CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2a TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C toelichting incl bijlage

Gemeenteraad 24 juni 2025, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Vaststellen TAM (Tijdelijk Alternatieve Maatregelen)-omgevingsplan Woonontwikkeling Westpoort Heerhugowaard25.787 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.2

Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is verduidelijkt met de Invoeringswet Omgevingswet. Het gaat hierbij om 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.' Het gaat hierbij om uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor beheer en behoud van het cultureel erfgoed. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten.

In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik en wijziging van monumenten; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Beschouwing Met betrekking tot archeologie kan worden gesteld dat er geen bijzondere archeologische waarden aanwezig zijn. Er is geen sprake van een archeologisch monument. In 2009 heeft Grontmij (tegenwoordig Sweco) een bureau- en booronderzoek uitgevoerd naar een gebied dat volledig overlapt met het huidige plangebied. In het rapport wordt geconcludeerd dat de archeologische verwachting kan worden afgeschaald naar laag (op basis van de uitkomsten van het verkennend booronderzoek). Het advies in het rapport luidt dan ook vrijgave. Aangenomen wordt dat dit rapport niet is meegenomen bij het opstellen van de huidige archeologische beleidskaart, omdat op basis daarvan nog steeds waarde wordt toegekend aan voorliggend plangebied. Om een gebiedsdekkend archeologieregime vast te leggen in de omgevingsplannen binnen Dijk en Waard is ervoor gekozen om het actuele archeologiebeleid op te nemen conform

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 23 van 51

het Actualisatieplan Heerhugowaard 2022. Het plangebied is onbebouwd en vrij van (gebouwde) monumenten. Er is geen sprake van bijzonder (provinciaal) landschap. Voorliggend aspect vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan.

3.3

Bedrijvigheid en milieuzonering

Algemeen Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)’, zoals gepubliceerd op 28 juni 2022 door de VNG. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen. Beschouwing In voorliggend plan worden gevoelige functies gerealiseerd, namelijk woningen.

In de nabije omgeving zijn diverse (milieubelastende) bedrijven aanwezig. Daarom moet in de omgeving worden nagegaan of er mogelijk bedrijven of inrichtingen aanwezig zijn die invloed hebben op de ontwikkelingen. Navolgende tabel geeft de bedrijven in de omgeving weer, inclusief richtafstanden voor de verschillende relevante milieuaspecten.

Nummer Omschrijving

Grootste afstand rustige woonwijk (m)

Grootste afstand gemengd gebied (m)

Werkelijke afstand (m)

1

Beverkoog

300

200

250

2

Planologische mogelijkheid bedrijvigheid 30 of gezondheidszorg

10

25

3

Bouwmarkt

30

10

100

4

Elektronicawinkel en bedrijvigheid

30

10

100

5

Planologische mogelijkheid bedrijvigheid 30

10

50

Tabel: overzicht van milieubelastende functies nabij het plangebied

Zie hieronder de ligging van deze functies. De nummers uit de tabel komen overeen met de nummers op de afbeelding.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 24 van 51

Afbeelding: ligging van milieubelastende functies nabij het plangebied (rood omlijnd).

Voordat bepaald kan worden of de beoogde woningen binnen de richtafstanden van bedrijven of inrichtingen in de omgeving zijn gelegen, dient bepaald te worden tot welk gebiedstype het plangebied behoort. In de VNG-publicatie ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ zijn nog steeds twee omgevingstyperingen opgenomen voor de omgevingskwaliteit: Rustige woonwijk en rustig buitengebied: ‘Een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.’ Gemengd gebied: ‘Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Hetzelfde geldt voor een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt.' De omgeving van het plangebied kan, gezien de aanwezigheid van andere functies dan wonen en ontsluitingswegen en een spoor, gekarakteriseerd worden als ‘gemengd gebied’.

Hiertoe zijn de in de VNG-publicatie genoemde richtafstanden van toepassing. Niettemin zijn er geen bedrijven en/of inrichtingen in de omgeving die mogelijk voor hinder zullen zorgen daar het plangebied op voldoende grote afstand van deze functies is gelegen. Er wordt aan alle richtafstanden voldaan. Bedrijven en functies in de omgeving staan ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat niet in de weg. Tevens leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot beperkingen voor omliggende bedrijven. Bovendien zijn in de bestaande situatie reeds milieugevoelige functies mogelijk (gezondheidszorg) waarmee de omliggende bedrijven rekening moeten houden. Het voorliggende omgevingsplan maakt tevens aan huis verbonden bedrijven mogelijk. De bedrijven die mogelijk zijn, zijn bedrijven die goed inpasbaar zijn tussen woningen. Dit wordt mede bepaald door het type functie en de omvang van de functie die beperkt is tot een deel van de oppervlakte TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 25 van 51

van de woning. Conclusie Het plan is in het kader van bedrijvigheid en milieuzonering uitvoerbaar.

3.4

Milieubelastende activiteiten

Een milieubelastende activiteit (mba) is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wijst de milieubelastende activiteiten aan, waarvoor rijksregels gelden. Dergelijke activiteiten zijn hier niet aan de orde. In de voorliggende paragraaf wordt beoordeeld of er sprake is van mba's die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Geluid Artikel 22.3.4 van de Bruidsschat gaat over geluid door een activiteit dat is toegelaten op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In paragraaf 3.3 is reeds beoordeeld dat er geen significante geluidseffecten hoeven te worden verwacht van bedrijfsfuncties die om het te realiseren woongebied aanwezig zijn. Binnen het te realiseren woongebied worden ook bedrijven aan huis mogelijk gemaakt via een regeling die vaker is toegepast binnen de gemeente en waarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geborgd is. Artikel 22.60 van de Bruidsschat geeft aan wanneer akoestisch onderzoek nodig is. Het uitvoeren van een bedrijf aan huis is dermate ondergeschikt dat er geen sprake is van een verplichting van akoestisch onderzoek. Den verder ook aan de hoge isolatiewaarde van hedendaagse woningen. Er zal daarom kunnen worden voldaan aan de geluidwaarden die zijn opgenomen in de tabellen 22.63, lid 1 en 3 van de Bruidsschat.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft in paragraaf 5.1.4.2 ook een regeling voor geluid door activiteiten op een geluidgevoelig gebouw. Artikel 5.59 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Dit betekent dat er beoordeeld moet worden wat de geluidsituatie op geluidgevoelige gebouwen wordt gelet op de gezamenlijke geluidproductie van alle activiteiten en dat het aanvaardbaar geluid geborgd moet worden. Artikel 5.65 geeft net als de Bruidsschat geluidwaarden op geluidgevoelige gebouwen. Deze waarden wijken op enkele punten af, maar ook hier kan de conclusie worden getrokken dat bij een ondergeschikte functie als een bedrijf aan huis geen sprake zal zijn van een overschrijding van de geluidswaarden. Er zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het plan is op het gebied van milieubelastende activiteiten uitvoerbaar.

3.5

Mer-beoordeling

Wettelijk kader De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De wettelijke basis voor de m.e.r. ligt in Europa: de mer-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor projecten; de smb-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor plannen en programma’s. Daarnaast geldt het verdrag van Espoo, inclusief het SEA-protocol, als er grensoverschrijdende milieueffecten kunnen zijn. De eisen van de bovengenoemde richtlijnen en het verdrag zijn nationaal omgezet in afdeling 16.4 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 26 van 51

van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De Commissie m.e.r. is geregeld in artikel 17.5 van de Omgevingswet en hoofdstuk 12 van het Omgevingsbesluit. Voor het bepalen of een plan eventueel mer-plichtig is, is artikel 16.36, lid 3 en 4 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde plan-mer-beoordeling twee mogelijke resultaten: I. II.

Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffect-rapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER ge-maakt.

Er zijn twee situaties waarin een plan-mer-beoordeling aan de orde kan komen: Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het betreft geen project dat in bijlage 5 bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-mer-plichtig. In dit geval dient een plan-mer-beoordeling te worden uitgevoerd. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage 5 Omgevingsbesluit, maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage 5 van het Omgevingsbesluit. Een plan-mer-beoordeling is aan orde indien: I. II.

Het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft; Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is.

Beschouwing Ten behoeve van de project-mer-beoordeling is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie is bijgevoegd als Bijlage 4. Uit de aanmeldnotitie volgt dat er geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.

3.6

Gezondheid

De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan. 3.6.1

Algemeen

Er bestaat een grote maatschappelijke behoefte aan woningen. Deze woningen worden ingepast in een groene omgeving met veel aandacht voor leefbaarheid en klimaatadaptatie. Zie hiervoor ook de Ruimtelijk Programmatische Verkenning, opgenomen in Bijlage 2. Ten opzichte van de bestaande situatie zal er meer kwalitatief groen binnen het plangebied worden aangebracht.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 27 van 51

3.6.2

Geluid

Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (artikel 4.2, Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Het bevoegd gezag moet rekening houden met gezondheid (artikel 2.1 lid 4, Omgevingswet). De centrale regels voor beoordeling van geluid door activiteiten, lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 5.59, 5.78l en 5.78s van het Bkl. Het vaststellen van het omgevingsplan die deze toelaten, moet aan twee eisen voldoen: I. II.

houd rekening met geluid; voorzie in aanvaardbaar geluid.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in afdeling 5.1 (§ 5.1.4.2a.4 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden) regels opgenomen voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in het geluidsaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Er moet akoestisch onderzoek verricht worden wanneer geluidgevoelige gebouwen geheel of gedeeltelijk binnen een geluidaandachtsgebied komen te liggen. Er wordt daarbij gewerkt met een standaardwaarde en grenswaarde. Voor rijkswegen en provinciale wegen, gemeente- en waterschapswegen, hoofd- en lokale spoorwegen en industrieterreinen gelden ieder eigen standaard- en grenswaarden volgens het Bkl. De standaardwaarden hebben als doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidniveaus. Maar ook voor het aspect geluid geldt dat wordt gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van zowel geluidbelasting als geluidhinder is afhankelijk van de planologische context; in een woonwijk worden andere geluidniveaus aangetroffen en verwacht dan in een bruisend stadscentrum. Er dient een afweging te worden gemaakt waarom bepaalde geluidsniveaus aanvaardbaar zijn. Een overschrijding van de standaardwaarden kan daarmee door het bevoegd gezag acceptabel worden geacht en hoeft geen obstakel te zijn.

Wel geldt dat in het Bkl grenswaarden zijn opgenomen waarboven er doorgaans geen aanvaardbaar geluidniveau kan bestaan. Bij een geluidbelasting boven deze grenswaarde is de ontwikkeling niet zonder meer mogelijk. Een meer uitgebreide beschrijving is opgenomen in het bijgevoegde akoestisch onderzoek dat is opgenomen als Bijlage 5. Beoordeling Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een akoestisch onderzoek (Bijlage 5) uitgevoerd naar geluid afkomstig van de omliggende wegen en de aan de noordzijde grenzende spoorweg. Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Onderzoek daar naar is niet nodig. Het onderzoek is bedoeld om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een woongebied binnen de voorliggende planlocatie. Duidelijk is dat het een geluidbelaste locatie is door de aanwezigheid van de N242, gemeentelijke wegen en de spoorweg. Met het onderzoek kan worden afgewogen of een woningbouwontwikkeling voor maximaal 500 woningen aanvaardbaar en uitvoerbaar is. N242 Omdat voor de N242 nog geen geluidsproductieplafond (GPP) is vastgesteld moet op grond van artikel 3.25 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet het onderzoek naar de geluidsbelasting van deze weg worden uitgevoerd op grond van de Wet geluidhinder. Dat is in het onderzoek ook gedaan. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Onder deze waarde is er geen vervolg benodigd.

Boven deze waarde is er een hogere waardenbesluit benodigd. De maximale waarde waarvoor een hogere waarde kan worden verleend bedraagt 63 dB (maximale ontheffingswaarde). Boven deze TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 28 van 51

waarde dienen dove gevels te worden toegepast. Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde dienen in eerste instantie mogelijke (aanvullende) geluidsreducerende maatregelen te worden onderzocht. In de wet wordt een voorkeur uitgesproken voor de volgorde waarin de haalbaarheid van de diverse categorieën maatregelen onderzocht moet worden. Deze volgorde is: 1. Bronmaatregelen (bijvoorbeeld stiller wegdek, lagere intensiteit, wijziging vormgeving). 2. Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld schermen/wallen/afstand tussen weg en bebouwing vergroten). 3. Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld gevelisolatie). Toepassing van deze maatregel is alleen mogelijk indien via een ontheffingsverzoek aan het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde dan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt vastgesteld. Het geluid veroorzaakt door de provinciale weg N242 bedraagt ten hoogste 63 dB excl aftrek conform artikel 110g Wgh op de grens van het plangebied. Dat bedraagt 61 dB inclusief aftrek. Hiermee wordt niet voldaan aan de maximaal toelaatbare waarde van 48 dB uit de Wgh. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt daarmee niet overschreden. Maatregelen In de rapportage worden bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen overwogen. De maatregelen stuiten echter op bezwaren van landschappelijke en financiële aard.

Een geluidsscherm zal een aanzienlijke hoogte moeten hebben om voldoende effect te hebben. Omdat de maximale ontheffingswaarde niet wordt overschreden zijn hogere waarden mogelijk en dient een besluit hogere waarden te worden genomen door het bevoegd gezag. Gemeentewegen Het geluid veroorzaakt door de gemeentewegen bedraagt ten hoogste 62 dB op 8 en 11 meter hoogte op de grens van het plangebied. Hiermee wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB volgens het Bkl. Wel blijven de berekende waardes onder de grenswaarde van 70 dB. Maatregelen Het geluid veroorzaakt door de gemeentewegen op het plangebied overschrijdt de standaardwaarde voor het geluid opgesteld in het Bkl. Daarom moet ook voor deze wegen gekeken worden naar geluidreducerende maatregelen. Als bronmaatregel kan er gekeken worden naar het aanleggen van een geluidreducerend wegdektype op de Westtangent tussen aansluiting van de N242 en de kruising met de Reuzenpandasingel (ongeveer 375 meter lengte). Een geluidreducerend wegdektype kan naar verwachting 1 tot 3 dB reductie opleveren. Op dit moment is asfaltvervanging nog niet aan de orde. In de toekomst kan hierin een afweging worden gemaakt. Ook kan een snelheidsverlaging worden overwogen: dit kan meerdere dB reductie opleveren. De vermindering van geluid kan aanzienlijk zijn hierdoor.

Verlaging van de snelheid is op dit moment niet aan de orde en bovendien is het snelheidsregime reeds 50 km/u. Als overdachtsmaatregel zou afscherming geplaatst kunnen worden tussen de wegen en het plangebied. Het plaatsen van afscherming direct naast de weg geeft de meest optimale werking, net als is uitgevoerd aan de zuidkant van de Westtangent. Spoor Het geluid veroorzaakt door het spoor bedraagt ten hoogste 67 dB op de grens van het plangebied op een hoogte van 8, 11 en 29 meter. Hiermee wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 55 dB uit het Bkl. Ook wordt de grenswaarde van 65 dB overschreden op het uiterste westelijke deel van het plangebied. Indien op die plek woningen worden gebouwd, zullen deze moeten worden voorzien van niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen (dove gevels). Echter blijft het geluid op de geplande woningen zoals opgenomen in het stedenbouwkundig plan wel onder de toegestane grenswaarde. Een groot gedeelte van de plek waar de grenswaarde wordt overschreden is water voorzien. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 29 van 51

Maatregelen Een bronmaatregel toepassen aan het spoortraject gaat niet haalbaar zijn. De gemeente is in overleg geweest met ProRail. Hieruit is gebleken dat de kosten voor raildempers te hoog waren. Er zullen op dit traject geen raildempers aangelegd worden. Als overdrachtsmaatregel kan er onderzocht worden of het mogelijk is een geluidscherm dicht langs het spoor te plaatsen. De gemeente dient dit af te stemmen met Prorail (=beheerder spoortraject). Het plaatsen van een scherm kan geluidreductie opleveren. Het plaatsen van geluidschermen langs het spoor binnen de bebouwde kom van Heerhugowaard past niet binnen de stedenbouwkundige visie van de Gemeente. Het plaatsen van schermen stuit daarmee op bezwaren van stedenbouwkundige aard. Indirect effect De realisatie van de voorliggende wijk heeft tot gevolg dat het hoeveelheid verkeer afkomstig van en naar het plangebied toeneemt. Dit kan een effect hebben op het geluidsniveau op bestaande woningen rond het plangebied. Dit worden 'indirecte akoestische effecten' genoemd. Vanuit het Bkl wordt aangegeven dat een omgevingsplan met toename van de verkeersintensiteit er voor zorgt dat deze toename niet meer dan 1,5 dB extra geluid oplevert op geluidgevoelige gebouwen. In het onderzoek is bepaald dat deze toename onder de 1,5 dB blijft.

De woningen langs de Abe Bonnemaweg ervaren de meeste invloed van verkeer, maar de toename aan verkeer bedraagt ongeveer 33%. Een toename van 40% aan verkeer is een indicatie van een toename van meer dan 1,5 dB. Voor woonpercelen langs de Westtangent is de toename aan verkeer nog relatiever waardoor ook daar de toename onder de 1,5 dB blijft. De verwachtte toename ten gevolge van het plan Westpoort blijven binnen de gestelde grenzen voor indirecte hinder zoals vastgelegd in het Bkl, verder onderzoek is niet noodzakelijk. Gecumuleerd geluid Omdat de standaardwaarde wordt overschreden is op basis van 5.78ac Bkl inzichtelijk gemaakt wat het maximale gecumuleerde geluidsniveau is binnen het plangebied. Het gecumuleerd geluid op de gevel is het geluid van verschillende geluidbronnen tezamen op die gevel. Het gecumuleerde geluid bedraagt aan de randen van het plangebied maximaal 65 dB. Gezamenlijk geluid Het gezamenlijk geluid op de gevel is het geluid van de verschillende geluidbronnen tezamen op die gevel. Het geluid van de betrokken geluidbronnen wordt ongewogen bij elkaar opgeteld, zonder correcties voor verschillen in hinderlijkheid. Het gezamenlijk geluid op de gevel is nodig om de benodigde geluidwering van die gevel te bepalen. Dat gebeurt om de binnenwaarde van het geluidgevoelig gebouw te borgen.

Het gezamenlijk geluid op de gevel geeft geen inzicht in de geluidskwaliteit bij die gevel. Het houdt immers geen rekening met de verschillen in hinderlijkheid van het geluid van de verschillende geluidbronnen. Het gezamenlijke geluid bedraagt aan de randen van het plangebied maximaal 70 dB. Overweging Het bevoegd gezag kan meer geluid dan de standaardwaarde op een geluidgevoelig gebouw als aanvaardbaar beoordelen. Meer geluid kan nodig zijn vanwege andere belangen dan gezondheid, zoals mobiliteit, werkgelegenheid of woningbehoefte. Uit de belangenafweging over beschermen en benutten van de leefomgeving blijkt hoeveel geluid aanvaardbaar is. De waarden en eisen in het Bkl sturen deze belangenafweging van het bevoegd gezag. Gebleken is dat er niet kan worden voldaan aan de standaardwaarden als gevolg van de gemeentelijke wegen (maximaal 62 dB) en het spoor (maximaal 67 dB). De N242 is getoetst aan de Wet geluidhinder en ook daar is gebleken dat er niet kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde (maximaal 63 dB). Aan de randen van het plangebied vinden overschrijdingen van de maximaal toelaatbare waarden plaats als gevolg van het spoor. Het plangebied biedt voldoende ruimte/mogelijkheden om op die plek geen woningen te hoeven realiseren. Maatregelen zijn overwogen.

Voor de Westtangent zijn bronmaatregelen en TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 30 van 51

overdrachtsmaatregelen denkbaar en zullen in de toekomst worden overwogen. Andere mogelijkheden om de geluidbelasting terug te brengen bestaan uit het treffen van gebouwgebonden maatregelen, bijvoorbeeld in de vorm van aanpassingen aan de buitenruimte (gesloten borstwering, geluidabsorberend plafond) of aan de te openen ramen. Gezien het stadium van de planvorming is gekozen voor een flexibel TAM-omgevingsplan. Het uitgevoerde akoestisch onderzoek heeft aangetoond dat er overschrijdingen van de standaardwaarden/voorkeursgrenswaarde plaatsvinden. De gecumuleerde waarde bedraagt maximaal 65 dB. Dit vindt plaats aan de randen van het plangebied. Op de meeste plekken waar de woningbouw gerealiseerd zal worden is de gecumuleerde waarde lager. Bovendien is uit de visualisaties in de rapportage op te maken dat ook in de wijken in de buurt dergelijke geluidsniveaus aanwezig zijn. Afgewogen wordt dat deze waarden binnen het voorliggende plangebied acceptabel zijn. Er bestaat immers een grote woningbehoefte waar voorliggend plan in voorziet. Er wordt gebouwd voor diverse doelgroepen. De ruime en groene opzet van het plan zorgt ervoor dat er een kwalitatief goede openbare ruimte wordt gerealiseerd. De ligging nabij de N242 en het stationsgebied van Heerhugowaard maken het plan vanuit het oogpunt van mobiliteit ook sterk.

Wanneer deze aspecten worden betrokken bij de afweging over het accepteren van het geluidsklimaat, wordt geconcludeerd dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal ontstaan en dat daarom het geluidsklimaat - ook vanuit het aspect gezondheid - acceptabel is. In de regels is in artikel 5.4 geborgd dat wanneer een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit van de woningen wordt aangevraagd opnieuw een akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd, maar dan op gebouwniveau. Er zal moeten worden aangetoond dat wordt voldaan aan de in het akoestisch onderzoek geconstateerde maximale waarden - inclusief hogere waarden - en dat middels maatregelen zal worden voldaan aan het minimaal vereiste binnenklimaat vanuit het Bbl. Gezien de situering van de woningen en woonblokken en de voorgenomen gesloten bouwblokken, is de verwachting dat de woningen een geluidluwe zijde zullen hebben. Het aspect geluid vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan. 3.6.3

Geur

De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: I. II.

Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Voor geur afkomstig van onder andere het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren gelden vanuit het omgevingsplan geurregels. Voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor gelden conform artikel 22.98 van het omgevingsplan waarden gegeven waaraan voldaan dient te worden bij een geurgevoelig object. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor kan gebruik gemaakt worden van de richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘Milieuzonering Nieuwe Stijl’. Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Tuinen vallen dus niet onder de noemer geurgevoelige objecten. De beoogde woningen binnen het plangebied dienen aangemerkt te worden als geurgevoelige objecten in het kader van de beoordeling van omliggende agrarische inrichtingen. Binnen het plangebied zijn reeds geurgevoelige objecten mogelijk op basis van de bestaande

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 31 van 51

maatschappelijke bestemming. Bovendien is het plangebied niet gelegen binnen het invloedsgebied van geurveroorzakende bedrijven. 3.6.4

Trillingen

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. Paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat gaat over trillingen. In artikel 22.88 Bruidsschat zijn waarden voor continue trillingen opgenomen. Bijgevoegd is een rapportage dat is uitgevoerd naar de invloed van trillingen afkomstig van het spoortraject dat aanwezig is aan de noordzijde van het plangebied (Bijlage 6). Onderdeel van het onderzoek zijn fysieke metingen in de bodem op 4 verschillende punten. De trillingsmeters hebben gedurende een week metingen verricht. Eén van de meters is geplaatst aan de noordzijde, op een afstand van circa 25 meter van het spoor. Hier zou mogelijk sprake zijn van een kinderdagverblijf en/of onderwijsfunctie. Dit is echter geen onderdeel van voorliggend TAM-omgevingsplan en daarom worden de resultaten hiervan verder buiten beschouwing gelaten. Uit de overige trillingsmetingen komt het volgende naar voren. De trillingsprognoses op basis van de gedane trillingsmetingen laten zien dat voor de grondgebonden woningen op tenminste 60 meter afstand tot het spoor voldaan wordt aan de streefwaarden uit de SBR-B, in het geval deze worden uitgevoerd in klassieke betonbouw met een paalfundering.

De appartementengebouwen in het bouwplan zijn geprojecteerd op een afstand van meer dan 190 meter tot het spoor en zijn daarbij niet kritisch qua trillingen. Hier wordt dus ook geen trillingshinder verwacht. Op basis van het gedane trillingsonderzoek wordt geconcludeerd dat het mogelijk is om bij de in het stedenbouwkundig schetsplan getoonde woonvormen en bebouwingsafstanden te voldoen aan de SBR-B en qua trillingen een goed woon- en leefklimaat te bereiken. Overige trillingshinder is niet te verwachten omdat er geen milieubelastende activiteiten plaatsvinden die invloed kunnen hebben op de te realiseren woningen. 3.6.5

Lichthinder

In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen gelden rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij het opstellen van het omgevingsplan vindt een afweging plaats of er regels nodig zijn om lichthinder en verstoring van de natuur te voorkomen. Voor lichthinder bij sportvelden bevat de Bruidsschat specifieke regels. Er is bij de voorliggende ontwikkeling geen sprake van de invloed van kunstlicht afkomstig uit tuinbouwkassen. Ook is er geen sprake van de realisatie of invloed van sportvelden. Binnen de openbare ruimte in Westpoort wordt openbare verlichting toegepast. Gezien de ruime opzet van het plan wordt geen lichthinder op woningen verwacht. Er hoeven geen (extra) regels in voorliggend TAM-omgevingsplan te worden opgenomen. 3.6.6

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3%

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 32 van 51

van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: I.

II.

Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.

In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Beschouwing De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 500 woningen. Deze ontwikkeling past binnen de lijst met categorieën van gevallen die vallen onder NIBM zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl. De voorgenomen ontwikkeling draagt om deze reden niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarbij mag in acht worden genomen dat er planologisch reeds een gezondheidszorgfunctie is toegestaan met een maximale oppervlakte van 200.000 m2 BVO. Aan het bestemmingsplan dat die functie mogelijk maakt, lag een luchtkwaliteitsonderzoek1 ten grondslag. In dat onderzoek waren zowel voor de toenmalige huidige situatie, de autonome ontwikkeling als voor de plansituatie berekeningen uitgevoerd voor de toetsjaren 2012, 2015, 2020 en 2022.

Voor deze toetsjaren bleek dat de grenswaarden voor de concentraties NO2 en PM10 niet werden overschreden. Nu de woonontwikkeling die met voorliggend plan wordt mogelijk gemaakt minder verkeer genereert dan het oorspronkelijke plan, kan worden geconcludeerd dat er geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Tevens is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) geraadpleegd om de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied vast te stellen. Hieruit blijkt dat ten aanzien van NO2, PM10, PM2,5 en EC geen grenswaarden worden overschreden in de omgeving van het plangebied. Derhalve kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied. Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.6.7

Bodemkwaliteit

Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in de paragraaf Bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4.5) van het Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; functies evenwichtig toe te delen aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 33 van 51

bodem; de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage Vb van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico's voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. Beschouwing Er is een verkennend bodemonderzoek (Bijlage 7) uitgevoerd. De locatie is opgesplitst in een vijf deellocaties namelijk: A. B. C. D. E.

Dammen Gedempte sloten Puinpad aan zuidzijde Weiland (onverdacht) Voormalig baggerdepot (en boerenerf).

Uit het verkennend bodemonderzoek komen de volgende verontreinigingen aan het licht: Asbesthoudende puinlaag in dam D09 (deellocatie A); Sterke verhoging aan nikkel en een matige verhoging aan minerale olie in de grond ter plaatse van een slootdemping (SL12, deellocatie B); Sterke verhogingen aan PAK in grond ter plaatse van het puinpad (SL05 en SL07, deellocatie C); Matige verhoging aan minerale olie in het grondwater van peilbuis 6 (deellocatie D). Vervolgens is nader bodemonderzoek (Bijlage 8) uitgevoerd. De verontreinigingssituatie ter plaatse van de planlocatie is daarmee vastgesteld. De sterke nikkel- en matige minerale olie verontreiniging die tijdens het verkennend onderzoek is aangetoond in de slootdemping bij sleuf SL12, is niet bevestigd. Direct naast sleuf SL12 is een nieuwe sleuf SL12A gegraven. In deze nieuwe sleuf is alleen een lichte verhoging aan nikkel aangetoond. In drie verderop gegraven sleuven in de slootdemping is hooguit een lichte verhoging aan minerale olie gemeten. In de demping zijn matige bijmengingen aan plastic, puin en beton aangetroffen. De omvang van de matige tot sterke verontreiniging is zeer gering gebleken, vermoedelijk één tot enkele kuubs. Het betreft geen geval van ernstige bodemverontreiniging. Er zijn geen risico’s voor de mens, het milieu en/of verspreiding.

De onderzoeksresultaten vormen volgens het onderzoek geen aanleiding tot het nemen van sanerende maatregelen bij een bestemmingswijziging. De olieverontreiniging ter plaatse van peilbuis 6 is aanvullend onderzocht. Na herbemonstering is de verhoogde olieconcentratie niet meer aangetoond. Ook bij de boringen is geen olie waargenomen. Aangezien er tevens geen bron voor een olieverontreiniging bekend is, wordt er geconcludeerd dat er geen sprake is van een verontreiniging. Er is ook een actualisatie van het bodemonderzoek voor de voormalige stortplaats uitgevoerd (Bijlage 9). Uit de onderzoeken komt naar voren dat er verontreinigingen aanwezig zijn die gesaneerd moeten worden. In de grondexploitatie die ten grondslag ligt aan voorliggende ontwikkeling is rekening gehouden met sanering van de gronden ten behoeve van de geplande woonontwikkeling. De sanering zal worden uitgevoerd voorafgaand of tijdens de bouwwerkzaamheden. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt in voldoende mate hoe de verontreinigingssituatie is en er is rekening gehouden met de kosten die gemoeid zijn met de sanering. Voor het TAM-omgevingsplan is hiermee in voldoende mate duidelijk dat er geen belemmeringen zijn in de uitvoerbaarheid. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 34 van 51

3.7

Water en watersystemen

Wettelijk kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Beschouwing Op het beleid van de verschillende bestuurslagen is reeds ingegaan in Hoofdstuk 2. Voor de ontwikkeling van Westpoort is een onderzoeksrapportage 'Weging van het waterbelang' (verder: watertoets) opgesteld, welke is bijgevoegd als Bijlage 14. Uit de rapportage komt het volgende naar voren. Watercompensatie HHNK heeft aangegeven dat er een watercompensatie van 13% voor de toename in verhard oppervlak geldt voor deze ontwikkeling. Voor het stedenbouwkundig plan is dit 8.945 m2. De toename in oppervlaktewater voldoet in deze opgave. De berging in wadi’s zorgt voor een vertraagde afvoer naar het oppervlaktewatersysteem.

Waterkwaliteit Het Hoogheemraadschap vereist dat nieuwe ontwikkelingen de waterkwaliteit niet negatief mogen beïnvloeden. De voorkeur gaat uit naar een situatie waarbij afstromend hemelwater voorgezuiverd wordt via bermen, wadi’s en dergelijke voorzieningen. Door neerslag in de wadi’s op te vangen en te laten infiltreren wordt het afstromende water gefilterd. Het overschot van hemelwater zal naar oppervlaktewater afstromen maar dit kan als ‘schoon’ worden beschouwd. Dit zal moeten worden uitgewerkt in een afwaterings- / rioleringsplan. Onderhoud aan watergangen Na ontwikkeling van het plangebied dient HHNK het onderhoud aan watergangen over te nemen. Voor onderhoud aan oppervlaktewater met maaiboot heeft het HHNK eisen in de waterschapsverordening gezet. Hiervoor moeten de watergangen ten minste 6 meter breed te zijn en minimaal 1 meter diep. Bij T-splitsingen of haakse hoeken in de watergang dient de waterlijn 10 m breed te zijn in verband met de draaicirkel. Kunstwerken dienen tenminste 90 cm bij laagste peil en 110 cm bij hoogste peil doorvaartdiepte te hebben en een doorvaartbreedte van 250 cm. De maaiboot-te-waterlaatplaats moet voor een transportvoertuig bereikbaar zijn, er minimaal 2 per doorvaarbaar tracé of minimaal 1 per tracé met een keerplaats met een waterbreedte van 10 m op de waterlijn te hebben.

Het voorliggende TAM-omgevingsplan biedt de mogelijkheid voor de genoemde eisen / maatregelen. Bij de verdere uitwerking van het plan zal hiermee rekening moeten worden gehouden. Riolering In het plangebied worden maximaal 500 woningen gebouwd. Op basis van een vuilwaterproductie van 12 liter per persoon per uur, en 2,5 inwoners per woning, wordt een gemiddelde vuilwaterproductie van 15 m3/h verwacht. In het plangebied dient de vuilwaterriolering hierin te voorzien. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 35 van 51

Aan de noordoostzijde van het plangebied bevindt zich hoofdrioolgemaal HRG Beveland. Het is een mooie kans om het vuilwater uit het plangebied hierheen te leiden. Er dient gecontroleerd te worden of dit gemaal een toename in belasting van 15 m3/h aankan. Afwateringsplan en klimaattoets Om bij de verdere uitwerking van dit plan de waterkwaliteitseisen van het hoogheemraadschap te borgen, en ervoor te zorgen dat het plangebied voldoet aan de eisen uit het Beleidsplan Klimaatadaptatie van gemeente Dijk en Waard wordt aanbevolen om zowel een afwateringsplan op te stellen als een klimaattoets. In het afwateringsplan moet een hydrologisch bouwrijpmaak advies worden opgenomen om op basis van de grondwaterstand het maaiveld en de weg- en vloerpeilen voor te schrijven. Op basis van deze informatie kunnen de beoogde wadi’s worden getoetst op bergingsinhoud en ledigingstijd. Het afwateringsplan dient ook vast te leggen hoe hemelwater afstroomt van verhard oppervlak om de beoogde werking van de wadi’s te garanderen. De klimaattoets toetst het ontwerp op de klimaateisen uit het Beleidsplan Klimaatadaptatie van gemeente Dijk en Waard. Hieruit kunnen maatregelen komen om het ontwerp te verbeteren. Bijvoorbeeld aanvullende waterberging (al dan niet op eigen terrein) of het aanplanten van meer bomen.

Conclusie Uit de watertoets blijkt dat het TAM-omgevingsplan voldoende ruimte biedt aan water en de eisen die worden gesteld vanuit het HHNK. De borging dient nader te worden vastgelegd in een afwateringsplan en een klimaattoets.

3.8

Klimaatadaptatie

Met het veranderende klimaat wordt het steeds belangrijker om ruimtelijke ontwikkelingen klimaatadaptief te realiseren. Het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie werkt aan een klimaatbestendig en waterrobuust Nederland vanuit zeven ambities, en doet dat in een cyclisch proces. Dat betekent dat de resultaten en plannen vanuit de ambities eens in de zoveel tijd worden geëvalueerd. Hoofdpunten zijn: goede bescherming tegen overstromingen voldoende zoetwater een klimaatbestendige inrichting In paragraaf 2.6.7 is reeds ingegaan op het Beleidsplan Klimaatadaptatie Dijk en Waard. Beschouwing In de watertoets die hiervoor is beschreven wordt ingegaan op de klimaatadaptiviteit van het ontwerp dat ten grondslag ligt aan het TAM-omgevingsplan. Het plan realiseert voldoende water en ook worden wadi's toegepast waarmee hemelwater vertraagd kan worden afgevoerd. Aanbevolen wordt om een nadere klimaattoets uit te voeren. Maatregelen kunnen zijn het toevoegen van extra waterberging of het aanplanten van meer bomen. Het voorliggende TAM-omgevingsplan biedt de mogelijkheid voor maatregelen en daarmee kan het uiteindelijke DO voldoende klimaatadaptief worden uitgevoerd. Uiteindelijk is het ook de bedoeling om veel bomen en groen aan te planten bovenop de realisatie van water en waterbergende voorzieningen.

3.9

Natuur en ecologie

Wettelijk kader De Wet natuurbescherming is opgegaan in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling blijft grotendeels ongewijzigd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 36 van 51

soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: I. II.

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en III. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. Beschouwing Om de bepalen wat de effecten van woningbouw zijn op de natuurwaarden is een ecologische quickscan uitgevoerd, waarvan de rapportage is bijgevoegd als Bijlage 15. Het onderzoek is uitgevoerd voordat de Omgevingswet in werking trad en spreekt daarom nog over de Wet natuurbescherming. Hierna worden de resultaten van het onderzoek beschreven. Soortenbescherming Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien van struiken, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie-toplaag. Activiteiten waarbij nesten kunnen worden verstoord dienen buiten het broedseizoen plaats te vinden. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 37 van 51

Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden het plangebied ongeschikt te maken als er nog geen nesten aanwezig zijn. Grondgebonden zoogdieren Als oude holen van Konijn, Mol of andere zoogdieren in de oevers en oevertaluds van het plangebied worden vergraven kunnen vaste verblijfplaatsen van Kleine marterachtigen zoals Wezel en Hermelijn worden vernield. Het is dan noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soorten. Naar aanleiding hiervan is een vervolgonderzoek naar marterachtigen uitgevoerd, waarvan de rapportage is bijgevoegd als Bijlage 16. Uit dit onderzoek volgt het volgende. Het plangebied wordt gebruikt door marterachtigen. Het betreft een Hermelijn of een Wezel. Aangezien deze één of twee keer door één sporenbuis is gelopen en er verder geen sporen in de buizen zijn waargenomen of beelden zijn vastgelegd op de camera’s, wordt geconcludeerd dat de Hermelijn/Wezel niet in het plangebied verblijft, maar het plangebied wel incidenteel gebruikt. Mogelijk is het dier een keer over gezwommen van de overkant en door de sporenbuis gelopen. Aan de overkant van het water staat wat bosschage en is er veel ruigte aanwezig met diverse soorten grassen en kruiden. Er wordt op grond van het geringe aantal waarnemingen ook niet uitgegaan van essentieel leefgebied.

Er is daarom geen ontheffing voor een flora- en fauna-activiteit op grond van de Omgevingswet nodig. Wel geldt de zorgplicht en dient dekking biedende vegetatie voorafgaand aan de ingreep kort te worden gemaaid en minimaal een nacht te blijven liggen voordat werkzaamheden starten. Vleermuizen Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Na realisatie van de plannen zal vanwege de ontwikkelde begroeiing en gerealiseerde bebouwing de beschutting toenemen en zal het terrein geschikt worden voor foeragerende vleermuizen. Het plangebied kan gebruikt worden als (klein) onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde. De aard van het plangebied zal echter niet dusdanig veranderen dat belangrijke gevolgen worden verwacht. Er zijn diverse beschutte landschapslijnen in de nabijheid van het plangebied aanwezig die in dezelfde richting lopen en als (alternatieve) vliegroute kunnen worden gebruikt. Overige soorten Op overige beschermde diersoorten wordt geen effect verwacht.

Gebiedsbescherming Hierna wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. Natura 2000 Het plangebied ligt op meer dan 7,5 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Schoorlse Duinen en het Noordhollands Duinreservaat. Gezien de grote afstand, afscherming (groengebied/stedelijk) en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Om te beoordelen of er sprake is van een toename aan stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is een onderzoek uitgevoerd waarvan de rapportage is bijgevoegd als Bijlage 17. Deze rapportage is geactualiseerd ten opzichte van het rapport dat bij het ontwerp van het TAM-omgevingsplan was gevoegd. De meest actuele AERIUS-calculator is toegepast en er is rekening gehouden met de uitspraak van de Raad van State van 18 december 20242. Het onderzoek bestaat uit een berekening van de uitstoot als gevolg van de aanleg van de bebouwing in het gebied inclusief bouwrijp maken en grondverzet. Ook is een berekening gemaakt van de

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 38 van 51

gebruiksfase van de functies die mogelijk worden gemaakt. Uit deze berekeningen volgt dat de maximale projectbijdrage 0,00 mol/ha/jaar bedraagt op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. Uitvoering van de plannen leidt niet tot een verslechtering van de natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden. NNN-gebied Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. NNN-gebieden kennen geen 'externe werking' en daarom kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN-gebied optreden. BPL Het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) is het regime voor bescherming in Noord-Holland voor gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. Het BPL is beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. De voormalige beschermingsregimes Bufferzones, Aardkundig Monument en Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten. Zoals uit de toets aan de Omgevingsverordening NH2022 al bleek is het plangebied geen onderdeel van BPL. Conclusie Met inachtneming van de zorgplicht is het plan in het kader van soortenbescherming uitvoerbaar. Voor vleermuizen wordt het plangebied geschikter als foerageergebied. Het plan heeft geen negatieve effecten op beschermde gebieden.

3.10

Externe Veiligheid

Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De gemeente stelt in het omgevingsplan regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling houdt ook in dat ze voldoende rekening houdt met het belang van een veilige leefomgeving. Het gaat daarbij om: de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit, en het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving in bredere zin (schade aan gebouwen en het milieu) bij een ongeval bij een risicovolle activiteit.

Gemeenten moeten in het omgevingsplan voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties rekening houden met de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. Anderzijds gelden er aandachtsgebieden voor bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen. Binnen een aandachtsgebied moet de gemeente rekening houden met het groepsrisico. Ook gaat het om het afwegen van beschermende maatregelen voor mensen die in dat gebied wonen, werken of recreëren. De aandachtsgebieden gelden zodra de activiteit wordt verricht. Het werken met aandachtsgebieden is een andere manier van omgaan met het groepsrisico. De regels hiervoor staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De regels over extra bouweisen bij

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling We stpoort Heerhugowaard Pagina 39 van 51

nieuwbouw in een (brand- of explosie)voorschriftengebied staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Beschouwing Aan de hand van de gegevens op de Risicokaart is nagegaan welke risicovolle activiteiten en bronnen in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Er zijn geen locaties aanwezig waar gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen. Ook zijn er geen buisleidingen aanwezig waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied bevindt zich naast het spoor. Er is géén sprake van structureel transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn en daarom is deze niet verder beoordeeld. De bebouwing binnen het plangebied is daarnaast gesitueerd binnen 200 meter van de N242. Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Tot 31 december 2023 was inzicht in de externe veiligheidsrisico’s daarom nodig. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is de berekening van het groepsrisico niet langer noodzakelijk, maar is voornamelijk het maatschappelijke doel “beschermen van de fysieke leefomgeving” van belang. De onder de voormalige wetgeving gehanteerde groepsrisicografiek (fN-curve) is vervangen door aandachtsgebieden. Een aandachtsgebied is het gebied waarbinnen aanwezigen mogelijk kunnen overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden voor transport gelden uitsluitend voor routes behorend tot het Basisnet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=64055324-0ac1-4105-ba3c-af2271bc0106