CConstaterende datDiemen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage II Motivering BOPA AZC Diemen_v12

Gemeenteraadsvergadering 11 december 2025, gemeente DiemenBij agendapunt: Aanvraag omgevingsvergunning voor een AZC op de locatie Diemerhof 219.761 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.3.1

Soortenbescherming

4.3.1.1

Toetsingskader

Voor het onderdeel soortenbescherming wordt gekeken naar de bescherming en behoud van beschermde dier- en plantensoorten. De Vogel- en Habitatrichtlijn is gericht op het behoud van biodiversiteit en heeft als doel alle in het wild levende vogelsoorten die van nature in de Europese Unie voorkomen te beschermen. Het is conform artikel 5.1, lid 2g van de Omgevingswet verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die tot schadelijke gevolgen kunnen leiden voor van nature in het wild levende dieren en planten (zogenaamde flora- en fauna-activiteiten). Ten aanzien van flora- en faunaactiviteiten die tot nadelige gevolgen kunnen leiden voor soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten zijn vanuit het Bal artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 van toepassing. Daarnaast is onder artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving een specifieke zorgplicht aangewezen. De specifieke zorgplicht verplicht een ieder met het voornemen een project te realiseren of een andere handeling te verrichten na te gaan of die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor flora en fauna en passende maatregelen te treffen. 23

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

4.3.1.2

Resultaten

Het gebruik maken van een leegstaand kantoorgebouw, waarbij aan de buitengevel geen werkzaamheden plaatsvinden, zorgt niet voor negatieven effecten op beschermde soorten.

4.3.1.3

Conclusie

Inpandige werkzaamheden, niet gerelateerd aan de buitenschil, veroorzaken geen overtreding van verbodsbepalingen binnen de natuurwetgeving. Een quickscan ecologie is daarom niet noodzakelijk.

4.3.2

Gebiedsbescherming

4.3.2.1

Toetsingskader

Het wettelijk kader is de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat onder andere regels met betrekking tot Natura 2000gebieden. Natura 2000-gebieden zijn aangewezen vanwege de aanwezigheid van belangrijke natuurwaarden die beschermd zijn onder de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Omgevingswet geeft in Nederland invulling aan deze richtlijnen. Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden, gericht op het behoud van belangrijke flora en fauna op Europees niveau. Dit netwerk is ontstaan uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen en omvat officieel aangewezen gebieden met specifieke instandhoudingsdoelstellingen. Deze doelstellingen hebben betrekking op de bescherming van habitattypen en habitat- en vogelsoorten. Projecten die mogelijk significant negatieve effecten kunnen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied vallen onder de Omgevingswet. Werkzaamheden die plaatsvinden buiten Natura 2000-gebieden kunnen ook significante effecten hebben en moeten daarom beoordeeld worden in het kader van de externe werking.

4.3.2.2

Resultaten

De projectlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied, zoals weergegeven in Figuur 5. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is ‘Botshol’, op circa 7 kilometer afstand ten zuidwesten van de locatie. Op circa 8 kilometer afstand ten oosten van de projectlocatie ligt het Natura 2000-gebied ‘Markermeer & IJmeer’. Op ruim 9 kilometer ten zuidoosten van de projectlocatie liggen ‘Naardermeer’ en ‘Oostelijke Vechtplassen’. Directe effecten door ruimtebeslag of verstoring zijn gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied en de aard van de werkzaamheden uitgesloten. Een negatief effect op een Natura 2000-gebied kan mogelijk nog veroorzaakt worden door de uitstoot van stikstof. Om dit met zekerheid uit te sluiten, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de gebruiks- en aanlegfase.

24

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

Figuur 5 Ligging Natura 2000-gebieden in de buurt van de projectlocatie (aangeduid met de marker, bron: Atlas Leefomgeving).

Gebruiksfase De duur van de opvang is maximaal 10 jaar start in januari 2027. Als gevolg van het personeel dat op het voornemen komt te werken, is sprake van een verkeersaantrekkende werking. De verkeersintensiteiten van het verkeer in de gebruiksfase zijn weergegeven in tabel 4-1. Het gehanteerde rekenjaar voor de gebruiksfase in Aerius is 2025 (worstcase), waardoor voor verkeersbronnen de hoge emissiefactoren zijn aangehouden. Tabel 4-1: Weekdaggemiddelde etmaalintensiteit van en naar het AZC.

Verkeer gebruiksfase

Licht verkeer

Middelzwaar verkeer

Zware verkeer

69

4,5

1,5

Voor de gebruiksfase is het gebruik van cv-ketels voor het verwarmen van het pand meegenomen. Er zijn 3 cv-ketels aanwezig die allen worden gebruikt. De emissiegegevens staan weergegeven in Tabel 4-2. Tabel 4-2: Emissiegegevens cv-ketels AZC Diemen.

Sinds 1 oktober 2024 wordt gerekend met Aerius versie 2024. In deze versie moet ook gerekend worden met een koude start van motorvoertuigen. Deze koude start geldt wanneer een motorvoertuig langer dan 2 uur stil heeft gestaan en kan gelden voor: 1. Motorvoertuigen van werknemers wanneer deze langer dan 2 uur geparkeerd zijn; 25

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

2. Middelzware en zware vrachtwagens die bij het laden en lossen de motor afzetten en waarvan de laad- en lostijd meer dan 2 uur bedraagt. In de stikstofdepositieberekening voor het tijdelijk AZC Diemen is ervan uitgegaan dat motorvoertuigen van personeel langer dan 2 uur geparkeerd zijn. Ook is als uitgangspunt aangehouden dat alle lichte motorvoertuigen van personeel zijn. Daarom is op alle lichte motorvoertuigen een koude start toegepast. Voor de laad- en lostijd van vrachtwagens is uitgegaan van een duur van minder dan 2 uur. Daarom is geen koude start toegepast op de zware motorvoertuigen.

Aanlegfase Voor de aanlegfase is ook een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Het volledige onderzoek is weergegeven in Bijlage 3. Hierbij is uitgegaan van de inzet van mobiele werktuigen en bouwverkeer, zoals graafmachines, vrachtwagens en ander materieel dat op en rond de bouwplaats actief is. Omdat de exacte inzet en het brandstofverbruik van het materieel vooraf nog niet volledig bekend waren, is de zogeheten U-methode toegepast. Deze methode houdt rekening met het aantal draaiuren, het motorisch vermogen en de emissiefactor van het materieel. Voor het bouwverkeer is bovendien rekening gehouden met de wettelijke eisen uit het AERIUS-model, waaronder het aandeel voertuigen met een koude start. De emissiekarakteristieken van de mobiele werktuigen zijn weergegeven in Tabel 4-3 en . Tabel 4-3: Emissiekarakteristieken per vermogensklasse realisatiefase AZC Diemen.

Uit de berekeningen blijkt dat de maximale stikstofdepositie tijdens de aanlegfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Dit is berekend met het rekenmodel AERIUS, waarbij alle relevante emissiebronnen zijn meegenomen. Door deze uitkomst is duidelijk dat de aanleg van het AZC geen meetbare toename van stikstofdepositie veroorzaakt op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De conclusie is dat, vanwege de nihil berekende stikstofdepositie, een aanvullende ecologische beoordeling voor de aanlegfase niet nodig is. Hiermee voldoet het project aan de wettelijke eisen uit de Omgevingswet en vormt de aanleg van het AZC in Diemen geen risico voor de beschermde natuurwaarden in de omgeving

4.3.2.3

Conclusie

De volledige stikstofdepositieberekening voor de gebruiks- en aanlegfase en de uitgangspunten zijn weergegeven in Bijlage 3. Hieruit is naar voren gekomen dat het voornemen niet leidt tot een toename aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

4.3.3

Natuurnetwerk Nederland

De projectlocatie ligt geheel buiten Natuurnetwerk Nederland (NNN), zoals weergegeven in onderstaande Figuur 6. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op een afstand van 2 kilometer. Directe effecten door ruimtebeslag of aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten, gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde gebieden. Er zijn geen belemmeringen vanuit NNN als gevolg van het voornemen.

26

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

Figuur 6 Begrenzing Natuurnetwerk Nederland (NNN) rondom de projectlocatie (aangeduid met de marker, bron: Atlas Leefomgeving - Natuurnetwerk Nederland (EHS)).

4.3.4

Houtopstanden

Er worden geen bomen gekapt of verplaatst en er worden geen houtopstanden verwijderd. Hierdoor treden er geen effecten op houtopstanden op. Er zijn geen belemmeringen vanuit houtopstanden op het voornemen.

4.3.5

Conclusie

Er is geen quickscan ecologie vereist, aangezien er geen negatieve effecten zijn van de tijdelijke opvanglocatie op beschermde soorten. Vanwege de afstand van het voornemen tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kunnen directe effecten op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Uit de stikstofdepositieberekening voor de gebruiksfase blijkt dat het asielzoekerscentrum niet leidt tot een toename aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk voor NNN-gebieden. Tot slot levert het aspect houtopstanden geen belemmeringen op voor het voornemen, gezien er geen bomen of houtopstanden worden geveld.

4.4 Luchtkwaliteit 4.4.1

Toetsingskader

Voor het voornemen is een onderzoek naar luchtkwaliteit uitgevoerd (Bijlage 6). De instructieregels van het Bkl bevatten luchtkwaliteitsnormen die zijn opgesteld ter bescherming van de gezondheid van mensen. De eisen met betrekking tot de kwaliteit van de buitenlucht, oftewel luchtkwaliteit, zijn te vinden in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Dit betreft onder meer de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10 en PM2.5), lood, ozon en zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). De luchtkwaliteitsnormen in het Bkl zijn opgenomen in artikel 2.1 tot en met 2.8. Deze regels omvatten omgevingswaarden, waarbij stikstofdioxide en fijnstof als leidend worden beschouwd. De gemeente beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Activiteiten zijn toegestaan als ze voldoen aan de volgende criteria: 27

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

• Er is geen feitelijke of dreigende overschrijding van een omgevingswaarde. • Het project resulteert per saldo niet in een verslechtering van de luchtkwaliteit. • Het project draagt slechts in beperkte mate bij aan luchtverontreiniging. Het Rijk beoordeelt de luchtkwaliteit in zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). De toetsing focust op deze gebieden, gezien het binnen deze gebieden mogelijk is dat een rijksomgevingswaarde wordt overschreven of de achtergrondconcentratie zo hoog is dat bij toevoeging van een nieuw project de kans bestaat dat de rijksomgevingswaarde wordt overschreden. Er zijn daarmee ook locaties waar toetsing of monitoring nooit benodigd is, behalve bij uitgezonderde projecten. De uitgezonderde projecten zijn te vinden in artikel 5.50 Bkl, en zijn de volgende activiteiten: -

de aanleg van een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van tenminste 100 m; - een wijziging van een wegtunnelbuis waarbij de tunnelbuislengte met ten minste 100 m toeneemt; of - de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Er bestaan twee verschillende soorten aandachtsgebieden voor de toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit. Dit zijn aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof, en aandachtsgebieden voor alleen fijnstof. Deze aandachtsgebieden zijn te vinden in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl en artikel 5.51, lid 3 van het Bkl respectievelijk. Wanneer een project ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de concentraties NO 2 en PM10, vervalt toetsing aan de omgevingswaarden. Een project draagt NIBM bij wanneer de toename als gevolg van het project op toetslocaties lager is dan 1,2 μg/m³ NO 2 en PM10. Voor kleine projecten is een tool ontwikkeld om eenvoudig te kunnen toetsen of een project NIBM bijdraagt: de NIBM-tool van Infomil.

4.4.2

Resultaten

Het voornemen valt niet binnen een van de voorgenoemde activiteiten. De luchtkwaliteit in de huidige situatie is matig en ligt onder de grenswaarden van 40 microgram/m3 voor NO2 en PM10, zie hiervoor onderstaande Figuur 7 en Figuur 8.

Figuur 7 Concentratie stikstofdioxide (NO2) (bron: Atlas Leefomgeving, Stikstofdioxide 2023 (NO2)).

28

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

Figuur 8 Concentratie fijnstof (PM10) (bron: Atlas Leefomgeving, Fijnstof 2023 (PM10)).

In relatie tot het voornemen is een berekening uitgevoerd met de NIBM-tool. Deze is weergegeven in Figuur 9.

Figuur 9 NIBM-tool AZC Diemen.

29

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

De berekening met de NIBM tool laat zien dat de realisatie van onderliggend project ‘Niet in betekenende mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit de berekening blijkt dat door onderliggende ontwikkeling een maximale toename van 0,03 μg/m3 NO2 en een maximale toename van 0,01 μg/m3 PM10 is te verwachten. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de grens van 1,2 μg/m³ NO 2 en PM10.

4.4.3

Conclusie

Het voornemen omvat het gebruik maken van een bestaand kantoorgebouw als asielzoekerscentrum. Het asielzoekerscentrum is geen activiteit die in betekenende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit. De verkeersaantrekkende werking van de opvang is beperkt, aangezien asielzoekers naar verwachting voornamelijk gebruik zullen maken van fietsen, lopen of het openbaar vervoer, en geen eigen auto's hebben. Naast het verkeer van personeel, goederen en ondersteunende diensten worden geen andere verkeersbewegingen verwacht. Dit is vergelijkbaar met de situaties ‘kantoren’, ‘woningen’ of ‘een combinatie van woningen en kantoren’ die zijn aangewezen als standaardsituaties waarbij een toets aan de rijksomgevingswaarden niet verplicht is 10. Daarnaast laat een berekening met de NIBM-tool zien dat het voornemen niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de concentraties NO2 en PM10. Hiermee kan worden geconcludeerd dat het voornemen niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchttkwaliteit.

4.5 Geluid 4.5.1

Toetsingskader

Voor tijdelijke opvang (een periode korter dan 10 jaar) geldt dat niet hoeft te worden getoetst aan de eisen uit het Bkl11. Er dient wel te worden beoordeeld of voldaan kan worden aan een aanvaardbaar verblijfsklimaat. Geluidgevoelige gebouwen De standaard- en grenswaarden voor geluid gelden voor geluidgevoelige gebouwen. Hieronder vallen gebouwen of delen van gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie met bedgebied of een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Gedeelten van gebouwen waar volgens het omgevingsplan geen geluidgevoelige ruimtes zijn toegestaan, worden niet als geluidgevoelig gebouw aangemerkt, met uitzondering van woonschepen en woonwagens. Deze worden altijd als geluidgevoelig beschouwd, ongeacht de aanwezigheid van geluidgevoelige ruimten. Ook nieuw te bouwen geluidgevoelige gebouwen waarvoor een vergunning of omgevingsplan bestaat, vallen onder deze definitie. Een AZC valt niet onder de definitie van een geluidgevoelig gebouw zoals bepaald in artikel 3.21 van het Bkl. Een AZC betreft een logiesfunctie aangezien er sprake is van tijdelijke huisvesting voor asielzoekers. De projectlocatie is echter gelegen naast doorgaande wegen. Om te bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 4).

Standaardwaarden en grenswaarden Bij de beheersing van geluid afkomstig van wegen en spoorwegen worden de geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden beschermd door middel van standaardwaarden en grenswaarden. Het verschil tussen standaardwaarden en grenswaarden is dat de standaardwaarde het geluidsniveau is dat in principe niet overschreden mag worden en geldt als uitgangspunt voor de bescherming tegen geluid. De grenswaarde is een hoger, maximaal toegestaan geluidsniveau dat alleen in uitzonderingssituaties mag worden toegestaan, bijvoorbeeld bij vervangende nieuwbouw of functiewijziging wanneer het niet mogelijk is om aan de standaardwaarde te voldoen. De beoordeling vindt plaats op de gevel van het gebouw of bij nieuwbouw op de locatie waar de gevel mag komen. Voor woonschepen en woonwagens gelden de waarden op de begrenzing van hun locatie. De standaardwaarden en grenswaarden hangen af van de bron (weg, spoorweg, industrieterrein) en zijn als volgt vastgesteld: voor rijks- en provinciale wegen geldt een standaardwaarde van 50 dB, voor gemeentelijke en waterschapswegen 53 dB, en voor hoofd- en lokale spoorwegen 55 dB. Voor industrieterreinen geldt 50 dB Lden en 40 dB Lnight als standaardwaarde.

10 Dit volgt uit artikel 5.54 van het Bkl.

11 Dit geldt in het geval dat er voor het voornemen een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit

(BOPA) moet worden aangevraagd. In artikel 5.55, lid 2, sub c van het Bkl staat dat er niet getoetst te worden voor de periode korter dan 10 jaar. De bepalingen over geluid staan opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl. 30

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

Grenswaarden voor nieuwe geluidgevoelige gebouwen kunnen, afhankelijk van de situatie, met 5 dB worden verhoogd bij vervangende nieuwbouw of functiewijziging. Hoewel een asielzoekerscentrum formeel niet onder de definitie van een geluidgevoelig gebouw valt, is het voor een goede ruimtelijke ordening en vanuit het oogpunt van het welzijn van de bewoners van belang dat het verblijfsklimaat in het gebouw aanvaardbaar is. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of het geluidsniveau binnen het gebouw leidt tot een acceptabele woon- en leefsituatie voor de tijdelijke bewoners. In het kader van de ETFAL wordt daarom niet alleen naar de formele eisen gekeken, maar vindt er ook een toets plaats op het verblijfsklimaat. Hierbij wordt de aanvaardbaarheid beoordeeld aan de hand van de uitkomsten van het akoestisch onderzoek, waarin de binnenwaarden worden vergeleken met richtwaarden die normaal gesproken voor woonfuncties gelden. Op basis van deze analyse kan worden vastgesteld of het pand geschikt is voor de beoogde functie en of er sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat, ondanks het ontbreken van formele wettelijke eisen. Gecumuleerd geluid Indien de standaardwaarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt overschreden, dient de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid te worden beoordeeld en vastgelegd in het omgevingsplan.

Gecumuleerd geluid is het totaal van geluid afkomstig van diverse bronnen, zoals wegen, spoorwegen, industrieterreinen, windturbines, schietbanen en luchtvaart, omgerekend naar een vergelijkbare mate van hinderlijkheid als het geluid van wegverkeer. De bepaling van het gecumuleerde geluid (L cum) gebeurt door het energetisch optellen van de waarden van de verschillende geluidbronnen. Voor de beoordeling van gecumuleerd geluid is geen wettelijke norm vastgelegd; het bevoegd gezag heeft hierin beleidsvrijheid. Binnenwaarde De regels met betrekking tot binnenwaarden en de geluidwering van gevels zijn vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor bestaande gebouwen zijn in het Bbl geen wettelijke eisen opgenomen ten aanzien van de geluidwering. Voor nieuwe geluidgevoelige gebouwen geldt volgens artikel 4.103 van het Bbl een binnenwaarde van 33 dB. Wanneer het gaat om een tijdelijk bouwwerk dat maximaal tien jaar blijft staan, mag deze eis voor het binnenniveau met 10 dB worden verhoogd naar 43 dB, zoals vermeld in artikel 4.105 van het Bbl. In dit geval is het voormalige kantoorpand bestemd als asielzoekerscentrum (AZC). Een AZC wordt niet aangemerkt als geluidgevoelig gebouw en het betreft hier geen nieuwbouw. Dit betekent dat op basis van de wet- en regelgeving geen specifieke eisen zijn gesteld aan de binnenwaarden en de geluidwering van de gevels.

Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied heeft de gemeente geadviseerd om een eis te stellen aan het binnenniveau, omdat mensen langdurig in het pand verblijven. Omdat het om een tijdelijke situatie gaat, wordt het advies van de omgevingsdienst gevolgd en wordt uitgegaan van een binnenwaarde van 43 dB. Het onderzoek naar de binnenwaarde van het pand is opgenomen in Bijlage 5.

4.5.2

Resultaten

Weg- en spoorweglawaai Het voornemen ligt aan de doorgaande wegen Dalsteindreef en Gooiseweg. Ten noorden van het voornemen ligt een hoofdspoorweg en metrolijn 53. Het voornemen ligt in het aandachtsgebied van de hoofdspoorwegen. De aandachtsgebieden van gemeentewegen en de lokale spoorweg (metrolijn) zijn nog niet vastgesteld. Voor deze geluidbronsoorten gelden de aandachtsgebieden conform het overgangsrecht. Het geluid van de geluidbronsoorten hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en gemeentewegen is berekend en getoetst aan de standaard- en grenswaarden uit het Bkl. De standaardwaarde bedraagt 55 dB voor geluid van hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen en 53 dB voor geluid van gemeentewegen. De grenswaarde bedraagt 65 dB voor geluid van zowel hoofd- als lokale spoorwegen en 70 dB voor geluid van gemeentewegen. Aangezien de tijdelijke noodopvang niet als geluidgevoelig object wordt beschouwd, bestaat er geen wettelijke verplichting om maatregelen te indien deze grenswaarden worden overschreden. De tijdelijke noodopvang wordt gerealiseerd in een voormalig kantoorpand. Het geluid is berekend ter plaatse van het kantoorpand. In Figuur 10 is de ligging van de rekenpunten op het kantoorpand weergegeven.

31

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

Figuur 10 Ligging van de rekenpunten op het kantoorpand waarin het AZC wordt gevestigd.

Uit de rekenresultaten blijkt dat het geluid van de gemeentewegen de standaardwaarde van 53 dB overschrijdt. Het geluid van de gemeentewegen bedraagt maximaal 62 dB en daarmee wordt de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. Uit de rekenresultaten blijkt dat het geluid afkomstig van de hoofdspoorwegen de standaardwaarde van 55 dB overschrijdt. Het geluid van hoofdwegen bedraagt maximaal 63 dB, daarmee wordt de grenswaarde van 65 dB niet overschreden. Het geluid van de lokale spoorweg (metrolijn 53) bedraagt maximaal 53 dB, daarmee wordt de standaardwaarde van 55 dB niet overschreden. Bij het bepalen van de geluidwering van de gevels moet uitgegaan worden van het gezamenlijk geluid. Het gezamenlijk geluid is het geluid van verschillende bronsoorten op een gevel, energetisch opgeteld. Het gezamenlijk geluid bedraagt maximaal 64 dB. Het gecumuleerde geluid is maximaal 62 dB. Dit kan gekwalificeerd worden als ‘tamelijk slecht’.

Binnenwaarden Het AZC wordt tijdelijk, voor een periode van 10 jaar gerealiseerd, waardoor er geen grenswaarde geldt voor het binnenniveau. In overleg met de omgevingsdienst is een geluidonderzoek uitgevoerd om eventuele effecten in beeld te brengen. Hierbij is een grenswaarde van maximaal 43 dB voor het binnenniveau aangehouden, waarvan de isolatie van de gevel 21dB moet tegenhouden De externe factoren rondom het gebouw zijn van invloed op het akoestisch klimaat binnen het pand. Arcadis heeft recent een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels. De resultaten van dit onderzoek vormen de basis voor het huidige onderzoek naar de binnenwaarden. Het AZC dient als tijdelijke huisvesting, waarbij het uitgangspunt is dat het door het bevoegd gezag niet als geluidgevoelig wordt beschouwd. In het kader van het ETFAL-criterium (Evenwichtige Toedeling van Functies aan Locaties) moet echter worden vastgesteld of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de beoogde functie. De uitkomsten van het onderzoek geven duidelijkheid over de mate van aanvaardbaarheid van het binnenklimaat van het pand. De ETFAL-toets voor geluid richt zich specifiek op het garanderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor dit project hanteert de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied de volgende beoordelingscriteria voor de berekende binnenwaarden: • • •

32

Een binnenwaarde van maximaal 33 dB wordt positief beoordeeld door de omgevingsdienst; dit niveau komt overeen met de eisen voor nieuwbouw met een woonfunctie. Een binnenwaarde tot en met 38 dB (33 + 5 dB) wordt door de omgevingsdienst als toelaatbaar beoordeeld. Een binnenwaarde tot en met 43 dB (33 + 10 dB) wordt als onwenselijk beschouwd. Hoewel dit niveau aansluit bij de eisen voor tijdelijke bouwwerken, wordt deze waarde in de huidige situatie als onwenselijk gezien.

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

Voornoemde criteria bieden een kader voor het beoordelen van de geschiktheid van het pand met betrekking tot het akoestisch woon- en leefklimaat. Op basis van de bouwkundige uitgangspunten, weergegeven in het onderzoek in de bijlage, is een berekening uitgevoerd naar de geluidsniveaus. In Tabel 4-4 zijn de rekenresultaten weergegeven. Tabel 4-4: Rekenresultaten onderzoek geluidsniveau binnenwaarden AZC Diemen.

Uit Tabel 4-4 blijkt dat in de meest kritische, centraal gelegen slaapvertrekken de binnenwaarde maximaal 33 dB bedraagt. Dit niveau voldoet aan de eisen die gelden voor nieuwbouwwoningen. In de grotere slaapvertrekken op de hoeken van het gebouw is de binnenwaarde maximaal 34 dB, wat ruim onder de acceptabele grens van 38 dB ligt. De resultaten uit deze berekeningen zijn tevens representatief voor de onderliggende tweede en derde verdieping van het gebouw.

4.5.3

Conclusie

Een AZC valt niet onder de definitie van een geluidgevoelig gebouw. Het geluidsonderzoek naar wegverkeerlawaai is uitgevoerd om inzicht te krijgen in de verblijfssituatie en om te bezien of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het geluidsonderzoek blijkt dat standaardwaarden worden overschreden en dat het geluidsniveau van het gezamenlijk geluid wordt geclassificeerd als ‘tamelijk slecht’. Grenswaarden worden niet overschreden. Om te bepalen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is, aanvullend op het een akoestisch onderzoek, een onderzoek naar de binnenwaarden in het gebouw uitgevoerd. Uit de berekeningen van het akoestisch onderzoek naar de binnenwaarden volgt dat de binnenwaarde in de kleinere, centraal gelegen slaapvertrekken maximaal 33 dB is. Dit sluit aan bij het niveau dat voor nieuwbouwwoningen wordt vereist. In de grotere slaapvertrekken op de hoeken van het gebouw bedraagt de binnenwaarde maximaal 34 dB, wat ruim onder de acceptabele grens van 38 dB ligt. Deze resultaten gelden ook voor de tweede en derde verdieping. In enkele hoekruimten gaat het om een marginale overschrijding van de nieuwbouwwaarde. Uit het onderzoek blijkt dat het overgrote deel van het beschouwde gebouwdeel, met name de tussenliggende slaapvertrekken, aan de nieuwbouwwaarde voldoet.

Daarmee kan worden gesteld dat de beperkte overschrijding in de hoekruimten acceptabel is. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat in de geprojecteerde slaapvertrekken op die verdiepingen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor vormt het aspect geluid geen belemmering voor het voornemen. 33

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

4.6 Geur 4.6.1

Toetsingskader

De gemeente is verplicht om in het omgevingsplan rekening te houden met geurhinder bij geurgevoelige gebouwen. Deze verplichting volgt uit artikel 5.92, lid 1 van het Bkl en vormt een uitwerking van een al bestaande plicht uit de Omgevingswet. Volgens de Omgevingswet moet de overheid bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties altijd het belang van gezondheidsbescherming meewegen (artikel 2.1, lid 4). Daarbij dient de gemeente rekening te houden met de lokale omstandigheden en de mogelijke gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar inwoners (artikel 2.1 en 2.4 Omgevingswet). Rekening houden met geur werkt in twee richtingen: • •

Enerzijds bij het toestaan van activiteiten in de buurt van geurgevoelige gebouwen. Anderzijds bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de omgeving van bestaande geurveroorzakende bedrijven. De gemeente moet daarom bij het opstellen van het omgevingsplan zorgvuldig afwegen wat de meest geschikte locatie is voor zowel nieuwe activiteiten als voor geurgevoelige gebouwen.

4.6.2

Resultaten

In het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Diemen is bepaald dat een asielzoekerscentrum onder de definitie van een geurgevoelig object valt. Dit volgt uit de definitie van een geurgevoelig object: “een gebouw dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf.”12. Er dient te worden aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat in het kader van geur.

4.6.3

Conclusie

In de omgeving van de projectlocatie zijn voornamelijk kantoren gevestigd. Deze kantoren veroorzaken geen geuroverlast. Hierdoor vormt het aspect geur geen belemmering voor het voornemen.

4.7 Omgevingsveiligheid 4.7.1

Toetsingskader

De Omgevingsveiligheid houdt zich bezig met het beheersen van risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De verbonden risico's moeten binnen de perken blijven. Hiervoor worden twee soorten risico's gehanteerd: 1.

Plaatsgebonden risico (PR) verwijst conform artikel 5.6 van het Bkl naar de kans per jaar dat een persoon die zich continu en onbeschermd op een bepaalde locatie bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Er geldt een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het PR. Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (zeer) kwetsbare objecten en locaties aanwezig zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten en locaties geldt de PR 10-6 contour als richtwaarde. Voor het groepsrisico (GR) wordt gewerkt met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden geven aan waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, mogelijk onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (artikel 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied fungeert als startpunt voor het denken over veiligheid en benodigde maatregelen. Binnen een (explosie- en brand)aandachtsgebied kan een gemeente voorschriftgebieden aanwijzen die worden opgenomen in het omgevingsplan. Daarbij blijft het groepsrisico wel in gebruik, waarbij het verwijst naar de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde wordt gebruikt als indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico.

2.

12

Dit volgt uit de begripsbepalingen (bijlage II) van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Diemen.

34

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

4.7.2

Resultaten

Op 21 oktober 2025 is door Arcadis een onderzoek omgevingsveiligheid opgesteld (zie Bijlage 7). Het doel van dit onderzoek is het inventariseren van de risicobronnen in de omgeving van het tijdelijk AZC en het kwalitatief beschouwen van de effecten van het voornemen op omgevingsveiligheid. De milieubelastende activiteiten rondom het voormalige kantoor zijn geïnventariseerd met behulp van de Atlas Leefomgeving. Dit instrument geeft inzicht in relevante risicobronnen en milieubelastende activiteiten in de directe omgeving van het voornemen. In de omgeving van het voormalige kantoor worden gevaarlijke stoffen vervoerd over het basisnet, deze activiteiten vallen onder deel C van Bijlage VII van het Bkl. Het betreft transporten zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Ten noorden van de opvanglocatie bevindt zich basisnet spoorroute 30 (Duivendrecht – Diemen), op een afstand van circa 100 meter van het voormalige kantoor. Deze route is aangewezen als risicobron vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen. Ten westen en noorden van het voornemen liggen respectievelijk spoorroute 280 (Duivendrecht – Amsterdam Singelgracht) op ongeveer 1.070 meter afstand en wegvak Nh11 (A10: Knp. Amstel – Knp. Watergraafsmeer) op circa 1.180 meter afstand van het kantoor.

Beide routes zijn eveneens als basisnetroutes aangemerkt, maar liggen aanzienlijk verder van de opvanglocatie. Voor basisnetroutes zijn de afstanden tot de plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden vastgelegd in de relevante regelgeving (Rbn, Wvgs, Or, Bkl). Voor spoor- en wegroutes worden deze afstanden gemeten vanaf respectievelijk het midden van de spoorstaven of de buitenste kantstrepen van de weg. Voor spoorroute 30 (Duivendrecht – Diemen) ligt het voormalige kantoor buiten de contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10⁻⁶ per jaar) en buiten het brandaandachtsgebied, maar binnen het explosieaandachtsgebied (200 m). Er is geen sprake van een gifwolkaandachtsgebied. Dit betekent dat het voornemen hier wél effecten kan hebben op de omgevingsveiligheid. Voor spoorroute 280 (Duivendrecht – Amsterdam Singelgracht) ligt het voormalige kantoor buiten zowel de contour voor het plaatsgebonden risico als het brand- en explosieaandachtsgebied. Er is ook hier geen gifwolkaandachtsgebied aanwezig. Het voornemen heeft voor deze route geen effecten op de omgevingsveiligheid. Voor wegvak Nh11 ligt het voormalige kantoor buiten alle relevante risicocontouren en aandachtsgebieden, waaronder het brand- en explosieaandachtsgebied. Ook vanuit deze route zijn er geen effecten op de omgevingsveiligheid te verwachten.

Het gebruik van het voormalige kantoor als AZC heeft effecten op de omgevingsveiligheid, omdat het gebouw binnen het explosieaandachtsgebied van spoorroute 30 (Duivendrecht – Diemen) ligt. Volgens de regelgeving moeten daarom maatregelen worden genomen ter bescherming van personen, aangezien het aantal aanwezigen en de verblijfsduur in het AZC niet beperkt zijn. Hoewel het omgevingsplan van Diemen deze locatie niet als voorschriftengebied heeft aangewezen, kan het toch wenselijk zijn om aanvullende bouwkundige maatregelen te overwegen, ondanks de lage kans op een incident en de hoge kosten. Geadviseerd wordt om het gebied niet aan te wijzen als voorschriftengebied, gezien het geen nieuwbouw betreft en het geen zeer kwetsbare functie betreft. Uit de vervoerscijfers blijkt dat over route 30 verschillende gevaarlijke stoffen worden vervoerd, zoals brandbare en giftige vloeistoffen en gassen, waarvan sommige stoffen een groot invloedsgebied hebben. Het voormalige kantoor valt voor een aantal van deze stoffen binnen het invloedsgebied, wat betekent dat bij een incident effecten op het AZC mogelijk zijn. Voor route 280 en wegvak Nh11 zijn de risico’s voor het AZC echter beperkt, omdat het kantoor daarvoor buiten de invloedsgebieden ligt.

In de scenarioboeken Omgevingsveiligheid zijn verschillende mogelijke incidenten beschreven, zoals fakkelbrand, wolkbrand, explosie (BLEVE), plasbrand en gifwolk. Daarbij worden zowel kansbeperkende als effectbeperkende maatregelen geadviseerd, evenals maatregelen voor zelfredzaamheid (vluchten, schuilen) en hulpverlening (blussen). Voor het AZC wordt geadviseerd bewoners en personeel goed voor te lichten over handelingsperspectieven bij een incident, zodat snel en adequaat gehandeld kan worden. Specifiek voor het scenario ‘gifwolk’ is het belangrijk dat het gebouw voorzien wordt van afsluitbare ventilatieopeningen en mechanische ventilatie, zodat bewoners veilig binnen kunnen blijven. Het COA stelt daarnaast een bedrijfsnoodplan op, zorgt voor de aanwezigheid van bedrijfshulpverleners en waarborgt bereikbaarheid voor hulpdiensten en voldoende bluswater in de omgeving van het AZC. 35

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

4.7.3

Conclusie

De risicobronnen in de omgeving zijn geïnventariseerd en beoordeeld is wat de effecten zijn van het voorgenomen gebruik van het voormalige kantoorpand als AZC op de omgevingsveiligheid. De analyse richt zich op het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico. Het pand ligt binnen het explosieaandachtsgebied van spoorroute 30 (Duivendrecht – Diemen), maar buiten het brandaandachtsgebied en buiten het invloedsgebied van de meeste gevaarlijke stoffen die via spoor of weg worden vervoerd. Alleen voor stoffen in stofcategorie A (brandbare gassen) ligt het pand binnen het relevante invloedsgebied. Voor de overige onderzochte routes (spoorroute 280 en wegvak Nh11) ligt het pand buiten de relevante aandachts- en invloedsgebieden, waardoor het voorgenomen gebruik daarop geen effect heeft. Omdat het aantal aanwezige personen in AZC Diemen niet beperkt is, dienen conform artikel 5.15, tweede lid van het Bkl, maatregelen te worden getroffen ter bescherming van de aanwezigen, met name tegen scenario’s als brand en explosie. Naast bouwkundige maatregelen wordt het belang onderstreept van het bevorderen van de zelfredzaamheid van bewoners. Snel waarschuwen en snel handelen bij incidenten zijn daarbij essentieel.

Het COA besteedt daarom structureel aandacht aan voorlichting over handelingsperspectieven, onder meer via instructies over vluchten (bijvoorbeeld via de Diemerhof of het Ooievaarpad) of schuilen in het AZC. Specifiek voor het scenario ‘gifwolk’ wordt geadviseerd om het AZC uit te rusten met afsluitbare ventilatieopeningen, afsluitbare mechanische ventilatie en een goed toegankelijk bedieningssysteem. Zo kunnen bewoners in geval van een gifwolk veilig binnen blijven. Daarnaast voorziet het COA in een bedrijfsnoodplan, permanente aanwezigheid van bedrijfshulpverleners en goede bereikbaarheid voor hulpdiensten, evenals voldoende bluswatervoorzieningen. Tevens is het verzoek om het gebied niet aan te wijzen als voorschriftengebied. De brandweer heeft een advies uitgebracht op het onderzoek Omgevingsveiligheid. Het advies is weergegeven in Bijlage 8 – Advies brandweer 14 oktober 2025. In het advies staan een aantal maatregelen geformuleerd. Bij de realisatie van het AZC zal het COA zich committeren aan de maatregelen uit het advies van de brandweer. Er wordt een bedrijfsnoodplan uitgewerkt met instructies voor personeel en ter plaatse zullen bewoners voorgelicht worden over hoe te handelen bij calamiteiten. De uitschakelbare ventilatie blijft gehanteerd, evenals de handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019.

Daarnaast zal er een goede kierdichtheid worden gewaarborgd voor wanneer er een mogelijk gifwolkscenario ontstaat en wordt er folie geplakt op de ramen om scherfwerking te voorkomen. Ook wordt de brandweer betrokken bij de toekomstige bouwkundige toetsing. De handreiking bluswatervoorziening 2019 waarnaar verwezen wordt in de bijlage is ook van toepassing op het gebied. Gelet op de lage kans op ongevallen met gevaarlijke stoffen en de getroffen organisatorische en bouwkundige maatregelen mede op advies van de brandweer, vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor het voorgenomen gebruik van het pand als AZC.

4.8 Trillingen 4.8.1

Toetsingskader

Een asielzoekerscentrum of opvang voor asielzoekers valt conform de Omgevingswet onder een logiesfunctie. Gebouwen met een logiesfunctie zijn geen trillingsgevoelige gebouwen conform het Bbl. Een trillingsgevoelig gebouw of ruimte is volgens de Bkl, artikel 5.80 en 5.81, een gebouw/gebied of een gedeelte hiervan dat een woon- of nevengebruiksfunctie, onderwijs-, gezondheids- en bijeenkomstfunctie met kinderopvang bekleed.

4.8.2

Resultaten

In de omgeving van de projectlocatie bevinden zich voornamelijk kantoren. Voor de realisatie van het voornemen vinden geen grondroerende werkzaamheden plaats, gezien het voornemen het gebruik van het bestaande kantoorpand als tijdelijke opvanglocatie gebruikt. Hiermee zullen er geen trillingen worden veroorzaakt richting de omgeving met de realisatie van het voornemen.

4.8.3

Conclusie

Het aanwezige kantoorpand omvat voorgenoemde functies uit het toetsingskader niet. Het aspect trillingen vormt daarmee geen belemmering voor het voornemen en ook niet voor de omgeving. 36

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

4.9

Welstand

4.9.1

Toetsingskader

Welstand ziet toe op de ruimtelijke kwaliteit, de coherentie en esthetische waarden, van de gebouwde omgeving. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan alleen worden toegestaan als het bouwen van een bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van de welstand. Om te toetsen aan de eisen van welstand hebben de meeste gemeenten een welstandsnota vastgesteld.13 Sinds de Omgevingswet in werking is getreden, zijn de artikelen over welstand in de Woningwet komen te vervallen. Voor de welstandsnota geldt overgangsrecht. 14 De welstandsnota blijft gelden tijdens de overgangsfase.15 In het definitieve omgevingsplan maakt de gemeente opnieuw een afweging welke regels wenselijk zijn in het kader van welstand. De welstandsnota bevat beleidsregels die de gemeente toepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Ook zijn er gemeenten die bepaalde gebieden aanwijzen als ‘welstandsvrij’; in deze gebieden vindt geen welstandstoets plaats.

4.9.2

Resultaten

Het voornemen betreft het in gebruik nemen van een bestaand kantoorpand voor de tijdelijke opvang van asielzoekers. Dit gebouw heeft geen monumentale status en in de omgeving van de projectlocatie zijn geen monumentale gebouwen gevestigd. Er vinden geen externe fysieke wijzigingen plaats

4.9.3

Conclusie

De coherentie en esthetische waarden van de gebouwde omgeving worden met de voorgenomen ontwikkeling niet gewijzigd, daarmee vormt het aspect welstand niet aan de orde voor het voornemen.

4.10 Archeologie en cultuurhistorie 4.10.1

Toetsingskader

Erfgoed omvat zowel cultureel erfgoed als werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit rijksmonumenten, gemeentelijke en provinciale monumenten en archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed is geregeld in het Bal (hoofdstuk 13), de omgevingsverordening en het omgevingsplan.

4.10.2

Resultaten

Uit het omgevingsplan van de gemeente Diemen, blijkt geen dubbelbestemming (onder de Ow bekend als ‘functie’) voor archeologie op de projectlocatie. Daarbij omvat het voornemen het in gebruik nemen van een bestaand kantoorpand. Dit gebouw heeft geen monumentale status. Bovendien zijn er geen archeologische monumenten, waarden, rijksmonumenten of monumentale gebouwen aanwezig in de omgeving van de projectlocatie, zoals te zien in onderstaande Figuur 11.

13 De welstandsnota volgt uit artikel 12a, lid 1 van de Woningwet. 14 Artikelen 22.7 en 22.29 van de Bruidsschat. 15

Tot 1 januari 2032.

37

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

Figuur 11 Archeologische Monumentenkaart (AMK) en Rijksmonumenten in de omgeving van de projectlocatie (aangeduid met de marker, bron: Viewer Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2024).

4.10.3

Conclusie

Gelet op bovenstaande vormt het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ geen belemmering voor het voornemen.

4.11 Weging van het waterbelang 4.11.1

Toetsingskader

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt als doel de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater te beschermen en te verbeteren. De uitvoering hiervan is nationaal geborgd in het Nationaal Waterprogramma 2022-2027, waarbij het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven samenwerken volgens de afspraken uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten de volgende aspecten worden meegenomen: • • •

Het waterbelang dient expliciet te worden afgewogen bij alle relevante plannen. De trits schoonhouden, zuiveren, schoonmaken is leidend, met als uitgangspunt het voorkomen van vermenging van schoon en vuil water. De benodigde waterbergingscapaciteit wordt bepaald aan de hand van de NBW-normen; voor stedelijk gebied geldt een norm van T=100 (een neerslaggebeurtenis die eens in de 100 jaar voorkomt).

Deze uitgangspunten vormen het kader voor de beoordeling van waterhuishoudkundige aspecten bij nieuwe ontwikkelingen. Nederland is een waterrijk land, waardoor het essentieel is om waterbelangen zorgvuldig mee te nemen bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals bouwactiviteiten. Bij het opstellen van het omgevingsplan is de gemeente verplicht de opvattingen van de waterbeheerder te betrekken bij het afwegen van waterbelangen. Deze verplichting volgt uit paragraaf 5.1.3 en artikel 5.37 van het Bkl.

38

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

De 'weging van het waterbelang' houdt in dat rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Dit wordt in de Omgevingswet als juridische term gehanteerd, maar in de praktijk wordt ook vaak de term 'watertoets' gebruikt. De weging van het waterbelang is verplicht bij onder andere het vaststellen van het omgevingsplan, maar kan ook relevant zijn bij andere instrumenten. De gemeente moet de waterbeheerder consulteren over alle relevante waterbelangen, bijvoorbeeld bij watercompensatie vanwege verharding of bij het voorkomen van bebouwing in waterwingebieden. Hoe de gemeente de waterbeheerder betrekt, is niet wettelijk vastgelegd en mag zij zelf invullen.

4.11.2

Resultaten

Er wordt binnen het voornemen geen verstening toegevoegd of verwijderd. De afvoer van hemelwater wordt door het voornemen niet belemmerd of gewijzigd ten opzichte van de huidige situatie. Ook zullen er geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden wat kan leiden tot een wijziging in de waterhuishouding van het gebied.

4.11.3

Conclusie

Gelet op bovenstaande, vormt het aspect ‘water’ geen belemmering voor het voornemen.

4.12 Bodem 4.12.1

Toetsingskader

Voor milieubelastende activiteiten gelden algemene rijksregels die zijn vastgelegd in het Bal. Wanneer deze activiteiten kunnen leiden tot bodemverontreiniging, bevat het Bal specifieke maatregelen ter bescherming van de bodem. Artikel 2.11 van het Bal stelt een specifieke zorgplicht vast voor milieubelastende activiteiten die de bodem kunnen verontreinigen. Deze zorgplicht houdt in dat initiatiefnemers verplicht zijn om alle passende preventieve maatregelen te treffen om milieuverontreiniging te voorkomen. Daarnaast moeten zij de beste beschikbare technieken toepassen, zodat significante milieuverontreiniging wordt voorkomen. Ook dienen zij passende maatregelen te nemen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen. Mocht er desondanks toch bodemverontreiniging optreden, dan moet het herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijven. Op deze manier wordt gewaarborgd dat de bodem zo goed mogelijk wordt beschermd tegen de negatieve effecten van milieubelastende activiteiten. Voor bodembedreigende activiteiten die onder de algemene regels van het Bal vallen, is het uitvoeren van een nulonderzoek niet verplicht. Initiatiefnemers kunnen er echter vrijwillig voor kiezen om bij de start van een activiteit een nulonderzoek uit te voeren, wat later kan worden gebruikt als referentie bij het eindonderzoek.

Het nulonderzoek zelf is geen milieubeschermende maatregel. Voor vergunningplichtige, bodembedreigende activiteiten is een nulonderzoek wél verplicht. Dit geldt bijvoorbeeld bij het exploiteren van een IPPC-installatie, Seveso-inrichting, mijnbouwwerk, militaire zeehaven of luchthaven, of bij activiteiten in de minerale productenindustrie, voedingsmiddelenindustrie, en bij het verbranden of verwerken van (gevaarlijke) afvalstoffen. In deze gevallen moet bij de aanvraag van de omgevingsvergunning een rapport van het nulonderzoek worden overlegd (zie artikel 7.27 van de Omgevingsregeling).

4.12.2

Resultaten

Het asielzoekerscentrum betreft het gebruik van een leegstaand kantoorpand voor opvangplekken. Voor het gebruik nemen van de opvanglocatie vinden geen grondroerende werkzaamheden plaats.

4.12.3

Conclusie

Gelet op bovenstaande is het niet noodzakelijk om een bodemonderzoek uit te voeren en vormt het aspect ‘bodem’ geen belemmering voor het voornemen.

39

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

4.13 Milieuzonering 4.13.1

Toetsingskader

De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ heeft betrekking op milieuhinderlijke activiteiten op bedrijventerreinen en werkterreinen, bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige activiteiten. Tevens worden aanbevelingen gegeven voor rustige woongebieden en gemengde gebieden met wonen. In deze handreiking worden milieuhinderlijke activiteiten omschreven als “een aan een locatie toegedeelde activiteit, anders dan wonen, die milieuhinder kan veroorzaken, in het bijzonder in de vorm van geluid- of geurhinder”. Hieronder vallen ook activiteiten, anders dan wonen, die trillinghinder, stofhinder, veiligheidsrisico’s of lichthinder kunnen veroorzaken. Milieugevoelige activiteiten worden omschreven als “een activiteit waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat”.

4.13.2

Resultaten

Het voornemen is gelijk te stellen aan het gebruik als recreatiewoning of reguliere woning, omdat het hier om tijdelijke opvang gaat. Het voornemen valt hiermee volgens de definities uit de handreiking niet onder de definitie van een milieuhinderlijke activiteit, maar wel onder de definitie van een milieugevoelige activiteit. Aangezien het voornemen niet onder een milieuhinderlijke activiteit valt, heeft het voornemen geen invloed op de milieuruimte van andere bedrijven in de buurt. Wel zijn in de omgeving van de projectlocatie meerdere kantoren gelegen die mogelijk milieuhinder kunnen veroorzaken en daarmee de instandhouding van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kunnen beïnvloeden. Deze aspecten – geluid, geur en omgevingsveiligheid – zijn echter al beoordeeld in paragraaf 4.6 tot en met 4.8 respectievelijk. Hiermee zijn er geen aanvullende overwegingen.

4.13.3

Conclusie

Gelet op bovenstaande vormt het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering voor het voornemen.

4.14 Sociale veiligheid 4.14.1

Toetsingskader

Sociale veiligheid wordt binnen de Omgevingswet niet expliciet genoemd, maar maakt onderdeel uit van de algemene zorgplicht voor een veilige en gezonde leefomgeving. Overheden zijn bij het opstellen van het omgevingsplan verplicht om aandacht te besteden aan aspecten zoals overlast, misdrijven en verkeersonveilige situaties, die onder sociale veiligheid vallen. Het doel hiervan is het voorkomen van menselijk leed veroorzaakt door menselijke factoren. Sociale veiligheid omvat bescherming tegen leed veroorzaakt door menselijk handelen, zoals criminaliteit, onveilige verkeerssituaties en overlast. Dit onderscheidt zich van fysieke veiligheid, die gericht is op bescherming tegen leed door bijvoorbeeld ongevallen, branden of overstromingen. De Omgevingswet kent een algemene zorgplicht voor overheden, bedrijven en burgers om te zorgen voor een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Sociale veiligheid valt daarmee onder de brede verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de leefomgevingskwaliteit. Naast het creëren van een aantrekkelijke en aanpasbare fysieke leefomgeving is het essentieel dat de leefomgeving (sociaal) veilig is in het gebruik. Het doel is dat mensen zich veilig voelen en dat deze veiligheid ook daadwerkelijk wordt ervaren. Verschillende factoren kunnen bijdragen aan (het gevoel van) meer veiligheid, zoals: • • •

40

informeel toezicht op de openbare ruimte, waarbij er een gevoel van sociale controle is door aanwezigheid van anderen; persoonlijke controle over de 'eigen' omgeving, waarbij mensen het gevoel hebben dat ze invloed hebben op hun directe omgeving en de veiligheid ervan; het imago van het totale gebied, waarbij een positieve reputatie en uitstraling bijdragen aan een gevoel van veiligheid.

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

4.14.2

Resultaten

Door de factoren uit paragraaf 4.14.1 te bevorderen, kan een leefomgeving worden gecreëerd dat niet alleen aantrekkelijk is, maar ook als veilig wordt ervaren door de mensen die er gebruik van maken. Om een veilige omgeving te garanderen voor de omgeving en de asielzoekers is er vanuit het COA op de locatie 24 uur per dag toezicht aanwezig. Op de noodopvanglocatie zal 24/7 beveiliging aanwezig zijn en zijn er 7 dagen per week COAmedewerkers aanwezig als aanspreekpunt voor de bewoners, begeleiding en om toe te zien op de naleving van de huisregels. Deze huisregels zijn gebaseerd op Nederlandse normen en waarden zoals beschreven in artikel 1 van de Grondwet. De huisregels zijn voor alle bewoners toegankelijk doordat de regels worden gedeeld met de bewoner in de taal van herkomst. Ook is er een informatievideo beschikbaar over de huisregels in meerdere talen en kan er telefonisch een tolk worden ingeschakeld. De huisregels worden bij aankomst ondertekend tijdens het rechten- en plichtengesprek. Het COA treft verder een pakket aan maatregelen om de sociale veiligheid in de omgeving van het voornemen te waarborgen en heeft hierover afstemming met de gemeente. Zo biedt het COA begeleiding op maat, om de kans op onacceptabel gedrag van de asielzoekers te verkleinen.

Maatregelen bij overtredingen van bewoners zijn afhankelijk van de ernst van het gedrag en wordt met maatwerk beoordeeld. Voorbeelden van maatregelen bij een overtreding met een lichte impact waarbij geen vestrekking aan bod komt zijn een correctiegesprek of een waarschuwingsbrief. Voor een overtreding met een grote impact kan wel worden ingezet op inhouding verstrekking, zoals het inhouden van leefgeld of ontzeggen van toegang tot een opvanglocatie. Ook is er vanuit het COA een meldplicht voor AMV om mogelijke verdwijningen te voorkomen. De verschillende maatregelen zijn terug te vinden in het Maatregelenbeleid van het COA, raadpleegbaar in Bijlage 10 – Maatregelenbeleid COA – mei 2025. De gemeente Diemen is daarbij verantwoordelijk voor het monitoren van de effecten van de tijdelijke opvanglocatie in de omgeving en kan zo nodig in overleg met het COA en de politie (aanvullende) maatregelen treffen. De politie is verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde, onder gezag van de burgemeester en de opsporing bij eventueel gepleegde strafbare feiten onder gezag van het Openbaar Ministerie.

4.14.3

Conclusie

Het COA treft een pakket aan maatregelen om de sociale veiligheid in de omgeving van de projectlocatie te waarborgen en heeft hierover afstemming met de gemeente. Door het nemen van deze maatregelen kan geconcludeerd worden dat het aspect sociale veiligheid geen belemmering vormt voor het voornemen. Daarnaast heeft het COA een bedrijfsnoodplan opgesteld, deze is uitgewerkt en weergegeven in Bijlage 9 – . Dit is een eerste aanzet en zal in komend onderzoek verder worden uitgebreid en geconcretiseerd.

4.15 Duurzaamheid en gezondheid 4.15.1

Toetsingskader

Per gemeente moet vastgesteld worden of en hoe getoetst dient te worden aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid. In aanvulling op de regels uit de Bruidsschat en het Bbl worden de regels voor duurzaamheid en gezondheid vastgesteld in het omgevingsplan van de gemeente. Met betrekking tot het thema gezondheid wordt rekening gehouden met de algemene regels uit het Bbl.

4.15.2

Resultaten

Binnen het voornemen worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die van invloed zijn op de gezondheid van de omgeving. InGebruik wordt gemaakt van een bestaand gebouw. In de gebouwen zal verwarming aanwezig zijn conform het Bbl om een goed binnenklimaat te borgen. In alle verblijfsruimtes zijn ramen aanwezig voor de toetreding van daglicht. De ramen kunnen ook open voor frisse lucht. Alle relevante milieu- en omgevingsaspecten worden getoetst in hoofdstuk 4 van deze motivering. Op deze manier wordt er ook bijgedragen aan een gezonde leefomgeving voor de toekomstige bewoners.

4.15.3

Conclusie

De gemeente stelt in het omgevingsplan aanvullende regels voor duurzaamheid en gezondheid, naast de landelijke Bbl-regels. Voor het tijdelijk AZC worden geen activiteiten voorzien die de gezondheid schaden; het bestaande 41

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

gebouw voldoet aan eisen voor binnenklimaat en daglicht. Zo wordt bijgedragen aan een gezonde leefomgeving. Voor de realisatie van de opvang zijn de aspecten gezondheid en duurzaamheid geen belemmering.

4.16 Mer-beoordeling 4.16.1

Toetsingskader

Of een milieueffectrapportage (mer) of een mer-beoordeling vereist is voor een ontwikkeling kan beoordeeld worden aan de hand van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een nadere toelichting is te vinden in de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. De opvang van asielzoekers wordt niet specifiek genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit, maar kan onder een stedelijk ontwikkelingsproject vallen (categorie J11) indien de ontwikkeling van significante schaal is. Op basis van de rechtelijke uitspraken van de rechtbank van Gelderland16 en van de Raad van State17 is in het beginsel sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject bij een (extra) ruimtebeslag van meer dan 500 m2.

4.16.2

Resultaten

Het COA heeft het voornemen om een leegstaand kantoorpand in gebruik te nemen. Naast de ingebruikname van het pand zullen er fietsenrekken en picknickbanken worden geplaatst, komt er een tijdelijk bouwhek rondom het parkeerterrein en de vijver. Daarmee is er geen sprake van extra ruimtebeslag en is er geen mer(-beoordeling) benodigd.

4.16.3

Conclusie

Het voornemen valt niet onder een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder categorie J11 van bijlage V. Op basis hiervan is het niet noodzakelijk om een mer(-beoordeling) op te stellen voor de realisatie van het AZC.

16 ECLI:NL:RBGEL:2018:1528. 17

ECLI:NL:RVS:2017:1724.

42

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

5 BEPERKINGENGEBIEDEN Een beperkingengebied is een overkoepelend begrip dat wordt gedefinieerd in de Omgevingswet. Het beschrijft een gebied dat door het Rijk, de provincie, een gemeente, een waterschap of door ProRail is aangewezen , waar specifieke regels gelden voor activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor een specifiek werk of object. Dergelijke werkzaamheden zijn omgevingsvergunningplichtig indien deze binnen een beperkingengebied worden uitgevoerd. Dit zijn doorgaans gebieden in de nabijheid van wegen en waterstaatswerken waar beperkingen van toepassing zijn. Relatie tot het voornemen Het voornemen wordt niet gerealiseerd in een beperkingengebied van het Rijk, de provincie, het waterschap de gemeente of de spoorwegbeheerder. Het voornemen ligt op +- 88 meter van het nabijgelegen spoor. Het aspect beperkingengebieden vormt daarmee geen belemmering voor het voornemen.

43

Onze referentie: <DocId>:0.12 - Datum: 5 november 2025 - Public

6 UITVOERBAARHEID In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke en economische haalbaarheid van de geplande tijdelijke opvang besproken. Ook wordt ingegaan op de verschillende mogelijkheden voor participatie die zijn gebruikt en/of zullen worden toegepast.

6.1 Economische uitvoerbaarheid Kostenverhaal Het verhaal van de gemaakte kosten is aan de orde indien een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten. Het voornemen omvat geen kostenverhaalplichtige activiteit en is het niet nodig om het kostenverhaal te verzekeren. Financiering Het COA draagt de verantwoordelijkheid voor de financiering van de uitvoering gedurende de exploitatieperiode van de noodopvang. Het COA huurt de projectlocatie en voert een maatschappelijke taak uit in opdracht van de overheid. De financiering van de opvang wordt ook door de overheid verzorgd, gezien de maatschappelijke rol van het COA in het realiseren van de opvangfaciliteiten. Beheer Het COA verzorgt het beheer en onderhoud van het gebouw en het terrein gedurende het gebruik ten behoeve van de tijdelijke opvang. Het tijdelijk gebruikt van de locatie door het COA leidt niet tot onomkeerbare gevolgen die het toekomstig gebruik conform de geldende functie in het tijdelijke deel van het omgevingsplan verhinderen.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1

Participatie

Bij het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning BOPA is het vereist dat de initiatiefnemer aangeeft of en op welke manieren er participatie heeft plaatsgevonden, en wat de resultaten hiervan zijn. De participatiestrategie richt zich op open, tijdige en eerlijke communicatie met directe belanghebbenden en de bredere gemeenschap. Input bewoners De omwonenden van Diemerhof 2 zijn geïnformeerd over het voornemen een tijdelijke opvang voor asielzoekers te realiseren. Er is plek voor maximaal 160 asielzoekers, van wie 47 alleenstaande minderjarige vluchtelingen (AMV’ers) voor de duur van tien jaar. Omwonenden zijn geïnformeerd via brieven, het nieuws en de gemeentelijke website. Het COA heeft in overleg met de gemeente Diemen afgestemd over de komst van het AZC. De gemeente heeft deze informatie gedeeld met de omgeving via haar website, nieuwsberichten en brieven aan directe omwonenden. Daarnaast zijn in mei en juni 2025 verschillende bijeenkomsten georganiseerd: op 19 mei een webinar, op 26 mei een bijeenkomst voor ondernemers van het kantorenpark Bergwijkdreef en op 2 juni een informatiemarkt. Directe omwonenden werden hiervoor uitgenodigd per brief en overige inwoners werden geïnformeerd via lokale nieuwskanalen en de gemeentelijke website.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Diemen&id=f92419af-8074-4dc2-98cf-79aea4ac05e1