Bestemmingsplan Uitkoopregeling Hoogspanning
Tekst van het document
Delen van het perceel die wel worden geruimd, zoals beplanting onder het hoogspanningstracé, worden ingezaaid met bloemrijk kruidenmengsel. Ter plaatse is met dit bestemmingsplan dan ook een bestemming ‘Groen – Natuurwaarden’ gelegd. Met het planvoornemen is verder ook geen sprake van een toename van de verkeersaantrekkende werking in de gebruiksfase van de gronden, maar juist van een afname door het opruimen van mogelijkheden om te wonen onder de hoogspanningsverbinding. Dit maakt dat een stikstofdepositieberekening verder ook niet nodig is geweest. Wat betreft gebiedsbescherming is geen sprake van effecten vanwege dit bestemmingsplan. Conclusie Gelet op vorenstaande kan in alle redelijkheid worden gesteld dat natuurwet- en regelgeving de uitvoerbaarheid van het planvoornemen van dit bestemmingsplan niet in de weg staat.
paragraaf 3.5 Externe veiligheid Wet- en regelgeving Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en
48
regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim; ook bekend als het Activiteitenbesluit). Toetsing Op de zogenoemde risicokaart van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is informatie opgenomen die met risico te maken heeft; zowel risicobronnen als kwetsbare objecten worden getoond die aandacht verdienen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Omdat met voorliggend bestemmingsplan wordt vastgelegd dat kwetsbare objecten worden gesaneerd, is externe veiligheid verder niet relevant voor dit bestemmingsplan. Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid bestaan er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen van dit bestemmingsplan.
paragraaf 3.6 Geluidhinder Wet- en regelgeving De Wet geluidhinder (Wgh) is er op gericht om de geluidhinder vanwege onder andere spoorweglawaai, industrielawaai en wegverkeerslawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. Wanneer binnen een geluidzone langs (spoor)wegen of ten behoeve van industrielawaai nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd, moet door middel van akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wgh wordt voldaan. Toetsing Met voorliggend plan wordt niet voorzien in het realiseren van nieuwe geluidgevoelige objecten zoals woningen, maar juist in het saneren daarvan. Geluidhinder is dan ook geen omgevingsaspect dat een rol speelt bij voorliggend bestemmingsplan. Akoestisch onderzoek is niet aan de orde. Conclusie Dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd uit oogpunt van geluidhinder.
paragraaf 3.7 Luchtkwaliteit Normstelling en beleid Projecten met een invloed van 'niet in betekenende mate' (nibm) op de luchtkwaliteit zijn vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Grenswaarden ten aanzien van de 3
voor zowel NO2 als PM10
3
voor PM2,5. Op grond van de
Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing, evenals projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit 3
NO2 of PM10). Deze grens komt overeen met 1.985 auto's (bij 100%
autoverkeer) dan wel 100 vrachtwagens (bij 100% vrachtverkeer) per weekdagetmaal (grenswaarden per 23-04-2022). Toetsing Omdat met voorliggend bestemmingsplan geen sprake is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die tot extra verkeer leiden, is er ook geen sprake van een verminderde luchtkwaliteit in het gebied. Hierom mag dit bestemmingsplan als 'niet in betekenende mate' voor de luchtkwaliteit worden beschouwd.
49
Conclusie De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd door nadelige gevolgen voor de luchtkwaliteit.
paragraaf 3.8 Waterparagraaf Wet- en regelgeving Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets als procesinstrument wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema’s waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. Waterwet De Waterwet, die per 22-12-2009 van kracht is geworden, heeft gezorgd voor een ingrijpende bundeling van deze wetgeving. Daarnaast heeft het Nationaal Waterplan (NWP), waarvan de eerste versie tegelijk met de Waterwet is verschenen, een formele rol in de ruimtelijke ordening. Het eerste Nationaal Waterplan is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wro.
Normstelling en beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier De waterbeheerder in en in de directe omgeving van het plangebied is het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Op 03-11-2015 is door het HHNK nieuw beleid vastgesteld in de vorm van het Waterprogramma. Hierin zijn de beleidsdoelen en uitgangspunten voor de periode van 2016-2021 beschreven met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Dit is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, gericht op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Daarnaast beschikt het HHNK over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en –keringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan op basis hiervan watervergunning nodig zijn. Onderzoek/Wateradvies Voorliggend plan gaat uitsluitend over functiewijziging omwille van het saneren van de mogelijkheden om te wonen onder de hoogspanningsverbinding in de gemeente. Bebouwing is in veel gevallen al verwijderd en gronden zijn betrokken bij de buurpercelen. Met voorliggend bestemmingsplan is een passende bestemming gevonden voor de betrokken gronden, afgestemd op de bestemde situatie van naastgelegen gronden.
Omdat er geen nieuwe bouwmogelijkheden worden gecreëerd, is dit bestemmingsplan dan ook niet van invloed op het watersysteem en de waterketen. Wanneer enkel sprake is van wijzigingen in gebruikssituaties is geen sprake van een waterschapsbelang voor het HHNK en hoeven geen maatregelen te worden getroffen. Dit bestemmingsplan heeft dus geen invloed op de waterhuishouding. Conclusie Uit oogpunt van het wateraspect gelden geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
paragraaf 3.9 Kabels en leidingen Op grond van het voorzorgbeginsel heeft het voormalige Ministerie van VROM in oktober 2005 aan overheden en netbeheerders advies omtrent hoogspanningsleidingen uitgebracht. Geadviseerd wordt, zoveel als redelijkerwijs
50
mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven/worden blootgesteld in een gebied rond bovengrondse hoogspanningsleidingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 worden gehouden. In het plangebied van dit bestemmingsplan is sprake van de bovengrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding Oterleek – Anna Paulowna. Uit onderzoek is gebleken dat de magneetveldzone 60 m aan weerszijden van de hoogspanningslijn bedraagt. Met voorliggend bestemmingsplan worden de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden voor wonen onder de hoogspanningsverbinding verwijderd, zodat situaties in de gemeente waarbij kinderen langdurig verblijven of worden blootgesteld in de zone van de aanwezige hoogspanningsleiding niet meer voorkomen. Dit bestemmingsplan is dan ook gewenst en uitvoerbaar wat betreft de aanwezige hoogspanningsverbinding in het plangebied. Voor het overige zijn geen kabels en leidingen aanwezig binnen het plangebied van dit bestemmingsplan die planologische bescherming genieten en waar rekening mee moet worden gehouden. Met uitzondering van de hiervoor behandelde hoogspanningsleiding zijn geen andere planologische relevante kabels of leidingen van invloed op het bestemmingsplan.
Figuur 7. Netkaart hoogspanningslijnen in en rondom de gemeente Dijk en Waard (Bron: RIVM, 2022)
51
hoofdstuk 4 Juridische toelichting paragraaf 4.1 Juridische vormgeving Dit bestemmingsplan is zodanig vormgegeven dat het voldoet aan de vereisten voortkomend uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij de vormgeving van de regels en de verbeelding is aangesloten op de meest recente regeling Ruimtelijke Standaarden ruimtelijke ordening en is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de digitale verplichtingen zoals die per 01-01-2010 van kracht zijn. De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit dat er sprake is van een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in artikel 1 aangaande de begrippen. Ook schrijft de SVBP2012 voor op welke wijze er invulling moet worden gegeven aan artikel 2 betreffende de wijze van meten. Vanwege het Bro geldt verder een formulering die ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht eveneens in de planregels moet worden overgenomen. De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog alsook in een digitaal bestemmingsplan. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend.
Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is het digitale bestemmingsplan bepalend qua vormgeving en inhoud.
paragraaf 4.2 Toelichting op de regels De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 - Inleidende regels In de 'Inleidende regels' zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In de 'Bestemmingsregels' zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. In de regels zijn daarbij de al dan niet in directe relatie met een bestemming staande voorzieningen bij de bestemming inbegrepen zonder dat dit uitdrukkelijk is vermeld. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om ondergrondse leidingen, verhardingen, bermen, geluidwerende voorzieningen, centrale installaties ten behoeve van de energievoorziening, voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing in de vorm van watergangen, duikers, waterkeringen en dergelijke. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd.
De regels kunnen onder meer bestaan uit de volgende onderdelen: Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving is uitgegaan van een volledige opsomming van wat binnen een bestemming functioneel ten aanzien van het gebruik van de gronden is toegestaan. Soms kan het voorkomen dat verschillende functies of bestemmingen naast elkaar zijn toegelaten, soms als primaire bestemming en soms als ondergeschikte bestemming. Bouwregels De bouwregels bieden voor iedere bestemming het kader in hoeverre er ergens gebouwd mag worden. Er zijn regels gesteld met betrekking tot het oprichten van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bouwregels kunnen eisen omvatten wat betreft maatvoering, oppervlakte- en inhoudsbepalingen en aantallen te plaatsen bouwwerken. Afwijken van de bouwregels
52
Met het afwijken van de bouwregels wordt geregeld dat door het bevoegd gezag in voorkomende gevallen onder voorwaarden bij verschillende bestemmingen kan worden afgeweken van de eerder opgenomen bouwregels per bestemming. Specifieke gebruiksregels Met specifieke gebruiksregels is vastgelegd welk gebruik in ieder geval tot strijdig met het in de bestemmingsomschrijving toegestane gebruik wordt gerekend. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde Hiermee wordt geregeld dat met omgevingsvergunning toestemming dient te worden gekregen om bepaalde werkzaamheden uit te kunnen voeren. Het kan hierbij zoal om het dempen of graven van sloten, het aanleggen van wegen of het aanplanten van bomen gaan. Wijzigingsbevoegdheid Met een wijzigingsbevoegdheid bestaat de mogelijkheid voor burgemeester en wethouders om gronden te wijzigen in een andere bestemming. Hoofdstuk 3 - Algemene regels In de 'Algemene regels' staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende algemene bouw- en gebruiksregels. De afwijkingsmogelijkheden in de verschillende bestemmingen en de algemene afwijkingsregels zorgen verder voor enige flexibiliteit in het plan. De algemene afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht; zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen.
Daarnaast is in de algemene regels de anti-dubbeltelregel opgenomen die er op ziet dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing wordt gelaten. Hierdoor wordt voorkomen dat met gebruikmaking van privaatrechtelijke overeenkomsten, de publiekrechtelijke regels worden ondergraven. Met betrekking tot dit bestemmingsplan is verder in de algemene regels specifiek de gebiedsaanduiding “veiligheidszone – hoogspanningsverbinding” geregeld. Het gaat hier om de continuering van de gebiedsaanduiding uit het geldende bestemmingsplan Buitengebied op de betrokken gronden van dit bestemmingsplan. De gebiedsaanduiding ziet er op dat grootte van het magnetisch veld op de verbeelding vastligt en regelt dat op de uiterste gebiedsaanduidinggrens (in samenhang te bezien met met het bestemmingsplan Buitengebied) de sterkte van het magnetisch veld niet meer mag bedragen dan 0,4 microTesla. De veiligheidszone heeft tot doel te voorkomen dat deze zonder bestemmingsplanwijziging wordt vergroot en dat bij voorgenomen bestemmingswijzigingen binnen de veiligheidszone nadrukkelijk wordt afgewogen of kinderen niet langdurig aan magnetische velden worden blootgesteld.
Tot slot gaan de overige regels in dit hoofdstuk in op de voorrangsbepaling van de verschillende dubbelbestemmingen in het plangebied en de geldende gebiedsaanduiding. Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Ten slotte bevat het bestemmingsplan nog ‘Overgangs- en slotregels’. Dit betreft overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven artikelen over het overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken en gebruik en afsluitend de slotregel.
paragraaf 4.3 Toelichting op de bestemmingen De bestemmingen zijn overgenomen uit het bestemmingsplan Buitengebied 2014 van de voormalige gemeente Heerhugowaard. De enige wijziging die is doorgevoerd, is het wegnemen van de mogelijkheid om op de locatie te wonen.
53
De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' zijn overgenomen uit het archeologische beleid voor de gemeente Dijk en Waard.
paragraaf 4.4 Bestemmingsplanprocedure De bestemmingsplanprocedure is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de procedure zijn de volgende fasen te onderscheiden waarbij invloed op het plan kan worden uitgeoefend, te weten: 1. Vaststellingsfase Na aankondiging in het digitale Gemeenteblad en de website www.officielebekendmakingen.nl, wordt het ontwerp voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd en raadpleegbaar gesteld op www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen op het ontwerp naar voren brengen. Na de zienswijzenprocedure neemt de gemeenteraad een besluit over het vaststellen van het plan. Zowel tijdens de tervisielegging als na vaststelling wordt het bestemmingsplan op het landelijke portaal voor ruimtelijke plannen geplaatst en is het voor iedereen in te zien. 2. Beroepsfase Het besluit waarin het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt door de gemeenteraad bekend gemaakt. Het vastgestelde bestemmingsplan wordt ter inzage gelegd. Binnen 6 weken na het bekendmaken van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
54
hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Onderdeel hiervan is de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Ook wordt in dit hoofdstuk aandacht besteed aan het aspect grondexploitatie.
paragraaf 5.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven. Hieruit blijkt dat voorliggend plan, vanwege bestemmingswijzigingen om tot sanering van woonmogelijkheden onder de hoogspanningsverbinding te komen, niet als bouwplan wordt aangemerkt. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan te worden opgesteld. De economische uitvoerbaarheid van het plan is ook niet in het geding. De kosten vanwege de saneringen worden door het Rijk in het kader van de 'Regeling specifieke uitkering aankoop woningen onder een hoogspanningsverbinding' d.d. 1 januari 2017 vergoed. Deze uitkoopregeling maakt het gemeenten mogelijk met goedkeuring van het Ministerie van Economische Zaken om bewoonde percelen die ongunstig zijn gesitueerd ten aanzien van hoogspanningsleidingen aan te kopen en te herbestemmen.
paragraaf 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Tervisielegging ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan wordt tegelijkertijd met het toesturen van het ontwerpbestemmingsplan aan diverse overleginstanties ter visie gelegd. Binnen de termijn van tervisielegging kan door belanghebbenden zienswijzen op het plan naar voren worden gebracht. Het bestemmingsplan heeft met ingang van 13 juni 2023, gedurende zes weken, tot en met 25 juli 2023, voor een ieder ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen binnegekomen.
55
BIJLAGEN BIJ REGELS
56
BIJLAGEN BIJ TOELICHTING
57
1 Gemeente Heerhugowaard een historisch-geografische inventarisatie (inclusief de karakteristieke bebouwing) 1 Gemeente Heerhugowaard een historisch-geografische inventarisatie (inclusief de karakteristieke bebouwing)
58
Gemeente Heerhugowaard
een historisch‐geografische inventarisatie (inclusief de karakteristieke bebouwing)
1
Colofon Titel:
Gemeente Heerhugowaard; een historisch‐geografische inventarisatie (inclusief de karakteristieke bebouwing) Opdrachtnemer: Cultuurcompagnie Noord‐Holland dhr. Jaap van der Veen (Hoofd Cultureel Erfgoed) Postbus 3043 1801 GA Alkmaar In samenwerking met: Cultuurland Advies dhr. Martijn Horst (Projectleider Cultuurhistorie) Postbus 20 8180 AA Heerde
Adviesbureau Cultuurhistorie mevr. Anita van Breugel Heilooërdijk 43 1814 LL Alkmaar Opdrachtgever:
Gemeente Heerhugowaard Afdeling Sociaal Ruimtelijke ontwikkeling dhr. Gerlof Kloosterman (Coördinator Voorzieningen) Parelhof 1 1703 EZ Heerhugowaard
Tweede lezer:
Zelfstandig onderzoeker (en voormalig voorzitter van de Monumenten Werkgroep in de gemeente Heerhugowaard) dhr. Henk Komen was bereid om zijn jarenlange onderzoekservaring in Heerhugowaard te delen en de rapportage bij te sturen waar dat nodig was.
Projectcode:
1205
Versie: Datum:
0.99 11 juni 2012
2
3
4
Inhoudsopgave 1. Inleiding _______________________________________________________________________ 7 1.1 Aanleiding ___________________________________________________________________________ 8 1.2 Opdracht ____________________________________________________________________________ 8 1.3 Leeswijzer____________________________________________________________________________ 8 1.4 Ligging ______________________________________________________________________________ 9
2. De Zuiderwaert als zoetwaterboezem ______________________________________________ 11 2.1 Veengroei en ‐ontginning ______________________________________________________________ 12 2.2 Het ontstaan van de Zuiderwaert ________________________________________________________ 15 2.3 Bedijking, sluizen en de Langereis om de waterafvoer te regelen _______________________________ 18 2.4 Druiplanden in de Zuiderwaert __________________________________________________________ 21 2.5 Bewoning in Veenhuizen _______________________________________________________________ 24 2.5.1 Historische‐geografie ______________________________________________________________ 24 2.5.2 Architectuurhistorie _______________________________________________________________ 28 2.6 Overzichtskaart van de verdwenen en nog aanwezige relicten (1:30.000 op A3) ___________________ 34
3. Na inpoldering ontstaat de Heerhugowaard _________________________________________ 36 3.1 Octrooiaanvraag en opstartfase _________________________________________________________ 37 3.2 Droogmaling met een ringdijk, ringvaart en molens __________________________________________ 40 3.3 Onderpolders in de Heerhugowaard ______________________________________________________ 44 3.4 Inrichting met wegen, tochten en verkaveling ______________________________________________ 47 3.5 Eerste bebouwing in de Heerhugowaard (1631‐1850) ________________________________________ 54 3.6 Grondgebruik in de Heerhugowaard ______________________________________________________ 56 3.7 Acht gemeenten in de Heerhugowaard ___________________________________________________ 62 3.8 Toename bebouwing (1850‐1945) _______________________________________________________ 64 3.9 Overzichtskaart van de verdwenen en nog aanwezige relicten (1:30.000 op A3) ___________________ 75 3.10 Overzichtskaart met de karakteristieke bebouwing (1:30.000 op A3) ___________________________ 76
Conclusies en waardering __________________________________________________________ 78 Hoofdlijnen van de landschapsontwikkeling ___________________________________________________ 79 Waardering ____________________________________________________________________________ 81 Overzichtskaart met alle aanwezige en verdwenen elementen ____________________________________ 86 Overzichtskaart met alle aanwezige elementen ________________________________________________ 87 Overzichtskaart met alle aanwezige elementen, inclusief waardering ______________________________ 88
Literatuurlijst ____________________________________________________________________ 89 Afbeeldingverantwoording _________________________________________________________ 91 Bijlagen _________________________________________________________________________ 92 Bijlage 1: Monumentenlijst ________________________________________________________________ 93 Bijlage 2: Monumentenfoto’s ______________________________________________________________ 94
5
6
1. Inleiding
Aanleiding, opdracht, leeswijzer en ligging.
7
1.1 Aanleiding De gemeente Heerhugowaard gaat in de nabije toekomst haar bestemmingsplan Landelijk Gebied herzien. Conform artikel 3.6.1 lid 2 van het Bro dient in de toelichting te worden verantwoord hoe daarin met de aanwezige en verwachte cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Het is daarbij verplicht om onderzoek naar de bestaande cultuurhistorische waarden uit te laten voeren en in de toelichting van de herziening een verantwoording te geven over de gemaakte keuzes ten aanzien van de bescherming van de cultuurhistorische waarden. De vorm waarin dat onderzoek wordt uitgevoerd ligt echter niet vast. Mogelijkheden die de gemeente heeft voor de wijze van implementatie van de aanwezige waarden in het bestemmingsplan zijn divers en afhankelijk van de aard van de waarden, de doelen van de gemeente en de wettelijke kaders. Naast deze verplichting geeft de herziening van het bestemmingsplan de gemeente Heerhugowaard ook een aantal mogelijkheden ten aanzien van haar eigen beleid. Zo geven de Structuurvisie 2020 en de nota Naar Buiten heldere doelen aan ten aanzien van inrichting en het gebruik van het landelijk gebied. De verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de vergroting van de recreatieve waarde van het buitengebied staan centraal en daarin zijn juist de cultuurhistorische kwaliteiten het uitgangspunt.
Het nieuwe bestemmingsplan voor het landelijk gebied moet die waarden en ambities ondersteunen en mogelijk maken. De gemeente Heerhugowaard beschikt met de publicatie Buitengebied Heerhugowaard; “de stand van het landschap” al wel over een zeer beknopte beschrijving van het landschap, maar deze is ontoereikend om in het bestemmingsplan op te nemen. Als laatste, maar zeker niet als minste, wil de gemeente Heerhugowaard de herziening van het bestemmingsplan gebruiken om haar (rijks‐, provinciale‐ en gemeentelijke) monumenten en beeldbepalende panden opnieuw te waarderen volgens de uitgangspunten van de Modernisering Monumentenzorg uit 2009. Belangrijk is om daarbij niet alleen van het monument zelf uit te gaan, maar ook het landschap mee te nemen waar het monument in ligt. De complete ensemblewaarde van monument en omgeving. Dit hoeft in eerste instantie niet te betekenen dat er monumenten bij zullen komen of af zullen vallen, maar wel dat een eventuele noodzakelijke bescherming in de herziening van het bestemmingsplan wordt vastgelegd.
1.2 Opdracht Tegen deze achtergrond heeft de gemeente Heerhugowaard aangegeven dat bij de uitvoering van het cultuurhistorische onderzoek voor de herziening van het bestemmingsplan aandacht besteed moet worden aan drie onderwerpen: Inventarisatie van de historisch‐geografische relicten en structuren in de gemeente; Inventarisatie van de bestaande (karakteristieke) bebouwing en de relatie daarvan met het landschap; Voorstel voor opname van deze waarden in het bestemmingsplan.
1.3 Leeswijzer In overleg met de opdrachtgever is besloten om de periode van het natuurlijke landschap en de vroegere bewoningsontwikkeling weg te laten. Beiden moeten namelijk geborgd zijn in het archeologische beleidskader, al zal dit voornamelijk voor de vroegere bewoningsgeschiedenis gelden en in mindere mate voor het natuurlijke landschap. De verstedelijking van de gemeente Heerhugowaard na WOII wordt in dit onderzoek ook niet meegenomen, omdat dit voor de herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied minder relevant is.1
1
Gesprek met Gerlof Kloosterman op 21 en 23 februari 2012
8
Er blijven daardoor twee hoofdstukken over. Het eerste hoofdstuk omvat de periode van de Zuiderwaert tussen grofweg het jaar 1000 tot 1630 en het tweede hoofdstuk de periode tussen de inpoldering in 1631 tot de afloop van WOII in 1945. Daarbij is ‐ zowel voor de bebouwing als voor het landschap ‐ niet alleen naar het bestemmingsplangebied gekeken, maar naar de gehele gemeente Heerhugowaard. Voor het schrijven van deze hoofdstukken heeft de opdrachtgever er voor gekozen om het onderzoek op basis van bestaand wetenschappelijke werk uit te laten voeren.
1.4 Ligging
Afb. 1: De gemeente Heerhugowaard bestaat uit de polder Heerhugowaard en het oude land van Veenhuizen. Bij de begrenzing wordt grotendeels de ringvaart van de polder gevolgd.
9
10
2. De Zuiderwaert als zoetwaterboezem
Van de Volle Middeleeuwen (1000) tot aan de Vroege Nieuwe Tijd (1630)
11
2.1 Veengroei en ‐ontginning De ondergrond van West‐Friesland wordt gevormd door een karakteristieke blauwe kleilaag op een dik pakket wadzand, dat is afgezet in de periode van 6000 tot 2750 voor Christus.2 Van west naar oost ligt de kleilaag in de buurt van Veenhuizen op ongeveer twee meter onder de oppervlakte, bij Enkhuizen op ongeveer acht meter. Bovenop deze kleilaag groeide het Hollandveen. Deze veengroei werd tot driemaal toe onderbroken door inbraken van de zee, waarbij het gebied enkele malen in een kwelderlandschap veranderde. Hierdoor ontstond een afwisseling van betrekkelijk dunne veenlagen en relatief dikke pakketten wadafzettingen bestaande uit zand en klei.3 Rond 800 maakt Heerhugowaard deel uit van dit grote veengebied. Heerhugowaard wordt in het westen begrensd door de strandwal van Oudorp‐Sint Pancras en in het noorden en oosten omgeven door de West‐Friese getijdenrug (een boven het veenlandschap uitstekende zandrug). Het Heerhugowaards‐Obdammer veenpakket ligt dus in een kom en kon hierdoor alleen in zuidelijke richting ontwateren. In dit gebied heeft een veenstroom, de Spiermer, gelopen die zijn oorsprong heeft in de getijdenrug bij Spanbroek en Wadway.
Deze veenrivier loopt als ‘Leek’ (= rivier) door het zuidelijk deel van het Heerhugowaards veengebied en stroomde waarschijnlijk westelijk van Oterleek (Oterleek betekent ‘aan de overzijde van de Leek’) naar het zuiden om zich daar te verbinden met de veenrivier de Schermer. Deze oude veenrivier De Leek heeft zich plaatselijk op de laagste delen verbreed tot een plas of meer. Zo ontstond de eerste vorming van een meer in het zuiden van de huidige Heerhugowaard.4 In dit dynamische landschap was van menselijke aanwezigheid niet of nauwelijks sprake. Dit veranderde pas in de Vroege Middeleeuwen. Vermoedelijk werd het veengebied ten zuiden van Texel al vanaf de achtste eeuw – eerst op kleine schaal, later op grote schaal – in gebruik genomen door de mens. De veenontginningen breidden zich in vrij snel tempo naar het zuiden toe uit. Vanaf dat moment is West‐Friesland permanent bewoond geweest. Vanaf de al bewoonde delen, zoals de strandwallen of andere hooggelegen delen, werd het veengebied ingetrokken. Bewoning vond aanvankelijk, in de periode 700‐1200, plaats op het veen. Doordat de veenlagen inmiddels grotendeels verdwenen zijn, zijn er ook geen sporen van bewoning uit deze periode terug te vinden.5 De Geestmerambacht is vanuit de duinstreek van Bergen‐Schoorl van west naar oost ontgonnen in een opstrekkende of lineaire verkaveling.
Langs de achterzijden van de ontginningseenheden werden kaden en waterlopen aangelegd die toestroming van overtollig water uit de omgeving moesten verhinderen. Nu nog zijn de meeste noord‐zuidgeoriënteerde ontginningssloten door het ambacht te herkennen; de Rekere (nu Noord‐Hollands Kanaal), de Zomersloot (waar nu de Diepsmeer ligt), en nog oostelijker de Burgsloot met veendijk, nu de Langedijk. Het is goed mogelijk dat eenzelfde sloot door het grondgebied van Heerhugowaard liep en de verkaveling in het verlengde van de westelijk gelegen gronden was aangelegd [II‐001v]. De laatste ontginningsfase was namelijk Veenhuizen, met eenzelfde verkaveling als de Scharwoudepolders. Veenhuizen heette destijds Schoorlveen, waaruit af te leiden valt dat Veenhuizen inderdaad vanuit Schoorl ontgonnen is. Door de meerafzettingen van de Heerhugowaard zijn de sporen van die ontginningstijd uitgewist.6
2
Dit zijn de zogenaamde Beemsterafzettingen, vroeger ook wel aangeduid als Oude Zeeklei. Steenbergen, 2009, 184 4 Komen, 1994, 13‐16 5 Nyst, 2010, 36 6 Nyst, 2010, 36‐37 3
12
Afb. 2: Impressie van de eerste boerenbewoning in de Vroege Middeleeuwen, die met een opstrekkende verkaveling de veengebieden in West‐Friesland ontgonnen (met dank aan H.E. Komen).
Omstreeks 1200 was heel West‐Friesland ontgonnen en in cultuur gebracht. Het veenoppervlak was al zover gedaald dat het noodzakelijk werd om het gebied te bedijken, mede om te voorkomen dat veenland dat nog ruim boven zeeniveau lag werd weggeslagen. Waarschijnlijk is men in de elfde of twaalfde eeuw met bedijking begonnen.7 West‐Friesland was verdeeld in vier ambachten: Drechterland, Hoogwouderambacht, Geestmerambacht en de Schager‐ en Niedorperkoggen. De vier ambachten bestonden op hun beurt weer uit telkens vier koggen of bannes. Dat waren bestuurlijke eenheden van vier of vijf dorpsgebieden.8 Veenhuizen en de Zuiderwaert hoorden bij het grondgebied van de Geestmerambacht.
7 8
Steenbergen, 2009, 184 Stenvert et al, 2005, 64‐66; Beenakker en Ligtendag, 1986, 48
13
Afb. 3: Op basis van de opstrekkende verkavelingsstructuren ten westen van de gemeente Heerhugowaard is voor een gedeelte van de gemeente een reconstructie te maken van de Middeleeuwse veenverkaveling, voordat de Zuiderwaert ontstond. De verwachting is namelijk dat veenverkaveling gewoon doorliep en dat er een noord‐zuid georiënteerde ontginningssloot was gegraven op het grondgebied van de gemeente. Waar deze ontginningsloot gelegen moet hebben is niet meer te reconstrueren.
14
2.2 Het ontstaan van de Zuiderwaert Het verloren gaan van een groot gedeelte van het veengebied in de Geestmerambacht gaat vanaf de elfde eeuw zeer snel. Aan de kust slaan stormen grote bressen in de duinenrij. Tussen Petten en Callantsoog wordt de bestaande opening naar de zee verbreed en ontstaat het zeegat van de Zijpe. Deze binnenzee zorgt er voor dat bij zware storm het zeewater de Westfriese Omringdijk van Schoorldam tot Schagen menigmaal overspoelt. Het begin van de Zuiderwaert moet al zijn ontstaan tijdens de veenontginning rond het jaar 1000. De stormvloeden van 1164 en 1170 richtten vervolgens grote verwoestingen aan, doordat het ‐ met water verzadigde ‐ veen niet voldoende tegendruk kon bieden tegen het opdringende zeewater. Gevolg was dat het veen verdween en het zeewater steeds gemakkelijker het kwetsbaar geworden land binnen kon dringen.9
Afb. 4: In 1248 breekt de West‐Friese Omringdijk door. Dijken worden aangelegd en het binnen deze dijken vallende overstromingsgebied wordt de Waardgeerzen genoemd (met dank aan H.E. Komen). 9
Komen, 2001, 51, 75‐77 en Komen, 1994, 20‐21
15
In de tweede helft van de twaalfde eeuw wordt de veenrug tussen Wieringen en Stavoren verder opgeruimd. In 1248 brak de Westfriese Omringdijk ten noorden van Sint Maarten door en kwam het land tot aan Oterleek onder water te staan. Door de stormramp ontstond in het westelijk deel van West‐Friesland een groot merengebied van Schagen tot aan Oterleek, welke de Waardgeerzen werd genoemd. Het zuidelijk deel van de Waardgeerzen kreeg de naam de Grote of Zuiderwaert, de huidige ingepolderde Heerhugowaard. De omliggende dorpen, naast Oterleek ook bijvoorbeeld Langedijk, Veenhuizen en Obdam, leden bij het ontstaan van de binnenzee veel landverlies. In 1250 werd op de plaats van de dijkdoorbraak een inlaagdijk opgeworpen waardoor het zeewater van de Zijpe niet langer toegang had tot het West‐Friese binnenland.10 Na het verdwijnen van het veen kreeg de Zuiderwaert de diepte van de oorspronkelijke ondergrond. Het zuiden van de Zuiderwaert was dieper dan het noorden. Dat kwam doordat de West‐Friese getijdenstroom, welke ongeveer 4000 jaar geleden vanuit het zeegat bij Bergen diep het West‐Friese landschap binnendrong, van het zuiden in noordelijke richting stroomde om bij Schagen af te buigen in een boog naar Hoorn.
Dit zeegat stond in open verbinding met de zee, waardoor eb en vloed er vrij spel hadden.11 Slechts de hoger gelegen gronden tussen Oudorp en Ursem voorkomen dat het water van de Zuiderwaert in verbinding komt met die van het Schermeer en de Beemster, waardoor een waddenzee van Schagen tot Amsterdam zou ontstaan. Op deze hoger gelegen gronden lag de oude Huigendijk [II‐002a]. De oude Huigendijk ligt tegenwoordig op het grondgebied van de gemeente Schermer en wordt thans de Slingerdijk en de Noordschermerdijk genoemd.12
Afb. 5: De oude Huigendijk lag voorheen zuidelijker, maar moet door het opdringende water steeds meer naar het noorden worden verlegd. De huidige oude Huigendijk is in feite de laatste fase van een proces waarbij de dijk door oeverafslag steeds weer in noordelijke richting verlegd werd (met dank aan H.E. Komen).
10
Komen, 2001, 75‐77 Komen, 2001, 51 12 Komen, 2001, 82 11
16
Afb. 6: Eén van de eerste kaarten waar de Zuiderwaert op voorkomt is de Wandkaart van Noord‐ en Zuid‐ Holland, die in 1537 door Jacob van Deventer in kaart is gebracht en in 1558 gedrukt werd bij Bernard van den Putte in Antwerpen. Goed is te zien dat Noord‐Holland en West‐Friesland niet meer uit grootschalige veengebieden bestaan, maar dat water steeds meer de overhand krijgt. De “Hughendijck” scheidt “De Waerdt” en “De Scermer” van elkaar. De oorspronkelijke houtsnedekaart ‐ bestaande uit 9 deelbladen ‐ bevond zich in de stadsbibliotheek van Wroclaw (Bleslau), maar is in 1945 verloren gegaan. Een gefotografeerde facsimile‐editie is echter nog beschikbaar.
17
2.3 Bedijking, sluizen en de Langereis om de waterafvoer te regelen Omstreeks 1250 ligt aan weerszijden van de Huigendijk nog veel voorland. Dit oplopend voorland zorgt er voor dat het water in kracht afneemt voordat de golven de zwakke dijk bereiken. Stormen slaan echter steeds meer van het voorland weg, waardoor het water de dijk zonder teveel weerstand kan bereiken. In het westen was het de Oosterdijk, die aan de golfslag paal en perk moest stellen. Voor overstroming aan de noordoostzijde waakte de Schager‐Zijdewind. De Huigendijk beschermde tegen het gevaar, dat uit het zuiden kwam van het Schermeer en ook aan de oostzijde hadden de inwoners van de naastliggende landen stevige kaden gebouwd.13 Met veel inspanning moest gewerkt worden om het land in West‐Friesland te behouden. De Zuiderwaert zorgde daarbij voor veel overlast. Aan de ene kant was het zwaar werk om haar door instandhouding van de Huigendijk, waarvan het voorland meer en meer afsleet, van de Schermer gescheiden te houden. Aan de andere kant ondervond men de meeste moeite om haar voldoende afwatering te bezorgen met sluizen die op het Schermeer uitwaterden.14 De hoger gelegen dorpen rond Heerhugowaard loosden namelijk hun overtollige regenwater op de Zuiderwaert. Als het water in de Zuiderwaert te hoog stond en de dorpen hun eigen water niet meer konden lozen moesten de sluizen in Huigendijk open worden gezet.
Het zoete water van de Zuiderwaert stroomde vervolgens in het Schermeer. Dit kon echter alleen bij eb als het waterpeil van het Schermeer lager was dan die van de Zuiderwaert. Dergelijke sluisjes, die alleen dienden om water door te laten, waren geheel van hout gemaakt in de vorm van een rechthoekige koker. Aan het uiteinde was een houten deur aangebracht, dat zichzelf bij opkomend water afsloot. Sluizen betekenden echter een flinke verzwakking in de dijk, omdat het dijklichaam ervoor moest worden onderbroken.15 De plekken van de Laat‐Middeleeuwse sluizen zijn echter niet meer te achterhalen. Naar aanleiding van klachten over schromelijke verwaarlozing van de Westfriese omringdijk, waardoor een aantal dijkvakken in een deplorabele toestand verkeerden, gelastte graaf Willem III in 1326 opnieuw een verstoeling van de dijk. Daarbij verordonneerde hij tevens een andere aanpak van de afwatering van de Zuiderwaert. De sluizen in de Huigendijk moesten worden verwijderd zodat het water van de Zuiderwaert niet meer op het Schermeer kon worden geloosd. In plaats daarvan zouden drie nieuwe watergangen van elk vier of vijf voet breed (1 a 1½ meter) worden gegraven: één door Schagen, een andere door de Wisene en de derde door Geestmerambacht.16 Aan het bevel tot afbreken van de sluizen is in 1326 gehoor gegeven, maar er was weinig bereidheid om de geplande watergangen te graven.
Het één wel en het ander niet doen betekende dat de afwateringsmogelijkheden in West‐Friesland verslechterden. In 1329 kregen de ingelanden van Schagen, Niedorp en Geestmerambacht dan ook toestemming nieuwe sluizen in de Huigendijk te leggen. Het aanleggen en weer verwijderen van sluizen komt vanaf de veertiende eeuw in verschillende oorkonden telkens weer terug.17
13
Belonje, 1929, 3 De Vries, 1876, 5 15 Komen, 2001, 82 16 Beenakker en Ligtendag, 1986, 48‐49 17 Beenakker en Ligtendag, 1986, 48‐49, 51; De Vries, 1876, 146 naar het Groot Charterboek, deel 3, 640 van Van Mieris 14
18
Afb. 7: Deze uitsnede van een contributiekaart van de Uitwaterende Sluizen uit 1603 laat de smalle Huigendijk tussen “Den Groote Waert” en “Den Schermeer” goed uitkomen. De kaart heeft een oostelijke oriëntatie, waardoor het bedijkte gebied van Veenhuizen bovenin de kaart is terug te vinden. Een gedeelte van de oorspronkelijke kaart is in 1990 teruggevonden aan de achterzijde van een pastelportret.
Tot in de eerste helft van de vijftiende eeuw bleven problemen met de afwatering van de Heerhugowaard voortbestaan. Zo bracht de Sint‐Elisabethsvloed in 1421 grote verwoestingen aan. De duinen te Petten braken door en in de Huigendijk werd een gat geslagen, waardoor de Heerhugowaard en de Schermer verenigd werden. Bij het draaien van de wind zou de Schermer haar water in de Waard kunnen jagen. De zwakke kaden van de landen in de Waard zouden daaraan geen weerstand kunnen bieden. Er was zelfs een realistisch gevaar dat een groot deel van het Noorderkwartier bij nog meer doorbraken een zelfstandig eiland werd. De graaf besloot daarom dat geheel West‐Friesland mee moest betalen aan het herstel van de Huigendijk, omdat heel West‐ Friesland er baat bij zou hebben.18 De toestand verslechterde mede, doordat vanaf het begin van de vijftiende eeuw het Schermeer niet meer in open verbinding met de zee stond. Omdat de afwatering via de sluizen in de Huigendijk hierdoor sterk werd vertraagd werd men gedwongen naar andere lozingsmogelijkheden uit te kijken. Uiteindelijk verzochten de landen zelf in 1458 om de Wisene tot een afwateringskanaal te mogen vergraven. Op 4 september van dat jaar gaf Philips de Goede zijn fiat.
Drie jaar later waren de werkzaamheden aan de Wisene voltooid waardoor de Heerhugowaard in het vervolg op een snellere wijze zijn overtollig water op de Zuiderzee kon lozen. De Wisene heet tegenwoordig de Langereis [II‐
18
De Vries, 1876, 255‐257
19
003a].19 Rond 1540 wordt de situatie rond de Huigendijk alsnog kritiek en als deze doorbreekt wordt met man en macht gewerkt aan het behoud van de dijk. Aan het einde van de zestiende eeuw is het voorland van de Huigendijk – op Oterleek na ‐ bijna geheel verdwenen.20 De sluizen leverden naast uitwatering tevens de beste plaatsen op voor de visserij. De meeste vis werd namelijk gevangen bij het in‐ of uitstromen van het water door de sluis. Daarom behoorden zij in West‐Friesland aan de landheer, die ze ter bevissing in leen of in erfpacht kon uitgeven. De vissers waren er daarom op uit bij elk verschil van waterstand tussen de binnen‐ en buitenzijde de sluizen te openen. De landerijen rondom de Zuiderwaert bevorderden wel het uitstromen, maar niet het binnenlaten van water uit angst voor onnodige overstromingen. Vandaar de veelvuldige misbruiken, geschillen en klachten en de strenge straffen voor het openen van de sluizen.21
Afb. 8: Christiaan ’s Grooten maakte tussen 1573 en 1592 kaarten van de gewesten van Nederland en karteerde daarbij ook West‐Friesland. Opvallend is dat hij Veenhuizen niet als een schiereiland laat zien, maar aan het vaste land tekende. Verder zijn er geen eilanden in de Zuiderwaert te vinden, die er destijds wel waren.
19
Beenakker en Ligtendag, 1986, 48‐49, 51; De Vries, 1876, 146 naar het Groot Charterboek, deel 3, 640 van Van Mieris Komen, 2002, 82 21 De Vries, 1876, 87 20
20
2.4 Druiplanden in de Zuiderwaert Ondanks de voortdurende afslag van veen en gronden in de Zuiderwaert hebben nog tot aan de inpoldering in de eerste helft van de zeventiende eeuw voorlanden en eilandjes gelegen. Rondom de gehele Zuiderwaert was veel buitendijks voorland aanwezig, waarbij het belangrijkste voorland het – al genoemde – land van Oterleek. Het lag voor het oostelijke gedeelte van de Huigendijk en was een eiland tussen de Zuiderwaert en het Schermeer. Het had de gewichtige taak om de Huigendijk te beschermen tegen het water van de Zuiderwaert.22 De eilanden werden ook wel druiplanden [II‐004v tot II‐039V] genoemd en waren in alle formaten aanwezig met oppervlaktes tussen de 0,15 ha en meer dan 30 ha. In totaal lag er in 1626 meer dan 1000 ha buitendijks land in de Zuiderwaert. De grootste druiplanden en eilanden lagen voor Veenhuizen. Van noord naar zuid waren dat het Groote Geldebos, Nessewerf, Paerdebos en Sappewerf. Ten zuiden daarvan lag nog een aantal kleinere eilanden, die Lutkebos, Langebos, Driecante Bos en Pottenbos heetten. De eilanden waren voormalige huiserven en konden overleven doordat door bewoning en intensief gebruik de grond inklonk en weer werd opgehoogd en op die manier beter bestand was tegen de oeverafslag van het water.23 Het water tussen deze eilanden en Veenhuizen werd ook wel de Veenhuizerwaert genoemd.
Na de inpoldering werd deze naam opgevolgd door de Veenhuizer Gronden. Aan de westkant van de Zuiderwaert lagen de druiplanden Klein Geldebos, Plaetmansbos, Hasselaarsbos, ’t Zuiderbos en de Vlaerding. Dat waren de voormalige gronden van Langedijk. Daarnaast lagen nog tien tot twintig kleinere eilanden in de Zuiderwaert.24
Afb. 9: Op deze uitsnede van “De Groote Zuyder Waert” van Baert Claesz. uit 1626 zijn voor Veenhuizen drie grotere eilanden met de namen Nessewerf, Paerdebos en Sappewerf te vinden. Ten westen daarvan liggen de gronden die later onder de Noord‐ en Zuid‐Scharwoudepolder bekend zullen zijn. 22
Oterleek is in 1817 afgesplitst van de gemeente Heerhugowaard en vanaf 1970 onderdeel van de gemeente Schermer. Om deze reden wordt Oterleek niet verder meegenomen in dit onderzoek. 23 Komen, 1994, 21‐26; Komen, 2011, 35‐37 24 Een reconstructie van de afname van druiplanden tussen de twaalfde en de zeventiende eeuw is met het huidige bronmateriaal niet te maken. Aannemelijk is wel dat er meer druiplanden geweest moeten zijn, maar dat deze door afslag volledig opgingen in de Zuiderwaert. Ook het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) gaf in dit onderzoek geen nieuwe aanwijzingen voor nog onbekende druiplanden.
21
De druiplanden hadden dus voornamelijk een uitgang op –bos of –werf. De uitgang –bos geeft aan dat er aan houtteelt werd gedaan en de meest waarschijnlijke vorm daarvoor was hakhoutbeheer met essen, wilgen of elzen.25 Eilanden met zware opgaande bomen zullen het niet zijn geweest. De uitgang –werf heeft verschillende betekenissen in het Middelnederlands, maar waarschijnlijk komt ons huidige woord erf het dichtst in de buurt. Werf betekent hier dan huiserf of verhoging.26
Afb. 10: Meer dan 1000 hectare buitendijks land lag in 1626 als aanwas of eiland in de Zuiderwaert. De meeste namen van de eilanden eindigen op –bos of –werf. 25
Zie daarvoor o.a. Anoniem, ‘Advertentie’, in: Oprechte Haarlemse Courant, 27 november 1783, 2 en paragraaf 3.6. Mededeling van H.E. Komen op 21 mei 2012; Komen geeft tevens aan dat de andere twee Middelnederlandse verklaringen ‐ “onbebouwde grond” en “wilg” ‐ inmiddels verouderde etymologie zijn.; Zie verder H.E. Komen, ‘De druiplanden in Heerhugowaard’, in: 59e Bundel van het Historisch Genootschap Oud West‐Friesland, 1992, pp. 104‐111
26
22
Door het inpolderen van de druiplanden kwamen er oudere boerderijen binnen de nieuwe polder Heerhugowaard te liggen. De stolpboerderij Oostdijk 2 toont aan de hand van een gevelsteen uit 1622 dat hij in oorsprong ouder is dan de polder. Op de gevelsteen is het bijbelverhaal van Jona en de walvis afgebeeld. De ligging van de boerderij Oostdijk 2 pal achter de dijk is opmerkelijk en hoewel de stolp sterk gerestaureerd of mogelijk zelfs gedeeltelijk vernieuwd is, is hier waarschijnlijk wel sprake van een oudere kern, maar in ieder geval van een oud huisplaats op een stuk voorland. Tevens dragen hoofdvorm en dakspiegel bij aan de karakteristieke uitstraling van deze boerderij.27
Afb. 11: De stolp op het adres Oostdijk 2; een stolp op een stukje “voorland”.
27
Komen, 1994, 31; aangevuld met een architectuurhistorische beoordeling van Anita van Breugel.
23
2.5 Bewoning in Veenhuizen 2.5.1 Historische‐geografie Veenhuizen is het enige grondgebied in de gemeente Heerhugowaard dat ook vóór de inpoldering bij het vaste land van West‐Friesland hoorde. In Veenhuizen is daarmee – in tegenstelling tot de rest van de gemeente Heerhugowaard – vanaf de Vroege Middeleeuwen doorgaande bewoning geweest. Een beschrijving uit 1750 geeft het volgende over het dorp aan: “Het Dorp is klein en legt twee en een vierendeel Uurs ten Oost‐Noord‐Oosten van Alkmaar. De Kerk is van gering aanzien en heeft een laagen vierkanten Tooren met een stompe Spits. In 't Koor is de Tombe van den Heere Reinoud van Brederode, Heere van Veenhuizen , wiens Beeltenis hier Leevensgrootte in Wit Marmer op een Zwart Marmer Bed legt. […].”28 De vijftiende eeuwse kerk is in 1862 vervangen. De huidige kerk dateert uit 1965, waarin de tombe van Reinout van Brederode tevens weer een plaats heeft gekregen.29
Afb. 12: De voormalige vijftiende eeuwse kerk van Veenhuizen met twee boerenhuizen getekend door Hendrik Tavenier in 1794.
Over het aantal huizen dat in de Late Middeleeuwen in Veenhuizen stond is nog niets bekend, maar in het jaar van de inpoldering – 1632 – werd in de lijst van verpondingen opgenomen dat er 35 huizen in Veenhuizen stonden. Precies een eeuw later was dat aantal uitgebreid tot 44 huizen en een molen. Nog geen twee decennia – in 1749 – daarna waren daar nog maar 38 huizen van over. Hoeveel bewoners Veenhuizen had wordt voor het eerst duidelijk in 1795 toen Veenhuizen een inwonersaantal had van 179.30 Veenhuizen was geen vrije heerlijkheid, maar in het bezit van adellijke families. In 1750 wordt daarover aangegeven: “De Heerlykheid van Veenhuizen werdt eertyds bezeten door den Heere van Brederode van Weezenberg: thans is Jonkheer Jakob van Kats, […], Vryheer van Veenhuizen.”31 28
Tirion, 1750, 453‐454; zie ook Kok, 1793, 161 Stenvert, 2005, 358 30 Tirion, 1750, 453‐454;Anoniem, ‘Vervolg der volkstelling’, in: Nationaale Courant, 28 oktober 1795, 2 31 Tirion, 1750, 453‐454 29
24
Afb. 13: De inrichting van Veenhuizen vóór de inpoldering is opgenomen op een manuscriptkaart van Anthonis Metius en Cornelis Cornelisz. uit 1627. Op deze kopergravure van de verkavelingskaart voor de Heerhugowaard van Visser uit 1631 is de inrichting van Veenhuizen echter het beste te zien en zijn ook de veldnamen van Veenhuizen opgenomen. Vergelijking tussen beiden kaarten laat zien dat zowel Metius en Cornelisz. als Visser – op de doorgaande weg van Veenhuizen naar de Heerhugowaard na ‐ dezelfde inrichting hebben gekarteerd. De kaart is op het oosten georiënteerd, waardoor het noorden links ligt.
In 1770 wordt ook meer duidelijk over het grondgebruik dat Veenhuizen door de eeuwen heeft gehad: ”[Veenhuizen] heeft goed Wei‐ en Hooi‐ doch weinig Zaailand [akkers], men haald er veel Riet vandaan waar de Boeren hunne huisen mee dekken.”32 De verkaveling voor deze weide‐ en hooilanden was redelijk willekeurig opgezet en waarschijnlijk een door de eeuwen heen verstoorde oorspronkelijke lineaire verkaveling.33 De ontwatering van Veenhuizen was geregeld via sloten en tochten[II‐040a tot II‐073v], die uitkwamen op het Berkmeer en de Langereis. In totaal had men voor de ontwatering meer dan dertien kilometer aan tochten gegraven. Hiervan ligt bijna acht kilometer nog steeds op dezelfde plek als tweehonderd jaar geleden. De overige vijf kilometer is bij de naoorlogse ruilverkaveling opgeruimd. Voor een efficiëntere afwatering zijn bij de ruilverkaveling nieuwe, rechte sloten gegraven. Twee sloten zijn gedempt en omgezet in wegen en dat zijn de Vijvertochtsloot in het noorden [II‐055v] en een gedeelte van de Eerste Perk [II‐057v] in het zuiden van Veenhuizen. 32
Bom, 1770, 132 Mededeling van Komen op 21 mei 2012; Komen verwijst naar J.K. de Cock, Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de middeleeuwen op fysisch‐geografische grondslag, Groningen 1965, pp. 219‐220
33
25
Afb. 14: Op deze foto is de Noorderkruistochtsloot te zien vanaf de Kerkweg, die al vanaf de Late Middeleeuwen op deze plek ligt. Voor het bollenveld langs loopt het oostelijke gedeelte van de Reigerstochtsloot, zoals de sloot in 1817 genoemd werd. In 1631 heette deze sloot nog de Kerksloot.
Voor de inpoldering was de Kerkweg [II‐075a] geen doorgaande weg. De gemeenschap van Veenhuizen was gericht op het oostelijk gelegen oude land van Hoogwoud. De oorspronkelijke verbinding liep dan ook van de kerk van Veenhuizen in oostelijke richting naar de huidige Dijkweg en vandaar naar Hoogwoud. Pas na de inpoldering werd de weg doorgetrokken naar de Groenedijk en vandaar via de Clamwech naar de Veenhuizermiddelweg.34 Op basis van de kaart van Baert Claesz. uit 1626 is de verwachting dat de Kerkweg minimaal achthonderd meter landinwaarts liep tot aan de buurschap. Of de weg daarna ook richting de Groenedijk liep is niet met zekerheid te zeggen. Na de inpoldering werd de weg met zekerheid doorgetrokken en verbonden met de polder Heerhugowaard. Verder liep tussen Oude Niedorp en Obdam het kerkepad naar de kerk van Veenhuizen [II‐079v en II‐080v] langs de Noorder‐ en Zuiderkruistochtsloot. Het grondgebied van Veenhuizen was geheel omdijkt. Om in het westen het water van de Zuiderwaert tegen te houden werd in de Late Middeleeuwen de Groenedijk opgeworpen [II‐074a en II‐074v]. De Groenedijk had een lengte van bijna vier kilometer en haar dijklichaam kronkelde door het landschap. Tot aan de negentiende eeuw had de Groenedijk een onveranderd uiterlijk.
In de twintigste eeuw werd de dijk op twee plaatsen tussen de Kerkweg en de Veenhuizerkade rechtgetrokken en is bijna een kilometer van het oorspronkelijke dijklichaam verdwenen. De Groenedijk ligt vrijwel nog oorspronkelijk als grasdijk in het landschap van Heerhugowaard. In de vorige eeuw is deze grotendeels illegaal door boeren afgegraven, maar de provincie heeft destijds verdere afgraving verboden, zodat de restanten van de dijk nog een halve meter boven het maaiveld uitkomen. Alleen het verharde deel heeft nog de oorspronkelijke hoogte35. Aan de zuidkant hield de huidige Veenhuizerkade [II‐076a] het water van het Berkmeer tegen en in het noorden en oosten lagen langs de Langereis de tegenwoordige A.C. de Graafweg [II‐077a] en de Dijkweg [II‐078a].36 34
Zie o.a. Komen, 2011, 91; er zijn overigens inpolderingskaarten bekend waar de weg nog niet werd doorgetrokken, maar er kan vanuit worden gegaan dat de weg na de inpoldering werd doorgetrokken. 35 Komen, 2011, 53‐54 en 69‐70 36 Zie verder Komen en Van Zanten, 1994, 26‐30; Komen, 2011, 91 en E. Dekker, Veenhuizen van vroeger, Hensbroek 1993.
26
Afb. 15: Op het minuutplan van de gemeente Veenhuizen, dat in 1817 door landmeter van de eerste klasse J.J. Nautz werd opgenomen, is links de kronkelige Groenedijk te zien, voordat deze in de twintigste eeuw op twee plaatsen werd rechtgetrokken. Daarnaast zijn alle tochten en sloten van Veenhuizen in één oogopslag te zien en bij naam genoemd. Veel tochten waren opgedeeld in een noordelijk en zuidelijk gedeelte. De belangrijkste afvoertochten waren de Zuider‐ en Noorderkruistochtsloot en de Oude Watering.
Afb. 16: Ondanks dat de Groenedijk tegenwoordig een slaperdijk is geworden liggen de oude dijklichamen nog steeds in het landschap, zoals hier ten noorden van de Kerkweg. Dit gedeelte van de dijk heeft tevens geen functie meer binnen de infrastructuur van Veenhuizen en is daardoor een levend relict geworden van de Middeleeuwse strijd tegen het water van de Zuiderwaert.
27
2.5.2 Architectuurhistorie door Anita van Breugel
In Veenhuizen is sprake van drie clusters van bebouwing, alle drie gelegen aan een waterloop. Het gaat om de centrale locatie rond de kerk met het praalgraf, de Dijkbuurt aan de ringvaart (de Langereis) en de locatie op de kruising met de Groenedijk ‐ de westelijke ringdijk met vaart ‐ rond de vroege polder Veenhuizen. Daarnaast behoorde vanaf 1633 ook de ingepolderde Veenhuizerwaert tot de gemeente Veenhuizen.37 De bebouwingsconcentratie rond het kerkje en het praalgraf van Veenhuizen Aanwezige tochten en sloten maakten de bouw van een stenen kerk in Veenhuizen al in de vijftiende eeuw mogelijk. Zware bouwmaterialen konden in die periode slechts over water worden aangevoerd. Voor de bouw van dit kerkje heeft waarschijnlijk de oostelijk van de kerk gelegen sloot ‐ een aftakking van de ringvaart ‐ dienst gedaan. Vooral nadat Reinout van Brederode, ambachtsheer van Veenhuizen, dit kerkje in 1633 uitkoos als laatste rustplaats, is de bebouwing verder uitgegroeid tot de buurschap Veenhuizen.Het oorspronkelijke kerkje van Veenhuizen werd in 1882 vervangen door een opvolger, welke in 1965 weer werd gesloopt. In 1965 werd op dezelfde plek een nieuwe kerkje gebouwd, waar de tombe van Reinout een plek kreeg in het voorportaal, omringd door de wapenschilden van zijn heerlijkheden.
In de grafkelder onder de gesloopte kapel liggen nog de beenderen van Reinout en meerdere familieleden van Brederode.
Afb. 17: De huidige kerk van Veenhuizen, die in 1965 werd gebouwd, huist in het voorportaal het praalgraf van Reinout van Brederode, dat de status van een rijksmonument heeft.
De bronzen luidklok die in een stalen klokkenstoel naast de moderne kapel hangt, komt uit de vijftiende eeuwse kerk en werd in 1460 gegoten in Mechelen. De klok draagt het opschrift: “Int jaer
37
Divelee, 1994
28
ons heren M CCCC LX Dyonisius is mijn naem myn gheluyt sy gode bequaem”. De klok hing tussen 38 1862 en 1965 in de Nederlands Hervormde kerk. De klok is een gemeentelijk monument. Hoewel het oorspronkelijke kerkje van Veenhuizen gesloopt is, heeft de plek door zijn historie, het kunsthistorisch waardevolle praalgraf uit 1633 van Pieter de Keyser (rijksmonument), het groen, het kleine aangrenzend begraafplaatsje en de luidklok uit 1460 (gemeentelijk monument) een belangrijke cultuurhistorische waarde. De locatie als totaal vormt de kern van het oorspronkelijke Veenhuizen en geeft het buurtschap een heel specifieke identiteit. De drie stolpen (Kerkweg 17, 24 en 30b) en het tweeklassig schooltje met onderwijzerswoning aan de Kerkweg 28 vormen een belangrijke bijdrage aan de historische, agrarische en kleinschalige identiteit van de kern van Veenhuizen. Nabij het huidige kapelletje ligt een drietal stolpen (Kerkweg 17, 24 en 30b), die ‐ hoewel niet alle drie meer gaaf van architectuur ‐ uiting zijn van de kleinschalige en van oorsprong agrarische kern van Veenhuizen. Vanwege hun ligging nabij het kerkje is de kans groot dat er bij de stolpen nog sprake is van historische vierkantconstructies. De meest oostelijk gelegen stolp (nr.
30b met staartstuk), vormt samen met een naastgelegen aanbouw, tegenwoordig het dorpshuis/café.39 Tussen het huidige dorpshuis en het kapelletje is aan de naastgelegen vaart, in 1889 een onderwijzerswoning gebouwd met een tweeklassig schooltje daar aan vast (1892).40
Afb. 18: De Kerkweg 17 is één van de drie stolpboerderijen in Veenhuizen, die mogelijk nog een historische vierkantconstructie bevat.
38
Gemeentelijk monumentenregister Komen en Van Zanten, 1994; Op de kaart uit 1680 van Uitwaterende Sluizen is op deze locatie reeds bebouwing te zien, dus wellicht is hier sprake van hoge ouderdom. Nader bouwhistorisch onderzoek zou dit kunnen aantonen. 40 Van der Lee, 1999 39
29
Oostelijke bebouwingsconcentratie Veenhuizen: Dijkbuurt Een concentratie van historische bebouwing in Veenhuizen ligt rond de Dijkbuurt, aan het oostelijk eind van de Kerkweg, aan de Langereis. Twee stolpen (Dijkweg 5 en 7) getuigen nog van het feit, dat de stolpen van oudsher aan het water lagen om producten gemakkelijk aan en af te voeren. Op de kaart van 1680 van Uitwaterende Sluizen staat ter plekke reeds bebouwing aangegeven. Ook de ligging van de nabijgelegen voormalige smederij aan de Kerkweg moet gerelateerd zijn aan het water.