bijlage 1 - bij vragen VVD- goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving concept (Geanonimiseerd)
Tekst van het document
Vlak buiten het projectgebied is een mogelijk jaarrond beschermd boomnest aangetroffen , mogelijk van een ransuil of boomvalk. Gezien de schaal van het project kunnen negatieve effecten op dit nest niet volledig worden uitgesloten , ook buiten het broedseizoen. Daarom wordt nader onderzoek aangeraden in het voorjaar (vanaf begin april) om de aanwezigheid van het nest vast te stellen. Bij bevestiging is een omgevingsvergunning van de provincie Noord-Holland vereist. Binnen het projectgebied is een hol aangetroffen dat mogelijk dient als verblijfplaats van kleine marterachtigen (wezel , bunzing , hermelijn). Nader onderzoek met lokvoer en cameravallen wordt geadviseerd tussen juni en
55/416
half november om
vast te stellen of er sprake is van een omgevingsvergunning nodig.
verblijfplaats. Bij bevestiging is eveneens een
Voor alle soorten geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 11. 27 van de het Besluit activiteiten leefomgeving
(Bal). Deze zorgplicht verplicht om schade aan wilde planten en dieren zoveel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door dieren de kans te geven te ontsnappen of watergangen gefaseerd te dempen , zodat waterdieren kunnen uitwijken. Het nader ecologisch onderzoek voor jaarrond beschermd nest en kleine marterachtigen wordt uitgevoerd. Deze
wordt later aan de aanvraag omgevingsvergunning toegevoegd. 3. 14. 3
Conclusie
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het project geen (significant) negatieve effecten voor beschermde gebieden en/of soorten met zich meebrengt. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3. 15
Omgevingsveiligheid
3. 15. 1
Wettelijk kader
De instructieregels met betrekking tot het waarborgen van de veiligheid in § 5. 1. 2 gaan in de eerste plaats over de veiligheidsrisico's van branden , rampen en crises (artikel 5. 2). Deze zijn voor iedere ontwikkeling van belang. Voor deze risico's dient in een aanvraag voor een omgevingsvergunning rekening gehouden te worden met het belang van het voorkomen , beperken en bestrijden daarvan , de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in
veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. Daarnaast
kunnen door een ontwikkeling veiligheidsrisico's ontstaan voor zogenaamde (zeer of beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties (zie bijlage VI bij het Bkl hoe deze begrippen zijn gedefinieerd). Of dit zo is blijkt uit het Portaal Atlas Veiligheid. Afhankelijk van het type gebouw of locatie zal de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht genomen moeten worden of wordt rekening gehouden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit. Een plaatsgebonden risico heeft betrekking op de kans dat een persoon overlijdt als gevolg van een ongeval met een gevaarlijke stof of activiteit op een bepaalde locatie. kennen activiteiten met een extern veiligheidsrisico een brand- , explosie- en/of een gifwolkaandachtsgebied. Bij het toelaten van kwetsbare gebouwen of locaties binnen een aandachtsgebied , zal moeten gekeken of een brand- en/of explosievoorschriftengebied moet worden vastgesteld. Tevens zal in deze gevallen rekening gehouden moeten worden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Daarnaast
56/416
3. 15. 2
Toetsing Aan de hand van de veiligheidskaarten van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's , zoals ongevallen met brandbare , explosieve en giftige stoffen , grote branden of verstoring van de openbare orde. In figuur 3. 5 is de veiligheidskaart weergegeven.
Figuur 3. 5 - uitsnede veiligheidskaart met het projectgebied (rood omlijnd) (bron: Atlas leefomgeving) Het projectgebied ligt deels binnen het brandaandachtsgebied van drie buisleidingen waarbinnen rekening gehouden moet worden met het groepsrisico. De dichtstbijzijnde buisleiding is een gasleiding op circa 285 meter
afstand. De gemeente wint advies in bij de veiligheidsregio. Dit advies wordt betrokken bij de besluitvorming en , indien relevant , vertaald in voorschriften die aan de omgevingsvergunning worden verbonden. 3. 15. 3
Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3. 16
Mobiliteit
3. 16. 1
Wettelijk kader In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect mobiliteit. Onderwerpen binnen dit aspect zijn: bereikbaarheid , verkeersafwikkeling , veiligheid , parkeren , alternatief vervoer. Primair
geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o. a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en
57/416
is verkeersveiligheid
verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's , fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Dit geldt ook bij buitenplanse omgevingsvergunningen.
kencijfers van het CROW bevatten een bandbreedte tussen minimaal en maximaal te hanteren parkeerplaatsen per functie. Binnen die bandbreedte stelt de gemeente een parkeernorm vast , gebaseerd op het lokale autobezit en het lokale mobiliteitsbeleid. Omdat statistieken laten zien dat Dijk en Waard rond het landelijk en provinciale gemiddelde ligt qua autobezit per huishouden , wordt het gemiddelde aangehouden. De
stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. De beleidsregels voor parkeren en de vastgestelde parkeernormen van de gemeente Dijk en Waard zijn te vinden in de Nota Parkeernormen 2022. Parkeernormen voor de auto zijn opgenomen in bijlage 3 van deze nota. De gemeente
3. 16. 2
Toetsing Parkeren De parkeerbehoefte is berekend op basis van de Nota Parkeernormen 2022 van de gemeente Dijk en Waard. Op basis van de parkeerbalans , zie bijlage 10 is sprake van een beparkeerbehoefte van 119 parkeerplekken. In het plan wordt voorzien in 119 openbare parkeerplaatsen langs de ringweg en 52 parkeerplaatsen op eigen terrein. Daarnaast worden in de zuidwesthoek van het projectgebied ruimte gereserveerd voor 24 extra openbare parkeerplaatsen. In totaal worden daarmee 195 parkeerplaatsen mogelijk gemaakt. Hiermee wordt
voldaan aan de berekende parkeervoorziening.
parkeerbehoefte en is sprake van een sluitende en ruimtelijk aanvaardbare
Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie is berekend met behulp van kencijfers van het CROW (publicatie 744). Uitgegaan is van de kencijfers voor de rest bebouwde kom van een matig stedelijke gemeente. Hiervoor is gebruik gemaakt van het functietype 'Koop , huis , tussen/hoek' voor de 68 rijwoningen en het functietype 'Koop , huis , twee-onder-een-kap' voor de 30 twee-onder-een-kapwoningen. Dit leidt tot een maximale verkeersgeneratie van 796 mvt/etmaal op een
werkdag.
De omliggende wegen beschikken over voldoende capaciteit om de extra verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling veilig en efficiënt te verwerken. De verwachte verkeersgeneratie blijft ruimschoots onder de capaciteit van deze wegen en is daarmee verkeerskundig goed inpasbaar.
Ontsluiting Het projectgebied wordt volledig ontsloten via de aan de zuidzijde gelegen gemeentelijke weg De Klamp. Deze weg sluit aan op een rotonde met de Kruisemanlaan en de Oosttangent. Via de Kruisemanlaan is sprake van een directe ontsluiting richting de N194 , waardoor een goede aansluiting op het bovenliggende wegennet aanwezig is. Ook worden er fiets- en wandelpaden aangelegd in het projectgebied. 3. 16. 3
Conclusie
Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
58/416
3. 17
Nutsvoorzieningen (kabels en leidingen)
3. 17. 1
Wettelijk kader Algemene rijksregels over kabels en leidingen staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zo staan er in het Bal bijvoorbeeld regels over het graven in de bodem en regels over het graven in bepaalde specifieke gebieden. En biedt het Bbl bijvoorbeeld duidelijkheid over welke buis- en leidingstelsels geen vergunning voor de bouwactiviteit en omgevingsplanactiviteit nodig hebben. Bij het toelaten van buisleidingen en hoogspanningsleidingen gaat het erom
dat er een veilige omgeving rondom ondergrondse kabels en leidingen aanwezig is. Deze leidingen moeten opgenomen worden in het omgevingsplan. Voor andere ondergrondse kabels en leidingen kan de gemeente zelf bepalen of deze opgenomen worden in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld leidingen die belangrijk zijn voor de energievoorziening , zoals de stadsverwarming. Als maatregelen nodig zijn , dan moeten deze geborgd worden in de omgevingsvergunning of het omgevingsplan. Deze bouwregels zijn gericht op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Denk bijvoorbeeld aan de situering en afstand van ondergrondse kabels en leidingen ten opzichte van omliggende woningen.
Figuur 3. 6 - overzicht beperkingengebied hoogspanning (Bron: DIJK&CO) 3. 17. 2
Toetsing
In het westen van het projectgebied bevindt zich een ondergrondse leiding (zie figuur 3. 6). De leiding is beschermd en er worden geen woningen of andere bebouwing direct boven de leiding toegestaan. Rondom de
leiding wordt rekening gehouden met de vereiste veiligheids- en afstandsmaatregelen , zodat de leidingfunctie volledig behouden blijft en eventuele risico’s voor de toekomstige bewoners worden geminimaliseerd.
59/416
Conclusie
3. 17. 3 Het
aspect
'nutsvoorzieningen'
vormt
geen
belemmering
voor
de
uitvoerbaarheid
van
de
gewenste
ontwikkeling.
3. 18
Conclusie relevante omgevingsaspecten
initiatief is getoetst aan de relevante milieuaspecten. Vanuit de relevante milieu- en omgevingsaspecten is gebleken dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van het project. Er is sprake Het
beoogde
van ETFAL.
60/416
Hoofdstuk 4
Uitvoerbaarheid
4. 1
Financiële haalbaarheid
4. 1. 1
Kostenverhaal
Wie een woning , bedrijfspand of ander gebouw bouwt of verbouwt , moet hiervoor in veel gevallen een bijdrage betalen aan het bevoegd gezag. Deze bijdrage kan bestaan uit de kosten van het opstellen van plannen ,
nadeelcompensatie , het aanleggen van openbare voorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte. Dit wordt kostenverhaal genoemd. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de realisatie van 98 eengezinswoningen. De beoogde ontwikkeling is op grond van artikel 8. 13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit (aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen). Op grond van artikel 13. 12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn
betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd. Tussen
initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd is. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is. 4. 1. 2
Nadeelcompensatie De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op grond van de Omgevingswet kunnen belanghebbenden die menen schade te lijden als gevolg van een rechtmatige overheidshandeling een verzoek om nadeelcompensatie indienen. De beoordeling daarvan vindt plaats in een afzonderlijke procedure en staat los van de besluitvorming over deze vergunning.
Gelet op de aard , omvang en situering van het initiatief is niet aannemelijk dat sprake zal zijn van onevenredige schade die buiten het normaal maatschappelijk risico valt. Nadeelcompensatie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4. 2
Maatschappelijke haalbaarheid
4. 2. 1
Verplichte participatie De initiatiefnemer moet bij het aanvragen van een omgevingsvergunning aangeven of er aan participatie is gedaan en wat de resultaten daarvan zijn. Het gaat hierbij niet alleen om omwonenden. Afhankelijk van het initiatief organisaties kunnen ook burgers , bedrijven , maatschappelijke en bestuursorganen (intekentafel/omgevingstafel) worden betrokken. Door participatie kan het plan waar nodig worden aangepast , zodat er meer draagvlak ontstaat. Het bevoegd gezag kan de uitkomst van de participatie betrekken bij de besluitvorming.
61/416
Dijk en Waard heeft de lijst Aanwijzing gevallen bindend adviesrecht , verplichte participatie en delegatie delen omgevingsplan opgesteld met aangewezen gevallen waarvoor participatie niet verplicht is. De beoogde ontwikkeling valt niet onder één van de gevallen. Participatie is dus verplicht. Gemeente
4. 2. 2
Participatie omgeving Voor het initiatief is een zorgvuldig participatietraject doorlopen met omwonenden en relevante stakeholders , zie bijlage 11. Omwonenden zijn actief geïnformeerd via huis-aan-huis uitnodigingen en een openbare informatieavond , waarbij het plan is toegelicht en ruimte was voor het stellen van vragen en het aandragen van aandachtspunten. De reacties waren overwegend positief ; aangedragen aandachtspunten , onder meer ten aanzien van bouwfase , veiligheid en inrichting van de openbare ruimte , worden betrokken bij de verdere planuitwerking. Daarnaast heeft overleg plaatsgevonden met omliggende partijen zoals het crematorium , ProRail en andere betrokken organisaties om raakvlakken en uitvoeringsaspecten zorgvuldig af te stemmen.
62/416
Hoofdstuk 5
5. 1
Procedure
Advies en instemming
Dijk en Waard heeft de lijst Aanwijzing gevallen bindend adviesrecht , verplichte participatie en delegatie delen omgevingsplan opgesteld met aangewezen gevallen waarvoor een bindend advies van de gemeenteraad niet verplicht is. De beoogde ontwikkeling valt niet onder één van de gevallen. Er is dus bindend advies van de gemeenteraad nodig. Gemeente
5. 2
Procedure
is een omgevingsplanactiviteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningsvrij is. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor een BOPA verlenen als de Een
BOPA
omgevingsplanactiviteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) en er overeenstemming is met de instructieregels van het Rijk en de provincie. Voor het project is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Dit betekent dat op een aanvraag omgevingsvergunning binnen 8 weken moet worden beslist.
5. 3
Bezwaar en beroep
De mogelijkheid van bezwaar komt alleen in de reguliere procedure voor. Het bezwaar dient ingediend te worden bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit
dat bezwaar , kan hij of zij nog in beroep gaan bij de rechtbank. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. In beginsel zal de rechtbank zich hierover buigen. Daarna kan nog hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In bijlage 2 artikel 2 van de Awb staan besluiten opgenomen waarbij er geen beroepsmogelijkheid is. Belanghebbenden kunnen eventueel ook een voorlopige voorziening aanvragen om de inwerkingtreding van een besluit (omgevingsvergunning) voorlopig tegen te houden. op
63/416
Hoofdstuk 6
6. 1
Belangenafweging
en
eindconclusie
Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd dat er sprake is van een ETFAL. Een ETFAL betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied
kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een ETFAL. Om dit te kunnen beoordelen , moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de ETFAL zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten , voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit , zowel kwalitatief als kwantitatief nader onderzocht in deze motivering. Op basis van de onderzochte relevante aspecten kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een ETFAL.
6. 2
Eindconclusie
De aangevraagde omgevingsplanactiviteiten voor de bouw van 98 eengezinswoningen kan worden verleend met
het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelet op de beoordelingsregels. Wel dienen er voorwaarden voor geluid door (spoor)wegen aan de vergunning verbonden te worden. Ook dient de bodemfunctieklassekaart gewijzigd te worden naar de functie 'Wonen'. Tot slot wordt het nader ecologisch onderzoek voor jaarrond beschermd nest en kleine marterachtigen later aan de aanvraag omgevingsvergunning toegevoegd.
64/416
Bijlagen
65/416