CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-287-bijlage-TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27 Toelichting

Raadsvergadering 10 juni 2026, gemeente DeventerBij agendapunt: Vaststellen Tam omgevingsplan Gorsselseweg 2724.751 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

4.1.7

M.e.r.-beoordeling

4.1.7.1 Algemeen Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1.

de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en 2. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt:

52

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

a. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: het project, met in ieder geval een beschrijving van: 1. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; a. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; b. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en 2. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit. 4.1.7.2 Situatie plangebied De mer-regelgeving is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

De beoogde activiteiten en functies vallen onder categorie J11.2 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. In kolom 2 wordt vermeld 'niet van toepassing', wat betekent dat geen directe project-mer-plicht geldt. Er kan worden volstaan met een project-mer-beoordeling. Uit de project-mer-beoordeling moet duidelijk worden of het project aanzienlijke milieueffecten heeft. In dit geval heeft BJZ.nu een m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze beoordeling blijkt dat de ontwikkeling en de bijbehorende kenmerken van de potentiële effecten geen significante negatieve milieugevolgen zullen hebben. Het opstellen van een milieueffectrapport is daarom niet noodzakelijk. De m.e.r.-beoordeling is opgenomen als Bijlage 11 van deze toelichting.

4.1.8

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

4.1.8.1 Algemeen Duurzaamheidthema's zoals energie- en waterbesparing, aandacht voor langzaam verkeer en groenvoorzieningen, zuinig grondstoffengebruik, efficiënt ruimtegebruik en duurzaam bouwen, zullen met name bij nieuwbouwplannen en herinrichting een belangrijke plaats toegekend krijgen. Ontwikkeling van duurzaamheid past in de ontwikkeling die het duurzaamheidsdenken nu ook landelijk doormaakt en waarbij ook steeds meer de eisen als negatieve prikkel omgezet worden in een positieve benadering in de vorm van wijzen op de kwaliteit van het gebouw, op (woon-)comfort, het binnenmilieu in het algemeen, op gezond wonen en leven. In het Milieubeleidsplan 2003-2008 presenteert de gemeente Deventer haar ambitie op het gebied van duurzaam bouwen en energiebeleid. In juni 2009 is de Visie Duurzaam Deventer bestuurlijk vastgesteld. De gemeentelijke ambitie is dat Deventer in 2030 klimaat- en energieneutraal is. Om deze ambitie te realiseren is voor de periode 2011-2014 door de gemeenteraad de Uitvoeringsagenda Duurzaamheid 'Op weg naar een duurzaam evenwicht' vastgesteld. Deze periode is verlengd tot 2018. In april 2016 heeft de raad de doelstelling energieneutraal 2030 herbevestigd en besloten dat tot 2018 de uitvoeringsagenda duurzame energie het kader is. De beleidsprioriteit duurzame mobiliteit is aan 8 beleidsprioriteiten toegevoegd.

De focus ligt naast duurzame mobiliteit, ook op verduurzaming bestaande woningbouw en verduurzaming bedrijven en kantoren. Daarnaast zijn er beleidsprioriteiten over energieneutrale nieuwbouw en

53

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

gebiedsontwikkeling, partnerschappen, duurzame energiebronnen (zon, wind en biomassa) en de eigen bedrijfsvoering. 4.1.8.2 Situatie plangebied Door de groene inrichting wordt een klimaatadaptief plan gerealiseerd waarin rekening is gehouden met wateroverlast en hitte. Daarnaast worden de woningen gasloos ontwikkeld en zullen ze voldoen aan de nieuwste BENG-normen. Ook heeft natuurinclusief bouwen een rol gespeeld bij het ontwerp. 4.1.8.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat in voorliggend plan voldoende aandacht is besteed aan het aspect 'duurzaamheid en klimaatadaptatie'.

4.2

Gezondheid

4.2.1

Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd.

Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. Gemeentelijk beleid In de Omgevingsvisie Deventer is opgenomen dat het gezondheidsbeleid en milieubeleid ook gaat om het bieden van voorzieningen die de gezondheid bevorderen. Zoals betekenisvol (vrijwilligers) werk, goede sociale contacten, veerkracht en zelfmanagement, sociale veiligheid en prettig wonen. Gezondheid wordt niet alleen bepaald door (leefstijl) gedrag zoals voeding en bewegen, maar ook door de omgeving. Bijvoorbeeld door de afwisseling van bebouwing met groen, de aanwezigheid van plekken met rust (stilte), verkoelend water en aantrekkelijke en gevarieerde openbare ruimten die uitnodigen tot bewegen. Goede fiets- en wandelvoorzieningen en buitenspeelmogelijkheden.

54

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

4.2.2

Spuitzonering Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen kunnen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen woningen en bijbehorende tuinen. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de fruitteelt. Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woon- en leefklimaat bij de woningen gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2013:BY8000). De afstand van 50 meter is een indicatieve afstand. Onder omstandigheden en in een specifiek geval kan ervan worden afgeweken en dus een kortere afstand worden aangehouden. Ook dit is in de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State geaccepteerd. De afstand die wordt aangehouden in een specifiek geval moet worden onderbouwd met een zorgvuldig locatiespecifiek onderzoek.

Hierbij kan geen gebruik worden gemaakt van de modellen van het EFSA, aangezien deze onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn.

4.2.3

Beoordeling Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd. In deze paragraaf staat vooral het effect op de gezondheid centraal van het voornemen. In dit hoofdstuk zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en milieuzonering). De functie wonen heeft geen schadelijke gevolgen voor de gezondheid van omwonenden. Ten aanzien van het voornemen wordt aandacht besteedt aan een groene indeling van de percelen, dit kan ook een positief effect hebben op de gezondheid. Hierdoor wordt een veilige en gezonde fysieke leefomgeving gecreëerd voor de toekomstige bewoners maar ook voor de omwonenden. Tot slot wordt vermeldt dat er binnen 50 meter van de te realiseren tuinen geen agrarische cultuurgronden bevinden waarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is toegestaan. Daarnaast levert de Schipbeek ook beperkingen op voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen. Er wordt daarom geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

4.2.4

Conclusie Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

55

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1

Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Hierna worden nader ingegaan op de aspecten archeologie en cultuurhistorie

4.3.2

Archeologie De archeologische verwachting voor het grondgebied van de gemeente Deventer is gebaseerd op de landschappelijke en bodemkundige context van bekende archeologische vindplaatsen. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente Deventer. Dit archeologiebeleid is op 28 januari 2015 door de raad vastgesteld in de vorm van een beleidskaart en een onderbouwing. De archeologische beleidskaart is doorvertaald naar dubbelbestemmingen in bestemmingsplannen. Het plangebied kent voor een deel de functie 'Waarde - Archeologie 3' en voor een deel de functie 'Waarde Archeologie 4'. 'Waarde - Archeologie 3' Bij gebieden met de functie 'Waarde - Archeologie 3 is onderzoek nodig bij ingrepen vanaf 500 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld. Bij ingrepen tussen 200 m2 en 500 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld geldt een meldingsplicht. Bij ingrepen kleiner dan 200 m2 dieper dan 50 cm gelden geen archeologische voorwaarden 'Waarde - Archeologie 4' Bij gebieden met de functie 'Waarde - Archeologie 4 is onderzoek nodig bij ingrepen vanaf 200 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld. Bij ingrepen tussen 100 m2 en 200 m2 en dieper van 50cm onder maaiveld geldt een meldingsplicht. Bij ingrepen kleiner dan 100 m2 dieper dan 50 cm gelden geen archeologische voorwaarden.

De ingrepen gaan over de vrijstellingsgrenzen en onderzoeksgrenzen van 'Waarde - Archeologie 3' heen. Daarom is een archeologisch vervolgonderzoek is uitgevoerd door RAAP. De volledige rapportage is als Bijlage 12 bij deze toelichting gevoegd. Hieronder worden de belangrijkste onderzoeksresultaten besproken. Onderzoeksresultaten

56

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Daarom wordt geadviseerd om in het kader van de bestaande planvorming de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. Om de gespecificeerde verwachting te toetsen wordt vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleufonderzoek. Het uitvoeren hiervan wordt in dit geval geborgd doormiddel van het behouden van de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie - 3 en Waarde - Archeologie - 4. Gelet op vorenstaand wordt vermeld dat het aspect 'archeologie' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid.

4.3.3

Markerlandweer van Bathmen Aan de zuidzijde van het plangebied liggen nog de resten van de Markelandweer van Bathmen. Deze landweer werd in de 14de eeuw op initiatief van de stad Deventer aangelegd en ligt ten noorden van de Schipbeek. De landweer kan zowel bovengronds- als ondergronds aanwezig zijn. De bovengrondse landweer is niet meer zichtbaar binnen het plangebied. Wanneer er ondergrondse restanten van de landweer aanwezig zijn, kan dit in het (al benodigde) archeologisch vervolgonderzoek worden gevonden. Het uitvoeren hiervan wordt in dit geval geborgd doormiddel van het behouden van de dubbelbestemmingen Waarde Archeologie - 3 en Waarde - Archeologie - 4. Gelet op vorenstaande wordt vermeldt dat de Markerlandweer van Bathmen geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid.

4.3.4

Cultuurhistorie De deelgebieden betreffen geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. In de directe omgeving zijn tevens geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Het voornemen heeft geen negatieve invloed op de waarde of instandhouding van omliggende monumenten. Voor het plangebied zijn geen specifieke regels opgesteld in het omgevingsplan wat betreft cultuurhistorie.

4.3.5

Conclusie Het aspect 'Archeologie en cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor het initiatief.

57

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

4.4

Weging van het waterbelang

4.4.1

Vigerend beleid

4.4.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 4.4.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast.

We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. 4.4.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 4.4.1.4 Waterschap Rijn en IJssel In voorliggend geval ligt het plangebied in het werkingsgebied van waterschap Rijn en IJssel. Het Waterschap Rijn en IJssel draagt zorg voor het water in de omgeving van het projectgebied. Dit doet ze vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’. Het waterschap draagt bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken.

Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden – bergen – afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden in vier thema’s weergegeven: Klimaatrobuust gebied

58

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied Het Waterschap zorgt voor veiligere dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. Circulaire economie en energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren. Gezonde leefomgeving Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid.

Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en daarbuiten bevordert. De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om een nauwere samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven. Om waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, wordt de watertoets gebruikt. 4.4.1.5 Gemeentelijk Rioleringsprogramma (2022-2026) Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsprogramma (2022-2026) en de regionale samenwerking op het gebied van water in de wateragenda. De wateragenda is een samenwerkingsstructuur waarbij een aantal thema's centraal staan. Deze thema's zijn uitgewerkt in aandachtspunten. Op deze punten gaan de waterpartners de komende jaren lokaal samenwerken. De thema's zijn: Veilig en klimaatbestendig; Milieu en gezond; Beleving, bewustwording en participatie. Doordat de wateragenda duidelijke thema's bevat, kunnen de waterpartners efficiënt en effectief samenwerken aan de watertaken. De gemeente is verantwoordelijk voor een goed stedelijk watersysteem. Volgens de wet begint de zorgplicht bij de perceeleigenaar. De perceeleigenaar moet het hemel- en grondwater op het eigen perceel verwerken. De gemeente komt in beeld als dit niet kan.

In het Gemeentelijke Rioleringsprogramma is beschreven hoe de gemeente haar watertaken invult en uitvoert. De gemeentelijke watertaken komen voort uit 3 zorgplichten: 1. Inzameling en transport van stedelijk afvalwater (Wet Milieubeheer); 2. Verwerking van afvloeiend hemelwater (nieuwe Waterwet); 3. De aanpak en het voorkomen van grondwaterproblemen in bebouwd gebied coördineren (nieuwe Waterwet). Zorgplicht stedelijk afvalwater: Onder de straat liggen door de hele gemeente honderden kilometers leidingen. Hiervoor zijn putten, straatkolken en honderden pompjes aangelegd. Het hele systeem zorgt er voor dat afvalwater bij de rioolwaterzuivering aan de Roland Holstlaan komt. Hier zorgt het waterschap oor de zuivering. Het gezuiverde water komt daarna in de IJssel. De gemeente is verantwoordelijk voor de aanleg en onderhoud van de riolering. Zorgplicht hemelwater: De Waterwet gaat ervan uit dat hemelwater schoon genoeg is om zonder zuiverende voorziening te lozen. De zorgplicht hemelwater legt de verantwoordelijkheid bij de

59

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

perceelseigenaar om het hemelwater zoveel mogelijk zelf te verwerken. De gemeentelijke zorgplicht begint als de perceelseigenaar niet zelf het hemelwater kan infiltreren of bergen. Zorgplicht grondwater: Volgens de wetgeving moet de gemeente voor nieuwe situaties structurele grondwaterproblemen voorkomen of beperken, voor zover dit niet onder de verantwoordelijkheid van waterschap of provincie valt. De zorgplicht grondwater benadrukt de verantwoordelijkheid van de perceelseigenaar om maatregelen te nemen die grondwaterproblemen voorkomen. De gemeentelijke zorgplicht begint als de perceelseigenaar niet kan zorgen voor voldoende ontwatering en overtollig grondwater moet afvoeren. De gemeente heeft de leiding als meerdere partijen betrokken zijn bij (dreiging van) een probleem. Afweging waterbelang bij ruimtelijke ontwikkelingen: Naast de gemeentelijke zorgplichten heeft de gemeente nog een verantwoordelijkheid. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening is zij verantwoordelijk voor een goede afweging en implementatie van het waterbelang bij nieuwe ruimtelijke plannen. Hiervoor is het instrument van de watertoets ontwikkeld.

4.4.2

Waterparagraaf

4.4.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.4.2.2 Watertoetsproces Het waterschap is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van het digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de 'normale procedure' van het wateradvies van toepassing is, evenals de adviezen 'toename verharding', 'persleiding', 'afvalwaterketen', 'waterveiligheid' en 'klimaatadaptatie'. Het volledige watertoetsresultaat is opgenomen als Bijlage 13 bij deze toelichting.

Het iniatief is uitgebreid voorbesproken met het waterschap. Een notitie waterhuishoudkundig plan, doorlatenheidsonderzoek en ontwerp van de waterhuishoudkundige situatie zijn als Bijlage 14, Bijlage 15 en Bijlage 16 bij deze toelichting gevoegd.Hierna worden de waterhuishoudkundige aspecten binnen het plangebied besproken. Wateroverlast Er is geen sprake van wateroverlast. Daarnaast is er ruimte gemaakt voor wadi's waarmee overtollig water kan worden opgevangen. Waterkwaliteit Het plangebied bevindt zich niet binnen een grondwaterbeschermings-, intrek- of waterwingebied. Verder worden er geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt om een goede kwaliteit van afstromend hemelwater te garanderen. Riolering en Afvalwaterketen

60

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

Het afvalwater afkomstig van de nieuwe woningen wordt afgevoerd naar de RWZI door middel van een nieuwe aansluiting op de bestaande gemeentelijke riolering. Hiervoor wordt ook verwezen naar Bijlage 16. Het schoonhemelwater wordt zoveel mogelijk in het plangebied vastgehouden en met een overstort afgevoerd. Er worden wadi's en groenelementen in het plangebied toegevoegd. Grondwaterbeheer Binnen het plangebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. De ontwikkeling is kleinschalig en zal weinig invloed hebben op het grondwater. Bij de bouw van de nieuwe woningen zal rekening worden gehouden met de grondwaterstanden en de benodigde verschillen in hoogten. K-waardes (infiltratiecapaciteit ondergrond) Er is een doorlatendheidsonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek zijn de onderstaande k-waardes vastgesteld. De gemeten k-waardes zijn goed. Storende of slecht doorlatende lagen zijn vrijwel niet aangetroffen. Het onderzoek is als Bijlage 15 aan deze toelichting toegevoegd. Bergen hemelwater Voor de berging van hemelwater wordt binnen het plangebied gekozen voor de aanleg van vier wadi’s. Daarnaast wordt gebruikgemaakt van een bergende fundering, ondergrondse infiltratievoorzieningen en een infiltratieriool. De totale bergingscapaciteit dient te voldoen aan een neerslaghoeveelheid van 22 mm over het verhard oppervlak. Dit komt overeen met een benodigde berging van 42 m³.

Voor de berekening hiervan en de verdeling van deze capaciteit over de verschillende voorzieningen wordt verwezen naar Bijlage 14. Persleiding Vlak buiten de contouren van het plangebied bevindt zich een persleiding van het waterschap. Aan weerszijden van deze leiding ligt een belangenstrook van 3 meter. Het plangebied bevindt zich volledig buiten deze belangenstrook. Omdat deze zones buiten het plangebied vallen, zijn zij niet meegenomen in de planuitwerking.

4.4.3

Conclusie Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend voornemen.

4.5

Leidingen en kabels Er bevinden zich in en nabij het plangebied geen andere relevante ondergrondse en bovengrondse leidingen waar rekening mee hoeft te worden gehouden.

61

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

4.6

Verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren

4.6.1

Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de uitgangspunten uit de 'Nota 'Parkeernormen Deventer 2013 Auto en fiets'.

4.6.2

Parkeren Voorliggend plan gaat uit van het toevoegen van 15 woningen. De situatie bij de bestaande bedrijfswoning die omgezet wordt naar reguliere woning blijft onveranderd. Daarom wordt deze buiten beschouwing gelaten. Op basis van de gemeentelijke parkeernota geldt de volgende gemiddelde parkeerbehoefte (inclusief bezoekersparkeren): Functie

Parkeernorm (per woning) Koop, huis, tussen/hoek 1,8 Totaal

Aantal woningen

Totaal

15

27 27

Voor de locatie geldt immers dat er geen overloopmogelijkheden zijn. Het is namelijk niet wenselijk om te parkeren aan de Gorsselseweg toe te staan. Daarnaast zijn er in naast gelegen wijk ook weinig openbare parkeergelegenheden. Daarom wordt op eigen terrein in de parkeerbehoefte voorzien. In afbeelding 2.3 is weergegeven dat er met voorgenomen ontwikkeling 27 parkeerplaatsen worden toegevoegd. Hiermee kan in de parkeerbehoefte van de ontwikkeling worden voorzien. Geconcludeerd wordt dat in voldoende mate rekening is gehouden met het aspect 'parkeren'.

4.6.3

Verkeer Het ontwerp is gebaseerd op het STOMP-principe: Stappen, Trappen, Openbaar vervoer, Mobiliteit as a Service en Privéauto. Voor deze locatie zijn met name Stappen, Trappen en Privéauto relevant. Naast de bereikbaarheid voor gemotoriseerd verkeer is ook de toegankelijkheid voor voetgangers en fietsers zorgvuldig meegenomen in het ontwerp. Om de verbindingen voor voetgangers te versterken, worden extra paden aangelegd die aansluiten op het wandelpad langs de Schipbeek en de omliggende wijk. Parkeren wordt geclusterd in gezamenlijke parkeervakken, waardoor er meer ruimte overblijft voor verblijfsgebieden. De woningen zijn gesitueerd in het groen, met wandelpaden die leiden naar de voor- en achterdeuren. De woonomgeving wordt open en toegankelijk ingericht, zodat voetgangers zich vrij kunnen bewegen. Meerdere verbindingen zorgen voor een naadloze aansluiting tussen de wijk en het wandelpad langs de Schipbeek. De openbare ruimte krijgt een groene, parkachtige uitstraling, waarbij woningen vrij in het landschap staan. Verharding wordt tot een minimum beperkt en alleen toegepast waar functioneel noodzakelijk, zoals voor autoverkeer, afvalophaalroutes en entrees. Op basis van de meest recente CROW publicatie geldt voor de functie 'Koop, huis, tussen/hoek' een

62

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

verkeersgeneratie van 7,1 verkeersbewegingen per weekdagetmaal per woning. Uitgaande van bovengenoemde uitgangspunten ontstaat er een extra verkeersgeneratie van 15 * 7,1 = 107 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De hoofdontsluiting van de nieuwe woningen vindt plaats via het bestaande inrit ter hoogte van de Gorsselweg 27. Hiervoor wordt een uitritconstructie aangelegd conform de CROW-richtlijnen, waarbij voldoende ruimte is om voertuigen elkaar te laten passeren. De bestaande inrit op het perceel van huisnummer 27 blijft behouden, en daarnaast wordt een tweede inrit gerealiseerd om het plangebied goed toegankelijk te maken vanaf de doorgaande weg. Daarnaast wordt een tweede ontsluiting ingericht als langzaamverkeersroute, wat bijdraagt aan een veilige en efficiënte verkeersafwikkeling voor voetgangers en fietsers. Deze langzaamverkeersverbinding fungeert tevens als calamiteitenroute voor de wijk, en kan worden ingezet als tijdelijke ontsluiting in geval van onderhoudswerkzaamheden of noodsituaties. De omliggende infrastructuur beschikt over voldoende capaciteit om het beperkte aantal extra verkeersbewegingen op een veilige en soepele manier te verwerken. De ontsluitingssituatie ter plaatse is overzichtelijk en verkeersveilig, waardoor doorstromingsproblemen of verkeersonveilige situaties niet te verwachten zijn.

4.6.4

Conclusie Geconcludeerd wordt dat in voldoende mate rekening is gehouden met het aspect 'verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren' en er ter plaatse als gevolg van het voornemen geen sprake zal zijn van belemmeringen ten aanzien van dit aspect.

4.7

Sociale veiligheid

4.7.1

Algemeen Naast een aantrekkelijke en aanpasbare woonomgeving zal de woonomgeving vooral ook (sociaal) veilig in het gebruik moeten zijn. Het gaat er om dat mensen zich veilig voelen en dat zoveel mogelijk daadwerkelijk zijn. Factoren die kunnen bijdragen aan (het gevoel van) meer veiligheid zijn: informeel toezicht op de openbare ruimte, persoonlijke controle over de ('eigen') omgeving en het imago van het (totale) gebied. Toegespitst op het plangebied betekent dit, dat door inrichting en beheer van de openbare ruimte een goede sociale controle mogelijk dient te zijn. Een aantal aspecten waarbij de sociale veiligheid bijzondere aandacht vraagt, is: stedenbouwkundige inrichting: daarbij gaat het onder meer om de relatie openbaar-privé, menging tuin- en straatgericht wonen, overzichtelijkheid van stratenpatronen, parkeervoorzieningen en openbare verlichting; vrijliggende groenvoorzieningen: vooral de waarborging van overzichtelijkheid; langzaam-verkeerroutes: primaire routes moeten bij voorkeur 'begeleid' worden door woonbebouwing.

4.7.2

Situatie plangebied Met de voorgenomen ontwikkeling worden 15 grondgebonden woningen toegevoegd aan de kern van Bathmen. Daarnaast wordt de voormalig bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. De locatie, waar nu een voormalig agrarisch bedrijf gevestigd is, wordt getransformeerd tot een leefomgeving waarin meer mensen verblijven. Dit draagt bij aan een grotere sociale veiligheid door een toename van sociale interactie en sociale controle.

63

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

De woonomgeving wordt open en toegankelijk ingericht, zodat voetgangers zich vrij en veilig kunnen bewegen. Meerdere verbindingen zorgen voor een aansluiting tussen de wijk en het wandelpad langs de Schipbeek, waardoor sociale cohesie en doorstroming worden bevorderd. Daarnaast krijgt de openbare ruimte een groene, parkachtige uitstraling, waarbij woningen ruimtelijk in het landschap worden geplaatst. Verharding wordt tot een minimum beperkt en alleen toegepast waar functioneel noodzakelijk, zoals voor autoverkeer, afvalophaalroutes en entrees. Dit draagt bij aan een prettige en overzichtelijke omgeving, wat de sociale veiligheid verder versterkt.

4.7.3

Conclusie Geconcludeerd wordt dat in voldoende mate rekening is gehouden met het aspect 'sociale veiligheid'.

4.8

Onontplofbare oorlogsresten

4.8.1

Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect onontplofbare oorlogsresten. In en nabij het besluitgebied hebben gedurende de Tweede Wereldoorlog diverse gevechtshandelingen plaatsgevonden. Omdat in het kader van de voorgenomen ontwikkeling bouw- en aanlegactiviteiten plaatvinden waarbij grondroerende werkzaamheden plaatsvinden, wordt geadviseerd onderzoek te doen naar de eventuele aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten c.q. conventionele explosieven.

4.8.2

Situatie plangebied De gemeente heeft historisch onderzoek laten uitvoeren naar de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE). Het plangebied is aangeduid als verdacht voor NGE. Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt primair een arbeidsveiligheidsrisico en valt onder de verantwoordelijkheid van de uitvoerende aannemer. De gemeente kan hier slechts adviseren om bij verdere uitwerking van het plan de benodigde voorzorgsmaatregelen te treffen. In de uitvoeringsfase kan bij aanvang van de werkzaamheden, indien nodig, aanvullend onderzoek worden verricht of begeleiding worden ingezet conform de geldende veiligheidsrichtlijnen.

4.8.3

Conclusie Met dit wijzigingsbesluit wordt het eerder beschreven voornemen mogelijk gemaakt. Het besluit voldoet aan de kaders voor onontplofte oorlogsresten. Geconcludeerd wordt dat in voldoende mate rekening is gehouden met het aspect 'ontplofbare oorlogsresten'.

64

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

4.9

Welstand

4.9.1

Algemeen Bij het beoordelen van bouwplannen wordt aan de Welstandsnota getoetst. De 'welstandsnota gemeente Deventer, welstands- en reclamebeleid' dateert van 1 oktober 2014. Met deze nota wordt het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Deventer beoogd. In de nota heeft de gemeente het kader voor de welstandstoetsing vastgesteld, door middel van criteria waar nieuwe bouwplannen op grond van het aspect 'welstand' (het uiterlijk van het gebouw) aan moeten voldoen. Solitaire bebouwing Het plangebied ligt in het welstandsgebied 'Solitaire bebouwing'. In het dorp komen verschillende gebieden voor waar de woningen individueel zijn vormgegeven. De gebouwen komen uit verschillende perioden. Door het overwegend groene karakter hebben de karakterverschillen beperkte invloed op het beeld van de openbare weg. Er is redelijk wat vrijheid binnen deze gebiedscriteria.

4.9.2

Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals beschreven in de 'Welstandsnota gemeente Deventer, welstands- en reclamebeleid'. De mondelinge adviezen uit het vooroverleg zijn in het project verwerkt. Daarnaast sluit het ontwerp aan bij de kenmerken van de omgeving.

65

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

66

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

Hoofdstuk 5 5.1

Economische uitvoerbaarheid

Algemeen De bepaling over de uitvoerbaarheid uit het Besluit ruimtelijke ordening komt onder de Omgevingswet niet terug. De gemeente hoeft niet meer aannemelijk te maken dat een toegedeelde functie er ook zal komen. De gemeente geeft in haar omgevingsplan aan dat een functie op een zekere locatie 'kan' komen. Dat is minder verstrekkend. De Omgevingswet maakt het mogelijk dat dit onderzoek gefaseerd kan worden. Pas als zich een concreet, binnen de toegedeelde functie passend, initiatief aandient wordt onderzocht 'hoe' dat op een aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden. Dit heeft als voordeel dat de onderzoekslasten omlaag kunnen. De gemeente moet wel onderzoeken of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is. Ten eerste zal worden beoordeeld of een ontwikkeling binnen een redelijke termijn uitvoerbaar is, gelet op de aard en omvang van de voorziene ontwikkeling en het gebied waar deze ontwikkeling is voorzien. Ten tweede zal worden beoordeeld of deze ontwikkeling binnen die redelijke termijn financieel haalbaar is, en zo ja, hoe de gemeenteraad dat inzichtelijk heeft gemaakt. Deze nieuwe onuitvoerbaarheidstoets leidt tot minder mogelijkheden voor het gemeentebestuur om een bestemming te weigeren, omdat deze niet uitvoerbaar zou zijn.

5.2

Kostenverhaal Publiekrechtelijk kostenverhaal vindt voor een Omgevingsplan plaats door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Ook wel de beschikking bestuursrechtelijke geldschuld genoemd. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: aangewezen bouwactiviteiten; aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. In het voorliggende geval is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente Deventer. Hierin wordt tevens het risico van nadeelcompensatie opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

67

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

68

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

Hoofdstuk 6 6.1

Participatie

6.1.1

Algemeen

M aatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.

6.1.2

Situatie plangebied Ten aanzien van het voornemen heeft er op 24 september 2024 een informatieavond plaatsgevonden. De omwonenden zijn geïnformeerd over het planvoornemen. In Bijlage 17 zijn de notulen van de avond opgenomen. De reacties waren enthousiast en er zijn geen onoverkomelijke bezwaren kenbaar gemaakt.

6.2

Vooroverleg instanties

6.2.1

Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

6.2.2

Provincie Overijssel In het kader van vooroverleg is het plan voorgelegd aan de provincie Overijssel.

6.2.3

Waterschap Rijn en IJssel In dit geval is de ontwikkeling uitvoerig besproken met het waterschap Rijn en IJssel. De uitkomsten van het overleg zijn verwerkt in de paragraaf 4.4.

6.3

Zienswijzen Het ontwerpwijzigingsbesluit heeft voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn twee zienswijzen ingediend. In het vaststellingsbesluit is de gemeentelijke reactie op de zienswijzen opgenomen.

69

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

70

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische aspecten en planverantwoording

Inleiding Deze wijziging van het omgevingsplan betreft een TAM-Omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-Omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit TAM-Omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-Omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

7.2

Artikelgewijze toelichting

7.2.1

Preambule Preambule De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven. Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie Gorsselseweg 27 en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22r]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Deventer. Dit hoofdstuk is digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.

Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in

71

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22r] van het omgevingsplan van de gemeente Deventer. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22r]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22r' gelezen worden. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.

7.2.2

Algemene bepalingen Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in de bij het TAM-omgevingsplan behorende GML-bestand. De regels in dit hoofdstuk bevatten: Begripsbepalingen (Artikel 1 Begripsbepalingen); Meet- en rekenbepalingen (Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen); Algemene verbodsbepalingen gebruik(Artikel 3 Algemene verbodsbepaling gebruik) Anti dubbeltelregeling (Artikel 4 Anti-dubbeltelregel) Toepassingsbereik (Artikel 5 Toepassingsbereik) In artikel 5 is het toepassingsbereik opgenomen. In het toepassingsbereik is aangegeven welke besluiten niet van toepassing zijn op dit deel van het omgevingsplan en op welke locatie de regels van dit deel van het omgevingsplan van toepassing zijn.

7.2.3

Gebruiksactiviteiten Hoofdstuk 2 bevat de regels ten aanzien van de gebruiksactiviteiten. Er wordt eerst ingegaan op de algemene gebruiksregels waarna vervolgens de gebruiksregels ten behoeve van de functies Groen, Verkeer en Wonen.

7.2.4

Bouwactiviteiten Hoofdstuk 3 bevat de bouwregels.

7.2.5

Aanwijzingen, beschermingszones, beperkingsgebieden In hoofdstuk 4 zijn de regels met betrekking tot de functies 'Waarde - Archeologie - 3' en 'Waarde Archeologie - 4' opgenomen.

7.2.6

Overgangsbepalingen In hoofdstuk 5 zijn regels met betrekking tot het overgangsrecht opgenomen.

72

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

7.3

Werkingsgebieden Onder de Omgevingswet wordt niet meer uitgegaan van bestemmingen en dubbelbestemmingen, maar worden alle regels voorzien van een locatie. Deze locaties zijn het zogenoemde werkingsgebied van de regels. In voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de volgende werkingsgebieden opgenomen: 'Groen'; 'Verkeer'; 'Wonen'; 'Bouwregel - 26'; 'Bouwregel - 25'; 'Bouwregel - 16'; 'Waarde - Archeologie - 4'; 'Waarde - Archeologie - 3'; bouwvlak; 'specifieke bouwaanduiding - bestaand'; 'maximum aantal wooneenheden'; 'maximum goothoogte (m)', 'maximum bouwhoogte (m)'.

7.4

Planregels In deze paragraaf worden de werkingsgebieden nader toegelicht. Ter plaatse van het werkingsgebied 'Groen' zijn de volgende gebruiksactviteiten toegestaan: een park en/of plantsoen, overige groenvoorzieningen zoals bermen en beplanting, voet- en rijwielpaden inclusief verhardingen, in- en uitritten, speelvoorzieningen (waaronder jeugd- en jongerenontmoetingsplaatsen), waterlopen en waterpartijen met bijbehorende infrastructuur zoals bruggen, steigers, dammen, duikers, kades, taluds, beschoeiingen en faunapassages, voorzieningen voor waterberging zoals wadi’s, nutsvoorzieningen inclusief duurzame energieopwekking, geluidwerende voorzieningen, kunstwerken en kunstobjecten, met de daarbij behorende voorzieningen. Het werkingsgebied 'Bouwregel - 25' is opgenomen ter plaatse van het werkingsgebied 'Groen'. Hierin zijn regels opgenomen voor bouwwerken, geen gebouw zijnde.

Ter plaatse van het werkingsgebied 'Verkeer' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: wegen en (woon)straten met bijbehorende hellingen, taluds en soortgelijke voorzieningen; voet- en fietspaden inclusief verhardingen; verblijfsvoorzieningen; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen, bermen en beplanting; speelvoorzieningen, waaronder (jeugd- en jongeren)ontmoetingsplaatsen; voorzieningen voor waterberging, zoals wadi’s; nutsvoorzieningen, inclusief voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie; geluidwerende voorzieningen; kunstwerken en kunstobjecten, met de daarbij behorende voorzieningen. Het werkingsgebied 'Bouwregel - 26' is opgenomen ter plaatse van het werkingsgebied 'Verkeer'. Hierin zijn regels opgenomen voor bouwwerken, geen gebouw zijnde. Ter plaatse van het werkingsgebied 'Wonen' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: het wonen, al dan niet in combinatie met een beroep of bedrijf aan huis en kleinschalige kinderopvang. Het werkingsgebied 'Bouwregel - 16' is opgenomen ter plaatse van het werkingsgebied. Hierin zijn regels opgenomen voor hoofdgebouwen, aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde en overige bouwregels. Er gelden ook bouwvlakken, maximum aantal wooneenheden en maximale bouw- en goothoogtes.

Bovendien is met de 'specifieke bouwaanduiding - bestaand' geregeld dat ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning de bestaande maatvoering behouden mag blijven. Tot slot zijn de werkingsgebieden 'Waarde - Archeologie - 3' en 'Waarde - Archeologie - 4' opgenomen. Om het archeologisch waardevolle gebied veilig te stellen, gelden er op deze gronden beperkingen ten aanzien van het bouwen voor de met deze bestemming samenvallende bestemmingen. Bouwen is

73

vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Gorsselseweg 27

uitsluitend toegestaan, indien uit onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat de waarden voldoende worden veiliggesteld. Daarnaast geldt er een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van bepaalde werken of werkzaamheden.

74

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16946457/1