CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Uitkoopregeling Hoogspanning

Gemeenteraad 8 november 2023, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingsplan Uitkoopregeling Hoogspanning28.956 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Afb. 19: De oude stolpboerderij aan de Dijkweg 7 dateert mogelijk nog uit de zeventiende eeuw en was oorspronkelijk op het water georiënteerd.

30

Westelijke bebouwingsconcentratie Veenhuizen Een westelijke concentratie van bebouwing in Veenhuizen ligt rond de kruising van de Groenedijk en de Kerkweg. Hier liggen twee stolpen (Kerkweg 4 en 6). Van deze twee is nummer 4 nog bijzonder, omdat deze ook een functie had als tolhuis. Zijn ligging nabij de grens van het vroegere Veenhuizen, zo direct aan de weg, laat dit nog zien. Daarnaast is hij zoals veel oudere stolpen ook aan het water gelegen vanwege aan‐ en afvoer van producten. Kerkweg nr. 6 bezit nog een gave hoofdvorm, maar is helaas door te veel verbouwingen en door de plaatsing van een grote loopstal achter de stolp, sterk in ruimtelijke kwaliteit achteruit gegaan. De grootte van de stolpen Kerkweg 4 en 6 laat zien dat zij gebouwd zijn als veeboerderijen. Zoals ook elders in Heerhugowaard is door de komst van tuinbouw en later ook bollenteelt ontstaan. Doordat deze boerderijen geen hooi en vee meer behoefden te herbergen, konden de stolpen minder groot te zijn. Ook omdat het wegenstelsel zich inmiddels verder had ontwikkeld, was deze meer op de tuinbouw gerichte bebouwing minder afhankelijk van het water. Langs de Kerkweg zijn daardoor in de negentiende en begin twintigste eeuw nog wat kleinschalige tuinderstolpjes en landarbeidershuisjes ontstaan.

Afb. 20: De Kerkweg 11 is één van de landarbeidershuisjes, die in de negentiende en twintigste eeuw langs de Kerkweg zijn ontstaan.

31

De Veenhuizerwaard Met de inpoldering van de Zuiderwaert ontstond bij Veenhuizen een polder die de Veenhuizerwaard werd genoemd. De eigenaren van Veenhuizen eisten van de bedijkers dat de nieuwe polder een centrale ontginningsweg kreeg, nu bekend als de huidige Veenhuizerweg, met wegsloten aan beide 41 zijden. De huisplaatsen werden langs deze Veenhuizerweg aangelegd. Op de kaart van Uitwaterende Sluizen van 1680 is al een zevental bebouwde locaties waar te nemen. Vanwege de bodemsamenstelling hebben de land‐ en tuinbouwactiviteiten hier altijd prioriteit gehad en zijn er geen grootschalige veebedrijven ontstaan. Er zijn geen historische huisplaatsen uit de vroege ontginningstijd bewaard. Anno 2012 toont de Veenhuizerweg de kenmerken van een land‐ en tuinbouwgebied met boerderijen uit het laatste kwart van de negentiende eeuw en later.42 De stolpen zijn van een relatief klein formaat en er zijn enkele aardige tuinderswoningen; bereikbaar met bruggetjes over de wegsloot.

Afb. 21: De boerderij aan de Veenhuizerweg 6 is een kleine stolp uit de negentiende eeuw.

41

Komen en Van Zanten, 1994 Nader bouwhistorisch onderzoek zou kunnen uitwijzen of er nog stolpen met een vierkant uit de zeventiende of achttiende eeuw bewaard zijn.

42

32

33

2.6 Overzichtskaart van de verdwenen en nog aanwezige relicten (1:30.000 op A3)

34

Oude Niedorp

SmuigelpolderII-004v

II-030v

70v

Groenedijk

II-0

v

II-080v

II-061v

74 v II0

II-0

II-050a II-0

a 76

7v II-05

II-026v

II-074a

Langebos II-025v

II

8v - 05

II-0

56a

e ad

ad

rk ze ui h en Ve

ep Kerk elijk Zuid

II-007v

II-008v

II-078v

II-001

II-030v

Lutkebos

II-048a

II-051a

II-049a

v II-060

II-006v

II-047a

II-063v

Sappewerf

II-053a

II-062v

Langereis

II-046a

II-027a

Zuid-Scharwoude

II-043a II-075a

II-066v

II-052a

Plaetmanbosch

44a II-0

v

II-028v

II-065v

II-079

Paerdebos

II-005v

v 72

De Noord

II-041a

Dijkweg

v

II-067v

A.C . de Gra afw eg

II-040a

II-029v

0 II-

Noord-Scharwoude

II-07 7v

II-055

Nessewerf

II-005v

II-042a

Bercxwerck

II-064v

Klein Geldebos

03 a

Groote Geldebos

II-005v

II-031v

II-024v

II-009v

II-011v

De Vlaerding

II-010v

Sint Pancras

Heerhugowaard II-023v

't Groote Bos II-016v

II-022v II-021v

II-020v

II-019v

II-040a

II-018v

II-012v

De Koebos

II-017v II-015a

II-032v

II-039v

II-033v

II-034v

II-035v II-036v II-037v

't Groote Bos

II-013a

Oterleek

II-014v

Oterleek

Oude H

II-038v

uigen dijk

II-002a

Heerhugowaard - Overzichtskaart bij hoofdstuk II Legenda Gemeentegrens

Dijk

Druipland

Kanaal

Schaal is 1:30.000 op A3-formaat juni

Tocht Weg

2012

Cartograaf: Martijn Horst

Kerkepad Ontginningssloten

o

Volle Middeleeuwen (1000 n. Chr.) tot Vroege Nieuwe Tijd (1630 n. Chr.)

0

2.500 meter

35

3. Na inpoldering ontstaat de Heerhugowaard

Van de Vroege Nieuwe Tijd (1631) tot aan WOII (1945)

36

3.1 Octrooiaanvraag en opstartfase Twee Alkmaarse regenten, Floris van Teylingen, burgermeester van de stad, en Nanning van Foreest, de secretaris, namen in 1624 het initiatief om de Heerhugowaard droog te malen. Voor de inpoldering was de medewerking van andere voorname burgers nodig om niet alleen het vereiste kapitaal bijeen te krijgen, maar ook om toestemming, of ‘octrooi’ van de Staten van Holland en West‐ Friesland te krijgen. Op 20 maart 1624 werd een onderling contract gesloten. Door Hans van Loon, één van de deelnemers en een zeer vermogend Amsterdamse koopman, werd namens de gehele groep de octrooiaanvraag in het voorjaar van 1624 aan de Staten van Holland en West‐Friesland toegezonden. De heren Van Teylingen en Van Foreest probeerden eerst hun eigen stad Alkmaar voor hun plan te winnen. De stad wilde wel meewerken op enkele “voordelige conditiën”. Zo moesten alle vaarten en wegen in de richting van de stad worden aangelegd, omdat men wilde voorkomen dat de boeren naar de markt van Hoorn zouden gaan in plaats van naar de Alkmaarse markten. Verder moest het college van dijkgraaf en heemraden in Alkmaar vergaderen en werden er 500 morgens in de nieuwe polder geëist voor de stad zelf of voor leden van de vroedschap.

Aan al deze voorwaarden werd door de bedijkers voldaan.43 Op 11 maart 1625 werd door de Staten van Holland het octrooi verleend, waarbij nog wel werd opgenomen dat de bedijkers van de Zuiderwaert en die van de Wormer er voor moesten zorgen dat er een sluis in de Nieuwendam tussen Uitgeest en Krommenie kwam. Deze veertiende eeuwse dam verbond het Schermeer met het Wijkermeer en de Nieuwendammersluis moest de afwatering van Geestmerambacht en van de Schager‐ en Niedorper Koggen garanderen en het tevens mogelijk maken om in droge zomermaanden voldoende zoet water in te laten. Wanneer de sluis, naar het oordeel van de dijkgraaf en heemraden van Uitwaterende Sluizen, niet voldeed aan de gestelde eis van afwatering, dan moest de Zuiderwaert een tweede gelijke sluis op een andere plaats bouwen. Door verzanding werd de sluis echter al spoedig geheel onbruikbaar. Tot geluk van het polderbestuur van de Heerhugowaard werd in 1631 in het octrooi van de droogmaking van het Schermeer opgenomen dat er voor een goede afwatering twee vaarten gegraven moesten worden, één van Alkmaar naar het noorden en één naar het zuiden. In deze zuidelijke vaart, de Nauernasche Vaart, moest een stenen sluis worden gebouwd. Deze sluis kon de taak van de Nieuwendammersluis in zijn geheel overnemen, waardoor de Heerhugowaard niet voor een nieuwe afwatering hoefde te zorgen.

In 1651 kon het polderbestuur van de Heerhugowaard dan ook het onderhoudscontract met de Uitwaterende Sluizen afkopen.44 De stad Hoorn eiste kort na het verlenen van het octrooi, op 30 mei 1625, van de bedijkers een vaart van de ringsloot via Wognum naar hun stad op kosten van de bedijkers. Verder wenste men zeggenschap in het polderbestuur door de benoeming van een heemraad en twee hoofdingelanden uit Hoorn. Het werd een slepende zaak en pas op 8 november 1629 deden de Commissarissen uitspraak: er moesten twee hoofdingelanden en een heemraad uit Hoorn worden gekozen en wegen en bruggen moesten in overleg met Hoorn worden aangelegd. De gewenste waterverbinding met de ringsloot, die de boerenklandizie naar de stad had moeten brengen, kwam er echter niet. Alkmaar had daarbij aan het langste eind getrokken.45 De bedijking moest van de Staten binnen vier jaar voltooid worden. De drooggelegde gronden zouden volledig eigendom van de bedijkers zijn, mits zij jaarlijks een bedrag per morgen aan de Staten zouden betalen. Verder kregen de bedijkers vrijdom van enige belastingen voor de tijd van 43

Dil, 1987, 4 naar H.E. van Gelder, ‘De bedijking van de Heerhugowaard’, in: Bijdragen voor de Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, Arnhem 1906. H.E. Komen geeft op 21 mei 2012 aan dat alle onderzoekers na Van Gelder zich baseren op zijn onderzoek wat betreft de octrooiaanvraag, welke regenten deelnamen, grondverdeling, investeringen, bedragen, familieverbanden, ect. 44 Dil, 1987, 4, 9‐11; zie ook Belonje, 1929, 7, De Vries, 1876, 410 45 Dil, 1987, 16

37

vijftien jaren en eeuwigdurende tolvrijdom. De hoofdingelanden mochten de heemraden benoemen, maar de dijkgraaf zou door de Staten worden gekozen uit een, door de hoofdingelanden opgestelde, voordracht van drie personen. De aanvragers hadden daarmee niet zo veel gekregen als zij hadden gevraagd, namelijk een looptijd van zes jaar in plaats van vier jaar en belastingvrijdom van dertig jaar in plaats van de verkregen vijftien jaar. Wel kregen ze in 1627 toestemming om enkele eilanden in de Zuiderwaert aan te kopen of te onteigenen voor de aanleg van wegen en sloten.46

Themakader: Droogmakerijen in hun context Nadat in de Late Middeleeuwen het veengebied van West‐Friesland sterk gereduceerd werd door overstromingen probeerde men met kaden en dijkjes het land te behouden. In de zestiende eeuw kwam men vervolgens met een nieuwe manier om het nog aanwezige land te beschermen en het verloren gegane land weer in te lijven: de uitvinding van de droogmakerij. Binnen de droogmakerijen worden vier belangrijke periodes onderscheiden. Als eerste is dat de experimenteerfase tussen 1533 en 1565, waarin voor het eerst een aantal kleinere meertjes drooggelegd werd in de buurt van Alkmaar. Na de ervaringen die men hier opdeed konden de grote droogmakerijen in de zeventiende eeuw worden uitgevoerd, zoals de Beemster (1612), de Heerhugowaard (1630) en de Schermer (1635). Deze grote droogmakerijen vormen de tweede fase van de geschiedenis van de droogmakerijen. Voor de diepere meren was de invoering van de getrapte molenbemaling in deze periode van essentieel belang. Door meerdere molens achter elkaar te plaatsen werd het water telkens een stukje hoger opgemalen, totdat het uiteindelijk op het boezemwater geloosd kon worden. De derde fase van de droogmakerijen treedt in als in de negentiende eeuw stoomgemalen kunnen helpen met pompen, waardoor bijvoorbeeld de Haarlemmermeer kon worden drooggepompt en de IJpolders ontstonden.

De vierde en laatste fase bestaat uit de grote droogmakerijen van het Zuiderzeeproject in de twintigste eeuw.47 De Heerhugowaard is daarmee dus een inpoldering uit de tweede fase, waarin de techniek het mogelijk maakte om ook de grotere meren droog te malen. In de periode van 1608 tot 1641 werden alleen al in West‐Friesland 27 plassen en moerassen drooggelegd. In geheel Noord‐Holland werd maar liefst 36.000 hectare gewonnen, waardoor het bebouwbare land met 25 procent vermeerderde.48 Doordat daardoor de oppervlakte van het boezemwater verkleind werd kon men de veiligheid van West‐Friesland gemakkelijker waarborgen. De dreiging van een binnenzee was daarmee verleden tijd.49

Niet iedereen was een voorstander van inpoldering van de Zuiderwaert. De Zuiderwaert was een groot zoetwaterreservoir, dat van belang was voor de visserij en als vaarweg tussen de dorpen rond de Zuiderwaert gelegen en Alkmaar en Hoorn. Vooral over het hernieuwde afwateringsysteem waren critici bezorgd. De oppervlakte van de ringsloot was slechts twee procent van de oppervlakte van de Zuiderwaert en moest er toch voor zorgen dat het overtollige water van de omringende gebieden en van de nieuwe polder via de Langereis en de Schermerboezem naar zee werd afgevoerd.50

46

Dil, 1987, 6‐7 Haartsen, 2009, 61; zie ook Baas, 2001, Droogmakerijen 17e‐19e eeuw, Rosing, 1995, 69‐72 en Stol, 2005, 82 48 Dil, 1987, 4 49 Rosing, 1995, 51 50 Dil, 1987, 8‐9 47

38

Afb. 22: In tegenstelling van wat vaak gedacht wordt was het waterrijke landschap van West‐Friesland niet alleen dreigend voor de bewoners, maar was voor velen ook een bron van inkomsten en de enige manier om contact te onderhouden met de dorpen in de regio. Op deze facsimile van Jan van Jagen uit 1778 naar de kaart van Joost Jansz. Beeldsnijder uit 1575 is het waterrijke landschap goed te zien.

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=634371b2-8bbf-407a-830b-55c486eaf8c3