CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Vastgesteld TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Woonontwikkeling Vronermeerweg

Gemeenteraad 9 september 2025, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22B Woonontwikkeling Vronermeerweg Sint Pancras29.301 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

29

4.6.9

Programma Stedelijk Water en Riolering Dijk en Waard 2022-2027

De negen gemeenten binnen de waterketen samenwerkingsregio Noord Kennemerland (Alkmaar, Bergen-NH, Beverwijk, Castricum, Dijk en Waard, Heemskerk, Heiloo, Uitgeest), het hoogheemraadschap Hollands-Noorderkwartier (HHNK) en PWN Drinkwaterbedrijf Noord-Holland werken intensief samen op het gebied van stedelijk waterbeheer. Binnen deze samenwerking geven ze het rioleringsbeleid gezamenlijk vorm. In de waterketen Regio Noord Kennemerland (2024 - 2030) is als doelstelling opgenomen om het beheer van de afvalwaterketen uit te voeren tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Hiermee worden kosten over de hele afvalwaterketen bedoeld, dus inclusief zuiveringskosten. Om deze doelstelling te kunnen behalen is besloten om het programma Stedelijk Water en Riolering (PSWR) gezamenlijk in de regio af te stemmen. Het afstemmen van gezamenlijk rioleringsbeleid vertaalt zich in het samenvoegen van bestaande en toekomstige beleidslijnen om te komen tot een eensluidende visie en gezamenlijke ambities en strategieën. Speerpunten hierbij zijn afstemmen en voorsorteren op de Omgevingswet, risicogestuurd beheer, verbeteren van het functioneren en op elkaar afstemmen van de middelen en maatregelen. Omdat de gemeenten in o.a. historisch, geografisch en organisatorisch opzicht van elkaar verschillen kent het PSWR daarnaast een gemeentespecifieke uitwerking.

In de gemeente Dijk en Waard is daartoe het Programma Stedelijk Water en Riolering Dijk en Waard 2022-2027 opgesteld. Deze is vastgesteld op 20 december 2022. Het sluit aan op brede maatschappelijke thema’s, doelen en ambities van de Omgevingsvisie en legt de water- en riooltaken en de bekostiging hiervan vast, wat de wettelijk vereiste inhoud is. Het programma beschrijft hoe de gemeente Dijk en Waard in deze periode invulling geeft aan de wettelijke zorgplichten voor de riolering en daarbij anticipeert op de gevolgen van klimaatverandering. De gemeente Dijk en Waard zet in op het in stand houden en verbeteren van de bestaande riolering. Hierbij houdt de gemeente Dijk en Waard rekening met de gevolgen van de nieuwe woningbouwopgave, de verwachte klimaatverandering en lozingen vanuit de riolering op oppervlaktewater, zodat ook in de toekomst een veilige en gezonde leefomgeving voor mens en natuur gewaarborgd blijft. Daarnaast benut de gemeente Dijk en Waard hierbij kansen om vanuit riolering bij te dragen aan de energietransitie, circulaire economie, versterking van de biodiversiteit en duurzaamheid. Van inwoners verwacht de gemeente Dijk en Waard dat zij het riool alleen gebruiken waarvoor het is bedoeld en dat zij hun riolering op eigen terrein in goede staat onderhouden.

Door risicogestuurd beheer van riolering kan de stijging van de rioolheffing worden beperkt terwijl uitvoering van rioleringswerkzaamheden ook op lange termijn kostendekkend blijven. Onderdeel van de planuitwerking is een visie op de riolering en de inpassing daarvan in het toekomstige woongebied. Dit aspect is opgenomen in het stedenbouwkundig plan zoals terug te vinden in het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan locatie Vronermeerweg die zijn bijgevoegd als bijlage 1.

4.6.10 Conclusie Op basis van bovenstaande samenvattingen van de van belang zijnde beleidsnota's kan geconcludeerd worden dat het TAM-omgevingsplan in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

30

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving 5.1

Cultureel erfgoed en archeologie

Cultureel erfgoed is overal in onze samenleving aanwezig. In musea, historische binnensteden en in het landelijk gebied, maar ook in de bodem en onder water. Tevens als immaterieel erfgoed in tradities, rituelen en verhalen. Het vertelt over waar we vandaan komen, wie wij zijn en hoe we ons ontwikkelen. Cultureel erfgoed is als onderdeel van de fysieke leefomgeving medebepalend voor de kwaliteit van die leefomgeving. Het gaat hierbij om bekende of aantoonbaar te verwachten overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden en de terreinen waarin of waarop deze zich bevinden (archeologische monumenten) en andere door de mens tot stand gebrachte of in wisselwerking tussen de mens en omgeving ontstane objecten, ensembles, patronen en structuren (gebouwde en aangelegde monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen), die onderdeel uitmaken van onze fysieke leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. Cultureel erfgoed bepaalt in hoge mate de identiteit en de omgevingskwaliteit van de gemeente Dijk en Waard en biedt aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. De cultuurhistorisch rijke en bijzondere woonomgeving is bepalend voor hoe bewoners en bezoekers de stad beleven.

Door de eeuwen heen zijn unieke plekken ontstaan die ieder op eigen wijze bijdragen aan de kwaliteit van de kernen en waarmee mensen zich verbonden voelen. Niet alleen de monumenten in de gemeente hebben cultuurhistorische waarde. Ook historische landschappelijke structuren en elementen zoals waterwegen, dijken en archeologische resten in de bodem zijn waardevol, evenals de ruimelijke opbouw van dorpen en cultuurlandschappen.

5.1.1

Wet- en regelgeving

Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) in werking getreden. Deze nieuwe wet maakte daarmee deel uit van de gewijzigde Monumentenwet. De kern van de WAMZ is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. De WAMZ verplicht gemeenten bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. Naast het inventariseren van de te verwachten archeologische waarden, zal het TAM-omgevingsplan uiteindelijk, indien nodig (en mogelijk), een bescherming moeten bieden voor waardevolle gebieden. Dit kan bijvoorbeeld met een omgevingsvergunning. Het deel van de Monumentenwet 1988 dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is overgegaan naar de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten vindt plaats op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving waar onder vergunningverlening en integratie in de planvorming.

Door deze wetgeving dient bij het maken van ruimtelijke plannen niet alleen rekening te worden gehouden met cultuurhistorische waarden onder de grond, maar ook daarboven. Cultuurhistorie bestaat uit archeologie, historische gebouwen en historische geografie.

31

5.1.2

Situatie plangebied

Archeologie Confrom wet- en regelgeving is het voorliggende TAM-omgevingsplan getoetst aan het 'Archeologiebeleid Dijk en Waard 2022'. In de verbeelding van het onderliggend TAM-omgevingsplan is de waarde 'Archeologie 4' en 'Archeologie 6' opgenomen. Dit waarborgt het uitvoeren van onderzoek bij grondroerende werkzaamheden. Voor het verkrijgen van de omgevingsvergunning zal dit onderzoek uitgevoerd moeten worden. Archeologie vormt derhalve geen belemmering voor het voorliggende TAM-omgevingsplan. Als bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan dient daarvan conform de wetgeving melding te worden gemaakt bij de gemeente Dijk en Waard. Cultuurhistorie Als handreiking voor het onderzoek naar cultuurhistorie heeft de provincie Noord-Holland de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie met bijbehorende digitale informatiekaart beschikbaar gesteld. Op basis van de ontstaansgeschiedenis van het plangebied gelden er binnen dit gebied twee beschermingsregimes: categorie 4 en categorie 6. De binnen categorie 4 gelegen landschappelijke eenheden hebben een middelhoge archeologische verwachting. Hiervan is aangenomen dat (de kans) op recente verstoring aanzienlijk en reëel is.

Onder deze categorie vallen daarnaast landschappelijke eenheden met een lage tot zeer lage archeologische verwachting waarvan is aangenomen dat recente verstoring beperkt is. Deze verwachting leidt ertoe dat een waardestellend archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een omgevingsvergunning of (aanleg)werkzaamheden waarbij de som van het oppervlakte van de te funderen bouwvlakken plus alle overige bodemroerende werkzaamheden (incl. heien) groter is dan 5.000 m2 en dieper dan 40 cm onder maaiveld. Primair doel van het archeologisch onderzoek in deze gebieden is het vaststellen van de aanwezigheid van archeologisch kansrijke niveaus en het bepalen van de gaafheid van het bodemprofiel. Categorie 6 heeft betrekking op het oppervlaktewater voor zover dat binnen 100 meter van historische elementen (AMK-terreinen, historische bewoningslinten en molens) ligt. Deze zones van het oppervlaktewater zijn gedefinieerd als ‘historische waterlopen’. Het kan zowel om natuurlijke als aangelegde watergangen gaan. Bij bodemingrepen in de waterbodems van ‘historische waterlopen’ dient een archeologisch (bureau)onderzoek plaats te vinden indien de som van de totale bodemingrepen groter is dan 50m2. Het onderzoek heeft primair ten doel vast te stellen of aanvullend archeologisch veldonderzoek nodig is. Voor het planvoornemen van het voorliggend TAM-omgevingsplan is deze informatie geraadpleegd.

Hieruit blijkt dat in het plangebied en directe omgeving geen cultuurhistorische aspecten aanwezig zijn die mogelijkerwijs zouden moeten worden beschermd met dit TAM-omgevingsplan.

5.1.3

Conclusie

Met het opnemen van de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 4 en 6 staat het aspect cultuur is het aspect cultuurhistorie en archeologie meegenomen in het opstellen van het TAM-omgevingsplan. Er is derhalve op dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

32

5.2

Welstand

5.2.1

Wet- en regelgeving

De gemeentelijke welstandsregels zoals deze golden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn van toepassing gebleven onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De gemeente Dijk en Waard heeft vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet redelijke eisen van welstand uitgewerkt in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2022 en had daarmee beleidsregels voor de beoordeling van bouwwerken. Op grond van de Bruidsschat (artikelen 22.7 en 22.29 van de Bruidsschat) en de Omgevingswet (artikel 4.114, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet jo artikel 4.19 Omgevingswet) hebben de welstandstoets en welstandnota na inwerkingtreding van de Omgevingswet hun rechtskracht behouden. Dit betekent dat deze beleidsregels volgens het overgangsrecht van toepassing zijn gebleven na de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

5.2.2

Situatie plangebied

Het onderhavige plan bestaat uit de ontwikkeling van een nieuw woongebied van 127 woningen. Dit vraagt om een meer omvattend toetsingskader voor welstand dan de regels die in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2022 zijn opgenomen. Derhalve is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan locatie Vronermeerweg is opgenomen als bijlage 1.

5.2.3

Conclusie

Het aspect welstand is meegewogen bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan. Er is derhalve op dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.3

M.e.r. beoordeling

5.3.1

Wet- en regelgeving

De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.

Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project,

33

plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

5.3.2

Situatie plangebied

De plaats en kenmerken van het project zijn behandeld in hoofdstuk 2 en 3. Een toetsing van de kenmerken van de potentiële effecten van de ontwikkeling, heeft per milieu- en omgevingsaspect plaatsgevonden in hoofdstuk 4. Daarbij zijn deze effecten weloverwogen beoordeeld. Uit deze afweging blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling geen significant nadelige milieueffecten optreden. Nadelige effecten die eventueel optreden zijn te compenseren, en er is mogelijk ook sprake van positieve effecten. Maatregelen zullen worden uitgevoerd om negatieve effecten te beperken en positieve effecten te stimuleren. De geïnventariseerde effecten maken het opstellen van een milieueffectrapport niet benodigd. Het bevoegd gezag dient een separaat besluit te nemen waarin wordt besloten om af te zien van een verdere milieukundige afweging c.q. het opstellen van een m.e.r.-beoordeling of een MER. Toetsing aan Bijlage V Omgevingsbesluit Voor de ontwikkeling van het Vronereiland is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings-)plicht kennen. Op grond waarvan categorie J.11: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig.

M.e.r.-plichtige activiteiten De regels van deze omgevingsplanwijziging laten geen bedrijven of andere functies toe die mogelijk kunnen leiden tot een m.e.r-plicht. Daarmee is het opstellen van een milieueffectrapportage vanwege de mogelijke bedrijfsactiviteiten niet aan de orde. M.e.r.-beoordelingsplicht Voor ontwikkelingen in categorie J11 is geen directe m.e.r.-plicht. Een m.e.r.-plicht ontstaat dan alleen na een m.e.r.-beoordeling of als de initiatiefnemer daar zelf voor kiest. De vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden gemaakt van het project aan de hand van de criteria in bijlage III van de Europese richtlijn: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. De beoordeling vindt plaats in de Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling d.d. 3 maart 2025, Vollmer+partners, die is bijgesloten als Bijlage 12. De motivering van dit TAM-omgevingsplan gaat tevens in op deze aspecten. Zo zijn de plaats en kenmerken van het project uitgebreid besproken in hoofdstuk 2 en 3 van de toelichting. Een toetsing van de kenmerken van de potentiële effecten van de ontwikkeling, vindt per milieu- en omgevingsaspect plaats in hoofdstuk 5 van de toelichting. Daarbij zijn deze effecten weloverwogen beoordeeld. Uit deze afweging blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling geen significant nadelige milieueffecten optreden.

Nadelige effecten die eventueel optreden zijn te compenseren, en er is mogelijk ook sprake van positieve effecten. Maatregelen zullen worden uitgevoerd om negatieve effecten te beperken en positieve effecten te stimuleren. De geïnventariseerde effecten maken het opstellen van een milieueffectrapport niet benodigd. 5.3.3

Conclusie

De m.e.r.-behoordeling heeft plaatsgevonden en is meegewogen bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan. Er is derhalve op dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

34

5.4

Milieuzonering

5.4.1

Wet- en regelgeving

In het kader van de evenwichtige verdeling van functies aan locaties moet bij woningbouwontwikkelingen voorkomen worden dat hinder en gevaar optreedt door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk zijn gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere activiteiten moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het voor bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Voor het bepalen van de milieuzonering wordt gebruikgemaakt van de handreiking Bedrijven en milieuzonering (maart 2009) van de VNG. Richtafstanden gelden ten aanzien van de hinderaspecten geluid-, stof- en geurhinder en gevaar en kunnen worden gezien als de afstand waarbij onaanvaardbare hinder van een milieubelastende activiteit voor gevoelige functies kan worden uitgesloten. In gebieden waar een menging van functies voorkomt, wordt uitgegaan van een kleinere richtafstand.

5.4.2

Situatie plangebied

Het Omgevingsplan laat zien welk functies, bebouwing en werkzaamheden zijn toegelaten. Op basis hiervan kan in planologisch-juridische zin ook worden nagegaan welke milieuhinderlijke bedrijvigheid is toegelaten. Vanwege de wijziging naar woonfunctie dient hinder van bedrijven en voorzieningen rondom het plangebied op hoofdlijnen te worden beoordeeld. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door een combinatie van woonfuncties in een waterrijke omgeving en enkele wegen. In de omgeving van het plangebied zijn op basis van het huidige omgevingsplan geen functies toegestaan die een belemmering kunnen vormen voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan. Met voorliggend plan kunnen woningen worden toegevoegd en worden geen nieuwe hinderveroorzakende objecten mogelijk gemaakt. Deze woonfunctie belemmert geen bestaande bedrijvigheid, aangezien geen milieuhinderlijke bedrijvigheid in de nabije omgeving aanwezig is.

5.4.3

Conclusie

Het aspect milieuzonering is meegewogen bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan. Er is derhalve op dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.5

Geluid

5.5.1

Wet- en regelgeving

Akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd voor nieuwe woningen die zijn gelegen binnen het aandachtgebied van wegen. Op grond van artikel 3.20 Besluit kwaliteit leefomgeving is een geluidaandachtsgebied een locatie langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De gemeente Dijk en Waard heeft voor haar gemeentewegen nog geen basisgeluidemissie of geluidaandachtsgebieden vastgesteld. Zolang deze niet zijn vastgesteld geldt ten aanzien van het geluidaandachtsgebied overgangsrecht dat is vastgelegd in artikel 17.5 van de Omgevingsregeling. In dit

35

artikel is vastgelegd dat voor gemeentewegen en waterschapswegen het geluidaandachtsgebied bestaat uit het gebied dat zich aan weerszijden van de as van de weg uitstrekt tot de afstand, gemeten vanaf de rand van de weg zoals hierna is opgesomd: a. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt 100 m; b. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt 200 m; c. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken 350 m. Voor de planontwikkeling houdt dat in dat voor het verkeer op Kruissloot de geluidsbelasting moet worden berekend omdat binnen het geluidaandachtsgebied van deze weg nieuwe woningen worden voorzien. Voor de provinciale wegen geldt eveneens een zone langs de weg zolang de geluidaandachtsgebieden nog niet zijn vastgesteld. Dit is geregeld in artikel 12.7 tijdelijk geluidaandachtsgebied. In dit artikel is geregeld dat zolang geen geluidaandachtsgebieden langs provincialewegen zijn vastgelegd de breedte van onderzoekszone berust op artikel 74 Wet geluidhinder. Voor de provincialeweg N245, een weg met twee rijstroken geldt een onderzoekszone van 250 m vanaf de rand van de weg. Het plangebied ligt buiten deze onderzoekszone.

Geluidgevoelig gebouw In artikel 3.21 Besluit kwaliteit leefomgeving is aangeduid welke functies als geluidgevoelig moeten worden beschouwd. Als geluidsgevoelige gebouw of een gedeelte van een gebouw zijn aangewezen: a. b. c. d.

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Onder een geluidgevoelig gebouw wordt ook verstaan een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een BOPA mag worden gebouwd.

Standaardwaarde en grenswaarde Voor een woning binnen het aandachtsgebied van gemeentewegen geldt een standaardwaarde van 53 dB op grond van artikel 5.78t van het Bkl. De grenswaarde langs deze wegcategorie bedraagt 70 dB op grond van artikel 5.78u Bkl. Voor een provinciale weg geldt op basis van dezelfde artikelen uit het Bkl een standaardwaarde van 50 dB en een grenswaarde van 60 dB. Een overschrijding van de standaardwaarde is alleen mogelijk als geluidsreducerende maatregelen die de geluidsbelasting zoveel mogelijk reduceren tot bij voorkeur de standaardwaarde niet mogelijk zijn. Deze verplichting tot het onderzoek naar maatregelen is vastgelegd in artikel 5.78u Bkl. In artikel 5.78y Bkl is vastgelegd dat een geluidsbelasting hoger dan de grenswaarde is toegestaan als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen.

Planeffecten De planontwikkeling veroorzaakt extra verkeersproductie waardoor de geluidsbelasting op bestaande woningen langs de beschouwde wegen kan veranderen. In artikel 5.78af Bkl is beschreven op welke wijze deze indirecte akoestische effecten vanwege veranderend verkeer moet worden beschouwd. Artikel 5.78 ah Bkl is van toepassing op wijzigingen in het geluidaandachtsgebied van een weg die

36

gevolgen hebben voor de geluidoverdracht. Dat kan zijn de aanleg van extra verharding van nieuwe weg of de bouw van woningen die een extra geluidsreflectie veroorzaken. Een plan dat een toename van de verkeersintensiteit of een verandering in het aandachtsgebied van een weg veroorzaakt voorziet erin dat het geluid door die weg op geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 1,5 dB toeneemt. De toename van het geluid wordt bepaald door de situatie in een voor die weg maatgevend jaar na de wijziging te vergelijken met de situatie in datzelfde jaar zonder die wijziging. Een toename van meer dan 1,5 dB is alleen mogelijk als geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om die toename te voorkomen, de toename van het geluid door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Als sprake is van een toename van 1,5 dB of meer wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.

Binnenwaarden In het Besluit bouwwerken leefomgeving is aangegeven wat de karakteristieke geluidwering moet zijn om een binnenwaarde, bij gesloten ramen, te garanderen voor verblijfsgebieden van nieuwe woningen. De karakteristieke geluidwering is voor wegverkeerslawaai in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) vastgesteld en mag niet kleiner zijn dan het verschil tussen het in het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als omgevingswaarden bepaalde gezamenlijke geluid. Het gezamenlijke geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, energetisch opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Er geldt voor de karakteristieke geluidwering Gemeentebeleid In de gemeente Dijk en Waard was een beleid voor hogere grenswaarden van kracht, maar met de invoering van de Omgevingswet is deze komen te vervallen. Door de gemeente zal mogelijk nieuw beleid worden vastgesteld. Tot die tijd worden in het omgevingsplan bij het toestaan van hogere geluidwaarden de beleidsuitgangspunten van het vorige beleid aangehouden. Het beleid is om alle woningen minimaal één 'rustige recreatieve buitenruimte' te geven, met een geluidsbelasting van ten hoogste 48 dB.

5.5.2

Situatie plangebied

Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeerslawaai (Plan Vronermeerweg te Sint Pancras, Actualisatie akoestisch onderzoek Kruissloot te Sint Pancras, Aveco de Bondt, 6 juni 2024). De rapportage is opgenomen als Bijlage 11. Gelet op de situering, ligt het plangebied binnen de geluidzone van de Kruissloot, Gedempte Veert, P.C. Boutensstraat en de Kruissloot. Het plangebied ligt buiten de geluidzone van de provinciale weg N245. Hieruit volgt dat het plangebied zich in het geluidaandachtsgebied van de geluidbronsoort gemeentewegen bevindt. Het geluid door wegen dient te worden berekend conform bijlage IVe van de Omgevingsregeling (Or), volgens het wettelijke Meet- en rekenmethode geluid (Mrg). Het geluid Lden is bepaald en getoetst per geluidbron-soort. Uit de resultaten blijkt dat het geluid door gemeentewegen ten hoogste 56 Lden is. Dit is hoger dan de standaardwaarde van 53 Lden, maar overschrijdt de grenswaarde van 70 Lden niet. Mogelijke maatregelen

37

Vanwege de overschrijding van de standaardwaarde, zijn geluidbeperkende maatregelen onderzocht: 1. De mogelijkheid bestaat om een geluidsscherm aan te brengen langs de weg. Dit stuit echter op stedenbouwkundige bezwaren omdat hiermee het karakter van de Kruissloot wezenlijk zou worden aangetast. 2. Een tweede mogelijkheid is het terugbrengen van de maximumsnelheid op de Kruissloot ter hoogte van het plangebied naar 30 km/ uur. Het betreft een wegvak van 225 meter lengte tussen de aansluiting op de P.C. Boutensstraat en de aansluiting op de Gedempte Veert. Uit het geluidsonderzoek blijkt dat met deze maatregel het geluid op de gevels in het plan ten hoogste 51 Lden is. Deze maatregel is echter niet haalbaar gebleken. De Kruissloot kent een aanleg en profilering die niet passend is voor een 30 km/ uurweg. 3. Een derde mogelijkheid bestaat uit het toepassen van een geluidreducerende wegdekverharding van het type dunne deklaag B. Uit het geluidsonderzoek blijkt dat als dit zou worden toegepast over het eerder benoemde wegvak van 225 meter, het geluid ten hoogste 54 Lden zou bedragen. Dit is nog steeds hoger dan de standaardwaarde en daarom weinig effectief. Het toepassen van geluidreducerende verharding is bovendien niet gewenst vanwege de aanlegkosten en de kosten voor beheer en onderhoud.

Geluidreducerende verharding is gevoelig voor slijtage en daarom niet gewenst op deze intensief bereden weg. Bovendien zou het een incidentele aanpassing van de verharding zijn. De gebiedsontsluitingsweg heeft namelijk een lengte van ruim 920m, gemeten vanaf het kruispunt met de Bovenweg tot de aansluiting op de provinciale weg N245. Het is ongewenst om een segment van 225m van een onderscheidende verharding te voorzien vanwege stedenbouwkundige overwegingen (uniform aanzien van de weg), en beheerstechnische overwegingen (eenduidigheid in beheer). Het aspect geluid is tevens afgestemd met de GGD. Zij hanteren de richtlijn geluid van de RIVM en de daaring genoemde 'Maatregelen voor geluidsreductie'. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen en maatregelen bij de ontvanger. Als maatregelen bij de bron worden ingrepen genoemd als stille(re) banden, de aanleg van geluidsreducerend asfalt, invoering van een 30 km/u zone, invoeren eenrichtingsverkeer, realisatie rotonde, hanteren groene golf, andere routering voor vrachtverkeer en doorvoeren van een gewijzigd parkeerbeleid. Daarvan is het doorvoeren van stillere banden geen reëele oplossing. Het doorvoeren van een 30km-uurgebied is hieroven reeds benoemd. Het is voorts niet mogelijk om hier eenrichtingsverkeer te realiseren en er is geen ruimte om een rotonde in te passen.

Een groene golf is hier niet relevant aangezien er op dit deel van de rijweg geen verkeerslichten aanwezig zijn. Het is voorts ook niet mogelijk om het vrachtverkeer via een andere route te laten rijden. Het doorvoeren van ander parkeerbeleid is in deze niet relevant. Bij overdrachtsmaatregelen kan volgens de richlijn gedacht worden aan: de realisatie van een gesloten bouwblok, de toepassing van een geluidscherm/-wal, het hanteren van een ruimere afstand bron-ontvanger, verdiepte aanleg, zachte berm, coulissenscherm, de realisatie van afschermende niet-geluidgevoelige gebouwen zoals kantoren, toepassing van een geluiddiffractor. Daarvan is het stedenbouwkundig niet gewenst om een gesloten bouwblok te realiseren omdat een dergelijke grootschalige wandvorming ongewenst is. Zoals hierboven al omschreven is het ook niet mogelijk om een geluidsscherm te realiseren. Het is ook niet mogelijk om de bebouwing op een grotere afstand te realiseren omdat het gebied aan de noordoostzijde begrenst is door de Vronerplas en het dus niet mogelijk is om het woongebied meer naar het noordoosten te situeren. Er is ook geen mogelijkheid om de weg verdiept aan te leggen. Voor zover het mogelijk is om een zachte berm toe te passen, is hierin voorzien in het stedenbouwkundig plan.

De toepassing van een coulissenscherm stuit op dezelfde bezwaren als een geluidsscherm en de toepassing van kantoren of andere functies dan wonen zijn hier niet gewenst. De toepassing van een geluiddifractor wordt tot slot ook niet als een reeële oplossing gezien.

38

Geconcludeerd wordt dat zich geen maatregelen aandienen die financieel doelmatig zijn en waartegen geen overwegende bezwaren bestaan van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard.

Geluidsbelasting woningen Uit het geluidsonderzoek blijkt dat het geluid op de gevel van de nieuwe woningen ten hoogste 56 Lden bedraagt. Dit is lager dan de grenswaarde. Omdat er geen maatregelen mogelijk blijken, dient het gezamenlijk geluid in het Omgevingsplan te worden vastgelegd. Het betreft de woongebouwen die aan de Kruissloot gesitueerd zijn. Deze zijn hieronder afgebeeld en voorzien van de aanduiding A, B, C en D.

Afbeelding woongebouwen waar de standaardwaarde wordt overschreden.

Met het oog op artikel 5.78ab Bkl dienen appartementen in het plan te voorzien in een geluidluwe gevel. Omdat er bij de bron geen maatregelen kunnen worden getroffen, dient bij woningen waar sprake is van overschrijding van de standaardwaarde, rekening te worden gehouden met het realiseren van minimaal één 'rustige recreatieve buitenruimte' per woning waar het geluid voldoet aan de standaardwaarde. In dat geval dient bij de nadere uitwerking van het ontwerp van de woningen te worden onderzocht op welke wijze hieraan voldaan kan worden, bijvoorbeeld door een dichte en eventueel hogere balustrade of tuinscherm. Uit het geluidsonderzoek blijkt dat elk van deze woningen een gevel heeft waar de geluidsbelasting lager is dan de standaardwaarde voor wegverkeer. Deze gevel kan worden beschouwd als geluidsluwe gevel. Het verdient aanbeveling aan deze geluidsluwe zijde zoveel mogelijk de verblijfsruimten van de woning te realiseren. Dit zijn de woon- en slaapkamer.

39

Verder is in het Besluit bouwwerken leefomgeving de verplichting op te nemen om te voorzien in voldoende geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie (gevels), zodat vaststaat dat het binnenniveau in de woningen geborgd is. In alle gevallen moet in het kader van de omgevingsvergunning, worden aangetoond dat door bouwtechnische maatregelen de wettelijk vereiste binnenwaarde (33 dB) wordt gehaald. Cumulatie Omdat in onderhavige situatie geen andere geluidbronsoorten aanwezig zijn en waarbij sprake is van overschrijding van de standaardwaarde, is het bepalen van gecumuleerd geluid niet aan de orde. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van maar één geluidbronsoort (gemeentewegen) is het gezamenlijk geluid gelijk aan het berekende geluid (Lden). Dit is ten hoogste ten hoogste 56 Lden zonder toepassing van geluidbeperkende maatregelen aan de weg. Planeffect In het geluidsrapport is onderbouwd dat geen significante indirecte effecten door veranderend verkeer en wijziging in de geluidoverdracht te verwachten zijn.

5.5.3

Conclusie

Op een deel van de woningen die in het omgevingsplan worden mogelijk gemaakt is sprake van een hogere geluidsbelasting dan de standaardwaarden. Het betreft de vier woongebouwen die aan de Kruissloot zijn gesitueerd. Aangetoond is dat zich geen maatregelen aandienen die financieel doelmatig zijn en waartegen geen overwegende bezwaren bestaan van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard. Er is geen sprake van gecumuleerd geluid en er zijn geen planeffecten op de omgeving. Ervan uitgaande dat bij de omgevingsvergunning aangetoond zal worden dat het binneniveau van de woning geborgd is en er ten minste één buitenruimte is met de maximaal toegestane geluidsbelasting, is er ten aanzien van het aspect geluid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is in het TAM-omgevingsplan geborgd middels de algemene aanduidingsregel 13 lid 7: overige zone - geluidsgevoelige gebouwen.

5.6

Luchtkwaliteit

5.6.1

Wet- en regelgeving

Bij het toelaten van woningen op een locatie speelt luchtkwaliteit een rol. De luchtkwaliteit voor bewoners moet acceptabel zijn. Het toelaten van woningen in een omgevingsplan kunnen door toename van verkeer leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Meestal dragen woningen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Bij het toelaten van woningen in het omgevingsplan gelden er instructieregels uit Hoofdstuk 5 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) om een verslechtering van de luchtkwaliteit te voorkomen. Dit geldt alleen voor nieuwe woningen als het extra verkeer zorgt voor een verhoging van de concentratie(s) binnen aangewezen aandachtsgebieden. Bij het toelaten van woningen zijn luchtkwaliteitsberekeningen meestal niet nodig. Er hoeft niet getoetst te worden aan de omgevingswaarde als de woningen 'niet in betekende mate' (NIBM ) bijdragen aan de luchtverontreiniging.

40

5.6.2

Situatie plangebied

De situatie is berekend aan de hand van de NIBM-rekentool. Daarin zijn de verkeerbewegingen ingevoerd conform het verkeerskundig onderzoek zoals benoemd in paragraaf 3.3. Voor de locatie zijn is de verkeersgeneratie voor een weekdagetmaal minimaal 767 en maximaal 880, gemiddeld 824 verkeersbewegingen. Daarbij wordt uitgegaan van 4% vrachtverkeer.

Afbeelding: NIBM-rekentool De rekentool geeft aan dat de maximale bijdrage van extra verkeer onder de grenswaarde blijft. Het toelaten van woningen in het omgevingsplan draagt derhalve 'niet in betekenden mate' bij aan luchtverontreiniging. 5.6.3

Conclusie

Het aspect milieuzonering is meegewogen bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan. Er is derhalve op dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7

Gezondheid

5.7.1

Wet- en regelgeving

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben betrekking op aspecten zoals geluid, geur, trillingen, lucht en bodem. Deze aspecten worden in de andere paragrafen van dit hoofdstuk over de aspecten van de Fysieke leefomgeving gemotiveerd, voor zover zij in deze situatie relevant zijn. In deze paragraaf wordt omschreven op welke wijze het gezondheidsaspect in de planvorming is meegenomen. Gemeentebeleid De gemeente Dijk en Waard heeft nog geen specifiek beleid met betrekking tot de gezondheid in de ruimtelijke ordening.

Wel wil zij dat aandacht wordt besteed aan de gezondheid bij het opstellen van een

41

TAM-omgevingsplan. Het gaat daarbij om enerzijds het beschermen van gezondheid: is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid? Anderzijds gaat het om het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Daarbij wordt verwezen naar landelijke en regionale instanties zoals de GGD Hollands Noorden. Zij adviseren om: Voorzieningen, wonen en werken goed te mengen en zorgvuldig omgaan met grotere werkgebieden en hun (negatieve) invloed op de woonomgeving; Levendige plekken te bieden en ontmoeten te stimuleren. Mensen bewegen meer als voorzieningen worden afgewisseld met natuurlijke ontmoetingsplekken. Denk bij deze plekken aan voldoende groen, een goede bereikbaarheid, de toegankelijkheid en een gezonde mobiliteit.

Realiseer een beweegvriendelijke omgeving met dagelijkse voorzieningen op loopafstand, een goed netwerk van loop- en fietsverbindingen, de ligging van deze verbindingen door het hart van de buurt of wijk (en gemotoriseerd verkeer eromheen), het verbinden van jeugdbestemmingen op een logische route, zorgen dat de fiets en loopbare routes het meest aantrekkelijk zijn (goed toegankelijk, aantrekkelijk, logisch en veilig); Realiseer gezond wonen waarbij een woning minimaal één aangename zijde heeft, het binnenklimaat prettig en gezond is, de woningen toegankelijk zijn en levensloopbestendig, de woningen dichtbij groen en natuur zijn, natuurinclusief wordt gebouwd en klimaatbestendig zijn. Voorts raad de GGD Hollands Noorden aan om in een omgevingsplan de minimale afstand tussen emitterende, of anderszins (potentieel) overlastgevende industrie en gevoelige functies te omschrijven.

5.7.2

Situatie plangebied

Het beschermen van de gezondheid Ten aanzien van het beschermen van de gezondheid zijn de volgende aspecten relevant voor het plan voor Vronereiland: Er bevinden zich geen bedrijfslocaties in de nabijheid en zijn ook niet planologische mogelijk gemaakt; Het geluidsoverlast van verkeer op de Kruissloot is gemotiveerd in het TAM-omgevingsplan en is lager dan de grenswaarde (zie paragraaf 5.5); De luchtkwaliteit verslechterd niet meer dan de grenswaarde als gevolg van de verkeerstoename (zie paragraaf 5.6); Er bevindt zich geen opslag, productie, gebruik of vervoer van gevaarlijke stoffen die risico's met zich meebrengen voor mensen in de omgeving (zie paragraaf 5.13); Er zijn geen trillingen aanwezig; Er is geen sprake van lichthinder; Er is geen sprake van geurhinder. Het stimuleren van de gezondheid Ten aanzien van het stimuleren van de gezondheid zijn de volgende aspecten relevant voor het plan voor Vronereiland: De ligging nabij diverse voorzieningen zoals een school en op redelijke afstand van winkelvoorzieningen; De realisatie van woningen met een goed binnenklimaat en hoge woonkwaliteit; De realisatie van woningen die aan minstens één aangename zijde hebben; De realisatie van appartementen die rolstoeltoegankelijk zijn; Het realiseren van een goed toegankelijk netwerk van langzaamverkeersroutes door het

42

woongebied; Het realiseren van publieke groenvoorzieningen aan de wateroever die ruimte bieden voor groenbeleving, beweging en ontmoeting; Het realiseren van een aantal speelplekken in het gebied die op een logische manier verbonden zijn via voetpaden; Groene straten met groene bermen en bomen; Voldoende schaduw van o.a. bomen; Voorkomen van hittestress door o.a. groenvoorzieningen en toepassen van open verharding bij parkeerplaatsen.

5.7.3

Conclusie

Het aspect gezondheid is meegewogen bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan. Er is derhalve op dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8

Bodem

5.8.1

Wet- en regelgeving

De gemeente heeft vastgelegd dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom moet bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld worden gebracht. Het bodemonderzoek mag niet meer dan vijf jaar oud zijn en moet een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend bodemonderzoek plaats te vinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken.

5.8.2

Situatie plangebied

Voor het perceel is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend bodemonderzoek Vronermeerweg 27 te Sint Pancras, Landview Bodemonderzoek, d.d. 23 mei 2023, Bijlage 8) In het uitgevoerde bodemonderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld en is beoordeeld of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming. In de bovengrond zijn lichte verhogingen van cadmium, kwik, lood, zink, som PAK, som PCB en of meerdere OCB’s geconstateerd. In monster m30 van de noordelijk dam is een lichte verhoging van som PAK gemeten. In monster m31 van de zuidelijke dam zijn lichte verhogingen van cadmium, kwik, zink, som PAK en som PCB gemeten. In de mengmonsters og1 en og3 van de ondergrond zijn lichte verhogingen van één of meerdere OCB’s aangetroffen. In de overige mengmonsters van de ondergrond zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. In het grondwater uit peilbuis 1 is een lichte verhoging van arseen aangetroffen. In het grondwater uit de overige peilbuizen zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Bij graafwerkzaamheden op het terrein kunnen er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie bestaan.

Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Indien vrijkomende grond niet op de locatie zelf hergebruikt kan worden en afgevoerd dient te worden, kan het noodzakelijk zijn om de grond aanvullend te onderzoeken op de gehalten aan PFAS. Voor grotere partijen grond kan een partijkeuring AP04 (inclusief PFAS) nodig zijn.

43

Asbest Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht (plaat)materiaal of potentieel asbestverdacht puin aangetroffen. Tijdens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) wordt de bodem niet specifiek op asbest onderzocht. Ter plaatse van beide dammen zijn alleen niet asbestverdachte resten baksteen aangetroffen. Om cijfermatig uit te sluiten of er asbest in de bodem aanwezig is, is een asbestonderzoek conform NEN 5707 uitgevoerd (Asbestinventarisatie ter voorbereiding van de algehele sloop van voormalig tuincentrum aan de Vronermeerweg 27a te Sint Pancras, Witteman Asbestonderzoek, 17 augustus 2022, Asbest). Hierin wordt geconcludeerd dat er circa 2m2 asbestverdacht materiaal afgevoerd moet worden, en circa 30m2 als binnensanering te worden verwijderd. Te dempen watergang Voor de toetsing van de waterbodem ter hoogte van de te dempen watergang is een waterbodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend waterbodemonderzoek Vronermeerweg 27 te Sint Pancras, Grondslag, 24 april 2023, Waterbodem). Hierbij is het doel van het onderzoek om vast te stellen wat de milieuhygiënische kwaliteit van de sliblaag is en het bepalen van de verwerkingsmogelijkheden ervan. In de watergang bestaat de waterbodem uit sterk zandig, donker zwartgrijs slib. De dikte van de sliblaag varieert grofweg tussen 0,1 en 0,3 meter. Dit betreft een globale beoordeling.

De vaste bodem onder de sliblaag bestaat uit zand. Visueel is geen asbestverdacht materiaal in of nabij de waterbodem waargenomen. Er is een mengmonster van de sliblaag geanalyseerd op het standaardpakket voor regionale waterbodems en op PFAS. De verwerkingsmogelijkheden van het slib zijn als volgt: Altijd toepasbaar op landbodems (met uitzondering van grondwaterbeschermingsgebieden). Altijd toepasbaar in oppervlaktewater. Verspreidbaar op een aangrenzend perceel. Toepasbaar in een ‘Grootschalige BodemToepassing’ (GBT). Afhankelijk van de bestemming van de baggerspecie, kan een meldingsplicht bestaan: Het verspreiden over een aangrenzend perceel is meldingsvrij; Voor het toepassen op een landbodem elders dan een aangrenzend perceel geldt een meldingsplicht bij het ‘Meldpunt bodemkwaliteit’. De toepassingsmogelijkheden zijn afhankelijk van de kwaliteit van de baggerspecie en van de kwaliteit van de ontvangende bodem. Bij het transport is een bewijs nodig waaruit de herkomst en kwaliteit van de baggerspecie blijkt. Het afvoeren naar een slibdepot of grondbank is meldingsvrij ten aanzien van het ‘meldpunt bodemkwaliteit’. Bij de ontvangstlocatie dient een afvalstroomnummer aangevraagd te worden. Tevens dienen bij het transport begeleidingsbrieven aanwezig te zijn.

5.8.3

Conclusie

Het aspect bodem is meegewogen bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan. Er is derhalve op dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

44

5.9

Water

5.9.1

Wet- en regelgeving

Water en ruimtelijke ordening zijn in toenemende mate met elkaar verweven. Dit betekent dat effecten van nieuwe ontwikkelingen op de waterhuishouding inzichtelijk moeten worden gemaakt. Voor nieuwe ruimtelijke plannen geldt bovendien de 'watertoets' die verplicht tot overleg met de waterbeheerder over voorgenomen ontwikkelingen, voordat een TAM-omgevingsplan in procedure wordt gebracht. In de startovereenkomst Waterbeleid voor de 21e eeuw en in het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben de gezamenlijke overheden bepaald dat water een sturend principe moet zijn in de ruimtelijke ordening. Hierbij wordt het waterneutraal principe gehanteerd. Concreet houdt dit in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij het verhard oppervlak toeneemt en/of waarbij het waterbergend vermogen afneemt, er maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten op te kunnen heffen. Uitgangspunt is dat dit plaatsvindt in het plangebied. Om veiligheid te creëren en schade door wateroverlast en droogte te voorkomen is gekozen voor een drietrapsstrategie bij de keuze van maatregelen. Deze drietrapsstrategie krijgt een verplichtend karakter voor alle overheden: 1. Overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms vasthouden in de bodem en het oppervlaktewater; Zo nodig water tijdelijk bergen in retentiegebieden langs de waterlopen waarvoor ruimte moet worden gecreëerd; 2.

Pas als 1 en 2 te weinig opleveren, water afvoeren naar elders of, als dat niet kan, het water bij extreme omstandigheden gecontroleerd opvangen in daarvoor aangewezen gebieden. Elk waterschap stelt een waterschapsverordening vast waarin de gebods- en verbodsbepalingen zijn opgenomen die het waterschap nodig oordeelt ter uitvoering van zijn taak: de waterstaatkundige verzorging van het beheersgebied. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) zorgt voor voldoende en schoon water in de sloten en meren van Noord-Holland ten noorden van het Noordzeekanaal. De Waterschapsverordening 2025 bevat de regels die het HHNK hanteert om de watergangen, waterkeringen en wegen te beschermen. Rond deze sloten, dijken en wegen zijn verschillende zones (werkingsgebieden) bepaald, met elk hun eigen regels. De Waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de vroegere Keur. De Onderhoudsverordening bevat de bepalingen over de onderhoudsverplichtingen die gelden in het beheergebied van het HHNK. Deze regels waren voorheen te vinden in de Keur, maar konden als gevolg van de Omgevingswet niet worden opgenomen in de Waterschapsverordening. Inhoudelijk zijn deze regels niet gewijzigd. In de verordening is omschreven wie het onderhoud aan waterstaatswerken, zoals sloten of dijken, moet uitvoeren.

Waar ligt de verantwoordelijkheid voor het schoonhouden van sloten of het onderhouden van walkanten. Het HHNK controleert middels de schouw of de regels uit de Onderhoudsverordening worden nageleefd. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden er geen 'watervergunningen' meer verleend, maar doet een initiatiefnemer een enkelvoudige of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit. Voor een ontwikkeling als Vronereiland spelen komt het neer op een meervoudige aanvraag omdat er zowel sprake is van een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk als een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam.

45

5.9.2

Situatie plangebied

Binnnen het plangebied zijn twee peilgebieden aanwezig. Het grootste gedeelte van het plangebied ligt in peilgebied 3751-23 waar een dynamisch peil wordt gehanteerd van NAP -2.35 meter. De randzone ligt in peilgebied 3751-04 waar een dynamisch peil wordt gehanteerd van NAP -1,45 meter. Bij de ontwikkeling van Vronermeer Noord en Zuid is het waterpeil verhoogd naar -1.45 NAP. Het huidige tuincentrum was middels een ringsloot op het lage waterpeil van gehouden, omdat de vloerhoogte van het tuincentrum niet bestand werd geachte tegen het hogere waterpeil. Er zijn daarom enkele maatregelen genomen om het tuincentrum te blijven voorzien van laag water. Dergelijke incidentele deelgebieden met een lager peil zijn ongewenst voor het HHNK. Het waterpeil zal worden gewijzigd naar NAP -1,45, zodat aansluiting wordt gevonden op het peil en watersysteem van het omliggende gebied. Het plan is in het kader van de watertoets voorgelegd aan het HHNK (Watertoets, d.d. 8 juni 2023,Bijlage 4). Tevens is het plan afgestemd met de HHNK. De notulen van het overleg met de HHNK zijn opgenomen in de bijlage (Notulen overleg HHNK, d.d. 22 februari 2023, Bijlage 3). Waterkeringen In het plangebied zijn geen waterkeringen gelegen, die aangewezen zijn in de op grond van de Waterschapsverordening 2025.

Waterkwantiteit In de watertoets die bijgesloten is als Bijlage 4 is aangeven dat met de ontwikkeling van Vronereiland het bebouwd en verhard oppervlak toeneemt met 2000 m2. In de notulen van het overleg met het HHNK die bijgesloten is als Bijlage 3 is bij opmerking 3.5 door het HHNK aangegeven dat aangezien er in het gebied voldoende water aanwezig is, geen watercompensatie hoeft plaats te vinden. Adviezen in de watertoets Bij de digitale watertoets heeft het HHNK advies gegeven voor de planontwikkeling. De digitale watertoets is opgenomen als Bijlage 4 bij dit TAM-omgevingsplan. In de watertoets wordt aandacht gevraagd voor een aantal aspecten: ruimtelijke adaptatie; waterkwaliteit en riolering; waterafvoer en waterverontreiniging. Hieronder wordt op deze aspecten ingegaan. Ruimtelijke adaptatie Het HHNK adviseert om in het ontwerp van het plan het principe van ruimtelijke adaptatie op te nemen. Zo zou kunnen worden gedacht aan het aanbrengen van 'groene daken' op nieuwe gebouwen, eventueel met meervoudig ruimtegebruik en waterberging capaciteit. Ook kan bij bijvoorbeeld de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen gebruik worden gemaakt van waterdoorlatende verharding met bijbehorende afvoer vertragende onderlaag of waterberging op straat en in verlaagde groenstroken.

Deze adviezen zijn verwerkt in het Stedenbouwkundig plan en Beeldkwaliteitsplan dat is bijgesloten als bijlage 1 van de toelichting. Waterkwaliteit en riolering Het HHNK stelt dat in het plan wordt een gescheiden riolering wordt aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage.

46

De waterafvoer is uitgewerkt in het plan voor Vronereiland. Hemelwater wordt in het gebied vastgehouden en zijn er maatregelen opgenomen zodat het kan infiltreren in het openbaar gebied. Overtollig water, bij maatgevende buien, wordt afgevoerd via oppervlakkige afstroming naar het oppervlaktewater of wordt via overstortvoorzieningen naar het hemelwaterriool geleid. Het afvloeien van het water vanaf de bestratingen vindt oppervlakkig plaats via de groenzones. Waterafvoer en waterverontreiniging Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als relatief schoon en goed benutbaar worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het hemelwater af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Dit betekent dat het HHNK voor de nieuwe ontwikkeling adviseert om een gescheiden stelsel aan te leggen. Bij de ontwikkeling van het Vronereiland zal een gescheiden stelsel of een DT/DIT-stelsel naast een vuilwaterriool aangelegd worden. Beheer en onderhoud Het HHNK stelt eisen aan het beheer en onderhoud. Deze eisen zijn met de Waterschapsverordening 2025 en de Onderhoudsverordening aangescherpt.

Alle werkzaamheden binnen een zone van 5 meter van de insteek van waterlopen zijn vergunningplichtig, omdat deze invloed kunnen hebben op de water aan- en afvoer, waterberging of het onderhoud. Bij de aanleg van nieuw water in dit plangebied wordt geadviseerd zoveel mogelijk aan te sluiten op de bestaande waterstructuur en onderhoudssituatie. Bij aanleg of aanpassing van waterlopen is het belangrijk om rekening te houden met de bereikbaarheid voor onderhoud van zowel de nieuwe als bestaande waterlopen. Dit geldt met name in het stedelijk gebied, waar het hoogheemraadschap de ambitie heeft om het onderhoud van gemeenten over te nemen. Hiertoe moeten de waterlopen wel aan de voorwaarden van het hoogheemraadschap voldoen. In stedelijk gebied is het uitgangspunt dat waterlopen varend onderhouden kunnen worden, en dus minimaal 8 meter breed (voorheen 6 meter) en 1,2 meter diep ten opzichte van het laagst gevoerde waterpeil zijn (voorheen 1 meter). Indien het water niet doorloopt dient een keermogelijkheid of zwaaikom aanwezig te zijn van 12 meter (voorheen 10 meter). Indien geen varend onderhoud kan worden uitgevoerd, dient in elk geval te worden voorkomen dat waterlopen niet meer bereikbaar zijn voor zowel regulier als periodiek onderhoud (maaien en baggeren), doordat deze worden 'ingesloten' door bebouwing.

Het HHNK adviseert om een obstakelvrije zone langs de waterloop van minimaal 5 meter aan te houden. Om water van voldoende waterkwaliteit te kunnen handhaven, is het zelfreinigend vermogen van het watersysteem van belang. Het HHNK streeft ernaar om waterlopen te realiseren die in goede verbinding staan met het overige watersysteem. Om te voorkomen dat er locaties ontstaan waar kroos en drijfvuil zich zou kunnen ophopen, dienen doodlopende watergangen te worden voorkomen. In het plangebied komt er geen nieuwbouw binnen 5 meter van een waterloop, een obstakelvrije onderhoudsstrook blijft mogelijk. Relatie tot de planontwikkeling De planontwikkeling voor het Vronereiland was al voor 2025 aangevat en afgestemd met het HHNK. Derhalve zijn in de planopzet nog uitgaan van de oude richtlijnen voor de breedte van watergangen, de vereiste minimum waterdiepte en de keermogelijkheid, respectievelijk 6 meter, 1 meter en 10 meter. Gemeentelijk beleid Als onderdeel van het ontwerpproces is een dynamische rioolberekening uitgevoerd. Het rioolontwerp is getoetst aan de maatgevende klimaatbuien volgens het beleidsplan van de gemeente. Zowel voor een bui van 70mm in 1 uur (1/100 jaar) en 160 mm in 2 uur wordt geen water op straat berekend. Bij een bui

47

van 90 mm in 1 uur (1/250 jaar) wordt alleen in het binnenterrein in totaal circa 25 m3 water op straat verwacht. De oppervlakte van het binnenterrein is circa 1450 m2 groot. Bij 25 m3 water resulteert dit gemiddeld in ca. 2 cm water op straat. Vloerpeilen liggen (tenminste) 30 cm hoger dan de kruin van de rijweg. Ook bij de elektrische installaties in de openbare ruimte wordt gezorgd dat deze tenminste 20 cm hoger liggen dan (het laagste punt van) de rijbaan. Indien er 20 cm water op de rijbaan blijft staan dan resulteert dit niet tot schade aan gebouwen en installaties. Om invulling te geven aan de voorkeursvolgorde (1. benutten en besparen / 2. vasthouden, infiltreren / 3. bergen / 4. afvoeren) worden in het ontwerp de volgende voorzieningen opgenomen: 1. Benutten en besparen. Het toepassen van groenparkeren wordt beschouwd als 'benutten' van water. Hemelwater wordt direct opgenomen door het aanwezige groen in de parkeervakken en inritten. Dit is echter niet voldoende om de volledige maatgevende bui op te nemen. 'Besparen' is niet van toepassing in de openbare ruimte. 2. Vasthouden en infiltreren. Het toepassen van een waterbergende fundering (sortering 4/31,5) in de wegconstructie van de hoofdrijbaan, in combinatie met Wavincore systeem (of gelijkwaardig) met een porie volume van ca. 30%.

In de parkeervakken en inritten (groenbestrating) wordt eveneens een waterbergende fundering toegepast met een porie volume van ca. 40%. Regenwater kan vertraagd afvoeren naar ondergrond. Verwacht wordt dat de zandige ondergrond infiltrerend vermogen heeft. 3. Bergen. De parkeervakken en inritten worden niet verhoogd aangebracht ten opzichte van de rijweg, maar met een goot á niveau aangebracht. De parkeervakken worden opgesloten aan de voetpadzijde met een trottoirband (verhoogd). Hiermee krijgt de rijweg samen met de parkeervakken en inritten een bergend vermogen, dat (tijdelijk) benut kan worden in geval van extreme neerslag. 4. Afvoeren. Overtollig water, bij maatgevende buien, wordt afgevoerd via oppervlakkige afstroming of in de laatste plaats via het hemelwaterriool (kolken of roosterdeksels bij inspectieputten). De benodigde capaciteit voor vasthouden en infiltreren in het openbaar gebied is bepaald in de hieronder getoonde tabel en is gebaseerd op de hoeveelhedentekening. De theoretische overcapaciteit bedraagt 568,68 - 570,66 = 1,98 m3. Dit kan eenvoudig vergroot worden door de klimaatbuffers groter of dieper te maken. De klimaatbuffers zijn gesitueerd in de groenstroken, met name aan de zuidzijde van het plangebied.

Binnen het plangebied is op meerdere locaties een voorziening aanwezig om water oppervlakkig af te voeren, via openbaar groen naar de omliggende watergang. 5.9.3

Conclusie

Het aspect water is meegewogen bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan. Er is derhalve op dit onderdeel sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10

Klimaatadaptatie

5.10.1 Wet- en regelgeving Conform de omgevingswet dient invulling gegeven te worden aan het aspect klimaatadaptie. Relevant is De Klimaatadaptatiestrategie en Uitvoeringsagenda Regio Alkmaar, het gemeentelijke 'Beleidsplan Klimaatadaptatie Dijk en Waard, De weg naar een klimaatbestendig Dijk en Waard in 2050' en de uitgangspunten en basis-veiligheidniveaus voor klimaatbestendige nieuwbouw versie 3.0. De gemeente heeft haar beleid vastgelegd in het gemeentelijke 'Beleidsplan Klimaatadaptatie Dijk en Waard, De weg naar een klimaatbestendig Dijk en Waard in 2050'. In het beleidsplan klimaatadaptatie zijn normen opgenomen die moeten woren meegenomen en toegepast bij locatieontwikkelingen. Het betreft normen over onder andere het voorkomen van 48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=70cccce7-9409-43bf-be14-da6017a02a59