CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1-2021-09-30 Haalbaarheidsstudie verkabeling Diepenveen

Raadsvergadering 9 maart 2022, gemeente DeventerBij agendapunt: Initiatiefvoorstel Verkabeling Diepenveen/Platvoet en Deventer/Colmschate34.510 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Toelichting

Spoorkruising

Tracé dient te voldoen aan de RLN00398 qua EM-beinvloeding en de OVS 00221

Tabel 1.8 | Overzicht grenzen overige aspecten

34

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0

2 Algemene eisen 2.1

Projectrisico's

Om de lijnverbinding door het dorp Diepenveen ondergronds te brengen moet een groot aantal processtappen doorlopen worden. Daarbij verdient het aanbeveling gedurende dit proces regelmatig risicosessies te houden, om gericht tot resultaat te komen. In onderstaande tabel is een 5-tal risico’s benoemd. Risiconr.

R.1

Omschrijving van het risico

Het kabeltracé in de huidige belemmerende strook van de lijnverbinding loopt door achtertuinen van woonpercelen, bij alternatief 1 en mogelijk 5..

Mast 74 staat midden in achtertuinen van woonpercelen en is moeilijk bereikbaar, voor sloop en in directe omgeving is geen alternatief haalbaar tracé.

Communicatie met belanghebbenden (grondeigenaren) verloopt stroef.

belanghebbenden hebben geen belang bij verkabeling. Grondeigenaren en grondgebruikers werken niet mee aan het maken van afspraken die worden geborgd in de zakelijk recht overeenkomsten (eigenaren) en gebruikersovereenkomsten (gebruikers) Resultaten veldonderzoeken geven andere uitkomsten dan op basis van de bureauonderzoeken verwacht algemeen risico (planning en communicatie). Voor de nieuwe kabelverbinding is een bestemmingsplanherziening vereist, waarbij belanghebbenden het recht hebben een zienswijze in te dienen De breedte van de zandwetering en de brug is krap en bevindt zich in een boog. Ruimte is niet aanwezig en grondeigenaar werkt niet mee

R.2

gegevens van de toekomstige veldonderzoeken wijken sterk af van de bureauonderzoeken.

R.3

Bezwaren uit de omgeving waardoor werkzaamheden niet kunnen starten. R.4

HDD boringen onder Dorpstraat is toch niet mogelijk, bij alternatief 3

R.5

Oorzaak

Gevolg

Vertraging voor aanleg. Verkabeling kan geen doorgang vinden, vanwege weerstand.

Vertraging, mogelijk extra kosten

Herziening ontwerp, mogelijk hogere uitvoeringskosten.

Mitigerende maatregel Expliciet maken dat dit de beste tracering betreft, met de minste ruimtelijke impact, om weesrtand eigenaren te verminderen en wijzen op positieve effecten van het verdwijnen van de bestaande HSlijn boven hun huizen en achtertuinen, door te schetsen dat de situatie m.b.t. magneetvelden en ruimtelijke kwaliteit verbetert. Opstellen goed communicatieplan. En toelichten met een goede onderbouwing waarom dit het tracé het beste alternatief is.

Zorgdragen voor de uitvoering van veldonderzoeken en het reserveren van een risicobudget voor onvoorziene kostenposten..

Vertraging

Tijdig communiceren en informeren en beargumenteren dat het tracé vanuit een integraal perspectief tot stand is gekozen

Vertraging en weerstand

Tijdig keuzes voor tracering expliciet maken en grondeigenaren vanaf start (nu al) meenemen in de afwegingen.

Tabel 2.1 | Risico's

2.2

Veiligheid, gezondheid en milieu

De eisen vanuit TenneT ten aanzien van veiligheid, gezondheid en milieu die van toepassing zijn voor alle alternatieven zijn opgenomen in diverse voorschriften en processen. In deze haalbaarheidsstudie zijn hierop geen afwijkingen voorzien.

2.3

TenneT standaarden

De volgende TenneT standaarden zijn van toepassing: Document type

Vakgebied

PVE

00 - Algemeen

PVE

00 - Algemeen

PVE.00.002 Planologische traceringsuitgangspunten en locatie-eisen (Excel format).zip PVE.00.002 Planologische traceringsuitgangspunten en locatieeisen.pdf

PVE

00 - Algemeen

PVE

00 - Algemeen

Name

Versie

Datum Publicatie

3.0

25-1-2019

3.0

25-1-2019

PVE.00.003 Publieke en Private rechten (Excel format).zip

3.0

25-1-2019

PVE.00.003 Publieke en Private rechten.pdf

3.0

25-1-2019

35

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 PVE

00 - Algemeen

PVE.00.060 Meetbestek inmeten assetdata TenneT TSO.pdf

2.2

19-6-2018

SPE

00 - Algemeen

SPE.00.905 Conservering Mastverzwaring.pdf

1.3

29-8-2016

SPE

00 - Algemeen

SPE.00.907 Conservering Nieuwbouw Vakwerkmasten.pdf

1.3

14-7-2015

PVE

01 - Primair

PVE.01.000 Primair (Excel Format).zip

2.1

19-6-2018

PVE

01 - Primair

2.1

19-6-2018

SPE

01 - Primair

PVE.01.000 Primair.pdf SPE.01.100 Specificatie Staalwerk primaire ondersteuningen portalen en bliksempieken.pdf

2.0

3-9-2019

PVE

03 - Telematica

PVE.03.000 Telecom (Excel Format).zip

2.0

25-4-2017

PVE

03 - Telematica

PVE.03.000 Telecom.pdf

2.0

25-4-2017

PVE

04 - Bouwkundig/ Civiel

PVE.04.000 Bouwkunde (Excel Format).zip

2.2

19-06-2020

PVE

04 - Bouwkundig/ Civiel

PVE.04.000 Bouwkunde.pdf

2.2

19-06-2020

SPE

04 - Bouwkundig/ Civiel

SPE.04.008 Hergebruik bestaande betonconstructies.pdf

2.0

3-9-2019

SPE

04 - Bouwkundig/ Civiel

SPE.04.002 Specificatie hekwerken en poorten.pdf

2.0

3-9-2019

SPE

04 - Bouwkundig/ Civiel

2.0

3-9-2019

SPE

04 - Bouwkundig/ Civiel

SPE.04.002 Hekwerken en poorten.pdf SPE.04.003 Tijdelijke afscherming componenten met verhoogd explosiegevaar.pdf

2.0

3-9-2019

SPE

04 - Bouwkundig/ Civiel

SPE.04.009 (Paal)Funderingen.pdf

2.0

3-9-2019

PVE

05 - Lijnen

PVE.05.000 Lijnen (Excel Format).zip

3.2

3-9-2019

PVE

05 - Lijnen

PVE.05.000 Lijnen.pdf

3.2

3-9-2019

SPE

05 - Lijnen

SPE.05.346 Algemene Specificatie stalen hoogspanningsmasten.pdf

2.0

3-9-2019

PVE

06 - Kabels

PVE.06.000 Kabels (Excel Format).zip

2.1

01-10-2020

PVE

06 - Kabels

2.2

30-10-2019

SPE

06 - Kabels

PVE.06.000 Kabels.pdf SPE.06.359 Technical Specifications for 110 and 150kV AC Cables.pdf

2.2

30-10-2019

PVE

07 - EMC/ Aarding

PVE.07.000 EMC en aarding (Excel Format).zip

2.2

16-5-2018

PVE

07 - EMC/ Aarding

PVE.07.000 EMC en aarding.pdf

2.2

16-5-2018

PVE

09 - Security

PVE.09.002 Security (Excel Format).zip

2.0

25-4-2017

PVE

09 - Security

PVE.09.002 Security.pdf

2.0

25-4-2017

Tabel 2.2 | TenneT standaarden

2.4

Topeisen

Vanuit de in paragraaf 1.1 (van belang zijnde documenten) en paragraaf 0 (uitgevoerd vooronderzoek) benoemde documenten zijn de volgende topeisen relevant voor de alternatieven: Tabel 2.3 | Topeisen Eisnr.

H2.4-1

Bron

Object

Eis

projecteis

kabels

Beheer- en onderhoud aspecten Alle nieuw en eventueel her te gebruiken assets zijn tijdens hun totale "levenscyclus" op een veilige, doelmatige en onderhoudsvriendelijke wijze volgens de vigerende Technische Onderhoud Richtlijnen van TenneT TSO B.V. te onderhouden en te inspecteren.

projecteis

kabels

H2.4-2

H2.4-3

Het Werk dient te worden gerealiseerd conform de verleende vergunningen en planologische randvoorwaarden.

H2.4-5

Het Werk dient te voldoen aan de TenneT standaarden.

H2.4-6

TenneT Standaarden (AMN documenten) Project is uitgevoerd conform vastgestelde TenneT Standaarden (ook wel 'AMN documenten' genoemd) welke in gerefereerde bijlage zijn opgenomen PVE.06.000

kabel

Referentie

De belastbaarheid per circuit dient minimaal 153 MVA te zijn (805 A continu) en gedurende 14 dagen 307 MVA. Het Werk dient veilig te worden uitgevoerd en dient te resulteren in een veilig te bedrijven en veilig te onderhouden installatie.

H2.4-4

H2.4-7

Toelichting / informatie

Het uitgangspunt is om kabels in driehoek te installeren met 2 meter afstand tussen de circuits.

Am-Req 1165

36

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 PVE.06.000

kabels

PVE.06.000

kabels

H2.4-8

H2.4-10 telecommunicatie

H2.4-11

2.5

Uitgangspunten boringen (HDD) -Boorconfiguratie: per circuit 4 gebundelde mantelbuizen -Afstand tussen twee boringen: minimaal 5m (dagmaat; buitenkant kabels). Belemmerende strook 5 m uit boringen HDPE glasvezelbuis t.b.v. temperatuurmonitoring volgens PVE en sPVE Telecombuizen Per verbinding worden twee telecombuizen HDPE 40 mm mee gelegd

Overige eisen en planologische- en vergunningsrandvoorwaarden

De verkabeling van het trajectdeel tussen 110 kV-Station Deventer Platvoet (DVTP110) en mast 71 valt geheel binnen de gemeentegrenzen van Deventer. Uitgangspunt van TenneT is dat assets juridisch planologisch zijn verankerd in bestemmingsplannen. Als gevolg van de voorgenomen aanpassingen aan het netwerk is derhalve een aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk. De gemeente Deventer dient deze aanpassing aan het bestemmingsplan te faciliteren. In het kader van deze verkabeling dient een partiële aanpassing van het bestemmingsplan georganiseerd te worden, en voor de opstijgpunten een enkelbestemmingwijziging naar Bedrijf-Opstijgpunt. In deze haalbaarheidsstudie zijn de risico’s bij de verschillende alternatieven in kaart gebracht. Het aangepaste bestemmingsplan maakt het mogelijk voor TenneT om een ondergrondse hoogspanningskabel aan te leggen, te beheren en te exploiteren en te voldoen aan het verzoek van de gemeente om de hoogspanningslijn uit de bevolkingskern van Diepenveen en, bij alternatief 4 weg van de woonwijk Platvoet, te halen. De dubbelbestemming HS hoogspanningslijn dient weg bestemd te worden en komt hiermee te vervallen en er wordt een dubbelbestemming HS-kabelverbinding gevestigd. TenneT heeft voor planologie de relevante uitgangspunten voor het hoogspanningskabeldeel verwoord in de vigerende TenneT standaard Programma van Eisen: 

PVE 00.002 Planologische en tracerings-uitgangspunten en locatie-eisen

PVE 00.003 Publieke en Private rechten

Bestemmingsplan Uitgangspunt is dat in principe de hoogspanningsinfrastructuur door aanvrager / opdrachtgever meegenomen wordt in het bestemmingsplan op een dusdanige wijze dat de bestemming van de hoogspanningsinfrastructuur voor het desbetreffende gebied juridisch is vastgelegd en mogelijk conflicterende zaken buiten werking zijn gesteld. Wat dat betreft kan een dubbelbestemming volstaan, inclusief een nieuwe enkelbestemming voor de kabelopstijgpunten. De huidige bestemmingen en dubbelbestemmingen zijn respectievelijk opgenomen in bijlage B3.1.1. en B3.1.2.

37

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 Privaatrechtelijke afspraken Uitgangspunt bij het verkabelen van de hoogspanningslijn tussen het 110 kV Station Deventer Platvoet (DVTP110) en mast 71 te Diepenveen is, dat de gemeente Deventer gehouden is aan het verlenen van medewerking aan het vestigen van een opstalrecht of enig ander zakelijk recht op zijn grond. Waar het kabeltracé in gronden van derden ligt, dienen de grondeigenaren en gebruikers te hebben ingestemd met het verrichten van werkzaamheden op die gronden en dienen zij, voor zover TenneT op die gronden zaken en eigendommen zal aanbrengen en in stand zal houden, te hebben ingestemd met de vestiging van een (nieuw) zakelijk recht ten gunste van TenneT overeenkomstig de daartoe door TenneT gehanteerde voorwaarden. Het kabel opstijgpunt (eindmast 71N), en in het geval van een verkort traject (eindmast 78) wordt voorzien van een hekwerk, zodat deze niet toegankelijk is voor publiek en de benodigde grond wordt door TenneT aangekocht. Dat geldt tevens voor de eindmasten 4 in de lijnen richting Rijssen, Goor en Deventer Bergweide.

TenneT vangt de realisatie-werkzaamheden niet eerder aan, dan nadat alle grondeigenaren hebben ingestemd door middel van de vestiging van een zakelijk recht en nadat het bestemmingsplan is vastgesteld en onherroepelijk is geworden. Mocht TenneT eventueel genoodzaakt zijn om juridische procedure(s) te voeren zoals in het kader van

de

gedoogplicht

(Belemmeringenwet

Privaatrecht)

zal

dit

opgepakt

worden

na

overeenstemming met de gemeente Deventer. Betreding van gronden in de voorliggende fases van de realisatie zullen in de regel afgestemd worden met de gemeente Deventer om tot een passende taakverdeling en werkwijze te komen zodat communicatie naar grondeigenaren en gebruikers eenduidig is en zodoende eventuele verstoringen

te

beperken.

schadevergoedingen

worden

De door

bij de

betreding

van

rentmeesters

gronden van

eventueel

TenneT

verschuldigde

besproken

met

de

rechthebbenden. Planologische en Ruimtelijke Ordening aspecten Om te voorkomen dat bij elke alternatief bij de behandeling van een ruimtelijke ordening aspect alle bevindingen uit de bureauonderzoeken, zoals geraadpleegde bronnen, onderzoeksmethodiek ect, worden herhaald, zijn in de onderstaande sub paragrafen per Ruimtelijke Ordeningsaspect de algemene zaken over de onderzoeksresultaten voor het zoekgebied beschreven en opgenomen in de belemmeringenkaarten in bijlage B3.1.1 t/m B3.1.22. De toetsing aan de traceringscriteria zijn vervolgens per alternatief behandeld in het volgende hoofdstuk 3, paragrafen 3.1 t/m 3.5

2.5.1

Archeologie

De gemeente Deventer beschikt over een Archeologische waarden- en verwachtingskaart voor haar grondgebied. De kaarten zijn opgenomen in het volgende document: 

Die plaatsen, welke in de Douwelerkolk verdronken zijn ..., Fysisch- en historischgeografische bouwstenen voor een archeologische verwachtingskaart van de gemeente Deventer, RAAP-rapport 2571, d.d. 4 april 2013.

De kaarten behorende bij bovengenoemde rapportage is een aantal keren herzien waarvan de laatste keer in 2018. Dit heeft geresulteerd in de Archeologische Beleidskaart Deventer 2018. Daarnaast

is er

een

archeologische aanduiding opgenomen in het bestemmingsplan

(dubbelbestemming). Voor de beoordeling of archeologische onderzoek noodzakelijk is, is het 38

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 bestemmingsplan leidend en is in de richtlijnen van het bestemmingsplan opgenomen waaraan en wanneer archeologisch onderzoek nodig is. In de bijlage B3.1.3 (Archeologische Beleidskaart Deventer 2018) zijn de kaartlagen weergegeven met de beoogde alternatieven voor de kabeltracés. In de paragrafen 3.1 tot en met 3.5 is per alternatief weergegeven of de beoogde grondroerende activiteiten voor dat betreffende alternatief leidt tot archeologische onderzoeksverplichtingen.

2.5.2

Cultuurhistorie

De gemeente Deventer heeft beleid ontwikkeld voor het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, erven en ensembles in het buitengebied. Het betreft zowel monumenten als karakteristieke panden. De gemeente Deventer heeft het Oversticht gevraagd een inventarisatie naar de karakteristieke panden uit te voeren en actualisatie van gemeentelijke monumenten. Dit heeft geresulteerd in het document 'karakteristieke panden en gemeentelijke monumenten' (november 2009). De cultuurhistorisch waarden zijn eveneens opgenomen in het bestemmingsplan. In de bijlage B3.1.4 zijn de cultuurhistorische locaties weergegeven op kaart in relatie tot het kabeltracé.

2.5.3

Bodem

Bodemkwaliteit Met betrekking tot bodemkwaliteit zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 

https://overijssel.omgevingsrapportage.nl;

www.railmaps.nl: database met o.a. bodeminformatie ProRail.

Voor detailinformatie is het bodeminformatiesysteem van de provincie Overijssel geraadpleegd. Dit bodeminformatiesysteem bevat de volgende bodemgegevens: 

Bodemlocaties;

Bodemonderzoeken;

Verontreinigingscontouren grond, grondwater en waterbodem;

Saneringscontouren grond, grondwater en waterbodem;

Zorgmaatregelen (na sanering).

Het bodeminformatiesysteem van ProRail (Railmaps) bevat de volgende gegevens: 

Meetpunten;

Gevallen van ernstige bodemverontreiniging (Wbb-gevallen).

Uit de geraadpleegde bronnen komt een aantal bodemlocaties naar voren waar sprake is van bodemverontreiniging. Deze staan weergegeven in bijlage B3.1.11 en B3.1.12. Per alternatief is in de volgende hoofdstukken opgenomen of het alternatief raakvlakken heeft met deze locaties. Het bodeminformatiesysteem geeft een eerste inzicht in de uitgevoerde onderzoeken. Voor Deventer geldt dat niet altijd de contouren van verontreinigingen/saneringen zijn ingevoerd. Ook is niet altijd de conclusie op locatieniveau ingevoerd. In bijlage B3.1.9, B3.1.10 en B3.1.11 en B3.1.12 zijn de bodemlocaties (ernstige verontreinigingen, verdachte locaties en overig) weergegeven op kaart in relatie tot het kabeltracé. Er worden verschillende bodemlocaties doorkruist. 39

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0

PFAS Door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) is op 8 juli 2019 het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” opgesteld en ingediend bij de Tweede Kamer. Het handelingskader is per 8 juli 2019 verplicht gesteld en bevat een onderzoeksplicht voor PFAS voor toe te passen grond en baggerspecie alsmede afvoer van grond naar een verwerker (acceptatievoorwaarden). Op 29 november 2019 en 2 juli 2020 heeft nog een aanpassing van de normen uit het Tijdelijk handelingskader plaatsgevonden. Grond is verdacht op het diffuus voorkomen van PFAS als het gaat om bovengrond of als grond geroerd is, zoals bijvoorbeeld bij een ophooglaag. PFAS is de verzamelnaam voor perfluorverbindingen en worden al decennia gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen zoals blusschuim, verf, pannen, kleding (ook gore-tex schoenen en handschoenen) en cosmetica. Door het wijdverbreide gebruik van PFAS wordt het in Nederland inmiddels niet alleen bij puntbronnen, maar diffuus verspreid in het milieu aangetroffen als gevolg van atmosferische depositie. Onder verharding wordt PFAS vaak in lagere concentraties gemeten. PFAS is persistent en nauwelijks biologisch afbreekbaar in het milieu en heeft een mobiel karakter in de bodem.

De onderzoekslocatie is gelegen in de gemeente Deventer die de toezichttaken op het gebied van bodem heeft ondergebracht bij de Omgevingsdienst IJsselland. De gemeente Deventer sluit aan bij het geactualiseerde landelijke normenkader en hiermee dus ook de verkondigde verhoogde PFAS-normen voor de functieklassen ‘landbouw/natuur’. Voor PFAS is een regionale bodemkwaliteitskaart vastgesteld. De regionale waarde in boven- en ondergrond blijven beneden de achtergrondwaarden van het handelingskader. Voor de gehele gemeente Deventer geldt een toepassingseis die gelijk is aan de achtergrondwaarden van het handelingskader (1,4/1,9). Bodemgesteldheid Voor het vaststellen van de ondiepe bodemopbouw is de Bodemkaart van Nederland (schaal 1:50.000) geraadpleegd. In de bijlage B3.1.8 is deze weergegeven. Uit de kaart blijkt dat de volgende

bodemtypen

worden

aangetroffen

in

het

projectgebied:

Veldpodzolgronden,

Laarpodzolgronden, Beekeerdgronden en Hoge zwarte enkeerdgronden. Bij deze bodemtypen gaat het om de grondsoort: leemarm en (zwak) lemig fijn zand. Voor de diepere ondergrond, relevant voor de HDD-boringen is in de onderstaande tabel 2.4 de regionale geohydrologische bodemopbouw schematisch weergegeven. Diepte (t.o.v.

Geohydrologische

NAP)

eenheid

+1 - 0

Watervoerend pakket

Formatie

Grondsoort

Boxtel

Zand, zeer fijn tot matig grof en leem, zwak tot sterk zandig, soms veenlagen

0 - 67

Watervoerend pakket

Kreftenheye

Zand, matig tot uiterst grof, matig tot sterk grindhoudend. Plaatselijk, fijn tot zeer grof grind. In mindere mate siltige kleilagen en sporadisch kleiige veenlaagjes.

67 - 70

Watervoerend pakket

Drente

Zand, matig grof tot uiterst grof en klei en 40

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 leem, sterk zandig tot uiterst siltig 70 - 85

Scheidende laag/

Peize , Waalre

Watervoerend pakket

Zand, matig grof tot uiterst grof, zwak tot matig grindig en Klei, sterk zandig tot zwak siltig en Zand, uiterst fijn tot uiterst grof

85 - 120

Watervoerend pakket

Maassluis

Zand, uiterst fijn tot matig grof en ingeschakelde klei, veelal siltig of zandig,

120 - 165

Watervoerend pakket

Oosterhout

Klei en zandige klei met schelpen en Zand, zeer fijn tot zeer grof

165 - 300

Slecht doorlatend pakket

Breda

Zand, zeer fijn tot matig fijn en Klei, sterk zandig tot matig siltig

Tabel 2.4 | Regionale geohydrologische opbouw

Bovengenoemde geohydrologisch opbouw is vigerend voor het gehele zoekgebied van de beschouwde 5 alternatieven en is middels een dwarsprofiel met diepte-aanduidingen weergegeven in onderstaande figuur 2.2.

Figuur 2.2 | Regionale Bodemgesteldheid en opbouw (ondergrondmodel REGISII, DINOLOKET)

Gezien deze geologische bodemgesteldheid wordt voorgesteld om de HDD-boringen in de laag van Kreftenheye aan te leggen op een diepte tussen de 6 m en 20 m minus maaiveld. Deze laag , die voornamelijk uit zandlagen bestaat, heeft vermoedelijk een gunstige warmteafdracht voor de kabels (g-waarde), maar bevat soms geen sterk grindhoudende lagen. In een vervolgfase is grond mechanisch en geothermisch onderzoek noodzakelijk, om de meest gunstige diepteligging te bepalen.

2.5.4

Water

Binnen het zoekgebied bevinden zich geen grondwaterbeschermingszones noch boringvrije zones en evenmin waterkeringen. De alternatieven hebben alle een of meerdere kruisingen met de Zandwetering. (zie bijlage B3.1.5 t/m B3.1.7, uitsnede legger WS DOD). 41

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 Daarnaast is het bij de aanleg van een kabeltracé van belang of er gezien de diepteligging van 1,2 m minus maaiveld in stedelijk gebied of 1,8 m minus maaiveld op agrarische percelen, rekening gehouden dient te worden met grondwater. Uit de meetgegevens ontvangen van de gemeente Deventer in de nabijheid van Diepenveen blijkt dat het grondwaterniveau schommelt rond de 2 m minus maaiveld (zie figuur 2.1). Bij aanleg van de kabels in open ontgraving in agrarisch gebied dient derhalve rekening gehouden te worden met een beperkte bemalingsnoodzaak. Bij aanleg op 1,2 m diepte in stedelijk gebied is vermoedelijk geen bemaling noodzakelijk. Het onderzoeksgebied valt geheel binnen het bestuur gebied van Waterschap Drents-Overijsselse Delta, het waterschap beheert de Zandwetering.

Figuur 2.1 | Grondwaterstandsgegevens meetlocatie in Diepenveen Peilbuis PB1.11- Melchior van Brielstraat 37, 7431 GA Diepenveen Peilbuis PB1.11 is gelegen aan de Melchior van Brielstraat 37 in Diepenveen. Uit de gegevens blijkt dat de gemiddelde grondwaterstand circa NAP+3,69 m is. Maaiveldhoogte bij de peilbuis bevindt zich op + 5,38 m NAP. Voor aanvullende informatie over deze peilbuislocatie zie volgende pagina.

Het waterschap Drents Overijsselse Delta houdt het oppervlaktewaterpeil in vrijwel het gehele plangebied op 3,5 m boven NAP (zomerpeil) en 3,7 m (winterpeil), ten noorden van de Schuursmansweg, betreft dit respectievelijk 3,0 m en 3,2 m boven NAP. Tussen de Molenweg, de Schuurmansweg en de Averlose Houtweg wordt een constant peil van 3,6 m aangehouden. De locatie ligt volledig in de boringsvrije zone Sallands Diep. In deze zone is het niet toegestaan boringen uit te voeren dieper dan 50 meter. Voor de HDD-boringen komen wij veelal niet dieper dan 25 m minus maaiveld, waardoor aan deze voorwaarde altijd wordt voldaan.

2.5.5

Natuur en ecologie

Bij de aanleg van kabels (hoogspanning) kan sprake zijn van ondergrondse boringen of aanleg in open ontgravingen, alsmede het tijdelijke gebruik van werkterreinen en het amoveren van masten en hoogspanningslijnen. Bij deze werkzaamheden is het vanuit natuurwetgeving van belang om na 42

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 te gaan of de werkzaamheden effect hebben op beschermde gebieden en beschermde soorten flora en fauna. Om inzicht te krijgen in de effecten op beschermde natuurwaarden is het volgende wettelijk kader gehanteerd:  

Wet natuurbescherming, onderdeel beschermde soorten en onderdeel beschermde gebieden van het Natura 2000-netwerk; Provinciaal beleid, beschermde natuurgebieden die vallen onder de Omgevingsverordening Overijssel.

De Wet natuurbescherming gaat over beschermde soorten (hoofdstuk 3) en beschermde gebieden (hoofdstuk 2). Beschermde gebieden zijn gebieden van het Natura 2000-netwerk. Voor hoogspanningsverbindingen met een spanning van tenminste 220 kV is het ministerie van LNV bevoegd gezag (Besluit natuurbescherming artikel 1.3). Omdat de haalbaarheidsstudie bekabeling betreft met een lagere spanning (110 kV), wordt in voorliggende haalbaarheidsstudie uitgegaan van de provincie Overijssel als bevoegd gezag. Naast de Natura 2000-gebieden, welke zijn beschermd door de Wet natuurbescherming, moet rekening worden gehouden met provinciaal beschermde gebieden. Beschermde natuurgebieden zijn in de provincie Overijssel aangewezen en beschermd in de Omgevingsverordening Overijssel. Hierin wordt het Natuurnetwerk Nederland (NNN) beschreven. De bescherming van het NNN is opgenomen in Artikel 2.7 van de Omgevingsverordening. Beschermde gebieden: In Bijlage B3.1.14 en B3.1.15 zijn de beschermde gebieden in de omgeving van de tracévarianten weergeven. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken. Dit Natura 2000-gebied ligt op een afstand van ongeveer 300 meter ten opzichte van het zuidelijke startpunt van alle tracévarianten. De Natura 2000-gebieden Boetelerveld, Veluwe, Sallandse Heuvelrug bevinden zich op respectievelijk 13, 14 en 14,5 kilometer van de tracévarianten.

De dichtstbijzijnde gebieden die horen bij het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van de provincie Overijssel, liggen op een afstand van ongeveer 80 meter van alle tracévarianten. Tracévariant 2 doorkruist een klein gebied wat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000-gebieden De ondergrondse boringen, aanleg van werkterreinen en open ontgravingen leiden niet tot ruimtebeslag op Natura 2000-gebieden. Ondanks dat het Natura 2000-gebied Rijntakken op slechts 300 meter van het verdeelstation Deventer-Platvoet ligt, wordt het onwaarschijnlijk geacht dat indirecte effecten als gevolg van verstoring door geluid, licht en trillingen plaatsvinden. Dit heeft te maken met de aard van de werkzaamheden (ondergrondse boringen) en het feit dat tussen Natura 2000-gebied Rijntakken en het verdeelstation een N-weg ligt die eventuele verstoringen

door

geluid

en

trillingen

te

niet

doet.

Significante

gevolgen

voor

de

instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied worden hierdoor uitgesloten. Hetzelfde geldt voor de drie natuurgebieden binnen een afstand van 13 tot 14,5 kilometer van de tracévarianten. Gezien de aard van de werkzaamheden kan uitstoot van stikstof plaatsvinden. Hierdoor kan er mogelijk sprake zijn van stikstofdepositie op gevoelig natuurgebied. Alle drie genoemde Natura 2000-gebieden kennen stikstofgevoelige habitattypen. Er moet middels een project specifieke stikstofberekening in AERIUS worden aangetoond dat er geen sprake is van toename van 43

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied. In deze berekening worden alle emissies tijdens de aanlegfase meegenomen. Deze berekening is nodig voor alle tracévarianten. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De ondergrondse boringen, aanleg van werkterreinen en open ontgravingen leiden langs tracévariant 2 tot tijdelijk ruimtebeslag op gebieden van het NNN. Directe negatieve effecten op beschermde natuurgebieden als gevolg van ruimtebeslag kunnen hiermee niet worden uitgesloten. Ook indirecte effecten op gebieden die behoren tot het NNN kunnen hierbij optreden. Indien wordt gekozen voor tracévariant 2 is een nadere toetsing in het kader van de nee-tenzij procedure voor NNN-gebieden nodig. Deze conclusie geldt enkel voor tracévariant 2. Voor overige tracévarianten vindt geen ruimtebeslag plaats en kunnen indirecte effecten gezien de ruime afstanden tot NNNgebied worden uitgesloten. Beschermde soorten: Beschermde soorten flora en fauna, zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming, zijn geïnventariseerd aan de hand van bestaande verspreidingsgegevens. Als bron zijn hiervoor de verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) gebruikt.

Bij de selectie van gegevens voor vogels is specifiek geselecteerd op vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest voor de provincie Overijssel. Voor informatie over alle tracévarianten zijn gegevens van de afgelopen 5 jaar gebruikt. Als plangebied is een vierkant van ongeveer 3 bij 3 kilometer aangehouden waarin de tracévarianten liggen. De gegevens van beschermde soorten worden voor het hele gebied beschreven waarbij wel wordt aangegeven bij welke tracévarianten de beschermde soorten voorkomen. Vervolgens wordt op basis van het voorkomen van beschermde soorten en gebieden samengevat welke tracévariant het meest gunstig is betreffende ecologie. In Bijlage B3.1.16 zijn de locaties van waarnemingen van beschermde soorten nabij de tracévarianten weergegeven. De NDFF is de meest complete databank met verspreidingsgegevens van (beschermde) flora en fauna. Er kan echter niet van worden uitgegaan dat als er geen waarnemingen in de NDFF staan, er ook geen beschermde soorten aanwezig zijn. Het is namelijk goed mogelijk dat het betreffende gebied niet is onderzocht op alle mogelijke soortgroepen. Om uitspraak te kunnen doen over het wel/niet aanwezig zijn van beschermde soorten is altijd een veldbezoek noodzakelijk. Onderstaande beschrijving van de verschillende tracévarianten is uitsluitend gebaseerd op gegevens uit de bureaustudie.

Voor alle varianten geldt dat er uiteindelijk nog een veldbeoordeling moet plaatsvinden om te bepalen of er sprake is van aanwezigheid van beschermde soorten. Het plangebied omvat vijf tracévarianten waarvan sommige voor een groot deel overlappen in de ligging. Met name tracévariant 1 en 5 overlappen voor het grootste gedeelte. In onderstaande tabel staan de beschermde soorten die in de directe omgeving van de tracévarianten zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Omdat de tracévarianten zo dicht op elkaar liggen worden beschermde soorten die bij meerdere varianten voorkomen niet dubbel beschreven, maar worden deze samengevat onder het kopje beschermde soorten. In bijlage B3.1.16 a t/m c staan de waarnemingen uit de NDFF op kaart weergegeven. Tabel 2.5 | Soorten die in de directe omgeving van tracéalternatieven zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar (bron NDFF). Een kruisje staat voor aanwezigheid nabij een tracévariant. 44

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 Soortgroep

Soort

Tracé-

Tracé-

Tracé-

Tracé-

Tracé-

variant

variant

variant

variant

variant

1

2

3

4

5

Bastaardkikker

Categorie Wnb

AV

Bruine kikker

X

X

X

X

AV

Gewone pad

X

X

X

X

X

AV

Kamsalamander

X

X

X

X

X

H

Kleine

X

X

X

X

X

AV

Poelkikker

X

X

X

X

X

H

Grote vos

X

X

X

N

Grote

X

X

X

X

N

X

X

X

X

N

Bever

X

X

X

X

X

H

Bosmuis

X

X

X

X

X

AV

Bunzing

X

X

X

X

X

N

Das

X

X

X

X

N

Eekhoorn

X

X

X

X

X

N

Grondgebonden

Egel

X

X

X

X

X

N

zoogdieren

Haas

X

X

X

X

X

AV

Hermelijn

X

X

X

X

X

N

Huisspitsmuis

X

X

X

AV

Konijn

X

X

X

X

X

AV

X

X

X

X

X

Amfibieën

watersalamander

Dagvlinders

weerschijnvlinder Kleine ijsvogelvlinder

Ree Steenmarter

Libellen

AV

Gevlekte

X

N N

witsnuitlibel Baardvleermuis-

X

X

X

H

Brandts vleermuis Franjestaart

X

X

X

Gewone

X

X

X

X

X

X

Laatvlieger

X

X

X

Rosse vleermuis

X

X

X

Ruige

X

X

X

X

H

X

H

X

H

X

X

H

X

X

H

X

H

X

dwergvleermuis

Vleermuizen

Gewone grootoorvleermuis

dwervleermuis Watervleermuis

Vogels

X

Boerenzwaluw

X

X

Boomvalk

X

X

X

Bosuil

X

X

X

Buizerd

X

X

X

X

X

X

H X

V

X

V

X

V

X

V

45

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 Soortgroep

Soort

Tracé-

Tracé-

Tracé-

Tracé-

Tracé-

Categorie Wnb

variant

variant

variant

variant

variant

1

2

3

4

5

Gierzwaluw

X

X

X

X

X

V

Grote gele

X

X

X

X

X

V

Havik

X

X

X

X

V

Huismus

X

X

X

X

V

Huiszwaluw

X

X

Kerkuil

X

kwikstaart

X

V V

Ooievaar

X

X

X

X

X

V

Roek

X

X

X

X

X

V

Slechtvalk

X

V

Sperwer

X

X

X

X

X

V

Steenuil

X

X

X

X

X

V

Torenvalk

X

X

X

X

X

V

Wespendief

X

X

X

X

X

V

Zwarte specht

X

V

Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): H= soorten habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), V= vogels (artikel 3.1 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb). AV = soorten waarvoor binnen de provincie Overijssel een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.

2.5.6

Bomen

Daar waar de tracédelen in open ontgraving worden aangelegd en werkterreinen noodzakelijk zijn, is beoordeeld in hoeverre de aanwezige bomen een belemmering vormen voor de aanleg van de kabelcircuits. Op basis hiervan is beoordeeld waar bomen mogelijk verwijderd moeten worden. Voor elk tracévariant is daarom onderzocht waar zich bomen bevinden. Hier is de meest recente luchtfoto van de Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK) gebruikt, alsmede het bomenbestand van de gemeente Deventer, weergegeven in bijlage B3.1.17.

2.5.7

Niet Gesprongen Conventionele Explosieven

De gemeente Deventer heeft in 2014 de firma T&A Survey opdracht gegeven voor het opstellen van een risicokaart CE (conventionele explosieven). Het gaat hierbij om het volgende document: 

Risicokaart CE gemeente Deventer, T&A Survey BV, kenmerk GPR3402.2, d.d. 10 oktober 2014.

Het vooronderzoek naar niet-gesprongen explosieven voldoet aan de WSCS-OCE (norm explosievenonderzoek). In bijlage B3.1.13 is het projectgebied geprojecteerd op de risicokaart CE van de gemeente Deventer.

2.5.8

Beheergebieden en grondeigendommen

De kabelcircuits van TenneT liggen bij voorkeur niet in woonpercelen. Met elke grondeigenaar en gebruiker (huurder) wordt een zakelijk recht overeenkomst (ZRO) gesloten. Daarnaast heeft het ook niet de voorkeur om parallel binnen de beheergebieden van Rijkswaterstaat of ProRail te liggen, waarvoor in principe een WBR-vergunning of Spoorwegwetvergunning moet worden aangevraagd. In het plangebied bevinden zich geen wegen (N-wegen), die beheerd worden door 46

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 de provincie Overijssel. Geen van de alternatieven ligt binnen beheergebied van RWS of de Provincie Overijssel. De spoorlijn Deventer-Zwolle doorsnijdt de 110 kV hoogspanningslijn Deventer platvoet (DVTP110) naar Olst Middel (OLM110) en naar Harculo Zuid (HCL110), waardoor een raakvlak met beheergebied van ProRail voor een verkabeling onontkoombaar is. Doelstelling is dit raakvlak te minimaliseren. De HS ondergrondse kabelcircuits dienen te voldoen aan de RLN00398 ten aanzien van EM-beïnvloeding van het spoor. Aangezien er mogelijk kleine parallel ligging is binnen een afstand van 700 m van het spoor zijn er mitigerende maatregelen noodzakelijk voor de betreffende alternatieven.

Figuur 2.3 | Beheersgrenzen ProRail (turquoise: bron Railmaps)

Naast de beheergebieden heeft elk perceel een eigenaar en/of pachter c.q. huurder. De grondeigendomsposities zijn verkregen van de gemeente Deventer. Binnenstedelijk ligt TenneT daarom bij voorkeur in gemeentegrond of andere overheidsdiensten, maar niet in woonpercelen van particulieren. Ligging van kabeltracés binnen beheergebied van rijkswegen en spoorwegen heeft ook niet te voorkeur, met uitzondering van kruisingen van deze beheersgebieden, die zijn wel toegestaan. De vier alternatieven zijn tevens geprojecteerd op een eigendommenkaart, welke is opgenomen in Bijlage B3.1.18. Met elke grondeigenaar en huurder/pachter, waarin de kabelcircuits worden aangelegd, zal TenneT een zakelijk Recht overeenkomst afsluiten. De overeenkomst wordt vervolgens middels een notariële akte gepasseerd en opgenomen in de kadastrale registratie. Tevens maakt TenneT afspraken met grondgebruikers in de vorm van gebruiksovereenkomsten.

2.5.9

Overige ondergrondse kabels en leidingen

Voor het zoekgebied heeft er een KLIC-oriëntatieverzoek plaatsgevonden op 18 november 2020 (nrs 20O110324 t/m 20O110326), welke gegevens zijn opgenomen in een zogenaamde “Alle Media” tekening in Bijlage B3.1.19. De beoogde alternatieven voor de kabelcircuits van TenneT zijn hier eveneens op geprojecteerd, zodat beoordeeld kan worden in hoeverre er zich raakvlakken voordoen met overige ondergrondse

47

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 infrastructuur. Het aantal raakvlakken en de grootte van de voorziene knelpunten bepaald of een alternatief gunstig of ongunstig is op basis van aanwezige ondergrondse infrastructuur. De kabelcircuits van de hoogspanningsverbinding hebben met name raakvlakken met overige ondergrondse infrastructuur daar waar de circuits in open ontgraving worden aangelegd. Bij de tracédelen die middels een gestuurde boring worden aangelegd, dient gelet te worden op de hoogteligging van overige ondergrondse infrastructuur die ook middels HDD-boringen zijn aangelegd.

2.6

Basisvoorwaarden reconstructies

De basisvoorwaarden vanuit TenneT ten aanzien van reconstructies die generiek van toepassing zijn voor alle reconstructies zijn opgenomen in bijlage B.2.6-a1.

48

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0

3 Toetsing haalbaarheid alternatieven Meerdere alternatieven volgen hetzelfde tracé over delen van de verkabelingstrajecten, waardoor die delen van alternatieven bij projectie op de themakaarten van bijlage B3 wegvallen. Om het gehele tracé in de bijlagekaarten toch zichtbaar te krijgen is een off-set gebruikt, zodat de alternatieven naast elkaar geprojecteerd staan in plaats van over elkaar heen. De daadwerkelijke route van het alternatief is weergegeven in de figuren weergegeven in de eerste paragraaf van elk alternatief.

3.1

Alternatief 1

Alternatief 1 betreft de verkabeling van het door het Ministerie van EZK aangewezen lijndeel tussen 110 kV Station Deventer-Platvoet en mast 71 richting de 110 kV Stations Olst en Harculo, dat in het kader van de wet VET gesubsidieerd verkabeld kan worden. Alternatief 1 volgt daarin grotendeels de belemmerende strook van de huidige lijnverbinding. De route van het alternatief is weergegeven in figuur 3.1.1. Deze route gaat tussen de Zandwetering en mast 74 over de voormalige spoorlijn tussen Deventer en Raalte welke tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw heeft gefunctioneerd, met een halte Diepenveen Oost, waar nu de Gewestlaan ligt ongeveer.

Figuur 3.1.1 | Tracé alternatief 1

49

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0

3.1.1 3.1.1.1

Haalbaarheid t.a.v. Ruimtelijke Ordening en Milieu Planologische haalbaarheid

Alternatief 1 volgt de huidige hoogspanningslijn waar mogelijk, waarbij de volgende grotendeles voormalige bestemmingsplannen achtereenvolgens van zuid naar noord worden doorsneden: 1. Zandweerd-Noord/Platvoet (2009-02-10); Digitalisering analoge bestemmingsplannen, gemeente Deventer, Onherroepelijk (vastgesteld 2016-06-01); 2. Buitengebied Deventer, 1e herziening, bestemmingsplan onherroepelijk, d.d. 2017-03-01; 3. Kom Diepenveen, Digitalisering analoge bestemmingsplannen, gemeente Deventer, Onherroepelijk (vastgesteld 2016-06-01); 4. Eikendal 2014, gemeente Deventer bestemmingsplan onherroepelijk (vastgesteld 201407-02); 5. Het Eikendal, gemeente Deventer, gemeentelijk plan; bestemmingsplan artikel 10 vastgesteld (2007-04-04). De bestemminsplannen 1, 3 t/m 5 zijn opgenomen in het thans vigerende bestemmingsplan: 

CHw bestemmingsplan Deventer, stad en dorpen A, gemeente Deventer vastgesteld 1-72020.,

Figuur 3.1.2 | Plankaart Het Eikendal (analoge kaart bestemmingsplan Eikendal 2007)

Het 110 KV Station DVTP110 ligt binnen het Bestemmingsplan Platvoet met enkelbestemming Bedrijf-Nutsvoorziening, vervolgens ligt het alternatief in Buitengebied Deventer met de enkelbestemmingen Agrarisch met waarden – landschapswaarden. In de kom Diepenveen worden de bestemmingen Horeca, Verkeer-verblijfsgebied, Groen en Wonen afwisselend doorkruist. Aan de noordzijde staat mast 71 net ten oosten van bestemmingsplan Eikendal 2014, in een gebied als is bestemd voor woningbouwontwikkeling Het Eikendal, volgens het bestemmingsplan artikel 10 “Het Eikendal”, zie figuur 3.2. Hier loopt het tracé door de bestemming Wonen (toekomstig), Agrarisch – Landschappelijke waarde, met raakvlakken natuur en tuin. NB: Gezien het voornemen uit 2007 om de ontwikkeling van de Villawijk Eikendal in oostelijke richting door te trekken tot de Boxbergerweg lijkt het verstandig om na te denken over een doortrekking van de verkabeling tot aan mast 69, om te voorkomen dat de bewoners van deze nieuwbouwwijk met Villa zich storen aan de bestaande lijnverbinding. Omdat dit traject niet is aangewezen door het ministerie van EZK in het kader van de wet VET, worden de kosten voor de verkabeling van dit deel niet vanuit het Rijk gesubsidieerd. Er is wel rekening gehouden met de bestaande lijnverbinding door er een groenstrook te projecteren. Binnen de 50

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 toekomstige 0,4uT-contour van de kabelverbinding dient de bestemming Wonen-Uit te werken, te worden wegbestemd, om geen gevoelige objecten binnen deze contourlijn te krijgen

Voor dit alternatief dient de dubbelbestemming met belemmerende strook te worden aangepast naar een ondergrondse hoogspanningsverbinding en voor de opstijgpunten dient een enkelbestemming Nutsvoorziening te worden gevestigd. 3.1.1.2

Archeologie en Cultuurhistorie

In het bestemmingsplan zijn waarden archeologie opgenomen ter plaatse van het kabeltracé. Voor deze variantenstudie wordt echter de Archeologische Beleidskaart uit 2018 gehanteerd (meest actueel). De volgende categorieën van de Archeologische beleidskaart worden door alternatief 1 van het kabeltracé doorkruist: 

Beleidswaarde archeologie 1: bij bodemingrepen plangebieden groter dan 10000 m²: melding archeologie.

Beleidswaarde archeologie 2: bij bodemingrepen dieper dan 0,5 mv en plangebieden groter dan 2500 m²: onderzoeksplicht archeologie (bij plangebied groter dan 1000 m2, melding).

Beleidswaarde archeologie 3: bij bodemingrepen dieper dan 0,5 mv en plangebieden groter dan 500 m²: onderzoeksplicht archeologie (bij plangebied groter dan 200 m2, melding).

Voor eventueel aanvullend archeologisch veldonderzoek dient rekening gehouden te worden met de locaties waar voor dit alternatief open ontgravingen plaatsvinden. Bij alternatief 1 wordt het tracé gedeeltelijk in open ontgraving aangelegd. Bij de open ontgraving worden terreindelen doorkruist met beleidswaarde archeologie 1, 2 en 3. Bij de doorsnijding gaat het om 394 m (waarde 1), 250 m (waarde 2) en 215 m (waarde 3). De breedte van de ontgravingsgeul ten behoeve van de aanleg van beide circuits bedraagt maximaal 8 m. Dit betekent dat bij alternatief 1 over een oppervlak van ca 3.152 m2 grondroering plaatsvindt in percelen met een beleidswaarde archeologie 1. Voor ca 2.000 m2 bij beleidswaarde archeologie 2 en ca 1720 m2 bij beleidswaarde archeologie 3. Voorafgaand aan de grondroerende activiteiten is daarom archeologisch veldonderzoek noodzakelijk. Aanbevolen wordt deze conclusie aan de hand van bovenstaande te laten accorderen door de stadsarcheoloog. Op de kaart met cultuurhistorische waarden is bij alternatief 1 geen sprake van geplande werkzaamheden nabij monumenten (Rijks- en/of gemeentelijke monumenten). Langs het tracé zijn wel panden gelegen met zogenaamde ‘attentiewaarde’ of ‘identiteitswaarde’ cultuurhistorie. 3.1.1.3

Bodem

Bodemkwaliteit Uit de inventarisatie komen geen locaties Wet bodembescherming (Wbb) naar voren ter plaatse van alternatief 1. Weliswaar zijn er geen bekende gevallen van ernstige bodemverontreiniging

51

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 (Wbb) aanwezig wel is er sprake van verdachte locaties m.b.t. bodemverontreiniging. Deze zijn weergegeven op tekening in Bijlage B3.1.9 t/m B3.1.12. Onderstaand is een overzicht gegeven van bodemlocaties bekend bij de gemeente Deventer die milieukundig onderzocht zijn ter plaatse van alternatief 1 (noord naar zuid). Code

Naam

Status

Vervolg

AA015005304

13405; Schuurmansweg 20

-

-

AA015001229

5093; Eikendal, Schuurmansweg eo

niet ernstig, licht tot matig

-

(Molenweg, Kieftenweg)

verontreinigd

AA015006759

14898; Naamloos

Potentieel Ernstig

uitvoeren OO

AA015006487

14624; De Nieuwe Aanleg 8

-

-

AA015004853

12945; Naamloos

Potentieel Ernstig

uitvoeren OO

AA015006761

14900; Naamloos

-

-

AA015006756

14895; Naamloos

Potentieel Ernstig

uitvoeren OO

AA015006900

1699; De Nieuwe Aanleg 24 te

niet ernstig, licht tot matig

voldoende onderzocht

Diepenveen

verontreinigd

AA015007653

Tjoenermarke, Diepenveen

Onverdacht/Niet

AA015001042

5005; De Vossebelt, Wechelerweg,

niet ernstig, licht tot matig

Binnenweg, Gewestlaan

verontreinigd

AA015001249

5117; Voorhorst,

niet ernstig, licht tot matig

Schimmelpennincksingel, Burg.

verontreinigd

voldoende onderzocht

verontreinigd voldoende onderzocht

-

Doffegnieslaan AA015001450

1054; Oranjelaan 37

niet ernstig, licht tot matig

-

verontreinigd AA015001479

1107; Oranjelaan 19

AA015001325

5153; Zandwetering

AA015001439

1067; Wetermansweg 8

AA015005948

14068; Wetermansweg 4

niet ernstig, licht tot matig

-

verontreinigd Onverdacht/Niet

-

verontreinigd niet ernstig, licht tot matig

-

verontreinigd Onverdacht/Niet

voldoende onderzocht

verontreinigd

Uit bovenstaand overzicht komt een aantal verdachte locaties naar voren die nog niet milieukundig onderzocht zijn. Veelal zal het hierbij gaan om gedempte sloten. Uit de bodemlocaties die wel milieukundig onderzocht zijn, volgt dat de bodem hooguit licht tot matig verontreinigd is. Bodemgesteldheid Voor het vaststellen van de ondiepe bodemopbouw is de Bodemkaart van Nederland (schaal 1:50.000) geraadpleegd. In de bijlage B3.1.8 is deze weergegeven. Uit de bijlage blijkt dat het kabeltracé gelegen is in gebied met bodemtype: 

Veldpodzolgronden (Hn21); leemarm en zwak lemig fijn zand;

Laarpodzolgronden (cHn23); lemig fijn zand;

Beekeerdgronden (pZg23); lemig fijn zand;

Hoge zwarte enkeerdgronden (zEZ21); leemarm en zwak lemig fijn zand. 52

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0

De geohydrologische bodemopbouw staat beschreven in paragraaf 2.5.4 en is in principe gelijk voor alle vijf de alternatieven, gezien de beperkte afstand in regionale ligging van deze alternatieven. 3.1.1.4

Water

Geen bijzonderheden, anders dan de noodzaak van bemaling bij aanleg in open ontgraving ter plaatse van de agrarische percelen. Het tracé kruist de Zandwetering vlak ten noorden van sportpark Borgele middels een tweetal HDD-boringen. 3.1.1.5

Natuur en ecologie

Vogels met jaarrond beschermd nest en vleermuizen Waarnemingen van beschermde soorten in de directe omgeving van de tracévarianten zijn weergeven in Tabel 2.5. In de omgeving van de tracévarianten zijn waarnemingen bekend van meerdere beschermde soorten vogels die vallen onder artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Daarnaast zijn er soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Soorten als huismus en gierzwaluw broeden vooral in of op gebouwen, terwijl andere soorten zoals bosuil en torenvalk in bomen of nestkasten broeden. Omdat voor de aanleg van de tracévarianten geen gebouwen gesloopt hoeven te worden, worden nestlocaties van huismus, huiszwaluw en gierzwaluw niet aangetast. Waarnemingen van overige vogels met jaarrond beschermd nest betreffen soorten die broeden in bomen of nestkasten. De kap van bomen voor het aanleggen van open ontgravingen lijkt bij geen van de tracévarianten aan de orde. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermd nest kunnen daarmee worden uitgesloten. Vanaf een luchtfoto is niet te beoordelen of voor de aanleg van de tracévarianten struweel dient te verdwijnen. Hierdoor is niet uit te sluiten of zich langs de tracévarianten essentieel foerageergebied van huismus bevindt. Een veldbezoek wordt aanbevolen. Omdat er geen bomen worden gekapt is er ook geen raakvlak met verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.

Ook negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen worden uitgesloten doordat geen van de tracévarianten raakvlakken met gebouwen kent. Ook mogelijke negatieve effecten op de functionaliteit van vliegroutes worden uitgesloten doordat geen bomen gekapt hoeven te worden voor de aanleg van de tracévarianten. Essentieel foerageergebied voor vleermuizen bevindt zich naar verwachting niet op de locatie van de tracévarianten. Naar verwachting hoeven geen bomen te worden gekapt. Daarnaast zorgt de aanleg van een tracé voor een zeer beperkt areaal aan tijdelijk ruimtebeslag. In de omgeving lijken verder voldoende foerageergebieden te liggen die geschikter worden geacht dan de tracévarianten. Een veldbezoek is niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat op basis van een analyse van de meest recente luchtfoto is bepaald dat geen bomen gekapt hoeven te worden. Daarmee treden ook geen negatieve effecten op vogelsoorten van de Vogelrichtlijn met een jaarrond beschermd nest, algemene broedvogels en vleermuizen beschermd onder de Habitatrichtlijn op. Wanneer wel bomen worden gekapt zijn deze effecten niet uit te sluiten. Indien bomen moeten worden gekapt, is een veldbezoek noodzakelijk om te bepalen of beschermde soorten worden geraakt door de werkzaamheden. Dit geldt voor alle tracévarianten. De standplaats van bomen dient dan nauwkeurig in kaart te worden gebracht. Om

53

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 uit te sluiten dat er zich struwelen op de tracévarianten bevinden wat kan fungeren als essentieel foerageergebied van huismus, dient een veldbezoek te worden gebracht. Bever Waarnemingen van bevers zijn enkel bekend van de uiterwaarden van de IJssel. Langs de geplande tracévarianten zijn geen waarnemingen van bever bekend. Geschikte oevers waar bevers verblijfplaatsen kunnen hebben, lijken hier op basis van een bureaustudie niet aanwezig. Verder vindt geen ruimtebeslag op oevers of wateren plaats. De stukken tracévarianten langs wateren worden aangelegd middels gestuurde boringen of liggen op voldoende afstand van de oever om verstoring te voorkomen. Negatieve effecten op bevers als gevolg van open ontgravingen of de aanleg van werkterreinen zijn uitgesloten. Das Ten westen van verdeelstation Deventer platvoet is één waarneming van das bekend. Het betreft een dood exemplaar. In de omgeving van de tracévarianten zijn geen burchten van das bekend. De tracés worden niet geschikt geacht als locatie voor dassenburchten omdat hier geen verhogingen in het landschap aanwezig zijn. Mogelijk zijn delen van de oostelijke tracévarianten geschikt als foerageergebied.

Omdat echter geen burchten in de buurt zijn wordt hier waarschijnlijk niet gefoerageerd door dassen. Daarnaast betreft het potentiële ruimtebeslag een zeer klein aandeel van weilanden en ander foerageergebied. Verder ten oosten en noordoosten zijn wel burchten van das bekend. Deze liggen op ruime afstand (> 1750m) van de tracévarianten. Negatieve effecten als gevolg van de open ontgravingen en aanleg van werkterreinen op das kunnen worden uitgesloten. Gevlekte witsnuitlibel Ongeveer 300 meter ten oosten van het noordelijkste punt van tracévariant 2 is een waarneming van gevlekte witsnuitlibel bekend. De waarneming is gedaan bij een poel op Sallandse Golfclub De Hoek. De gevlekte witsnuitlibel is een soort van verlandingszones in o.a. laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen. Ook worden ze aangetroffen in bosplassen en verlandingszones van hoogvenen en heidevennen. Het voortplantingswater dient helder, ondiep en matig voedselrijk te zijn. Dergelijke poelen of plassen komen langs de tracévarianten niet voor en/of worden niet geraakt door de aanleg van de tracévarianten. Effecten op gevlekte witsnuitlibel als gevolg van de geplande werkzaamheden kunnen daarmee worden uitgesloten. Poelkikker In de nabijheid van tracévariant 2 zijn waarnemingen van poelkikker bekend.

Deze onder de Habitatrichtlijn beschermde soort komt voor in en rondom onbeschaduwde, zwak zure, voedselarme en schone wateren. Dit zijn bijvoorbeeld vennen, heidepoelen en watergangen in uiterwaarden. Veelal komen poelkikkers voor in pionier situaties. De aanleg van geen van de tracévarianten leidt tot ruimtebeslag op wateren. Negatieve effecten op voortplantingswateren van poelkikker zijn daarmee uitgesloten. Echter overwinteren poelkikkers op het land in bijvoorbeeld een muizenhol of onder boomstronken. Dit zijn locaties die veelal binnen 100 á 200 meter van voortplantingswateren liggen. Open ontgravingen en de aanleg van werkterreinen kunnen leiden tot ruimtebeslag op overwinteringsplaatsen van poelkikker. Op basis van een bureaustudie zijn negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden niet uit te sluiten. Een veldbezoek wordt aanbevolen om uit te sluiten dat overwinteringsplaatsen van poelkikker langs tracévariant 2 aanwezig zijn. 54

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 Kamsalamander In de omgeving van alle tracévarianten zijn enkele waarnemingen van kamsalamander bekend. Het betreft waarnemingen van overwinterende en juveniele individuen. In de voortplantingsperiode (februari-september) verblijven dieren veelal in het water. In uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat kamsalamanders ook in de winter in het water verblijven. De tracévarianten zorgen niet voor ruimtebeslag op potentiële voortplantingswateren van kamsalamander. Echter leven kamsalamanders gedurende een groot gedeelte van het jaar (zomerperiode en winter) op het land. De zomerhabitat van kamsalamanders bestaat uit struikgewas, struweel, ruig grasland en/of bosrijk gebied. De overwinteringsplaatsen van kamsalamanders bevinden zich op vochtige en vorstvrije plaatsen, bijvoorbeeld in houtwallen, tussen stapels stenen of in struweel. Middels een bureaustudie kan niet worden uitgesloten dat open ontgravingen en de aanleg van werkterreinen zorgen voor ruimtebeslag op terrestrische verblijfplaatsen van kamsalamander.

Een veldbezoek wordt noodzakelijk geacht om uit te sluiten of er mogelijk verblijfplaatsen van kamsalamanders aanwezig zijn langs de tracévarianten. Indien dit het geval is dient op zijn minst buiten de gevoelige overwinteringsperiode te worden gewerkt. Locaties die onderzocht dienen te worden moeten binnen enkele honderden meters van voortplantingswateren liggen. Eekhoorn Nabij alle tracévarianten zijn waarnemingen van eekhoorn bekend. Verblijfplaatsen van deze soort bevinden zich in bomen. Het kappen van bomen bij aanleg van de tracévarianten kan hierbij leiden tot vernietiging van verblijfplaatsen en foerageergebied van eekhoorn. Omdat geen bomen gekapt hoeven te worden voor de aanleg van al de tracévarianten, is nader onderzoek in de vorm van een veldbezoek niet noodzakelijk. Egel De egel is een nationaal beschermde diersoort onder de Wet natuurbescherming. Onlangs heeft de provincie Overijssel deze soort van de lijst met vrijgestelde soorten bij werkzaamheden gehaald. Alle tracévarianten en hun directe omgeving vormen potentieel foerageergebied voor egels. Ook vormen de gronden waarop open ontgravingen plaats gaan vinden of waar werkterreinen worden aangelegd potentiële verblijfplaatsen voor egels. In de omgeving van de tracévarianten is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van kleine bosschages, bermen en velden.

Op basis van een bureaustudie kan echter niet worden uitgesloten dat er zich verblijfplaatsen van egel langs of op de tracévarianten bevinden. Een veldbezoek is noodzakelijk om de aanwezigheid van verblijfplaatsen van egel uit te sluiten. Bunzing, hermelijn & steenmarter Nabij alle tracévarianten zijn meerdere waarnemingen van bunzing, hermelijn en steenmarter bekend. Een deel van het plangebied lijkt geschikt foerageergebied te vormen voor de genoemde soorten. De bebouwde omgeving biedt daarnaast ook schuilplaatsen voor met name steenmarter. Door open ontgravingen zou potentieel geschikt foerageergebied voor de nationaal beschermde marterachtigen kunnen verdwijnen in de vorm van graslanden, akkerranden, oeverbegroeiingen, droge sloten, bomenrijen en houtwallen. De stedelijke omgeving zelf wordt niet geschikt geacht als gebied waar voldoende voedsel aanwezig is. Het is waarschijnlijk dat steenmarters de randen van het stedelijk gebied opzoeken voor voedsel en verblijfplaatsen, terwijl verblijfplaatsen van bunzing en hermelijn waarschijnlijk in meer landelijk gebied liggen. Grotere aangeschakelde geschikte foerageergebieden bevinden zich naar alle waarschijnlijkheid buiten Deventer. Daarnaast zorgt de aanleg van één van de varianten slechts tot tijdelijk ruimtebeslag op foerageergebied en is van 55

Haalbaarheidsstudie Verkabelen bovengrondse verbinding DVTP110 tot mast 071 Diepenveen, en lijnverbindingen DVTP-RS-GO110 en DVTP-DVTB110 van DVTP tot masten 3. Projectnummer 002.612.19.S12.002 21 september 2021, versie 3.0 gering oppervlak waardoor negatieve effecten op essentieel foerageergebied uitgesloten kunnen worden. Wel zijn er mogelijk verblijfplaatsen aanwezig van bunzing, hermelijn en steenmarter op locaties waar werkterreinen komen of waar open ontgravingen plaatsvinden. Verblijfplaatsen kunnen zich bijvoorbeeld bevinden in takkenrillen, struwelen, (konijnen)holen, schuurtjes, rommelhoekjes en boomholten. Een veldbezoek is noodzakelijk om de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor bunzing, hermelijn en steenmarter uit te sluiten. Dit geldt voor alle tracévarianten. Grote vos, grote weerschijnvlinder & kleine ijsvogelvlinder In de omgeving van de tracévarianten zijn enkele waarnemingen bekend van grote vos, kleine ijsvogelvlinder en grote weerschijnvlinder. De waarnemingen van grote vos en grote weerschijnvlinder betreffen een enkele waarneming en beide waarnemingen bevinden zich binnen honderd meter van de tracévarianten. De kleine ijsvogelvlinder is op meerdere plaatsen langs tracévariant 2 waargenomen. De kleine ijsvogelvlinder heeft als waardplant de wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum).

Het is niet uitgesloten dat deze klimplant zich in bosschages langs tracévariant 2 bevindt. De grote weerschijnvlinder zet zijn eitjes af op de boswilg (Salix caprea) en de grauwe wilg (Salix cinerea). De grote vos zet zijn eitjes voornamelijk af op iepen en in mindere mate zoete kersen en wilgen. De kans wordt, gezien slechts een enkele waarneming van beide soorten, erg klein geacht dat het plangebied geschikt leefgebied voor beide soorten vormt. Om volledig uit te kunnen sluiten dat de open ontgravingen en aanleg van werkterreinen overlappen met geschikt leefgebied en de standplaats van waardplanten voor beide soorten, dient een veldbezoek uitgevoerd te worden waarbij waardplanten in kaart worden gebracht. Overige soorten Voor de overige soorten die op basis van de bureaustudie in de directe omgeving van de tracévarianten worden verwacht, geldt binnen de provincie Overijssel een algemene vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen. Dit geldt voor algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Bij open ontgravingen dient wel rekening worden gehouden met deze soorten vanuit de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb) 3.1.1.6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11234700/1