CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-18-bijlage-Pontsteeg 16, aanvraagstukken geanonimiseerd

Raadsvergadering 10 juni 2026, gemeente DeventerBij agendapunt: Bopa Pontsteeg 8, 10, 16, 16a en 3323.963 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

herstructurering, inbreiding of intensivering van woon-, werk-, en voorzieningen milieus worden ingepast met

5 cc 5

o

19

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

respect voor de historie, het individuele karakter van de bebouwing en de leefbaarheid, in relatie tot de problematiek van verkeer en parkeren. Toets Voorliggend project voorziet in het toestaan van wonen in het gehele pand, waarbij het pand gesplitst wordt in twee wooneenheden en een dakterras gerealiseerd wordt aan de Pontsteeg 16 in Deventer. De voorgevel van het pand blijft hierbij behouden. Hiermee blijft de historische waarde van het pand behouden en wordt middels de functiewijziging voorkomen dat het pand leeg komt te staan. Het voorkomen van leegstand zorgt dat de leefbaarheid niet achteruitgaat. Hiermee kan gesteld worden dat het voorliggende project past binnen het gebiedskenmerk ‘Historische centra binnensteden’. 03.2.4.4

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende project in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

03.3

Waterschap beleid

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 03.3.1 Algemeen Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 03.3.2 Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die

Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit

20

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

in 2027 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk

Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Weging van het waterbelang in voorliggend plan Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Er wordt gesteld dat

in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersystemen. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 tot en met 5.49 van het Bkl rijksregels met betrekking tot:

het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het

waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het

omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving.

Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het

omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:

Grondwater; Oppervlaktewater;

Regenwater en; Afvalwater.

03.3.3 Toets

Op 3-2-2026 Is de digitale watertoets uitgevoerd via ww' hetwateradv

, hieruit is gebleken dat in voorliggend

geval sprake is van de geen belangen procedure. In het kader van vooroverleg is het waterschap wel geïnformeerd

over het planvoornemen.

03.4

Gemeentelijk beleid

03.4.1 Omgevingsvisie Deventer

In de omgevingsvisie, vastgesteld op 18 december 2019, staat het beleid voor de fysieke leefomgeving: hoe wil de gemeente Deventer de omgeving aanpassen aan veranderende maatschappelijke vragen. Daarbij bekijkt de

& «

gemeente onderwerpen in onderlinge samenhang. Deze visie op de fysieke omgeving heeft een nauwe relatie met

sociale en economische onderwerpen.

5 cc 5

o

21

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

De gemeente Deventer beschrijft bij de uitvoering drie hoofdambities: "We verzilveren het bestaande: bij ontwikkelingen behouden en versterken we de eigen, onderscheidende kwaliteiten van Deventer;

We verbinden slim: we versterken de netwerkkracht van Deventer. Lokaal, regionaal en nationaal; We handelen toekomstbestendig: de leefomgeving moet voor mens, dier en plant aangenaam zijn, nu en

in de toekomst." De gemeente Deventer heeft deze opgaven in uitnodigende ambities gegoten en van mogelijke ontwikkelrichtingen per deelgebied voorzien. Deze deelgebieden zijn: binnenstad, vooroorlogse wijken, naoorlogse wijken & dorp naar buitengebied. Voor deze ruimtelijke onderbouwing is met name het deelgebied 'binnenstad' van belang. In de

volgende paragrafen wordt hier dieper op ingegaan.

Binnenstad

De gemeente Deventer wil samen met haar partners de aantrekkingskracht en de levendigheid van het centrumgebied vergroten. De Deventer binnenstad moet lokaal, regionaal en landelijk op de kaart staan als gastvrij, met een verrassend voorzieningenaanbod in een landelijk unieke cultuurhistorische setting aan een van de mooiste

rivieren van het land. Dat is van belang voor de economische ontwikkeling van de binnenstad zelf, maar ook voor het vestigingsklimaat van Deventer. De kwaliteit van de binnenstad is van invloed op de keuze of mensen van buiten in Deventer willen wonen en of bedrijven zich hier willen vestigen.

Het wonen in of nabij het centrum raakt de laatste jaren meer in meer in opkomst nu de scherpe scheidslijnen tussen wonen, werken en vrije tijd steeds meer verdwijnen. Naast de centrumfunctie heeft de binnenstad veel te bieden als woonmilieu. De opgave is om een sterkere woonfunctie in de binnenstad hand in hand te laten gaan met het

vergroten van de levendigheid en aantrekkingskracht.

De gemeente faciliteert ondernemers die het centrum nog completer willen maken, maar wel zo dat het past bij de geschiedenis van de stad. Waar mogelijk biedt de flexibiliteit in ruimtegebruik en stimuleert het hergebruik van

bestaande monumenten en leegstaande panden. Vernieuwing is dus mogelijk, maar met respect voor het erfgoed.

Ingrepen in de openbare ruimte en bebouwing toetst de gemeente altijd aan de historische context. Zij borduurt daarop voort en voegt nieuwe kwaliteit toe. Zo zet de gemeente in op het behoud en versterken van de historische

groene binnenhoven om daarmee de verblijfs- en woonkwaliteit van de binnenstad te vergroten.

Kern- en dwaalmilieu In het centrum onderscheidt de gemeente het kern- en het dwaalmilieu. In het kernmilieu staat een bepaalde

& «

functie centraal:

detailhandel in het kernwinkelgebied;

5

horeca op de Brink en Grote Kerkhof;

cc 5

o

22

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

grootschalige detailhandel dan wel detailhandel met een vrijetijdsfunctie in de Boreel.

In het kernwinkelgebied is naast detailhandel ondersteunende horeca mogelijk. De verdiepingen kunnen ook ingevuld worden met wonen en kantoor. In het kernmilieu is de gemeente terughoudend om andere functies toe te voegen. In het dwaalmilieu streeft het naar een optimale menging van winkels, horeca, cultuur, dienstverlening en

ambachtelijke bedrijvigheid. Het biedt ruimte voor wonen, mits de leefomgevingskwaliteit dit toelaat. Ondernemers

en pandeigenaren krijgen zo de kans om flexibel in te spelen op de snel veranderende behoeften van de consument. De gemeente denkt daarmee de voor de binnenstad leegstand te verkleinen. Met het oog op de

gewenste levendigheid streeft zij naar een zekere verscheidenheid van functies. Deze zal per straat of plein verschillen. Het dwaalmilieu kent namelijk een kleurrijk palet aan deelgebieden dat de binnenstad van Deventer een

eigen gezicht geeft.

Duurzaam ontwikkelen Op weg naar energieneutraliteit wil de gemeente alle kansen voor energiebesparing in de binnenstad verzilveren.

Die ontwikkeling vraagt om visie op het thema 'duurzaamheid en bestaand erfgoed', naast maatwerk, expertise en

de wil om duurzaam te investeren. Dit geldt in het bijzonder voor de monumenten in de binnenstad.

Toets en conclusie

In figuur 3.6 is een fragment van de ontwikkelingsrichtingen van de deelgebieden in de binnenstad weergeven met daarop de projectlocatie met een rode cirkel aangeduid.

& «

5 cc 5

o

23

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

&3

stedellkwoonmileu Binnenstedelijk woonmilieu Dwaaimilieu

Kernwinkelgebied

Stadscampus

FIGUUR 3.6 UITSNEDE ONTWIKKELINGSRICHTINGEN DEVENTER (BRON: GEMEENTE DEVENTER)

De kaart voor ontwikkelingsrichtingen deelgebieden in de binnenstad geeft aan dat de panden zijn gelegen binnen 'kernwinkelgebied. Hier is naast detailhandel ondersteunende horeca mogelijk. De verdiepingen kunnen worden

ingevuld met wonen en kantoor. In het kernmilieu is de gemeente terughoudend om andere functies toe te voegen. Toename van de functie wonen is hier onder bepaalde voorwaarden toegestaan.

Het voorliggende project om het pand aan de Pontsteeg 16 volledig te gebruiken ten behoeve van de functie wonen sluit aan het bovengenoemde beleid en de ambities van de gemeente. De gemeente biedt flexibiliteit in

ruimtegebruik en stimuleert hergebruik van bestaande monumenten en leegstaande panden. Vernieuwing is mogelijk, maar met respect voor het erfgoed. Voorliggend project, maakt het mogelijk om het pand volledig te

gebruiken ten behoeve van de functie wonen, daarbij wordt het erfgoed gerespecteerd. Het aanzicht van het bestaande pand blijft intact. Bovendien is onder voorwaarde toename van de functie wonen binnen het kernwinkelgebied toegestaan en wenselijk om leegstand te voorkomen. Het voorgenomen initiatief is passend in de

omgeving en in overeenstemming met de Omgevingsvisie Deventer.

03.4.2 Woonvisie Deventer 2018 'Meer van geWOON'

De 'Woonvisie Deventer 2018 'Meer dan geWOON' is op 7 februari 2018 door de gemeenteraad vastgesteld. In de

LH

2<

Woonvisie staan de opgaven waaraan de gemeente de komende jaren wil werken. Zo moeten er in 10 jaar tijd 3000

woningen bijkomen, voor voldoende verscheidenheid aan woningen voor de verschillende inkomens. Hierdoor

5 kunnen ook ouderen zo lang mogelijk zelfstandig thuis wonen. Met het toevoegen van bijzondere woonmilieus en

C

2 o 24

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

aantrekkelijke woningen voor jong talent, wil de gemeente, Deventer als aantrekkelijke woongemeente versterken. Daarnaast zijn de verduurzaming van woningen en de leefbaarheid in woonbuurten belangrijke opgaven in de

komende jaren. Aan de basis van de Woonvisie staan drie centrale ambities: Deventer vitale stad aan de IJssel,

ongedeeld en inclusief, duurzaam en toekomstbestendig.

Deventer vitale stad aan de IJssel

De gemeente Deventer wil een vitale gemeente zijn en blijven. Een aantrekkelijke stad met stedelijke voorzieningen waar mensen goed kunnen wonen, leven en beleven en waar voldoende draagkracht voor de sociaal­

maatschappelijke opgaven en voorzieningen is. Hier hoort een woningmarkt bij die voldoende woningen biedt voor

het opvangen van de bevolkingsgroei en de mensen die in Deventer willen wonen. Een woningmarkt die aansluit op

de wensen van de inwoners, die in antwoord op de veranderende woonwensen en opgaven, ruimte biedt voor nieuwe woonconcepten, innovatieve ideeën en particulier opdrachtgeverschap.

Ongedeeld en inclusief

De gemeente streeft naar een samenleving waarin iedereen meetelt en omziet naar elkaar. Een samenleving waarin generaties met elkaar verbonden zijn en waarin mensen 'samenleven'. Dit betekent een gemengde

bevolkingssamenstelling op wijk- en dorpsniveau met een bijpassend gevarieerd woningaanbod. De beschikbaarheid en spreiding van voldoende betaalbare woningen is daarin een belangrijke opgave.

De ambities zijn vertaald naar 4 belangrijke woonopgaven waar de gemeente met haar partners aan willen werken: 'betaalbaar, compleet en divers', 'goed wonen in wijken en dorpen', 'duurzaam wonen' en 'vitaliteit en vernieuwing'.

Betaalbaar, compleet en divers

Deventer wil een gemeente zijn met een complete, duurzame voorraad, met verscheidenheid aan betaalbare

woningen en woonmilieus en ruimte voor maatwerk. Met verscheidenheid op wijk en dorpsniveau en een woningvoorraad die aansluit op de vraag vanuit de samenleving.

Met transformatie van bestaande woningen wil de gemeente daarnaast bijdragen aan de centrale ambities van deze woonvisie, zoals het vormgeven van de ongedeelde samenleving en de verduurzamingsopgave. Naast het benutten

van de bestaande woningvoorraad, wil zij transformatiemogelijkheden van bestaande panden in de gemeente optimaal benutten om aantrekkelijke woningen toe te voegen. Daarmee kan vanuit het oogpunt van duurzaamheid,

zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik maar ook het behoud van de identiteit van de plek een nieuwe bestemming

& «

worden gegeven aan bestaande bebouwing en bijzondere woningen en woonmilieus worden toegevoegd.

5 Goed wonen in wijken en dorpen

cc 5

o

25

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

De gemeente streeft ernaar dat haar inwoners prettig in hun wijk of dorp kunnen wonen, zowel jong als oud. Zij

streeft naar een duurzame samenleving waarin iedereen een plek heeft.

Duurzaam wonen

De gemeente wil serieuze stappen zetten om te komen tot een duurzame woningvoorraad en klimaatbestendige leefomgeving, een duurzaam opgewekte energievoorziening en een circulaire economie waarbij de ecologische

kernkwaliteiten geborgd zijn.

Vitaliteit en vernieuwing

De gemeente wil de economische potentie en vitaliteit van Deventer versterken. Het zet daarbij in op het versterken van het vestigingsklimaat voor bedrijven, de arbeidsmarkt en wil zorgen voor voldoende draagkracht voor de stedelijke voorzieningen.

Toets en conclusie Voorliggend project voorziet in de transformatie van het bestaande pand aan de Pontsteeg 16. Met het transformeren

van het pand naar twee woningen wordt er bijgedragen aan de woningvoorraad. Met de transformatie van het

bestaande pand is er sprake van een inbreidingslocatie en het feit dat er zuinig en zorgvuldig omgegaan wordt met

de beschikbare ruimte. Daarnaast is de woning, gelet op de grote, geschikt voor kleine huishoudens en is de woning betaalbaar. Met voorgenomen initiatief wordt een bijdrage geleverd aan de ambities van de woonvisie.

& «

5 cc 5

o

26

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

04 OMGEVINGSASPECTEN

Het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2, Bkl). Bij ruimtelijke projecten moet, mede hierom, in toenemende mate rekening gehouden worden met diverse milieu- en

omgevingsaspecten. Bij het beoordelen van deze milieu- en omgevingsaspecten zijn o.a. de volgende thema's relevant: milieuzonering, bodem, geluid, omgevingsveiligheid, water, ecologie, archeologie, verkeer en parkeren. Onderstaand worden de omgevingsaspecten in het kort behandeld.

04.1

m.e.r. -beoordeling

De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet (Ow). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit (Ob). In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een

mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure.

Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-merbeoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. In bijlage V is een tabel opgenomen met vier

kolommen, deze kolom moet als volgt worden gelezen: Eerst wordt bekeken of het project voldoet aan de omschrijving in kolom 1.

Als dat zo is, wordt gekeken of het besluit in de laatste kolom staat. Daarna wordt gekeken of voor het besluit een mer of een mer-beoordelingsprocedure moet worden

gedaan: o

Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een project-mer-plicht.

o

Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een project-merbeoordelingsplicht.

Indien sprake is van een project-mer-beoordelingsplicht dan toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. De beoordeling vindt plaats aan hand van de relevante criteria van bijlage III van de mer-richtlijn (artikel 16.43 lid 3 Ow). Er zijn 2 uitkomsten mogelijk:

& «

Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.

5

Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen mer nodig er hoeft geen MER te worden gemaakt.

cc 5

o

27

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

04.1.1 Toets De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van

het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer Jll, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.

Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen,

parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is

van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de

uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:

De aard en omvang van de ontwikkeling; De vormgeving en opzet; De schaalgrootte; De ligging; De voorgenomen functie(wijziging), en; De vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of

programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-merbeoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken (art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de

plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.

Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. Voorliggend project voorziet in de transformatie van een bestaand pand. Met voorliggend project neemt het

bebouwde oppervlak niet toe. Met dit project wordt de functie wonen binnen het gehele pand mogelijk gemaakt.

Hiermee wordt er één extra woning toegestaan binnen bestaande bebouwing. Hiermee is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject.

04.1.2 Conclusie

& «

5 cc 5

o

28

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

Gelet op de uitspraak van 12 juni 2019, worden geconcludeerd dat het project niet voorziet in een nieuw stedelijk

ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, nummer J11 van bijlage V van het Ob. Er is geen sprake van een project-m.e.r. plicht of project-m.e.r. beoordelingsplicht.

04.2

Milieubelastende activiteiten

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is 'ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit'. Om dit doel te bewerkstelligen is het ruimtelijk- en milieuspoor verder geïntegreerd.

In de bijlage bij artikel 1.1. van de Ow wordt het begrip Milieubelastende activiteit (Mba) als volgt gedefinieerd:

'activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een waterontrekkingsactiviteit'.

De VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' gaat uit van zones die bij een grotere afstand tot gevoelige functies

en locaties (bijvoorbeeld wonen) uitgaat van een oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Daarbij staat het reguleren van gebruiksruimte voor geluid en geur centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering.

Daarbij wordt aansluiting gezocht bij Besluit kwaliteit leefomgeving waar 'gebruiksruimte' een belangrijk begrip is (zie paragraaf 3.3 "Sturen op de verdeling van gebruiksruimte onder de Omgevingswet" van de Nota van toelichting

bij het Bkl. De gebruiksruimte van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) is de milieuruimte die een milieubelastende activiteit op grond van het omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van de

bedrijfsvoering. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden weergegeven.

& «

5 cc 5

o

29

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

Richtafstand

Positie

Tabel VNG- 2009

Tabel

O of 10

FM

VNG-2024

Zones geluid Rustig woongebied

Gemengd gebied met wonen

Zones geur

(functiemenging)

30 m

1

beperkt

basis

basis (» 30 m)

50 m

2

beperkt (> 50 m)

basis

basis (» 50 m)

100 m

3

basis

basis (» 50 m)

verruimd (> 100 m)

200 m

4

verruimd

verruimd

maatwerk

(>100 m)

(>200 m)

300 m en hoger

IT (industrie­

terrein)

FIGUUR 4.1 - RICHTAFSTANDENTABEL VNG-UITGAVE BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING

04.2.1 Toets

De vernieuwde handreiking van het VNG heeft verschillende gebiedstypen opgenomen. Tevens kunnen binnen deze gebiedstypen differentiaties worden aangebracht. Voorliggend initiatief is gelegen in stedelijk gebied. In de

nabijheid van het projectgebied zijn hoofdzakelijk wonen, maatschappelijke functies, detailhandel functies en dienstverlenende functies. Om die reden wordt voor het bepalen van de richtafstanden in dit geval uitgegaan van

het omgevingstype gemengd gebied.

Bij het realiseren van een functie dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functie gerealiseerd

wordt. Hierbij spelen twee vragen een rol:

1.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);

2.

laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het

un

& «

woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het voorliggende project voorziet in het

toestaan van de functie 'wonen' voor het gehele pand. In het kader van milieuzonering betreft dit geen

5 cc 5

o

30

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

milieubelastende activiteit. Omliggende gevoelige functies worden hierdoor niet belemmerd, omdat wonen al

toegestaan is in de omgeving.

Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het projectgebied hinder ondervindt van bestaande

functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie die bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast.

In de directe omgeving bevindt zich onder andere woningen (hoofdzakelijk op de verdiepingen) en detailhandels, maatschappelijke functies en dienstverlening. In de Pontsteeg zelf bevinden zich enkele detailhandelsfuncties (categorie: detailhandel e.e.g.) en dienstverlening. Voor detailhandel en overige zakelijke dienstverlening: kantoren geldt een richtafstand van 10 meter en 0 meter in gemengd gebied.

In voorliggend project wordt mogelijk gemaakt dat het pand aan de Pontsteeg 16 volledig gebruikt kan worden voor

de functie wonen. In de huidige situatie wordt wonen op de verdieping reeds toegestaan. De naastgelegen bedrijven dienen in de huidige situatie ook al rekening te houden met de bestaande woning. Hiermee kan gesteld

worden dat de omliggende belastende activiteiten geen belemmering vormen voor het voorliggende project.

04.2.2 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Milieubelastende activiteiten' geen belemmering veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

04.3

Bodem

Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico

opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.

Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het

bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een

bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een

& «

omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan

een bodemgevoelig gebouw.

5 cc 5

o

31

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan

twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende

bouwwerken tot 50 m2.

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen

per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig

gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. lila onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

04.3.1 Toets Met dit project wordt het wonen in het gehele pand mogelijk gemaakt. Hiermee is er sprake van het toevoegen van

een nieuwe bodemgevoelige verblijfsfunctie. Hiervoor is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het gehele rapport is te lezen in bijlage 2. De belangrijkste conclusies zijn hieronder opgenomen:

In opdracht van de initiatiefnemer is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een terrein ter grootte van circa 99 m2 aan de Pontsteeg 16 + 16a in Deventer. In het kader van de geplande verbouw van het gebouw, functiewijziging en aanvraag van de omgevingsvergunning is een bodemonderzoek noodzakelijk. De

onderzoekslocatie is volledig bebouwd en omvat 99 m2. Het pand is sinds 1995 door de initiatiefnemer in gebruik als winkel. Voor dit jaartal was er ook al een meubelwinkel gevestigd. De onderzoekslocatie heeft aan de

zuidwestzijde van het pand een kelder van 3 bij 5 meter.

Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 "Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek". Uit

de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de locatie onverdacht is voor chemische componenten uit het NEN5740-standaardpakket en asbest.

Resultaten veldwerk

Op 8 oktober 2025 zijn er, met behulp van een edelmanboor, in totaal 4 boringen verricht waarvan er 1 boring is doorgezet tot 2.5 m-mv en 1 boring is doorgezet tot 3 m-mv. Voor aanvang van het bodemonderzoek heeft de

& «

veldwerker in de Pontsteeg de grondwaterstand gecontroleerd in de aanwezige peilbuizen. De grondwaterstand bleek zich op circa 5.25 m-mv te bevinden. Om deze reden is het grondwateronderzoek komen te vervallen.

5 cc 5

o

32

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

De bodemopbouw van de bovengrond bestaat globaal uit matig tot zeer grof, zwak siltig, zwak grindig, neutraal beige, bruin zand met matig teelaarde en sporen baksteen(puin) en kolengruis. De ondergrond bestaat globaal uit zeer tot uiterst fijn, zwak tot matig siltig, matig humeus, donker zwart, bruin, licht beige zand met sporen tot matig

teelaarde, sporen kolengruis, sterk baksteen en baksteenpuin. Er zijn bodemvreemde materialen aangetroffen in de vorm van baksteenpuin (asbest onverdacht). Deze worden weergegeven in tabel 3. Door de veldwerkers zijn visueel

geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de opgeboorde bodem waargenomen.

Resultaten chemische analyses

Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd:

de bovengrond (BG) is licht verontreinigd met lood, koper, kobalt en kwik; de ondergrond (OG I) is licht verontreinigd lood, kwik en matig verontreinigd met koper. De 2 deelmonsters zijn separaat op koper geanalyseerd: o

boring 11 (0.75 - 1.10 m-mv) is matig verontreinigd met koper;

o

boring 13 (0.70 - 1.05 m-mv) is matig verontreinigd met koper;

de ondergrond (OG II) is licht verontreinigd met lood, koper en kwik; de ondergrond (OG III) is licht verontreinigd met lood, koper en kwik.

Hypothese

De hypothese "onverdachte locatie" uit norm NEN5740 dient formeel gezien te worden verworpen, aangezien er enkele overschrijdingen van de achtergrond- en tussenwaarden (grond) zijn aangetoond.

Conclusies

In de boven- en ondergrond zijn enkele lichte tot matige verontreinigingen aangetoond. Vanwege het matig verhoogde kopergehalte in OG I zijn de 2 deelmonsters uit dit mengmonster separaat op zink geanalyseerd. Hierbij

is aangetoond dat boring 11 (0.75 -1.10 m-mv) en boring 13 (0.70 - 1.05 m-mv) matig verontreinigd zijn met koper. Een nader onderzoek kan inzicht geven in de omvang van de matige koperverontreiniging. Er is echter geen

verplichting tot het uitvoeren van nader onderzoek, aangezien de matig verhoogde gehalten in de separate monsters zijn gemeten en daarbij de interventiewaarde niet wordt overschreden.

Slotconclusie

Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de functiewijziging en verbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht

voor het huidige en toekomstige gebruik.

04.3.2 Conclusie

Het omgevingsaspect 'bodem' vormt geen belemmering voor het voorliggende project.

& «

5 cc 5

o

33

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

04.4

Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geIuid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid

door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden

met het aspect geluid.

Geluidsgevoelige gebouwen

In artikel 3.21 van het Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een

gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid

door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:

woningen Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).

Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische

kleuterdagverblijven, etc.

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen

en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied.

Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl. Mocht er

door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen, dan gelden de afstanden uit artikel 17.5 Omgevingsregeling: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100

meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van

& «

meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 meter;

voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen:

350 meter.

5 cc 5

o

34

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

In het Bkl zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In onderstaande tabel zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven.

Geluidbronsoort

Standaardwaarde

Provinciale wegen

Grenswaarde

50 Lden

65 Lden

53 Lden

70 Lden

55 Lden

70 Lden

50 Lden

60 Lden

40 Lnight

50 Lnight

Rijkswegen Gemeentewegen Waterschapswegen

Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen

Industrieterreinen

Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel

5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken.

Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd moeten worden welke maatregelen

mogelijk zijn om de geluidbelasting te verlagen tot de standaardwaarden. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot

en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:

1.

geluidbeperkende maatregelen niet mogelijk zijn;

2.

de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt zijn door het treffen van geluidbeperkende maatregelen;

3.

bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overwogen zijn die financieel doelmatig en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan;

4.

het gecumuleerd geluid de grenswaarde niet overschrijdt;

5.

het gezamenlijke geluid is bepaald en de grenswaarde niet overschrijdt;

6.

besluit tot het treffen van geluidwerende maatregelen.

Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het

& «

geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.

5 Geluid door activiteiten

cc 5

o

35

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op

het moment dat een BOPA op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het

toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.

Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op

het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of

speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld,

maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. In artikel 5.65 van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van

de standaardwaarden, mits aan de aanvaarbaarheid eis kan worden voldaan. In afdeling 8.5 van het Bkl staan beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit. Ten slotte voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal.

De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.

04.4.1 Toets

04.4.7.7

Wegverkeerslawaai en spoorwegen

Het projectgebied is gelegen in een autoluw gedeelte. In de omgeving (Broederenstraat) geldt een maximumsnelheid van 30 km per uur. Het is gebruikelijk om in het kader van een aanvaardbaar woon- en

leefklimaat te kijken naar de geluidbelasting vanwege 30 km-wegen. Gezien de te verwachten geringe verkeersintensiteiten in dit deel van de binnenstad van Deventer, mag worden verwacht dat de grenswaarden niet

worden overschreden. Bovenstaande conclusie wordt ook bevestigd in figuur 4.2. In figuur 4.2 wordt een uitsnede

weergegeven van de geluidbelasting in Nederland. Met voorliggend project wordt er geen nieuw geluidsgevoelig

gebouw gerealiseerd zoals bedoeld in het Bkl, hierdoor is nadere toetsing niet nodig.

& «

5 cc 5

o

36

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

&XM/ K» Y . Z z Z » \/X K AX,

<)

/y

M PK

A» A \ „K° /4

(2 4 X NAx) NP

* «

2)

a k zx N NX

K

*8

% é é» 83 Z X§(e } N XaN MX pN <SN 99A

PK AAo„, 66255 IN8 4 AXK SKN )

3.8

/vA

/X

/ Ase

(/N XX/

A"X*

A) É/

&

KN ZA 39xi” 13495K

3

/ / •

'• / Ye

J 0), 12799 X

A )/

•/ z

.BNX N

, / AN (%7

V

87

N

„2

2K XN/*

-NY A

(N

$•

VKX a8 4J/e

N.A <29 M/ A V K9 N AN ** NK

NN ■ ‘23295,

3

z

‘v,

IN X •P MN

/■r/x /

7

°

%

3. ‘<852A3y *

>A) *, ~\* .9

Legenda: Geluid wegverkeer (Iden) = 45 dB 46 -50 dB 51 - 55 dB

iA

%/

K7 P

pK6

13524 ePk N / X A / N -2/z X X ■ /

*>É-//2

56 -60 dB 61 - 65 dB

166 - 70 dB •= 71 dB

FIGUUR 4.2 UITSNEDE KAART GELUID VAN WEGVERKEER, PROJECTGEBIED ONDER HET BLAUWE ICOONTJE (BRON: ATLAS LEEFOMGEVING)

04.4.1.2

Geluid door belastende activiteiten

Met de uitvoering van dit project wordt er geen nieuw geluidgevoelig object mogelijk gemaakt. Nader onderzoek naar geluid door belastende activiteiten wordt niet noodzakelijk geacht.

04.4.2 Conclusie

Het omgevingsaspect 'geluid' vormt geen belemmering voor het voorliggende project.

04.5

Geur

In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in eikaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:

Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2)

Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3) Andere agrarische activiteiten zoals het opslaan van vaste mest, compost of dikke fractie en het

composteren of opslaan van groenafval (paragraaf 22.3.6.4 bruidsschat).

In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten

un

op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is, Hierbij moet rekening

& «

worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De

specifieke plaatselijke situatie kan medebepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk

5 cc 5

o

37

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.

Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun

bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf

daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.

04.5.1 Toets Met voorliggend project wordt er geen nieuw geurgevoelig gebouw toegestaan. Nadere toetsing wordt niet

noodzakelijk geacht.

04.5.2 Conclusie

Het milieuaspect 'Geur' vormt geen belemmering voor het voorliggende project.

04.6

Luchtkwaliteit

Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de

luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht

voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met

hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.

In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten

toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor

luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de

concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

& «

het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

5 cc 5

o

38

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de

toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;

kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om

aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBMtool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn

detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

04.6.1 Toets

Met dit project wordt er één extra woning toegestaan. De verkeersontwikkelingen die als gevolg ontstaan zijn lager

dan in de standaard gevallen van artikel 5.54 van het Bkl. Er kan gesteld worden dat met het toestaan van de extra woning er sprake is van een niet in betekende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.

04.6.2 Conclusie

Het omgevingsaspect 'Luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor het voorliggende project.

04.7

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als

risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de

aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit

activiteiten leefomgeving;

& «

Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

5 cc 5

o

39

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te

overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare

gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in achtgenomen. Met

standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te

berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen

een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt

gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art.

5.12 Bkl).

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen

binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn ervoor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar

gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen

in de omgevingsvergunning.

& « Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de

volgende delen van het Bkl van belang:

5 cc 5

o 40

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor

theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire

objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

04.7.1 Toets Aan de hand van de 'Risicokaart Nederland' is een inventarisatie verricht van de mogelijk aanwezige risicobronnen

rond het plangebied. Op de risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve

en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Figuur 4.3 toont een uitsnede van de 'Risicokaart Nederland'. Het projectgebied is met een blauwe ster globaal aangegeven.

N/

S X )

p X z^

W//

V0ZNXK, ?ss2//// / 20/ /Zv

Y

¥, PBAX. 7

X”

BNK/ KMXs

(%3

X) gX \ X kN® /) X- A •K -

7MN

P X, {N~N/ \ r ),2 ~Nk*K // 2 /X . My P <, XXk®*. %j, xAKSX y A N gXKK <ZA8* "( k \X%)X* (e7 e%RW AX VKX <2 3 MA bKK AKN/ X \v WMc • Nk BsoAy M -2B z A e % N"XX A .. 2 N R 4 3N % A M3 **23 e K AS $ BSX/ 8 KS Y 4e/ KA-N %, 2 C SK WK%/% XA K) LX / w A AK N/%/ ya > Y NZ/ 2)

/ y‘

- b 7.A

• / -•}

/

\

s

*8

ARK 4

M

8

\ '7^

,

K

N *

- 12239 23495

e®

7 •

4

/ P,

693

,3943

..

M 7 7 . A M>‘

2

M / A

”

x

77

W Z/ 2 K /

/\

135% 7 7

FIGUUR 4.3 UITSNEDE RISICOKAART, PROJECTGEBIED IN ROOD OMKADERD (BRON: ATLAS LEEFOMGEVING)

Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het projectgebied een gifwolkaandachtsgebied ligt. Deze komt voort vanuit het risicogebied van de IJssel. Het projectgebied valt buiten de risico contouren en

aandachtsgebieden. Binnen het projectgebied zelf zijn geen risicobronnen aanwezig.

04.7.2 Conclusie

U

2<

Het omgevingsaspect ‘omgevingsveiligheid’ vormt geen belemmering voor het voorliggende project.

2 er 2

o

41

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

04.8

Natuurwaarden

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde

gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

04.8.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen

Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI).

Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De

kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.

04.8.7.7

Toets Natuurnetwerk Nederland

Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland ligt op een afstand van circa 344,3 meter van het projectgebied. Het NNN-gebied kent geen externe werking. Het projectgebied valt buiten het dichtstbijzijnde NNN-gebied, zoals te zien

is in figuur 4.4. Voorliggend project betreft het toestaan van een tweede woning binnen de bestaande bebouwing.

Hiermee heeft het project geen negatieve effecten op het Natuurnetwerk Nederland gebied.

& «

5 cc 5

o 42

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

/9<

Y

GNA /e z r. 6229

ME RV

2

Eg 162

pu-m

X22 WK6Nx

9

v Broederenplein

xe}/

p 8510

“6

4

N,

9 1322

Xp

2‘ P Nëa

Pa

CeS" •—ËK X QaN LEPAA KM o K (XN 8 NV ,8 sBzK (A• KAKAX4 < 3) *S XN

XK >Q A 8 M2 13139. 12658)

>,73’

q

131030722 6(65

\ MM *KWN

9 '

Vlss, y, C, .y 2, KX . K8455Xs 4, 1584 7 2698/1037/%XK

"SuMXX "%8PVEX

g

< >

«1b-237

x1239 2 )

Xx8q 4 X.NSN/ > BX- X¥8* % N%K P• I8gX

X1 905 MeX 11192N01119>-™38%23

>MXNS-

°XKe4

VKN

/2]K6N6N1>>,

,3,-,4,53 N -X

*g

¥é 9 X ,89

8X9X393 S¥ó Ki 85

Y NV MXN

"

2952X35

N

1^1281!

K 12316,K<0,, X®, ,4 ,

9

91

K4NsË ' SX"KXN•2263

2ANV. Mka <ANM 22e>,/, Qé

‘ F3355/

NX «Mg ' k9 / oK X , .Xe

éw,-

\

993

KP

2

{

%

gg oA

P, ‘A

egj 72/3 g93

*7245

H

vè 11861’ sgesk

W r 98 % AxKKV WV

2=

(7-V/V •X 596) XKKN 9<B Afstand: 344,3 m *

X NEgM Maex

\ 336/ASK

/

NG9 Grote,*/

<s)8

•’-A

" > >(A

7/5%A28425

NK5K2XX KN2K N<X

FIGUUR 4,4 UITSNEDE KAART NNN-GEBIEDEN, PROJECTGEBIED GLOBAAL IN ROOD OMCIRKELD (BRON: ATLAS LEEFOMGEVING)

Het projectgebied ligt op circa 344,3 meter afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het

kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de

kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.

04.8.2 Natura 2000-gebieden

Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden

(Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden

kunnen hebben, zijn in beginsel - zonder vergunning - niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast

directe effecten (bijv, ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv, door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een

passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk.

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn

un speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze

gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:

& «

de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten;

5 cc 5 o

43

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

De provincies stellen voor de Natura 2OOO-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die

ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.

04.8.2.7

Toets Natura 2000-gebieden

Het projectgebied aan de Pontsteeg 16 ligt op een afstand van circa 450,9 meter van dichtstbijzijnde Natura 2000-

gebied, betreffende 'Rijntakken'. Zie figuur 4.5. Overige Natura 2000-gebieden in de verdere omgeving betreffen onder andere 'Veluwe' (13,687 km), 'Landgoederen Brummen' (12,611 km) en 'Sallandse Heuvelrug' (16,137 km).

Gelet op de afstand van ca. 450,9 meter tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de beperkte toename van het

aantal verkeersbewegingen in de gebruiksfase en het feit dat er geen bouw- en/of sloopwerkzaamheden worden

uitgevoerd, kan gesteld worden dat er geen negatief effect op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied optreedt.

Xe

MMANTN N G*S

W <eN ““

MNA

—{

Rg

3

2x S M C 9 C R 8 4 .V BN Vèk < / / ) A N 3X X NV ' / S8 8399 g8yg 3 K / 8/) N 33M /

K,

' \ Y

, N•

N, ■

/.N

Y.

/

<QX W<

% MA

\ PX

GQX

25

NY4

y

>

-"A*é\ -

■

) Grote

2297

7998 ¥.

83/

g,a0

S

4 M5s6 )K °Au 2 S. N23

1 7X

< B k NMé< Afstand: 450,9 m

FIGUUR 4.5 UITSNEDE KAART NATURA 2000-GEBIEDEN, PROJECTGEBIED GLOBAAL IN ROOD OMCIRKELD (BRON: ATLAS LEEFOMGEVING)

Het project of plan betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan

voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

04.8.3 Stikstofdepositie

Het voorgenomen plan voorziet in het toestaan van een tweede woning binnen de bestaande bebouwing. Als een bouwproject afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor

U

een Natura 2000-gebied, is daarvoor, naast een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen

2<

(artikel 5.1 lid 1 sub a Omgevingswet) en een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zelf, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.

2 cc 2 o

44

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

Degene die bouw- en sloopwerkzaamheden verricht, moet altijd adequate maatregelen treffen (zoals werktuigen

minder stationair laten draaien) om de stikstofemissie te beperken (artikel 7.19a, Bbl). Dat geldt alleen voor een van

de volgende gevallen: Voor het bouwen is een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit nodig. Voor het bouwen is een bouwmelding nodig. Voor het slopen is een melding nodig omdat er meer dan 10 m3 aan afval vrijkomt. Informatie over maatregelen die de stikstofemissie beperken, moet naar het bevoegd gezag toegestuurd worden met:

o

de bouwmelding of sloopmelding (artikel 7.5c Bbl)

o

de vergunningaanvraag voor de technische bouwactiviteit (artikel 7.12a Omgevingsregeling).

In artikel 6.15 van de Omgevingsregeling wordt benoemd dat de stikstofdepositie moet worden berekend met

AERIUS Calculator. In het kader van dit project is geen AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied te berekenen. 04.8.3.7

Toets stikstofdepositie

Voorliggend initiatief voorziet in het toestaan van een tweede woning binnen bestaande bebouwing. Hierbij vinden

er geen sloop- en bouwwerkzaamheden plaats. Gelet op de kleinschaligheid van het project zijn er geen significante negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura 2000-gebieden. Een stikstofberekening voor het voorliggende initiatief wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

04.8.4 Soortenbescherming

In de Omgevingswet (Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende

verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal).

Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen

hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Deze activiteit is vaak het gevolg van een andere activiteit

& «

zoals bouwactiviteit. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning

Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74j tot en met 8.74n bevat beoordelingsregels voor

5

flora- en fauna-activiteit.

cc 5

o 45

<

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING BOPA

«

ad fontem RUIMTELIJK ADVIES

Tot slot geldt een algemene specifieke zorgplicht. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld

natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16946450/1