CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 - bij vragen VVD- goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving concept (Geanonimiseerd)

Gemeenteraad 16 juni 2026, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Anterieure overeenkomst en adviesrecht raad voor De Klamp fase 219.833 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

31/416

2. 6. 6

Beleidsplan Klimaatadaptatie Dijk en Waard

Algemeen Het Beleidsplan Klimaatadaptatie Dijk en Waard is vastgesteld op 7 november 2023 en omvat de ambitie van de gemeente om waterrobuuste en klimaatbestendige leefomgeving te realiseren die geschikt is voor de klimaateffecten tot 2050 , zoals extreme neerslag , hitte , droogte en mogelijke overstromingen. Het beleidsplan volgt de logica van weten-willen-werken: eerst de klimaatkwetsbaarheden in beeld brengen , vervolgens concrete doelstellingen en strategieën formuleren , en ten slotte deze doelen implementeren en

borgen in de gemeentelijke praktijk. Belangrijke doelen zijn het beperken van wateroverlast bij hevige regenval , het verbeteren van de leefomgeving bij hitte , het voorkomen van droogteschade , en waar mogelijk het beperken van schade door overstroming. In praktijk betekent dit dat nieuwe ontwikkelingen en herinrichtingen zoveel mogelijk het principe van “stad als

spons” toepassen: water vasthouden waar het valt , zorgen voor infiltratie en vertraagde afvoer , en vergroenen waar mogelijk om hittestress en droogte te beperken. Toetsing In paragraaf 3. 12 wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het aspect klimaatadaptatie. In het stedenbouwkundig ontwerp zijn klimaatadaptieve maatregelen genomen. De ontwikkeling is in lijn met het beleidsplan van de gemeente. 2. 6. 7

Uitvoeringsprogramma 2023-2026 Dijk en Waard CO2-neutraal Algemeen Het Uitvoeringsprogramma 2023-2026 Dijk en Waard CO2-neutraal beschrijft de concrete acties waarmee de gemeente streeft naar een CO2-neutraal energiesysteem in 2050. Het programma vormt een praktische uitwerking van de gemeentelijke ambities op het gebied van energietransitie en CO2-reductie en richt zich op samenwerking tussen gemeente , inwoners , bedrijven en instellingen om het fossiel energiegebruik en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Nieuwe ontwikkelingen en projecten worden binnen dit programma beoordeeld op de mate waarin ze bijdragen aan het

verminderen van energieverbruik en CO2-uitstoot , het stimuleren van duurzame mobiliteit , het creëren van ruimte voor lokale hernieuwbare energieopwekking en het integreren van maatregelen die bijdragen aan de gemeentelijke CO2-reductiedoelen. Hiermee fungeert het uitvoeringsprogramma als gericht instrument om de CO2-neutraliteitsambities van Dijk en Waard te realiseren. Toetsing In paragraaf 3. 13 wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het aspect duurzaamheid. De ontwikkeling is in lijn met het uitvoeringsprogramma van de gemeente. 2. 6. 8

Conclusie gemeentelijk beleid Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het project in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.

32/416

Hoofdstuk 3

3. 1

Aspecten fysieke leefomgeving

Algemeen

De gevolgen voor de fysieke leefomgeving van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA

wordt aangevraagd , moeten in beeld worden gebracht. Gemotiveerd moet worden hoe met het oog op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening gehouden wordt met in ieder geval de instructieregels uit het Besluit kwalitieit leefomgeving (hierna: Bkl) en de provinciale omgevingsverordening. Daar waar een nieuwe activiteit milieuruimte inneemt , is aandacht nodig voor de gevolgen van deze activiteit op

de omgeving maar ook welke gevolgen de omgeving heeft op deze nieuwe activiteit. De instructieregels uit het Bkl (en provinciale omgevingsverordening) kunnen verplichten tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor de BOPA. Hiervoor dient extra aandacht te zijn bij het onderzoek naar de gevolgen van een activiteit voor de fysieke leefomgeving. Voor de volgende thema's wordt in tabel 3. 1 voor de ontwikkeling aangegeven of zij relevant zijn of niet:

Thema Dienstenrichtlijn

Afdelingen en paragrafen Bkl § 5. 1. 1. Algemene bepalingen artikel 5. 1a.

Omgevingsveiligheid

§ 5. 1. 2. Waarborgen van de veiligheid § 5. 1. 3. Beschermen van de waterbelangen § 5. 1. 4. 1. Kwaliteit van de buitenlucht § 5. 1. 4. 2. Geluid door activiteiten § 5. 1. 4. 2a. Geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen § 5. 1. 4. 3. Geluid rond luchthavens

Water

Luchtkwaliteit Geluid door activiteiten Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen Geluid rond luchthavens

Relevant voor de ontwikkeling Nee , het plan voorziet niet in (de huisvesting van) diensten anders dan diensten die als beroep of bedrijf aan huis worden uitgevoerd en binnen iedere reguliere woning zijn toegestaan. Ja , zie paragraaf 3. 15 Ja , zie paragraaf 3. 11 Ja , zie paragraaf 3. 8 Ja , zie paragraaf 3. 5 Ja , zie paragraaf 3. 5 Nee , de projectlocatie ligt niet binnen de

geluidcontour van een luchthaven. Ja , zie paragraaf 3. 7 Nee , in de omgeving van de projectlocatie komen geen windturbines

Trillingen Slagschaduw van windturbines

§ 5. 1. 4. 4. Trillingen

Bodemkwaliteit

§ 5. 1. 4. 5. Bodemkwaliteit

Ja , zie paragraaf 3. 9

Geur

§ 5. 1. 4. 6. Geur § 5. 1. 5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

Ja , zie paragraaf 3. 6

§ 5. 1. 4. 4a. Slagschaduw van windturbines

voor.

Cultureel erfgoed (aardkunde , archeologie en cultuurhistorie)

33/416

Ja , zie paragraaf 3. 2

Landschappelijke kwaliteiten Kust , PKB-Waddenzee en Waddengebied Ladder voor duurzame verstedelijking Nationale belangen binnen de fysieke leefomgeving

§ 5. 1. 5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed § 5. 1. 5. 4. Ladder voor duurzame verstedelijking § 5. 1. 6. Behoud van ruimte voor toekomstige functies ; § 5. 1. 7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen

Nee , de planlocatie ligt niet binnen of

nabij de kust , PKB-Waddenzee en Waddengebied Ja , zie paragraaf 2. 1. 4 Nee , de ontwikkeling raakt geen

nationale belangen.

van activiteiten

Aanwijzing

§ 5. 1. 7a. Gebruik van bouwwerken

woningbouwcategorieën

Nee , voor dit plan is het niet nodig om

regels te stellen over te realiseren categorieën woningen.

Toegankelijkheid openbare buitenruimte

§ 5. 1. 8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen

In paragraaf 1. 2 wordt ingegaan op de

openbare ruimte in het projectgebied.

Tabel 3. 1: Instructieregels Bkl De provinciale omgevingsverordening bevat instructieregels. In paragraaf 2. 2. 2 is de Omgevingsverordening van de provincie behandeld en zijn de relevante instructieregels benoemd. Voor zover deze instructieregels

betrekking hebben op een thema van de fysieke leefomgeving , wordt in hoofdstuk 5 aan deze instructieregels getoetst. Daarnaast zijn er thema's die vanuit het oogpunt van ETFAL relevant zijn om betrekken. Deze thema's komen terug in tabel 3. 2.

Thema Mobiliteit en parkeren

bij de belangenafweging te

Wettelijk kader In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken. Afdeling 11. 2 van het Bal.

Relevant voor de ontwikkeling Ja , zie paragraaf 3. 16

Afdeling 7. 3 van het Bal.

Nee , het projectgebied ligt niet binnen Natuur Netwerk Nederland

Ecologie: gebiedsbescherming Ecologie: houtopstanden

Afdeling 11. 1 van het Bal.

Ja , zie paragraaf 3. 14

Afdeling 11. 3 van het Bal.

Nee , er worden geen houtopstanden

Bezonning / schaduwhinder

In het kader van ETFAL in de

(niet zijnde slagschaduw windturbines)

belangenafweging betrokken.

Ecologie: soortenbescherming Natuurbescherming NNN

Ja , zie paragraaf 3. 14

geveld.

34/416

Nee , gezien de aard en omvang van het project is onacceptabel schaduwhinder niet te verwachten.

Windhinder

In het kader van ETFAL in de

belangenafweging betrokken.

Nee , gezien de aard en omvang van het project is windhinder of windgevaar niet te verwachten.

Lichthinder

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

In het kader van ETFAL in de

Nee , binnen en in de directe omgeving

belangenafweging betrokken.

van het projectgebied bevinden

In het kader van ETFAL in de

belangenafweging betrokken. Spuitzones vanwege In het kader van ETFAL in de gewasbeschermingsmiddelebelangenafweging betrokken.

zich geen activiteiten die leiden tot lichthinder. Ja , zie paragraaf 3. 12 en paragraaf 3. 13 Ja , zie paragraaf 3. 10

n

Gezondheid

§ 5. 1. 4. Bkl behandelt enkele thema's in het kader van gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering volgt uit provinciaal en/of gemeentelijk beleid. In het kader van ETFAL is een integrale benadering nodig.

Ja , zie paragraaf 3. 10

Tabel 3. 2: Thema's ETFAL

3. 2

Cultureel erfgoed archeologie landschap en stedenbouw ,

,

3. 2. 1

Wettelijk kader Onder de Omgevingswet is sprake van een continuering van de huidige regels met betrekking tot de bescherming van archeologische waarden. Gemeenten moeten regels in het omgevingsplan stellen met het oog op 'het behoud van cultureel erfgoed , met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten , in ieder geval ter uitvoering van het verdrag van Granada en het verdrag van Valletta' (artikel 2. 28 Omgevingswet). Door middel van de omgevingsvergunning wordt hieraan uitvoering gegeven (artikel 5. 5 Omgevingswet). De Bruidsschat omvat voor het thema archeologie regels over gemeentelijke archeologische monumenten , regels over wanneer sprake is van een vrijstelling van archeologisch onderzoek en de vergunningprocedure

(aanvraagvereisten en voorschriften). Deze regels zijn afkomstig uit de Erfgoedwet , de Wet bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Ministeriele regeling Omgevingsrecht (Mor).

algemene

De zorgplicht voor archeologisch erfgoed ligt sinds 2007 bij gemeenten. Gemeenten waren reeds verplicht om in bestemmingsplannen en beheer verordeningen rekening te houden met archeologische resten. Vanaf 2012 zijn

ook de bredere cultuurhistorische waarden een verplicht punt in bestemmingsplannen. Gemeenten moeten in ieder geval in de toelichting van het bestemmingsplan aangeven hoe rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden van gebouwd erfgoed , archeologie en cultuurlandschap. Vaak hebben gemeenten lokaal archeologiebeleid opgesteld om een goede afweging te kunnen maken tussen het beschermen van archeologische waarden en andere belangen. Door de aanwezigheid van dit lokale

35/416

archeologiebeleid is al een nadere invulling gegeven aan de vrijstellingsregel uit de Erfgoedwet die nu is opgenomen in de Bruidsschat. Het lokale archeologiebeleid is nu in veel , maar niet alle gevallen , opgenomen in de bestemmingsplannen. De erfgoedverordening is het vangnet , dat ervoor zorgt dat bij die bestemmingsplannen waarin geen archeologie is opgenomen , toch een vergunningplicht en onderzoekplicht geldt. Dit wijzigt niet in de transitiefase. De vergunningsprocedure (onderdelen Wabo en Mor) en vrijstellingsregel uit de Bruidsschat zijn dus al grotendeels geborgd in de regels van de bestemmingsplannen en de aanwezigheid van de erfgoedverordening. 3. 2. 2

Toetsing 3. 2. 2. 1 Archeologie In de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' is opgenomen dat , voor bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2. 500 m 2 en dieper dan 04, m onder het maaiveld , een onderzoek nodig is. De voorgenomen ontwikkeling overschrijdt beide grenzen. Er is een archeologisch onderzoek uitgevoerd , zie bijlage 1. Hieruit

is gebleken

dat ondanks de zorgvuldige inspectie van de boorkernen , zijn nergens binnen het projectgebied relevante archeologische indicatoren aangetroffen die op bewoning in het (verre) verleden zouden kunnen wijzen. Ook zijn in de onder de bouwvoor gelegen afzettingen geen vegetatiehorizonten of anderszins “vuile” lagen aangetroffen die zouden kunnen wijzen op bewoning in het (verre) verleden binnen of nabij het plangebied. Evenmin heeft de inspectie van het maaiveld , ondanks de goede vondstzichtbaarheid ten tijde van het veldonderzoek , relevante archeologische indicatoren opgeleverd. 3. 2. 2. 2 Cultuurhistorie en landschap Het projectgebied heeft geen betrekking op een rijks- , provinciaal of gemeentelijke monument. Er gelden geen cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden in het projectgebied. 3. 2. 3

Conclusie Het aspect cultureel erfgoed , archeologie , landschap en stedenbouw voorliggende ontwikkeling.

3. 3

vormt geen

belemmering voor de

Welstand

3. 3. 1

Wettelijk kader De gemeentelijke welstandsregels zoals deze golden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet , blijven van toepassing onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De gemeente Dijk en Waard heeft voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet redelijke eisen van welstand uitgewerkt in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2022 en had daarmee beleidsregels voor de beoordeling van bouwwerken. Op grond van de Bruidsschat (artikelen 22. 7 en 22. 29 van de Bruidsschat) en de Omgevingswet (artikel 4.114 , lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet jo artikel 4. 19 Omgevingswet) behouden de welstandstoets en

welstandnota na inwerkingtreding van de Omgevingswet hun rechtskracht. Dit betekent dat deze beleidsregels volgens het overgangsrecht van toepassing blijven na de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

36/416

3. 3. 2

Toetsing Het projectgebied valt in het deelgebied 7: 'Sport- , recreatie- en groene terreinen' binnen de Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2022. In paragraaf 2. 6. 5 is getoetst aan deze nota. De voorgenomen ontwikkeling zal stedenbouwkundig worden getoetst door de gemeente. Er wordt verwacht dat de bouwplannen passend zijn binnen de geldende welstandseisen. 3. 3. 3

Conclusie De bouwaanvraag wordt beoordeeld aan de hand van de beleidsregels voor welstand. Zonder een positieve beoordeling voor welstand zal geen omgevingsvergunning worden verleend. Naar verwachting is het ontwerp in lijn met de geldende welstandseisen.

Mer-beoordeling

3. 4 3. 4. 1

Wettelijk kader Bijlage V van het Omgevingsbesluit

In (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een BOPA project-m. e. r. -plichtig of m. e. r. -beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn m. e. r-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en m. e. r. -beoordelingsplichtig in gevallen

als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de m. e. r. (beoordelings)-plicht geldt. Als hier het Omgevingsplan wordt genoemd , wordt hieronder ook de omgevingsvergunning voor een BOPA verstaan. Voor m. e. r. -beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m. e. r. ). Samengevat zijn

dit de kenmerken van een project , de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag , doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project , de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of

sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning. Toetsing De beoogde woningbouwontwikkeling is in het Omgevingsbesluit , bijlage V onder categorie J11 opgenomen als stedelijk ontwikkelingsproject. In het Omgevingsbesluit geldt voor een stedelijk ontwikkelingsproject geen directe mer-plicht bij het besluit voor het wijzigen van hetomgevingsplan , maar wel een mer-beoordelingsplicht. 3. 4. 2

mer-plicht kan wel ontstaan wanneer een passende beoordeling noodzakelijk is of wanneer uit de mer-beoordeling blijkt dat belangrijke negatieve gevolgen niet uitgesloten kunnen worden. Daarnaast is sprake van een mer-plichtwanneer het omgevingsplan een kader vormt voor nog te nemen besluiten over een mer-beoordelingsplichtige activiteit. Uitzonderingen hierop zijn plannen met een klein gebied op lokaal niveau waarvoor het gemeentebestuur het bevoegd gezag is. In dat geval geldt een plan-mer-beoordelingsplicht. Een

37/416

Voor de beoogde

ontwikkeling geldt een mer-beoordelingsplicht. Er is een beoordeling opgesteld , op basis waarvan het bevoegd gezag een mer-beoordelingsbesluit zal nemen. Het mer-beoordelingsbesluit , inclusief de beoordeling in de vorm van een aanmeldnotitie , is opgenomen in bijlage 2. 3. 4. 3

Conclusie

Uit de informatie uit de aanmeldingsnotitie blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in een kwetsbaar gebied en/of een gebied met een beschermde status. Daarnaast leiden de aard en omvang van het project niet tot

aanzienlijke milieueffecten. Het doorlopen van een volledige mer-procedure is daarom niet noodzakelijk.

3. 5

Geluid

3. 5. 1

Wettelijk kader

Geluid door activiteiten Algemeen Voor invoering van de Omgevingswet werd altijd aandacht besteed aan milieuzonering op basis van de publicatie " Bedrijven en milieuzonering " (VNG , 2009). Dit was een systematiek op basis van richtafstanden per gebiedstype en milieucategorie. Werd aan de richtafstanden voldaan , dan was de aanname dat ook aan de onderliggende richtwaarden voor een bepaald milieu-aspect werd voldaan (zonder nader onderzoek). Na de ruimtelijke afweging was voor een bedrijf/activiteit de milieuregelgeving van toepassing , meestal het Activiteitenbesluit (en in bijzondere gevallen een milieuvergunning met geluidvoorschriften). In de meeste gevallen was/is het aspect geluid maatgevend voor de richtafstand , zodat hier in deze paragraaf nader op wordt ingegaan. De bedoeling van de Omgevingswet

is het de bedoeling dat er meer naar effecten wordt gekeken en dat milieuregels op basis van de instructieregels uit het Bkl worden opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. De voorheen toegepaste richtafstanden kunnen nog wel gebruikt worden als indicatie. Er is inmiddels een nieuwe Handreiking milieuzonering opgesteld door de VNG. Deze handreiking biedt een

aantal handvatten hoe om te gaan met de instructieregels van het Bkl. Zolang de geluidregels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (Bruidsschat) niet zijn aangepast , worden de instructieregels van het Bkl toegepast in de beoordeling van het geluid door activiteiten. Toetsingskader Bkl In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in onderstaande tabellen 3. 3 en 3. 4. Tabel 3. 3: standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw L ArLT ,

als

activiteiten

38/416

gevolg

van

07. 00-19. 00 uur

19. 00-23. 00 uur

23. 00-07. 00 uur

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

door

L Amax

aandrijfgeluid van transportmiddelen L Amax door andere piekgeluiden

--

70 dB(A)

70 dB(A)

--

65 dB(A)

65 dB(A)

Tabel 3. 4: standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten L ArLT ,

als

gevolg

van

07. 00-19. 00 uur

19. 00-23. 00 uur

23. 00-07. 00 uur

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

--

55 dB(A)

55 dB(A)

--

45dB(A)

45 dB(A)

activiteiten

door

L Amax

aandrijfgeluid van transportmiddelen L Amax door andere piekgeluiden

De tabellen 3. 1 en 3. 2 zijn ontleend aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) , maar zijn nog niet geïmplementeerd in het omgevingsplan van de gemeente

Dijk en Waard. In de berekening/beoordeling van geluid blijft onversterkt menselijk stemgeluid buiten beschouwing , tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd. Bruidsschat (tijdelijk deel omgevingsplan) Met het vervallen van het Activiteitenbesluit zijn de daarin opgenomen geluidregels opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Dijk en Waard (par. 22. 3. 4) en hieronder weergegeven in tabel 3. 5. Tabel 3. 5: waarden voor geluid op een geluidgevoelige gebouw (Bruidsschat) L ArLT ,

als

07. 00-19. 00 uur

19. 00-23. 00 uur

23. 00-07. 00 uur

gevolg

van

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

gevolg

van

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

activiteiten L Amax

als

activiteiten De maximale geluidniveaus L Amax volgens tabel 3. 5 zijn niet van toepassing op:

het laden en lossen in de periode tussen 07. 00 en 19. 00 uur ; het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca- , sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen ;

a.

het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan ; het aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als: voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (L Amax ) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen ; en het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 75, m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

b.

39/416

Geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen Het beoordelingskader voor geluid is opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en geldt als instructieregel voor de wijziging van het omgevingsplan (of BOPA). In het Bkl is het toepassingsbereik voor het beoordelen van het geluid van gemeente- en waterschapswegen in subparagraaf §5. 1. 4. 2a. 4 afgebakend tot wegen met een intensiteit van meer dan 2. 500 mvt/etmaal (jaargemiddeld). Dit op basis van het “Verzamelbesluit Omgevingswet IenW milieu 2025” van 4 september 2025. In sommige situaties kan een weg met een intensiteit van minder dan 2. 500 mvt/etmaal een hogere geluidbelasting veroorzaken dan de standaardwaarde. In de toelichting op bovengenoemd verzamelbesluit is gesteld dat de Omgevingswet ook in algemene zin rekening dient te houden met het belang van het beschermen van de gezondheid , los van de ondergrens van 2. 500 mvt/etmaal , en in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Indien nodig en relevant worden daarom wegen met een verkeersintensiteit van minder dan 2. 500 mvt/etmaal betrokken in de berekening en beoordeling. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het

geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens tabel 3. 6. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen , de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden volgens navolgende tabel. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige , verkeerskundige , vervoerskundige , landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel. Tabel 3. 6: waarden voor geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen geluidbronsoort standaardwaarrde L den grenswaarde L den provinciale 50 wegen en rijkswegen gemeentewegen

waterschapswegen lokale spoorwegen hoofdspoorwegen industrieterreinen 3. 5. 2

60

en

53

70

en

55

65

50 L den /40 L night

55 L den /45 L night

Toetsing

Geluid door activiteiten Het voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van 98 woningen. Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Er wordt dus een nieuwe geluidgevoelige functie mogelijk gemaakt. Wonen is volgens het Bkl geen activiteit die zelf voor geluidshinder kan zorgen. In de directe omgeving

van

het projectgebied zijn geen milieubelastende activiteiten aanwezig die kunnen

leiden tot een relevante geluidbelasting op de beoogde woningen.

40/416

Op basis van het bestemmingsplan Buitengebied 2014 zijn onder andere functies toegestaan zoals detailhandel ter plaatse

de aanduiding 'crematorium' , maatschappelijke voorzieningen en horeca 1 , 2 en 3. Deze functieaanduiding ligt op een ruime afstand van minimaal 30 meter van de gevels van de te realiseren woningen. Daarnaast betreffen dit functies met een beperkte geluiduitstraling die passen binnen een stedelijk gebied. Voor deze activiteiten gelden geluidregels op grond van het omgevingsplan en het Bkl , waarmee geluidhinder voor geluidgevoelige functies wordt beperkt. De huidige en toekomstige bedrijven en organisaties ondervinden geen belemmeringen in hun bedrijfsvoering als gevolg van de ontwikkeling. van

Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de voorgenomen woningen. Geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen De beoogde ontwikkeling maakt geen spoorwegen of industrieterreinen mogelijk. Het voorliggend initiatief voorziet in het realiseren van 98 woningen. Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen in de zin van het Bkl. Er wordt dus een nieuwe geluidgevoelige functie mogelijk gemaakt ter plaatse van het projectgebied. Het projectgebied ligt niet in de nabijheid van een bedrijventerrein. Indirecte akoestische effecten op de omliggende geluidgevoelige functies als gevolg van de toename van de verkeersintensiteit op de gemeentelijke

Klamp zijn niet te verwachten. De verkeersintensiteit op de weg blijft onder de 2. 500 motorvoertuigen per etmaal conform artikel 5. 78ae van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). weg De

Wel ligt het projectgebied in het geluidaandachtsgebied van de spoorlijn ten noorden van het projectgebied , zie figuur 3. 1. Ook ligt het projectgebied in het geluidaandachtsgebied van omliggende wegen , zoals de N194. Om deze reden is er een akoestisch verkenning weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd op basis van een verkennend conceptontwerp , zie bijlage 3. Hieruit zijn de onderstaande voorlopige conclusies gegeven: Er wordt uitgegaan dat bron-en overdrachtsmaatregelen niet getroffen worden.

het railverkeer vindt er een overschrijding plaats van de standaardwaarde van 55 dB op de noordgevels van de meest noordelijk gelegen woonblokken. De hoogst , berekende geluidbelasting is 62 dB. Er vindt een overschrijding plaats van de ambitiewaarde van 60 dB. Vanuit railverkeer kan er zonder extra maatregelen voldaan worden aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid van Dijk en Waard wanneer de ambitiewaarde wordt overschreden. Vanwege de gemeentelijke wegen wordt er voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB. Er zijn geen belemmeringen voor de komst van nieuwe woningen. Vanwege de N194 vindt er een overschrijding plaats van de standaardwaarde van 50 dB met name op de noordoostgevels van de meest oostelijk gelegen woonblokken. De hoogst , berekende geluidbelasting is 58 dB. Er vindt een overschrijding plaats van de ambitiewaarde van 55 dB. Vanuit de N194 kan niet voor alle woningen voldaan worden aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid van Dijk en Waard wanneer de ambitiewaarde wordt overschreden. Vanwege

41/416

Figuur 3. 1

-

Ligging

projectlocatie binnen het geluidaandachtgebied spoor

(rood omlijnd)

(bron: CVGG

-

Geluidregister , 2026) Op basis hiervan is een akoestisch onderzoek omgevingsgeluid uitgevoerd , zie bijlage 4. Uit het onderzoek is het volgende gebleken: De geluidbelasting vanwege gemeentewegen (incl. wegen met een intensiteit van < 2500 mvt/etm) maximaal 53 dB. Hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB.

is

De geluidbelasting vanwege het railverkeer is maximaal 62 dB. Hiermee wordt de standaardwaarde van 55 dB met maximaal 7 dB overschreden. De grenswaarde van 65 dB wordt niet overschreden. De geluidbelasting vanwege de N194 is ten hoogste 52 dB na wettelijke aftrek van 2 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 4 dB overschreden. Bij dit project zijn geluidbeperkende maatregelen geen optie. Het wegdek van de N194 is al voorzien van een geluidreducerend wegdek. Overige maatregelen zijn niet voldoende doelmatig en stuiten op

stedenbouwkundige , architectonische en financiële bezwaren. Voor de spoorlijn geldt dat een geluidscherm van 5 meter hoog en 250 meter breed in de onderhavige situatie een stedenbouwkundig en architectonisch ongewenste barrière is en voor één woningbouwproject met 98 woningen financieel niet haalbaar. De in gemeente Dijk en Waard kan dit geval een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde/voorkeursgrenswaarde toestaan. Daar zijn wel voorwaarden aan verbonden. Door akoestisch gesloten tuinschermen van 18, meter toe te passen zoals in paragraaf 4. 2 is aangegeven wordt voor alle woningen in het plan voldaan aan de voorwaarden uit het lokale geluidbeleid. Het gecumuleerd geluid is maximaal 56 dB waarmee sprake is van een aanvaardbare situatie. Het gezamenlijke geluid is ten hoogste 62 dB. In een vervolgonderzoek voor de omgevingsvergunning bouwen worden de geluidwerende gevelvoorzieningen bepaald die minimaal vereist zijn vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving. 3. 5. 3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het initiatief. Wel dienen er voorwaarden voor geluid door (spoor)wegen aan de vergunning verbonden te worden.

42/416

3. 6

Geur

3. 6. 1

Wettelijk kader In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2. 1 lid 3 onder b en c Ow) worden voor verschillende functies en activiteiten regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten , de mengvoederindustrie , horeca , rioolwaterzuiveringsinstallaties , slachterijen , en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar de regels zijn opgenomen. Activiteiten moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijke) omgevingsplan staan. Indien het tijdelijk

omgevingsplan nog niet is aangepast en sprake is van een activiteit of inrichting die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel , dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over geur door:

het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22. 3. 6. 2 BS) ; het houden van fokteven van nertsen (par. 22. 3. 6. 3 BS) ; andere agrarische activiteiten , zoals o. a. het opslaan van vaste mest , champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22. 3. 6. 4 BS) ; het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22. 3. 6. 5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8. 5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan

algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. In subparagraaf 22. 3. 6. 2 van het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf

Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw. 5. 1. 4. 6

gelden

alleen

voor

geur

van

Geurgevoelige gebouwen In artikel 5.91 , eerste lid , van het Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval geurgevoelig zijn. Het betreft een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. Woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan ; b. Onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan ; c. Gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan ; of d. Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 3. 6. 2

Toetsing Met de beoogde ontwikkeling worden geurgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Derhalve is nadere toetsing noodzakelijk.

43/416

Rondom het projectgebied zijn geen intensieve veehouderijen , geitenhouderijen of andere bedrijfsmatige activiteiten gelegen die geurhinder veroorzaken. Ook worden in de nabije omgeving van het projectgebied geen landbouwhuisdieren , paarden of pony's hobbymatig gehouden , waardoor geurhinder afkomstig daarvan ook kan worden uitgesloten. Op basis van het Bestemmingsplan Buitengebied 2014 wat onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan gemeente Dijk en Waard , ligt het dichtsbijzijnste perceel waar intensieve veeteelt is toegestaan op circa 822 m afstand. Daarmee veroorzaakt de ontwikkeling geen belemmering voor bestaande of toekomstige

veehouderijen in de omgeving. Het plan is derhalve niet in strijd met het Bkl en met de regels zoals opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Verder kan worden opgemerkt dat de gewenste woonactiviteiten in het projectgebied geen activiteiten zijn die geurhinder veroorzaken. 3. 6. 3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3. 7

Trillingen

3. 7. 1

Wettelijk kader

Het plangebied op korte afstand van de spoorlijn Alkmaar-Hoorn. De geplande woningen zijn geprojecteerd op een kortste afstand van ca. 35 meter tot het spoor. In algemene zin geldt dat door het rijden van treinen over de

spoorlijn trillingen kunnen worden opgewekt , welke zich voortplanten door de bodem en vervolgens gebouwfunderingen kunnen aanstoten en in trilling kunnen brengen. Deze trillingen planten zich voort in de gebouwconstructie. Eventuele (objectiveerbare) trillinghinder is afhankelijk van de optredende trillingssterkten en de mate van voorkomen (hoe vaak is een trilling voelbaar). In Nederland bestaan op dit moment geen wettelijke regelingen en normen , die duidelijke grenswaarden met een beoordelingssysteem voor trillingen geven. Sinds 1993 is er wel de meet- en beoordelingsrichtlijn van de SBR “Trillingen deel B – Hinder voor personen in gebouwen” , waarin streefwaarden worden gegeven , waarbij redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er geen hinder optreedt. De SBR-publicatie is in 2002

geactualiseerd. Vanwege de toenemende aandacht voor trillingen en trillinghinder langs spoorlijnen (met name waar veelvuldig goederentreinen rijden) is er sinds mei 2019 de “Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen” (Ministerie van

Infrastructuur en Waterstaat). In de Handreiking wordt twee afstandscriteria aangegeven t. a. v. van de beoordeling van het aspect trillingen. Vindt een plan of project plaats binnen een afstand van 100 m van een spoorlijn , dan wordt geadviseerd een quickscan trillinghinder uit te voeren op basis van paragraaf 10. 1 van de Handreiking. Vindt een plan of project plaats binnen 250 m afstand van een spoorlijn , dan moet worden beoordeeld in hoeverre klachten , bodemopbouw en/ of het treinbeeld aanleiding geven voor het doen van nader onderzoek.

44/416

Figuur 3. 2 overzicht beperkingengebied hoogspanning (Bron: DIJK&CO) 3. 7. 2

Beoordeling/quickscan

Omdat het projectgebied binnen 100 m van het spoor is gesitueerd , is een globale quickscan uitgevoerd. In bovengenoemde Handreiking staan de volgende informatiebronnen genoemd die gebruikt kunnen worden voor een quickscan: bodemgesteldheid en opbouw , ligging waterpartijen , treinbeeld , locatie ES-lassen , wissels en overgangsconstructies , locatie bebouwing en type bebouwing en eventuele toekomstige wijzigingen aan het spoor.

Wat betreft de bodemgesteldheid geldt dat terplaatse van het projectgebied in Heerhugowaard sprake is van kalkrijke poldervaaggronden , waarin de overdracht van trillingen matig tot relatief goed is. Wat het treinbeeld betreft: het project ligt nabij de spoorlijn Alkmaar–Hoorn , waarop

de stoptrein tussen Heerhugowaard en Obdam onderdeel uitmaakt van de reguliere dienstregeling van Nederlandse Spoorwegen. Deze verbinding wordt hoofdzakelijk gebruikt door personenvervoer (sprinters) met een dienstregeling van circa 32 treinritten per etmaal tussen Heerhugowaard en Obdam , wat neerkomt op één trein per uur in beide richtingen. Er rijden geen goederentreinen op dit traject (goederentreinen veroorzaken doorgaans meer trillingen dan reizigerstreinen). Bovendien wordt dit ook in de toekomst niet verwacht en ook niet een andere intensivering van het treinbeeld. Hoewel de nieuwe bebouwing/bouwvlakken op relatief korte afstand van het spoor komen te liggen , is het op grond van bovenstaande niet aannemelijk dat hinder vanwege spoortrillingen zal optreden (zie figuur 3. 2). Ook ligt het buiten het beperkingengebied. Ook blijkt uit de RIVM-publicatie “Wonen langs het spoorGezondheidseffecten trillingen van treinen” (RIVM rapport 2014-0096) dat het optreden van trillingshinder vooral gerelateerd is aan het rijden van goederentreinen. Op de spoorlijn Alkmaar-Hoorn rijden geen goederentreinen. De spoorlijn Alkmaar–Hoorn is een bestaande regionale lijn die al langere tijd in gebruik is voor sprinterdiensten en waarvan de omliggende woongebieden langdurig gewend zijn aan dit type treinverkeer. Er zijn geen publieke

45/416

meldingen bekend van structurele trillingshinder ten gevolge van het reguliere treinverkeer op dit baanvak. Hoewel de bodem in het projectgebied een matige tot relatief goede trillingsdoorvoer kent , is het karakter van het treinverkeer op de nabij gelegen spoorlijn hoofdzakelijk lokaal reizigersvervoer met een redelijk lage frequentie en zonder goederentreinen. Op grond van de bestaande omstandigheden en het beperkte treinbeeld is het niet aannemelijk dat spoortrillingen tot voelbare hinder of wezenlijke bezwaren zullen leiden bij de voorgenomen ontwikkeling. Daarmee is een nader aanvullend onderzoek niet noodzakelijk binnen de context van de Handreiking , en kan deze quickscan als toereikend worden beschouwd voor het aspect trillingen. Concluderend wordt gesteld dat een nader aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht en dat er voor wat betreft spoorwegtrillingen aan de trillingseisen uit de SBR-publicatie wordt voldaan. 3. 7. 3

Conclusie

Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3. 8

Luchtkwaliteit

3. 8. 1

Wettelijk kader

Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit. Vanaf 1 januari 2024 zijn de normen voor luchtkwaliteit vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hoofdstuk 5 , paragraaf 5. 1. 4. 1

het Bkl bevat instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht , om de gezondheid en het milieu te beschermen in het geval van een agglomeratie. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet in een aantal situaties worden getoetst aan omgevingswaarden voor lucht. In een beperkt aantal gevallen is onderzoek nodig. van

Er zijn enkele situaties die de overheid nog wel landelijk moet beoordelen: het toestaan van milieu belastende activiteiten ;

de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter , of wanneer een bestaande tunnel minimaal 100 meter wordt verlengd ; de aanleg van een autosnelweg. 3. 8. 2

Toetsing De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen het volgende toepassingsbereik: de aanleg of wijziging van een autoweg , autosnelweg of tunnel voor het wegverkeer. Daarnaast is de gemeente Dijk en Waard niet aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. Een toets aan de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit is daarom niet aan de orde. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient een afweging van de luchtkwaliteit ter plaatse van de beoogde ontwikkeling plaats te vinden. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Uit de CIMLK-viewer blijkt dat in 2024 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof ter plaatse van het projectgebied ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen

bedroegen ; 98, µg/m³ voor NO 2 , 140, µg/m³ voor PM 10 en 71, µg/m³ voor PM 25 . Het aantal overschrijdingsdagen ,

46/416

van de 24-uur gemiddelde concentratie PM 10 bedroeg 6 dagen.

3. 8. 3

Conclusie

De jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Een aanvullende toetsing van de luchtkwaliteit is niet nodig. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor

de beoogde ontwikkeling.

3. 9

Bodem

3. 9. 1

Wettelijk kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in de

paragraaf Bodemkwaliteit (paragraaf 5. 1. 4. 5) van het Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur , wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem , door in onderlinge

samenhang ; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen ; evenwichtig toedeling van functies aan locaties , rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem ; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in Bijlage IIA

het Bal. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico's voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. van

Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: Op grond van artikel 5. 89i en artikel 5. 89j Bkl de waarde vaststellen waarboven gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn.

er

bij de realisatie van

Op grond van artikel 5. 89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn

bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5. 89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5. 89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de

gezondheid en van het milieu , in het bijzonder van de bodemkwaliteit.

47/416

Bodemgevoelig gebouw Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. 3. 9. 2

Toetsing De beoogde ontwikkeling maakt bodemgevoelige gebouwen mogelijk. RB Geo BV heeft een verkennend milieuhygiënisch bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd ter plaatse van projectgebied , zie bijlage 5. Hieruit is gebleken dat de grond en het grondwater ter plaatse van voldoende kwaliteit zijn. Er zijn geen milieuhygiënische bezwaren voor de afgifte van de Omgevingsvergunning. 3. 9. 3

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3. 10

Gezondheid

3. 10. 1

Wettelijk kader Een doel van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 , lid 3 , onder b). In lid 4 van dit artikel wordt benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Daarbij gaat het volgens paragraaf 5. 1. 4 van het Bkl in ieder geval om 1. Kwaliteit buitenlucht 2. Geluid door activiteiten 3. Geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen 4. Trillingen 5. Slagschaduw van windturbines 6. Bodem 7.

Geur

In paragraaf 3. 1 is in tabel 3. 1 reeds aangegeven of deze thema's voor dit plan relevant zijn. De thema's die

relevant zijn , zijn eerder in dit hoofdstuk behandeld. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen. zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving , ruimte voor beweging , beschikbaarheid /toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Hiervoor zijn in het Bkl geen instructieregels opgenomen. Wel kan het zijn dat de provincie , regio en/of gemeente hiervoor beleid heeft. In het kader van een evenwichtige toedeling van

functies aan locaties wordt in de belangenafweging betrokken. Gewasbeschermingsmiddelen Ter plaatse van agrarische gronden kan sprake zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. Bij ruimtelijke plannen in de omgeving van agrarische gronden dienen deze mogelijke gezondheidsrisico’s te worden afgewogen. Er gelden geen wettelijke normen of afstandseisen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de

48/416

omgeving van woningen.

Toch wordt er , in het kader van een evenredige toedeling van functies aan locaties , gekeken hoe de woningen zich verhouden tot deze agrarische gronden. Hiervoor wordt veelal getoetst met een richtafstand van 50 meter tussen woningen en agrarische gronden. De 50 meter-contour is geen harde grens. Verkleinen van een spuitzone is in beginsel mogelijk maar dit dient wel goed te worden gemotiveerd. 3. 10. 2

Toetsing Gezondheidsbescherming Een aantal van de omgevingsaspecten in dit hoofdstuk hebben een gezondheidscomponent , daarbij gaat het bijvoorbeeld om de aspecten geluid , geur en omgevingsveiligheid. Uit de verschillen paragrafen behorende tot hoofdstuk 3 wordt duidelijk dat binnen het projectgebied geen sprake is van significante milieubelasting die van invloed kan zijn op de gezondheidssituatie. Gezondheidsbevordering De ontwikkeling draagt bij aan een gezonde leefomgeving. De groene en klimaatadaptieve inrichting stimuleert beweging , verblijf en ontmoeting en heeft daarmee een positief effect op zowel fysieke als mentale gezondheid. De verkeersluwe opzet beperkt geluid- en luchtbelasting en bevordert een veilige leefomgeving. Daarnaast draagt de inrichting met waterberging en groen bij aan het beperken van hittestress en wateroverlast , wat het woon- en leefklimaat ten goede komt. Gewasbeschermingsmiddelen Aan de noorden van het projectgebied liggen momenteel agrarische gronden op minder dan 50 meter afstand. Deze afstand bedraagt circa 24 meter. De gronden zijn in de afgelopen vijf jaar gebruikt voor de teelt van verschillende gewassen , zoals witte kool , bieten , aardappelen en tarwe. De geplande woningen worden echter op een grotere afstand van de agrarische gronden gerealiseerd , waardoor de richtafstand van 50 meter wordt gewaarborgd.

Hierdoor wordt zowel de gezondheid van de toekomstige bewoners beschermd als de bedrijfsvoering van de agrariër niet beperkt. 3. 10. 3

Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

3. 11

Water en watersystemen

3. 11. 1

Wettelijk kader

Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden

betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: watercompensatie in verband met toenemende verharding ; waterkwaliteit , bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning ;

bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken ; waterketen , relatie met de afvoer van afvalwater , (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater.

49/416

Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn:

bescherming van primaire waterkeringen (artikel 5. 38 Bkl) ; behoud waterveiligheid kust (artikel 5. 40 Bkl) ; behoud waterveiligheid grote rivieren (artikel 5. 46 Bkl) ; IJsselmeergebied (artikel 5. 49 Bkl). De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Hieraan zal de BOPA-activiteit moeten worden getoetst. In de aanvraag wordt beschreven welke mogelijke gevolgen een BOPA-activiteit heeft voor het aspect water en welke maatregelen zullen worden getroffen om deze gevolgen zoveel mogelijk te beperken. Omdat water een

relevant aspect is voor deze ontwikkeling , is het waterschap geraadpleegd. 3. 11. 2

Toetsing

Voor de weging van het waterbelang zijn drie beleidsthema's van toepassing:

waterveiligheid waterkwantiteit waterkwaliteit. Deze worden per beleidsthema nader uitgewerkt. Voor de beoogde ontwikkeling heeft overleg plaatsgevonden met het waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Op basis hiervan is het voorlopig ontwerp opgesteld , zie bijlage 6.

Waterveiligheid Het projectgebied ligt niet in een beschermingszone van een primaire , regionale of overige waterkering. Voor deze onderdelen zijn geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Voor nadere toetsing is de kaart 'Kans op overstroming vanuit zee , meer of rivier' van Atlas Leefomgeving (Rijkswaterstaat , 2024) geraadpleegd. Hieruit blijkt dat ter plaatse van het projectgebied er een kleine kans (1/300 tot 1. 3000 per jaar) is op een overstroming vanuit de zee , een meer of een rivier. Waterveiligheid is hiermee voldoende geborgd. Waterkwantiteit De randzones van het gebied worden opgehoogd om ruimte te bieden aan kabels , leidingen en riolering. Het vloerpeil van de woningen wordt gelijk gehouden aan fase 1 , namelijk -180 , m NAP. Aangezien het maaiveld gemiddeld op -270 , m NAP ligt , betekent dit dat het maaiveld rond de woningen gemiddeld ongeveer 90 cm moet worden opgehoogd. Voor de watercompensatie worden de sloten aan de noord- en westkant van het projectgebied verlengd en/of verbreed. Deze maatregel zorgt niet alleen voor extra waterberging , maar creëert tegelijkertijd een

bufferafstand tot het treinspoor dat langs de noordzijde taludberekening gemaakt voor de stabiliteit (zie bijlage 7).

50/416

van

het gebied ligt. Daarvoor

is tevens

een

eis betreft 11% van het verhard oppervlak als oppervlakte water of per m 2 oppervlak 70 mm water opvangen. In de toekomstige situatie bestaat het projectgebied uit 20. 823 m.2 De watercompensatie

combinatie

In

met

de

nieuw

te

realiseren

oppervlaktewaterstructuren

wordt

voldaan

verhard

aan

de

watercompensatie-eisen: 2 1. 483 mnieuwe oppervlaktewater (64% van de eis)

525 m 2 tijdelijke berging in het middengebied (36% van de eis) Hiermee is het ontwerp roboost , toekomstbestendig en afgestemd op de richtlijnen van het waterschap.

Waterkwaliteit Met het oog op de waterkwaliteit zijn met de projectvorming geen bezwaren te verwachten. Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die een potentieel risico vormen voor de waterkwaliteit. 3. 11. 3

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

3. 12

Klimaatadaptatie

3. 12. 1

Wettelijk kader

Klimaatadaptatie vormt een vast onderdeel van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving zoals beoogd onder de Omgevingswet. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt verwacht dat rekening wordt gehouden met de gevolgen van klimaatverandering , zoals wateroverlast , hittestress , droogte en overstromingsrisico’s. Deze uitgangspunten zijn verankerd in nationaal beleid , waaronder de Klimaatwet , het Klimaatakkoord , de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie. De provincie Noord-Holland geeft hier via de Omgevingsverordening verder invulling aan door van gemeenten te verlangen dat zij bij nieuwe ontwikkelingen expliciet aandacht besteden aan klimaatadaptatie en dat zij motiveren hoe risico’s zijn afgewogen en waar mogelijk worden beperkt , in samenhang met waterbeheer en in

afstemming met het waterschap. De gemeente Dijk en Waard heeft deze beleidslijn uitgewerkt in het Beleidsplan Klimaatadaptatie. De kern daarvan is het streven naar een waterrobuuste en klimaatbestendige leefomgeving , waarbij klimaatadaptatie

structureel moet worden meegenomen in ruimtelijke planvorming , inrichting en beheer. De gemeente stuurt daarbij op het voorkomen en beperken van wateroverlast , het verminderen van hittestress , het omgaan met toenemende droogte en het bewust omgaan met overstromingsrisico’s. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de openbare ruimte , maar ook naar de inrichting van particuliere percelen en nieuwe bouwplannen. Het Uitvoeringsprogramma 2023–2026 Dijk en Waard CO2-neutraal sluit hierop aan en vertaalt de ambities op het

gebied van klimaat en duurzaamheid naar concrete acties en projecten. Hoewel dit programma breder is dan alleen klimaatadaptatie , benadrukt het eveneens dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan een toekomstbestendige leefomgeving , onder meer door duurzaam ruimtegebruik , klimaatbewuste inrichting en het voorkomen van extra milieubelasting. Hierdoor vormt ook het uitvoeringsprogramma een relevant

51/416

beleidskader bij de beoordeling van ruimtelijke initiatieven. 3. 12. 2

Toetsing Het initiatief is ontworpen met duidelijke aandacht voor een klimaatadaptieve inrichting en waterbestendig bouwen. Het groene middengebied behoudt grotendeels het oorspronkelijke maaiveld en is ingericht voor tijdelijke waterberging bij extreme neerslag. Hiermee wordt bijgedragen aan het voorkomen van wateroverlast en het vergroten van de wateropvangcapaciteit van het gebied. Hierdoor wordt het projectgebied beter beschermd tegen piekbuien. De toepassing van groen draagt bij aan het beperken van hittestress , het vasthouden van water en het versterken van de biodiversiteit. De landschappelijke inrichting met een open , groene structuur ondersteunt bovendien natuurlijke ventilatie en zorgt voor een aangenaam microklimaat binnen de wijk. 3. 12. 3

Conclusie Het aspect 'klimaatadaptatie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de gewenste ontwikkeling.

3. 13

Duurzaamheid

3. 13. 1

Wettelijk kader Met het oog op die doelen moet het plan aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen: de energietransitie , mobiliteit , herbruikbaarheid en dergelijke. Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van wijziging omgevingsplan rekening moet worden gehouden. In artikel 22. 52 van het omgevingsplan gemeente Dijk en Waard zijn regels op het gebied van energiebesparende maatregelen opgenomen.

3. 13. 2

Toetsing

De toekomstige woningen moeten in ieder geval voldoen aan de geldende BENG-normen. Hierdoor voorziet de ontwikkeling in het leveren van een bijdrage aan een duurzame huizenvoorraad. Tijdens het aanvragen van de omgevingsvergunning voor de bouwtechnische activiteit wordt nauwkeurig beschreven welke getroffen worden om te voldoen aan de BENG-normen.

maatregelen

Daarnaast is de inrichting van het projectgebied duurzaam opgezet. Het groen en de inheemse beplanting versterken biodiversiteit. De verkeersluwe ringstructuur en de aanleg van voet- en fietspaden bevorderen

duurzame mobiliteit. 3. 13. 3

Conclusie

Het aspect 'duurzaamheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de gewenste ontwikkeling.

3. 14

Natuur en ecologie

3. 14. 1

Wettelijk kader

Gebiedsbescherming Ter bescherming van de natuur zijn in het Bal en het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels , niet zijnde

52/416

instructieregels , komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden , regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten , diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen , te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland. Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw , Natuur en Voedsel-kwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2. 43 Omgevingswet legt hij ook de

instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten , plannen en activiteiten , afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten , mogelijkerwijs significante effecten optreden , dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking , zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken , moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet significant zal aantasten. De Natura 2000-activiteit is geen omgevingsplanactiviteit. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in het bestaan van een eventuele Natura

2000-vergunningplicht Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een bopa-activiteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd , in stand worden gehouden , verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. Soortenbescherming Indien een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een bopa wordt aangevraagd mogelijk gevolgen heeft voor verblijfs- of groeiplaatsen van beschermde dieren of planten , dan is sprake van een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. In afdeling 8. 6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. De flora- en fauna-activiteit is geen omgevingsplanactiviteit. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in het bestaan van een eventuele flora- en

fauna-vergunningplicht , aan de hand van een quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen , dan is aanvullend onderzoek nodig. Of een flora- en fauna-activiteit vergunbaar is wordt beoordeeld in de daarvoor geldende procedure bij GS als bevoegd gezag.

53/416

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. In de provinciale omgevingsverordening is dit doorvertaald in Afdeling 16. 2. 2 'Activiteiten met betrekking tot dieren

of planten in het wild'. Hierin staat benoemd voor welke soorten een vrijstelling geldt en voor welke soorten een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit geldt. 3. 14. 2

Toetsing Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt niet binnen een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied is de " Eilandspolder " op ongeveer 87, kilometer ten zuiden van het projectgebied (zie figuur 3. 3). Het dichtstbijzijnde gebied binnen het Natuur Netwerk Nederland ligt op circa 910 meter ten zuidoosten van het projectgebied (zie figuur 3. 4). Daarnaast ligt het projectgebied niet binnen of nabij een belangrijk weidevogelgebied.

Figuur 3. 3 - Natura 2000 gebieden rondom het projectgebied (rood omlijnd) (bron: Aerius 2026)

54/416

Figuur 3. 4 - NNN-gebieden rondom het projectgebied (rood omlijnd) (bron: Rho Basisviewer 2026) Directe negatieve effecten op de hierboven genoemde beschermde natuurgebieden worden niet verwacht. Gezien de aard en beperkte omvang van het project , én de afstand tussen het projectgebied en deze

natuurgebieden , is invloed uitgesloten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten , omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit plan een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en als bijlage 8 bij deze onderbouwing gevoegd. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 000 mol N/ha/jr voor de aanleg- en gebruiksfase van , de ontwikkeling. Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling maakt sloop- en bouwwerkzaamheden mogelijk. Tijdens deze werkzaamheden kunnen beschermde dier- en plantensoorten worden verstoord. Daarom is een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 9). Binnen en direct buiten het projectgebied kunnen algemene broedvogels voorkomen , zoals de spreeuw. Om verstoring te voorkomen , wordt geadviseerd werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart–15 juli) uit te voeren , waarbij altijd moet worden vastgesteld of daadwerkelijk een broedgeval aanwezig is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=d017b4aa-d4f2-49a2-8da9-0d3654edf7ee