Bijlage 1 Rekenkamer Deventer - Nota Transitie van de sociale teams naar Team Toegang Wmo en de Voor Elkaar Teams
Tekst van het document
In de verantwoordingen wordt hierop voortgebouwd met voorbeelden van wijkactiviteiten. Uitgangspunten in werkplannen Team Toegang Wmo (2023-2024) Voor de beantwoording van de vraag in hoeverre de uitgangspunten van de transitie naar Team Toegang Wmo in de praktijk worden gebracht, is een documentenstudie uitgevoerd op basis van twee documenten: • Ambitie werkplanning Wmo 2023-2024 doorlopend (intern document met actielijst per medewerker) • Bijeenkomst werkplan 2024 Team Toegang Wmo (versie 2.0) (samenvatting van een teambijeenkomst, inclusief evaluatie en prioritering) Beide documenten bieden inzicht in de wijze waarop het team de eigen opdracht vormgeeft en geven inzicht in de voortgang en gewenste verbeteringen. De zes uitgangspunten, zoals beschreven in het
26
visiedocument Samenspel Wmo Toegang en Preventie (2021), zijn hierbij als ordeningsprincipe gebruikt. Uitgangspunt 1. Zelfredzaamheid en participatie van de inwoner centraal Dit uitgangspunt is indirect zichtbaar in de ambitie om in te zetten op algemene voorzieningen (zoals een scootmobielpool), het streven naar minder individuele voorzieningen, en de wens om bewoners niet van het kastje naar de muur te sturen. Ook wordt gezocht naar manieren om ondersteuning beter aan te laten sluiten op de leefwereld van de inwoner, onder meer door efficiëntere werkprocessen en betere communicatie over beschikkingen. Uitgangspunt 2. We vertrouwen op elkaars kennis en kunde Binnen het team is er veel aandacht voor het versterken van onderlinge samenwerking en het leren van elkaar. In beide documenten wordt stedelijke casuïstiekbespreking meermaals genoemd als middel om kennisdeling te bevorderen. Ook zijn er ideeën benoemd voor trainingen, intervisie en vakgroepoverstijgende kennisuitwisseling. Uitgangspunt 3. Komen tot een beter aanbod voor de inwoner Het streven naar een beter aanbod komt onder meer tot uiting in het ontwikkelen van integrale plannen, het delen van caseload-informatie en het stroomlijnen van processen tussen de verschillende Wmo Toegang teams. Ook zijn acties geformuleerd om Wmo-zorgaanbieders te betrekken bij het versterken van het voorliggend veld.
De focus ligt vooral op de interne organisatie van het team en minder op het aanbod als zodanig. De samenwerking vanuit de Teams VET met Team Wmo is slechts een deel van de opdracht en het dagelijks werk. De Teams VET hebben intervisie en casuïstiek overleg met het team Toegang Wmo. In enkele wijken is er ook sprake van structureel overleg, onafhankelijk van de casuïstiek. Uitgangspunt 4. We werken digitaal In beide documenten wordt expliciet aandacht gevraagd voor het verbeteren van het registratiesysteem WIZ, inclusief het verminderen van het aantal klikken en het automatisch overzetten van gegevens. Het integrale ondersteuningsplan wordt gezien als oplossing voor een deel van deze knelpunten. Ook zijn er ideeën geuit over rapportageformaten en toekomstige inzet van Artificial Intelligence. Het uitgangspunt digitaal werken is aanwezig in ambities en actiepunten. Uitgangspunt 5. We investeren in voortdurende verbetering Acties en ambities zijn geformuleerd op het vlak van het vergroten van kennis, het verbeteren van processen en het versterken van samenwerking. Scholing, training en intervisie worden nadrukkelijk benoemd als acties, evenals reflectie op casuïstiek en succesmomenten. Uitgangspunt 6. We werken wijkgericht als basis (waar dit meerwaarde heeft stedelijk) Het wijkgerichte karakter is minder prominent zichtbaar.
In het werkplan 2024 is benoemd dat de samenwerking met wijkvoorzieningen en andere domeinteams versterkt moet worden. Het fysieke werken in de wijk of nabijheid tot bewoners komt slechts beperkt terug. Samenvatting analyse plannen en verantwoording In onderstaande tabel zijn de bevindingen voor beide teams vanuit de analyse vanaf papier samengevat. Uitgangspunt
27
Voor Elkaar Team
Team Toegang Wmo
1. Zelfredzaamheid en participatie van de inwoner centraal
2. We vertrouwen op elkaars kennis en kunde
3. We komen tot een beter aanbod voor de inwoner
4. We werken digitaal
5. We investeren in voortdurende verbetering
6. We werken wijkgericht als basis (waar dit meerwaarde heeft stedelijk)
28
Gedeeltelijk in de praktijk gebracht. Plannen benadrukken netwerkversterking en bewonersinitiatieven. In de praktijk ligt de nadruk op individuele begeleiding voor toeleiding naar collectief. Effecten van collectieve inzet zijn moeilijk meetbaar en onderbelicht in verantwoordingen. Beperkt in de praktijk gebracht. Plannen benoemen overlegstructuren en samenwerking, maar verantwoordingen bieden weinig zicht op structurele reflectie of gezamenlijk leren. Gedeeltelijk in de praktijk gebracht. Ambitie om aanbod te verbeteren via signalering en participatie is zichtbaar. Verantwoording blijft echter vaag over effectiviteit of aansluiting op leefwereld. Beperkt in de praktijk gebracht. Digitalisering wordt erkend als randvoorwaarde, maar blijft afwezig in uitvoering. Systemen sluiten slecht aan op praktijk; datagedreven werken blijft abstract. Beperkt in de praktijk gebracht. Ambities zijn benoemd in plannen, maar blijven abstract. In verantwoordingen geen zicht op opbrengsten of leerstructuur. In de praktijk gebracht. Wijkgericht werken is structureel ingebed in plannen en uitvoering. Fysieke aanwezigheid en wijkactiviteiten
Gedeeltelijk in de praktijk gebracht. Inzet op algemene voorzieningen en betere aansluiting bij de leefwereld. Participatiebevordering buiten het Wmo-maatwerkdomein is beperkt uitgewerkt.
In de praktijk gebracht. Veel aandacht voor samenwerking, intervisie en kennisdeling. Casuïstiek en scholing ondersteunen benutting van expertise binnen het team. Gedeeltelijk in de praktijk gebracht. Streven naar integrale plannen en procesoptimalisatie. Focus ligt meer op interne organisatie dan om tot een beter aanbod voor inwoners te komen. Merendeels in de praktijk gebracht. Registratiesystemen worden kritisch besproken, met concrete verbeteracties. Ambities rond digitalisering zijn aanwezig, inclusief ideeën over AI. In de praktijk gebracht. Scholing, intervisie en reflectie zijn onderdeel van het werkproces. Actieve investering in individueel en collectief leren zichtbaar. Beperkt in de praktijk gebracht. Wijkgerichtheid speelt ondergeschikte rol. Fysieke nabijheid en wijkaanwezigheid komen beperkt terug. De meerwaarde
zijn zichtbaar. Stedelijke focus komt beperkt terug.
4.3
van de organisatie van de uitvoering op stedelijk niveau prevaleert.
Bevindingen toepassing uitgangspunten o.b.v. ervaringen uitvoerders
Onderzoeksvraag: 3. Hoe ervaren betrokkenen deze uitgangspunten en hoe geven ze daar invulling aan? Bevindingen op hoofdlijnen: • Bij uitvoerders van beide teams geldt dat zij aangeven dat bij de start van de beide teams voor hen de opdracht en daarmee ook de invulling van de uitgangspunten in hun dagelijkse werk niet duidelijk waren. Die duidelijkheid is er nu wel bij Team Toegang Wmo, maar bij de Voor Elkaar Teams wordt de opdracht nog steeds niet als eenduidig ervaren: hoewel de bedoeling van het werk – preventief, nabij, wijkgericht – wordt herkend, ontbreekt het aan een heldere en gedeelde structuur. • Voor Elkaar Teams (VET) ervaren een minder duidelijke opdracht en structuur dan het Team Toegang Wmo. Bij het VET speelt daarbij ook mee dat de medewerkers uit vier verschillende moederorganisaties komen en dat brengt ook verschillen in aansturing en cultuur met zich mee. Dit leidt tot verschillende ontwikkelsnelheden van de teams en een volgens de betrokkenen een te beperkte gezamenlijke leerontwikkeling. • De uitgangspunten worden breed herkend, maar niet altijd consequent toegepast in de praktijk. Dit komt door een combinatie van factoren, zoals een minder eenduidige opdracht, verschillen tussen moederorganisaties, het ontbreken van gezamenlijke leerstructuren en randvoorwaarden, en uiteenlopende contexten per team of wijk.
Daardoor ontstaat variatie in werkwijze en interpretatie van de uitgangspunten. • Uitgangspunt 1: Zelfredzaamheid en participatie van de inwoner centraal. Het sturen op zelfredzaamheid en participatie vindt in beide teams plaats. Bij VET is de inzet gericht op netwerkversterking, informele ondersteuning activeren en begeleiding naar initiatieven in de wijken. Tegelijkertijd benoemen medewerkers dat hun ondersteuning beperkt is door capaciteit, financieringsmogelijkheden en beperkte fysieke aanwezigheid in een aantal wijken. Bij Team Toegang Wmo is dit uitgangspunt leidend in de afweging over de inzet van voorzieningen. Medewerkers ervaren dat zij weinig invloed hebben op het ontwikkelen van collectieve oplossingen. • Uitgangspunt 2: We vertrouwen op elkaars kennis en kunde. Vertrouwen is persoonsafhankelijk, maar binnen VET weinig gestructureerde samenwerking. Bij Team Toegang Wmo is intervisie en leren van elkaar structureel ingebed. Leren tussen VET en Team Toegang Wmo beperkt (alleen casuïstiekbespreking) georganiseerd. • Uitgangspunt 3: Komen tot een beter aanbod voor inwoners. Verbetering van het aanbod gebeurt in VET waardoor kleinschalige initiatieven ontstaan of ondersteund worden. Wel ervaren zij hobbels in het ontwikkelen van collectieve oplossingen als daar financiering of blijvende ondersteuning vanuit professionals voor nodig is.
Team Toegang Wmo heeft vooral een signalerende rol richting VET. Gezamenlijke doorontwikkeling van aanbod gebeurt ad hoc en niet structureel. Monitoring van
29
•
•
•
deelname aan collectieve voorzieningen, doorverwijzing en de effecten hiervan vindt niet plaats. Dit maakt verdere doorontwikkeling niet plaats vindt op basis van analyse van het huidige gebruik en effecten. Uitgangspunt 4: We werken digitaal. Digitaal werken is voor het VET een knelpunt: registratiesystemen sluiten slecht aan op de praktijk en kunnen beperkt gebruikt worden voor leren. Het Team Toegang Wmo ervaart dat registratiesysteem werkprocessen ondersteunt en hen helpt te leren en verbeteren. Gezamenlijk leren via datagedreven werken tussen VET en Team Toegang Wmo gebeurt niet. Uitgangspunt 5: We investeren in voortdurende verbetering. Leren en verbeteren is binnen het Team Toegang Wmo structureel georganiseerd; binnen het VET is dat ad hoc en niet structureel ingebed. Leren en verbeteren tussen de beide teams is beperkt ingericht. Uitgangspunt 6: We werken wijkgericht als basis. Wijkgericht werken is bij het VET de praktijk, maar wordt belemmerd door gebrekkige huisvesting en zichtbaarheid bij bewoners. In meerdere wijken ontbreekt een vaste werkplek, is geen centraal telefoonnummer beschikbaar en is de fysieke aanwezigheid in de wijk beperkt, wat het laagdrempelig contact en de herkenbaarheid voor inwoners bemoeilijkt.
Bij het Team Toegang Wmo zijn de teams wel rond wijken ingericht, maar de fysieke aanwezigheid in de wijken is beperkt en dat zorgt voor minder diepgaande verbondenheid met de wijken.
Onderbouwing De beantwoording is gebaseerd op gesprekken met uitvoerende medewerkers van Team Toegang Wmo en de Voor Elkaar Teams (VET) in Deventer. De resultaten zijn gestructureerd in twee onderdelen. Eerst zijn de ervaringen van de medewerkers over de opdracht en werkwijze per team beschreven. Vervolgens is per uitgangspunt weergegeven hoe medewerkers deze uitgangspunten ervaren en hoe zij hieraan in de praktijk invulling geven. Algemeen beeld – ervaring met opdracht en uitgangspunten Voor Elkaar Teams (VET) De opdracht van het VET wordt door medewerkers als minder eenduidig ervaren. De verbeterslagen die het afgelopen jaar zijn gemaakt in de aanscherping van de opdracht en de KPI’s, de aanstelling van een onafhankelijk manager en de gezamenlijke bijeenkomsten hebben hier vooralsnog geen verandering in gebracht. Hoewel de bedoeling van het werk – preventief, nabij, wijkgericht – wordt herkend, ontbreekt het aan een heldere en gedeelde structuur. Respondenten benoemen dat er veel ruimte is voor eigen invulling, wat enerzijds als prettig wordt ervaren, maar ook leidt tot verschillen in werkwijze, afhankelijk van persoon, team of wijk. Er is behoefte aan meer centrale sturing, duidelijke taakafbakening en gezamenlijke kaders.
Medewerkers geven aan dat zij zich verantwoordelijk voelen voor het welzijn van inwoners, maar hierin beperkt worden door het ontbreken van structuur, middelen en vaste samenwerkingsafspraken. Monitoring van deelname aan collectieve voorzieningen, doorverwijzing en de effecten hiervan vindt niet plaats. Dit maakt verdere doorontwikkeling niet plaats vindt op basis van analyse van het huidige gebruik en effecten. Ook het ontbreken van vaste werkplekken, telefoonlijnen of herkenbare contactkanalen wordt als knelpunt ervaren, waardoor zichtbaarheid en bereikbaarheid in de wijk onder druk staan.
30
Team Toegang Wmo Binnen het Team Toegang Wmo wordt de opdracht inmiddels als duidelijk ervaren. Medewerkers die vanaf de start in 2021 betrokken waren, geven aan dat dit in de beginfase nog niet als heel duidelijk werd ervaren, maar dat die duidelijkheid in de loop van de tijd steeds meer is gekomen. Medewerkers weten wat nu van hen wordt verwacht: het beoordelen van aanvragen op grond van de Wmo, het voeren van gesprekken en het nemen van formele besluiten over voorzieningen. De taakopvatting is sterk procedureel en juridisch van aard. Tegelijkertijd geven medewerkers aan dat deze helderheid en afbakening ook leidt tot weinig betrokkenheid bij preventieve inzet of collectieve ondersteuning. Het zicht op wat er in de wijk of binnen het VET gebeurt, is beperkt. De samenwerking met andere partijen is grotendeels casusgericht en afhankelijk van persoonlijke lijnen. Medewerkers ervaren dit als een gemis, vooral waar het gaat om integrale ondersteuning van inwoners. Hoewel het team formeel wijkgericht werkt, zijn zij meestal niet fysiek aanwezig in de wijk, wat het laagdrempelige contact met inwoners belemmert. Ervaring met en toepassing van de uitgangspunten Uitgangspunt 1. Zelfredzaamheid en participatie van de inwoner centraal VET: Medewerkers herkennen dit als een belangrijk uitgangspunt in hun werk.
Zij proberen inwoners te activeren en de eigen kracht te versterken, bijvoorbeeld door netwerkversterking, informele ondersteuning of het begeleiden naar initiatieven. Veel collectieve voorzieningen ontstaan op initiatief van inwoners zelf. De bijdrage van het VET zit dan in het begeleiden, verbinden en ondersteunen. Tegelijkertijd benoemen medewerkers dat zij beperkt zijn in het bieden van structurele ondersteuning, beperkte financieringsmogelijkheden voor de ondersteuning van initiatieven hebben en in een aantal wijken hun fysieke aanwezigheid beperkt is, waardoor de inzet kwetsbaar blijft. Samenwerking met het Team Toegang Wmo vindt hoofdzakelijk plaats op casusniveau. Wmo: Binnen het Team Toegang Wmo is het stimuleren van zelfredzaamheid leidend in de afweging over de inzet van voorzieningen. Medewerkers benoemen dat zij oog hebben voor de eigen mogelijkheden van inwoners en proberen aan te sluiten bij het netwerk. Tegelijkertijd is hun speelruimte beperkt door de formele kaders van de Wmo. Er is vanuit Team Toegang Wmo weinig zicht op de bredere ondersteuning die buiten het Wmo-(maatwerk)domein plaatsvindt, bijvoorbeeld waar het gaat om participatie. Consulenten ervaren dat zij op het ontwikkelen collectieve voorzieningen weinig invloed hebben en sterk afhankelijk zijn van het VET.
De samenwerking met het VET is functioneel, maar wordt niet als vanzelfsprekend of structureel georganiseerd ervaren. Uitgangspunt 2. We vertrouwen op elkaars kennis en kunde VET: Medewerkers geven aan dat zij vertrouwen hebben in collega’s, en dat daarnaast samenwerking grotendeels afhangt van persoonlijke relaties. Structurele vormen van reflectie, intervisie of gezamenlijke leermomenten zijn binnen de VET beperkt aanwezig. Verschillen in achtergrond en aansturing vanuit moederorganisaties zorgen voor uiteenlopende werkwijzen. Dit maakt het lastig om als één team te opereren en gebruik te maken van elkaars expertise. Hierin zijn ook verschillen tussen de verschillende Voor Elkaar Teams. Feedback wordt informeel gedeeld, maar er is geen vaste structuur voor gezamenlijk leren of methodische reflectie. Wmo: In het Team Toegang Wmo zijn werkvormen als casuïstiekbesprekingen en intervisie gebruikelijk. Medewerkers geven aan dat zij leren van elkaar en dat er een basis van onderling vertrouwen is. De samenwerking met het VET wordt wisselend ervaren: deels positief, maar vaak afhankelijk van individuen. Behalve casuïstiekoverleg ervaren medewerkers dat structurele werkvormen voor
31
gezamenlijke reflectie en kennisdeling met het VET ontbreken. Ondanks waardering voor elkaars werk is het samenspel vooral casus gestuurd. Uitgangspunt 3. We komen tot een beter aanbod voor de inwoner VET: Medewerkers signaleren behoeften in de wijk en proberen daarop in te spelen met initiatieven of informele ondersteuning. Voorbeelden zijn maatjesgroepen, ontmoetingsmomenten of activiteiten voor specifieke doelgroepen. Deze initiatieven komen regelmatig voort uit bewoners zelf en worden begeleid door VET-medewerkers. Tegelijkertijd ervaren zij dat het ontwikkelen en realiseren van collectieve oplossingen lastig blijken. Als inwoners zelf krachtig genoeg zijn om collectieve oplossingen te dragen, dan kunnen de VET-medewerkers de ondersteuning bieden. Maar als bijvoorbeeld aanbieders van maatwerkvoorzieningen individuele ondersteuning ook collectief kunnen aanbieden of collectief kunnen ondersteunen, dan ervaren medewerkers dat er veel hobbels te nemen zijn. Het vraagt dat financiering geregeld moet worden en dat vraag afstemming met de gemeente en de betreffende aanbieder. Het kost veel organisatiekracht om een aanbod georganiseerd en gefinancierd te krijgen. Ook zijn er inwonersinitiatieven waarbij na verloop van tijd blijkt dat er structurele ondersteuning vanuit het VET of anderszins nodig is. Dat is dan weer lastig binnen de beschikbare uren van de VETmedewerkers.
De medewerkers ervaren dat zij in deze situaties, waar Team Toegang Wmo signaleert dat collectieve oplossingen wenselijk zijn, niet of niet snel genoeg aan de verwachtingen om collectieve oplossingen te realiseren kunnen voldoen. Monitoring van deelname aan collectieve voorzieningen, doorverwijzing en de effecten hiervan vindt niet plaats. Dit maakt verdere doorontwikkeling niet plaats vindt op basis van analyse van het huidige gebruik en effecten. Wmo: Medewerkers geven aan dat zij vooral gericht zijn op de formele toegang tot voorzieningen. Het verbeteren van het aanbod wordt nauwelijks als hun verantwoordelijkheid gezien. Wel is er behoefte aan meer informatie over wat er beschikbaar is in de wijk of vanuit het VET, zodat inwoners gerichter verwezen kunnen worden. Het ontbreekt momenteel aan inzicht in het bredere palet aan ondersteuning. Medewerkers zien veel mogelijkheden voor collectieve oplossingen, maar ervaren dat de VET daarin niet of niet snel genoeg in kunnen voorzien. Er zijn zeker goede voorbeelden waar het wel goed lukt, maar een verbeterpunt is dat er meer gezamenlijk nagedacht kan worden over de aard en inrichting van de collectieve oplossingskansen. Uitgangspunt 4. We werken digitaal VET: Digitale registratie en monitoring worden als knelpunt ervaren.
Het huidige registratiesysteem (WIZ) sluit niet goed aan op de praktijk, met name waar het gaat om het vastleggen van collectieve of informele inzet. Dit maakt het lastig om werkzaamheden zichtbaar te maken of te onderbouwen. Medewerkers benoemen dat hierdoor een deel van hun werk onder de radar blijft. Registratie gebeurt grotendeels handmatig en contextafhankelijk. Er is behoefte aan een systeem dat ruimte biedt voor verhalende of ervaringsgerichte verantwoording. Het registratiesysteem levert op dit moment geen waardevolle informatie op waar medewerkers zelf van kunnen leren en verbeteren. Uit de gesprekken blijkt dat kortgeleden is gestart met een traject datagedreven werken voor de VET. De verwachting daarbij is dat het registratiesysteem daarin meer dan nu ook helpend gaat zijn bij de eigen leer- en verbeterprocessen. Een verwachting daarbij is dat, net als bij de Wmo, ook een registratie kan plaatsvinden op bereikte effecten vanuit het perspectief van de inwoners. Wmo: Binnen het Team Toegang Wmo wordt gewerkt met het registratiesysteem WIZ, dat goed aansluit op de formele processen. Medewerkers benoemen dat het systeem overzicht biedt, maar ook beperkingen kent, bijvoorbeeld bij het integraal werken of delen van informatie. Het team kan op basis van de gegevens uit het registratiesysteem leren en verbeteren. Dat gebeurt in de afzonderlijke teams,
32
maar ook op stedelijk niveau. Soortgelijke leer- en verbetermomenten zijn op het casuïstiekoverleg met de VET na, niet aanwezig maar wel gewenst volgens de medewerkers. Uitgangspunt 5. We investeren in voortdurende verbetering VET: Er is grote behoefte aan gezamenlijke scholing, reflectie en leerontwikkeling. Momenteel is scholing georganiseerd per moederorganisatie en ontbreekt een specifiek leertraject voor de VETmedewerkers. Uit de gesprekken blijkt dat de scholing die vanuit de moederorganisaties aangeboden wordt en belangrijk gevonden wordt, niet altijd aan te sluiten bij de specifieke leer- en ontwikkelbehoeften binnen de VET. Medewerkers geven aan dat zij behoefte hebben aan meer gezamenlijke momenten om stil te staan bij casuïstiek, dilemma’s en ontwikkelpunten. Hoewel er veel informele leeractiviteiten zijn, ontbreekt een structureel leerproces waarin rode draden worden geanalyseerd en gedeeld. Aangegeven wordt dat de diversiteit in werksoorten en deskundigheden in het VET groter is dan in het Team Toegang Wmo. Dat maakt de richting van het leren en verbeteren (waarop) ook minder eenduidig dan bij het Team Toegang Wmo. Daarnaast ervaren medewerkers veel autonomie, wat zij erg waarderen. Tegelijkertijd ervaren zij een gebrek aan kaders en sturing vanuit managementniveau. Dit kan volgens medewerkers ook helpend zijn in het organiseren van het leren en verbeteren.
Uit de gesprekken blijkt dat een ontwikkeling is ingezet van één onafhankelijke leidinggevende voor de VET in plaats van leidinggevenden vanuit de verschillende moederorganisaties. Wmo: In het Team Toegang Wmo is meer structuur aanwezig voor leren en verbeteren. Intervisie, casus overleggen en reflectiemomenten zijn onderdeel van het werkproces. Het registratiesysteem WIZ is hierin ook ondersteunend. Medewerkers geven aan dat zij hierdoor kunnen professionaliseren. Tegelijkertijd is deze ontwikkeling sterk intern gericht: er is weinig gezamenlijke leerontwikkeling met het VET of andere partners. Evaluatie vindt vooral plaats binnen het eigen team, zonder overdracht van leerervaringen over teamgrenzen heen. Uitgangspunt 6. We werken wijkgericht als basis (waar dit meerwaarde heeft stedelijk) VET: Medewerkers geven aan dat zij wijkgericht proberen te werken en actief aansluiten bij netwerken, bewonersinitiatieven en signaleringsoverleggen. Bij de start van de VET werd het ontbreken van vaste en laagdrempelige werkplekken in de wijk als een groot knelpunt benoemd. Daar zijn wel verbeteringen in zichtbaar volgens medewerkers, maar in meerdere wijken is het VET niet fysiek aanwezig. Ook het ontbreken van een centraal, bereikbaar telefoonnummer wordt gezien als een gemis in de zichtbaarheid richting inwoners.
Desondanks lukt het om via netwerken signalen op te vangen en activiteiten te organiseren. Structurele afstemming met het Team Toegang Wmo is minder goed mogelijk door het wegvallen van gedeelde werkplekken. Wmo: De wijkgerichtheid van het Team Toegang Wmo is in de praktijk beperkt. Medewerkers zijn formeel aan wijken toegewezen, maar werken vanuit stedelijke stamgroepen en zijn naar eigen zeggen beperkt fysiek aanwezig in de wijk. Contact met inwoners in de wijken vindt grotendeels plaats via huisbezoeken. De afstemming met VET gebeurt vooral als daar aanleiding toe is vanuit een casus, niet structureel. Het gebrek aan locaties met gezamenlijke werkplekken met de VET en laagdrempelige plekken om met inwoners af te spreken worden gezien als belemmerend voor wijkgericht werken. Samenvatting In onderstaande tabel zijn de bevindingen voor beide teams samengevat. Uitgangspunt Voor Elkaar Team Team Toegang Wmo 1. Zelfredzaamheid Grotendeels in praktijk gebracht. Grotendeels in praktijk en participatie van Inwonergericht werken staat centraal. gebracht. Binnen formele kaders
33
de inwoner centraal
2. We vertrouwen op elkaars kennis en kunde
3. Komen tot een beter aanbod voor de inwoner
4. We werken digitaal
5. We investeren in voortdurende verbetering
6. We werken wijkgericht als basis
Aandacht voor activering, netwerkversterking en informele steun is zichtbaar, maar structurele ondersteuning (coördinatie, middelen, werkplekken) ontbreekt. Collectieve inzet is kwetsbaar en onvoldoende ingebed. Gedeeltelijk in praktijk gebracht. Vertrouwen is persoonsgebonden. Samenwerking is weinig gestructureerd; reflectie, intervisie en gezamenlijk leren ontbreken grotendeels. Verschillen tussen moederorganisaties bemoeilijken uniformiteit. Gedeeltelijk in praktijk gebracht. Behoeften worden gesignaleerd, en kleinschalige initiatieven ontstaan, vaak op basis van inwonerinitiatief. Hobbels worden ervaren in het realiseren van collectieve oplossingen en gevoel niet te kunnen voldoen aan verwachtingen op dit vlak Zeer beperkt in praktijk gebracht. Huidige registratiesysteem (WIZ) sluit slecht aan op collectieve en informele inzet. Registratie is handmatig en beperkt bruikbaar voor sturing of verantwoording. Behoefte aan registratiesysteem dat de praktijk weerspiegelt. Zeer beperkt in praktijk gebracht. Er is behoefte aan gedeelde scholing en reflectie, maar er is geen gezamenlijke leerstructuur. Leren gebeurt ad hoc en per organisatie. Gedeeltelijk in praktijk gebracht. Intentie en inzet zijn er, met aansluiting bij wijknetwerken en bewoners. Gebrek aan fysieke werkplekken, centrale contactkanalen en gedeelde structuren vormen belemmeringen.
wordt gestreefd naar inzet van eigen netwerk en integrale plannen, maar participatiebevordering buiten het Wmo-(maatwerk)domein gebeurt beperkt. Grotendeels in praktijk gebracht. Binnen het team zijn intervisie en casuïstiekbesprekingen ingebed, maar structurele samenwerking en gezamenlijke leerstructuur met VET ontbreekt. Gedeeltelijk in praktijk gebracht. Inzicht in eigen aanbod is aanwezig, maar zicht op het VETaanbod wordt als beperkt ervaren. Verbetering van het collectieve aanbod wordt als taak van het VET gezien. In praktijk gebracht. Registratiesysteem WIZ ondersteunt formele werkprocessen. Er is zicht op monitoring en eerste stappen richting datagedreven sturing. Evaluatie gebeurt wel binnen team, niet in samenhang met VET. In praktijk gebracht. Reflectie, intervisie en casuïstiek zijn ingebed. Medewerkers professionaliseren actief binnen het team. Leerontwikkeling blijft wel binnen eigen teams gericht. Beperkt in praktijk gebracht. Formeel wijkgericht ingericht, maar in praktijk afwezig in de wijk. Samenwerking met VET is incidenteel en casusgericht. Fysieke aanwezigheid in de wijken ontbreekt grotendeels.
Bevindingen ontwikkelkamer (perspectief leidinggevenden beide teams en beleidsmakers)
34
Deelnemers aan de ontwikkelkamer onderstrepen het belang van preventie, collectieve ondersteuning en het versterken van netwerken. Deelnemers doen een aantal observaties. Verschillende ontwikkelsnelheden Wmo en VET Deelnemers geven aan dat voor Team Toegang Wmo de opdracht en het werkproces veel eenduidiger en meer afgebakend is. Het team heeft vanaf de start dezelfde leidinggevende gehad. In de loop van de jaren is gestructureerd gewerkt aan invulling en uitwerking van de opdracht en het team. Dat heeft geresulteerd in een goede inrichting van het registratiesysteem (WIZ), het organiseren van een interne leer- en verbetercyclus met vaste momenten binnen teams en op stedelijk niveau. Het Team Toegang Wmo is verder in de ontwikkeling dan het VET. Voor het VET geldt dat de opdracht veel minder eenduidig is, sprake is van meerdere disciplines en werksoorten in de teams, sprake is van vier moederorganisaties met eigen culturen en accenten en personeelsverloop op managementniveau. Dat heeft ertoe geleid dat een gezamenlijke leerstructuur of opleidingslijn ontbreekt. Collectieve voorzieningen worden gezien als belangrijke middelen om de ambitie van de transitie te realiseren, maar respondenten signaleren dat de uitvoering bij de VET stagneert. Kaders zijn er wel – zoals het principe ‘collectief waar mogelijk’ – maar toepassing daarvan is niet consistent.
Het ontbreekt aan mandaat, coördinatie en structurele middelen, waardoor kansen in de praktijk moeilijk zijn om te zetten in actie. Ontbreken gedeelde leeragenda tussen Wmo en VET Binnen de afzonderlijke teams vindt wel reflectie plaats, bijvoorbeeld via casuïstiek of thematische bijeenkomsten. Maar er is geen gedeelde leeragenda of team overstijgende evaluatiestructuur. Scholing van de VET wordt per moederorganisatie georganiseerd; een gezamenlijk scholingsbudget of ontwikkelplan voor het VET ontbreekt. Op het gebied van datagedreven werken zijn voor de VET eerste stappen gezet, maar gezamenlijke (Wmo en VET) toepassing voor wijkgerichte sturing is nog beperkt. Voor het Team Toegang Wmo is de opdracht duidelijk en juridisch stevig verankerd, maar is de verbinding met wijkgericht en preventief werken beperkt. Voor het VET sluit de werkinhoud beter aan op de preventieve doelstelling van de gemeente, maar ontbreekt het aan eenduidige sturing, heldere afbakening en gezamenlijke leerstructuren. De Voor Elkaar Teams zijn samengesteld uit professionals van vier verschillende maatschappelijke organisaties. Die constructie biedt variatie en brede expertise, maar brengt ook knelpunten met zich mee. Elke professional blijft verbonden aan de eigen werkgever, wat zorgt voor versnippering in aansturing, cultuur, verantwoording en zelfs communicatie.
Randvoorwaarden moeten op orde zijn Respondenten onderstrepen dat er sprake is van gedeelde ambitie en grote inzet van medewerkers. Tegelijkertijd benoemen zij het belang van randvoorwaarden: stabiele huisvesting, een heldere gezamenlijke opdracht en een gedeelde ontwikkelstructuur voor leren en evaluatie. De scheiding tussen formele toegang en wijkgericht werken – bedoeld om meer focus en effectiviteit te creëren – leidt zonder deze randvoorwaarden tot een samenwerking tussen teams die vooral ad hoc en casusgericht is. Dit maakt het lastig om daadwerkelijk tot een gezamenlijke en duurzame ondersteuning van inwoners te komen. Ook randvoorwaarden die essentieel zijn voor een toekomstbestendige aanpak, zoals gedeelde leerstructuren, passende registratiesystemen en structurele bekostiging van collectieve inzet, komen in de praktijk nog mondjesmaat van de grond. Daarmee is de richting van de transitie zichtbaar en gedragen, maar blijft de uitvoering kwetsbaar.
35
4.4
Toetsing normenkader
Voor de toetsing aan de norm werken we met de volgende termen in volgorde van niet voldoen tot voldoen: • Voldoet niet of beperkt: dit betekent dat op geen enkele wijze of voor een klein deel wordt voldaan aan de norm. Rood • Voldoet merendeels: dit betekent dat voor een groter deel wel dan niet wordt voldaan aan de norm. Oranje • Voldoet grotendeels: dit betekent dat voor een zeer groot gedeelte of volledig wordt voldaan aan de norm. Groen Norm Toetsing Deelvraag 2: In hoeverre zijn deze uitgangspunten in de praktijk gebracht? De uitgangspunten voor de Voor Elkaar Teams en het Team Toegang zijn concreet.
Voldoet grotendeels. De zes uitgangspunten zijn duidelijk geformuleerd in het visiedocument en worden in beleidsstukken en werkplannen herhaald en benoemd. De formulering biedt richting voor de uitvoering. Tegelijk ontbreekt soms een eenduidige operationalisering, waardoor in de praktijk onduidelijkheid ontstaat over de precieze invulling, vooral bij het VET. De opdracht voor de teams is Voldoet merendeels. Bij het Team Toegang duidelijk en gebaseerd op de Wmo is de opdracht helder omschreven en sluit concrete uitgangspunten. deze goed aan bij de formele kaders van de Wmo. Voor het VET is de bedoeling herkenbaar, maar de uitwerking in taken, rollen en structuren blijft deels onduidelijk. Medewerkers ervaren ruimte voor eigen invulling, wat leidt tot variatie in uitvoering. De uitvoeringsplannen van de Voldoet merendeels. De werkplannen en teams zijn zodanig beschreven subsidieaanvragen verwijzen naar de dat die gebaseerd zijn op de uitgangspunten en formuleren ambities die in de opdracht beschreven hierop aansluiten. Tegelijk blijft de uitwerking op concrete uitgangspunten. onderdelen abstract, met name waar het gaat om samenwerking, leren en digitale werkwijzen. De daadwerkelijke uitvoering Voldoet beperkt. Verschillende uitgangspunten van de Teams is in lijn met de worden in de praktijk slechts gedeeltelijk uitvoeringsplannen. gerealiseerd.
Vooral rond wijkgericht werken, collectieve inzet en gezamenlijke leerstructuur is er een duidelijke kloof tussen plan en praktijk. Ook verschillen tussen teams in uitvoering en context zorgen voor afwijkingen van de oorspronkelijke intentie. Deelvraag 3: Hoe ervaren betrokkenen deze uitgangspunten en hoe geven ze daar invulling aan?
36
Betrokken partners/managers van de uitvoering van de Teams ervaren een heldere opdracht voor de Voor-Elkaar teams en het Team Toegang. Betrokken medewerkers in de Teams ervaren een heldere opdracht en uitvoeringsplanning waar op gestuurd wordt. De opzet en structuur van de teams is zodanig dat uitvoerders de uitvoeringsplannen op basis van de uitgangspunten kunnen uitvoeren en de doelstellingen van de gemeente kunnen behalen.
37
Voldoet merendeels. De opdracht wordt door managers en partners als helder herkend, vooral bij het Team Toegang Wmo. Voor het VET is de bedoeling wel gedeeld, maar ontbreken een eenduidige structuur en centrale aansturing. Voldoet merendeels. Medewerkers van het Team Toegang Wmo ervaren duidelijke kaders en aansturing. Binnen het VET is meer ruimte voor eigen invulling, wat zowel ruimte als onduidelijkheid schept. Sturing op planning is wisselend. Voldoet beperkt. Het Team Toegang Wmo is stevig georganiseerd met een interne leerstructuur, maar heeft beperkte aansluiting bij preventie en collectief werken. Het VET mist gedeelde leerstructuur, eenduidige werkwijzen en stabiele randvoorwaarden om uitvoering structureel te ondersteunen.
5 Bevindingen resultaten en effecten 38
5.
Bevindingen resultaten en effecten
5.1 Inleiding In dit hoofdstuk zijn de resultaten en effecten van de ambitie en doelstellingen beschreven. Eerst zijn in de grijze kaders de bevindingen per deelvraag op hoofdlijnen weergegeven, gevolgd door een onderbouwing van dat antwoord. Het hoofdstuk sluit af met een toetsing aan het normenkader. De snelle lezer kan volstaan met het lezen van de beantwoording op hoofdlijnen in de grijze kaders. In dit hoofdstuk zijn de volgende deelvragen beantwoord: 4. Hebben deze uitgangspunten een effect op de gestelde doelstellingen van de gemeente Deventer? 5. Is de nieuwe werkwijze effectief voor de inwoners van Deventer? 5.2 Bevindingen effecten op gestelde doelstellingen 4. Hebben deze uitgangspunten een effect op de gestelde doelstellingen van de gemeente Deventer? Bevindingen op hoofdlijnen: • De uitgangspunten sluiten inhoudelijk aan op de geformuleerde doelen van de gemeente Deventer, maar de koppeling tussen beide is impliciet en wordt in beleid en praktijk niet expliciet gemaakt. • In de opdrachtformulering en uitvoeringsplannen van VET en Team Toegang Wmo zijn de uitgangspunten herkenbaar, maar ontbreekt een directe verbinding met de doelen en indicatoren uit de KPI-doelenboom. • De Monitor Sociale Domein bevat deels bruikbare indicatoren voor de gemeentelijke doelen, maar relevante data zijn niet altijd beschikbaar of wordt niet structureel gekoppeld aan de uitvoering.
• Evaluatie en verantwoording vinden voornamelijk plaats op basis van narratieve rapportages; indicatoren worden beperkt gebruikt voor sturing, toetsing of effectmeting. Monitoring van ondersteuningsvragen, individuele en collectieve ondersteuning, doorverwijzingen, resultaten en effecten van collectieve voorzieningen vindt niet plaats. • Uitvoerders, beleidsmedewerkers, managers en raadsleden herkennen de ambitie en waarde van de uitgangspunten, maar ervaren een gebrek aan onderlinge afstemming, gezamenlijke reflectie en meetbare vertaling naar uitkomsten. Onderbouwing In dit hoofdstuk is weergegeven in hoeverre de zes uitgangspunten van het samenspel tussen Wmo Toegang en Preventie bijdragen aan het realiseren van de gemeentelijke doelstellingen van Deventer. De beantwoording is opgebouwd vanuit de volgende invalshoeken: 1. Het perspectief van de Monitor Sociale Domein, waarin de beschikbare indicatoren en cijfers in relatie tot de doelstellingen worden besproken; 2. De inhoudelijke koppeling tussen de uitgangspunten en de geformuleerde doelen en indicatoren; 3. De ervaringen en reflecties van uitvoerders, beleidsmedewerkers, managers en raadsleden op deze koppeling in de praktijk.
39
Deze drie invalshoeken zijn hieronder na elkaar uitgewerkt. Invalshoek 1: perspectief Monitor Sociale Domein De gemeente Deventer heeft binnen het document Indicatoren Samenspel Toegang Preventie Wmo vier hoofddoelstellingen geformuleerd, gericht op de ondersteuning van inwoners en het versterken van de maatschappelijke infrastructuur. Deze doelstellingen vormen het referentiekader voor de beleidsinzet, waaronder de transitie naar de Voor Elkaar Teams (VET) en Team Toegang Wmo. In dit onderdeel is onderzocht in hoeverre de doelstellingen gemonitord worden met beschikbare cijfers uit de Monitor Sociale Domein en hoe de inhoud van de jaarrapportages 2023 en 2024 van de VET aansluit op deze doelstellingen. Hoofddoel 1: Meer inclusieve participatie van inwoners De gemeente streeft ernaar dat meer inwoners actief deelnemen aan de samenleving, zich vrijwillig inzetten voor hun wijk of dorp en betrokken zijn bij hun leefomgeving. Bekendheid met ondersteunende platforms zoals Deventer Doet is hierin een belangrijke voorwaarde. Indicatoren uit Monitor Sociale Domein Onderstaande cijfers zijn overgenomen uit de Monitor Sociale Domein van de gemeente Deventer en geven enkele indicatoren weer die raken aan participatie. Deze indicatoren zijn echter niet expliciet verbonden aan het eerste hoofddoel, zoals benoemd in hoofdstuk 3.
Uit de monitor blijkt daarnaast dat de metingen ongeveer één keer per jaar plaatsvinden. Het verschil tussen een-na-laatste meting en laatste meting is niet significant. Zonder heldere koppeling aan het doel blijft onduidelijk in hoeverre dit duidt op meer (of minder) inclusieve participatie. Indicator % inwoners dat zich actief inzet voor buurt/wijk/dorp % inwoners dat zich vrijwillig inzet % inwoners dat bekend is met Deventer Doet
Een-na-laatste meting
Laatste meting
Datum laatste meting
37%
43%
01-01-2024
36%
34%
01-01-2024
49%
50%
01-01-2024
Koppeling met jaarrapportages VET 2023 en 2024 • VET ondersteunt actief bewonersinitiatieven, zoals wandelgroepen, buurtactiviteiten en moedernetwerken. • De samenwerking met Deventer Doet en het stimuleren van informele inzet worden expliciet benoemd. • De focus op het activeren van inwoners draagt bij aan het versterken van participatie, hoewel dit vooral kwalitatief beschreven wordt. • Cijfermatige onderbouwing van de impact op participatie ontbreekt in de rapportages.
40
Hoofddoel 2: Versterken sociale basisinfrastructuur in de wijk De gemeente wil toewerken naar een sterke sociale basis in wijken, met laagdrempelige voorzieningen, goede samenwerking tussen partners en toegankelijke ondersteuning. Daarbij hoort ook een verschuiving van individuele naar collectieve inzet. Indicatoren uit Monitor Sociale Domein De KPI-doelenboom benoemt relevante indicatoren (zoals intensiteit van indicaties, aandeel zelfredzamen zonder maatwerkvoorziening en verbindingen tussen voorzieningen), maar deze worden niet daadwerkelijk gemeten in de beschikbare versies van de Monitor Sociale Domein. Er zijn dus geen bruikbare cijfers beschikbaar. Wel beschikbaar zijn gegevens over: • Aantal cliënten met meerdere maatwerkvoorzieningen • Aantal verstrekte maatwerkarrangementen per type (zoals begeleiding, dagbesteding, huishoudelijke hulp, enz.) • Verhouding ZIN (Zorg in Natura) versus PGB (Persoonsgebonden Budget) • Verdeling zwaarte van indicaties (licht / medium / complex), bij voorkeur voor begeleiding én dagbesteding Koppeling met jaarrapportages VET 2023 en 2024 • VET signaleert behoeften in de wijk en organiseert collectieve activiteiten (zoals kookgroepen en ontmoetingsplekken). • Samenwerking met wijknetwerken, gebiedsregisseurs en bewoners is benoemd. • Er wordt gesproken over signalering en preventie, maar niet over realisatie van voorzieningen op wijkniveau.
• Er zijn geen cijfers over doorgeleiding, indicatiezwaarte of collectieve voorzieningen. Hoofddoel 3: Zelfredzaamheid inwoners neemt toe Het vergroten van de eigen regie en het vermogen van inwoners om zelfstandig te functioneren is een centrale doelstelling. Daarbij hoort ook het voorkomen van zwaardere vormen van ondersteuning. Indicatoren uit Monitor Sociale Domein Onderstaande cijfers zijn overgenomen uit de Monitor Sociale Domein van de gemeente Deventer en geven enkele indicatoren weer die raken aan zelfredzaamheid. Deze indicatoren zijn echter niet expliciet verbonden aan het derde hoofddoel, zoals benoemd in hoofdstuk 3. Uit de monitor blijkt dat de metingen ongeveer één keer per jaar plaatsvinden. De meeste cijfers laten een lichte stijging zien, maar zonder duidelijke koppeling aan het doel is niet goed te beoordelen in hoeverre dit wijst op een toename van zelfredzaamheid bij inwoners. Bij enkele indicatoren zijn streefwaarden opgenomen. Zo blijft het aantal Wmo-cliënten met een maatwerkarrangement onder de streefwaarde, terwijl het aandeel inwoners dat positief is over het contact met sociale teams op streefwaardeniveau ligt. Het gelijk blijven van bepaalde scores kan ook erop wijzen dat wijkgerichte inzet in een samenleving met toenemende sociale vraagstukken effectief is.
41
Indicator % met gevoel van regie over eigen leven % inwoners met sociale eenzaamheid % met belemmeringen door gezondheid % dat gezondheid als (zeer) goed beoordeelt % met gezonde leefstijl (eigen oordeel) Aantal Wmo-cliënten met maatwerkarrangement % klanten positief over contact met sociale teams
Een-nalaatste meting
Laatste meting
Datum laatste meting
Streefwaarde
85%
85%
01-01-2024
n.v.t.
36%
33%
01-01-2024
n.v.t.
27%
36%
01-01-2024
n.v.t.
76%
75%
01-01-2024
≥80%
59%
61%
01-01-2024
n.v.t.
3.955
4.068
01-04-2025
≤ 4.500
79%
80%
01-10-2024
≥80%
Koppeling met jaarrapportages VET 2023 en 2024 • In beide rapportages wordt ingezet op normaliseren, preventie en versterken van eigen regie. • Er is aandacht voor toeleiding naar algemene voorzieningen en voorlichting. • Geen duidelijke cijfermatige onderbouwing van impact op zelfredzaamheid of uitstroom uit Wmo. • Op basis van deze cijfers en jaarrapportages is het effect van preventieve inzet niet aantoonbaar. Hoofddoel 4: Draagkracht wijk neemt toe (transformatie) Dit doel richt zich op versterking van de sociale cohesie, collectieve voorzieningen en duurzame samenwerking tussen partijen. Inwoners dragen bij aan de leefbaarheid van hun wijk. Indicatoren uit Monitor Sociale Domein Er zijn geen afzonderlijke indicatoren in de beschikbare monitor die expliciet aan dit doel zijn gekoppeld. Sommige participatie-indicatoren (zoals inzet in de wijk) raken dit thema zijdelings. Koppeling met jaarrapportages VET 2023 en 2024 • In de jaarrapportages wordt veel kwalitatief beschreven, maar kwantitatieve onderbouwing of trendanalyse ontbreekt. • De invloed van VET op harde uitkomsten als indicatiegebruik of wijkverandering blijft grotendeels onbenoemd. Er is geen inzicht in langetermijneffecten op wijkniveau. • Inzet op bewonersinitiatieven en netwerkversterking draagt bij aan wijkkracht.
42
• •
Samenwerking met lokale netwerken wordt benoemd, maar zonder structurele monitoring van effect. Doelen en indicatoren waarover geen uitspraken te doen zijn • Doel 2 is in theorie goed uitgewerkt met indicatoren, maar deze worden niet daadwerkelijk gemeten in de Monitor Sociale Domein. Hierdoor is effectmeting niet mogelijk. • Doel 4 heeft geen eigen meetbare indicatoren in de beschikbare gegevens.
Invalshoek 2: perspectief koppeling tussen uitgangspunten en doelstellingen De zes uitgangspunten van de transitie zijn in de afgelopen jaren herkenbaar opgenomen in uitvoeringsdocumenten van zowel de Voor Elkaar Teams (VET) als het Team Toegang Wmo. In subsidieaanvragen, werkplannen en plannen van aanpak wordt expliciet gerefereerd aan begrippen als zelfredzaamheid, participatie, netwerkversterking en samenwerking. Deze uitgangspunten functioneren als richtinggevende principes voor het professionele handelen. Tegelijkertijd ontbreekt in deze documenten een expliciete koppeling met de gemeentelijke doelen, zoals opgenomen in de Indicatoren Samenspel Toegang Preventie Wmo. Hoewel de uitgangspunten en de doelen inhoudelijk op elkaar aansluiten, is hun formele samenhang in opdrachtformulering en monitoring beperkt zichtbaar. Het document Indicatoren Samenspel Toegang Preventie Wmo bevat een set doelen en indicatoren waarmee de gemeente het samenspel tussen toegang en preventie wil monitoren. Deze doelen, zoals “vergroten van zelfredzaamheid” en “versterking van de sociale basisinfrastructuur”, sluiten inhoudelijk aan op de uitgangspunten. Toch blijft de relatie tussen het beoogde professionele handelen en de verwachte maatschappelijke effecten impliciet.
De indicatorenset verwijst niet naar de uitgangspunten als normatief kader, en ook de uitvoeringsdocumenten maken geen meetbare vertaling van deze werkwijze naar beoogde doelrealisatie. Hierdoor is niet zichtbaar of en hoe naleving van de uitgangspunten bijdraagt aan het behalen van de gestelde doelen. In de praktijk wordt daardoor gerapporteerd op basis van losse activiteiten of kwalitatieve reflecties, zonder koppeling aan vooraf bepaalde streefwaarden of resultaatsverplichtingen. Evaluatie vindt plaats aan de hand van verantwoordingen die vooral narratief van aard zijn. Indicatoren worden zelden gebruikt als basis voor toetsing, sturing of verbetering van de werkwijze. Dit patroon is zichtbaar in de jaarrapportages van het VET en de reflectiedocumenten van het Team Toegang Wmo, zoals beschreven in vorige hoofdstuk. De afwezigheid van een expliciete vertaalslag tussen de manier van werken (uitgangspunten) en de gewenste resultaten (doelstellingen) beperkt de mogelijkheden voor gezamenlijke leerontwikkeling, verantwoording en bijsturing. Hoewel er sprake is van gedeelde ambities en inhoudelijke samenhang, ontbreekt het aan een structuur die deze elementen verbindt tot een navolgbare en toetsbare praktijk.
Invalshoek 3: perspectief betrokkenen Perspectief uitvoerende medewerkers VET: VET-medewerkers geven aan dat zij vanuit de uitgangspunten werken, met nadruk op preventie, signalering en het versterken van gemeenschappen. Ze richten zich op collectieve inzet en laagdrempelige ondersteuning in de wijk. Tegelijkertijd botsen zij op systeemgrenzen zoals gebrekkige registratie, tijdelijke financiering en beperkte fysieke werkplekken. Ze ervaren dat de toegevoegde waarde van hun werk lastig meetbaar en aantoonbaar is. Evaluatie en reflectie zijn ad hoc, en het
43
ontbreekt aan gedeelde leerstructuren met andere teams. Dit belemmert het zichtbaar maken van het effect van hun werkwijze op gemeentelijke doelstellingen. Team Toegang Wmo: Wmo-coaches werken eveneens vanuit de uitgangspunten, maar met een formelere opdracht en duidelijker sturingsstructuur. Hun werk is gericht op zelfredzaamheid, integraliteit en het voorkomen van overindicatie. De relatie tussen hun werkwijze en gemeentelijke doelen is explicieter, bijvoorbeeld via het terugdringen van maatwerkvoorzieningen. Toch ervaren zij ook knelpunten: de registratie is weliswaar beter ingericht, maar laat nog steeds weinig ruimte voor het zichtbaar maken van preventieve of integrale effecten. Reflectie vindt vooral plaats binnen het eigen team; gezamenlijke leer- en verbetercycli (op een casuïstiekbespreking na) met VET ontbreken. Hierdoor blijft ook vanuit dit perspectief de koppeling tussen werkwijze en uitkomst beperkt onderbouwd. Perspectief beleidsmakers Beleidsmakers geven aan dat de uitgangspunten en doelen inhoudelijk goed op elkaar aansluiten. De uitgangspunten bieden een juiste richting voor hoe gewerkt moet worden aan zelfredzaamheid, inclusie en participatie. Tegelijkertijd constateren zij dat de verbinding tussen deze werkwijze en de indicatoren uit de doelenboom niet expliciet is gemaakt. Bovendien is een aantal aannames die in de doelenboom gedaan zijn niet realistisch.
Bijvoorbeeld dat de inzet van de VET leidt tot minder Wmomaatwerkvoorzieningen. Andere factoren hebben daar ook invloed op. Beleidsmedewerkers zien het risico dat uitvoering los komt te staan van sturing, monitoring en verantwoording. Er is behoefte aan een gezamenlijke vertaalslag van uitgangspunten naar concreet gedrag, meetmomenten en resultaatgerichte afspraken. Zij pleiten voor een gedeeld begrippenkader (bijvoorbeeld over 'preventie') en voor structurele reflectiecycli waarin samenspel en effectiviteit worden besproken aan de hand van zowel kwalitatieve als kwantitatieve inzichten. Perspectief managers VET Managers van VET benoemen dat de uitgangspunten richtinggevend en inspirerend zijn, maar dat de koppeling met doelrealisatie diffuus blijft. Managers erkennen dat het lastig is om direct aan te tonen welke effecten voortkomen uit welke werkwijze. De veelheid aan doelen en het ontbreken van duidelijke causale relaties maken sturing complex. Ook signaleren zij dat indicatoren vaak achteraf worden vastgesteld en weinig houvast bieden voor de dagelijkse praktijk. Tegelijkertijd zien zij kansen in het versterken van gezamenlijke leer- en reflectiestructuren waarin de uitgangspunten niet alleen normatief, maar ook toetsbaar worden gemaakt. Hiervoor is wel nodig dat professionals op alle niveaus beschikken over mandaat, vaardigheden, tijd en data.
Perspectief raadsleden Raadsleden. herkennen de uitgangspunten en onderschrijven de onderliggende ambities. Toch ervaren zij onvoldoende grip op de mate waarin deze werkwijze daadwerkelijk bijdraagt aan gemeentelijke doelen. De raad krijgt vooral procesinformatie, terwijl zij wil sturen op effecten: toegankelijkheid, tevredenheid, participatie, zelfredzaamheid. De informatievoorziening in bijvoorbeeld de monitor Sociaal Domein is versnipperd en bevat weinig indicatoren die rechtstreeks aansluiten op de doelenboom. Daardoor blijft de samenhang tussen inzet en uitkomst abstract. Raadsleden pleiten voor meer heldere monitoring en evaluatie, met indicatoren die iets zeggen over de opbrengst van het gekozen samenspel. Ook maken zij zich zorgen over de afgenomen zichtbaarheid van teams in de wijk, wat voor hen een directe indicatie is van verminderde toegankelijkheid en nabijheid.
44
5.3 Bevindingen effectiviteit voor inwoners 5. Is de nieuwe werkwijze effectief voor de inwoners van Deventer? Bevindingen op hoofdlijnen: Effecten op inwoners (bijdrage aan gestelde doelen): • Gesproken inwoners ervaren dat zowel de Wmo als de Voor Elkaar Teams (VET) bijdragen aan inclusieve participatie en zelfredzaamheid. De Wmo biedt vooral individuele ondersteuning die mensen helpt om hun leven weer op orde te krijgen en – stap voor stap – deel te nemen aan de samenleving. De VET dragen bij via laagdrempelige activiteiten en praktische ondersteuning, die ook preventief werkt en mensen activeert. • Over de sociale basisinfrastructuur (doel 2) en de draagkracht van de wijk (doel 4) kunnen inwoners zelf weinig zeggen; deze doelen spelen zich af op wijk- of systeemniveau en zijn voor hen minder concreet zichtbaar. Wel blijkt uit de praktijk dat de VET hier sterker op gericht zijn dan de Wmo, onder meer door hun aanwezigheid in de wijk en ondersteuning van bewonersinitiatieven. Ervaringen van inwoners met Wmo en VET: • Wmo en VET-ondersteuning zijn voor veel inwoners cruciaal voor dagelijks functioneren, zelfredzaamheid en psychisch herstel. Ze bieden structuur, sociaal contact en verminderen eenzaamheid en stress. • Toegang tot hulp komt verloopt vaak via doorverwijzing. Veel inwoners wisten van tevoren niet waar ze terecht konden.
Vooral inwoners in een kwetsbare positie of zonder netwerk missen tijdige en passende ondersteuning. • Inwoners waarderen de persoonlijke en coachende aanpak van Wmo-coaches en VETmedewerkers. De ondersteuning voelt betrokken en menselijk, maar het contact verschilt per situatie. • Veel inwoners kennen Wmo en VET niet of weten niet waarvoor ze er terechtkunnen. Informatie bereikt kwetsbare groepen moeilijk. Fysieke aanwezigheid in wijken en duidelijke communicatie zijn nodig. • Samenwerking tussen professionals verloopt wisselend; bij goede afstemming is de hulp effectief, bij gebrekkige overdracht ontstaat verwarring en vertraging. • Verbeterpunten: Meer bekendheid, snellere toegang, betere samenwerking en structurele ondersteuning zijn nodig. Ook is er bij de VET behoefte aan vaste locaties en actieve begeleiding van vrijwilligers en initiatieven. Onderbouwing In dit hoofdstuk wordt eerst beschreven in hoeverre de effecten op inwoners bijdragen aan de vier gestelde doelen van de gemeente. In de volgende paragraaf zijn de ervaringen van inwoners beschreven. Eerst vanuit het perspectief van inwoners die ondersteuning krijgen vanuit de Wmo, vervolgens vanuit het perspectief van inwoners die ondersteuning krijgen van het Voor Elkaar Team (via individuele toeleiding en via collectieve activiteiten).
Effecten per hoofddoel vanuit perspectief inwoners Hoofddoel 1: Meer inclusieve participatie van inwoners Inclusieve participatie betekent dat álle inwoners, ongeacht achtergrond, beperking of hulpvraag, mee kunnen doen in de samenleving. Dit kan op veel manieren: via werk, vrijwilligersactiviteiten,
45
buurtinitiatieven of simpelweg door ergens bij te horen. De mate waarin inwoners zich uitgenodigd en in staat voelen om deel te nemen, verschilt per persoon en is afhankelijk van toegankelijkheid, ondersteuning en sociale netwerken. • Wmo: De Wmo draagt op individueel niveau bij aan het bevorderen van participatie. Inwoners geven aan dat zij dankzij begeleiding en ondersteuning weer structuur in hun dag ervaren en sociale contacten kunnen aangaan. Sommigen vertellen dat zij dankzij deze hulp hun leven weer meer op orde hebben, waardoor ze ook weer kunnen deelnemen aan de maatschappij. Wmoondersteuning zorgt ervoor dat mensen weer mee kunnen doen, zij het vaak in kleine stappen en binnen een beschermde context. • Voor Elkaar Teams (VET): De VET stimuleren participatie via laagdrempelige ontmoetingsactiviteiten. Deze activiteiten zijn toegankelijk voor een bredere groep inwoners en maken het makkelijker om op eigen initiatief of via anderen binnen te stappen. Bewoners vertellen dat dit soort plekken hen helpt om anderen te ontmoeten, zich nuttig te voelen of actief te worden in de buurt. Toch blijkt de bekendheid met het aanbod vaak beperkt: niet iedereen weet van het bestaan van de VET of van de initiatieven in de wijk, zeker mensen zonder sociaal netwerk of digitale vaardigheden. Foldermateriaal of websites worden vaak niet gelezen of bereikt de doelgroep niet.
Hoofddoel 2: Versterken van de sociale basisinfrastructuur in de wijk Een sterke sociale basisinfrastructuur bestaat uit plekken, mensen en netwerken in de wijk waar inwoners terecht kunnen voor hulp, ontmoeting, advies en ondersteuning. Het gaat hierbij om meer dan formele hulp: ook informele structuren, vrijwilligerswerk en buurtnetwerken maken deel uit van deze infrastructuur. Dit doel richt zich vooral op het systeemniveau en de samenwerking tussen partijen in de wijk. Vanuit het perspectief van inwoners is dit minder zichtbaar of concreet; daarom kunnen zij weinig zeggen over de effecten van dit doel op hun eigen situatie. Hoofddoel 3: Zelfredzaamheid van inwoners neemt toe Zelfredzaamheid betekent dat mensen in staat zijn hun leven zoveel mogelijk zelfstandig vorm te geven, met of zonder ondersteuning. Dit vraagt om basisvaardigheden, vertrouwen, veerkracht en toegang tot hulp wanneer nodig. Zowel formele als informele ondersteuning kunnen een rol spelen bij het versterken van de zelfredzaamheid van inwoners, afhankelijk van hun situatie en wensen. • Wmo: Binnen de Wmo is het vergroten van zelfredzaamheid een belangrijk uitgangspunt. Inwoners ervaren dankzij begeleiding en dagstructuur weer grip op hun leven. De ondersteuning helpt hen om praktische zaken te regelen, sociale contacten op te bouwen en een gevoel van regie terug te krijgen.
Ook worden inwoners soms gestimuleerd om zelf stappen te zetten richting werk of vrijwilligerswerk. Tegelijkertijd ervaren inwoners dat de ondersteuning vaak pas op gang komt als problemen al groot zijn. • Voor Elkaar Teams (VET): De VET richten zich juist sterk op preventie en activering. Ze ondersteunen inwoners bij het (her)vinden van hun weg in de samenleving, helpen bij formulieren, geldzaken of het vinden van passende activiteiten, en zijn vaak het eerste vangnet als er zorgen zijn. In crisissituaties of bij lange wachttijden in de reguliere zorg biedt het team laagdrempelige ondersteuning, waardoor inwoners ervaren dat zij niet volledig tussen wal en schip vallen. Dit bevordert de zelfredzaamheid, zeker bij inwoners met beperkte hulpvraag.
46
Hoofddoel 4: Draagkracht in de wijk neemt toe (transformatie van de Wmo1) Met het versterken van de draagkracht in de wijk wordt bedoeld dat bewoners, initiatieven en professionals samen een stevig netwerk vormen waarin mensen elkaar helpen, eigenaarschap nemen en meebouwen aan oplossingen. Dit vergt een transformatie van een klassiek zorgmodel naar een samenleving waarin ondersteuning meer verweven is met het dagelijks leven, de transformatie die in Deventer ook wel “van zorgen voor, naar zorgen dat” wordt genoemd. Het gaat hier nadrukkelijk om een collectieve beweging op wijkniveau. Inwoners zelf hebben echter vaak weinig zicht op deze bredere systeemverandering. Zij ervaren vooral hun eigen situatie, en kunnen daardoor moeilijk aangeven of de draagkracht van de wijk als geheel is toegenomen.
Ervaringen inwoners met ondersteuning vanuit Team Toegang Wmo Ervaren doel en kern van de ondersteuning van Team Toegang Wmo Voor veel inwoners is de ondersteuning uit de Wmo die via de gemeente tot stand kwam, van wezenlijk belang geweest voor hun dagelijks functioneren en welzijn. De kern van deze ondersteuning ligt in het herstellen of behouden van zelfredzaamheid, het bieden van structuur, het bevorderen van sociale participatie, en het verminderen van psychische belasting. Voor inwoners met psychische klachten betekent dit vaak een combinatie van dagbesteding, ambulante begeleiding en ondersteuning bij praktische zaken. De ondersteuning brengt inwoners weer in beweging, stimuleert sociaal contact een geeft richting in periodes waarin inwoners zelf het overzicht zijn verloren. De Wmo-coach speelt hierbij een centrale rol, door samen met de inwoner te kijken naar wat iemand zelf nog kan en waar hulp nodig is. In veel gevallen wordt dit ervaren als een evenwichtige benadering, waarin de eigen regie van de inwoner behouden blijft maar er tegelijkertijd voldoende vangnet is. Sommige respondenten benoemen expliciet dat zonder deze hulp hun situatie drastisch was verslechterd.
Ervaringen met toegang tot ondersteuning van Team Toegang Wmo De toegang tot ondersteuning via Team Toegang Wmo verloopt in de meeste gevallen indirect: inwoners komen er vaak pas mee in aanraking nadat ze al begeleiding hebben via een andere instantie zoals de huisarts, praktijkondersteuner, Dimence of Buurtzorg. Deze partijen verwijzen doorgaans door naar de Wmo wanneer zij signaleren dat bredere ondersteuning nodig is. Slechts een enkele respondent wist zelfstandig bij het Wmo-loket aan te kloppen. Toch blijkt de toegang niet vanzelfsprekend. Zeker voor inwoners met psychische problemen, depressie of een burn-out is het moeilijk om actief op zoek te gaan naar hulp. Inwoners benadrukken dat het, zeker in een kwetsbare positie, lastig is om uit te zoeken waar ze recht op hebben en waar ze terecht kunnen. Voor inwoners zonder netwerk, zonder toegang tot lokale media of die weinig digitaal vaardig zijn, is het des te moeilijker. Hierdoor komt de toegang vaak pas tot stand wanneer er al sprake is van langdurige klachten of uitval, wat preventie bemoeilijkt. Een aantal inwoners benoemt ook dat zij lang op hulp moesten wachten, of eerst doorverwezen werden naar een plek die achteraf niet passend bleek. Er zijn ook voorbeelden waarin hulpverleners eerder hadden kunnen inschatten dat Wmo-ondersteuning nodig was, wat tot een snellere start van passende hulp had geleid.