CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 TAM-omgevingsplan 'Actualisatieplan 2 Dijk en Waard'

Gemeenteraad 17 februari 2026, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan H22K Actualisatie 2 Dijk & Waard30.704 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

2.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Als een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, moet een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling worden gegeven en moet worden beoordeeld of sprake is van een nieuw, planologisch ruimtebeslag. Betekenis voor het plan Voor geen van de locaties is sprake van een stedelijke ontwikkeling. Er worden geen nieuwe woningen toegevoegd en er is geen sprake van nieuw planologisch ruimtebeslag. Het gaat niet om gebiedsontwikkeling. Er is daarom geen onderbouwing in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking nodig. De laddertoets is derhalve niet van toepassing.

2.2.4 Conclusie Het plan past binnen de beleidskaders en instructieregels van het Rijk. De wijzigingen betreffen bestaande feitelijke situaties er is geen sprake van ruimtebeslag. Instructieregels over bodem en geluid zijn relevant voor enkele locaties; deze worden opgevolgd via aanvullend onderzoek. De ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing. Daarmee is het plan in overeenstemming met het nationale beleid zoals opgenomen in de NOVI en de uitvoeringsregels van de Omgevingswet.

2.3 Provinciaal beleid 2.3.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De Omgevingsvisie NH2050 is het richtinggevende beleidsinstrument van de provincie Noord-Holland voor de fysieke leefomgeving. van de provincie Noord-Holland voor de fysieke leefomgeving. De visie beschrijft op strategisch niveau hoe de provincie wil omgaan met ruimte, milieu, landschap, mobiliteit, erfgoed, wonen en werken. De hoofdambitie is het vinden van balans tussen economische ontwikkeling en een gezonde, veilige en aantrekkelijke leefomgeving. In de visie wordt gestuurd op zorgvuldig ruimtegebruik, versterking van de landschappelijke kwaliteit en het behoud van de identiteit van het landelijk en stedelijk gebied. De provincie zet in op het realiseren van voldoende, goed gesitueerde

53

woonlocaties, passend bij de aard en schaal van de omgeving. De wijzigingen in dit TAM-omgevingsplan sluiten aan bij deze uitgangspunten. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen toegevoegd, maar bestaande feitelijke situaties worden v geborgd. In met name het landelijk gebied (zoals bij de locaties aan de Middenweg en Rustenburgerweg) draagt het plan bij aan het toekomstbestendig benutten van bestaande bebouwing. Voor lintbebouwing en gemengd landelijk gebied is dit in lijn met de visie op zorgvuldig ruimtegebruik. Voor zover de omgevingsvisie beleidsregels bevat met bindende werking, zijn deze nader uitgewerkt in de Omgevingsverordening NH2022, die in de volgende paragraaf wordt behandeld.

2.3.2 Omgevingsverordening NH 2022 De Omgevingsverordening NH2022 is op 1 januari 2024 in werking getreden en op 1 februari 2025 gewijzigd. De verordening bevat provinciale regels voor ruimtelijke ontwikkelingen die van belang zijn voor natuur, milieu, landschap, water, mobiliteit en cultureel erfgoed. Afhankelijk van de ligging van een locatie binnen stedelijk of landelijk gebied zijn verschillende regels van toepassing. Artikelen uit de Omgevingsverordening NH2022 die relevant kunnen zijn betreffen de artikelen 6.13 (afstemming), 6.75 (klimaatadaptatie) 6.18b (transformatie functie), zijn in de betekenis voor het plan verwerkt. Betekenis voor het plan: Stedelijk gebied • Spoorstraat 97 Oudkarspel • Klaas Pluisterhof 15 Heerhugowaard • Kavels ‘De Draai’ Heerhugowaard • Oosttangent 4 Heerhugowaard • Celsiusstraat 13 Heerhugowaard • Gedempte Veert Westrand Artikel 6.13 regionale afstemming Dit artikel vereist dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen in overeenstemming zijn met de regionale woningafspraken. Voor dit TAM-omgevingsplan is verder geen regionale afstemming nodig, omdat er geen sprake is van nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Het plan legt bestaande situaties vast of past bouwvlakken technisch aan binnen bestaande bestemmingsstructuren.

Voor wat betreft het in eerste instantie niet toestaan van bedrijfsverzamelgebouwen op bedrijventerreinen is al regionale afstemming geweest op basis van het Convenant (zie 2.4.2 Convenant Werklocaties Regio Alkmaar). Artikel 6.75: Klimaatadaptatie Dit artikel schrijft voor dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting moet worden ingegaan op de risico’s van klimaatverandering. Omdat dit plan geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, maar slechts bestaande situaties legaliseert of technisch corrigeert, is dit artikel niet van toepassing. Betekenis voor het plan: Landelijk gebied • Rustenburgerweg 191 Heerhugowaard • Middenweg 450 Heerhugowaard • Middenweg 474 Heerhugowaard • Middenweg 588 Heerhugowaard • Middenweg 588a Heerhugowaard • Middenweg 590 Heerhugowaard • Middenweg 592 Heerhugowaard • Middenweg 569 Heerhugowaard Artikel 6.18b Transformatie stedelijke functies naar wonen in Landelijk gebied

54

Voor deze locaties geldt dat bestaande bebouwing met een voormalige agrarische of detailhandel functie wordt herbestemd naar wonen. Dit past binnen artikel 6.18b, waarin is bepaald dat maximaal twee burgerwoningen per locatie toegestaan zijn, mits sprake is van rechtmatig aanwezige bebouwing voor een andere stedelijke functie. In alle gevallen wordt voldaan aan deze voorwaarde: de woningen zijn legaal gerealiseerd en reeds feitelijk in gebruik als burgerwoning, er is geen agrarisch bedrijf aanwezig. Er is geen strijd met de provinciale belangen als het van wonen naar wonen gaat en de bebouwing reeds bestaand is. Voor het perceel aan de Rustenburgerweg geldt ook dat er maar één woning toegestaan zal zijn. Er wordt geen extra woning toegevoegd per locatie. Daarmee is voldaan aan de instructieregel voor transformatie naar wonen. Betekenis voor het plan: Glastuinbouwconcentratiegebied • Middenweg 569 Heerhugowaard Artikel 6.47 Glastuinconcentratiegebied Op grond van artikel 6.47 onder e is het niet toegestaan om een bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning. Er is in principe, gelet op de ligging in het glastuinconcentratiegebied, strijd met provinciale belangen.

Echter, wanneer wordt gekeken naar de omgeving in samenhang met het feit dat het gelinkt was aan bedrijfsactiviteiten waar nu verschuivingen plaatsvinden (zie 1.2.10 Middenweg 569 Heerhugowaard voor de situatie), is het voor de gemeente plausibel en logisch dat men de agrarische woning naar een burgerwoning wil omzetten. Hierover is daarom afstemming gezocht met de provincie, die gelet op de situatie toestemming heeft gegeven. De provincie kan zich vinden in de analyse dat in dit specifieke geval een wijziging van het werkingsgebied van het glastuinbouwconcentratiegebied voor de woning passend is. De provincie acht het wel van belang dat deze wijziging uitsluitend geldt voor het perceelsdeel met de woning. Het achterliggende deel van het perceel – waar nog een kas aanwezig is – blijft onderdeel van het concentratiegebied en behoudt de bijbehorende bestemming en bescherming voor glastuinbouwontwikkeling. Hieraan wordt gelet op de herverkaveling aan voldaan.

2.3.3 Actieagenda Wonen en Versnellen Woningbouw 2024-2028 De provincie Noord-Holland heeft de Actieagenda Wonen en Versnellen Woningbouw 2024–2028 vastgesteld als opvolger van de eerdere Woonagenda 2020–2025. De Actieagenda bevat vier actiethema’s: • Versnellen van de woningbouw • Volkshuisvestingsprogramma’s opstellen met concrete afspraken • Stimuleren van innovatie en toekomstbestendig wonen en bouwen • Monitoren en informeren. Een van de beleidslijnen in actiethema 3 is het beter benutten van de bestaande woningvoorraad als duurzame oplossing voor het woningtekort. Betekenis voor het plan Met onderhavige plan wordt géén nieuwe woningbouw gerealiseerd, maar bestaand gebruik wordt juridisch planologisch vastgelegd. Daarmee sluit het plan aan bij de lijn van de Actieagenda om via zorgvuldig gebruik van de bestaande voorraad een bijdrage te leveren aan de woningopgave. Dit geldt voor de locaties waar de bestemming wordt omgezet naar wonen, met name aan de Middenweg en voor de kavels in De Draai (verruiming van bebouwingspercentage voor passende woningtypes). Betekenis voor het plan Met onderhavige plan wordt géén nieuwe woningbouw gerealiseerd, maar bestaand gebruik wordt juridisch planologisch vastgelegd. Daarmee sluit het plan aan bij de lijn van de Actieagenda om via zorgvuldig gebruik van de bestaande voorraad een bijdrage te leveren aan de woningopgave.

Dit geldt voor de locaties waar de bestemming wordt omgezet naar wonen, met name aan de Middenweg en voor de kavels in De Draai (verruiming van bebouwingspercentage voor passende woningtypes). Zoals aangegeven, worden in dit Actualisatieplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt en is er daarmee geen strijdigheid met het beleid zoals dat is geformuleerd in de Omgevingsverordening NH2022 Daarnaast past het plan binnen de Woondeal Noord-Holland Noord 2.0, waarin op regionaal niveau afspraken zijn gemaakt over doelgroepen,

55

locaties en betaalbaarheid. Er is geen sprake van strijdigheid met het provinciaal woonbeleid.

2.3.4 Conclusie Er zijn op het gebied van provinciaal beleid geen belemmeringen voor dit plan.

2.4 Regionaal beleid 2.4.1 Strategie werklocaties Kop van Noord-Holland De Strategie werklocaties is Kop van Noord-Holland is vastgesteld op 29 augustus 2022. De Provincie Noord-Holland heeft het proces begeleid, mede gefinancierd en formeel vastgesteld. Het Regionaal convenant werklocaties Kop van Noord-Holland uit 2016 was toe aan vervanging. De laatste behoefteramingen zoals begin 2021 vastgesteld door de provincie Noord-Holland laat zien dat de regio op totaalniveau over ruimer aanbod van werklocaties beschikt dan waar verwachte vraag naar is, ondanks veel dynamiek in 2021. De terreinen waar nog hectares uitgeefbaar zijn, sluiten kwalitatief niet altijd aan bij de vraag, tegelijkertijd zijn er delen van de regio waar weinig aanbod is maar wel (lokaal gebonden) uitbreidingsvraag. De regio wil deze vraag kunnen faciliteren, het liefst op de locatie waar een bedrijf nu gevestigd is. Ook is er aandacht voor de verbetering van de kwaliteit van de bestaande werklocaties. Dit betekent dat er keuzes moeten worden gemaakt over de werklocaties in de regio. Gemeenten willen streng zijn op kleinschalige bedrijfsverzamelgebouwen, garageboxen en opslagunits op nieuwe werklocaties. Zo behoudt de regio ruimte op bedrijventerreinen voor bedrijven die zich moeilijk elders kunnen vestigen.

Kleinschalige bedrijfsverzamelgebouwen, garageboxen en opslagunits voor particulieren kunnen - door de afwezigheid van milieuhinder en een beperkt aantal vervoersbewegingen per dag - ook op andere locaties in het bestaande stedelijke gebied mogelijk een plek vinden. Omdat het belangrijk is dat de regio één lijn hanteert om een ‘waterbedeffect’ te voorkomen worden nieuwe ontwikkelingen regionaal met elkaar besproken.

2.4.2 Convenant Werklocaties Regio Alkmaar De gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum, Heiloo, Alkmaar en Dijk en Waard werken in regionaal verband samen onder de naam Regio Alkmaar. Hiervoor is in overleg met de provincie Noord-Holland en het Ontwikkelingsbedrijf Noord-Holland Noord een convenant opgesteld. Doel van dit convenant is vast te leggen hoe de regio gezamenlijk voorziet in het realiseren en behouden van toekomstbestendige werklocaties en op welke manier afstemming binnen en buiten de regio plaatsvindt. Het convenant geldt als de regionale afspraken voor bedrijventerreinen in de Regio Alkmaar. Hiermee wordt voldaan aan de vereisten uit artikel 6.13 van de Omgevingsverordening NH2022. Ruimte op bedrijventerreinen is schaars en waardevol en moet efficiënt worden benut. Op plekken met een lage ruimtelijke intensiteit wordt gestreefd naar intensivering. Uitgangspunt is altijd om eerst de bestaande voorraad optimaal te gebruiken (inbreiding), voordat uitbreiding buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Dit sluit aan bij de werkwijze van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Voor bedrijfsverzamelgebouwen geldt dat deze bij voorkeur elders binnen bestaand stedelijk gebied worden gevestigd, zoals in het Stationsgebied van Dijk en Waard.

Toepassing De Vaandel Midden, De Vork, Zandhorst, Bedrijventerreinen in Langedijk Voor de bedrijventerreinen De Vaandel Midden, De Vork, Bedrijventerreinen in Langedijk (waaronder Breekland I) en Zandhorst e.o. wordt uitvoering gegeven aan het convenant Werklocaties Regio Alkmaar en de Strategie Werklocaties Kop van Noord-Holland. Daarmee wordt regionaal één lijn gehanteerd: bedrijfsverzamelgebouwen worden in principe geweerd van bedrijventerreinen en gezocht binnen bestaand stedelijk gebied (zoals het Stationsgebied). Dit plan sluit daarmee volledig aan bij de regionale afspraken. Betekenis voor het plan Er zijn op het gebied van regionaal beleid (zoals ook de regionale woningprogrammering en afspraken binnen de regio Alkmaar) geen belemmeringen voor het voorliggende plan. De locaties in dit TAM-omgevingsplan maken geen nieuwe woningbouw mogelijk en vallen grotendeels buiten de categorieën waarvoor regionale afstemming verplicht is.

56

Daarmee is het plan in overeenstemming met het regionale beleid.

2.4.3 Conclusie Er worden geen regionale ruimtelijke opgaven of beleidsdoelstellingen geraakt, er bestaan op het gebied van regionaal beleid dan ook geen belemmeringen voor dit plan.

2.5 Beleid van het Waterschap 2.5.1 Europees, Rijks en Provinciaal niveau Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen zijn er op (deel)stroomgebiedniveau plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheerplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterprogramma (NWP) 2022-2027. Het NWP is vastgesteld op 18 maart 2022. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren.

Het NWP geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast voor de periode 2022 – 2027. Uitgangspunt is schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Provinciaal beleid Op 31 januari 2022 heeft Provincie Noord-Holland het Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 (Regionaal Waterprogramma) vastgesteld. In het Regionaal Waterprogramma geeft de provincie aan hoe zij zich inzet voor een goede waterkwaliteit, het op peil houden van de watervoorraad en de bescherming tegen overstromingen. Het Regionaal Waterprogramma is opgebouwd uit een drietal deelprogramma's. Voor de deelprogramma’s oppervlaktewater, grondwater en overstromingsrisico’s is uitgewerkt welke doelen de provincie wil bereiken en hoe hieraan een bijdrage wordt geleverd met een breed pakket aan maatregelen, dat samen met andere partijen wordt uitgevoerd. Daarbij wordt extra aandacht besteed aan natuurgebieden, drinkwaterwinningen en zwemwateren, die volgens Europese richtlijnen worden beschermd vanwege de specifieke eisen die hier gelden. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (hierna ook: HHNK) heeft samen met zijn partners zijn waterbeleid op lange termijn (Deltavisie 2012). De Deltavisie is vertaald in het Waterplan 2022-2027 (WBP6) voor de middellange termijn.

Hierin presenteert het HHNK zijn koers voor de periode 2022-2027 en de opgaven waar het hoogheemraadschap zelf en met anderen aan werkt. Het HHNK bouwt voort op de regionale Deltavisie (2012), het Waterprogramma 2016-2021 (WBP5) en het Collegeprogramma 2019-2023. Daarnaast beschikt het HHNK over een Waterschapsverordening die sinds 1 januari 2024 in werking is getreden. De Waterschapsverordening bevat de regels die het HHNK hanteert om de watergangen, waterkeringen en wegen binnen het beheergebied te beschermen. Rond deze sloten, dijken en wegen zijn verschillende zones gedefinieerd en voor elke zone gelden weer andere regels. Betekenis voor het plan In of direct grenzend aan het plangebied bevinden zich geen primaire of regionale keringen.Daarom zijn geen effecten te verwachten op de waterkeringen. Omdat sprake is van het vastleggen van reeds verleende

57

omgevingsvergunningen, het in overeenstemming brengen met actuele situaties en het herstellen van een enkele omissies kan worden geconcludeerd dat er geen afvalwaterstromen bij komen. Wanneer enkel sprake is van wijzigingen in gebruikssituaties is ook geen sprake van een waterschapsbelang voor het HHNK.

2.5.2 Conclusie Met onderhavige plan worden beleidsdoelstellingen op Europees, nationaal en provinciaal niveau geraakt, er zijn dan ook geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

2.6 Gemeentelijk beleid 2.6.1 Strategische omgevingsvisie Dijk en Waard Een omgevingsvisie is een nieuw beleidsinstrument onder de Omgevingswet dat richting geeft aan de toekomst van de gemeente. Het geeft de strategische doelen voor de ‘fysieke leefomgeving’ weer. De Strategische Omgevingsvisie Dijk en Waard (hierna ook: Omgevingsvisie) biedt een integraal perspectief op de opgaven waar de gemeente de komende jaren voor staat. Er zijn ruimtelijke keuzes gemaakt die in verband staan met alle ambities binnen de gemeente, waaronder sociale en economische, maar ook met opgaven zoals klimaat en energie. De Strategische Omgevingsvisie Dijk en Waard is op 22 oktober 2024 vastgesteld. In de visie wordt onder andere ingegaan op de aspecten wonen, werken, mobiliteit en infrastructuur, energie, klimaat, natuur, recreatie en landelijk gebied.Dit staat verwoord in de volgende ambities: Dit staat verwoord in de volgende ambities: • Gezonde en gemengde woonomgevingen • Aantrekkelijke en diverse werkplekken • Verbinding met cultureel erfgoed, water en natuur • Veilige en plezierige beloopbare buurten met snelle verbindingen naar de regioToekomstbestendig landelijk gebied. Met het plan wordt met name invulling gegeven aan de aspecten recreatie en wonen.

Er wordt aangesloten bij de in de Omgevingsvisie omschreven ambitie voor het toevoegen / behouden van woningen binnen bestaand Stedelijk gebied en Landelijk gebied. Betekenis voor het plan Met het voorliggende plan wordt een bijdrage geleverd aan het behalen van de opgaven en ambities uit de Omgevingsvisie. Het plan sluit aan op de ambitie uit de omgevingsvisie om zorgvuldig om te gaan met bestaande bebouwing in bestaand stedelijk en landelijk gebied. Specifiek Oosttangent Het plan sluit aan bij het aspect recreatie, doordat er grond wordt toegevoegd voor het recreëren in het Geestmerambacht. Het plan is in lijn met de Strategische Omgevingsvisie Dijk en Waard en is passend binnen de visie van de gemeente.

2.6.2 Woonvisie Dijk en Waard 2024-2029 De gemeente Dijk en Waard heeft op 22 oktober 2024 de Woonvisie 2024-2029 vastgesteld. Deze volgde de woonvisies op van de voormalige gemeenten Langedijk (2014) en Heerhugowaard (2018). De nieuwe woonvisie gaat door op de ingeslagen weg van het Coalitieakkoord 'Thuis in Dijk en Waard' 2023-2026, en sluit aan op de Woondeal die in 2023 door het college is ondertekend. Mede op basis van de uitkomsten van een woningmarktanalyse en de woonzorgvisie zijn de gemeentelijke ambities nader ingevuld en is een uitvoeringsprogramma opgesteld. De woonvisie beschrijft de volgende opgaven en ambities: • Voldoende passende woningen voor onze inwoners en vestigers;

58

• Zo lang mogelijk wonen in de eigen leefomgeving. • Verbetering positie van verschillende doelgroepen op de woningmarkt; • Gevarieerde buurten met voldoende veer- en draagkracht. Hiervoor gaat de gemeente onder andere het volgende doen: • 10.000 woningen bouwen in de periode 2022-2032; • 30% van de nieuwe woningen realiseren in de sociale huur; • Een regeling voor Startersleningen invoeren; • Inzetten op doorstroming; • Inzetten op efficiënter gebruik van de woningvoorraad: woningsplitsing en woningdelen;Gebiedsgerichte woningbouwprogramma's opstellen. Betekenis voor het plan Met het voorliggende plan wordt een bijdrage geleverd aan het behalen van de opgaven en ambities uit de woonvisie. Er wordt ingezet op efficiënter gebruik van de woningvoorraad. Specifiek Kavels de Draai We sturen op de toevoeging van levensloopbestendige woningen aan de woningvoorraad. Hiermee creëren we passende woonruimte voor ouderen waarin zij zo lang mogelijk prettig, veilig en verantwoord zelfstandig thuis kunnen wonen tegen lagere WMO- en zorgkosten. In de Woonzorgvisie is opgenomen dat we streven naar het toevoegen van 1.000 tot 1.500 geclusterde woningen voor ouderen tot 2030, als onderdeel van het woningbouwprogramma. We vragen ontwikkelende partijen aan deze ambitie een bijdrage te leveren.

Als gemeente willen we stimuleren dat ouderen die wonen in een ongeschikte woning verhuizen naar een geschiktere woning. Op die manier besparen we kosten voor woningaanpassingen én zorgen we ervoor dat er woningen vrijkomen voor andere woningzoekenden. Doorstroom naar (geclusterde) levensloopbestendige woningen kan bijdragen aan het voorkomen van eenzaamheid en aan hoge kosten voor woningaanpassing. Als gemeente willen we ouderen niet alleen stimuleren na te denken over hoe ze willen wonen als ze ouder zijn, maar ook ondersteunen in dit proces. Om tegemoet de komen aan de uiteenlopende wensen van ouderen bieden we ruimte aan uiteenlopende woonconcepten.

2.6.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Dijk en Waard De gemeentelijke welstandsregels zoals deze golden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijven van toepassing onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De gemeente Dijk en Waard heeft vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet redelijke eisen van welstand uitgewerkt in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit en had daarmee beleidsregels voor de beoordeling van bouwwerken. Op grond van de Bruidsschat (artikelen 22.7 en 22.29 van de Bruidsschat) en de Omgevingswet (artikel 4.114, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet jo artikel 4.19 Omgevingswet) behouden de welstandstoets en welstandnota na inwerkingtreding van de Omgevingswet hun rechtskracht. Dit betekent dat deze beleidsregels volgens het overgangsrecht van toepassing blijven na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Betekenis voor het plan Gelet op de aard omvang en impact van het Actualisatieplan is geen nadere onderbouwing nodig. In de gewenste situatie wijzigt er, vanuit fysiek oogpunt, vooralsnog niets ten opzichte van de huidige situatie. De huidige vorm en omvang van de bestaande bebouwing blijft behouden. Er is geen sprake is van bouw- of sloopwerkzaamheden. Voor de percelen waar het plan woningen en andere bouwwerken betreft, is bij de bouwvergunning al aan de welstandsregels getoetst.

Het plan voldoet daarmee op basis van het overgangsrecht aan het gemeentelijk beleidsstuk.

2.6.4 Lintenvisie In de Lintenvisie vastgesteld op 15 december 2023 (opnieuw vastgesteld ter vervanging van de visie ‘Samen werken

59

aan de Linten’ van de voormalig gemeente Heerhugowaard vastgesteld op 23 januari 2018) staat beschreven dat vandaag de dag de oorspronkelijke linten nog zeer herkenbaar aanwezig zijn, ondanks harde groei. Aantrekkelijke lange lijnen onderscheiden zich ten opzichte van de woongebieden die er omheen zijn gebouwd. Kenmerkend zijn onder meer de historische wegprofielen, veelal in combinatie met bomenrijen, de aanwezigheid van stolpboerderijen en de bijbehorende ruime groene erven met erfbeplantingen en open zichtlijnen. Kwaliteiten die zorgen voor bijzondere beleving, middenin, of direct grenzend aan het dichtbebouwde woongebied, dat maakt de linten van grote waarde. De centrale doelstelling van de visie is tweeledig: • Behoud en versterking van de lintstructuren als zelfstandige landschappelijke eenheden. Dat betekent: zeer zorgvuldig omgaan met de kernwaarden die bepalend zijn voor het karakter van de linten. • Ruimte voor initiatief. Om kwaliteit in de linten naar de toekomst toe te kunnen behouden is vitaliteit ook van belang, dit om verval te voorkomen.

Om hierin bij te dragen wordt er ruimte gegeven voor initiatieven om door middel van kleinschalige transformatie (rood-voor-rood) gericht op woningbouw en/ of kleinschalige bedrijvigheid tot passende ontwikkelingen binnen de bestaande structuur te komen.In de Lintenvisie worden vier verschillende typen lintstructuren onderscheiden. Half open lint, gesloten lint, dijk lint en asymmetrisch lint. In de Lintenvisie worden vier verschillende typen lintstructuren onderscheiden. Half open lint, gesloten lint, dijk lint en asymmetrisch lint. De locaties aan de Middenweg vallen onder een half open lint en gesloten lint.De locaties aan de Middenweg vallen onder een half open lint en gesloten lint. Voor de locatie Middenweg 588,588a,590 en 592 geldt dat er sprake is van gesloten lint, kenmerkend is het historische karakter met relatief veel onbebouwde ruimte. Middenweg 450 en 474 liggen in het half open lint. Kenmerkend is het historische karakter met relatief veel onbebouwde ruimte. De bebouwing staat veelal schouder aan schouder en is in de loop van de tijd dichter naar de weg gekomen. Betekenis voor het plan Het voorliggende Actualisatieplan is niet in strijd met de Lintenvisie. Het plan maakt geen nieuwe bebouwing of ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, maar vertaalt reeds verleende omgevingsvergunningen en feitelijk bestaande situaties planologisch-juridisch.

Hierbij wordt zorgvuldig omgegaan met de kernwaarden uit de Lintenvisie, zoals de open zichtlijnen, groene erven, erfbeplanting en het historische bebouwingspatroon. Door het planologisch vastleggen van deze bestaande situaties wordt de lintstructuur juridisch geborgd zonder aantasting van het karakteristieke landschap. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect linten geen belemmering vormt voor het onderhavige TAMomgevingsplan. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, conform artikel 4.2 van de Omgevingswet.

2.6.5 Woonzorgvisie en- analyse Dijk en Waard De gemeente Dijk en Waard heeft op 10 oktober 2023 de woonzorgvisie alsmede de woonzorg-analyse vastgesteld. De woonzorgvisie bouwt deels voort op beleid dat er al ligt. De visie is een uitwerking van de Omgevingsvisie, de visie Sociaal Domein en het Integraal beleidskader sociaal domein. In 2022 is een woonzorganalyse uitgevoerd die inzicht geeft in de verwachte huis-vestingsopgave voor (kwetsbare) ouderen, mensen met psychosociale problematiek (GGZ), mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking en kwetsbare jongeren die uitstromen uit jeugdzorgvoorzieningen. Het onderzoek laat zien dat de huidige woningvoorraad niet volstaat om al deze groepen langer en weer zelfstandig te laten wonen. Er zijn wel verschillen binnen de gemeente. Voormalig Langedijk wordt gekenmerkt door kleinere dorpen waar de bevolking al wat ouder is. In Heerhugowaard zien we de komende jaren juist een omslag van een gezinsgemeente naar een gemeente met meer ouderen. Daar ligt dus een flinke (ver)nieuwbouwopgave waarbij woningen geschikt moeten worden gemaakt, en geclusterde woningen moeten worden gerealiseerd waarin mensen zelfstandig kunnen wonen met enige vorm van ondersteuning. De woonomgeving zal moeten worden

60

aangepast, evenals de manier waarop we zorg en ondersteuning leveren. In de visie richt de gemeente zich op vijf thema’s; • Passend wonen voor alle ouderen; • Passend wonen voor andere groepen met een zorg- of ondersteuningsvraag; • Versterken van de sociale basis voor betaalbaarheid en beschikbaarheid van zorg; • Een geschikte woonomgeving waar mensen omkijken naar elkaar; • Samenwerking wonen, zorg en welzijn. Betekenis voor het plan, Kavels de Draai In De Draai stimuleert de gemeente de bouw van levensloopbestendige woningen. Deze woningen hebben een bredere beukmaat dan reguliere woningen, zodat op de begane grond naast de woonkamer met keuken ook ruimte is voor een slaapkamer en badkamer. Om dit te kunnen realiseren op bouwveld Zomertalingstraat wordt het bebouwingspercentage verhoogd. De doorstroom naar (geclusterde) levensloopbestendige draagt bij aan het thema passend wonen voor alle ouderen en een geschikte woonomgeving

2.6.7 Conclusie Op basis van bovenstaande onderbouwing, kan worden geconcludeerd dat het plan past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente.

61

3 Aspecten fysieke leefomgeving 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de locaties van het plan waar nodig getoetst aan verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving. Bij locaties waarbij voor vaststelling van onderhavig plan sprake is van en omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan/buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Middenweg 450) geldt dat relevante milieuaspecten al door het bevoegd gezag afgewogen zijn bij het verlenen van de vergunning. De vergunning en daarmee de woonbestemming worden alleen nog formeel vastgelegd in het omgevingsplan van Dijk en Waard. De genoemde aspecten sluiten aan op de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. Alleen de onderdelen die van toepassing (kunnen) zijn op de planlocatie ten aanzien van dit onderhavige TAM-omgevingsplan worden behandeld. Daarbij geldt dat geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt; het betreft harmonisatie en met name herstel van bestaande situaties.

3.2 Cultureel erfgoed, archeologie, landschap en stedenbouw Cultureel erfgoed bestaat uit rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, provinciale smonumenten en archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt onder de Omgevingswet geregeld in het Bal, de omgevingsverordening en het omgevingsplan. De Omgevingswet definieert in bijlage A (begrippen) cultureel erfgoed als volgt:‘monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.’ Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De Erfgoedwet is de opvolger van deMonumentenwet 1988 en andere regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan eenanalyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Gemeenten moeten in ieder geval in de toelichting van het plan aangeven hoe rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden van gebouwd erfgoed, archeologie en cultuurlandschap.

Een deel van de planlocatie ligt binnen het historische lint van de Middenweg. Voor deze locaties geldt de gemeentelijke Lintenvisie Dijk en Waard (vastgesteld 15 december 2023), als kader voor behoud en versterking van de lintstructuren. Zie paragraaf 2.6 Gemeentelijk beleid. De van toepassing zijnde dubbelbestemmingen ‘Waarde- Archeologie’ (zie paragraaf 1.4 Geldend omgevingsplan) worden ongewijzigd voortgezet en zijn reeds opgenomen in het Omgevingsplan Dijk en Waard. Betekenis voor het plan, Spoorstraat, Oosttangent, Klaas Pluisterhof, Celsiusstraat Door het ongewijzigd overnemen van de dubbelbestemmingen Waarde-Archeologie 4 en respectievelijk WaardeArcheologie 5 uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, worden de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden juridisch geborgd. Betekenis Rustenburgerweg, Middenweg, Kavels de Draai, Gedempte Veert Door het ongewijzigd overnemen van de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2 uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, worden de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden juridisch geborgd. Specifiek Gedempte Veert Westrand Voor het plan de Westrand is het Beeldkwaliteitsplan - Westrand Sint Pancras vastgesteld d.d. december 2018. De Westrand vormt een nieuwe voorkant aan het Vroonermeer en een schakel tussen de historische dorpskern en de nieuwbouw Vroonermeer Noord.

In het plangebied wordt op een zorgvuldige wijze woningbouw ingepast. De stedenbouwkundige sfeer die wordt meegegeven aan het plan Westrand is "wonen aan een dorpslint". De Westrand is een nieuw lint met een herkenbare identiteit die aansluit bij het afwisselende, dorpse karakter van het lint, parallel

62

aan de Benedenweg van Sint Pancras. De sfeer van het gebied wordt bereikt door een mix van verschillende typen bouwvlakken waarbinnen woningen mogen worden gebouwd. De bestaande kavelbreedtes bepalen de breedte en het type bouwvlak per kavel. Dit leidt tot een gewenste dorpse diversiteit aan bebouwing en karakteristiek voor de historische verkavelingsstructuur. Kenmerkend voor deze dorpse bebouwing is de herkenbaarheid van de individuele woning. Hoofd-, aan- en bijgebouwen dienen een architectonische eenheid te vormen. Daarom is er geen bebouwing mogelijk rondom de woning. Er is hiervoor gekozen om ervoor te zorgen dat er voldoende afstand tussen de verschillende hoofdgebouwen (woningen) blijft bestaan. Om zo de individuele bebouwing als zelfstandige objecten te versterken, herkenbaar te houden en zodat ze niet aan elkaar worden gebouwd. Daarnaast vormt deze openheid tussen de hoofdvolumes een 'knipoog' naar de oorspronkelijke wikken (wateren) die tussen de kavels waren gesitueerd. De juridische waarborg is geland in de eerdergenoemde regeling, opgenomen in de tuinbestemming. Bovenstaande stedenbouwkundige opzet en de juridisch ruimtelijke vertaling daarvan is bij de totstandkoming van zowel het Beeldkwaliteitsplan als het bestemmingsplan altijd uitgangspunt geweest.

In de toelichting bij het bestemmingsplan is daarom ook een motivering opgenomen, zodat kenbaar is welke argumenten ten grondslag liggen aan het niet toestaan van het vergunningvrije bouwen rondom hoofdgebouwen. Met grondeigenaren langs de Benedenweg en de degene die verenigd zijn in de coöperatie Gedempte Veert is altijd transparant gecommuniceerd over de bebouwingsmogelijkheden op de individuele percelen. Ook op ingekomen zienswijzen op dit punt is consequent geantwoord dat het vergunningvrije bouwen vanwege de stedenbouwkundige opzet en de ruimtelijke kwaliteit langs de Gedempte Veert is uitgesloten.

Hoewel met de kennis van destijds een juridisch correcte regel opgenomen was om het vergunningvrije bouwen rondom hoofdgebouwen langs de Gedempte Veert niet toe te staan blijkt door ontwikkelingen in de jurisprudentie dat de regeling in de bestemming Tuin van het bestemmingsplan Westrand in Sint Pancras juridisch niet meer volstaat. Door de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (Afdeling) is in juli 2024 uitspraak gedaan dat een verwijzing naar “achtererfgebied” niet volstaat. Hiermee komt de Afdeling terug op eerdere uitspraken. De grondslag voor het uitsluiten van het vergunningvrije bouwen ligt in het begrip “erf”. De Afdeling heeft in mei 2025 een uitspraak gedaan waaruit blijkt dat “erf” onder de Omgevingswet gelijk staat aan “gebouwerf”. Conclusie Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat voor dit onderdeel sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

3.3 Welstand De gemeentelijke welstandsregels zoals deze golden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijven van toepassing onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De gemeente Dijk en Waard heeft vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet redelijke eisen van welstand uitgewerkt in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Dijk en Waard 2022. Deze beleidsregels zijn conform het overgangsrecht nog steeds van toepassing voor de beoordeling van bouwwerken onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Zie ook paragraaf 2.6.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Dijk en Waard. Betekenis voor het plan, alle locaties Er is geen sprake van een gebiedsontwikkeling, of een ruimtelijke ontwikkeling. Voor zover het onderhavige plan percelen met bouwwerken betreft, is bij de omgevingsvergunning aan de welstandsregels getoetst. Het plan is dan ook niet in strijd me dit aspect van de fysieke leefomgeving. Er is gelet op bovenstaande voor dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

63

3.4 Mer-beoordeling In een mer-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een plan of project mogelijk aanzienlijke milieueffecten heeft. De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Betekenis voor het plan Het onderhavige TAM-omgevingsplan valt niet onder de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een planm.e.r.-plicht of plan-m.e.r.-beoordeling geldt. Het onderhavige plan betreft een Actualisatieplan voor het vastleggen van reeds verleende omgevingsvergunningen, het in overeenstemming brengen met actuele situaties en het herstellen van een enkele omissie in het omgevingsplan. Het plan heeft geen significante gevolgen voor het milieu, er is dan ook geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage, of plan-m.e.r.-beoordeling. Er is gelet op bovenstaande voor dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

3.5 Gezondheid Conform artikel 1.3, eerste lid sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving hangen nauw met elkaar samen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben betrekking op aspecten zoals geluid en bodem. Deze aspecten worden in de navolgende paragrafen afzonderlijk behandeld voor zover deze relevant zijn voor de verschillende locaties.

3.6 Milieuzonering Onder de Omgevingswet worden aspecten zoals geluid- en geurhinder niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals voorheen in het Activiteitenbesluit, maar direct in het omgevingsplan. Dit is een van de redenen waarom de VNG heeft besloten dat de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit niet meer goed past bij het integrale karakter van de Omgevingswet en het omgevingsplan. Milieuzonering nieuwe stijl (VNG handreiking mei 2019) anticipeert hierop en gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren, onder meer voor geluid. De werkelijke milieubelasting van een bedrijfsactiviteit (gebruiksruimte) is dan bepalend of een activiteit op een bepaalde locatie past, en niet meer een richtafstand. In de nieuwe handreiking gaat de VNG uit van drie gebiedstypes: • Industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert • Woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) overheerst; • Gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca en detailhandel.

De toegestane gebruiksruimte wordt bepaald door de afstand en de ligging van de te beschermen gebouwen: in een gemengd gebied of in een rustige woonwijk. Hoe groter de afstand tot gevoelige gebouwen en locaties, hoe hoger deze norm zal zijn. Dit is een verschil met de ‘statische’ afstandsnormen uit de oude handreiking. Naast de toegekende gebruiksruimten in het omgevingsplan gelden ook de standaard waarden en regels voor geluid op basis

64

van de instructieregels uit het Bkl. Voor de locaties in het onderhavige plan is geen sprake van het toevoegen van een bedrijfsactiviteit, er is wel sprake van het toevoegen van een gevoelige functie daar wordt herbestemd naar ‘Wonen’. Dit kan die mogelijk belemmerend kan werken voor milieubelastende activiteiten c.q. bedrijvigheid in de directe omgeving daarvan. Betekenis voor het plan Voor de Middenweg 588 – 592 is er akoestisch onderzoek verricht. Zie voor de onderbouwing paragraaf 3.7 Geluid door milieubelastende activiteiten en geluid door weg-, railverkeer en industrieterreinen De betreffende woningen zijn gesitueerd als lintbebouwing aan een drukke doorgaande weg, met enkele bedrijven in de nabijheid en omgeven door agrarisch gebied. De locaties aan de Middenweg worden daarom getypeerd als gemengd gebied. Bij de Middenweg 450 is het milieuaspect geluid onderzocht bij het verlenen van de vergunning afwijken bestemmingsplan. Bij de Spoorstraat was al sprake van een woonbestemming waarbij geen gebruik is gemaakt van de nadien geldende bedrijfsbestemming. Voor de Rustenburgerweg geldt dat hier reeds sprake was van een gevoelige functie (bedrijfswoning). Een bedrijfswoning wordt uitgesloten ten opzichte van eigen bedrijfsactiviteiten, maar voor de omgeving als burgerwoning beoordeeld. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het Actualisatieplan.

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

3.7 Geluid door milieubelastende activiteiten en geluid door weg-, railverkeer en industrieterreinen Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan. Het begrip milieubelastende activiteit (hierna: mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: ‘activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit.’ Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (m.u.v. ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip, ook vallen nietbedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. De ontwikkelingen uit het onderliggende plan zelf betreffen geen milieubelastende activiteiten. Omgekeerd is zoals ook uit de vorige paragraaf volgt, voor sommige locaties wel sprake van het toevoegen van een gevoelige functie, die mogelijk belemmerend kan werken voor milieubelastende activiteiten c.q. bedrijvigheid in de directe omgeving daarvan. Hiervoor dient dan ook getoetst te worden het aan geluid vanwege omliggende bedrijven.

Daarbij is sprake van geluid door weg-, railverkeer en industrieterreinen. Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in het Bkl instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel de gezondheid en het milieu te beschermen tegen te veel geluid. Hiervoor zijn in het Bkl eisen gesteld aan het geluid op geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw is volgens de begripsbepalingen in bijlage 1, Bkl, een (deel van een) gebouw met een woonfunctie. Onder de omgevingswet is in relatie tot (spoor)wegen en industrieterreinen sprake van geluid-productieplafonds (GPP), basisgeluidemmissie (BGE) en aandachtsgebieden. Geluidproductieplafond (GPP) Voor geluid vanwege rijkswegen, provinciale wegen, (hoofd)spoorwegen en industrieterreinen geldt een systeem dat gebaseerd is geluidproductieplafonds. Een geluidproductieplafond is de maximaal toegelaten hoeveelheid geluid vanwege de betreffende bron op een bepaald punt nabij deze geluidbron (bijvoorbeeld een rijksweg). De rijksoverheid is verplicht de GPP's van rijkswegen en hoofdspoorwegen te bewaken en te monitoren en neemt maatregelen om een overschrijding van een GPP te voorkomen.

Voor provinciale (spoor)wegen en industrieterreinen van provinciaal belang is de provincie verantwoordelijk en voor gemeentelijke industrieterreinen de gemeente. De gegevens over de waarde van het GGP’s, de ligging van een geluidreferentiepunt en het ge-luidaandachtsgebied zijn opgenomen in het geluidregister (artikel 11.52, Bkl). De waarden van de GPP’s en de ligging van de geluidaandachtsgebieden, zijn een gegeven.

65

Basisgeluidemissie (BGE) De basisgeluidemissie is het referentieniveau van het geluid van gemeentewegen, water-schapswegen en lokale spoorwegen. Wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 1000 motorvoertuigen per etmaal zijn relevant voor het bepalen van de basisgeluidemissie. De gemeente bewaakt de toename van geluid ten opzichte van de vastgestelde basisgeluidemissie. De bge wordt vastgelegd in het geluidregister en vijfjaarlijks gemonitord. Bij een toename van 1,5dB of meer ten opzichte van de bge worden maatregelen overwogen. De monitoringsverplichting over de bge lopen synchroon met de bestaande vijfjaarlijkse verplichting vanuit de EU-richtlijn omgevingslawaai. De verplichtingen van de monitoring van geluid worden geïntegreerd met de uitvoering van de Europese richtlijn. In het actieplan geluid zal ingegaan worden op de afweging (artikel 3.26 Bkl) of maatregelen moeten worden genomen en de verplichting tot naleving van de binnenwaarde (artikel 3.49, eerste lid, onder c, Bkl). De basisgeluidemissie of het actieplan geluid maakt geen deel uit van het omgevingsplan. De regels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen gelden alleen voor geluidgevoelige gebouwen die binnen een geluidaandachtsgebied liggen en voor bronnen met een geluidaandachtsgebied.

Geluidaandachtsgebied Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid vanwege de betreffende bron hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De grootte van het gebied is afhankelijk van de bron. Hierbij is in tegenstelling tot het begrip geluidszone de reikwijdte van een geluidaandachtsgebied afhankelijk van de geluidsemissie van de bron en niet van het aantal rijstroken, zoals onder de Wet geluidhinder het geval was. Zo krijgen alle wegen met een jaargemiddelde verkeersintensiteit van 1.000 motorvoertuigen of meer los van de snelheid ook een geluidaandachtsgebied. De standaardwaarde is in het algemeen een aanvaardbaar geluidniveau. In het omgevingsplan kan op basis van het type gebied een hogere of lagere standaardwaarde worden vastgesteld. De standaardwaarde staat gelijk aan voldoende kwaliteit voor een gezonde leefomgeving. Bij het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied of het wijzigen of aanleggen van een geluidbron met een geluidsaandachtsgebied moet de geluidbelasting worden getoetst. Dat is in het onderhavige plan voor de locties die een woonbestemming krijgen van toepassing. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor g eluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw.

Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort en gelden voor een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar is toegelaten (artikel 5.78, tweede lid, Bkl). Indien uit onderzoek volgt dat de standaardwaarde wordt overschreden bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw dan wordt het gezamenlijke geluid op de gevel vastgelegd in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit. Het gecumuleerd geluid op de gevel wordt beoordeeld als het geluid van een geluidbronsoort op de gevel hoger is dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van het geluid in de bestaande situatie. De beoordeling van het gecumuleerd geluid vindt plaats bij de wijziging van het omgevingsplan in de volgende situaties: • Wijzigen/toelaten van een weg, spoorweg of industrieterrein met GP (artikel 3.38 Bkl); • Verhoging GPP (geen wijziging) van weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.38 Bkl); • Het wijzigen of toelaten van een weg of lokale spoorweg zonder GPP (artikel 5.78 Bkl); • Het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bij een industrieterrein met GPP, een weg of een spoorweg (artikel 5.78ac Bkl). Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied wordt de geluidwaarde op het gebouw berekend en beoordeeld.

Het uitgangspunt is dat het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. Het geluid is dan in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade is klein. Er wordt hierbij geen onderscheid meer gemaakt tussen binnen- of buiten stedelijk gebied. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden. Zo kan een bepaalde locatie een hogere geluidbelasting hebben dan de standaardwaarde terwijl andere factoren voor die locatie juist heel gunstig zijn. De Omgevingswet geeft de mogelijkheid om deze factoren mee te laten wegen. In het gebied waar niet meer wordt voldaan aan de standaardwaarde, maar waar de geluidbelasting nog juist binnen de grenswaarde is, kan onder voorwaarden een hogere geluidbelasting worden toegelaten. Een grenswaarde is een harde grens, waarvan alleen bij uitzondering en alleen in aangegeven gevallen (zoals bij zwaarwegende belangen) kan worden afgeweken (artikel

66

5.78u, lid 1a Bkl). Bijvoorbeeld wanneer er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen, de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde. Het bevoegd gezag beoordeelt de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting bij ruimtelijke plannen. Bruidsschat Gedurende de periode dat er nog geen nieuwe regels voor geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen in het nieuwe deel van het omgevingsplan zijn opgenomen, beschrijft de Bruidsschat hoe het aandachtsgebied van een (spoor)weg moet worden bepaald (art. 22.273 bruidsschat). Daarmee gelden vaste afstanden voor de aandachtsgebieden: voor een of twee stroken 200 meter, drie of meer stroken 350 meter. Op basis hiervan dient akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai te worden uitgevoerd, tenzij aannemelijk is dat over de verkeersintensiteit minder dan 1.000 voertuigen per etmaal zal bedragen. Dat is in dit onderhavige plan voor de Middenweg niet het geval. Betekenis voor het plan Enkele locaties zijn gelegen aan de gemeentelijke Middenweg, er is geen sprake van een provinciale weg. Het regime volgens de Wet Geluidhinder als gevolg van het niet aanwezig zijn van geluidsproductieplafonds (GPP) is dan ook niet van toepassing.

Akoestisch onderzoek kan worden uitgevoerd voor de locaties waar sprake is van woningen gelegen binnen het aandachtgebied van wegen en daar waar bedrijven op korte afstand gelegen zijn. Bij Middenweg 450 is het aspect geluid reeds afgewogen bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de gebruikswijziging. Voor de Rustenburgerweg geldt dat hier reeds sprake was van een gevoelige functie (bedrijfswoning). Er is sprake van een bestaande situatie, onder een bedrijfswoning gelden de regels al. Voor Middenweg 474 wordt bij de conclusie akoestisch onderzoek aangesloten. Met het omzetten naar wonen veranderd het woon- en leefklimaat ter plaatse immers niet. Mocht het zo zijn dat er in de toekomst veranderingen aan de woning plaats zullen vinden dan gelden de in de planregels opgenomen beoordelingsregels voor geluid. Dit ter waarborging van een toekomstbestendig goed woon- en leefklimaat. Voor Middenweg 588–592 is akoestisch onderzoek uitgezet ( Bijlage 2 Akoestisch onderzoek M+P raadgevende ingenieurs BV 7 juli 2025 2). Akoestisch onderzoek Bedrijvigheid Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeerslawaai. En naar het geluid vanwege de omliggende bedrijven en of deze omliggende bedrijven niet onredelijk worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.

Uit het onderzoek volgt uit de paragraaf bedrijvigheid dat alleen woning Middenweg 592 binnen de richtafstand voor geluid een bedrijf (Stammis BV) ligt.

Naast Stammis is een bestaande burgerwoning aanwezig, waarvan de gevel op 2,5 m afstand ligt van het perceel van Stammis. Stammis heeft geen maatwerkvoorschriften. Hiermee zijn de standaardwaarden uit het Omgevingsplan van

67

toepassing, die overeenkomen met de richtwaarden bij woningen in een gemengd gebied. Indien deze worden toegepast op de direct naast de inrichting gelegen bestaande burgerwoning, wordt ook bij de her te bestemmen woningen aan de standaardvoorwaarden uit het omgevingsplan voldaan. Indien zich een ander bedrijf vestigt op dit perceel, mag dit maximaal milieucategorie 2 hebben. Dit vormt geen knelpunt voor de herbestemming van de betreffende woningen. Op basis hiervan wordt geconcludeerd, dat de planologisch maximale bedrijfssituatie op het perceel Middenweg 571 geen knelpunt vormt voor de herbestemming van de vier betreffende woningen. De brongegevens van Stammis zijn opgenomen in bijlage B. De rekenresultaten zijn in bijlage C opgenomen in het onderzoek dat is bijgevoegd an onderhavig plan ( Bijlage 2 Akoestisch onderzoek M+P raadgevende ingenieurs BV 7 juli 2025 2). Wegverkeerslawaai Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd voor de woningen aan de Middenweg 588 – 592 omdat die zijn gelegen binnen het aandachtgebied van wegen. Uit de berekeningen blijkt dat het geluid afkomstig van de gemeentewegen hoogstens 63 dB bedraagt. Dit betekent dat de standaardwaarde met 10 dB wordt overschreden. Daarentegen wordt de grenswaarde niet overschreden.

Vanwege de overschrijding van de standaardwaarde, zijn geluidbeperkende maatregelen onderzocht: • De mogelijkheid bestaat om het asfalt te vervangen door stiller asfalt. Gezien het beperkte aantal woningen wordt deze maatregel als niet doelmatig gezien. • De maximumsnelheid op de gemeenteweg zou verlaagd kunnen worden. Deze maatregel is echter niet haalbaar omdat de Middenweg gecategoriseerd is als een gebiedsontsluitingsweg 50km/u vanwege de functie van de weg, namelijk het verkeer laten stromen en een gebied ontsluiten. Naast dat het verlagen van de maximum toegestane snelheid niet past in het wegencategoriseringsplan, komt de omgeving en het wegprofiel niet overeen met de kenmerken die een 30 km/u weg heeft. • Een derde optie is een overdrachtsmaatregel: een dergelijke maatregel (scherm/wal/afschermende bebouwing), gezien de afstand tussen weg en woningen is dat echter niet mogelijk. • Dan is er de optie voor een gevelmaatregel, dit kan nader worden onderzocht, hier is gelet op de aard van het plan niet voor gekozen, de daadwerkelijke functie van de woningen zal niet wijzigen. Geconcludeerd wordt dat zich geen maatregelen aandienen die financieel doelmatig zijn of waartegen geen overwegende bezwaren bestaan van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard.

Gelet op het historische gebruik van de woningen en het feit dat er door de bestemmingswijziging geen veranderingen gaan plaatsvinden in het leefklimaat hoeven niet per definitie geluidwerende maatregelen te worden genomen. Door de bestemmingswijziging zal immers geen verandering plaatsvinden in het leefklimaat, het gaat om een herbestemming zonder dat de bestaande situatie wijzigt. Indien in de toekomst sprake is van fysieke ingrepen (sloop/verbouw/nieuwbouw) zal onderzoek alsnog noodzakelijk zijn. Als het geluid van een geluidbronsoort hoger is dan de standaardwaarde dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening te worden gehouden met lokale specifieke omstandigheden en de cumulatie van het geluid (artikel 5.78ac Bkl). Verdergaand onderzoek naar binnenniveau/geluidswering is niet nodig omdat dit niet in het Bkl wordt vereist en dit ook niet uit gemeentelijk beleid volgt.

68

Beleidsregels De gemeente Dijk en Waard heeft (nog) geen beleidsregels vastgesteld waarin voorwaarden zijn opgenomen voor het toestaan van geluid onder de Omgevingswet. Hoewel geluidbeleid dat door een gemeente is vastgesteld om te hanteren onder de Wet geluidhinder (vóór 1januari 2024) niet zonder meer de beleidsregels weergeeft die een gemeente wil hanteren onder de Omgevingswet, geeft het ‘oude’ geluidbeleid Wet geluidhinder wel een indicatie van de voorwaarden die kunnen worden gesteld. Het beleid is om alle woningen minimaal één ‘rustige recreatieve buitenruimte’ te geven, met een geluidsbelasting van ten hoogste 48 dB. Hieraan wordt voldaan. Dit in combinatie genomen met de aard van het onderhavige plan, namelijk het actualiseren van de huidige en reeds feitelijke situatie volgt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Cumulatie en gezamenlijk geluid Aangezien het bedrijf Stammis gedurende de dagperiode 36 dB en 38 dB produceert op respectievelijk 2 en 5 meter, heeft het geen effect op het gecumuleerde geluid. Daardoor is het gecumuleerd geluid en het gezamenlijk gelijk aan het geluid van het wegverkeer.

3.7.1 Conclusie Het aspect geluid vormt gelet op bovenstaande onderbouwing geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM -omgevingsplan. Omliggende bedrijven worden niet gehinderd in de bedrijfsvoering door de herbestemming naar ‘Wonen’. Er is sprake van minimaal een rustige buitenruimte bij de woningen zelf, hierdoor kan worden gesteld dat sprake is van een gezond woon- en leefklimaat. Mocht het zo zijn dat er in de toekomst veranderingen aan de woning plaats zullen vinden dan gelden er beoordelingsregels voor geluid ter waarborging van een toekomstbestendig goed woon- en leefklimaat. Er is gelet op bovenstaande voor dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

3.8 Geur Zoals ook uit paragraaf 3.6 Milieuzonering volgt dient de gemeente in het omgevingsplan rekening te houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Bkl. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • Bij het mogelijk maken van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; • Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geur veroorzakende bedrijven. De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Betekenis voor het plan De woningen binnen het plangebied dienen aangemerkt te worden als geurgevoelige objecten. Voor de locatie Middenweg 474 geldt dat er een geur veroorzakend bedrijf (restaurant) binnen 50 meter van de locatie is. Nu dit restaurant aan de overzijde van de Middenweg ligt, is aannemelijk dat de afstand, de ligging en de aard van de bedrijfsvoering geen significante geurhinder veroorzaken die nader onderzoek vereist.

Voor de overige locaties in het plangebied zijn geen geur veroorzakende bedrijven in de directe nabijheid aanwezig, waardoor nader onderzoek niet aan de orde is. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect geur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=dc609a63-ea96-4f60-9015-0a37ec302e86