CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-969-bijlage-Rapport - Ruimtelijke onderbouwing Bopa - Oerdijk 140 Lettele (13-11-2025) incl bijlagen

Raadsvergadering 28 januari 2026, gemeente DeventerBij agendapunt: BOPA Oerdijk 140 Lettele23.305 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Kansen uit buiten

3.4.3.1 Algemeen De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) van de provincie Overijssel biedt mogelijkheden aan gemeenten en hun inwoners en ondernemers. Met de twee Rood-voor-Rood-regelingen en de Sloopbank van de gemeente Deventer geeft de gemeente invulling aan de KGO en kunnen de mogelijkheden ervan worden benut. De regelingen zijn deels nieuw en deels uitgebreid of herzien. Voor de toepassing van die regelingen gelden de volgende voorwaarden: een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door de sloop van landschapsontsierende gebouwen, door landschappelijke inpassing en verbetering, door het behoud van karakteristieke gebouwen en door ecologische kansen te benutten. Concreet gaat het om twee varianten van de Rood-voor-Rood-regeling: Woning voor schuur en Schuur voor schuur. De nieuwe Sloopbank is voor beide een hulpmiddel. 3.4.3.2 Woning voor schuur Bij deze versie van de Rood-voor-Rood-regeling kan een initiatiefnemer landschapsontsierende gebouwen slopen in ruil voor één of meerdere woningen. Voor het bouwen van een woning zijn minimaal 850 m2 aan sloopmeters nodig. Voor sloopoppervlakte met asbestdaken die vallen onder het BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Lettele, Oerdijk 140 Definitief asbestdakenverbod, geldt een minimum van 700 m 2. Naast het juiste aantal vierkante meters wegen kwalitatieve eisen en voorwaarden mee. De geboden ontwikkelruimte moet in balans zijn en blijven met de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarde van het erf en de directe omgeving. De gemeente stelt daaraan eisen. Dat betekent dat een initiatiefnemer de nieuwe woning(en) kan bouwen als hij/zij de genoemde waarde van het erf daarmee verbetert. Of een bepaalde ontwikkeling wel of niet mogelijk is, hangt af van plaatselijke omstandigheden, de kenmerken van het erf en de directe omgeving. Ook de welstandsnota geeft richtlijnen en criteria voor erf- en gebouwontwikkelingen. 3.4.3.3 Schuur voor schuur Bij deze versie van de Rood-voor-Rood-regeling kan een initiatiefnemer landschapsontsierende gebouwen slopen in ruil voor nieuwbouw of uitbreiding van bijgebouwen en niet-agrarische bedrijfsgebouwen, of in ruil voor de uitbreiding van woningen. Voor het bouwen van een bijgebouw zijn minimaal 250 m2 aan sloopmeters nodig. Voor sloopoppervlakte met asbestdaken die vallen onder het asbestdakenverbod, geldt een minimum van 200 m 2. Voor het uitbreiden van woningen geldt dat voor elke uitbreiding tot en met 100 m 3 initiatiefnemer 250 m2 moet slopen, ongeacht de bouwomvang.

Voor elke uitbreiding boven de 100 m 3 moet vijf keer zoveel m 2 worden gesloopt. Naast het juiste aantal vierkante meters wegen kwalitatieve eisen en voorwaarden mee. De geboden ontwikkelruimte moet in balans zijn en blijven met de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarde van het erf en de directe omgeving. De gemeente stelt daaraan eisen. Dat betekent dat een initiatiefnemer het bouwplan alleen kan uitvoeren als hij/zij de genoemde waarde van het erf daarmee verbetert. Of een bepaalde ontwikkeling wel of niet mogelijk is, hangt af van plaatselijke omstandigheden, de kenmerken van het erf en de directe omgeving. Ook de welstandsnota geeft richtlijnen en criteria voor erf- en gebouwontwikkelingen. 3.4.3.4 Toetsing van het initiatief aan ‘Kansen uit buiten’ In voorgenomen ontwikkeling, het toevoegen van één woning in bestaande bebouwing, vindt er geen sloop plaats. Doordat er geen extra bebouwing wordt toegevoegd is een volwaardig rood-voor-roodtraject niet nodig. Wel gelden er kwalitatieve eisen en voorwaarden. De geboden ontwikkelruimte moet immers in balans zijn en blijven met de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarde van het erf en de directe omgeving. Het initiatief voorziet hierin door het realiseren van een plan dat is ontworpen met oog voor de erfstructuur en landschappelijke context.

Het nieuwe erf wordt landschappelijk ingepast en levert een belangrijke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Met betrekking tot de inpassing worden er langs de voorzijde van het erf bomen gesitueerd en een strook voor bloemrijk gras. Het achtererf blijf open met zicht op de enk. Er worden enkele solitair groeiende bomen en een bomengroep toegevoegd. De samenstelling van de beplanting, aantallen en soorten staan aangegeven op het erf- en landschapsplan. Aan de voorzijde worden gemengde heggen aangeplant waardoor de herkenbaarheid van de voorzijde en erf zijde wordt versterkt. Ten slotte is er een plukveld beoogd met een oppervlakte van circa 350 m 2. In het erf- en landschapsplan in bijlage 1 is dit nader uitgewerkt. Verder worden de gebouwen op het erf in ere hersteld. Hiervoor is een herstelplan gemaakt. Door de transformatie wordt niet alleen de leefomgeving verbeterd, maar ook een belangrijke impuls gegeven aan de landschappelijke waarden van het gebied. 3.4.4

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

De in de voorliggende BOPA besloten ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de voorgenoemde beleidsstukken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Hoofdstuk 4

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

4.1

Geluid door activiteiten

4.1.1

Wettelijk kader

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt afdeling 3.5 van het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De geluidsgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 van het Bkl. Het betreffen gebouwen of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de in paragraaf 5.1.4.2 Bkl opgenomen instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden gelden op basis van artikel 7.11 Bkl specifieke regels. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties zelf de mate van bescherming tegen geluid. 4.1.2

Motivering

Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Geluid door wegen en spoorwegen De geluidsaandachtsgebieden van Rijks-, provinciale, gemeente-, waterschaps- en spoorwegen worden opgenomen in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Indien door de wegbeheerder nog geen geluidaandachtsgebieden zijn berekend, gelden de volgende afstanden: • • •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

In de nabije omgeving van het projectgebied bevindt zich de Oerdijk. Daarom dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd naar geluid door wegen. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd door BJZ.nu. Hieronder worden de belangrijkste resultaten kort benoemd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 2. Onderzoek geluid door wegen De geluidbelasting als gevolg van de gemeentelijke weg ‘Oerdijk’ bedraagt hoogstens 59 dB Lden. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB L den uit het Bkl maar wel aan de grenswaarde van 70 dB. Het gezamenlijk geluid bedraagt ten hoogste 59 dB. Er is een gevelwering van minimaal 59-33 = 26 dB benodigd om ter plaatse van de woning aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen. Ten tijde van de toetsing van het voornemen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient te worden beoordeeld of sprake is van voldoende gevelwering om ter plaatse van de woningen een binnenniveau van 33 dB te waarborgen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Lettele, Oerdijk 140 Definitief Doordat een nieuwbouwwoning dient te beschikken over een gevelwering van 20 dB, wordt verwacht dat met geringe gevelmaatregelen een binnenniveau van 33 dB is te realiseren. Ter plaatse van de woning is tevens sprake van één of meerdere geluidsluwe gevels, waardoor sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Met het inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Geluid door industrieterreinen In de nabijheid is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig. Industrielawaai is geen belemmering voor het voornemen. Geluid door overige geluidbelastende activiteiten Geluidshinder door solitaire bedrijvigheid vormt geen belemmering voor het project. Het project ziet toe op het (planologisch) toevoegen van één geluidsgevoelig gebouw. In een straal van circa 80 meter rondom het projectgebied liggen geen bedrijven met grote geluidshinder. Andersom betreffen woningen geen functie dat akoestisch relevant is voor de omgeving. 4.1.3

Conclusie

De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.

4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1

Wettelijk kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu heeft het Rijk voor het aspect bodem instructieregels opgesteld. Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Het omgevingsplan kan ook hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA. Een omgevingsplan bepaalt tevens dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 4.2.2

Motivering

In voorliggend geval is door Dumea Milieu een bodemonderzoek conform NEN5740, 5707 en NEN5897 uitgevoerd. Hieronder worden de belangrijkste resultaten kort benoemd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3. In de grond zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde. Ook in het grondwater zijn geen verhogingen aangetoond. In de mengmonsters van asbest zijn geen concentraties asbest aangetoond of de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 4.2.3

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Wettelijk kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze instructieregels gelden rijksomgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) en/of fijnstof (PM10) en zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project valt onder NIBM als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de standaardgevallen niet in betekenende mate valt, zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. 4.3.2

Motivering

Conform artikel 5.54 sub b van het Bkl valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van: • • •

één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er in dit geval zonder meer sprake van een project dat ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 4.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4

Geur

4.4.1

Wettelijk kader

Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Lettele, Oerdijk 140 Definitief 4.4.2

Motivering

In de omgeving van het projectgebied bevinden zich een aantal bedrijven waarvoor richtafstanden gelden uit de VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Ten noordoosten van het projectgebied op circa 116 meter ligt een grondgebonden veehouderij. Dit betreft een melkveehouderij. Op een afstand van circa 170 meter ten oosten van het projectgebied is een leer/zorgboerderij gevestigd. Hier worden paarden en vrouwelijk jongvee gehouden. Voor beide bedrijven geldt een maximale milieucategorie van 3.2 met de grootste richtafstand van 100 meter. In beide gevallen wordt hier aan voldaan. In het kader van geurhinder kan gerekend worden met afstandsnormen. Voor veehouderijen met landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor gelden vaste afstandsnormen. In het buitengebied geldt een afstandsnorm van 50 meter. Binnen een straal van 50 meter liggen geen veehouderijen waar landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor gehouden worden. Het dichtstbijzijnde bedrijf met dieren met geuremissiefactor is het varkens- en pluimveebedrijf aan de Oerdijk 140a op een afstand van 320 meter van het projectgebied. Op deze afstand kan worden gesteld dat de geurbelasting onder de maximale geurnorm ligt voor nieuwe woningen in het buitengebied. De nieuwe woning is ook niet maatgevend voor een veehouderij in de omgeving aangezien er andere geurgevoelige gebouwen op kortere afstand van de veehouderij liggen.

Geur van veehouderijen is gelet op de omgeving en de daar gelegen veehouderijen niet beperkend voor het plan met de nieuwe woningen en omgekeerd. Er zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden er geen agrarische bedrijven belemmerd door dit plan. 4.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5

Trillinghinder

4.5.1

Wettelijk kader

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillinghinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In het omgevingsplan zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Bkl staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. 4.5.2

Motivering

In dit geval bevindt de dichtstbijzijnde spoorlijn zich op 2,4 kilometer van het projectgebied. Op basis van de SBR-richtlijn, de Beleidsregel Trillinghinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen bedraagt de gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillinghinder als gevolg van een spoorweg kan optreden 100 meter van het spoor. Het projectgebied valt ruimschoots buiten de onderzoeksgrens van 100 meter. 4.5.3

Conclusie

Het aspect ‘trillingen’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

4.6

Gezondheid

4.6.1

Wettelijk kader

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. 4.6.2

Spuitzonering

Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen kunnen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen woningen en bijbehorende tuinen. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woon- en leefklimaat bij de woningen gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2013:BY8000). De afstand van 50 meter is een indicatieve afstand. Onder omstandigheden en in een specifiek geval kan ervan worden afgeweken en dus een kortere afstand worden aangehouden. Ook dit is in de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State geaccepteerd. De afstand die wordt aangehouden in een specifiek geval moet worden onderbouwd met een zorgvuldig locatiespecifiek onderzoek.

Hierbij kan geen gebruik worden gemaakt van de modellen van het EFSA, aangezien deze onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn. 4.6.3

Motivering

In dit hoofdstuk van de onderbouwing zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidshinder en bodemkwaliteit). Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat telkens wordt voldaan aan het wettelijk kader. Spuitzonering Ten aanzien van spuitzonering geldt dat het projectgebied grenst aan een agrarische functie waar bespuiting van gewassen planologisch is toegestaan. In dit geval gaat het om gronden aan alle zijden van het projectgebied. In voorliggend geval wordt er planologisch één woning toegevoegd. De bestaande (bedrijfs)woning met aangebouwd bijgebouw en tuinruimte geniet reeds van (theoretische) bescherming. Er wordt immers al gewoond en er dient daardoor rekening te worden gehouden met de bewoners. De nieuwe woning wordt gerealiseerd in het bestaande bijgebouw.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Afbeelding 4.1

Gewasbeschermingszonering (Bron: Groenadviesbureau H.A. ten Have)

De agrarische percelen rondom het plangebied worden gebruikt voor teelt van gewassen voor de melkveehouderij. Indien, zeer incidenteel, gewasbeschermingsmiddelen worden ingezet wordt dit gedaan door agrarische loonbedrijven die moeten voldoen aan de wettelijke eisen ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. In overleg met de grondeigenaren is schriftelijk vastgelegd dat, in het geval er gewasbeschermingsmiddelen in een zone van 50 m rondom de woningen met bijbehorende tuinruimte worden ingezet, dit vooraf wordt gecommuniceerd met de bewoners van Oerdijk 140. De bewoners van Oerdijk 140 kunnen vervolgens ramen, deuren en ventilatieroosters sluiten op het moment dat deze gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. De bewoners van Oerdijk 140 verblijven niet in de tuin op het moment dat deze gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. In een maatwerkvoorschrift zijn onder meer bovenstaande voorschriften schriftelijk vastgelegd. Op deze manier wordt de spuitzonering rondom de ontwikkeling aan de Oerdijk 140 op een zorgvuldige en verantwoorde manier geregeld. Het voornemen levert geen verslechtering op van de leefomgeving of omgevingskwaliteit. Het voornemen leidt er ook niet toe dat de gebruiksmogelijkheden ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen verder wordt ingeperkt.

Daarom kan geconcludeerd worden dat het voornemen voldoet aan het maatschappelijk doel uit artikel 1.3 Omgevingswet. 7.6.4

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

4.7

Duurzaamheid

4.7.1

Wettelijk kader

Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op deze doelen wordt het plan aan het omgevingsaspect ‘duurzaamheid’ getoetst. 4.7.2

Situatie projectgebied

Voor wat betreft het aspect duurzaamheid wordt opgemerkt dat aan de meest recente eisen en normen uit het Bbl ten aanzien van duurzaamheid zal worden voldaan. 4.7.3

Conclusie

Het project houdt in voldoende mate rekening met duurzaamheid.

4.8

Natuur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl. 4.8.1

Gebiedsbescherming

4.8.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het plan worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Lettele, Oerdijk 140 Definitief 4.8.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 4.8.1.3 Motivering Natura 2000-gebieden Het projectgebied bevindt zich op circa 7,6 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Gelet op de ruime afstand is directe hinder, bijvoorbeeld in de vorm van geluid of lichthinder, uitgesloten. Naast directe hinder kan er ook sprake zijn van indirecte hinder in de vorm van stikstofdepositie. In voorgenomen ontwikkeling is er slechts beperkt sprake van sloopwerkzaamheden. Verder dient de schuur te worden verbouwd tot woning. De voorgenomen werkzaamheden zijn van dermate beperkte omvang dat er geen sprake is van significante stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Een AERIUSberekening is dan ook niet noodzakelijk. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig.

Natuurnetwerk Nederland Het dichtstbijzijnde gebied dat tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) hoort, bevindt zich op circa 490 meter van het projectgebied. Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling is er geen sprake van enige aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. 4.8.2

Soortenbescherming

8.2.1

Wettelijk kader

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 8.2.2

Motivering

In het kader van soortenbescherming is door Bureau Bleijerveld een quickscan ecologie uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden hierna besproken. Voor de volledige quickscan wordt verwezen naar bijlage 4 van deze onderbouwing. De verbouwing van de stal kan tot verstoring leiden van algemene broedvogels zonder vaste nestplaats. Daarom dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden of te starten tenzij een controle uitwijst dat geen broedsels aanwezig zijn. Het broedseizoen loopt min of meer van 15 maart tot 15 augustus. Het projectgebied is niet van belang voor de overige beschermde soorten. Voor de verbouwing is geen vergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd mits rekening wordt gehouden met broedvogels.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Lettele, Oerdijk 140 Definitief 4.8.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.

4.9

Archeologie, erfgoed en cultuurhistorie

4.9.1

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.9.2

Motivering archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Ter plaatse van het erf aan de Oerdijk 140 geldt het bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening”. De archeologische beleidskaart is doorvertaald naar dubbelbestemmingen binnen het bestemmingsplan. De gronden zijn aangeduid met de “Waarde – Archeologie 3” en “Waarde – Archeologie 4”. De gronden aangewezen met deze waarde zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Hierbij geldt geen onderzoeksplicht bij bouwplannen of activiteiten die: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing mogelijk maken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder maaiveld, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, of; 2. een bodemgreep met een oppervlakte van ten hoogste 200 m² c.q. 500 m2, of: 3. een bodemingreep niet dieper dan 50 cm. In voorliggend geval vinden er geen bodemingrepen plaats. Een archeologisch onderzoek kan in het kader van de onderbouwing kan achterwege blijven. 4.9.3

Motivering erfgoed en cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover relevant in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Er bevinden zich in het projectgebied of in de directe omgeving hiervan geen rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. 4.9.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

4.10

M.e.r.- Beoordeling

4.10.1 Wettelijk kader Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •

In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-m.e.r. verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Bij de project-m.e.r.-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als is besloten dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt in ieder geval verwezen naar: 1. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1. het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project; b. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en 3. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b.

het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit. 4.10.2 Motivering Onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van een gesloten lijstenstelsel voor de beoordeling van project-m.e.r. (milieueffectrapportage). Dit houdt in dat de projecten en besluiten die onder de projectm.e.r.-verplichting vallen, zijn opgenomen in de lijst bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hierin is onder andere het stedelijke ontwikkelingsproject opgenomen. De jurisprudentie met betrekking tot de ondergrens van het begrip 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject' blijft onder de Omgevingswet van belang. Zo overweegt de Afdeling bijvoorbeeld dat de ontwikkeling van 12 woningen niet als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd (ABRS 11 maart 2020, nr. 201901464/1/R1). In dit specifieke geval gaat het om het toestaan van één extra woning. Bovendien is, voor zover relevant in dit kader, sprake van een functie die geen aantasting veroorzaakt van het woon- en leefklimaat in de omgeving van omliggende woningen. Op basis van het voorgaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r.

Dit wordt tevens bevestigd door de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten, evenals de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Lettele, Oerdijk 140 Definitief 4.10.3 Conclusie Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.11

Omgevingsveiligheid

4.11.1 Wettelijk kader Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk; Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik; Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven; Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik;

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 4.11.2 Motivering Aan de hand van de Atlas Leefomgeving ‘Veilige omgeving’ kaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de ‘Veilige omgeving kaart’ staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.

In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de Atlas Leefomgeving kaart met daarop middels een rode ster de locatie van het projectgebied weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Afbeelding 4.2

Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)

De nieuwe woning betreft een kwetsbaar gebouw (woonfunctie) zoals bedoeld in de Omgevingswet. Het projectgebied is verder niet gelegen binnen de 10-6 per jaar contour van een risicobron en de woning vormt zelf ook geen risicobron voor haar omgeving. De woning is tevens niet gelegen binnen een brand, explosie of gifwolkaandachtsgebied (minimaal 1,7 kilometer). 4.11.3 Conclusie Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.

4.12

Verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren

4.12.1 Wettelijk kader Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het projectgebied.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Lettele, Oerdijk 140 Definitief 4.12.2 Verkeer en parkeren 4.12.2.1

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die daardoor ontstaat. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. De gemeente Deventer beschikt over de ‘Nota parkeernormen Deventer 2013 Auto en Fiets’. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte wordt in voorliggend geval aangesloten bij de uitgangspunten uit de 'Nota Parkeernormen Deventer 2013 Auto en fiets'. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • • •

Stedelijkheidsgraad: ‘sterk stedelijk’ (CBS Statline); Gebiedsindeling: ‘buitengebied’ ; Functie: ‘Koop, twee-onder-een-kap’.

Hierna wordt ingegaan op de onderdelen parkeren en verkeer. 4.12.2.2

Parkeerbehoefte

Voorliggend project gaat uit van het realiseren van één extra woning. Op basis van de gemeentelijke parkeernota geldt een gemiddelde parkeerbehoefte (inclusief bezoekersparkeren) van 2,2 parkeerplaatsen. Het op erf is voldoende ruimte aanwezig om een parkeerbehoefte van afgerond 3 parkeerplaatsen te faciliteren, naast de reeds aanwezige parkeerplaatsen van de bestaande woning. De parkeerplaatsen zijn weergegeven in afbeelding 2.3. 4.12.2.3

Verkeersgeneratie en ontsluiting

Op basis van de CROW publicatie geldt voor de nieuw te realiseren woning een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 verkeersbewegingen per weekdag etmaal. Met de verkeersgeneratie van de bestaande woning komt de verkeersgeneratie voor het gehele erf in de nieuwe situatie op circa 16 verkeersbewegingen. In de bestaande situatie is er sprake van één inrit naar het erf. De inrit is weergegeven in afbeelding 2.3. In de nieuwe situatie blijft de huidige inrit behouden en wordt uitgevoerd in halfverharding. Bewoners en bezoekers kunnen veilig in- en uitrijden op de Oerdijk. De inschatting is dat het extra verkeer niet zal leiden tot significante veranderingen in het verkeersbeeld, temeer omdat het gaat om een geringe toename aan verkeersbewegingen. Deze verkeersgeneratie kan eenvoudig worden afgewikkeld door omliggende wegen. 4.12.3 Conclusie Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

4.13

Klimaatadaptatie en natuur inclusief bouwen

4.13.1 Algemeen 4.13.1.1

Klimaatadaptatie

Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Het KNMI heeft scenario’s opgesteld waarin duidelijk wordt gemaakt hoe deze toename er naar verwachting in de toekomst uit ziet. Een vergrote kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen levert risico’s op voor veiligheid, gezondheid en economie. Ruimtelijke aanpassing om deze risico’s tegen te gaan noemen we klimaatadaptatie. 4.13.1.2

Natuur inclusief bouwen

Bij natuur inclusief bouwen en verbouwen let je extra op alles wat leeft rond je huis. Dat doe je door in je bouwplannen plek voor planten en dieren op te nemen. Als je zorgt dat er ook vogels, vleermuizen en insecten kunnen wonen in en rond je huis help je de natuur. Het Natuur Inclusief Bouwen (NIB) is in de laatste jaren wel verder ontwikkeld. De gemeente Deventer heeft een puntensysteem voor natuur inclusief bouwen. Elk bouwplan heeft minstens 15 punten nodig om natuur inclusief te zijn. 4.13.2 Motivering Hieronder wordt kort omschreven hoe is omgegaan met klimaatadaptatie en natuur inclusief bouwen. 4.13.2.1

Klimaatadaptatie

De effecten van klimaatverandering worden voornamelijk voorkomen of gemitigeerd door zoveel mogelijk verharding te vervangen door groen. Het plan heeft een kleine afname van het bebouwd oppervlak, namelijk circa 17 m 2. Verder wordt het bestaande groen - de bestaande bomen en het erfbosje - behouden. Het gehele perceel wordt betrokken bij de landschappelijke inpassing. Er worden twee erfbosjes en erf bomen toegevoegd. Het vele groen, samen met de aandacht voor goede opvang, gebruik en afvoer van regenwater, draagt bij aan de klimaatbestendigheid van het gebied. Het aanwezige groen en schaduw verlaagt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress. 4.13.2.2

Natuur inclusief bouwen

Binnen de ontwikkeling wordt rekening gehouden met natuur inclusief bouwen. Zoals eerder vermeld moet elk bouwplan minstens 15 punten verdienen om natuur inclusief te zijn. Hieronder worden de natuur inclusieve maatregelen kort benoemd met bijbehorende aantal punten: A. Nest- en verblijfplaatsen: a. Huismussen kasten 2x3 inbouwkasten b. Inbouwkast vleermuizen c. Nestkommen voor huiszwaluw, 2 kasten d. Nestkast voor kerkuil in de kapstuur e. Bijenkast bij plukveld B. Inheemse beplantingen: a. Aanplant hagen en heggen, lente 94 m b. Geriefhoutbosjes, 2 posities, oppervlak 620 m2

3 punten 3 punten 2 punten 1 punt 1 punt 3 punten 12 punten Totaal 25 punten

De natuur inclusieve maatregelen zijn tevens overzichtelijk weergeven in bijlage 1 van deze onderbouwing.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Lettele, Oerdijk 140 Definitief 4.13.3 Conclusie Wat betreft de aspecten klimaatadaptatie en natuur inclusief bouwen wordt vermeld dat deze voldoende zijn geborgd in het plan. De aspecten vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.14

Waterbelangen

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding. 4.14.1 Algemeen Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn groot en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De provincie houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor de plannen voor waterbeheer in de regio. Ook is de provincie verantwoordelijk voor vergunningverlening voor drinkwaterwinning. De ambities zijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving. De waterschappen beheren water en waterkeringen (dijken) en zuiveren afvalwater. Ook zorgen zij voor de kleine waardevolle wateren, zoals vennen en bronnetjes. Voor grotere rivieren, meren en kanalen en grondwaters bestaat de Europese Kaderrichtlijn.

Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen het waterschap wil nemen. Bij nieuwe plannen dient rekening te worden gehouden met de waterhuishoudkundige situatie. Dit houdt in dat de gevolgen van het plan op de waterbelangen beschreven moeten worden. Een belangrijk instrument hierbij is de watertoets. De waterbelangen en waterhuishoudkundige doelstellingen worden hierbij afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen gaan over zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In paragraaf 3.4 is reeds ingegaan op het beleid van het waterschap. Hierna wordt kort ingegaan op de aanvullende eisen vanuit het gemeentelijk rioleringsprogramma. 4.14.2 Gemeentelijk Rioleringsprogramma (2022-2026) Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsprogramma (2022-2026) en de regionale samenwerking op het gebied van water in de wateragenda. De wateragenda is een samenwerkingsstructuur waarbij een aantal thema's centraal staan. Deze thema's zijn uitgewerkt in aandachtspunten.

Op deze punten gaan de waterpartners de komende jaren lokaal samenwerken. De thema's zijn: • • • •

Veilig en klimaatbestendig Milieu en gezondheid Beleving, bewustwording en participatie Doordat de wateragenda duidelijke thema's bevat, kunnen de waterpartners efficiënt en effectief samenwerken aan de watertaken.

De gemeente is verantwoordelijk voor een goed stedelijk watersysteem. Volgens de wet begint de zorgplicht bij de perceeleigenaar. De perceeleigenaar moet het hemel- en grondwater op het eigen perceel verwerken. De gemeente komt in beeld als dit niet kan. In het Gemeentelijk Rioleringsplan is

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Lettele, Oerdijk 140 Definitief beschreven hoe de gemeente haar watertaken invult en uitvoert. De gemeentelijke watertaken komen voort uit 3 zorgplichten: • • •

inzameling en transport van stedelijk afvalwater; verwerking van afvloeiend hemelwater; de aanpak en het voorkomen van grondwaterproblemen in bebouwd gebied coördineren.

Hemelwater en afvalwater worden op de erfgrens gescheiden aangeleverd. Bovendien moet hemelwater maximaal worden geïnfiltreerd op het eigen terrein. Daarom hanteert de gemeente als uitgangspunt dat de eigenaar bij nieuwbouw zorgt voor een infiltratievoorziening (bijvoorbeeld kratten of een laagte in de tuin) met een inhoud van minimaal 20 mm/m 2 over het verhard oppervlak op eigen terrein. 4.14.3 Motivering Voor dit project is gebruik gemaakt van de digitale watertoets. In dit geval is dat het waterschap Drents Overijsselse Delta. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de ‘geen belang procedure'. Aangezien het gaat om een plan met uitsluitend een functiewijziging van de bestaande bebouwing heeft het waterschap geen belang in kader van water. Het wateradvies is toegevoegd als bijlage 5. 4.14.4 Conclusie Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

4.15

Welstand

4.15.1 Algemeen Bij het beoordelen van bouwplannen wordt aan de Welstandsnota getoetst. De ‘welstandsnota gemeente Deventer, welstands- en reclamebeleid’ dateert van 1 oktober 2014. Met deze nota wordt het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Deventer beoogd. In de nota heeft de gemeente het kader voor de welstandstoetsing vastgesteld, door middel van criteria waar nieuwe bouwplannen op grond van het aspect 'welstand' (het uiterlijk van het gebouw) aan moeten voldoen. Deventer is opgedeeld in verscheidende gebieden, de ontwikkellocatie is gelegen in het oude cultuurlandschap, in het oude hoevenlandschap. 4.15.2 Motivering Een belangrijk aspect bij de ontwikkeling is de verbouwing van het voor- en achterhuis tot een meergeneratie-woning. Hierbij wordt veel aandacht besteed diverse technische en esthetische aspecten. Zo wordt voorgevel en rechter zijgevel herstelt in oorspronkelijke uitvoering, maatvoering en detaillering met kozijnen, ramen, deuren en luiken. Verder worden de oorspronkelijke deeldeuren aan de achtergevel teruggebracht. De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals beschreven in de 'Welstandsnota gemeente Deventer, welstands- en reclamebeleid' en de ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit’. In de aanvraag is dit nader uitgewerkt.

Het ontwerp zal bij de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen worden getoetst. 4.15.3 Conclusie De voorgenomen aanpassingen zijn reeds afgestemd en positief beoordeeld door de gemeente Deventer. Het aspect welstand vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.16

Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden

4.16.1 Algemeen De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken integraal onderdeel uit van de taak van overheden om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.16.2 Motivering Voor de inrichtingstekening van de ontwikkeling wordt verwezen naar afbeelding 2.3. Het ontwerp houdt rekening met de omliggende ruimtelijke en bebouwingsstructuren. Het erf ligt aan verbindingsweg Schalkhaar-Lettele aan de voet van de Letteler Enk. De Letteler Enk is een dekzandrug, een lichte zandopduiking die is ontstaan tijdens de laatste ijstijd door windverstuivingen. Het reliëf met de hoger gelegen enkgronden zijn goed zichtbaar in het landschap. Landschappelijk is het karakteristiek dat de essen/enken onbeplant zijn en omzoomd worden door houtwallen. Er is veel aandacht voor de landschappelijke waarden. Het erf wordt groen ingepast, er komen nieuwe robuuste landschapselementen op het erf en de herkenbaarheid tussen voor- en achterzijde van het erf wordt versterkt. Het landschapsplan is verder uitgewerkt in bijlage 1. De bestaande bomen blijven behouden. De hoeveelheid groen neemt toe. Op deze manier draagt het project bij aan de ruimtelijke kwaliteit.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Lettele, Oerdijk 140 Definitief 4.16.3 Conclusie Met de in deze onderbouwing besloten ontwikkeling wordt voldoende rekening gehouden met de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit in de omgeving.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Hoofdstuk 5

Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.

5.1

Participatie omgeving

Op verscheidende momenten zijn er door de initiatiefnemer participatiemomenten georganiseerd voor de direct omwonenden, landeigenaren en overheden. In bijlage 6 is hiervan een verslag opgenomen. De verschillende betrokkenen zijn positief over de voorgenomen ontwikkeling.

5.2

Bestuurlijk vooroverleg

5.2.1

Het Rijk

Geoordeeld wordt dat het plan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 5.2.2

Provincie Overijssel

Deze paragraaf wordt ingevuld nadat door de gemeente Deventer contact is gezocht met de provincie om het planvoornemen te bespreken. 5.2.3

Waterschap Drents Overijsselse Delta

De watertoets is uitgevoerd. Daarmee is in een vroeg stadium met het waterschap contact gezocht met betrekking tot de waterhuishouding van het projectgebied. Het waterschap heeft geen belang bij voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Hoofdstuk 6

6.1

Financiële haalbaarheid

Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

6.2

Kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat in artikel 8.13, 8.14 en 8.15 relevante regels over (verplicht) kostenverhaal. Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten worden verhaald, is de bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie (artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

6.3

Nadeelcompensatie

In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Hoofdstuk 7

Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld ten behoeve van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit deze BOPA blijkt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Hoofdstuk 8 omgevingsplan

Voorstel voor het opnemen van het initiatief in het

De activiteit dient overeen te komen met de bestemming ‘Wonen’ met bijbehorende regels uit het bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening”. De regels dienen gewijzigd te worden in die zin dat één extra woning wordt toegestaan op het erf en de bedrijfswoning gebruikt kan worden als reguliere woning. Daarnaast moet afstand worden gedaan van de agrarische functie, bedrijfsmatige activiteiten en het bijbehorende bouwvlak. In afbeelding 8.1 is een voorstel opgenomen voor het nieuwe bouwvlak.

Afbeelding 8.1

Voorstel bouwvlak in geel

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 1

Erf- en landschapsplan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Renvooi

NIB maatregelen Toevoegen van woning, minimaal 15 punten Kadastrale perceelsgrenzen

Overzicht: Nestkasten; positonering zie bouwtekening NIB voorzieningen 1. Huismussen kasten 2x3 kasten 2. Inbouwkast vleermuizen 3. Nestkommen voor huiszwaluw, 2 kasten 4. Nestkast voor kerkuil in de kapschuur, 1 st 5. Bijenkast bij plukveld

3p 3p 2p 1p 1p

Beplantingen: 1. Aanplant hagen en heggen, lengte 94 m1 2. Geriefhoutbosjes, 3 posities, oppervlak: opp. 620 m2

3p 12 p

Totaal

25 p

Bomenlijst nr soort 1 Quercus robur 2 Quercus robur 3 Castanea sativa 4 Quercus robur 5 Tila cordata 6 Tila cordata 7 Carpinus betulus

ned. naam Inlandse eik Inlandse eik Tamme kastanje Inlandse eik Linde Linde Haagbeuk

Oe

rd

ijk

Bestaande bomen

Nieuwe bomen Gemengde scheerheg Erfbosjes

leveringskwaliteit 18-20 cm stamomtrek DPV00E 03086G0000 18-20 cm stamomtrek

Plukveldje

18-20 cm stamomtrek 18-20 cm stamomtrek 18-20 cm stamomtrek 18-20 cm stamomtrek 18-20 cm stamomtrek

6

Gras, kort gras, geen bemesting

5

Beplantingslijst heggen Gemengde inheemse heg, zonder doornen - lengte van de haag: 94 m1 - plantwijze: dubbele rij 6 stuks/m1, - aantal panten 565 st - leveringskwaliteit plantmateriaal: bosplantsoen 80-120 cm (2+1)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16381823/1