b. een rand van een vloer die aan een bassin grenst;
c. een rand van een laadvloer; d. een rand van een perron; en e. een met een rand als bedoeld onder a tot en met d gelijk te stellen rand van een vloer. Artikel 3.16. (hoogte afscheiding) 1. Een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, heeft een hoogte van ten minste 0,9 m, gemeten vanaf de vloer. 2. In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de vloer. 3. In afwijking van het eerste lid heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m, als de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1 m is. 4. Een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, tweede en derde lid, heeft een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan. Artikel 3.17. (openingen afscheiding) 1. Een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15 heeft tot een hoogte van 0,6 m boven de vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan, geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan de in tabel 3.14 aangegeven waarde. 2. De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, is niet groter dan 0,1 m. § 3.2.4.
Veilig overbruggen van hoogteverschillen Artikel 3.18. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk heeft op een vluchtroute voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen. 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf. Artikel 3.19. (voorziening bij hoogteverschil) 1. Een hoogteverschil van meer dan 0,22 m tussen vloeren waarover een vluchtroute voert, wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Dit geldt ook voor een hoogteverschil tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein. 2. Voor zover de vluchtroute door een wegtunnelbuis voert, geldt in afwijking van het eerste lid een hoogteverschil van meer dan 0,3 m. Artikel 3.20. (afmetingen trap) Een trap als bedoeld in artikel 3.19 voldoet aan de in tabel 3.20 aangegeven afmetingen. Tabel 3.20 afmetingen van een trap Minimum breedte van de trap
0,7 m
Minimum vrije hoogte boven de trap
1,9 m
Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede
0,13 m
Maximum hoogte van een optrede
0,22 m
Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap
0,2 m
Artikel 3.21. (trapbordes) Een trap als bedoeld in artikel 3.19 sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m. Artikel 3.22. (leuning) Een trap als bedoeld in artikel 3.19 waarvan de helling ter plaatse van de klimlijn groter is dan 2:3, heeft, voor zover een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,6 m en ten hoogste 1 m. Artikel 3.23. (afmetingen hellingbaan) Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.19 heeft een breedte van ten minste 0,7 m en een helling van ten hoogste 1:10. Artikel 3.24. (hellingbaanbordes) Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.19 sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m. § 3.2.5. Beweegbare constructieonderdelen Artikel 3.25. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructieonderdelen dat deze geen gevaar veroorzaken bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte. 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regel in deze paragraaf. Artikel 3.26. (beweegbaar constructieonderdeel: gevarenzone) 1.
Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 4,2 m boven die weg. 2. Het eerste lid geldt niet voor een deur van een ruimte met een vloeroppervlakte van minder dan 0,5 m2. § 3.2.6. Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie Artikel 3.27. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt. 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf. Artikel 3.28. (stookplaats) 1. Materiaal ter plaatse van of nabij een stookplaats is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, als: a. op het materiaal een intensiteit aan warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m2; of b. in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C. 2. Bij toepassing van het eerste lid kan in plaats van onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, worden uitgegaan van brandklasse A1, of A1fl, bepaald volgens NEN-EN 13501-1. Artikel 3.29. (rookgasafvoer) 1. Materiaal van een voorziening voor de afvoer van rookgas en materiaal dat in de nabijheid van die voorziening is toegepast, waarin een volgens NEN 8062 bepaalde temperatuur kan optreden van meer dan 90 °C: a.
voldoet aan brandklasse A1 volgens NEN-EN 13501-1; of
b. is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een samenstel van een voorziening voor de afvoer van rookgas en materiaal in de nabijheid daarvan dat voldoet aan NEN 6062. § 3.2.7. Beperking van het ontwikkelen van brand en rook Artikel 3.30. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.30 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.30 leden van toepas sing
waarden
zijde grenzend aan de
2
3
4
5
1
2
3
1
2
3
3.35
3.31
3.32
*
1
1
[brandklasse]
[brandklasse]
1
2
Woonfunctie
overig
beschermde route
1
extra beschermde vluchtroute
lid
3.34
overig
3.33
beschermde route
3.32
extra beschermde vluchtroute
beloopbaar vlak
3.31
toepassing Euroklassen
buitenoppervlak
artikel
buitenlucht
vrijgestelde oppervlakte
1
binnenoppervlak
binnenlucht
a. in een woongebouw
1
2
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
2
4
2
2
4
b. andere woonfunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
2
Bijeenkomstfunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
3
Celfunctie
1
–
3
4
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
1
1
4
1
1
4
4
Gezondheidszorgfunctie a. met bedgebied
1
2
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
2
4
2
4
4
b. andere gezondheidszorgfunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
Industriefunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
5
6
Kantoorfunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
7
Logiesfunctie a. in een logiesgebouw
1
2
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
2
4
2
4
4
b. andere logiesfunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
8
Onderwijsfunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
9
Sportfunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
10
Winkelfunctie
1
–
3
–
5
1
2
3
1
2
3
1
–
*
2
4
4
2
4
4
11
Overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde a. tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer
–
–
3
–
–
1
2
3
1
2
3
–
2
*
–
–
–
2
4
4
b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
1
2
3
1
2
3
–
2
*
–
–
–
2
4
4
Artikel 3.31. (binnenoppervlak) 1. Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht heeft een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de in tabel 3.30 aangegeven brandklasse en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1. 2. In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een beschermde route voert een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1. 3. In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1. 4. In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een celeenheid een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1. 5. In afwijking van het eerste lid voldoet het beweegbare deel van een deur in een inwendige scheidingsconstructie op een route tussen: a. een gebruiksgebied, een toiletruimte of een badruimte en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert; en b.
een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert en de in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte; aan brandklasse 4, bepaald volgens NEN 6065. Artikel 3.32. (buitenoppervlak) 1. Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht heeft een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de in tabel 3.30 aangegeven brandklasse. 2. In afwijking van het eerste lid hebben een deur, een raam, een kozijn of een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting die voldoet aan brandklasse 4. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de bovenzijde van een dak. Artikel 3.33. (beloopbaar vlak) 1. In afwijking van artikel 3.31 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan die grenst aan de binnenlucht een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T3 en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1. 2. In afwijking van artikel 3.32 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T3. 3.
In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan waarover een extra beschermde vluchtroute voert een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T1. Artikel 3.34. (vrijgestelde oppervlakte) 1. Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de artikelen 3.31 tot en met 3.33 een eis geldt, is die eis niet van toepassing. 2. Voor bouwwerken geen gebouw zijnde is op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen, waarvoor volgens de artikelen 3.31 tot en met 3.33 een eis geldt, die eis niet van toepassing.
Artikel 3.35. (toepassing Euroklassen) Bij toepassing van de artikelen 3.31 tot en met 3.33 kan in plaats van: a. brandklasse 1, bepaald volgens NEN 6065, worden uitgegaan van brandklasse B, bepaald volgens NEN-EN 13501-1; b. brandklasse 2, bepaald volgens NEN 6065, in een besloten ruimte worden uitgegaan van brandklasse B en in een niet-besloten ruimte van brandklasse C, beide bepaald volgens NENEN 13501-1; c. brandklasse 3, bepaald volgens NEN 6065, worden uitgegaan van brandklasse C, bepaald volgens NEN-EN 13501-1; d. brandklasse 4, bepaald volgens NEN 6065, worden uitgegaan van brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1; e. brandklasse T1, bepaald volgens NEN 1775, worden uitgegaan van brandklasse C fl, bepaald volgens NEN-EN 13501-1; f. brandklasse T3, bepaald volgens NEN 1775, worden uitgegaan van brandklasse D fl, bepaald volgens NEN-EN 13501-1; en g. een rookproductie met een rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1 of 5,4 m-1, bepaald volgens NEN 6066, worden uitgegaan van rookklasse s2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1. § 3.2.8. Beperking van uitbreiding van brand Artikel 3.36. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk is zodanig dat de uitbreiding van brand: a. naar bouwwerken op andere percelen beperkt blijft; en b. geen gevaar oplevert voor het vluchten en hulpverlening bij brand. 2.
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.36 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.36
artikel lid 1
2 3 4
5
6 7 8 9 10 11 12
Woonfunctie a. woonwagen b. andere woonfunctie Bijeenkomstfunctie Celfunctie Gezondheidszorgfunctie a. met bedgebied b. andere gezondheidszorgfunctie Industriefunctie a. lichte industriefunctie voor het houden van dieren b. andere lichte industriefunctie c. andere industriefunctie Kantoorfunctie Logiesfunctie Onderwijsfunctie Sportfunctie Winkelfunctie Overige gebruiksfunctie Bouwwerk geen gebouw zijnde a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
wbdbo: bepalingsmethode
wbdbo: niveau van eisen
brandcompartiment: omvang
brandcompartiment: omvang
waarden
opvangcompartiment
leden van toepassing
brandcompartiment: ligging
gebruiksfunctie
3.37 1
2
3
4
5
6
7
3.38 1
2
3
4
5
6
7
8
3.39 1
2
3.40 1
2
3.41 1
2
3.38 1 [m2]
1 1 1 1
– – – –
– 3 3 3
– – – –
– – – –
– – – –
– – – –
– 1 1 1
2 – – –
– 3 3 3
– – – –
– 5 – –
– 6 – –
– 7 7 7
– – 8 –
– – – 1
– – – –
– 1 1 1
2 – – –
1 1 1 1
2 2 2 2
– 2.000 2.000 2.000
1 1
– –
3 3
– –
– –
– –
– –
1 1
– –
3 3
– –
– –
– –
7 7
– –
– –
2 –
1 1
– –
1 1
2 2
2.000 2.000
1
–
3
4
5
6
7
1
–
3
–
–
–
7
–
–
–
1
–
1
2
3.000
1
–
3
4
5
6
7
1
–
3
–
–
–
–
–
–
–
1
–
1
2
3.000
1
–
3
4
5
–
–
1
–
3
–
–
–
–
–
–
–
1
–
1
2
3.000
1 1 1 1 1 1
– – – – – –
3 3 3 3 3 3
– – – – – 4
– – – – – 5
– – – – – 6
– – – – – –
1 1 1 1 1 1
– – – – – –
3 3 3 3 3 3
– – – – – –
– – – – – –
– – – – – –
7 7 7 7 7 7
8 – – – 8 8
– – – – – –
– – – – – –
1 1 1 1 1 1
– – – – – –
1 1 1 1 1 1
2 2 2 2 2 2
2.000 1.000 3.000 3.000 2.000 3.000
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
4
–
–
–
–
–
–
1
–
1
2
–
b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Artikel 3.37. (brandcompartiment: ligging) 1. Een besloten ruimte ligt in een brandcompartiment. Dit is niet van toepassing op: a. een toiletruimte; b. een badruimte; c. een liftschacht, als de constructieonderdelen aan de binnenzijde van de schacht voldoen aan een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting die voldoet aan klasse 2 en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1, of aan brandklasse B en rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1; en d. een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m 2, niet bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 160 kW. 2. Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m ligt in een brandcompartiment. 3. In afwijking van het eerste lid voert een extra beschermde vluchtroute niet door een brandcompartiment. 4. Een niet-besloten gebruiksgebied ligt in een brandcompartiment. 5. Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie of gebruiksfuncties van dezelfde soort, met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 3.000 m 2 en een vuurbelasting niet groter dan 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090. 6.
Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie of gebruiksfuncties van dezelfde soort, met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m 2. 7. Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie met een permanente vuurbelasting niet groter dan 200 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090. Artikel 3.38. (brandcompartiment: omvang) 1. Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan de in tabel 3.36 aangegeven oppervlakte. 2. In een brandcompartiment liggen ten hoogste vier woonwagens en nevengebruiksfuncties daarvan met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2. 3. Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een bouwwerkperceel. 4. Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een wegtunnelbuis. 5. In een brandcompartiment liggen ten hoogste een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan. 6. In afwijking van het vijfde lid is een gemeenschappelijk verblijfsgebied toegestaan, als dat verblijfsgebied een afzonderlijk brandcompartiment is. 7. Een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m2 is een afzonderlijk brandcompartiment. 8. Bij een brandcompartiment van een industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 2.000 m2 is het eerste lid niet van toepassing op een of meer in dat brandcompartiment gelegen nevengebruiksfuncties.
Artikel 3.39. (opvangcompartiment) 1. In afwijking van artikel 3.38, eerste lid, is de gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment met een of meer celeenheden ten hoogste 1.000 m2 en niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw. 2. Een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten is niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van de bouwlaag waarop dit brandcompartiment ligt. Artikel 3.40. (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen) 1. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert is ten minste 20 minuten. 2. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment is ten minste 20 minuten of de afstand tussen een brandcompartiment en een ander brandcompartiment is ten minste 5 m.
Artikel 3.41. (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode) 1. De in artikel 3.40 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt bepaald volgens NEN 6068. 2. Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend bouwwerkperceel gelegen gebouw wordt voor het op het andere bouwwerkperceel gelegen gebouw uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Als het bouwwerkperceel grenst aan: a. een openbare weg; b. openbaar water; c. openbaar groen; of d. een perceel daarvan dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen; vindt deze spiegeling plaats ten opzichte van het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel. § 3.2.9. Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook Artikel 3.42. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand en verspreiding van rook in verdergaande mate wordt beperkt dan bepaald in paragraaf 3.2.8 zodat veilig kan worden gevlucht. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.42 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.42
1
2
3
1
2
3
4
3.46
3.47
*
1
1
2
3
4
5
6
7
Beschermd subbrandcompartiment: omvang
lid
3.45
wbdbo
3.44
Beschermd subbrandcompartiment:
3.43
subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang
artikel
Beschermd subbrandcompartimrnent: omvang subbrandcompartiment: omvang
waarden
Beschermd subbrandcompartiment: ligging
leden van toepassing
subbrand-compartiment: ligging
Gebruiksfunctie
3.45 2
1 [m2]
1
2
Woonfunctie a. voor zorg met een g.o. > 1.000 m2
1
2
3
1
–
–
–
1
2
–
–
–
–
–
*
1
–
200
b. woonwagen
1
2
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
c. andere woonfunctie
1
2
3
1
–
–
–
1
–
–
–
–
–
–
*
1
–
1.000
Bijeenkomst-
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
functie 3
Celfunctie
1
2
3
–
–
3
–
–
–
3
–
–
–
–
*
1
2
–
4
Gezondheidszorgfunctie a. met bedgebied
1
2
3
–
2
–
–
–
–
–
4
5
–
–
*
1
2
–
b. andere gezondheidszorgfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
5
Industriefunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
6
Kantoorfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
7
Logiesfunctie
1
2
3
–
–
–
4
1
–
–
–
–
6
7
*
1
–
1.000
8
Onderwijsfunc tie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
9
Sportfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
10
Winkelfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
11
Overige gebruiksfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
–
–
b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Artikel 3.43. (subbrandcompartiment: ligging) 1. Een brandcompartiment is ingedeeld in een of meer subbrandcompartimenten of ruimten waardoor een beschermde route voert. 2. Een beschermde route ligt niet in het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint. 3. In afwijking van het eerste lid kan een verblijfsgebied voor bewaking buiten een subbrandcompartiment liggen als: a. constructieonderdelen in dat gebied voldoen aan de eisen die artikel 3.31 stelt aan constructieonderdelen die grenzen aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een beschermde route voert; en b. aankleding in dat gebied voldoet aan de eisen die artikel 6.14 stelt aan aankleding in een ruimte waardoor een beschermde route voert. Artikel 3.44. (beschermd subbrandcompartiment: ligging) 1. Een verblijfsruimte ligt in een beschermd subbrandcompartiment. 2. Een bedruimte ligt in een beschermd subbrandcompartiment. 3. Een celeenheid ligt in een beschermd subbrandcompartiment. 4. Een logiesverblijf ligt in een beschermd subbrandcompartiment. Artikel 3.45. (beschermd subbrandcompartiment: omvang) 1. Een beschermd subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte van ten hoogste de in tabel 3.42 aangegeven oppervlakte. 2. In afwijking van het eerste lid heeft een beschermd subbrandcompartiment met alleen gezamenlijke ruimten een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m 2. 3.
Een celeenheid is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment. 4. Een beschermd subbrandcompartiment met bedgebied omvat alleen een of meer bedruimten en ruimten die ten dienste staan van die bedruimten en heeft een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2. 5. Een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in het vierde lid, bestemd voor bedgebonden patiënten, heeft, afhankelijk van het bewakingsniveau, een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2 zonder bewaking en ten hoogste 1.000 m2 bij permanente bewaking. 6. Een logiesverblijf is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment. 7. Een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment is een afzonderlijk subbrandcompartiment. Artikel 3.46. (subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang) De volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte in het brandcompartiment is ten minste 20 minuten. Artikel 3.47. (beschermd subbrandcompartiment: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag) 1. De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 3.44 naar een andere ruimte in het brandcompartiment is ten minste 20 minuten. 2.
Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bedoeld in het eerste lid, blijft onder een deur een oppervlak van niet meer dan 0,02 m2 bij een hoogte van niet meer dan 0,05 m, gemeten vanaf de vloer, buiten beschouwing. § 3.2.10. Vluchtroutes: verloop Artikel 3.48. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.48 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.48
lid
extra beschermde vluchtroute
veiligheidsroute
tweede vluchtroute
3.49
3.50
3.51
3.52
3.53
3.54
1
2
3
4
1
2
3
1
2
1
2
3
1
2
vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment
beschermde route
artikel
waarden
vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment
leden van toepassing
vluchtroute
Gebruiksfunctie
1
3.50 2
3
1 [m]
1
Woonfunctie
1
–
–
–
1
–
–
1
–
1
–
–
1
–
1
2
3
45
2
Bijeenkomstfunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
60
3
Celfunctie
–
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
75
4
Gezondheidszorgfunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
75
5
Industriefunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
75
6
Kantoorfunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
75
7
Logiesfunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
75
8
Onderwijsfunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
60
9
Sportfunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
75
10
Winkelfunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
75
11
Overige gebruiksfunctie
1
2
–
–
1
–
3
–
2
–
2
3
–
2
1
2
3
75
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
1
–
3
–
–
2
–
1
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde
1
–
–
4
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Artikel 3.49. (vluchtroute) 1. Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg. 2. Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer van een celfunctie of van een nevengebruiksfunctie daarvan begint een vluchtroute die, al dan niet via een buitenruimte, leidt naar een ander brandcompartiment. 3. Op elk punt van een rijbaan begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de buiten de wegtunnel gelegen openbare weg. 4. Een bouwwerk geen gebouw zijnde heeft, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, voldoende en zodanig ingerichte vluchtroutes dat bij brand op doeltreffende en veilige wijze kan worden gevlucht. Artikel 3.50. (vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment) 1. De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en een uitgang van het subbrandcompartiment waarin dat gebruiksgebied ligt, is niet groter dan de in tabel 3.48 aangegeven afstand. 2. De loopafstand tussen een punt op een rijbaanvloer en een uitgang van het subbrandcompartiment is ten hoogste 150 m. De afstand tussen twee uitgangen is ten hoogste 250 m, gemeten langs de tunnelwand. 3. Een subbrandcompartiment en een daarin gelegen verblijfsruimte voor meer dan 225 personen hebben ten minste twee uitgangen waardoor een vluchtroute loopt.
Artikel 3.51. (beschermde route) 1. Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde route, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein. 2. Een vluchtroute waarop ten hoogste 60 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde route, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein. Artikel 3.52. (extra beschermde vluchtroute) 1. Een vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert waarop een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 aan woonfuncties is aangewezen, is een extra beschermde vluchtroute. 2. Een vluchtroute waarop meer dan 60 en ten hoogste 225 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij dat compartiment rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein. 3. Een vluchtroute in een besloten trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 12,5 m wordt overbrugd, is een extra beschermde vluchtroute. Artikel 3.53. (veiligheidsroute) 1. Een vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert waarop een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 1.500 m2 aan woonfuncties is aangewezen, is een veiligheidsroute. 2.
Een vluchtroute waarop meer dan 225 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een veiligheidsroute, tenzij dat compartiment rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein. Artikel 3.54. (tweede vluchtroute) 1. Als op een vluchtroute een tweede vluchtroute begint, zijn de artikelen 3.51, 3.52, eerste en tweede lid, en 3.53 niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren.
2. In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren als: a. de ruimte grenst aan de uitgang van het subbrandcompartiment; b. de vluchtroutes in de ruimte naar verschillende uitgangen voeren; en c. als de ruimte een besloten ruimte is, de loopafstand in die ruimte gemeten over beide vluchtroutes ten hoogste 30 m is en ten hoogste 70 m als de vluchtroutes in die ruimte beschermde routes zijn. 3. In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsroute is. § 3.2.11. Vluchtroutes: inrichting Artikel 3.55. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk heeft vluchtroutes met een zodanige inrichting dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.55 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. Tabel 3.55 waarden
artikel lid
3.56
3.57
3.58
3.59
*
*
*
1
hoogte
breedte
inrichting vluchtroute: vrije doorgang
inrichting vluchtroute: permanente vuurbelasting
inrichting vluchtroute: wbdbo
inrichting vluchtroute: nietbesloten ruimte
leden van toepassing
inrichting vluchtroute: weerstand tegen rookdoorgang
gebruiksfunctie
3.60
3.59
2
*
1 [m]
[m]
1
Woonfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
2
Bijeenkomstfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
3
Celfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
4
Gezondheidszorgfunctie a. met bedgebied
*
*
*
1
2
*
0,5
1,7
b, andere gezondheidszorgfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
5
Industriefunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
6
Kantoorfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
7
Logiesfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
8
Onderwijsfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
9
Sportfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
10
Winkelfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
11
Overige gebruiksfunctie
*
*
*
1
–
*
0,5
1,7
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde *
–
*
1
–
*
0,7
1,9
a. wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m b. ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
*
–
Artikel 3.56. (inrichting vluchtroute: weerstand tegen rookdoorgang) De volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang tussen een besloten ruimte waardoor een beschermde route of extra beschermde vluchtroute voert en de in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte is ten minste 20 minuten. Artikel 3.57. (inrichting vluchtroute: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag) Tussen de verschillende ruimten, bedoeld in artikel 3.54, eerste lid, is een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 20 minuten. Artikel 3.58. (inrichting vluchtroute: permanente vuurlast) Het product van de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurlast en de netto-vloeroppervlakte van een ruimte waardoor een veiligheidsroute voert is per bouwlaag ten hoogste 7.000 MJ. Artikel 3.59. (inrichting vluchtroute: vrije doorgang) 1. Een ruimte waardoor een vluchtroute voert heeft een vrije doorgang met ten minste de in tabel 3.55 aangegeven breedte en hoogte. 2. Een ruimte waardoor een vluchtroute voert vanuit een bedgebied voor bedgebonden patiënten naar een ander brandcompartiment als bedoeld in artikel 3.39, tweede lid, heeft een vrije doorgang waardoor een blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m horizontaal kan worden voortbewogen. Deze vluchtroute voert niet over een trap of door een liftkooi. Artikel 3.60.
(inrichting vluchtroute: niet-besloten ruimte) Een niet-besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert heeft een zodanige capaciteit voor de afvoer van warmte en rook en de toevoer van verse lucht dat die ruimte tijdens brand kan worden gebruikt om te vluchten en voor het verrichten van reddings- en bluswerkzaamheden. § 3.2.12. Wegtunnels: hulpverlening bij brand Artikel 3.61. (aansturingsartikel) 1. Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is zodanig dat de hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden. 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regel in deze paragraaf. Artikel 3.62. (hulppost wegtunnel) Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft een zodanig aantal hulpposten dat de loopafstand tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een hulppost niet groter is dan 75 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die alleen voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. De afstand tussen twee opeenvolgende hulpposten is ten hoogste 100 m. Afdeling 3.3. Gezondheid § 3.3.1. Wering van vocht
–
Artikel 3.63. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk heeft scheidingsconstructies waarmee de vorming van allergenen door vocht in verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.63 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. Tabel 3.63 leden van toepassing
wateropname
wering van vocht van buiten
gebruiksfunctie
artikel
3.64
3.65
lid
1
2
3
*
1
Woonfunctie
1
2
3
*
2
Bijeenkomstfunctie
1
2
3
*
3
Celfunctie
1
2
3
*
4
Gezondheidszorgfunctie
1
2
3
*
5
Industriefunctie
–
–
–
*
6
Kantoorfunctie
1
2
3
*
7
Logiesfunctie
1
2
3
*
8
Onderwijsfunctie
1
2
3
*
9
Sportfunctie
1
2
3
*
10
Winkelfunctie
1
2
3
*
11
Overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
Artikel 3.64. (wering van vocht van buiten) 1. Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht. 2. Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het kunnen binnendringen van vocht in de verblijfsruimte, de toiletruimte of de badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht. 3. Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte, voor zover die scheidingsconstructie niet grenst aan een andere verblijfsruimte, een andere toiletruimte of een andere badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht. Artikel 3.65. (wateropname) Een scheidingsconstructie van een badruimte heeft aan een zijde die grenst aan die ruimte tot 1 m boven de vloer van die ruimte een volgens NEN 2778 bepaalde wateropname die gemiddeld niet groter is dan 0,01 kg/(m2.s½) en op geen enkele plaats groter dan 0,2 kg/(m2.s½).
§ 3.3.2. Luchtverversing Artikel 3.66. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk heeft een voorziening voor luchtverversing waarmee het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.66 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 3.66
1
2
3
4
5
6
7
3.68
3.69
3.70
3.71
*
1
1
2
3
4
5
2
3
1
luchtverversing verblijfsruimte
lid
luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht
3.67
luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht
artikel
luchtkwaliteit: plaats van de uitmonding
waarden
luchtverversing overige ruimten
leden van toepassing
luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte
gebruiksfunctie
3.67 2
3
4
2 dm³/sec per persoon
1
Woonfunctie
2
Bijeenkomstfunctie
3
1
–
3
4
5
6
–
1
2
3
–
–
–
1
2
–
1
2
–
4
–
a. voor kinderopvang
–
2
3
–
–
6
–
1
2
3
–
–
–
1
2
–
1
2
–
4
3,44
b. voor alcoholgebruik
–
2
3
–
–
6
7
1
2
3
–
–
–
1
2
–
1
2
–
4
2,12
c. andere bijeenkomstfunctie
–
2
3
–
–
6
–
1
2
3
–
–
–
1
2
–
1
2
–
4
2,12
Celfunctie
–
2
3
–
–
6
–
1
2
3
–
–
–
1
2
–
1
2
–
4
1 verblijfsruimte van een celeenheid
6,40
2 andere verblijfsruimte
3,44
4
Gezondheidszorgfunctie
–
2
3
–
–
6
–
1
2
3
–
–
–
1
2
–
1
2
–
4
3,44
5
Industriefunctie
–
2
3
–
–
6
–
1
2
3
–
–
–
1
2
–
1
2
–
4
3,44
6
Kantoorfunctie
–
2
3
–
–
6
–
1
2
3
–
–
–
1
2
–
1
2
–
4
3,44
7
Logiesfunctie
–
2
3
4
–
6
–
1
2
3
–
–
–
1
2
–
1
2
–
4
6,40
8
Onderwijsfunctie
–
2
3
–
–
6
–
1
2
3
–
–
–
1
2
–
1
2
–
4
3,44
9
Sportfunctie
–
2
3
–
–
6
–
1
2
3
–
–
–
1
2
–
1
2
–
4
3,44
10
Winkelfunctie
–
2
3
–
–
6
–
1
2
3
–
–
–
1
2
–
1
2
–
4
2,12
11
12
Overige gebruiksfunctie a. voor het stallen van motorvoertuigen
–
–
–
–
–
6
–
1
2
–
4
–
*
1
2
–
1
2
–
4
–
b. andere overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
6
–
1
2
3
–
–
–
1
2
–
1
2
–
4
–
a. wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
5
–
–
–
3
–
–
3
–
–
b. andere tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
5
–
–
–
–
–
–
–
–
–
c. ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
1
2
3
–
–
–
1
–
–
1
–
–
–
–
Bouwwerk geen gebouw zijnde
Artikel 3.67. (luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte) 1. Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte, met een minimum van 7 dm3/s. 2. Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste de in tabel 3.66 aangegeven capaciteit per persoon. 3. Onverminderd het eerste en tweede lid heeft een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel of met een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel voor warmwater een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 21 dm³/s. Een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel met een nominale belasting van meer dan 15 kW, of voor een warmwatertoestel dat geen open verbrandingstoestel is, blijft hierbij buiten beschouwing. 4. Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsruimte heeft een capaciteit die ten minste voldoet aan de hoogste waarde die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor een op die voorziening aangewezen verblijfsruimte. 5.
Een voorziening voor luchtverversing voor een verblijfsgebied dat bestaat uit meer dan een gemeenschappelijke verblijfsruimte heeft, in afwijking van het vierde lid, een capaciteit die ten minste voldoet aan de som van de waarden die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor de op die voorziening aangewezen verblijfsruimten. 6. Een toiletruimte en een badruimte hebben een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste: a. 7 dm3/s bij een toiletruimte; en b. 14 dm3/s bij een badruimte. 7. Onverminderd het tweede lid heeft een verblijfsruimte een voorziening voor luchtverversing met een mechanische aan- of afvoer met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,8 dm3/s per m2 vloeroppervlakte. Artikel 3.68. (luchtverversing overige ruimten) 1. Een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 1 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 2 dm3/s. 2. Een liftschacht heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die liftschacht. 3.
Een opslagruimte voor huishoudelijk afval met een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m2 heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 10 dm³/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, of een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 100 dm³/s als de ruimte groter is dan 10 m2. 4. Een stallingruimte voor motorvoertuigen heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte. 5. Een tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer heeft afhankelijk van zijn bestemming en tunnellengte een voorziening voor luchtverversing met voldoende capaciteit. Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 m is de voorziening een mechanische voorziening voor luchtverversing. Artikel 3.69. (luchtkwaliteit: plaats van de uitmonding) Bij een voorziening voor mechanische ventilatie van een stallingruimte voor motorvoertuigen met ten minste 20 parkeerplaatsen: a. wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw ligt met een hoogste daklijn die meer dan 5 m boven het straatniveau ligt, ten minste 1 m boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en
b. is de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste 10 m/s. Artikel 3.70. (luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht) 1. De toevoer van verse lucht naar een liftschacht voor een brandweerlift vindt rechtstreeks van buiten of via de liftmachineruimte van buiten plaats. 2. De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval vindt rechtstreeks van buiten plaats. 3. Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de toevoer van verse lucht rechtstreeks van buiten plaats. Artikel 3.71. (luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht) 1. De afvoer van binnenlucht uit een liftschacht voor een brandweerlift vindt rechtstreeks naar buiten of via de liftmachineruimte naar buiten plaats. 2. De afvoer van binnenlucht vindt rechtstreeks naar buiten plaats uit: a. een toiletruimte; b. een badruimte; en c. een opslagruimte voor huishoudelijk afval. 3. De afvoer van binnenlucht uit een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt rechtstreeks naar buiten plaats. 4. Ten minste 21 dm³/s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht uit een verblijfsruimte waarin zich een opstelplaats voor een kooktoestel bevindt, wordt rechtstreeks naar buiten afgevoerd. § 3.3.3. Spuivoorziening Artikel 3.72. (aansturingsartikel) 1.
Een bouwwerk heeft een voorziening voor het zo nodig snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.72 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. Tabel 3.72 leden van toepassing
capaciteit spuivoorziening
gebruiksfunctie
artikel 3.73 lid
1
2
3
1
2
3
a. voor kinderopvang
1
–
3
b. andere bijeenkomstfunctie
–
–
–
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
–
–
–
1
Woonfunctie
2
Bijeenkomstfunctie
Artikel 3.73. (capaciteit spuivoorziening) 1. Een verblijfsruimte heeft een spuivoorziening met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie van ten minste 3 dm³/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een gemeenschappelijke verblijfsruimte. 3. De in het eerste lid bedoelde capaciteit kan worden gerealiseerd met de in artikel 3.67 bedoelde voorziening voor luchtverversing. § 3.3.4. Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht Artikel 3.74. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk met een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, waarmee een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.74 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. Tabel 3.74
capaciteit: afvoer van rookgas
capaciteit: toevoer van verbrandingslucht
rookdoorlatendheid
12
leden van toepassing
aanwezigheid
gebruiksfunctie
artikel
3.75
3.76
3.77
3.78
lid
1
2
1
2
3
4
1
2
3
*
Bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
1
2
1
2
3
4
1
2
3
*
Artikel 3.75. (aanwezigheid) 1. Een ruimte met een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de afvoer van rookgas en de toevoer van verbrandingslucht. Dit is niet van toepassing op een verblijfsruimte met een of meer kook- of warmwatertoestellen met open verbranding met een nominale belasting van niet meer dan 15 kW per toestel. 2. Een open verbrandingstoestel is niet opgesteld in een toiletruimte of badruimte. Artikel 3.76. (capaciteit: afvoer van rookgas) 1. Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde afvoercapaciteit. 2. Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit, dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.
3. Een combinatie van een voorziening voor de afvoer van rookgas met een voorziening voor de afvoer van binnenlucht heeft een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit die gelijk is aan de hoogste waarde die geldt voor de afzonderlijke voorzieningen. 4. Rookgas stroomt, bepaald volgens NEN 8757, vanaf een verbrandingstoestel naar de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rookgas. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing. Artikel 3.77. (capaciteit: toevoer van verbrandingslucht) 1. Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde capaciteit. 2. Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden. 3. De richting van de luchtstroming voor de toevoer van verbrandingslucht gaat vanuit de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht naar een verbrandingstoestel. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing. Artikel 3.78.
(rookdoorlatendheid) Het inwendig oppervlak van een overdrukvoorziening voor de afvoer van rookgas heeft, ter voorkoming van verspreiding van voor de gezondheid schadelijke bestanddelen uit de rook, een volgens NEN 8757 bepaalde doorlatendheid die bij een drukverschil van 200 Pa niet groter is dan 0,006 x 10-3m3/s per m2. § 3.3.5. Bescherming tegen ratten en muizen Artikel 3.79. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk is zodanig dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.79 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. Tabel 3.79 leden van toepassing
openingen
gebruiksfunctie
artikel
3.80
lid
1
2
1
Woonfunctie
1
2
2
Bijeenkomstfunctie
1
2
3
Celfunctie
1
2
4
Gezondheidszorgfunctie
1
2
5
Industriefunctie
–
–
6
Kantoorfunctie
1
2
7
Logiesfunctie
1
2
8
Onderwijsfunctie
1
2
9
Sportfunctie
1
2
10
Winkelfunctie
1
2
11
Overige gebruiksfunctie
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
Artikel 3.80. (openingen) 1. Een uitwendige scheidingsconstructie heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit is niet van toepassing op een afsluitbare opening en een uitmonding van: a. een voorziening voor luchtverversing; b. een afvoervoorziening voor rookgas; en c. een ont- en beluchting van een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater. 2. In afwijking van het eerste lid is een grotere opening toegestaan voor een nest of een vaste rust- of verblijfplaats voor op grond van afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen beschermde diersoorten. § 3.3.6. Daglicht Artikel 3.81. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.81 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. Tabel 3.81 waarde n
daglichtoppervlakte
leden van toepassing
daglichtoppervlakte
Gebruiksfunctie
artikel
3.82
lid
1
3.82 2
3
4
5
6
7
8
1 [m2]
1
Woonfunctie
1
2
–
–
–
–
–
8
0,5
2
Bijeenkomstfunctie a. kinderopvang
1
2
3
4
–
–
–
8
0,5
b. andere bijeenkomstfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
3
Celfunctie
1
2
3
–
5
–
–
8
0,15
4
Gezondheidszorgfunctie
1
2
3
–
–
6
–
8
0,5
5
Industriefunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
6
Kantoorfunctie
1
2
3
–
–
–
–
8
0,5
7
Logiesfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
8
Onderwijsfunctie
1
2
3
–
–
–
7
8
0,5
9
Sportfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
10
Winkelfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
11
Overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Artikel 3.82. (daglichtoppervlakte) 1. Een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet kleiner is dan de in tabel 3.81 aangegeven oppervlakte. 2. Bij het bepalen van het equivalente daglichtoppervlakte: a. blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing; b. blijven daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie die op een loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten afstand van minder dan 2 m vanaf de bouwwerkperceelsgrens liggen buiten beschouwing, waarbij, als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand wordt aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen; en c. is de in rekening te brengen belemmeringshoek α, bedoeld in NEN 2057 voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 25°. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking. 4. Het eerste lid geldt niet voor een bedruimte. 5. In afwijking van het eerste en tweede lid kan in een celeenheid of andere ruimte voor het insluiten van personen worden volstaan met het waarneembaar zijn van de dag- en nachtcyclus. 6. Het eerste lid geldt alleen voor een bedruimte. 7. Het eerste lid geldt niet voor een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m2. 8.
Als de op grond van het eerste tot en met zevende lid vereiste equivalente daglichtoppervlakte groter is dan de met toepassing van artikel 4.147 vastgestelde ten minste aan te houden equivalente daglichtoppervlakte, kan in plaats van het eerste tot en met de zevende lid artikel 4.147 worden toegepast. Afdeling 3.4. Duurzaamheid § 3.4.1. Energieprestatie Energiezuinigheid
Artikel 3.83. (aansturingsartikel) 1. Een bouwwerk is voldoende duurzaam energiezuinig. 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.83a of 3.83b tabel 3.83 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels. Tabel 3.83a leden van toepassing
maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik
gebruiksfunctie
artikel lid 1
Woonfunctie
3.84 1 –
2 –
3 –
4 –
5 –
6 –
7 –
8 –
3.84a 1 –
2 –
3.84b * –
3.86 * –
3.86a 1 –
2 –
3 –
4 –
3.86b * –
5 6 11 12
Industriefunctie Kantoorfunctie Overige gebruiksfunctie Bouwwerk geen gebouw zijnde Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
1 1 1
2 2 2
3 3 3
4 4 4
5 5 5
6 6 6
7 7 7
8 8 8
1 1 1
2 2 2
* * *
* * *
– 1 –
– 2 –
– 3 –
– 4 –
– * –
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
1
2
3
4
5
6
7
8
1
2
*
*
1
2
3
4
*
3.87 1
2
3
4
5
6
7
8
3.87a *
– –
– –
– –
4 –
5 –
– –
– –
8 –
2 –
– 1 –
– 2 –
– 3 –
– – –
– 5 –
– 6 –
– 7 –
– – –
– 1 –
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Tabel 3.83b
overgangsrecht energieprestatie-eis
leden van toepassing
eEnergieprestatie-eis
gebruiksfunctie
artikel lid 1
5 6 11 12
Woonfunctie a. voor verhuur b. andere woonfunctie Industriefunctie Kantoorfunctie Overige gebruiksfunctie Bouwwerk geen gebouw zijnde
Tabel 3.83
4 4 4
5 5 5
6 6 6
7 7 7
8 8 8
3.84a 1 1 1
2 2 2
3.84b * * *
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
1
2
3
4
5
6
7
8
-
-
-
-
-
-
-
1
2
3
4
5
6
7
2 2 2
3 3 3
3.87 1 1
2 2
3 3
4 4
5 5
6 6
1 5 6 7
11 12
Woonfunctie Industriefunctie Kantoorfunctie Logiesfunctie a. in een logiesgebouw b. andere logiesfunctie Overige gebruiksfunctie Bouwwerk geen gebouw zijnde Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
*
*
1
2
3
-
-
-
-
-
-
-
-
*
*
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
1
2
*
*
*
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
8
1
2
*
*
*
1
2
3
-
-
-
-
-
-
warmtetransitiegebied
3.86a 1 1 1
labelverplichting kantoorgebouw
3.86 * * *
gegevens en bescheiden maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik
3.85 * * *
uitzondering labelplicht kantoorgebouw
artikel lid
uitzonderingen noodstroomvoorzieningen
3 3 3
Opwek hernieuwbare energie
2 2 2
afbakening maatwerkvoorschriften maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik
3.84 1 1 1
uitvoering van aanbevelingen bij het energielabel
overgangsrecht maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik
leden van toepassing
maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik
Gebruiksfunctie
3.87a * *
3.87a1 1 1 1 1
2 2 2 2
3.87a2 * * * *
1
2
*
-
-
-
1
2
*
-
Artikel 3.84. (maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik) 1. Aan een gebruiksfunctie worden alle maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van ten hoogste zeven vijf jaar getroffen. 2. Onder de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden verstaan: a. energiebesparende maatregelen; b. maatregelen voor het jaarlijks produceren van hernieuwbare energie, met uitzondering van de opwek van zonne-energie, bedoeld in artikel 3.86a op of aan de gebruiksfunctie tot ten hoogste het jaarlijks energiegebruik van de energiedrager van de gebruiksfunctie; en c. maatregelen voor het vervangen van een energiedrager die leiden tot een lagere emissie van kooldioxide. 3. Het eerste lid is niet van toepassing als: a. het energiegebruik van de gebruiksfunctie in enig kalenderjaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten; b. artikel 6.28, aanhef en onder e, f, of h, van dit besluit van toepassing is; of c. voor de gebruiksfunctie alleen gebruik wordt gemaakt van hernieuwbare energie die wordt opgewekt op of aan de gebruiksfunctie, of deze hernieuwbare energie met overeenkomstige toepassing van NTA 8800 is toe te rekenen aan de gebruiksfunctie. 4.
Het energiegebruik van de gebruiksfunctie, bedoeld in het derde lid, onder a, en het energiegebruik van de energiedrager van de gebruiksfunctie, bedoeld in het tweede lid, onder b, omvatten het totaal aan energiegebruik van de gebruiksfunctie en de milieubelastende activiteiten die daar plaatsvinden, waarbij in geval van gebruiksfuncties op hetzelfde bouwwerkperceel wordt uitgegaan van het gezamenlijke energiegebruik van die gebruiksfuncties en de milieubelastende activiteiten die daar plaatsvinden. 4. Het energiegebruik van de gebruiksfunctie, bedoeld in het derde lid, onder a, en het energiegebruik van de energiedrager van de gebruiksfunctie, bedoeld in het tweede lid, onder b, omvatten het totale energiegebruik van de milieubelastende activiteit waarop de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing zijn. 5. Aan het eerste lid is in ieder geval voldaan als voor de gebruiksfunctie alle van toepassing zijnde bij ministeriële regeling vastgestelde maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik zijn getroffen. 6. Op het berekenen van de terugverdientijd, de emissie van kooldioxide en de aardgasequivalenten zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 7.
Onder de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden niet verstaan maatregelen voor het gebruik van rie-biomassa, bedoeld in bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor de productie van elektriciteit en laagwaardige warmte tot en met 100 °C. 8. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder hernieuwbare energie verstaan energie uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van de richtlijn hernieuwbare energie. Artikel 3.84a. (gegevens en bescheiden maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik) 1. Uiterlijk op 1 december 2023 en daarna eenmaal per vier jaar worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de adresgegevens van de gebruiksfunctie, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid; b. de naam en het nummer van inschrijving in het handelsregister van degene die de activiteit, bedoeld in artikel 3.1, verricht, als diegene is ingeschreven bij het handelsregister; c. de contactgegevens van degene die de activiteit, bedoeld in artikel 3.1, verricht; d. een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, die zijn getroffen; e.
een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, die niet van toepassing zijn omdat een of meer van de in de ministeriële regeling aangegeven randvoorwaarden niet van toepassing zijn; f. als niet alle van toepassing zijnde maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, zijn getroffen: een overzicht van de maatregelen ter
verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van ten hoogste zeven vijf jaar die zijn getroffen; en g. het energiegebruik van de gebruiksfunctie, bedoeld in artikel 3.84, derde lid, uitgedrukt in kilowattuur elektriciteit en kubieke meters aardgasequivalent en gemeten over enig kalenderjaar. 2. De gegevens en bescheiden worden verstrekt met gebruikmaking van een elektronische voorziening en een formulier die door Onze Minister van Klimaat en Groene Groei Minister voor Klimaat en Energie beschikbaar worden gesteld. Artikel 3.84b. (overgangsrecht maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik) Als voor de inwerkingtreding van dit besluit gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt als bedoeld in artikel 2.15, tweede, negende of tiende lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, blijft artikel 2.15 van dat besluit, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor zover gericht op de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.15, tweede, negende of tiende lid, en de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zijn gesteld, tot 1 december 2027 van toepassing. Artikel 3.85 [Vervallen] Artikel 3.85.