Bijlage 1 - Vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Woonontwikkeling Vronermeerweg
Tekst van het document
wateroverlast, de publieke en private wateropgave, de benodigde watervertraging op publiek en privaat terrein, de waterrobuustheid van een straatprofiel bij gebouwen, de waterneutraliteit, de duurzame omgang met water, de draagkracht van de bodem, het voorkomen van hittestress en het bevorderen van de biodiversiteit. Deze normen zijn van belang voor de uitwerking van het civieltechnisch plan van het woongebied. 5.10.2 Situatie plangebied De beoogde ontwikkeling is getoetst op het gemeentelijke beleidsplan inzake de klimaatadaptie. Het is getoetst is op de thema’s: wateroverlast, droogte, bodemdaling, hitte, overstroming en natuurinclusiviteit en biodiversiteit. Het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan voldoet aan de gemeentelijke en provinciale normen voor klimaatadaptie. Bij de civieltechnische uitwerking dient te worden aangetoond dat de uitwerking voldoet aan het gemeentelijk beleidsplan inzake de klimaatadaptie. 5.10.3 Conclusie Het aspect klimaatadaptie is voldoende meegewogen bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan. Er is derhalve op dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.11
Duurzaamheid
5.11.1 Wet- en regelgeving De Omgevingswet benoemt specifiek de doelen duurzaamheid en natuur. Dit volgt op de verslechterde staat van de natuur en de merkbare verandering van het klimaat. Vanwege klimaatverandering zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk aan maatregelen tegen hittestress (meer groen en bomen), wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), droogte (beter en langer vasthouden van water) en waterveiligheid (dijken). Hierbij ligt ook een link naar het klimaatadaptatie (zie paragraaf 5.10). In het nationaal energieakkoord voor duurzame groei is afgesproken dat de energievoorziening in 2050 geheel klimaatneutraal is. Voor de gebouwde omgeving betekent dat er geen aardgas meer gebruikt mag worden voor het verwarmen van gebouwen: de warmtetransitie (Energierapport van het ministerie van Economische Zaken). Relevant is ook dat vanaf 1 januari 2021 alle nieuwbouw moet voldoen aan de eisen voor BENG (Bijna Energie Neutrale Gebouwen) waarmee is vastgelegd dat energiebronnen voor gebouwen in bepaalde mate duurzaam moeten zijn. De Bruidsschat bevat een artikel betreffende energiebesparende maatregelen (artikel 22.52). Daarnaast kan het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid in het omgevingsplan zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden.
Op het moment heeft de gemeente Dijk en Waard nog geen omgevingswaarden vastgelegd ten aanzien van het aspect duurzaamheid. Wel vraagt de gemeente om een toelichting op dit aspect bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan. Duurzaamheid kan daarbij tot uitdrukking komen in de thema's: kwaliteit van de leefomgeving, water, energie, mobiliteit, natuur / ecologie en milieu. Onder deze laatste kan onder meer het volgende worden verstaan: gezondheid, externe veiligheid, materiaalkeuze en hergebruik van materialen, duurzaam slopen, geluid, lucht en beheer/onderhoud van een gebied of gebouw.
5.11.2 Situatie plangebied In het plan voor Vronereiland worden op het gebied van duurzaamheid het volgende toegepast: Realisatie van een bijna energieneutrale (BENG) woongebied; Aardgasvrij bouwen; Het benutten van de daken van woningen en/of bergingen voor zonnepanelen;
49
Toekomstgericht bouwen met voldoende flexibiliteit en goed doordacht woningaanbod; Klimaatadaptieve maatregelen conform het klimaatbeleid van de gemeente, uitgewerkt in een klimaatplan met voldoende groen en schaduw; Het realiseren van groene plantsoenen (van bij voorkeur minimaal 200m2) en speelplekken op korte afstand van de woningen, op minder dan 300m.; Het gebruik van streekeigen beplanting en oevermilieus met hoge natuurwaarde; De toepassing van hagen, bloemenweides en bloeiende beplanting in de woonomgeving; Een goed stelsel van voetpaden en goede toegankelijkheid voor de fietser; Natuurlijk spelen en speelaanleidingen; Infiltratie van hemelwater door onder andere open verharding; Natuurinclusief bouwen, waarbij rekening wordt gehouden met leef- en nestmogelijkheden nabij de woningen en in het openbaar gebied, onder andere door toepassing van vogelkasten (vogelvides, nestkasten); Handhaving van de bestaande zwaluwwand in het plangebied; Gebruik van duurzame materialen waaronder niet-uitloogbare producten en indien er hout wordt toegepast: hout met FSC- keurmerk.; Plaatsing openbare verlichting met LED lampen. Binnen de regels van dit omgevingsplan is er voldoende ruimte opgenomen voor het aanbrengen van zonnepanelen, zonnecollectoren, e.d.
Door de opzet van het plan met veel ruimte voor groen en water is er voldoende mogelijkheid tot waterbuffering wat de waterrobuustheid en klimaatbestendigheid voor de toekomst groter maakt. 5.11.3 Conclusie Het aspect duurzaamheid is meegewogen bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan. Er is derhalve op dit onderdeel sprake van een evenwichtige sprijding van functies aan locaties.
5.12
Natuur en ecologie
Bij ruimtelijke ontwikkelingen en projecten moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Het wijzigen van het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal of gemeentelijk beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het besluitgebied zelf te liggen. Activiteiten in een besluitgebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Bij alle plannen/projecten in parken, groengebieden, de Hoofdgroenstructuur en NNN wordt in een vroegtijdig stadium een ecoloog geraadpleegd. Daarnaast kunnen individuele dier- en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen (soortenbescherming). Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet rekening worden gehouden bij de vaststelling van het omgevingsplan.
50
5.12.1 Wet- en regelgeving De voormalige Wet natuurbescherming is via het aanvullingsspoor beleidsneutraal omgezet in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (hfd. 11), zie Aanvullingswet natuur Omgevingswet (Stb. 2020, 310) en Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet (Stb. 2021, 22). Ook de Spoedwet aanpak stikstof (Stb. 2019,517), Verzamelwet LNV 2021 (Stb. 2021, 27) en de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Stb. 2021, 140) zijn opgegaan in de Omgevingswet. In de wetgeving is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL) en de bescherming van houtopstanden. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving.
Een belangrijke bepaling is de zorgplicht die stelt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. In de wetgeving wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd, in verschillende categorieën. De bescherming van Natura 2000-gebieden is eveneens opgenomen in de wetgeving evenals de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing verkregen worden.
Als er beschermde soorten voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Voor de bescherming van houtopstanden is aangegeven dat het verboden is een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting van meer dan twintig bomen, gerekend over het totaal aantal rijen. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels een goedgekeurde gedragscode of de werkzaamheden voortvloeien uit instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.
5.12.2 Situatie plangebied Om de uitvoerbaarheid van dit project te toetsen, is een natuurtoets (Vronermeerweg te Sint Pancras Toetsing in het kader van de natuurwetgeving, Van der Goes en Groot, 28 november 2022, Bijlage 5) uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Soortenbescherming Vogels
51
Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoor-beeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt. 'Categorie 5'-soorten Gezien de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied zullen de (mogelijk) aanwezige vogelsoorten die genoemd worden als 'categorie 5'-soort (Zwarte roodstaart, Spreeuw, Kool- of Pimpelmees en IJsvogel), kunnen uitwijken naar alternatief leefgebied. Er gelden geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarrond beschermde status van nesten van deze soorten rechtvaardigen. Overigens geldt ook voor deze soorten dat activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden.
Aanbevolen wordt om in de nieuwe situatie geschikte nestlocaties voor categorie 5-soorten aan te bieden. Voor holtebroeders zoals Zwarte roodstaart en Spreeuw zijn verschillende ontwerpen nestkasten beschikbaar. Voor IJsvogel en bijvoorbeeld Oeverzwaluw kunnen nabij water broedwanden gerealiseerd worden. Soorten met jaarrond beschermde nesten Bij de sloop van de gebouwen zouden vaste rust- of verblijfplaatsen van de Huismus beschadigd of vernield kunnen worden. De nesten van deze soort zijn jaarrond beschermd. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soort. Hierbij dient ook de naaste omgeving van het plangebied betrokken te worden. Als uit het vervolgonderzoek blijkt dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn dient alternatieve nestgelegenheid of vervangend leefgebied te worden aangeboden. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen 'Activiteitenplan' deze maatregelen worden uitgewerkt.
Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Sperwer, Ransuil, Kerkuil of Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. Grondgebonden zoogdieren Bij het verwijderen van de toplaag en het vergraven van de bodem of de oevers kan schade optreden voor beschermde zoogdieren (kleine marterachtigen en Waterspitsmuis). Het is derhalve noodzakelijk om voorafgaand aan het werk vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren. Als beschermde, niet vrijgestelde, zoogdieren aanwezig zijn, dient vervangend leefgebied te worden aangeboden. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen 'Activiteitenplan' deze maatregelen worden uitgewerkt. Vleermuizen
52
Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Na realisatie van de plannen zal vanwege de ontwikkelde begroeiing en gerealiseerde bebouwing de beschutting toenemen en zal het gebied geschikt blijven voor foeragerende vleermuizen. Vliegroutes Het water langs het plangebied kan gebruikt worden als (klein) onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde. De aard van het plangebied zal echter niet dusdanig veranderen dat belangrijke gevolgen worden verwacht. Aanvullend onderzoek soortenbescherming Het plangebied is aanvullend onderzocht op beschermde soorten (Vronermeerweg te Sint Pancras Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving, Van der Goes en Groot, 10 oktober 2023, Bijlage 6). Tijdens de inventarisatie zijn geen beschermde ecologische waarden aangetroffen. In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaats-en van vogels voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen.
Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broed-seizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. In het plangebied zijn geen kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn en Wezel), Waterspitsmuis of andere beschermde, niet vrijgestelde, grondgebonden zoogdiersoorten vastgelegd. Er zijn geen negatieve effecten van de ingreep op kleine marterachtigen mogelijk. Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op meer dan vijf kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Noordhollands Duinreservaat. Gezien de grote afstand, afscherming (groengebied/stedelijk) en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het NNN in Noord-Holland kent geen externe werking. Door de uitvoering van de plannen gaat geen NNN of BPL verloren of wordt aangetast, waardoor negatieve effecten op deze gebieden kunnen worden uitgesloten.
Beschermde houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, Er worden derhalve geen bij wet beschermde houtopstanden gekapt. Er is voor de kap van de bomen waarschijnlijk wel een gemeentelijke kapvergunning noodzakelijk. Stikstof Een AERIUS- berekening van de stikstofuitstoot van het planvoornemen moet uitwijzen of er negatieve effecten op de beschermde gebieden zullen optreden. Op basis daarvan kan worden bepaald of 53
vervolgstappen nodig zijn, zoals het aanvragen van een vergunning . Er is een stikstofberekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase (Stikstofberekening in het kader van de Wet natuurbescherming, Van der Goes en Groot, d.d. 29 januari 2025, Bijlage 7). Uit de berekening blijkt dat er geen negatief effect optreedt op de beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig. 5.12.3 Conclusie Het aspect natuur en ecologie is meegewogen bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan. Er is op dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.13
Omgevingsveiligheid
5.13.1 Wet- en regelgeving Conform de Omgevingswet moeten gemeenten in hun omgevingsplan regels opnemen over omgevingsveiligheid. De opslag, productie, het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen kan risico's met zich meebrengen voor mensen in de omgeving. Omgevingsveiligheid gaat over de vraag hoe de beperkte ruimte in Nederland veilig kan worden benut en risico's zoveel mogelijk kunnen worden beperkt. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan, of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan.
5.13.2 Situatie plangebied In de nabijheid van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig. Het dichtstbijzijnde aandachtsgebied (Explosie aandachtsgebied) ligt op een afstand van circa 1000 meter. Alle nieuwe gebouwen zullen goed bereikbaar gemaakt worden voor de brandweer en andere hulpdiensten.
54
Fragment Risicokaart (Bron: www.atlasleefomgeving.nl/ ) 5.13.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid is meegewogen bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan. Er is derhalve op dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.14
Mobiliteit
5.14.1 Wet- en regelgeving Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. In aanvulling zijn er de richtlijnen vanuit het CROW. In de Strategische Omgevingsvisie van de gemeente Dijk en Waard die in werking is vanaf 4 november 2024, zijn beleidslijnen vastgelgegd op het gebied van mobiliteit. Gestreefd wordt naar veilige en plezierig beloopbare woonbuurten met snelle verbindingen naar de regio. De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. In de Nota Parkeernormen 2022, vastgesteld door de gemeenteraad Dijk en Waard op 22 december 2022, zijn de parkeernormen vastgelegd die voor een nieuwe woningbouwontwikkeling gelden. Aan de hand van de visie en ambities en de opgaven voor korte en lange termijn is dit toekomstbestendige parkeerbeleid opgesteld, de nota ‘integraal parkeerbeleid Dijk en Waard’. Deze nota is vastgesteld op 23 april 2024. De belangrijkste beleidsinstrumenten die binnen het kader vallen zijn betaald parkeren, vergunninghoudersparkeren, parkeerclusters inrichten en het gebruik van alternatieven stimuleren.
Deze nota bevat een aantal concrete beleidsinstrumenten en een afweegkader waarmee de inzet van parkeerinstrumenten op basis van de deelgebieden en problemen kan worden afgewogen.
55
5.14.2 Situatie plangebied Verkeer Het gebied wordt helder ontsloten middels een nieuwe inrit vanaf de Kruissloot. Daarnaast wordt rekening gehouden met een calamiteitenroute in de richting van het buurperceel aan de westzijde. Hierover heeft afstemming plaatsgevonden met de gemeente Alkmaar. Binnen het plangebied voorziet een lus in de ontsluiting. Voor voetgangers wordt een doorgang geboden naar de oevers aan de noordwestzijde van het plangebied. Ook wordt een verbinding naar de kruissloot gemaakt. Voor de aansluiting op de Kruissloot is door Sweco een onderzoek uitgevoerd (Verkeersonderzoek Vronermeerweg – Jacques Perkstraat Sint Pancras, Sweco, 3 maart 2025, Bijlage 2). Dit onderzoek behelst ook het effect van het naastgelegen buurtplan van de Gemeente Alkmaar. Het ontwerp van de wegaansluiting op de Kruissloot zal nog nader worden onderzocht. In de gebruiksfase genereert het plangebied maximaal zo'n 880 motorvoertuigen per dag. De intensiteiten zijn (relatief) laag. Indien blijkt dat verkeer zich in de gebruiksfase van het plangebied toch anders verdeelt, zal dit niet leiden tot ernstige verkeershinder op omliggende wegen. De toename van verkeer ten gevolge van het plangebied is beperkt. De direct omliggende wegen (ETW30, GOW50) hebben alle een capaciteit die hoger ligt dan de berekende toekomstige intensiteit.
Doordat de toename relatief laag is, blijven de totale intensiteiten onder de maximaal wenselijke intensiteit. Op het gebied van verkeersgeneratie en -afwikkeling worden binnen de plangrenzen geen problemen voorzien. Daarbij is ook rekening gehouden met de eventuele ontwikkeling van "Vroonermeer Driehoek". Parkeren Conform het parkeerbeleid dient gerekend te worden met een parkeernorm per woningtype en de aanwezigheid per dagdeel. Op grond van de daarin genoemde parkeernormen en rekening houdend met de aanwezigheid per dagdeel is het totaal benodigd aantal parkeerplaatsen berekend op 195 plaatsen, waarvan 131 in het openbaar gebied en 64 op eigen terrein. Het plan voorziet in de benodigde parkeerplaatsen voor de woningen. De vrijstaande en 2-onder-1 kapwoningen zijn voorzien van één of twee parkeerplaatsen op eigen terrein. Daarnaast worden parkeerplaatsen in het openbaar gebied gerealiseerd. Er wordt een parkeerhof gerealiseerd en parkeren langs de woonstraten. Met het plan worden 64 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd en 132 in het openbare gebied. Het totaal aantal parkeerplaatsen komt daarmee op 196. Daarmee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernorm. In onderstaande tabel is de parkeerberekening weergegeven.
56
5.14.3 Conclusie Aan de hand van het verkeersonderzoek en de parkeerberekening wordt geconcludeerd dat het aspect mobiliteit aansluit bij de geldende wet- en regelgeving en dat dit aspect daarmee is meegewogen bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan. Er is derhalve op dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.15
Nutsvoorzieningen
5.15.1 Wet en regelgeving In het kader van het TAM-omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van kabels en leidingen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's. 5.15.2 Situatie plangebied In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's. Het aanpassen van de kruising met de Kruissloot, die noodzakelijk is voor de ontsluiting, heeft mogelijk het verleggen van kabels en leidingen tot gevolg. De uitwerking hiervan is onderdeel van de uitwerking van de aansluiting op de Kruissloot. 5.15.3 Conclusie Het aspect nutsvoorzieningen is meegewogen bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan. Er is derhalve op dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
57
58
Hoofdstuk 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1
Participatie
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Er is op 27 juni 2024 een inloopmarkt georganiseerd waarbij het stedenbouwkundig plan is getoond en onderdelen van het beeldkwaliteitsplan. Op 6 februari 2025 is een tweede avond georganiseerd waarop het aangepaste materiaal van het stedenbouwkundig plan en beeldkwalitieitsplan zijn getoond en verduidelijkt welke wijzigingen zijn doorgevoerd. De stakeholders die met name benaderd zijn om te participeren zijn de direct omwonenden, particulieren en ondernemers die zich binnen een straal van 500m van het plangebied bevinden, de belangenverenigingen (m.n. Wijkraad Vronermeer) en de inwoners van Sint Pancras en Alkmaar. Voor de selectie van de stakeholders is gekeken naar de ligging van het plangebied binnen de bestaande omgeving. De straal van 500m zorgt ervoor dat iedereen die zicht kan hebben op de locatie wordt uitgenodigd. Deze personen zijn de eerste keer actief benaderd per brief, waarna ze via een reguliere mailing op de hoogte zijn gesteld van de laatste ontwikkelingen. De belangenverenigingen zijn separaat benaderd per brief.
De inwoners van Sint Pancras en Alkmaar zijn via de lokale bladen benaderd en geïnformeerd. Verder is iedereen waar reeds eerder contact mee is geweest en die te kennen hebben gegeven op de hoogte te willen blijven, op de hoogte gehouden en geïnformeerd over de planontwikkeling. Naast de berichtgeving via mailing en per brief, is een projectwebsite gelanceerd waarop informatie staat over het project en de procedure. De stakeholders zijn op een aantal momenten betrokken in het participatietraject, namelijk vóór ter inzagelegging omgevingsplan en tijdens de ter inzagelegging en voor vaststelling van het omgevingsplan.
6.2
Afstemming overlegpartners
Het plan is door de gemeente aan de gebruikelijke overlegpartners voorgelegd, zoals de Veiligheidsregio, de Omgevingsdienst NHN, het HHNK, de Provincie Noord-Holland en de buurgemeentes. De reacties van de Omgevingsdienst NHN zijn verwerkt in hoofdstuk 5: Aspecten fysieke leefomgeving, zoals met name de paragrafen over geluid (paragraaf 5.5), luchtkwaliteit (paragraaf 5.6), natuur en ecologie (paragraaf 5.12) en omgevingsveiligheid (paragraaf 5.13). Daarbij zijn ook de in deze paragraven genoemde rapportages van de verrichte onderzoeken aan de Omgevingsdienst voorgelegd ter toetsing. Deze rapportages zijn opgenomen in de bijlage van de toelichting. De afstemming met de HHNK is verwerkt in paragraaf 5.9 Water. De digitale watertoets en de notulen van het overleg met de HHNK is opgenomen in de bijlage van de toelichting (respectievelijk bijlage 4 en 5). Door de ligging van de locatie tegen de gemeentegrens van de gemeente Alkmaar, is vooral afstemming met deze gemeente relevant. Daarbij heeft afstemming plaats gevonden over de stedenbouwkundige samenhang van beide intiatieven, hetgeen is vertaald in het stedenbouwkundig plan dat is toegelicht in paragraaf 3.2. Tevens heeft afstemming plaatsgevonden over de ontsluiting van het Vronereiland in relatie tot de Vroonermeer Driehoek. De uitkomst hiervan is verwerkt in paragraaf 5.14.
Het verrichte verkeersonderzoek heeft betrekking op de verkeersafwikkeling in beide gemeentes en is terug te vinden
59
in bijlage 2 van de toelichting.
6.3
Zienswijzen
Om tot vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan te komen, wordt de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb gevolgd. Op het ontwerpbesluit kunnen door een ieder zienswijzen worden ingebracht. Deze worden afgewogen en meegenomen in het definitieve besluit. Beroep staat vervolgens open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van de State. Er is door de gemeente één zienswijze ontvangen. Deze zienswijze is verwerkt in de Nota van Beantwoording ontvangen zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Vronermeerweg Sint Pancras, d.d. juni 2025, die is toegevoegd als Bijlage 13. De zienswijze heeft niet geleid tot de aanpassing van het TAM-omgevingsplan.
6.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er voldoende participatie en afstemming met belanghebbenden heeft plaatsgevonden. De uitkomsten van de participatie zijn zo mogelijk meegenomen in de uitwerking van het stedenbouwkundig plan en voorliggend TAM-omgevingsplan.
60
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit. Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte dan wel, of in combinatie met, een anterieure overeenkomst, cofinanciering, subsidies, gemeentelijk krediet de kosten die het vanwege artikel 8.15 Ob maakt anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Ob. Een deel van de gronden is in eigendom van de gemeente en een deel van Vronermeerweg Ontwikkeling B.V. Het gehele plan wordt ontwikkeld in samenwerking tussen de gemeente Dijk en Waard en Vronermeerweg Ontwikkeling B.V. Over deze samenwerking zijn nadere afspraken gemaakt. Deze zijn uitgewerkt in een samenwerkingsovereenkomst. De plankosten voor het ontwikkelen van de woonwijk, de afdracht aan de gemeente, de bovenwijkse voorzieningen, de bouwfasering, de woningcategorisering en de eventueel te verwachten planschade hebben hier een plaats in gekregen. Het kostenverhaal ten aanzien van het gehele plan is verzekerd door de afspraken tussen de gemeente en de ontwikkelaar.
Een exploitatieplan hoeft niet te worden vastgesteld, aangezien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het TAM-omgevingsplan begrepen gronden anderszins is verzekerd. De gemaakte afspraken bieden inzicht in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Er kan worden geconcludeerd dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan daarmee voldoende is gewaarborgd.
61
62
Hoofdstuk 8 Belangenafweging en conclusie 8.1
Inleiding
Uit artikel 4.2 van de Omgevingswet volgt dat de regels in het omgevingsplan van de gemeente, moeten leiden tot een zogenaamde 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' - ook wel afgekort tot Etfal. Dit begrip vervangt de 'goede ruimtelijke ordening', dat ten grondslag lag aan de vaststelling van bestemmingsplannen. Alle regels in het omgevingsplan dienen gezamenlijk te leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, wat betekent dat er een balans dient te bestaan tussen de verschillende functies van die locaties binnen een gebied. Uiteindelijk wegen alle relevante belangen mee en op basis hiervan zal een besluit genomen worden. De wijziging van een Omgevingsplan kan alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is een inhoudelijk vereiste en volgt uit artikel 8.0a lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Daarnaast gelden de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Verder kan het zijn dat er instructieregels van de provincie of het Rijk van toepassing zijn op de activiteiten bij het initiatief. Dit volgt uit artikel 2.22, 2.24, 2.33 en 2.34 van de Omgevingswet.
Een initiatief voldoet in ieder geval niet aan de vereisten van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, als er: strijd is met instructie(regel)s, geen aanvaardbaar woon-, leef- en ondernemersklimaat kan worden bereikt en/of als het initiatief in strijd is met de doelstellingen uit gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in een omgevingsvisie, programma of beleidsregels. De vraag bij de wijziging van het omgevingsplan is, of het initiatief leidt tot een situatie waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Anders gezegd: is er na een zorgvuldige belangenafweging met het toestaan van de activiteit nog steeds, of weer, sprake van een evenwichtige toedeling?
8.2
Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
Om bij het onderliggend TAM-omgevingsplan te kunnen beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op het initiatief, nader onderzocht en afgewogen. Uit de toelichting komt naar voren dat de voorgenomen woningbouwontwikkeling die door het TAM-omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt, past in: het relevante beleid op Rijks-, Provinciaal, Regionaal en gemeentelijk niveau, evenals het beleid van het waterschap; de stedenbouwkundige context en daarbij recht doet aan de cultuurhistorische waarden en aan de redelijke eisen van welstand; de wetgeving over natuur en ecologie, met dien verstande dat voor beschermde vogels en grondgebonden zoogdieren een ontheffing dient te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen 'Activiteitenplan' deze maatregelen worden uitgewerkt; de wetgeving over de bescherming van cultureel erfgoed, met dien verstande dat er in het TAM-omgevingsplan regels zijn opgenomen voor het verkrijgen van de omgevingsvergunning; de wetgeving en het beleid van het waterschap ten aanzien van water; beleid en wetgeving over de aspecten m.e.r.-beoordeling; bodem, milieuzonering, luchtkwaliteit, geluid en externe veiligheid; beleid en wetgeving inzake duurzaamheid en klimaatadaptie; beleid en wetgeving inzake gezondheid.
63
De voorgenomen woningbouwontwikkeling en het TAM-omgevingsplan is afgestemd met de gemeente en de relevante instanties. Er heeft participatie met de omgeving plaats gevonden en de resultaten daarvan zijn verwerkt in de zienswijzenota en, voor zover relevant, verwerkt in het TAM-omgevingsplan.
8.3
Conclusie
Op basis van een zorgvuldige belangenafweging wordt geconcludeerd dat bij het TAM-omgevingsplan en de woningbouwontwikkeling die het mogelijk maakt, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
64
Hoofdstuk 9 Juridische vormgeving
9.1
Algemeen
Door de komst van de Omgevingswet stellen alle gemeenten een omgevingsplan vast. Hierin komt een grote hoeveelheid regels over de fysieke leefomgeving bij elkaar. Denk aan regels over bouwen, gebruik van gebouwen, monumenten, water en milieubelastende activiteiten. Vanaf de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024, heeft de gemeente Dijk en Waard automatisch een tijdelijk omgevingsplan 'van rechtswege' gekregen. Daarin staan de huidige bestemmingsplannen nog gewoon zoals ze waren als tijdelijk deel van het omgevingsplan. Samen met specifieke regels over bouwen en milieu die van het Rijk naar de gemeenten zijn gegaan en de bruidsschat worden genoemd. Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om een nieuw, samenhangend omgevingsplan te maken. De gemeente Dijk en Waard doet dit als volgt: Eerst is de 'basisregeling' vastgesteld. De basisregeling bestaat uit een set regels die de basis vormt voor het Omgevingsplan gemeente Dijk en Waard. De genoemde rijksregels zijn erin verwerkt, regels uit de erfgoed- en hemelwaterverordening en veelvoorkomende regels uit bestemmingsplannen. Vervolgens wordt met die basisregeling stap voor stap de onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen vervangen. Dat gebeurt per gebied. Ondertussen worden meer regels uit gemeentelijke verordeningen toegevoegd, bijvoorbeeld regels over bomenkap.
Dit betekent niet dat alle regels overal in Dijk en Waard gaan gelden. Regels kunnen gelden voor een specifieke locatie, voor een groter gebied of voor de hele gemeente.
9.2
Verhouding tijdelijk omgevingsplan en TAM-omgevingsplan
Het tijdelijk omgevingsplan is gepubliceerd met een nieuwe digitale standaard (STOP-TPOD). Omdat het voor de gemeente Dijk en Waard nog niet mogelijk is daarin wijzigingen van het omgevingsplan te publiceren wordt gebruik gemaakt van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), waarmee wijzigingen van het omgevingsplan tijdelijk worden gepubliceerd via de oude digitale standaard (IMRO). Een TAM-omgevingsplan is juridisch gezien een wijziging van het omgevingsplan, maar digitaal gezien een zelfstandig plan. Een TAM-omgevingsplan wordt toegevoegd aan het omgevingsplan als hoofdstuk, in dit geval 22B. Het TAM-omgevingsplan sluit aan op de systematiek van de basisregeling. Voor voorliggend TAM-omgevingsplan betekent dit dat voor de Algemene bepalingen (begripsbepalingen) wordt aangesloten op de begripsbepalingen uit hoofdstuk 1 uit de basisregeling en waar nodig is aangevuld met voor dit TAM-omgevingsplan specifiek van toepassing zijnde begripsbepalingen. De overige regels van voorliggend TAM-omgevingsplan gelden deels in aanvulling en deels ter vervanging van de regels van het tijdelijk Omgevingsplan. De regels van voorliggend TAM-omgevingsplan gelden uitsluitend binnen het besluitgebied van dit TAM-Omgevingsplan.
65
Bijlagen bij de toelichting (in een separaat document)
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1
Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan locatie Vronermeerweg Sint Pancras, Vollmer & Partners, 18 juni 2025
Bijlage 2
Verkeersonderzoek Vronermeerweg – Jacques Perkstraat, Sint Pancras, Sweco, 3 maart 2025
Bijlage 3
Notulen overleg HHNK, 22 februari 2023
Bijlage 4
Digitale Watertoets, Vollmer & Partners, 8 juni 2023
Bijlage 5
Vronermeerweg te Sint Pancras Toetsing in het kader van de natuurwetgeving, Van der Goes en Groot, 28 november 2022
Bijlage 6
Vronermeerweg te Sint Pancras Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving, Van der Goes en Groot, 10 oktober 2023
Bijlage 7
Vronermeerweg te Sint-Pancras Stikstofberekening in het kader van de Wet natuurbescherming, Van der Goes en Groot, 29 januari 2025
Bijlage 8
Verkennend bodemonderzoek Vronermeerweg 27 te Sint Pancras, Landview Bodemonderzoek, 23 mei 2023
Bijlage 9
Asbestinventarisatie ter voorbereiding van de algehele sloop van voormalig tuincentrum aan de Vronermweerweg 27a te Sint Pancras, Witteman Asbestonderzoek, 17 augustus 2022
Bijlage 10
Verkennend waterbodemonderzoek Vronermeerweg 27 te Sint Pancras, Grondslag, 24 april 2023
Bijlage 11
Plan Vronermeerweg Sint Pancras, akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Aveco de Bondt BV, 6 juni 2024
Bijlage 12
Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Vronereiland Sint Pancras, Vollmer & Partners, 3 maart 2025
Bijlage 13
Nota van Beantwoording zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Vronermeerweg Sint Pancras, juni 2025
Gemeente Dijk en Waard Regels, deel uitmakende van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Woonontwikkeling Vronermeerweg Sint Pancras Vastgesteld
Plannummer: NL.IMRO.1980.TAM22BVRONERMWGSP-VA01 Vastgesteld door de gemeenteraad op ..-..-…. Plan onherroepelijk per ..-..-….
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Meet- en rekenbepalingen
3 3 7
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
Bestemmingsregels Groen Verkeer Water Wonen Wonen - bouwvlak Waarde - Archeologie 4 Waarde - Archeologie 6
9 9 10 11 12 13 14 16
Hoofdstuk 3 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17
Algemene regels Juridische regelingen TAM-omgevingsplan Anti-dubbeltelbepaling Toepassingsbereik Bouw- en gebruiksactiviteiten Algemene aanduidingsregels Algemene gebruiksactiviteiten Algemene binnenplanse omgevingsplanactiviteiten Algemene bouwactiviteiten Dynamische beleidsverwijzingen
19 19 21 22 23 26 27 28 29
Hoofdstuk 4 Artikel 18 Artikel 19
overgangs- en slotregels Locatiegericht overgangsrecht Slotregel
31 31 32
2
Regels Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1
Begrippen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage 1 bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage 1 bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage 1 bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage 1 bij het Omgevingsbesluit en bijlage 1 bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op deze regels, tenzij in artikel 1 daarvan is afgeweken met onderstaande 'van toepassing verklaren aanvullende begrippen'. Voor de toepassing van deze regels gelden de volgende begrippen: 1.1
archeologie
de bestudering van menselijke geschiedenis door middel van de overblijfselen van materiële cultuur, de omgeving en van dierlijke resten; 1.2
archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden; 1.3
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.4
bedrijfsvloeroppervlakte
de totale oppervlakte van de bouwlagen ten dienste van het bedrijf of andere functies met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen, administratieruimten en overige dienstruimten; 1.5
bestaand
a. het vergunde gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit aanwezig is; en/of b. de vergunde bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit aanwezig of in uitvoering of vergund is, krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel vergunningsvrij is; en/of c. in gevallen wanneer gebruik en/of bebouwing na het tijdstip van inwerkingtreding van het voorgaande geldende omgevingsplan van rechtswege (bestemmingsplan) op basis van een vergunde omgevingsvergunning mag of is gerealiseerd dan wel vergunningsvrij is, wordt het nieuwe gebruik en/of bebouwing als onderdeel van dit wijzigingsbesluit; 1.6
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.7
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
3
1.8
bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.9
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.10
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel; 1.11
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond en bedoeld is om ter plaatse te functioneren; 1.12
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps of bedrijfsactiviteit; 1.13
dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling
bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio’s en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting; 1.14
dienstverlening
het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden; 1.15
eerste bouwlaag
de bouwlaag op de begane grond; 1.16
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.17
gevelbreedte
de breedte van een naar de weg gekeerde zijde van een hoofdgebouw; 1.18
hoofdgebouw
een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een bouwperceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.19
horecabedrijf
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, logies worden verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt;
4
1.20
huishouden
de huisvesting van één afzonderlijk huishouden waarbij sprake is van onderlinge duurzame verbondenheid, continuïteit in de samenstelling van het huishouden en het gemeenschappelijk voeren van het huishouden. Bij bedrijfsmatige kamerverhuur is geen sprake van een huishouden zoals bedoeld in dit begrip. 1.21
kunstobject
voortbrengsel van de beeldende kunsten in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of overkapping; 1.22
kunstwerk
een bouwwerk, geen gebouw of overkapping zijnde, ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via of aquaduct of een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening; 1.23
maatschappelijke voorzieningen
levensbeschouwelijke, medische, sociale, culturele en educatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, kinder- en buitenschoolse opvang, alsook ondergeschikte dienstverlening en/of ondergeschikte detailhandel en/of ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen; 1.24
nutsvoorziening
(bouwkundige) voorzieningen ten behoeve van (de aansluiting op) het openbare net van afvalstoffen, gas, water, elektriciteit, riolering, stadsverwarming en het telecommunicatieverkeer, of daaraan gelijk te stellen voorzieningen, met de daarbij behorende gebouwen zoals transformatorgebouwen, gebouwen ten behoeve van gasvoorziening en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwen; 1.25
omgevingsplan
het Omgevingsplan gemeente Dijk en Waard; 1.26
ondergeschikt(e)
van beperkte functionele en/of ruimtelijke omvang, zodat de hoofdactiviteit qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie herkenbaar blijft; 1.27
overkapping
een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en niet of slechts met één wand is omgeven; 1.28
peil
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; voor een bouwwerk op, in of boven het water: de hoogte van het ter plaatse geldende waterpeil. 1.29
permanente bewoning
de bewoning van een verblijf als hoofdverblijf; 1.30
voorgevel
de naar de weg of groenvoorzieningen gekeerde gevel van een gebouw, of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die door de ligging, de situatie ter plaatse en/of de indeling van het gebouw als voorgevel moet worden aangemerkt.
5
1.31
voorgevelrooilijn
de denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen; 1.32
webwinkel
uitoefening van detailhandel waarbij goederen uitsluitend worden verkocht door middel van een schriftelijke en/of elektronische opdracht, die niet ter plaatse ter hand worden gesteld en waarbij geen uitstalling van goederen ten verkoop bestaat (geen showroom); 1.33
wijzigingsbesluit
het besluit met bij dit besluit behorende toelichting (en bijlagen), regels (en bijlagen) en verbeelding met identificatienummer << NL.IMRO.1980.TAM22BVRONERMWGSP-VA01 >> 1.34
wonen
het huisvesten van één huishouden in een (bedrijfs)woning of in een woning van een woongebouw, waarbij de woning uitsluitend mag worden gebruikt voor permanente bewoning 1.35
woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 1.36
woongebouw
een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.
6
Artikel 2 2.1
Meet- en rekenbepalingen
algemeen
De bepalingen in dit artikel zijn een aanvulling op en gaan bij strijdigheid vóór op de meet- en rekenbepalingen zoals bedoeld in artikel 22.24 van dit omgevingsplan. Er wordt als onderstaand aangegeven gemeten. 2.2
de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.3
de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4
de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.5
de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.6
de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.7
de afstand tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel
vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel; 2.8
uitzondering
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen de locaties in hoofdstuk 2 van deze regels wordt buiten beschouwing gelaten: a. galerijen, balkons en luifels, mits de afwijking van de plaatsingseisen niet meer dan 2 m bedraagt; b. (brand)trappen en trappenhuizen. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen de locaties in hoofdstuk 2 van deze regels worden: a. ondergeschikte bouwdelen als goot- en dakoverstekken, plinten, pilasters, kozijnen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel en kroonlijsten buiten beschouwing gelaten, mits de afwijking van de plaatsingseisen niet meer dan 1 m bedraagt; b. buitenunits ten behoeve van duurzaamheidsmaatregelen buiten beschouwing gelaten, mits: 1. het gezamenlijk aantal buitenunits aan een bouwwerk per bouwperceel niet meer dan 2 bedraagt; 2. de buitenunits worden geplaatst aan een bouwwerk in het achtererfgebied; 3. de afwijking van de plaatsingseisen niet meer dan 1 m bedraagt. Bij de toepassing van het bepalen van de goothoogte van bouwwerken als bedoeld in artikel 2.3 worden bouwdelen als dakkapel, dakopbouwen en wolfseinden (afgeknotte dakvlakken) niet meegerekend.
7
8
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikel 3 3.1
Groen
Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Groen. 3.2
Gebruiksactiviteiten
Op de voor ‘Groen’ aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: a. b. c. d. e. f. g. h. 3.3
plantsoen, groenstroken en bermen; wandel- en fietspaden; wegen met een functie voor de ontsluiting van aanliggende gronden; sport- en speelvoorzieningen; openbare nutsvoorzieningen; water en oeverstroken; kunstwerken en objectenstandplaatsen. Bouwactiviteiten
Het is toegestaan om: a. sport- en speeltoestellen te bouwen met een bouwhoogte van maximaal 6 meter; b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen met een bouwhoogte van maximaal 3 meter.
9
Artikel 4 4.1
Verkeer
Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Verkeer. 4.2
Gebruiksactiviteiten
Op de voor ‘Verkeer’ aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: a. wegen met een functie voor zowel het verkeer met een doorgaand karakter als voor de ontsluiting van aanliggende gronden; b. parkeren; c. sport- en speelvoorzieningen; d. groenvoorzieningen; e. openbare nutsvoorzieningen; f. water en oeverstroken; g. kunstwerken en -objecten; h. standplaatsen, met dien verstande dat: de bij het wegverkeer gebruikelijke voorzieningen, zoals bermbeplanting, voorzieningen voor voetgangers en fietsers, bushaltes en dergelijke zijn begrepen; de bestemming, afgezien van een plaatselijke verbreding of versmalling, niet in een ingrijpende wijziging van het profiel voorziet. 4.3
Bouwactiviteiten
Het is toegestaan om: a. sport- en speeltoestellen te bouwen tot een bouwhoogte van maximaal 6 meter; b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging, kunstobjecten en regeling van het verkeer, te bouwen tot een bouwhoogte van maximaal 3 meter; c. ondergrondse containers te bouwen.
10
Artikel 5 5.1
Water
Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Water. 5.2
Gebruiksactiviteiten
Op de voor 'Water' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: a. water en oeverstroken; b. waterstaatkundige kunstwerken; c. nutsvoorzieningen. 5.3
Bouwactiviteiten
Het is toegestaan om: a. bruggen te bouwen met vrije doorvaarthoogte van minimaal 1,15 meter; b. bootliften te bouwen die maximaal 1,5 meter boven het waterpeil liggen met een bouwdiepte van maximaal 1 meter.
11
Artikel 6 6.1
Wonen
Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Wonen.
6.2
Gebruiksactiviteiten
Op de voor 'Wonen” aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: a. b. c. d. e. f. g. h. i.
wonen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen en/of bedrijven; groenvoorzieningen; sport- en speelvoorzieningen; openbare nutsvoorzieningen; verkeer- en verblijfsvoorzieningen; water en oeverstroken; parkeervoorzieningen; erven en tuinen; erfverharding.
6.3
Bouwactiviteiten buiten bouwvlak
6.3.1
Bijbehorende bouwwerken
Het is toegestaan om bijbehorende bouwwerken te bouwen zoals bedoeld in artikel 22.36 in het omgevingsplan. 6.3.2
Maatwerkvoorschrift aangebouwd bijbehorend bouwwerk aan voorzijde en zijgevel hoofdgebouw
In afwijking van het bepaalde in lid 6.3.1 Bijbehorende bouwwerken is het toegestaan om een aangebouwd bijbehorend bouwwerk aan de voorzijde en/of de zijgevel van een hoofdgebouw te bouwen, mits: a. de diepte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer dan 1,5 m bedraagt; b. de breedte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk maximaal 2/3e deel van de bestaande gevelbreedte bedraagt en maximaal 4 m breed is; c. de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk ten hoogste gelijk is aan die van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw en maximaal 3,5 m hoog is; d. de afstand van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk tot de grens met de openbare weg minimaal 1,5 m bedraagt; e. de afstand van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk tot de afstand van de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1,5 m bedraagt. 6.3.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Het is toegestaan om: a. erf- of perceelafscheidingen te bouwen zoals bedoeld in artikel 22.27 onder f, waarbij erf- en perceelafscheidingen tot 1 m achter de voorgevel en het verlengde daarvan van het hoofdgebouw tot maximaal 1 meter bouwhoogte gebouwd mogen worden; b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen tot een bouwhoogte van maximaal 3 meter, met inachtneming van het bepaald in artikel 13, lid 13.5.
12
Artikel 7 7.1
Wonen - bouwvlak
Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Wonen - bouwvlak.
7.2
Bouwactiviteiten
Het is toegestaan om: a. woningen te bouwen waarvan de voorgevel in de naar de weg of groenvoorziening gekeerde bouwgrens van de locatie ‘Wonen-bouwvlak’ is gebouwd; b. woningen te bouwen met een goot- en bouwhoogte van maximaal: 1. de aangegeven goothoogte ter plaatse van de maatvoering ‘maximum goothoogte (m)'; 2. de aangegeven bouwhoogte ter plaatse van de maatvoering 'maximum bouwhoogte (m)'; c. woningen te bouwen met het hoofdgebouw op een afstand tot de zijdelingse erfgrens zoals zoals bedoeld in het Stedenbouwkundig plan en Beeldkwaliteitsplan Locatie Vronermeerweg dat opgenomen is als Bijlage 1 van dit TAM-omgevingsplan, dan wel diens rechtsopvolger; d. een hekwerk op een dakterras op de tweede bouwlaag ter plaatse van een hoofdgebouw te bouwen tot een bouwhoogte van maximaal 1,2 meter.
13
Artikel 8 8.1
Waarde - Archeologie 4
Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde – Archeologie 4. In geval van strijdigheid van regels, gaan de regels van dit artikel vóór de overige regels die ingevolge andere artikelen opgenomen in deze regels van toepassing zijn. 8.2
Gebruiksactiviteiten
De voor 'Waarde – Archeologie 4' aangewezen locatie heeft, naast de andere voor die gronden aangewezen gebruiksactiviteiten, tevens de functie voor het herstel en behoud van archeologische waarden. 8.3
Bouwactiviteiten
Aanvullend op de voor de locaties toegestane bouwactiviteiten gelden óók de bouwregels van dit lid. 8.3.1
Toegestaan
Het is toegestaan om zonder archeologisch onderzoek een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten te verlenen, mits het bouwplannen betreft: a. die betrekking hebben op het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. waarbij de som van het oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) niet groter is dan 5.000 m² en waarvoor niet dieper wordt ontgraven dan 40 cm -Mv. 8.3.2
Vergunningplicht
a. een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten wordt verleend mits archeologisch onderzoek is uitgevoerd waarbij is voldaan aan de beoordelingsregels in lid 8.3.3 Beoordelingsregels; b. Indien de aanvraag betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, zoals bedoeld in sub a, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld is lid 8.3.3 sub b, is lid 8.3.1 niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Lid 8.3.3 blijft overeenkomstig van toepassing.
8.3.3
Beoordelingsregels
a. Een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten wordt verleend indien een archeologisch onderzoek wordt overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een ter zake kundig bureau op het terrein van archeologische monumentenzorg. b. Indien uit het in sub a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
14
2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving" jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet; c. indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in sub b wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.
8.4
Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.4.1
Toegestaan
Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren die: a. b. c. d.
reeds in uitvoering zijn ten tijde van het in werking treden van het wijzigingsbesluit; het normale onderhoud betreffen; mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; op archeologisch onderzoek gericht zijn.
8.4.2
Vergunningplicht
Met een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is het toegestaan de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft die dieper gaan dan 40 cm beneden het bestaande maaiveld en waarbij de som van de totale bodemingrepen groter is dan 5.000 m2; b. het graven van watergangen of het bemalen van gronden; mits is voldaan aan de beoordelingsregels in lid 8.4.3 Beoordelingsregels. 8.4.3
Beoordelingsregels
a. Een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten wordt verleend indien een archeologisch onderzoek wordt overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient te zijn opgesteld door een ter zake kundig bureau op het terrein van archeologische monumentenzorg. b. Indien uit het in sub a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 onder "opgraving" jo. artikel 5.1 van de Erfgoedwet; 3. een verplichting de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in sub b wordt een deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.