CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-287-bijlage-TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27 Toelichting

Raadsvergadering 10 juni 2026, gemeente DeventerBij agendapunt: Vaststellen Tam omgevingsplan Gorsselseweg 2724.751 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor Bathmen worden de volgende aandachtspunten benoemd: Méér cultuurhistorische gelaagdheid Bathmen heeft een sterke eigen identiteit. Dit historisch gegroeide landelijke en dorpse karakter willen we koesteren en versterken. De historische dorpskern en de oude bebouwingslinten zijn daar belangrijke onderdelen van. De openbare ruimte in de dorpskern heeft een kenmerkend contrast tussen de stenige straten (Schoolstraat / Molenstraat) en de aaneengesloten reeks van grotere groene ruimtes van de Kerkring, het Kerkplein, Brink en de groenzone langs de Gorsselseweg. De dorpskern en de Deventerweg, Dorpsstraat, Looweg, Hogeweg, Koekendijk, Gorsselseweg, Woertmansweg en Larenseweg hebben karakteristiek uiterlijk, met een gevarieerde, compacte en individuele bebouwing. Méér wisselwerking tussen platteland en stad De binding tussen dorp en platteland is van oudsher sterk aanwezig, zowel in het 'collectief geheugen' van het dorp, als in de beleving van bijvoorbeeld de vele fiets- en wandelroutes. Er zijn een groot aantal 'ommetjes' uitgezet die inmiddels onderdeel zijn van het wandelnetwerk Salland. Meer recreatieve toegankelijkheid met ommetjes en het aansluiten van fietspaden op het fietsnetwerk heeft meerwaarde. Ook de historische bebouwingslinten zorgen voor de verknoping van het dorp met het omringende landschap.

We geven ruimte aan initiatieven die de relatie tussen dorp en platteland verder versterken. De wisselwerking tussen drop en platteland spitst zich fysiek toe op het leggen of verstevigen van schakels in verbindende netwerken tussen stad, dorpen en buitengebied, zoals groen- en waterstructuren, droge en natte ecologische verbindingszones, wandelroutes en recreatieve en utilitaire fietsroutes. Dit kan voor uiteenlopende aspecten van meerwaarde zijn, zoals het vergroten van de biodiversiteit in het stedelijk gebied (bijenlinten e.d.), het beleefbaar maken van historische en/of landschappelijke lijnen en het stimuleren van inwoners tot meer bewegen. Kwaliteitsimpuls op Deventer schaal De verkeersstructuur in Bathmen is in grote lijnen op orde. De belangrijkste ontsluitingswegen van het dorp Bathmen zijn de Koekendijk, de Schipbeeksweg, de Gorsselseweg en de Deventerweg. Fietsers kunnen gebruik maken van alle wegen binnen de bebouwde kom. Enkele belangrijke ontsluitende wegen hebben fietsvoorzieningen. De intensiteitspieken in het fiets - verkeer worden veroorzaakt door schoolgaande jeugd en de fietsritten van en naar de sportvelden. Veiligheid en recreatie zijn gediend bij een netwerk van fietsroutes. De behoefte daaraan zal door vergrijzing en de verdere groei van het e-bikeverkeer alleen maar toenemen.

Het reguliere openbaar (bus)vervoer staat als gevolg van bezuinigingen bij het Rijk en de Provincie Overijssel (vervoerautoriteit) onder druk. Heropening van het ooit aanwezige station behoort tot de

31

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

mogelijkheden: een aantal Bathmenaren zet zich hier actief voor in. Naast het openbaar vervoer zijn er mogelijkheden voor door bewoners georganiseerd 'vervoer op maat', bijvoorbeeld via het Bathmense Contact Team. De kracht van Deventer benutten Door de vergrijzing en ontwikkelingen in de zorg doen Bathmenaren een steeds groter beroep op elkaar om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen. Dit 'noaberschap' wordt gestimuleerd. Waardevast ondernemen Gemeente Deventer wil de beschikbaarheid van voorzieningen op peil houden. Ongedeelde samenleving Er zijn bouwmogelijkheden binnen de kom. Bij nieuwe woningbouwontwikkelingen stemmen we de woningbehoefte af met vertegenwoordigers van de inwoners van Bathmen. We zien vooral een behoefte aan woningen voor kleinere huishoudens, starters en senioren. Veilig en gezond leven Een aantrekkelijke en groene openbare ruimte stimuleert om elkaar te ontmoeten en voor een actief en gezond gedrag. Het kunnen maken van 'ommetjes' in een aantrekkelijke groene omgeving hoort daarbij. Daarom wordt ingezet op meer natuur in en om de stad en dorpen door de aanplant van streekeigen soorten en richt het onderhoud van het openbare groen zich sterker op het stimuleren van natuurwaarden. Dit draagt bij aan meer biodiversiteit in en om het dorp. Vanuit klimaatbestendigheid koesteren we het groene karakter van Bathmen.

Naast de groenstructuur in en om de kern en de boomstructuren langs onder andere de Dorpsstraat en de Schipbeeksweg dragen ook de groene dorpsranden bij. Bewoners waarderen de woonkwaliteit met veel rust, ruimte en groen in en rondom de woongebieden. Voor het mengen van wonen met andere functies zien we daarom vooral ruimte in de dorpskern en langs de Looweg en Koekendijk. Duurzaam ontwikkelen Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan energieneutraliteit en klimaatbestendigheid. In een aantal dichter bebouwde delen van het dorp is sprake van hittestress. Het omvormen van overbodige verharding naar groen kan bijdragen aan het klimaatbestendig houden van Bathmen. Toetsing aan de Omgevingsvisie Deventer De voorgenomen woningbouwontwikkeling sluit goed aan bij de ambities voor Bathmen. Het plan versterkt het dorpse en landelijke karakter door een groene inrichting, passend bij de historische bebouwingsstructuur. Daarnaast draagt de ontwikkeling bij aan een betere verbinding tussen het dorp en het omliggende landschap. Er worden extra wandelverbindingen gecreëerd naar het netwerk van ommetjes en het wandelpad langs de Schipbeek, wat de recreatieve toegankelijkheid vergroot. Op het gebied van duurzaamheid en klimaatbestendigheid sluit de ontwikkeling aan bij de gemeentelijke doelen. De woningen worden gasloos en voldoen aan de nieuwste BENG-normen.

Ook is natuurinclusief bouwen meegenomen, met aandacht voor biodiversiteit en waterberging. Het behoud en de uitbreiding van groen helpen om hittestress te verminderen en versterken het groene karakter van Bathmen. De openbare ruimte wordt aantrekkelijk en uitnodigend ingericht, waardoor ontmoeting en beweging worden gestimuleerd. Dit draagt bij aan een gezonde leefomgeving. Tot slot sluit de woningbouw aan bij de lokale woonbehoefte. Met levensloopbestendige en betaalbare woningen wordt ingespeeld op de woningbouwbehoefte van starters, kleine huishoudens en senioren. Het plan ondersteunt de beleidsdoelen voor Bathmen en zorgt het voor een toekomstbestendige,

32

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

duurzame en inclusieve woonomgeving. Daarom past het voornemen binnen de gemeentelijke Omgevingsvisie.

3.4.2

Woonvisie Deventer (2024)

3.4.2.1 Algemeen De Woonvisie geeft aan waar het woonbeleid zich de komende 5 tot 10 jaar op richt. Het geeft de ambities aan en de belangrijkste opgaven. Deze zijn gemeentebreed, zowel voor de stad Deventer als de omliggende dorpen en kernen. De Woonvisie geeft niet altijd definitieve antwoorden op de opgaven, maar geeft wel richting aan de manier waarop we de opgaven oppakken. De visie is een uitnodiging aan de partners om actief bij te dragen aan het realiseren van de woonopgaven. In de woonvisie staan meerdere ambities centraal op basis waarvan verder wordt gewerkt: Vitale stad aan de IJssel; Ongedeeld en inclusief; Duurzaam en toekomstbestendig. Hier zijn de volgende woonopgaven aan verbonden: Voldoende, betaalbaar en divers; Goed wonen in wijken en dorpen; Duurzaam wonen. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn met name de aspecten 'Wonen geschikt voor ouderen', 'Inbreiding' en 'Goed wonen in dorpen' die worden genoemd in de Woonvisie van belang. 3.4.2.2 Woningen geschikt voor ouderen Met het veranderen van de gemiddelde leeftijd van de bevolking verandert ook de behoefte aan woonruimte. Er zijn woningen nodig die aansluiten bij de wensen en behoeften van ouderen. Het gaat om woningen met comfort en gebruiksgemak, in de buurt van voorzieningen en met voldoende mogelijkheden om anderen te ontmoeten en een leefomgeving die uitnodigt om te bewegen.

Het toevoegen van levensloopbestendige woningen in de bestaande wijk biedt kansen om doorstroming op gang te brengen. Van de woningen die worden gerealiseerd moet een derde geschikt zijn voor ouderen (nultreden en geclusterde woningen). Het gaat hier om er zo'n 2.300 woningen. Hiervan moeten er ongeveer 1.500 woningen tot 2030 worden gerealiseerd. Vanwege de specifieke behoefte kan hiervoor zowel nieuwbouw als bestaande bouw worden benut. 3.4.2.3 Inbreiding De woningbouwopgave is fors, daarnaast is er snelheid gewenst en liggen er verschillende ruimteclaims. Bij de woningbouwopgave is nog steeds de voorkeur om deze binnenstedelijk te realiseren. Daarnaast is uitbreiding nodig, maar dit mag er niet toe leiden dat kansen voor passende inbreiding onbenut blijven (conform ladder voor duurzame verstedelijking). Inbreiding biedt een belangrijke kans voor het toevoegen van aantrekkelijke woningtypen voor meerdere doelgroepen, zeker ook voor senioren. Denk aan geclusterd bouwen in nabijheid van intramurale complexen. Hierdoor kunnen de senioren in hun eigen wijk blijven wonen en daarmee hun bestaande netwerk behouden. Dit zorgt voor doorstroming in buurten en wijken. Inbreiding draagt ook bij aan de versterking van de voorzieningenstructuur. Daarnaast ontstaan ook kansen voor collectiviteit, zoals deelmobiliteit.

Verdichting wordt dus steeds belangrijker, maar er is wel creativiteit en eventueel maatwerk en omdenken (bijvoorbeeld parkeernorm/-hub, groen, woningoppervlakte) voor nodig. Inbreiden legt extra druk op de bestaande openbare ruimte. Die vaak niet is afgestemd op meer woningen. Denk hierbij aan spelen, groen-blauwe waarden, verkeer/parkeren en riolering. Het is daarom van belang om de leefomgeving aan de voorkant te betrekken bij inbreiding en verdichting, zodat de impact op de

33

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

openbare ruimte goed in kaart kan worden gebracht en hier in ontwerp en beslissingen rekening mee kan worden gehouden. 3.4.2.4 Goed wonen in dorpen 'Noaberschap' en betrokkenheid bij de leefbaarheid zijn kwaliteiten die bij uitstek in de dorpen aanwezig zijn. Voor de ouderen is van belang dat voorzieningen die, niet aanwezig zijn in de dorpen, wel bereikbaar blijven en dat zorg hen ook thuis kan bedienen. De gemeente accepteert dat in dorpen niet alle woonvormen en voorzieningen als in de stad beschikbaar zijn. Wel is het zaak met de ontwikkelruimte die er is, goed aan te sluiten bij de kwalitatieve woonvraag van met name jongeren en ouderen vanuit de kern. De gemeente Deventer staat open voor kleinschalige burgerinitiatieven en innovatieve ideeën die met name gericht zijn op betaalbaar wonen voor starters, het langer zelfstandig blijven wonen en de leefbaarheid in de kernen en op het platteland. De afgelopen jaren zijn routekaarten opgesteld en vastgesteld voor de dorpen Diepenveen, Schalkhaar, Lettele, Loo, Okkenbroek en Bathmen. Deze gaan dieper in op doelgroepen, tempo en plekken. In paragraaf 3.4.3 wordt verder ingegaan op de routekaart voor Bathmen. Toetsing aan de Woonvisie Deventer (2024) De voorgenomen ontwikkeling omvat de herontwikkeling van het plangebied naar een woongebied met 15 woningen. Daarnaast wordt de bedrijfswoning omgezet naar reguliere woning.

Dit betreft een vrijstaande woning. De voormalige bedrijfswoning bewoond blijft door de huidige bewoners en niet vrijkomt voor de woningmarkt. Dit duidt op een concrete woonbehoefte. Het programma voorziet in woningen die geschikt zijn voor diverse doelgroepen, waaronder starters, kleine huishoudens en ouderen. Doordat een groot gedeelte van de woningen levensloopbestendig zijn en voor directe zorg geschikt is de woning met name geschikt voor ouderen. Wegens de betaalbare aard sluit de ontwikkeling ook goed aan bij de vraag van starters en kleine huishoudens in de kern Bathmen. Bovendien dragen de woningen bij aan de doorstroming op de woningmarkt. Door het creëren van een aantrekkelijke, groene openbare ruimte wordt niet alleen de leefomgeving versterkt, maar wordt ook een omgeving gecreëerd die uitnodigt tot ontmoeting en beweging, wat belangrijk is voor een gezonde leefstijl. De ontwikkeling past binnen de beleidsdoelen van inbreiding, aangezien het binnen de bestaande bebouwde kom van Bathmen wordt gerealiseerd. Er is gekozen voor een kleinschalige woningbouwontwikkeling, waardoor de benodigde ruimte efficiënt wordt benut zonder grootschalige uitbreiding van het dorp. Dit draagt bij aan de versterking van de voorzieningen en het sociale netwerk binnen de kern.

Ook wordt rekening gehouden met de impact op de openbare ruimte, met aandacht voor groen, waterbeheer en de integratie van bestaande bomen. Verder sluit het plan goed aan bij de behoefte aan goed wonen in dorpen. Door het respect voor de groene en historische context van Bathmen wordt een toekomstbestendige en klimaatbestendige woonomgeving gecreëerd die aansluit op de woningbouwbehoefte.

34

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

3.4.3

Routekaart Bathmen Wonen en Voorzieningen

3.4.3.1 Algemeen Uitgangspunt voor het woningbouwprogramma is de in 2021 door de gemeenteraad vastgestelde 'Routekaart Wonen en voorzieningen Bathmen'. In de Routekaart is de ambitie voor het woningbouwprogramma voor het dorp Bathmen vastgesteld. Het programma uit de Routekaart Bathmen gaat uit van een toename van 650 woningen tot 2035. Daarmee wordt voorzien in de lokale woningbehoefte én in de ambitie voor een extra inwonersgroei van Bathmen in de periode tot 2035. Voor de woningbouwopgave in het dorp Bathmen gelden de volgende uitgangspunten: Het toevoegen van betaalbare woningen voor jongeren (ca. 40% van het programma): onder het betaalbare segment wordt verstaan: sociale huur, middeldure huur en koopwoningen van maximaal € 390.000 VON (prijspeil 2024). Het toevoegen van geschikte woningen voor senioren (ca. 40% van het programma): de doelgroep 'ouderen' is allesbehalve een homogene groep. Deze groep strekt zich uit van (vitale) empty-nesters tot aan kwetsbare 70/80/90 plussers met zorgvragen. De verschillende subdoelgroepen vragen elk wat anders van hun woning en woonomgeving. In beperktere mate bouwen voor gezinnen (ca. 20% van het programma). Deze opgave is beperkter in omvang omdat er voor deze categorie al een ruimer aanbod is in Bathmen.

Toetsing aan de Routekaart Bathmen Wonen en Voorzieningen De voorgenomen woningbouwontwikkeling sluit nauw aan op de ambities van de ‘Routekaart Wonen en voorzieningen Bathmen’, zoals vastgesteld door de gemeenteraad in 2021. Hoewel de routekaart een totaal van 650 woningen tot 2035 nastreeft, vormt deze ontwikkeling een kleine, maar belangrijke stap richting die doelstellingen. Binnen het kader van de routekaart, waarin ongeveer 40% van het woningbouwprogramma gericht is op betaalbare woningen voor jongeren, 40% op woningen die geschikt zijn voor ouderen en 20% op woningen voor gezinnen, richt deze ontwikkeling zich primair op het segment voor ouderen en starters. De 15 nieuw te bouwen rijwoningen worden ontworpen met levensloopbestendigheid als kernpunt. Daarnaast moet 40% betaalbaar zijn (prijspeil 2025). Dit betekent dat de woningen comfort en gebruiksgemak bieden, zodat ze aansluiten op de uiteenlopende behoeften van ouderen – van vitale empty-nesters tot mensen met zorgvragen – en tevens aantrekkelijk zijn voor jonge starters. Door inbreiding binnen de bestaande dorpskern van Bathmen wordt de lokale woonstructuur versterkt en blijft de historische identiteit van het dorp behouden. Daarnaast draagt het groene ontwerp, met behoud van bestaande bomen en extra wandelverbindingen naar het omliggende landschap, bij aan een duurzame en gezonde leefomgeving.

Dit sluit aan bij de ambitie om een inclusieve, toekomstbestendige en klimaatbestendige woonomgeving te realiseren. Kortom, deze ontwikkeling ondersteunt de bredere woonopgaven voor Bathmen en versterkt de positie van het dorp als een aantrekkelijke en samenhangende leefomgeving.

3.4.4

Conclusie gemeentelijk beleid Geconcludeerd wordt dat de in voorliggend TAM-omgevingsplan besloten ontwikkeling in past binnen het gemeentelijk beleid.

35

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

36

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

Hoofdstuk 4 4.1

Aspecten van de fysieke leefomgeving

Milieuaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld. De volgende aspecten komen aan bod: bodem; geluid door activiteiten; luchtkwaliteit; externe veiligheid; geur; ecologie; m.e.r.-beoordeling; duurzaamheid en klimaatadaptatie; gezondheid; archeologie en cultuurhistorie; weging van het waterbelang; leidingen en kabels; verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren; sociale veiligheid; onontplofbare oorlogsresten; welstand.

4.1.1

Bodem

4.1.1.1 Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

37

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 4.1.1.2 Situatie plangebied Voor het volledige gebied is door Ortageo een verkennend en nader bodemonderzoek NEN 5740 en 5707 uitgevoerd. De volledige rapportage is bijgevoegd in Bijlage 2 van deze toelichting. De belangrijkste onderzoeksresultaten worden hierna besproken. Onderzoeksresultaten verkennend en nader bodemonderzoek (conform NEN 5740 en NEN 5707) Chemische parameters (NEN 5740) Er zijn geen parameters aangetoond in gehalten in de grond of concentraties in het grondwater boven de tussenwaarde.

Dit houdt in dat er op basis van de Wet bodembescherming geen aanleiding is voor het uitvoeren van nader onderzoek en/of sanerende maatregelen. Asbest (NEN 5707) Omdat onder daklijn E de interventiewaarde voor asbest wordt overschreden, is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en zijn sanerende maatregelen noodzakelijk. Gezien het bouwjaar van de kippenschuren (1955 – 1960) is duidelijk dat de daken aanwezig waren voor 1993. Verwering van het dak heeft echter ook ná 1993 kunnen plaatsvinden. Op basis van het bouwjaar kan worden uitgegaan van een zogenaamde bestaande (historische) verontreiniging (verontreiniging ontstaan vóór 1993), maar op basis van de verwering kan ook deels sprake zijn van een nieuw geval en zorgplicht (verontreiniging ontstaan na 1993). Voor de locatie is geen sprake van “onaanvaardbare risico’s”. Dat betekent dat er op korte termijn geen saneringsnoodzaak bestaat. Voor het overige deel van de locatie en de overige afwateringszones zijn de gemeten gehalten asbest lager dan de helft van de interventiewaarde en is er met betrekking tot asbest geen aanleiding voor het uitvoeren van nader onderzoek en/of sanerende maatregelen.

4.1.1.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, mits de sanerende maatregelen worden uitgevoerd.

38

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

4.1.2

Geluid door activiteiten

4.1.2.1 Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat).

Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.1.2.2 Situatie plangebied In voorliggend geval worden geluidsgevoelige objecten toegevoegd.

Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen

39

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

en spoorwegen de volgende afstanden: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich geen spoorwegen. De dichtstbijzijnde spoorweg bevindt zich op circa 750 meter afstand van het plangebied. Wat betreft wegverkeerslawaai wordt vermeld dat het plangebied binnen het geluidaandachtsgebied ligt van de Gorsselseweg, Woertmansweg en Koersenweg. Bovendien ligt het plangbeid in het geluidsaandachtsgebied van de A1. Derhalve dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. Derhalve is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De volledige rapportage is bijgevoegd als Bijlage 3 van deze onderbouwing. De belangrijkste onderzoeksresultaten worden hierna besproken. Onderzoeksresultaten Het geluid door de gemeentewegen bedraagt hoogstens 46 dB Lden. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB Lden uit het Bkl. Het geluid door de rijkswegen bedraagt hoogstens 55 dB Lden.

Met deze waarde niet wordt voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB Lden uit het Bkl. Wel wordt voldaan aan de grenswaarde van 60 dB Lden uit het Bkl. Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.78t Bkl). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd dienen te worden welke maatregelen mogelijk zijn om het geluid op een geluidgevoelig gebouw te verlagen tot de standaardwaarde. Het toelaten van een geluidgevoelig gebouw indien niet voldaan wordt aan de standaardwaarde is mogelijk volgens het Bkl (artikel 5.78 Bkl) indien: Geluidbeperkende maatregelen niet mogelijk zijn; De overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt zijn door het treffen van geluidbeperkende maatregelen; Bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overwogen zijn die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan; De grenswaarde niet overschreden wordt. 1. Indien de standaardwaarde wordt overschreden, maar wel wordt voldaan aan de grenswaarde, wordt: a. Het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken; b. De aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld; c.

Het gezamenlijk geluid op de gevel van de geluidgevoelige gebouwen bepaald en in het omgevingsplan vastgesteld. In dit geval zijn verkeerskundige en afschermende maatregelen (geluidbeperkende maatregelen) niet mogelijk, dan wel vanuit stedenbouwkundig en financieel opzicht niet wenselijk. Het geluid van een voertuig wordt veroorzaakt door het motorgeluid en het geluid van de banden. Vooral vrachtwagens zijn de afgelopen jaren veel stiller geworden. In het rekenmodel is hier al rekening mee gehouden. De initiatiefnemer van het bouwplan waar voorliggend onderzoek voor wordt uitgevoerd, heeft

40

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

geen invloed op het reduceren van het geluid van voertuigen. Daarnaast heeft de initiatiefnemer ook geen invloed op de samenstelling van het verkeer, de verkeersintensiteit en het snelheidsregime. Een aanpassing van het wegdektype kan zorgen voor een reductie van het bandengeluid van voertuigen en daarmee het geluid van een voertuig. Met het aanpassen van het wegdek van de relevante wegen in dit akoestisch onderzoek, kunnen beperkte geluidsreducties worden behaald. Daarnaast brengt het aanbrengen van stiller wegdek hoge kosten met zich mee. De kosten zijn in verhouding te hoog vergeleken met de baten. De wegbeheerder zal bovendien niet instemmen met het stiller maken van een klein deel van de weg, omdat dit tot onderhoudtechnische problemen leidt. Vanuit civieltechnisch oogpunt is het aanbrengen van stiller asfalt dus eveneens niet haalbaar. Een grotere afstand tussen de gevel en de weg leidt tot een reductie van het geluid van wegen op de gevel. Deze maatregel kan in voorliggend geval echter niet worden toegepast, aangezien dit niet past binnen de stedenbouwkundige structuur. Het plaatsen van geluidsschermen is eveneens niet wenselijk vanuit stedenbouwkundig en financieel oogpunt. Bovendien zijn de hogere verdiepingen niet af te schermen met geluidsschermen. Het gezamenlijk geluid bedraagt ten hoogste 55 dB.

Er is een gevelwering van minimaal 55-33 = 22 dB benodigd om ter plaatse van alle woningen aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen dient te worden beoordeeld of sprake is van voldoende gevelwering om ter plaatse van de woningen een binnenniveau van 33 dB te waarborgen. Dit is geborgd in artikel 6.10 van de regels van dit omgevingsplan. Tevens is ter plaatse van de woningen sprake van één of meerdere geluidsluwe gevels. In dit geval is er sprake van minimaal één gevel waar wordt voldaan aan de standaardwaarde, en hiermee van een geluidsluwe gevel. In het kader van 'geluid en gezondheid' is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Met het inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Wel is het nodig om in de wijziging van het omgevingsplan regels op te nemen voor geluid die zich richten op: De geluidwering dient te worden bepaald op basis van het gezamenlijk geluid. Ter overweging wordt meegegeven om één generieke waarde voor het gezamenlijk geluid vast te leggen. Er kan worden voldaan aan de instructieregels van het Bkl en daarmee wordt het geluid van wegen als aanvaardbaar beoordeeld. Het gezamenlijk geluid (55 dB) dient te worden vastgelegd in de regels van het te wijzigen omgevingsplan.

De geluidwering dient te worden bepaald op basis van het gezamenlijk geluid. Daarnaast dienen hogere waarden te worden vastgesteld (overgangsrecht). Dit is geborgd in artikel 11.1 van de regels van dit omgevingsplan. Industrielawaai In de nabijheid is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig. Industrielawaai is geen belemmering voor het voornemen. Solitaire bedrijvigheid In de nabije omgeving van het projectgebied zijn enkele geluidsbronnen aanwezig die de geluidgevoelige gebouwen (woningen) kunnen verhinderen. Hieronder zal de geluidshinder van bestaande functies in de omgeving worden beschreven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden geluid uit de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering'. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In dit geval is er gezien de aard van de omgeving sprake van een 'rustige woonwijk'. Opgemerkt

41

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

wordt dat er is gemeten tussen gevel van de geplande woningen en de betreffende bestemmingen. Adres en functie

Maximale toegelaten milieucategorie 2

Grootste richtafstand 'rustige woonwijk' 30 m

Daadwerkelijke afstand (circa) 90 m

Gorsselseweg18/18a Bedrijf Steginksweg 4a-4b 3.2 50 m 400 m Agrarisch-intensieve veehouderij Steginkweg 2 3.1 30 m 400 m Agrarisch Zoals weergegeven in bovenstaande tabel wordt aan alle richtafstanden voldaan. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.1.2.3 Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, mits met een akoestisch onderzoek naar de gevelwering wordt aangetoond dat ter plaatse van de woningen sprake is van een binnenniveau van 33 dB ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning.

4.1.3

Luchtkwaliteit

4.1.3.1 Beoordelingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool

42

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 4.1.3.2 Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl), kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. 4.1.3.3 Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.1.4

Externe veiligheid

4.1.4.1 Algemeen Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn.

In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.

43

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

4.1.4.2 Situatie plangebied Aan de hand van de EV-signaleringskaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de EV-signaleringskaart met daarop middels een rode ster de locatie van het projectgebied weergegeven.

Afbeelding 4.1: Uitsnede risicokaart (Bron: Atlasleefomgeving.nl) Het plangebied ligt niet binnen een PR10-6 per jaar contour van een risicobron in het kader van externe veiligheid. Het plangebied ligt wel (deels) binnen het explosieaandachtsgebied en geheel binnen het gifwolkaandachtsgebied van de Rijksweg A1. De A1 is een basisnetroute waar gevaarlijke stoffen over vervoerd worden. Er dient daarom op grond van artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving rekening te worden gehouden met het groepsrisico. Hieraan wordt voldaan door geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en/of zeer kwetsbare gebouwen of locaties toe te laten binnen het aandachtsgebied. Door de veiligheidsregio is een advies opgesteld. Deze is opgenomen als Bijlage 4 van deze onderbouwing. Hieruit volgen de volgende adviezen (in cursief wat hiermee is gedaan): De nieuw te bouwen woningen te voorzien van mechanisch afsluitbare ventilatie. Dit is al verplicht onder de Omgevingswet. In dit geval worden de woningen voorzien van mechanische afsluitbare ventilatie, aangezien dit reeds verplicht is onder de Omgevingswet. De nieuw te bouwen woningen te projecteren buiten het explosieaandachtsgebied. De woningen worden gebouwd op de grens van, maar niet in het explosieaandachtsgebied. Bij de verantwoording van het groepsrisico rekening te houden met de effecten uit het scenario

44

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

warme BLEVE bij wegvervoer LPG. Volgens het scenario "Warme BLEVE bij wegvervoer LPG" ligt het plangebied in de tweede ring. In dit gebied bedraagt de warmtebelasting 25 tot 130 kW/m2 en kunnen mensen overlijden of gewond raken. Er ontstaan brandhaarden en hout en plastic vervormen. De hittestraling is kort maar zeer intens en kan leiden tot secundaire branden en schade in de omgeving. Het slachtofferbeeld buiten wordt voornamelijk bepaald door de warmtestraling en niet door de overdruk. Gebouwen kunnen bescherming bieden tegen de warmtestraling, mits ze bestand zijn tegen de overdruk. Dit wordt meegenomen in de uitvoering. Bij de verdere invulling van de plannen rekening te houden met de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid. Bij een calamiteit moeten hulpdiensten het gebied of object goed kunnen bereiken. De woningen zijn ontsloten via de Gorsselseweg en de Burgemeester Bogtstralaan. Dankzij deze twee ontsluitingswegen is het plangebied goed toegankelijk voor hulpdiensten. Er is bewust gekozen voor een tweede inrit, zodat bij calamiteiten of werkzaamheden altijd een alternatieve route beschik baar is wanneer één van de verbindingen wordt geblokkeerd of onbruikbaar is. Bij het ontwerp van de ontsluitingen is rekening gehouden met de afmetingen van brandweervoertuigen. Hierdoor is er voldoende ruimte voor hulpdiensten om hun werkzaamheden effectief en veilig te kunnen uitvoeren.

Met betrekking tot bestrijdigbaarheid wordt vermeldt dat de adviezen van de veiligheidsregio in acht worden genomen bij de verdere bouwkundige uitwerking. De aanwezigen doormiddel van risicocommunicatie te informeren over de handelingsperspectieven bij een incident op de A1 en er rekening mee te houden dat het om levensloop bestendige woningen gaat. Dit wordt meegenomen in de uitvoering. Bij een incident op de A1 te schuilen in de woningen. Dit wordt meegenomen in de uitvoering en kan onderdeel zijn van de risicocommunicatie.

4.1.4.3 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.1.5

Geur

4.1.5.1 Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat);

45

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor.

De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden 4.1.5.2 Situatie plangebied Met voorgenomen ontwikkeling worden nieuwe geurgevoelige gebouwen gebouwd. Een woning is namelijk een geurgevoelig gebouw. Om te bepalen of ter plaatse van het projectgebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat dient een beschouwing van alle veehouderijen met dieren met een wettelijk vastgestelde geuremissiefactor binnen een straal van 1 km rond het plan te worden meegenomen en voorts de IPPC-bedrijven en veehouderijen met een aanmerkelijke geuremissie binnen 2 kilometer. Daarom is door BJZ.nu een geuronderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is bijgevoegd als Bijlage 5 van deze onderbouwing. De belangrijkste onderzoeksresultaten worden hierna besproken. Onderzoeksresultaten Om het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen is zowel de voor- als de achtergrondgeurbelasting berekend. Vanwege de veehouderij aan de Woertmansweg 9 bedraagt de voorgrondgeurbelasting ten hoogste 0,0 OUE/m3 ter plaatse van de toetspunten geplaatst binnen het plangebied. Het woon- en leefklimaat qua voorgrondgeurbelasting ter plaatse van het plangebied is volgens de berekening en de gegevens uit tabel 1 als ‘zeer goed’ te kwalificeren.

De achtergrondgeurbelasting bedraagt ten hoogste 0,22 OUE/m3. Volgens tabel 1 is het woon- en leefklimaat qua achtergrondgeurbelasting ter plaatse van de woningen te kwalificeren als ‘zeer goed’. Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de achtergrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als ‘zeer goed’. Het aspect geur vormt geen belemmering voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

46

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

4.1.5.3 Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.1.6

Ecologie

4.1.6.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 4.1.6.2 Gebiedsbescherming Natura-2000 gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast.

Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Situatie plangebied Het projectgebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken' bevindt zich op circa 7,1 kilometer afstand van het projectgebied. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie

47

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Het resultaat van deze berekening staat in Bijlage 6 van deze onderbouwing. Hieronder is de conclusie opgenomen. Onderzoeksresultaten Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Situatie plangebied Het plangebied ligt niet binnen concreet begrensd NNN.

Gezien de ligging en de aard en omvang van de ontwikkelingen (onder meer natuurontwikkeling) wordt gesteld dat als gevolg van voorliggend TAM-omgevingsplan geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.1.6.3 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

4.1.6.4 Situatie plangebied Door EcoTierra is 30 juli 2024 een quickscan flora en fauna voor het plangebied uitgevoerd, waarvan op 10 december 2024 een rapportage is aangeleverd. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 7 van deze toelichting. De conclusie van de quickscan was dat er voor diverse soorten nader onderzoek noodzakelijk was. Onderstaand is de conclusietabel van de quickscan uit december 2024 weergegeven.

48

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

Afbeelding 4.2: Conclusietabel quickscan december 2024 (Bron: EcoTierra) Genoemde soorten zijn in de periode september- maart onderzocht door middel van cameravallen en een hoogwerker (N2025-TP-1008 Nader onderzoek Gorsselseweg nabij 27 te Bathmen). Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat een egel een verblijfplaats in het plangebied heeft en dat er 3 bomen zijn met geschikte holtes voor vleermuizen. Tevens is vastgesteld dat er steenmarters en een bunzing foerageren in het plangebied, echter gaat het hierbij niet om significant foerageergebied of een verblijfplaats. Ook eekhoorn is een paar keer vastgelegd. Deze conclusies zijn ook opgenomen in Bijlage 9. In onderstaande afbeelding wordt de conclusietabel weergegeven.

49

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

Afbeelding 4.3: Conclusietabel uit nader onderzoek (Bron: EcoTierra) Door EcoTierra is tevens een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. De volledige rapportage is als Bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Hierna worden kort de onderzoeksresultaten benoemd. Onderzoeksresultaten Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de bomen of in de omgeving van het plangebied. Wel zijn foeragerende vleermuizen waargenomen zoals gewone dwergvleermuis en laatvlieger. De kap van de bomen zal geen significant effect hebben op het foerageergebied van vleermuizen. Een omgevingsvergunning voor FF-activiteiten of andere vervolgstappen met betrekking tot fauna zijn daarom niet noodzakelijk. Door EcoTierra is ook een Ecologisch Werkprotocol opgesteld. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 9 van deze toelichting. Hieronder wordt een samenvatting gegeven van de werend maatregelen/natuurvrij maken/zorgplicht en en de mitigerende maatregelen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar het rapport. Maatregelen/natuurvrij maken/zorgplicht Huismus, gierzwaluw, huiszwaluw, vleermuizen en steenmarter: Er zijn geen opstallen aanwezig, natuurvrij maken van gebouwen aangaande gebouwbewonende soorten is niet aan de orde.

50

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

Steenmarter heeft ook geen verblijf in het groen. Egel: Een deel van de groenstructuren blijft gehandhaafd (met name langs de oost- en zuidzijde). Het te behouden deel (daar waar egel en kleine zoogdieren, amfibieën en dergelijke worden verwacht) wordt afgeschermd met een hekwerk met aan de onderzijde zeil zodat egels en overige soorten niet het bouwterrein op kunnen. De groenstructuren in het overige deel worden verwijderd buiten de kwetsbare periode van egel (globaal alleen begin april en in september/ oktober) of nadat er door middel van controle door een ecoloog is vastgesteld dat er geen egels aanwezig zijn. Zorgplicht: De zorgplicht is altijd van toepassing. Doden van dieren dient altijd zoveel mogelijk voorkomen te worden. Er dient derhalve zoveel mogelijk buiten kwetsbare voortplantingsseizoenen en winterperiodes gewerkt te worden. In een dergelijke situatie kan het nodig zijn, afhankelijk van de situatie ter plaatse, om groen onder ecologische begeleiding te laten verwijderen. Dieren moeten altijd de mogelijkheid hebben om te vluchten. De rooi- en grondwerkzaamheden dienen naar de te handhaven groenstructuren plaats te vinden. Mitigerende maatregelen Huismus: Indien mogelijk wordt het pannendak geschikt gemaakt voor nestgelegenheid van huismus. Indien dit niet mogelijk is zullen er per woning 2 huismuskasten aangebracht worden.

In totaal worden er 30 nestkasten aangebracht. Gierzwaluw: Gezien de ligging en afwezigheid van gierzwaluw in de omgeving (volgens SMP viewer) is de verwachting dat het aanbrengen van gierzwaluwkasten in onderhavige situatie niet zinvol is. Huiszwaluw: Geen mitigatieverplichting. Steenmarter: In het kader van de bomenkap geldt er een herplant plicht. Hieraan wordt voldaan op een andere locatie. Op deze locatie zullen twee steenmarterverblijven gerealiseerd worden. In overleg met stadecoloog Deventer. Vleermuizen: Per nieuw te bouwen woning zal er 1 zomer-/ paarverblijf (VMPM1s - Unitura of soortgelijk) voor vleermuis gerealiseerd worden, totaal 15. Tevens worden er in totaal 2 kraamverblijven (VMPMK3 - Unitura of soortgelijk) voor vleermuizen gerealiseerd. Egel: Er worden twee egelkasten aangebracht. Egelkasten moeten voldoen aan de eisen van Egelbescherming. (Hedgyhome 1, bouwtekening te downloaden op Egels in uw tuin Egelbescherming Nederland). Tevens worden er egelpoorten in de schuttingen geplaatst om tuinen met elkaar te verbinden en zal er een groene inrichting plaatsvinden met inheemse soorten. Bij de overdracht van het openbaar groen aan de gemeente zal de aanwezigheid van de egelkasten en inheemse inrichting gehandhaafd en geborgd moeten worden.

Overige soorten/voorzieningen: In het plangebied worden 2 eekhoornkasten aangebracht: ZK EE 01 Eekhoornkast | Vivara Pro of soortgelijk. Voldoende streekeigen soorten (meidoorn en sleedoornstruiken). Mogelijk zijn er andere door de gemeente gestelde verplichtingen met betrekking tot natuurinclusief bouwen (NIB). Tot slot wordt vermeldt dat de uitvoering van het Ecologisch Werkprotocol in Bijlage 9 is geborgd middels een voorwaardelijke verplichting in de juridische regels van dit TAM-omgevingsplan (artikel 6.9 en 10.4).

51

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

4.1.6.5 Kappen van bomen en herplantplicht In het kader van de ontwikkeling aan de Gorsselseweg 27 te Bathmen is op 28 augustus 2025 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het kappen van 78 bomen. Na beoordeling van deze aanvraag is een vergunning verleend voor het kappen van 47 bomen. Voor 31 bomen bleek geen vergunning nodig, omdat de stamomtrek daarvan minder dan 75 cm bedraagt. Aan de omgevingsvergunning is een herplantplicht verbonden. Deze verplichting waarborgt dat de groenstructuur en landschappelijke kwaliteit binnen het plangebied behouden blijven. Om dit uitgangspunt duurzaam te borgen, is in het tam-omgevingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen (artikel 6.8). Het gebruik van de gronden en bebouwing ter plaatse van de functies Groen, Verkeer en Wonen is uitsluitend toegestaan indien uitvoering wordt gegeven aan de in de bijlagen vastgelegde maatregelen en voorwaarden. Zo moeten de op de overzichtstekening van 24 april 2025 aangegeven bomen worden behouden, ingepast en onderhouden volgens de rapportage Boom Effect Analyse (BEA) (Bijlage 10). Daarnaast worden zestien streekeigen bomen aangeplant en onderhouden overeenkomstig de BEA. Bij de monumentale beuk aan de noordwestzijde van het plangebied worden kroonankers aangebracht, voordat deze boom wordt overgedragen aan de gemeente.

Alle werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd met inachtneming van de in de BEA opgenomen randvoorwaarden, maatregelen en adviezen. Op deze wijze wordt verzekerd dat de uitvoering van het project plaatsvindt met respect voor de bestaande bomen en dat nieuwe aanplant bijdraagt aan een vitale en samenhangende groenstructuur. 4.1.6.6 Conclusie De ecologische aspecten vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan, mits er rekening wordt gehouden met de maatregelen zoals omschreven in het EWP.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16946457/1