CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Welstandsnota Langedijk 2013

Gemeenteraad 4 oktober 2022, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Raadsvoorstel Nota ruimtelijke kwaliteit Dijk en Waard 202221.346 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

34

Materiaal- en kleurgebruik • eigentijdse materiaal- en kleurgebruik is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de oorspronkelijke of aanwezige karakteristieken uitgevoerd; • kleurgebruik overwegend traditioneel, geen felle contrasterende kleuren; • gevels in aardkleurige baksteen (rood tot roodbruin); • incidenteel houten topgevels en/of pleisterwerk; • daken met (gebakken) zwarte of rode dakpannen; • bijgebouwen, voor zover in het zicht gelegen, zijn qua materiaal en kleur verwant aan het hoofdgebouw.

35

> GEBIEDEN

Detaillering • aansluiten op gevelkarakteristiek van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing. Eigentijdse uitwerking van onderdelen van een gevel is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de oorspronkelijke of aanwezige karakteristieken uitgevoerd; • elk hoofdgebouw kent een eigen identiteit en detaillering; • gebouwen hebben tenminste één naar de straat gekeerde representatieve zijde; • traditionele en eenvoudige gevelindeling waarbij de gevelopeningen overwegend een verticale gerichtheid hebben; • duidelijke dakranden, maar fijne en ambachtelijke detailleringen (zoals te zien aan gootlijsten op klossen, zwaar kozijnhout e.d.); • terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur.

•

3. EILANDEN

36

Gebiedsbeschrijving De eilanden ontstonden door het uitbaggeren van sloten en ophoging met de uitkomende modder. Nadat de dorpslinten steeds meer verdicht te en uitbreiding van woonbebouwing gewenst was, zijn vanaf circa 1900 tot 1940 - eerst aan de westzijde van de Voorburggracht - eilanden bebouwd met huizen. Daarbij zijn diverse smalle zijpaden ontstaan, zoals Dubbele Buurt, Kroonstraat, Prinsengracht, Boomgaard en Liefdelaan. Opvallend hierbij was dat de vorm van de kavels bepalend was voor de bebouwingsrichting. De voormalige eilanden zijn voor een groot deel in de bebouwingslinten geïntegreerd. Toch zijn deze eilanden goed in het bebouwingsbeeld te onderscheiden. De steegjes zijn door het smalle profiel nog steeds karakteristiek. De bebouwing kent een hoge dichtheid met kleinschalige woonbebouwing. Doordat oorspronkelijke water is gedempt en tussen de bebouwing hun functie hebben verloren, staan sommige woningen met hun achterzijde naar het openbare gebied gericht. De ontwikkeling van de eilandjes is per geval anders geweest. In een aantal situaties is sprake van een hele duidelijke samenhang, terwijl er ook buurtjes zijn die redelijk diffuus zijn. Er is voornamelijk sprake van bebouwing in één bouwlaag met kap (zadel- en mansardedaken), waarbij de oorspronkelijke agrarische functie van sommige gebouwen nog zichtbaar is.

De bebouwing kent een vrij eenvoudige architectuur met een functiegerichte vormgeving en gevelindeling, bescheiden detaillering en traditioneel materiaalgebruik. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling De eilandjes aan de dorpslinten zijn karakteristiek voor de ontstaansgeschiedenis van Langedijk. Geleidelijk is deze structuur aan het verdwijnen. Binnen de eilanden zijn geen grote veranderingen te verwachten, maar het straatbeeld is juist kwetsbaar door diversiteit aan kleine bouwwerken en verbouwingen. Door het beperkte onderscheid tussen voor- en achterkant heeft een diversiteit aan erfafscheidingen en erfbebouwing - en ook achtergevels - een grote invloed op het straatbeeld. Achterkantsituaties die vanaf de openbare weg zichtbaar zijn dienen met extra zorg te worden behandeld. Voor de gebieden is een bijzonder ambitieniveau van kracht, gericht op extra aandacht voor het beheer, handhaving en waar mogelijk versterken van de aanwezige kwaliteiten. In het bijzonder wordt daarbij gelet op de karakteristieke en monumentale panden (zie de objectgerichte welstandscriteria). Bij nieuwbouw is het met name belangrijk om de oorspronkelijke stedenbouwkundige structuur en karakteristieken te respecteren (oriëntatie, situering, massa en hoofdvorm).

37

> GEBIEDEN

2.3. Gebied 3: Eilanden (bijzonder welstandsgebied)

Voor Oudkarspel is een beeldkwaliteitplan (2001) opgesteld teneinde de bestaande kwaliteit te behouden. De hierna volgende welstandscriteria zijn afgestemd op de richtlijnen uit dit beeldkwaliteitplan die betrekking hebben op de 'eilanden' in Oudkarspel. Het beeldkwaliteitplan maakt onderdeel uit van deze welstandsnota en dient voor Oudkarspel daarom als aanvullend toetsingskader voor welstandsbeoordeling. Welstandscriteria Ligging • aansluiten op de bebouwingsritmiek van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt; • de voorgevel georiënteerd op de straat; • de voorgevelrooilijn volgt de loop van de straat en kent onderlinge verspringingen; • de nokrichting is parallel aan of haaks op de straat; • aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn in situering ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

Massa • aansluiten op de massa en hoofdvorm van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt; • een enkelvoudige bebouwingsmassa in één bouwlaag met een duidelijke en vaak eenduidige kap; • elke bouwmassa heeft zijn eigen individuele karakteristiek, maar er is sprake van een duidelijke verwantschap tussen de bouwmassa’s; • aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn qua maatvoering ondergeschikt en in een afgeleide architectuur; • erkers en/of dakkapellen zijn mee ontworpen en ondergeschikt. Detaillering • eigentijdse uitwerking van gevelkarakteristiek is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de oorspronkelijke of aanwezige karakteristieken uitgevoerd; • bouwwerken hebben bij voorkeur één naar de straat gekeerde representatieve zijde; • in bestaande gevels domineert de traditionele indeling waarbij de gevelopeningen vooral een verticale gerichtheid hebben; • bij detaillering streven naar handhaving van de fijne en ambachtelijke onderdelen (zoals te zien aan gootlijsten op klossen, zwaar kozijnhout e.d.); • nieuwe invullingen kunnen modern, mits ze respect tonen voor de bestaande of omliggende kwaliteiten; • terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur.

38

39

> GEBIEDEN

Materiaal- en kleurgebruik • eigentijdse materiaal- en kleurgebruik is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de oorspronkelijke of aanwezige karakteristieken uitgevoerd; • kleurgebruik is overwegend traditioneel, geen felle contrasterende kleuren; • gevels in voornamelijk aardkleurige baksteen (rood tot roodbruin); • incidenteel houten topgevels en/of pleisterwerk; • daken met (gebakken) zwarte of rode dakpannen; • bijgebouwen, voor zover in het zicht gelegen, zijn qua materiaal en kleur verwant aan het hoofdgebouw.

.

4. WOONBUURTEN 1940-1990

40

2.4. Gebied 4: Woonbuurten 1940-1990 (regulier welstandsgebied)

De woonbuurten uit de naoorlogse periode hebben een eenvoudig en recht stratenpatroon met herhaling van identieke woonblokken in rechte rooilijnen. De bebouwing bestaan vooral uit rijwoningen en sporadisch kleinschalige voorzieningen zoals een school. Hier is op wijk- en buurtniveau sprake van architectonische samenhang. Noord-Scharwoude

Zuid-Scharwoude Sint Pancras

• • • • • • •

Oranjebuurt (Willem de Zwijgerlaan e.o.) Anna van Saskenstraat e.o. Bloemenbuurt (Rozenstraat e.o.) Bomenbuurt (Wilgenlaan e.o.) Parallelweg Bomenbuurt (Wilgenlaan e.o.) Vogelbuurt (Meeuwenlaan e.o.)

Als reactie op de naoorlogse blokverkaveling werd na circa 1975 de menselijke schaal weer maatgevend voor nieuwe woonwijken. Deze bouwperiode kenmerkt zich dooreen meer grillig stratenpatroon, woonerven en pleintjes/hofjes. Hierdoor zijn woningen met de achterzijden meer naar belangrijke openbare ruimten gesitueerd. Er is sprake van een architectonische samenhang op buurt- en straatniveau, dus meer diversiteit, menging van diverse hoofdvormen en verspringende rooilijnen. Oudkarspel Noord-Scharwoude Zuid-Scharwoude Broek op Langedijk

Sint Pancras

• • • • • • • • • •

Regthuisstraat e.o Molenbuurt (Korenmolen e.o.) Akkerbuurt (Krommeakker e.o.) Vissenbuurt (Snoekbaars e.o.) Weidebuurt (Korte- en Langeweide) Botenbuurt (Schoener e.o.) Doctor Manjoeroplantsoen Het Mat/De Wup Oranjebuurt (Wilhelminastraat e.o.) Sint Pancras Oost (Kabelrijs e.o.)

41

> GEBIEDEN

Gebiedsbeschrijving In de periode 1940-1990 zijn 'achter de dorsplinten' samenhangende woonbuurten gerealiseerd. Voor een groot gedeelte is er sprake van projectmatige woningbouw, maar er is tevens sprake van individuele woningen. Deze veelal vrijstaande woningen zijn ofwel in clusters gebouwd, ofwel incidenteel tussen de projectmatige bouw. Het bebouwingsbeeld is zeer divers. Per cluster is er wel samenhang.

Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid is gericht op het beheer van de bestaande situatie met als belangrijkste uitgangspunt de aanwezige karakteristieken op buurtniveau. Vanwege de diverse bebouwingsstructuur en de bestaande ruimtelijke kwaliteit is voor dit gebied een regulier ambitieniveau van kracht. De inzet is om de bestaande architectonische en/of bouwkundige samenhang op buurt-, blok- en/of straatniveau te behouden, respectvol om te gaan met de bestaande kwaliteiten en incidentele vernieuwingen goed in te passen. Het onderscheid tussen woongebieden voor en na circa 1975 is vooral stedenbouwkundig van aard. Bij de welstandsbeoordeling wordt rekening gehouden met de aanwezige eigenschappen van de directe omgeving. Welstandscriteria Ligging • aansluiten op de bebouwingsritmiek van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt; • de woningen met de voorgevel georiënteerd op de straat of openbare ruimte; • de nokrichting is haaks op of evenwijdig aan de straat; • aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn qua situering ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

Massa • aansluiten op de massa en hoofdvorm van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt; • samenhang van hoofdmassa per cluster; • overwegend één, danwel twee bouwlagen met een kap; • aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn ondergeschikt en herkenbaar als afzonderlijk deel; • erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en bij voorkeur volgens het principe van een trendsetter (afhankelijk van het cluster).

42

Materiaal- en kleurgebruik • eigentijdse materiaal- en kleurgebruik is mogelijk; • samenhang per cluster behouden; • kleuren in harmonie met gebruikte kleuren van omliggende bebouwing, geen felle contrasterende kleuren.

43

> GEBIEDEN

Detaillering • samenhang per cluster behouden. Eigentijdse uitwerking van een gevel is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de oorspronkelijke of aanwezige karakteristieken van een cluster/ensemble uitgevoerd; • per cluster is er een duidelijke samenhang. Bij clusters van individuele woningen is een grotere differentiatie mogelijk; • sobere detaillering van kozijnen, dakgoten, daklijsten en dergelijke waar nodig met onderlinge verwantschap (bijvoorbeeld bij repeterende bouw); • detaillering van aan- en uitbouwen en bijgebouwen is afgestemd op het hoofdgebouw; • terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur.

5. WOONGEBIEDEN NA 1990 44

2.5. Gebied 5: Woonbuurten na 1990 (regulier welstandsgebied)

In de bouwperiode van deze woongebieden is de woningnood achter de rug en wordt er meer marktconform gebouwd. Die trend ziet men terug in het bebouwingsbeeld met ruime rijwoningen, (semi)geschakelde twee-onder-één kap woningen en vrijstaande woningen. Er is veel aandacht besteed aan de architectonische uitstraling en duidelijke stedenbouwkundige onderlegger die vaak thematisch van aard is. Per woonblok of -buurt komen vaak meerdere typen woningen voor en in de stedenbouwkundige opzet krijgen de verschillende architectuurthema's een bewuste plek toegewezen. Enkele grote lijnen, die soms teruggrijpen op historische routes of landschappelijke lijnen, verbinden (visueel) de buurten. Bij recentere/toekomstige woonwijken zoals Twuyverhoek en Westerdel is/wordt meer gestreefd naar inpassing in de bestaande landschappelijke structuren, waarbij het bebouwingsbeeld vaak sterke referenties heeft naar oorspronkelijke lokale bouwtypen en -stijlen (traditioneel met eigentijdse middelen) en grote mate aan diversiteit. De bouwmassa varieert overwegend van één tot soms drie bouwlagen met een kap in diverse vormen. In veel gevallen zijn de woningen in een duidelijke voorgevelrooilijn gebouwd, echter kan de voorgevellijn recht, met regelmatige verspringing of zelfs gebogen zijn.

De architectuur varieert van eigentijdse soms expressieve stijlen tot meer woonbebouwing met een sterke verwijzing naar dorpse, historische en/of landelijke architectuur. Oudkarspel Noord-Scharwoude

Broek op Langedijk Sint Pancras

• • • • • • • • • •

Waterplantenbuurt (Waterlelie e.o.) Alikruik e.o. Anemonenstraat Veilingterrein De Wuijver (nog in ontwikkeling) Mayersloot West Westerdel Magnolialaan e.o. Kieft Twuyverhoek Westrand (nog in ontwikkeling)

45

> GEBIEDEN

Gebiedsbeschrijving Na 1990 is een aantal nieuwbouwwijken gerealiseerd die achter de naoorlogse woonbuurten zijn gelegen. Deze woonwijken liggen vaak verder van de dorpslinten en grenzen aan het buitengebied. Ze vormen daardoor de randen van de verschillende dorpen. In deze gebieden komt zowel projectmatige als individuele bebouwing voor. De nadruk ligt evenwel op de projectmatige bouw.

Beleid, waardebepaling en ontwikkeling De woonbuurten na 1990 zijn aangewezen als regulier welstandsgebied. De nadruk ligt vooral op het respecteren van de oorspronkelijke en aanwezige ruimtelijke en architectonische kwaliteiten. Indien er sprake is van een vastgesteld beeldkwaliteitplan als onderdeel van de welstandsnota geldt het welstandsniveau zoals aangegeven in het beeldkwaliteitplan. Voor Twuyverhoek en Westerdel zijn beeldkwaliteitplannen opgesteld. Deze beeldkwaliteitplannen maken onderdeel uit van deze welstandsnota en dienen voor Twuyverhoek en Westerdel daarom als aanvullend toetsingskader voor welstandsbeoordeling. Voor Sint Pancras is het uitgangspunt om nieuwbouw in te passen binnen de dorpse lintstructuur en aansluiting te vinden bij de traditionele woningbouw en dynamiek van een dorps lint. Daarbij is menging van functies en bouwstijlen goed mogelijk. Naast inpassing in de structuur zal aandacht nodig zijn voor geveloriëntatie, afwisselende gevels, het voorkomen eenvormigheid, aansluiten op traditionele stijlkenmerken of modern met traditionele stijlkenmerken.

Welstandscriteria Ligging • aansluiten op de bebouwingsritmiek van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt; • de woningen zijn met de voorgevel georiënteerd op de straat; • overwegend in rijen, vrijstaand, gekoppeld of in stroken; • bijgebouwen zijn qua situering ondergeschikt of in ontwerp van hoofdgebouw geïntegreerd. Massa • aansluiten op de massa en hoofdvorm van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt; • er is sprake van overwegend enkelvoudige bebouwingsmassa’s, variërend van één tot twee bouwlagen met een kap; hoger is vooral een uitzondering; • de massaopbouw is per cluster in onderlinge samenhang; • aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur. Bij voorkeur zijn ze mee ontworpen.

46

Materiaal- en kleurgebruik • eigentijdse materiaal- en kleurgebruik is mogelijk; • samenhang per cluster behouden; • kleuren in harmonie met gebruikte kleuren van omliggende bebouwing, geen felle contrasterende kleuren.

47

> GEBIEDEN

Detaillering • eigentijdse uitwerking van een gevel is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de oorspronkelijke of aanwezige karakteristieken van een cluster/ensemble uitgevoerd; • per cluster is er een duidelijke samenhang. Bij clusters van individuele woningen is een grotere differentiatie mogelijk; • detailleringen zijn overwegend eenvoudig tot sterk en zorgvuldig; • terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur.

6. OOSTERDEL

48

2.6. Gebied 6: Oosterdelgebied (regulier welstandsgebied)

Het gebied is onderdeel van het restant van het rijk der 1000 eilanden. De eilandenstructuur is in dit gebied grotendeels in tact gebleven en bebouwd met vrijstaande woningen in diverse vormen en stijlen. Er sprake van woningbouw uitgaande van het principe van het wonen aan het water, met één woning per (schier)eiland. De grotere eilanden zijn bebouwd met meerdere woningen die soms in onderlinge samenhang zijn gebouwd. De bebouwing is individueel door de ruimtelijke karakteristiek van het gebied en door de architectuur van de woningen. De woningen zijn in de basis veelal eenvoudig en traditioneel van opbouw met overwegend één bouwlaag met zadelkap. Regelmatig is er sprake van verwijzing naar traditionele en agrarische bebouwing door toepassing van bijvoorbeeld wolfseinden of puntdaken zoals bij stolpboerderijen. Vaak zijn de dakvlakken voorzien van dakkapellen of ramen. De woningen hebben veelal mee-ontworpen op- en aanbouwen, waaronder erkers, carports en ook boothuizen. De mate aan detaillering is meestal eenvoudig, maar er zijn uitschieters naar boven met een rijke zorgvuldig ontworpen uitvoering. Het materiaalgebruik is vaak traditioneel met eigentijdse accenten en enkele versieringen. Naast baksteen komen ook houten rabatdelen en plaatmateriaal als gevelmateriaal voor. Opvallend is dat er vaak sprake is van een (houten) betimmering in de topgevel.

Daken zijn voorzien van rode of donkere pannen en een enkele keer van riet. Het kleurgebruik is veelal traditioneel, licht en terughoudend. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid is gericht op het handhaven van de bestaande situatie. Nieuwe ontwikkelingen bestaan veelal uit (sloop en) nieuwbouw van woningen. Er is sprake van een opmerkelijk gebied vanwege de landschappelijke en stedenbouwkundige structuur. Voor de ruimtelijke indeling van het gebied is uitgegaan van de wegen en waterlopen en het landschapsplan. Hierdoor heeft het gebied een bijzondere eigen uitstraling en identiteit. Het beleid is gericht op het behoud van deze eigen identiteit, de relatie met een wateren groenrijke omgeving en een afwisselend beeld zonder te grote dissonanten tussen de individuele woningen.

49

> GEBIEDEN

Gebiedsbeschrijving Het woongebied Oosterdelgebied onderscheidt zich qua bebouwingsdichtheid, plaatsing van gebouwen op de kavels, de bouwmassa’s en de architectuur van alle andere woongebieden.

Welstandscriteria Ligging • aansluiten op de bebouwingsritmiek van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt; • overwegend vrijstaand en sterke relatie met groene en waterrijke omgeving door relatie woning met water. Massa • aansluiten op de massa en hoofdvorm van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt; • één bouwlaag met een kap; • woningen hebben een individuele uitstraling; • aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur; • erkers, aanbouwen en dakkapellen zijn mee ontworpen dan wel ondergeschikt en herkenbaar als zelfstandig deel; • terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur. Detaillering • samenhang van individuele woning behouden; • eigentijdse uitwerking van een gevel is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de oorspronkelijke of aanwezige karakteristieken van de individuele woning uitgevoerd; • gevelopbouw en detaillering is fijn, maar sober. Materiaal- en kleurgebruik • samenhang van individuele woning behouden; • eigentijdse materiaal- en kleurgebruik is mogelijk; • kleur- en materiaalgebruik is individueel, geen felle contrasterende kleuren.

50

51

> GEBIEDEN

7. BEDRIJVENTERREINEN

52

Gebiedsbeschrijving Bij zowel Oudkarpsel, Noord- en Zuid-Scharwoude als bij Broek-op-Langedijk zijn bedrijventerreinen ontstaan die van oorsprong veelal agrarisch georiënteerd zijn. Rond de veiling van Noord-Scharwoude ontstond een min of meer industriële zone (De Wuyver). In de 80’er jaren werden bedrijven gevestigd in de omgeving van de inmiddels gesloten conservenfabriek van Verburg (De Mossel). En vanaf het eind van de 70’er jaren is gefaseerd het bedrijventerrein Zuiderdel gerealiseerd. De laatste fase, het meest westelijke deel, is vanaf 1990 ontwikkeld. Ten oosten van Oudkarspel, in het buitengebied is begin 2000 het bedrijventerrein Breekland in ontwikkeling gekomen. Met Breekland wil de gemeente een duurzaam bedrijventerrein ontwikkelen. Bij de ontwikkeling van de oudere bedrijventerreinen werd weinig aandacht besteed aan de ruimtelijke kwaliteit van deze terreinen. In toenemende mate krijgen de bedrijventerreinen (door onder andere nieuwbouw) een representatief gezicht, met name naar het omliggende gebied. Bij de nieuwere terreinen (waaronder Breekland en Zuiderdel) is ook langs de interne ontsluitingswegen gestreefd naar een representatieve bebouwingswand. Bedrijventerreinen hebben veelal een grootschalige inrichting en een gedifferentieerd functiepatroon en beeld.

De uitstraling wordt verkregen door de omvang van het gebied en/of door daar aanwezige grootschalige bebouwing. Elk gebied heeft een eigen identiteit en/of samenhang met veelal een pluriform karakter en inrichting. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Vooral bij nieuwe bedrijventerreinen wordt meer zorg besteed aan de ruimtelijke kwaliteit. Het beleid is gericht op het handhaven en versterken van de ruimtelijke kwaliteiten. Verbetering is vooral wenselijk in de zichtlocaties en langs de randen. Fase 1 van Breekland is grotendeels gerealiseerd en fase 2 is in voorbereiding. Voor Breekland fase 1 is een beeldkwaliteitplan vastgesteld met eisen ten aanzien van inrichting en bebouwing. Het beeldkwaliteitplan maakt onderdeel uit van deze welstandsnota en dient voor Breekland daarom als aanvullend toetsingskader voor welstandsbeoordeling. Voor het veilingterrein (de Wuijver) is een herontwikkeling met woningbouw gaande. Ook hiervoor zal een beeldkwaliteitplan worden opgesteld. In aansluiting op de huidige ruimtelijke kwaliteiten geldt voor het gebied een aanduiding als regulier welstandsgebied. Extra aandacht dient uit te gaan naar de randen van bedrijventerreinen (zie ook paragraaf B1.3). Deze randen grenzen veelal aan het buitengebied, dorpslinten of woongebieden.

Voor randen geldt dat meer zorg nodig is voor de zichtbare gevels van bedrijfspanden en dus een hogere kwaliteitsstandaard toegepast wordt. Tevens dient aandacht uit te gaan naar oudere bedrijventerreinen. Deze hebben de neiging om vanwege leegstand of verval van materialen geleidelijk te verarmen. Indien er sprake is van een vastgesteld beeldkwaliteitplan als onderdeel van de welstandsnota geldt het welstandsniveau zoals aangegeven in het beeldkwaliteitplan. 53

> GEBIEDEN

2.7. Gebied 7: Bedrijventerreinen (regulier welstandsgebied)

Welstandscriteria Ligging • aansluiten op de bebouwingsritmiek van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt; • gebouwen staan vrij op het kavel met één hoofdmassa per perceel; • gebouwen zijn met de voorgevel gericht op de belangrijkste weg of openbare ruimte; • rooilijnen van de hoofdmassa’s zijn teruggelegen en volgen de weg; • expeditie- en opslagruimte zoveel mogelijk aan de achterzijde van het gebouw situeren, uit het zicht. Massa • aansluiten op de massa en hoofdvorm van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt; • gebouwen hebben afhankelijk van de ligging een eenvoudige vorm of juist gevarieerde opbouw; • er is sprake van overwegend enkelvoudige bebouwingsmassa’s; • entreepartijen en kantoorgedeelten zijn vormgegeven als accenten of als zelfstandige volumes; • bedrijfsgebouwen op zichtlocaties en langs randen kennen overwegend een samengestelde massaopbouw, bijvoorbeeld door de representatieve delen sterker te accentueren.

Detaillering • ten minste aan de straatzijde en in de representatieve delen van het gebouw een duidelijke geleding (bijvoorbeeld door gevelopeningen en/of materiaaltoepassingen); • er zijn zo min mogelijk dichte gevels aan de straatzijde; • ook op zichtlocaties en langs randen is een meer representatieve gevelbeeld met zorgvuldige geleding en detaillering vereist; • terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur. Materiaal- en kleurgebruik • samenhang in bebouwing per perceel behouden; • combinatie van materialen in gevelbeeld zoals beton, metalen, hout, baksteen en glas; • grote vlakken bestaan uit materialen met een structuur; • materiaal- en kleurgebruik van bijgebouwen en aanbouwen afgestemd op het hoofdgebouw; • kleur- en materiaalgebruik is individueel, terughoudend en in onderlinge samenhang; • felle contrasterende kleuren uitsluitend intern gericht en terughoudend toegepast.

54

Notitie Erfafscheidingen Breekland (2008) In 2008 is een aanvullende 'Notitie Erfafscheidingen' voor Breekland vastgesteld. Perceelsgrenzen mogen worden voorzien van een erfafscheiding. Erfafscheidingen dienen te voldoen aan de onderstaande voorwaarden: Erfafscheidingen die worden geplaatst ter plaatse van de aan de weg gelegen bouwperceelsgrens, inclusief minimaal de eerste 15 meter van de aansluitende zijdelingse perceelsgrens, dienen te worden uitgevoerd als:

> GEBIEDEN

•

Plantsoenafrastering: Materiaal: staal Kleur: antraciet Spijlenhekwerk: Materiaal: staal Kleur: antraciet •

Erfafscheidingen die worden geplaatst ter plaatse van de zijdelingse perceelsgrens als afscheiding tussen twee bouwpercelen mogen, vanaf 15 meter vanaf de aan de straat gelegen bouwperceelsgrens, tevens worden uitgevoerd als: Gaashekwerk: Materiaal: staal Kleur: antraciet

55

8. BUITENGEBIED

56

Gebiedsbeschrijving Het buitengebied van de gemeente Langedijk is na de laatste ruilverkaveling (19721979) ingrijpend veranderd. Het oorspronkelijke 'Rijk der 1000 eilanden' is voor een groot deel verloren gegaan. De schaalvergroting in de landbouw heeft ook het landschap van de gemeente op een ander schaalniveau gebracht. Alleen in het Oosterdelgebied is het kleinschalige karakter van kaveltjes en sloten bewaard gebleven. Het gebied tussen het bebouwingslint en de weg Alkmaar-Schagen kenmerkt zich door blokverkaveling en staat ten dienste van de landbouw. Het gebied ten westen van de weg Alkmaar-Schagen is met name ingericht voor recreatie en natuur. Bovendien is hier het recreatiegebied Geestmerambacht gelegen. Verspreid over het buitengebied komt bebouwing voor. De meeste bebouwing is gesitueerd in het agrarische deel van de gemeente. Het gaat in hoofdzaak om agrarische bebouwing. De bebouwing bestaat voornamelijk uit losstaande bedrijfswoningen met daarachter de agrarische bedrijfsgebouwen. Over het algemeen is de bebouwing kleinschalig. De nokrichting van de woningen is in de meeste gevallen evenwijdig aan de weg en de opbouw van de woningen is eenvoudig; één bouwlaag met een zadeldak. De agrarische bedrijfsgebouwen zijn van uiteenlopende materialen, maar veelal in gedekte kleurstellingen.

Een groot deel van het buitengebied betreft recreatie- en natuurgebied Geestmerambacht ten noorden van Alkmaar. Dit gebied bestaat vooral uit een groot recreatieplas de Zomerdel en dagrecreatie. Bebouwing is in het gebied zeer beperkt met enkele horeca- en activiteitenvoorzieningen. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Bebouwing speelt in het buitengebied een ondergeschikte rol. Er staan enkele cultuurhistorisch waardevolle boerderijen, maar de grote waarde ligt in de structuur en de openheid. Gelet op de huidige kwaliteiten van het buitengebied geldt voor het gebied een regulier ambitieniveau. De inzet is om daarbij respectvol om te gaan met de bestaande kwaliteiten, oorspronkelijke structuurelementen en cultuurhistorische bebouwing. Streven naar goede inpassing van toevoegingen in het landschap en het compact houden van bestaande bebouwde boerenerven. De erfinrichting en beplanting hebben een belangrijke rol bij het totaalbeeld van een boerenerf. Ter compensatie van ontwikkelingen van het bedrijventerrein Breekland wordt tussen Oudkarspel en het bedrijventerrein het Diepsmeerpark aangelegd. Deze groene buffer wordt als park ingericht met een sterk landschappelijk karakter. Daarnaast vindt ontwikkeling plaatst in het recreatiegebied Geestmerambacht.

Deze wordt met 250 hectare uitgebreid met een groter natuur- en recreatiegebied, meer fiets- ruiter- en wandelroutes, alsmede bevaarbaar water. Tevens is de wens om in het gebied recreatieve voorzieningen (camping, horeca) mogelijk te maken.

57

> GEBIEDEN

2.8. Gebied 8: Buitengebied (regulier welstandsgebied)

Welstandscriteria agrarische bebouwing Ligging • aansluiten op de bestaande bebouwingsritmiek van compacte bebouwing op een boerenerf; • het hoofdgebouw (de woning) is met de voorgevel georiënteerd op de weg met de agrarische bedrijfsgebouwen compact gesitueerd op het achtererf; • de nokrichting van de woningen is overwegend evenwijdig aan de weg, terwijl van de agrarische bedrijfsgebouwen in hoofdzaak de nokrichting haaks op de weg is; • opslag uit het zicht; • doorzichten behouden en waar mogelijk versterken; • bijzondere functies kennen een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Massa • aansluiten op de massa en hoofdvorm van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing; • woonbebouwing met enkelvoudige bebouwingsmassa’s van één en soms twee lagen en een duidelijke kap; • agrarische bedrijfsbebouwing met één bouwlaag en flauwe zadelkap; • onderscheid tussen woonhuis (kleinschaliger) en agrarische bedrijfsbebouwing; • aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur.

Detaillering • bestaande detaillering is uitgangspunt; • eigentijdse uitwerking van een gevel is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de oorspronkelijke of aanwezige karakteristieken uitgevoerd; • bedrijfsgebouwen zijn eenvoudig en zorgvuldig gedetailleerd; • zeer grote lengtes zijn door middel van geleding van de wand (in materiaal of vorm) doorbroken; • terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur. Materiaal- en kleurgebruik • woonbebouwing in overwegend traditioneel en ingetogen kleur- en materiaalgebruik, zoals baksteen, hout en (gebakken) pannen; • agrarische bedrijfsbebouwing in eigentijdse materialen; • gevels van bedrijfsbebouwing bestaan uit grote vlakken met materialen met een structuur zoals bijvoorbeeld baksteen, houten betimmering, geprofileerde straalplaat. • het kleurgebruik van bedrijfsbebouwing is donker en terughoudend en vormt geen storend element voor de omgeving: o gevels in donkere kleuren groen, blauw of donkergrijs (antraciet); o dakvlakken in afwijkende kleur of kleurtoon dan gevel, donkergrijs (RAL 7038 of donkerder) en mat uitgevoerd. In ieder geval geen lichtgekleurde dakvlakken. • geen opvallende en/of felle contrasterende kleuren. 58

Welstandscriteria recreatieve voorzieningen

Massa • gebouwen zijn individueel en afwisselend; • aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur. Detaillering • de individuele hoofdgebouwen vormen een architectonische eenheid en staan op zichzelf. Eenheid in vorm en detaillering per individueel gebouw. • bij clustering van gebouwen een eenheid in vormgeving. Hierbij dient rekening te worden gehouden met het ensemble van alle bouwwerken. • beperkte mate aan detaillering; • terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur. Materiaal- en kleurgebruik • utilitaire bebouwing is ingetogen met kleur- en materiaalgebruik; • gebruik van hoogwaardige duurzame materialen; • kleuren afgestemd op het landschappelijke/natuurlijke karakter van de omgeving; • geen felle contrasterende kleuren.

59

> GEBIEDEN

Ligging • bebouwing sporadisch en verspreid, geen clustering; • per erf/terrein is er één hoofdgebouw/-massa; • bebouwing heeft een alzijdige oriëntatie, gerelateerd aan het omliggende landschap.

60

> OBJECTEN

C

> OBJECTEN Toelichting Specifieke bouwwerken Veel voorkomende kleine bouwwerken

61

62

C1. TOELICHTING 1.1. Algemeen In dit deel zijn de objectgerichte welstandscriteria opgenomen voor bouwwerken die een eigen beoordelingskader nodig hebben. Deze welstandscriteria hebben betrekking op een type gebouw of bouwwerk en zijn in beginsel dus niet direct gerelateerd aan een gebied. Er kan onderscheid worden gemaakt in specifieke bouwwerken en de veel voorkomende kleine bouwwerken. De opzet van deze objectgerichte beoordelingskaders is vergelijkbaar met de gebiedsgerichte beoordelingskaders, met uitzondering dat de welstandscriteria toegespitst zijn op het specifieke gebouwtype of bouwwerk.

•

•

•

•

Door het Rijk, de provincie of de gemeente aangewezen monumenten. Aangewezen monumenten zijn erkend als bouwwerken van groot algemeen belang en genieten een wettelijke bescherming. Voor alle ingrepen aan monumenten dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd, met uitzondering van enkele onderhoudszaken. Bijzondere welstandsobjecten waarbij extra inspanning ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit gewenst is. Het welstandstoezicht wordt gericht op het voorkomen van aantasting van de hoofdvorm en karakteristieke elementen, en het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. Het kwaliteitsniveau van ingrepen aan deze bouwwerken moet hoog zijn. Reguliere welstandsobjecten waarbij de basiskwaliteit moet worden gehandhaafd. De gemeente stelt geen bijzondere eisen aan de ruimtelijke kwaliteit maar heeft wel toegesneden welstandscriteria opgesteld omdat de gebiedsgerichte welstandscriteria niet altijd bruikbaar zijn. Het welstandstoezicht is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van deze bouwwerken. Welstandsvrije objecten. Het aanwijzen van welstandsvrije bouwwerken of objecten anders dan in de wet genoemd, wordt in Langedijk niet wenselijk geacht.

Het welstandsniveau voor kleine bouwwerken wordt bepaald door het gebied waar de (ver)bouw plaatsvindt. In de bijzondere welstandsgebieden zoals de ‘Dorpslinten’ mag verwacht worden dat kleine bouwplannen met evenredig veel zorg en aandacht worden vormgegeven en uitgevoerd als de gebouwen zelf.

63

> OBJECTEN

Welstandsniveau objecten Vooral voor de specifieke bouwwerken is het vaststellen van het welstandsniveau van belang. Het moet aansluiten bij het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. In theorie zijn ook voor de objecten vier ambitieniveaus mogelijk:

C2. SPECIFIEKE BOUWWERKEN 2.1. Monumenten, karakteristieke en beeldbepalende panden Objectbeschrijving In de gemeente Langedijk staan diverse monumenten, karakteristieke en beeldbepalende panden. Een monument is een gebouw of terrein dat van algemeen belang is door schoonheid of geschiedenis, belangrijk is voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde heeft. Het kan symbool staan voor een bepaalde periode of gezien worden als eerste of meest belangrijke verbeelding van een kunststroming. Monumenten worden volgens een aanwijzingsprocedure formeel vastgesteld door het Rijk, de provincie en/of de gemeente. Naast de monumenten zijn in Langedijk ook karakteristieke en beeldbepalende panden geïnventariseerd. Ook voor deze panden geldt dat ze een cultuurhistorische en/of architectonische waarde vervullen en van belang zijn voor het karakter van het dorp. Zowel de monumenten als de karakteristieke en beeldbepalende panden zijn divers van karakter en hebben elk bepaalde bijzonderheden in cultuurhistorische, architectonische en/of stedenbouwkundige zin. Het merendeel is gelegen aan de dorpslinten en enkele aan de randen met het buitengebied, waaronder veel stolpboerderijen en koolboeten. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling De karakteristieke en beeldbepalende panden zijn in 2004 geïnventariseerd door BügelHajema en in 2011 door de Erfgoedcommissie geactualiseerd.

De inventarisatie is onder andere gebaseerd op het Monumenten Inventarisatie Project (MIP), dat begin jaren ’90 vorige eeuw door de provincie Noord-Holland is uitgevoerd. In de te vernieuwen bestemmingsplannen worden deze karakteristieke en beeldbepalende panden aangegeven op de verbeelding en worden er regels voor deze panden opgesteld. De monumenten vallen onder het hoogste welstandsniveau en de karakteristieke en beeldbepalende panden vallen vanzelfsprekend onder het bijzondere welstandsniveau. Dat betekent dat bij karakteristieke en beeldbepalende panden meer ruimte is voor ingrepen dan bij monumenten. De welstandsbeoordeling is altijd gericht op het op hoog kwaliteitsniveau handhaven, herstellen en versterken van de cultuurhistorische karakteristieken en de samenhang van het gebouw met zijn omgeving. De algemene, de gebiedsgerichte en de objectgerichte welstandscriteria zijn van toepassing, maar worden aangevuld met onderstaande specifieke criteria die zijn gericht op het behouden en versterken van het karakter van het gebouw. Deze criteria worden altijd bezien in relatie tot (redengevende) beschrijvingen van monumenten en de waardering van de karakteristieke en beeldbepalende panden. Naast de welstandscommissie adviseert ook de Erfgoedcommissie het bevoegd gezag inzake aanvragen voor een omgevingsvergunning in geval van een monument.

64

Welstandscriteria Ligging • de gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar. Massa • bij verbouwingen moeten de contouren en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven; • dakkapellen bij voorkeur op het achterdakvlak.

Materiaal- en kleurgebruik • materiaalgebruik gelijk aan of bij karakteristieke of beeldbepalende panden vergelijkbaar met het oorspronkelijke/bestaande, waaronder baksteen gevels, pannendak, rietendak, dakspiegels bij stolpboerderijen en geschilderd houtwerk; • kleurgebruik aansluiten bij de aard en het (historische) karakter van het gebouw; • geen felle contrasterende kleuren.

65

> OBJECTEN

Detaillering • detaillering in harmonie met gebouw en omgeving, gevarieerd en zorgvuldig; • de oorspronkelijke hoofdvorm, gevelgeleding, karakteristieke en beeldbepalende elementen behouden. Bij monumenten ook de oorspronkelijke gevelindeling behouden; • dakkapellen, kroonlijsten, erkers en dergelijke moeten worden vormgegeven als zelfstandige elementen; • bij renovatie, aan- of verbouw de stijl aanpassen aan het bestaande gebouw, waarbij een hedendaagse interpretatie op de historische kenmerken mogelijk is; • dakramen, zonnepanelen en -collectoren bij voorkeur in/op het achterdakvlak; • zeer terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders aan of op de achtergevel en -dakvlak geplaatst.

2.2. Stolpboerderijen Objectbeschrijving Verspreid over het gemeentelijk grondgebied komen diverse stolpboerderijen voor. Deze gebouwen staan voornamelijk in de bebouwde kom van de diverse dorpen. Kenmerkend is het min of meer vierkante grondplan en de opbouw van 1 bouwlaag gedekt door een steil opgaande kap. Meest voorkomend is het piramidevormige dak, gedekt met riet en/of pannen en een karakteristieke spiegel in het dakvlak. Bij stolpboerderijen in Langedijk is meestal de naar de straat gekeerde gevel het representatieve deel dat als woonhuis gebruikt wordt. De overige gevels zijn daaraan ondergeschikt en behoren vanouds tot het bedrijfsgedeelte. Op het achtererf en in voorkomende gevallen op het zijerf, zijn in de loop der jaren veelal bedrijfsgebouwen ontstaan. Naast karakteristieke bijgebouwen dient ook te worden vermeld dat veel stolpboerderijen nog beschikken over zeer ruime en karakteristieke erven. Kenmerkende elementen zijn bijvoorbeeld de siertuin voor de voorgevel en de boomgaard. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Stolpboerderijen zijn typerend voor Noord-Holland en voor Langedijk. Veel stolpen zijn cultuurhistorisch waardevol. De tendens van de afgelopen jaren laat zien dat een groeiend aantal boerderijen de oorspronkelijke gemengde functie van woning en agrarisch bedrijf onder één dak verliest. Veelal komt daarvoor een woonfunctie in de plaats.

Soms is ook sprake van een nieuwe bedrijfsmatige invulling. De gemeente streeft naar handhaving van de hoofdvorm en karakteristieke elementen van de stolpboerderij. Daarom zijn alle bestaande stolpboerderijen aangemerkt als bijzondere welstandsobjecten, waarbij het behoud van de hoofdvorm van één begane grondlaag met een piramidevormig dak als uitgangspunt geldt, alsmede het behoud van de bestaande karakteristieke elementen, waaronder de pannenspiegel, de gevelindeling met darsdeur en vensters en de visuele scheiding tussen (voormalige) woonen bedrijfsgedeelte. Bij sloop- en nieuwbouw dienen de volgende uitgangspunten in acht te worden genomen: • • •

de maat van de stolp komt overeen met de oorspronkelijke stolp of met een historisch verantwoorde maatvoering; de nieuwe stolpwoning wordt op de oorspronkelijke locatie gebouwd of centraal op het perceel; ook vervangende nieuwbouw van de stolpboerderij dient aan alle welstandscriteria te voldoen.

De erfinrichting en -beplanting heeft een belangrijke rol bij het totaalbeeld van een boerenerf. Met erfinrichting kan het zicht op uitbreidingen gemaskeerd worden. Bij toepassing van de volgende welstandscriteria kunnen tevens de richtlijnen bij herbestemming en verbouwing van stolpboerderijen worden toegepast. Deze richtlijnen zijn te vinden op de website www.boerderijenstichting.nl.

66

Welstandscriteria Ligging • de gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar en staan vrijstaand; • de voorgevel is representatief en gericht naar de belangrijkste weg; • bijgebouwen en nieuwe bedrijfsgebouwen achter het hoofdgebouw; • bestaande historische bijgebouwen zo mogelijk handhaven.

Detaillering • detailleringen als gootlijsten, gootklossen, kozijnen etc. zijn zorgvuldig maar overwegend eenvoudig; • bij verbouw bestaande gevelopeningen benutten waarbij roedeverdeling in gevelvlakken van bedrijfsgedeelten niet gewenst is; • dakkapellen alleen ter vervanging van bestaande en bij voorkeur alleen centraal in het voordakvlak passend in het gevelbeeld; • dakramen aan de voorzijde bij voorkeur uitvoeren in de maatvoering van de ramen op de begane grond en de dakramen mogen de hoofdvorm van het dakvlak geen geweld aan doen. Dakramen in overige dakvlakken zo beperkt mogelijk houden; • terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur; • grotere aan- en of uitbouwen bij voorkeur eenzijdig en in afgestemde vorm; • bijgebouwen zijn ondergeschikt. Materiaal- en kleurgebruik • gevels van stolp in traditioneel metselwerk; niet representatieve delen eventueel met hout; • kap gedekt met gebakken pannen en/of riet in overeenstemming met de bestaande situatie; • materiaal- en kleurgebruik is traditioneel en streekgebonden • kleur op de traditionele plaatsen of de bestaande kleurtoon en kleur handhaven; • zonnepanelen en -collectoren bij voorkeur alleen in het achterdakvlak.

67

> OBJECTEN

Massa • massaopbouw met 1 bouwlaag en steile piramidekap, bij verbouwingen moeten de contouren en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven; • de uitdrukking van de oorspronkelijke functie van de gevel respecteren, de verhouding open/gesloten wordt in acht genomen; • de bestaande kapconstructie en dakvorm inclusief karakteristieke elementen worden gehandhaafd, eventueel gerestaureerd; • de voorzijde vrijhouden van aan- en uitbouwen; • nieuwe bedrijfsgebouwen in een eenvoudige hoofdvorm; • maten grondvlak als oorspronkelijk of gevarieerd van klein (circa 12 bij 12 m.) tot groot (circa 20 bij 20 m.); • dakhelling ligt tussen 45° en 52°.

2.3. Koolboeten en koolhuizen Objectbeschrijving Gemeente Langedijk telt tientallen koolboeten en -huizen in diverse soorten en maten. De meesten zijn gebouwd in de periode 1890-1965. Koolboeten en -huizen behoren net als stolpboerderijen tot het cultuurhistorisch erfgoed van Langedijk. Van oorsprong zijn de koolboeten gebruikt voor opslag van de zogenaamde sluitkolen (gesloten kolen zoals rode, savooie en spitskool). Het merendeel is niet meer in gebruik voor de opslag en heeft een goede herbestemming gekregen ten behoeve van wonen of soms horeca (bed and breakfast). Een koolboet kan bestaan uit één of twee bouwlagen met een mansardekap en in sommige gevallen een eenvoudige zadelkap. Bij de koolboeten van twee bouwlagen heeft de zadelkap een flauwe hellingshoek. In de gevelbeeld is de koolboet herkenbaar aan de symmetrische indeling van de voorgevel met op de begane grond enkele ramen en een deur en op de verdieping nog een (deur)opening voor in- en uitladen. Detaillering is eenvoudig en bestaat vaak uit gebogen rollagen, eenvoudige windveren, muurankers en soms speklagen in een afwijkende kleur metselwerk. Een koolhuis is een tuinderswoning met aangebouwde opslag van agrarische producten, woning of opslagruimte onder één kap, waarbij de kap is uitgevoerd als mansardekap of zadelkap.

Beleid, waardebepaling en ontwikkeling De koolboeten en -huizen zijn typerend en cultuurhistorisch waardevol voor de streek en voor Langedijk. Meerdere zijn aangewezen als karakteristiek pand (zie bijlage D4) en vier als Provinciaal monument (Dorpsstraat 160-166). Alle bestaande koolboeten en -huizen zijn aangemerkt als bijzondere welstandsobjecten, waarbij het behoud van de hoofdvorm en karakteristieke gevelindeling als uitgangspunt geldt.

68

Welstandscriteria Ligging • de gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar; • de smalle voorgevel is representatief; • bijgebouwen en nieuwe bedrijfsgebouwen achter het hoofdgebouw; • bestaande historische bijgebouwen zo mogelijk handhaven.

Detaillering • detailleringen als gootlijsten, gootklossen, kozijnen etc. zijn zorgvuldig maar overwegend eenvoudig; • bij verbouw bestaande gevelopeningen benutten; • dakkapellen alleen ter vervanging van bestaande; Bij voorkeur geen nieuwe dakkapellen; • dakramen uitvoeren in de maatvoering van de ramen op de begane grond en de dakramen mogen de hoofdvorm van het dakvlak geen geweld aan doen; • terughoudend omgaan met het aanbrengen van technische installaties, inpandig en anders ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur; • grotere aan- en of uitbouwen bij voorkeur eenzijdig en in afgestemde vorm; • bijgebouwen zijn ondergeschikt. Materiaal- en kleurgebruik • gevels in traditioneel metselwerk; • kap gedekt met gebakken pannen in overeenstemming met de bestaande situatie; • kleurgebruik is traditioneel en streekgebonden en toegepast op de traditionele plaatsen of de bestaande kleurtoon en kleur handhaven.

69

> OBJECTEN

Massa • massaopbouw met 1 of 2 bouwlagen met mansarde of zadelkap, bij verbouwingen moeten de contouren van het silhouet en de karakteristieke gevelindeling van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven; • de uitdrukking van de oorspronkelijke functie van de gevel respecteren, de verhouding open/gesloten wordt in acht genomen; • de bestaande kapconstructie en dakvorm wordt gehandhaafd, eventueel gerestaureerd; • de voorzijde vrijhouden van aan- en uitbouwen.

2.4. Bruggen Objectbeschrijving Door het grote aantal waterlopen binnen de gemeente Langedijk zijn bruggen veel voorkomende ruimtelijke elementen in het beeld van het landschap en de dorpskernen. Er kunnen twee verschillende soorten bruggen worden onderscheiden. Bruggen ter ontsluiting van de aangrenzende kavels. Deze zijn meestal privé-eigendom, liggen veelal in het buitengebied en zijn kleinschalig van aard. En bruggen ter ontsluiting van woonwijken en in doorgaande routes. Deze bruggen zijn openbaar, liggen veelal in de bebouwde kom en dienen voornamelijk voor verkeersafwikkeling. In de dorpen zijn na het dempen van de Voorburggracht niet veel kavelontsluitende bruggen meer te vinden. In het buitengebied bestaat de kavelontsluiting veelal uit een functionele dam met duiker. De openbare bruggen zijn gevarieerd. Aan de oude routes en over de nog bestaande delen van de Achterburggracht zijn nog enkele karakteristieke bruggen te vinden, waaronder enkele traditionele ophaalbruggen en kenmerkende kippenbruggen. In de woonwijken is meestal sprake van een brugontwerp dat is afgestemd op de stedenbouwkundige en/of architectonische eigenschappen in de directe omgeving. In het buitengebied en/of in doorgaande routes is veelal sprake van een zuiver technisch brugontwerp.

In het algemeen kan gesteld worden dat het ontwerp van een brug sterk afhankelijk dient te zijn van de functie, betekenis en omgeving waarin deze wordt geplaatst. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Voor alle bestaande en nieuwe bruggen geldt het bijzondere welstandsniveau. In het kader van Langedijk als waterrijke gemeente en het behouden en versterken van cultuurhistorisch wateren, zal er aandacht zijn voor de vormgeving van alle soorten bruggen. Bijzondere aandacht is er voor de zogenaamde kippenbruggen (voetgangersbruggen) die in het oorspronkelijke beeld van Langedijk een prominente rol hadden. Enkele zijn bewaard gebleven, waaronder de als Provinciaal monument aangewezen brug achter Dorpstraat 166.

70

Welstandcriteria kavelontsluitende bruggen Plaatsing en maatvoering: • bij vervangende brug is de positionering van de oorspronkelijke brug richtinggevend; • niet meer dan één ontsluitingsbrug per kavel; • breedte beperkt tot het functioneel nodige; • eventuele opbouw of reling niet hoger dan 1.00 meter gemeten vanaf het brugdek. Detaillering: • licht gebogen (getoogd), vlakke plaatbrug of dam met duiker; • vormgeving in de basis basaal, eenvoudig en met sobere detaillering; • buiten een eventuele reling om geen hekwerk op de brug; • bij dam met duiker geen opbouw of reling. Materiaal- en kleurgebruik: • brug uitvoeren in hout, staal, metselwerk of beton; • eventuele opbouw of reling van hout of gietijzer; • geen gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren.

Plaatsing en maatvoering: • breedte brugdek afgestemd op aansluitende wegvakken en verkeersfunctie; • reling niet hoger dan 1.30 meter gemeten vanaf het brugdek. Detaillering: • visueel onderscheid van aansluitende wegvlakken is gewenst; • licht gebogen (getoogd) of vlakke plaatbrug; • aandacht voor duidelijke doorvaarbaarheid; • vormgeving afgestemd op de functie en betekenis van de brug; • vormgeving afgestemd op de stedenbouwkundige en architectonische kenmerken van de omgeving; • vormgeving in de basis basaal, eenvoudig en met sobere detaillering; • bijzondere locaties kunnen door vorm en detaillering van een brug worden geaccentueerd. Materiaal- en kleurgebruik: • brug uitvoeren in hout, staal, beton of metselwerk; • reling van hout, staal of gietijzer; • geen gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren.

71

> OBJECTEN

Welstandscriteria overige bruggen

2.5. Reclame-uitingen Objectbeschrijving Reclame is een publieke aanprijzing van een bedrijf, een product of een dienst. Reclames vragen vanuit hun doelstelling aandacht en vormen hiermee een belangrijk en beeldbepalend element van de openbare ruimte. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Reclame-uitingen kunnen deel uitmaken van een bouwwerk, waarvoor een vergunning, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1, onderdeel a van de Wabo, nodig is, en daarmee moet voldoen aan redelijke eisen van welstand. Overige reclame-uitingen kunnen vergunningplichtig zijn op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Langedijk (APV). Artikel 4:16 van deze verordening regelt alleen dat lichtreclames verboden is indien de reclame-uiting, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Op het moment van deze actualisatie is de gemeente een reclamebeleid aan het opstellen. De welstandscriteria hebben uitsluitend betrekking op lichtreclames en omgevingsvergunningplichtige reclameuitingen (bouwwerken). Het welstandsniveau is afhankelijk van het gebied waar de reclame-uiting betrekking op heeft. Uitgangspunt is dat het plaatsen van een reclame-uiting een ingrijpende verandering kan zijn, waarbij het straatbeeld makkelijk kan worden aangetast.

Welstandscriteria voor reclame-uiting op erf Plaatsing en maatvoering: • plaatsing bij de entree van het erf of op een parkeerplaats; • maximaal één reclame-uiting per erf; • geen reclame-uitingen die het uitzicht op de openbare ruimte of het open landschap ernstig belemmeren; • geen reclame voor diensten of producten die niet in het pand plaatsvinden respectievelijk worden verkocht; • maximaal 1,50 m. hoog; • vlaggenmasten maximaal 6.00 m. hoog; Detaillering, materiaal- en kleurgebruik: • reclame-uiting als zelfstandig element vormgeven, waarbij de maatvoering en detailleringen zijn afgestemd op en harmoniëren met het hoofdgebouw; • reclame beperken tot het hoogst noodzakelijke; • geen mechanisch bewegende delen; • geen lichtcouranten, lichtobjecten, lichtreclame, daglichtreflecterende reclame of aangelichte reclame.

72

Welstandscriteria voor reclame-uiting aan een gevel

Detaillering, materiaal- en kleurgebruik: • als zelfstandig element vormgeven, waarbij de maatvoering en detailleringen zijn afgestemd op en harmoniëren met de oorspronkelijke gevel; • indien er (nog) samenhang en ritmiek aanwezig is in het straatbeeld mag dit door een reclame-uiting niet worden verstoord; • waar mogelijk integreren in de architectuur en beperken tot het hoogst noodzakelijke; • geen mechanisch bewegende delen; • geen lichtcouranten, lichtobjecten, lichtreclame, daglichtreflecterende reclame of aangelichte reclame, tenzij er sprake is van een bedrijventerrein of gebouwen bestemd of gebruikt voor detailhandel-, horeca- of bedrijfsdoeleinden; • in geval van panden bestemd of gebruikt voor detailhandel-, horeca- of bedrijfsdoeleinden is plaatsing lichtbak mogelijk: o aan de voorgevel, mits; - hoogte maximaal 0.75 m.; - lengte niet meer dan 50% van de gevelbreedte met een maximum van 2.00 m.; o haaks op de voorgevel, mits; - hoogte maximaal 0.90 m.; - uitsteek maximaal 0.80 m.; - dikte maximaal 0.25 m. o de lichtbak wordt aangebracht op de eerste bouwlaag, dat wil zeggen niet hoger dan de scheiding van de begane grond en de eerste verdieping c.q.

de onderkant van de raamdorpels van de eerste verdieping; o de lichtuittreding bij een lichtbak aan de gevel alleen aan de voorzijde plaatsvindt; o de hoeveelheid lux afkomstig van de lichtbak geen onevenredige hinder oplevert voor bewoners of gebruikers van belendende panden.

73

> OBJECTEN

Plaatsing en maatvoering: • in geval van monumenten en karakteristieke of beeldbepalende panden alleen als de reclame-uiting ondergeschikt is aan de gevel en passend in het historische gevelbeeld; • plaatsing loodrecht op, of evenwijdig en vlak aan, de gevel; • maximaal één reclame-uiting per gevel, tenzij er sprake is van een bedrijventerrein; • geen reclame aangebracht op bouwlagen met een woonbestemming of bouwlagen met een bedrijfsbestemming zonder publieksfunctie; • geen reclame-uitingen die het uitzicht op de openbare ruimte of het open landschap ernstig belemmeren; • geen reclame voor diensten of producten die niet in het pand plaatsvinden respectievelijk worden verkocht.

C3. VEEL VOORKOMENDE KLEINE BOUWWERKEN In tegenstelling tot de relatieve welstandscriteria voor de verschillende gebieden gaat het bij de kleine plannen om vrijwel absolute, objectieve criteria die de planindiener vooraf maximale duidelijkheid geven. Deze kleine bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van welstand als: • • •

het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastgestelde criteria, of; het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving identiek is aan een standaardplan in het betreffende bouwblok of straat (bij gelijkvormige kapvorm/ woningtype) of; het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving voldoet aan een door een architect vooraf ontworpen exemplaar voor een woonwijk/ -blok.

Ambtelijke voorbereiding Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft functie, vorm en maatvoeringen. Als het bestemmingsplan geen bezwaar oplevert wordt het bouwplan in beginsel ambtelijk getoetst aan de criteria, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie of bij twijfel over de toepasbaarheid van de criteria. In deze gevallen wordt het bouwplan direct aan de welstandscommissie voorgelegd. Van een bijzondere situatie is in ieder geval sprake bij, op of aan aangewezen beschermde monumenten en andere specifieke objecten (hoofdstuk 2 deel C). Op basis van de ambtelijke voorbereiding zal de welstandscommissie met inachtneming van de gestelde criteria beoordelen of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. De welstandscommissie zal bij juiste interpretatie van de criteria het resultaat van de ambtelijk voorbereiding volgen. Desondanks kan het voorkomen dat het uiteindelijk welstandsadvies zal afwijken. Dit kan vanwege bijzondere (stedenbouwkundige, architectonische of landschappelijke) situaties of indien er sprake is van onvoldoende verhouding met het hoofdgebouw en/of de directe omgeving. De welstandscommissie maakt in deze gevallen ook gebruik van de gebiedsgerichte criteria, de criteria voor specifieke bouwwerken en algemene welstandscriteria.

De welstandscommissie zal terughoudend optreden ten aanzien van afwijken van het resultaat van de ambtelijke voorbereiding. Vergunningvrije bouwwerken Veel voorkomende kleine bouwwerken kunnen onder bepaalde voorwaarden vergunningvrij zijn (bijlage II Besluit omgevingsrecht). Een vergunningvrij bouwplan wordt niet van te voren getoetst aan redelijke eisen van welstand. Mede daarom zijn niet voor alle soorten kleine bouwplannen welstandscriteria opgenomen. Voor deze bouwwerken zijn de mogelijkheden tot vergunningvrije bouwen voldoende toereikend om in de behoefte van de meeste aanvragers te voorzien. Hiervoor geldt het uitgangspunt dat hetgeen vergunningvrij is in ieder geval niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Uiteraard kan er wel sprake zijn van een exces, waardoor repressief welstandstoezicht nodig is.

74

Achtererfgebied Met ‘achtererfgebied’ wordt het erf bedoeld aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw. Ook openbaar toegankelijk water (doorvaarbaar) wordt aangemerkt als openbaar toegankelijk gebied, waardoor het niet langer mogelijk is om direct langs waterkanten vergunningvrij bouwwerken te bouwen. Wegen die uitsluitend zijn bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer zoals brandgangen worden niet gezien als openbaar toegankelijk gebied.

Voorerfgebied

Ook vanuit welstandsoptiek is het bouwen aan de voorkant in het algemeen van grotere invloed dan het bouwen aan de achterkant. Met het oog op behoud van kwaliteit worden bouwwerken aan de voorkant altijd kritischer beoordeeld. Daarom wordt in de welstandscriteria waar nodig onderscheid gemaakt in ‘achtererfgebied’ en ‘voorerfgebied’. Wijze van meten Alle in de hier navolgende welstandscriteria genoemde afstanden zijn loodrecht gemeten, tenzij anders aangegeven. Het uitgangspunt is dat gemeten wordt vanaf het aansluitende afgewerkte terrein, waarbij plaatselijke niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk buiten beschouwing moeten blijven. Dit is de staat van het terrein zoals gelegen direct aansluitend aan het bouwwerk, zoals dat na de voltooiing van de bouw is afgewerkt. Voor de oppervlakteberekening van gebouwen blijven uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing. Hierdoor kan de oppervlakte berekend worden aan de hand van de buitengevels zonder rekening te houden met dakgoten, dakoverstekken, regenafvoerpijpen, rookgasafvoeren en kleine schoorstenen. De hoogte van op de erf- of perceelsgrens geplaatste bouwwerk wordt gemeten aan de kant waar het aansluitende afgewerkte terrein het hoogst is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=60726455-9fcd-4ad1-a4a7-7aed38aebb70