CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-969-bijlage-Rapport - Ruimtelijke onderbouwing Bopa - Oerdijk 140 Lettele (13-11-2025) incl bijlagen

Raadsvergadering 28 januari 2026, gemeente DeventerBij agendapunt: BOPA Oerdijk 140 Lettele23.305 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Onderbouwing voor de fysieke leefomgeving, te gebruiken bij buitenplanse afwijkingen van het omgevingsplan (BOPA) Lettele, Oerdijk 140

Status: Definitief

Datum: November 2025

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Ruimtelijke onderbouwing BOPA “Lettele, Oerdijk 140”

Plannaam: Plantype: Status: Datum:

Ruimtelijke onderbouwing “Lettele, Oerdijk 140” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Definitief November 2025

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

1

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3

AANLEIDING ................................................................................................................................ 4 LIGGING VAN HET PROJECTGEBIED ............................................................................................... 4 LEESWIJZER ............................................................................................................................... 4

Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3

Planbeschrijving .............................................................................. 6

BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE ................................................................................................. 6 BESCHRIJVING NIEUWE SITUATIE .................................................................................................. 7 BESCHRIJVING STRIJDIGHEID ....................................................................................................... 8

Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4

Inleiding............................................................................................ 4

Toetsing aan beleid ....................................................................... 11

RIJKSBELEID ............................................................................................................................. 11 PROVINCIAAL BELEID ................................................................................................................. 13 BELEID WATERSCHAP ................................................................................................................ 23 GEMEENTELIJK BELEID .............................................................................................................. 24

Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu.................................... 28 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15 4.16

GELUID DOOR ACTIVITEITEN....................................................................................................... 28 BODEMKWALITEIT...................................................................................................................... 29 LUCHTKWALITEIT....................................................................................................................... 30 GEUR ....................................................................................................................................... 30 TRILLINGHINDER ....................................................................................................................... 31 GEZONDHEID ............................................................................................................................ 32 DUURZAAMHEID ........................................................................................................................ 34 NATUUR ................................................................................................................................... 34 ARCHEOLOGIE, ERFGOED EN CULTUURHISTORIE ......................................................................... 36 M.E.R.- BEOORDELING ..........................................................................................................

37 OMGEVINGSVEILIGHEID.......................................................................................................... 38 VERKEERSGENERATIE, -AFWIKKELING & (FIETS)PARKEREN ...................................................... 39 KLIMAATADAPTATIE EN NATUUR INCLUSIEF BOUWEN ................................................................ 41 W ATERBELANGEN ................................................................................................................. 42 W ELSTAND............................................................................................................................ 44 LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN ....................................................... 44

Hoofdstuk 5 5.1 5.2

PARTICIPATIE OMGEVING ........................................................................................................... 46 BESTUURLIJK VOOROVERLEG .................................................................................................... 46

Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.3

Participatie ..................................................................................... 46

Financiële haalbaarheid ................................................................ 47

ALGEMEEN ............................................................................................................................... 47 KOSTENVERHAAL ...................................................................................................................... 47 NADEELCOMPENSATIE ............................................................................................................... 47

Hoofdstuk 7

Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties .... 48

Hoofdstuk 8 Voorstel voor het opnemen van het initiatief in het omgevingsplan ............................................................................................... 49 Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing ............................................................ 50 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5 BIJLAGE 6

ERF- EN LANDSCHAPSPLAN ............................................................................................. 50 AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI ............................................................ 51 BODEMONDERZOEK........................................................................................................ 52 QUICKSCAN FLORA EN FAUNA ......................................................................................... 53 W ATERADVIES ............................................................................................................... 54 PARTICIPATIEVERSLAG ................................................................................................... 55 BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

2

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

SAMENVATTING VAN DE ONDERBOUWING Hoofdstuk 1 (projectbeschrijving): Voorliggende onderbouwing is opgesteld ten behoeve van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna BOPA). Het project heeft betrekking op de locatie Oerdijk 140 te Lettele. De ontwikkeling omvat het omzetten van de agrarische functie naar een woonfunctie en het realiseren van een meer-generatiewoning door het toevoegen van één woning in de bestaande bebouwing. Hoofdstuk 2 (huidige en nieuwe situatie): Het projectgebied zelf bestaat uit een woning bestaande uit een voor- en achterhuis, en een schuur. In de nieuwe situatie bestaat het projectgebied uit dezelfde woning die is omgebouwd naar twee reguliere woningen (meer-generatie-woning). De schuur blijft behouden. De buitenruimte wordt zoveel mogelijk groen ingericht en er is op het erf voldoende ruimte voor parkeren. Hoofdstuk 3 (toetsing aan beleid): Geconcludeerd wordt dat het relevante beleid op rijks, provinciaal-, regionaal, waterschaps- en gemeentelijk niveau de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling niet in de weg staat. Hoofdstuk 4 (aspecten fysieke leefomgeving): Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 5 (participatie): Initiatiefnemer heeft alle buren en grondeigenaren ingelicht. Deze zijn blij met de plannen.

Hoofdstuk 6 (financiële haalbaarheid): De gemeentelijke kosten worden verhaald via leges. Hoofdstuk 7 (conclusie): Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 8 (voorstel opnemen in omgevingsplan): De regels dienen gewijzigd te worden in die zin dat één extra woning wordt toegestaan op het erf en de bedrijfswoning gebruikt kan worden als reguliere woning. Daarnaast moet afstand worden gedaan van de agrarische functie, bedrijfsmatige activiteiten en het bijbehorende bouwvlak.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

3

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft betrekking op de Oerdijk 140 te Lettele (kadastraal bekend Diepenveen, sectie G, nr. 2456). Initiatiefnemer heeft het voornemen om een meer-generatiewoning te realiseren in de bestaande bebouwing op het voormalig agrarisch erf. Op basis van het tijdelijke omgevingsplan geldt het bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening” en is het projectgebied aangewezen met de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’. Binnen deze bestemming is de transformatie naar twee woningen ter plaatse niet toegestaan, waardoor het initiatief in strijd is met de huidige planregels. Het voornemen is reeds door de gemeente Deventer beoordeeld. De gemeente is positief en heeft het positieve advies beschreven in de ‘brief afhandeling vooroverleg’ (30 juni 2025). Om het voornemen mogelijk te maken, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Hiervoor dient op basis van artikel 8.0a lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) te worden aangetoond dat de BOPA in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.

1.2

Ligging van het projectgebied

Het projectgebied ligt in Lettele, in de gemeente Deventer. In de volgende afbeelding is de ligging van het projectgebied weergegeven. Het projectgebied is globaal aangeduid met een rode ster en rode contour.

Afbeelding 1.1: Ligging projectgebied (Bron: Plattekaart.nl)

1.3

Leeswijzer

Deze onderbouwing is opgebouwd uit acht hoofdstukken. Na de inleiding in hoofdstuk 1, volgt in hoofdstuk 2 de beschrijving van het plan. In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling getoetst aan het beleidskader. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving, zoals milieuaspecten, landschap en water ect. Op basis van al deze aspecten wordt in dit hoofdstuk onderbouwd waarom de voorgenomen ontwikkeling acceptabel is. Onder de Omgevingswet is participatie verplicht. Een verslag hiervan is opgenomen in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is de financiële haalbaarheid beschreven. Hoofdstuk 7 bevat, het geheel samennemend, een beschouwing waaruit blijkt dat deze aanvraag zich verenigt met een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Hoofdstuk 8 gaat ten slotte in op BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

4

Lettele, Oerdijk 140 Definitief het voorstel van de wijze waarop dit plan te zijner tijd zal worden verwerkt in het Omgevingsplan en de daarbij te hanteren regels.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

5

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Hoofdstuk 2

2.1

Planbeschrijving

Beschrijving huidige situatie

Het projectgebied bevindt zich aan de Oerdijk in Lettele in de gemeente Deventer. Het projectgebied bestaat uit een voormalig agrarisch erf. De agrarische activiteiten zijn al lange tijd beëindigd. Op het erf staat een woning die met een tussenlid verbonden is met de oude boerderij. Een gedeelte van de boerderij heeft een woonfunctie en het andere deel wordt gebruikt als bijgebouw. Naast de boerderij staan een kapschuur en een oud varkensschuurtje. Het projectgebied heeft een oppervlakte van circa 5.000 m2. De omgeving van het projectgebied bestaat uit agrarische gronden. In afbeelding 2.1 is een luchtfoto weergegeven. In afbeelding 2.2 is het projectgebied vanaf de Oerdijk te zien.

Afbeelding 2.1

Luchtfoto huidige situatie met kadastrale aanduiding (Bron: omgevingswet.overheid.nl)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

6

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Afbeelding 2.2

2.2

Aanzicht projectgebied vanaf de Oerdijk (Bron: Google Streetview)

Beschrijving nieuwe situatie

Het voornemen betreft het realiseren van een meer-generatie-woning in de bestaande bebouwing aan de Oerdijk 140. Het voormalig agrarisch erf krijgt hierbij een passende vervolgfunctie als woonerf met twee wooneenheden. De bestaande bedrijfswoning wordt een reguliere woning en de voormalig schuur wordt verbouwd tot woning. Een klein schuurtje met een oppervlak van 57 m2 wordt gesloopt. Achter de bestaande woning wordt een nieuw schuurtje gesitueerd met een oppervlakte van circa 40 m 2. Het nieuwe erf wordt landschappelijk ingepast en levert een belangrijke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Met betrekking tot de inpassing worden er langs de voorzijde van het erf bomen gesitueerd en een strook voor bloemrijk gras. Het achtererf blijf open met zicht op de enk. Er worden enkele solitair groeiende bomen en een bomengroep toegevoegd. De samenstelling van de beplanting, aantallen en soorten staan aangegeven op het erf- en landschapsplan. Aan de voorzijde worden gemengde heggen aangeplant waardoor de herkenbaarheid van de voorzijde en erf zijde wordt versterkt. Ten slotte is er een plukveld beoogd met een oppervlakte van circa 350 m 2. In afbeelding 2.3 is de nieuwe inrichting van het erf weergegeven. Het gehele erfinrichtingsplan met landschappelijke inpassing is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

7

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Afbeelding 2.3

2.3

Beoogde situatie (Bron: Groenadviesbureau ten Have)

Beschrijving strijdigheid

Het projectgebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de Deventer. Ter plaatse van het projectgebied is sprake van het omgevingsplan van rechtswege zoals deze in werking is getreden op 6 juni 2025. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit een nieuw en een tijdelijk deel. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan wordt gevormd door de besluiten die zijn aangewezen in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, de kaarten en besluiten, bedoeld in artikel 3.5, lid 2 en 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en de omgevingsplanregels van rechtswege, bedoeld in artikel 22.2, lid 1, Omgevingswet. Voor de duiding van het planologisch regime van het projectgebied is met name het bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening” van belang, dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel. In afbeelding 2.4 is een uitsnede van de verbeelding behorende bij het geldende bestemmingsplan opgenomen. Het projectgebied is hierin indicatief weergegeven met de rode contour.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

8

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Afbeelding 2.4 Uitsnede regelsopdekaart.nl)

bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e

herziening”

(Bron:

Enkelbestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met daaraan ondergeschikt onder andere bed&breakfast, evenementen en extensieve dagrecreatie. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Dubbelbestemming Waarde – Landschap – 1 De voor 'Waarde - Landschap - 1' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor behoud, versterking en ontwikkeling van waarden die samenhangen met de essen, te weten openheid en reliëf. Dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4 De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische verwachtingswaarden. Een archeologisch rapport is nodig in het geval de bodemingreep groter is dan 200 m 2 en dieper is dan 0,50 m onder maaiveld. Dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3 De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische verwachtingswaarden. Een archeologisch rapport is nodig in het geval de bodemingreep groter is dan 500 m 2 en dieper is dan 0,50 m onder maaiveld.

Gebiedsaanduiding reconstructiewetzone - verwevingsgebied Ter plaatse van de 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' mogen bouwvlakken ten behoeve van de intensieve veehouderij worden vergroot tot ten hoogste 1,5 ha. Het voornemen voorziet in het omzetten van de agrarische bestemming naar een woonbestemming en het verbouwen van het voor- en achterhuis tot twee zelfstandige aan-een-gebouwde woningen (meergeneratie-woningen/ kangoeroewoning). Het toevoegen van een extra woning in de bestaande

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

9

Lettele, Oerdijk 140 Definitief bebouwing is volgens het omgevingsplan niet toegestaan. Het plan is daarmee in strijd met de geldende regels van het omgevingsplan. De beoogde activiteiten passen niet binnen de beoordelingsregels van het omgevingsplan. Om het voornemen te realiseren, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Een omgevingsvergunning voor een BOPA kan op basis van artikel 8.0a lid 2 Bkl worden verleend, wanneer de activiteit in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

10

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Hoofdstuk 3

Toetsing aan beleid

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit projectgebied geldende uitgangspunten weergegeven.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

3.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Dit is nodig om de doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 3.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.

Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat de economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.

Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen wordt ingezet op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

11

Lettele, Oerdijk 140 Definitief 3.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van de mogelijkheden en behoeften van toekomstige generaties.

3.1.1.4 Instructieregels Rijk (Amvb’s) Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de NOVI heeft het Rijk instructieregels opgesteld, die per 1 januari 2024 (vanwege de Omgevingswet) zijn opgenomen in de “Bruidsschat” en de het Besluit kwaliteit leefomgeving.

3.1.1.5 Toetsing aan het Rijksbeleid De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. Wel geeft de NOVI het volgende aan ten aanzien van woningbouw, klimaatadaptatie en de energietransitie. Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. In de Nationale Omgevingsvisie wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Het project wordt in de paragrafen 3.2.4 en 3.4.2 getoetst aan het provinciale- en gemeentelijke beleid ten aanzien van wonen. Bovendien wordt vermeld dat het erf op een groene, natuur inclusieve wijze wordt ingericht. Hiermee draagt het plan bij aan de eerste prioriteit uit de NOVI, namelijk klimaatadaptatie. In paragrafen 4.7 en 4.13 wordt verder ingegaan op deze onderdelen. Gezien het bovenstaande verzet de NOVI zich niet tegen de ontwikkeling zoals opgenomen in deze ruimtelijke onderbouwing. In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat.

In hoofdstuk 4 wordt verder ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl. 3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

3.1.2.1 Wettelijk kader De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of er binnen het stedelijk gebied kan worden ontwikkeld. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

12

Lettele, Oerdijk 140 Definitief Artikel 8.0b lid 2 van het Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen: • •

de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend.

De Ladder wordt toegepast bij een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en een ‘stedelijke ontwikkeling’. •

•

bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 3.1.2.2 Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking Wanneer een plan voorziet in woningen niet meer dan 11 woningen dan kan dit niet worden gezien als een stedelijke ontwikkeling. Een uitgangspunt hiervoor is de rechtsuitspraak ‘ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921’. In dit geval is er sprake van het (planologisch) toevoegen van één woning. Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het voornemen voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl. 3.1.3

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het Rijksbeleid zoals verwoord in voorgenoemde beleidstukken.

3.2

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Leidende thema’s voor de Omgevingsvisie zijn: 1. Duurzaamheid; 2. Ruimtelijke kwaliteit. Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

13

Lettele, Oerdijk 140 Definitief • • • •

3.2.2

door meer aandacht voor herstructurering wordt ingezet op een breed spectrum aan woon-, werk- en mixmilieu’s; dorpen en steden worden gestimuleerd hun eigen kleur te ontwikkelen; investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan; zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik; deze methode gaat ervan uit dat eerst het gebruik van de ruimte wordt geoptimaliseerd, dan de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik wordt onderzocht en dan pas de mogelijkheid om het ruimtegebruik uit te breiden, wordt bekeken; ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid. Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie Overijssel. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie Overijssel te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities wordt gebruik gemaakt van het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel'. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristischrecreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

14

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Afbeelding 3.1

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

Hierna worden de lagen nader toegelicht. Of – generieke beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in ons handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. Waar – ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn.

De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaaleconomische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

15

Lettele, Oerdijk 140 Definitief afweging t.a.v. functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen. Hoe – gebiedskenmerken Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in onze omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden.

Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet. 3.2.4

Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 3.2.4.1 Of - Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase ‘Of – generieke beleidskeuzes’ zijn artikel 4.5 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), artikel 4.7-4.9 (ruimtelijke kwaliteit), artikel 4.11 (Kwaliteitsimpuls Groene omgeving) en artikel 4.14 (Woonafspraken) uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Hierna wordt nader op de artikelen ingegaan. Artikel 4.5 – Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (lid 1) Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat: a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied; b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “groene omgeving” nader gedefinieerd als: dat deel van de fysieke leefomgeving waarvan de gronden niet vallen binnen bestaand bebouwd gebied.

In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “bestaand bebouwd gebied” nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut worden voor stedelijke functies op grond van een geldend omgevingsplan en op grond van een (voor)ontwerp voor zover de provincie daarover een positief advies heeft uitgebracht in het kader van het vooroverleg. De ontwikkeling ziet toe op één extra woning op een bestaand erf. De woning wordt gerealiseerd in bestaande bebouwing. Er is daarom geen sprake van extra ruimtebeslag. Daarnaast wordt het erf landschappelijk ingericht. Gelet op vorenstaande is voorliggende ontwikkeling in overeenstemming met artikel 4.5 van de Omgevingsverordening Overijssel.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

16

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Artikel 4.7 (Oogmerk ruimtelijke kwaliteit): Deze paragraaf is gericht op het versterken van ruimtelijke kwaliteit door het toepassen van de OF-, WAAR- en HOE-benadering volgens het uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel. Artikel 4.8 (Ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit): In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken. Artikel 4.9 – Onderbouwing ruimtelijke kwaliteit (lid 1) Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de Omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. In deze en de volgende paragraven wordt getoetst aan de OF-, WAAR-, en HOE-benadering en het ontwikkelingsperspectief. Ook wordt getoetst aan de vier-lagenbenadering. Hieruit zal blijken dat aan deze principes wordt voldaan.

In dit geval is er sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit doordat het erf conform gebiedskenmerken passend wordt versterkt. Zo wordt voorzien in extra beplanting en hagen. In bijlage 1 is dit uitgewerkt in het erf- en landschapsplan. De uitvoering van het landschapsplan maakt onderdeel uit van de voorschriften die verbonden zijn aan het verlenen van voorliggende BOPA. Gelet op vorenstaande is voorliggende ontwikkeling in overeenstemming met artikel 4.7 tot en met 4.9 van de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 4.11 – Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (lid 1) Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als: a. daarvoor sociaaleconomische of maatschappelijke redenen voor zijn; b. het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; en c. in het geval de nieuwvestiging of een grootschalige uitbreiding plaatsvindt op gronden binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water de compensatie bedoeld in onderdeel b gericht is op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap. Nieuwe ontwikkelingen zijn onder voorwaarden toegestaan in de Groene Omgeving. Zo moeten er sociaaleconomische of maatschappelijke redenen zijn.

Daarbij dient de ruimtelijke kwaliteit versterkt te worden en wordt gemotiveerd dat de ontwikkeling past binnen het geldende ontwikkelingsperspectief. Wanneer wordt getoetst aan de criteria, ontstaat het volgende beeld: a. Er is een sociaaleconomische reden voor de ontwikkeling. Door het toevoegen van een woning in de bestaande bebouwing, wordt er een meer-generatie-woning gerealiseerd. Op deze manier is het mogelijk om mensen langer thuis te laten wonen en te bouwen aan sterke mantelzorgstructuren. b. Er is geen sprake van verlies van ecologische of landschappelijke waarden, aangezien er geen sprake is van toename van bebouwing op het erf; c. Niet van toepassing.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

17

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Artikel 4.14 – Woonafspraken 1. Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. 2. Nieuwe woningen zijn nog te realiseren woningen waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven. In voorliggend geval wordt voorzien in het toevoegen van een woning ten behoeve van de lokale woningbouwbehoefte. Voor toetsing aan zowel de kwantitatieve als kwalitatieve woningbehoefte wordt verwezen naar paragraaf 3.4.1 en 3.4.2. Hier wordt geconcludeerd dat het project in overeenstemming is met artikel 4.14 van de Omgevingsverordening Overijssel. 3.2.4.2 Waar- Ontwikkelingsperspectieven Het projectgebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap’. In onderstaande afbeelding is het projectgebied globaal weergegeven in rood.

Afbeelding 3.1 Projectgebied in het ontwikkelingsperspectief (Bron: Omgevingsvisie Overijssel)

Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap Het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’ richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

18

Lettele, Oerdijk 140 Definitief De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische en natuurlijke landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem. Toetsing van het initiatief aan het Ontwikkelingsperspectief Het realiseren van een meer-generatie-woning past uitstekend binnen het mixlandschap, waar ruimte is voor diverse functies, waaronder wonen. De ontwikkeling draagt bij aan het toekomstbestendig houden van het erf en door de landschapsmaatregelen ook aan een versterking van de natuurlijke en landschapselementen. 3.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarischcultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Bij toetsing van het ruimtelijke initiatief aan de gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) is van belang dat de locatie in het buitengebied ligt.

Dit betekent dat de stedelijke laag buiten beschouwing kan blijven, aangezien deze relevante kenmerken kent in het projectgebied. 1. De 'Natuurlijke laag' Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. Het projectgebied wordt op basis van de gebiedskenmerkenkaart de 'Natuurlijke laag' aangeduid met het gebiedstypen 'dekzandvlakte en ruggen'. In onderstaande afbeelding is het projectgebied globaal weergegeven in rood.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

19

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Afbeelding 3.2 Projectgebied in de ‘Natuurlijke laag’ (Bron: Omgevingsvisie Overijssel)

Dekzandvlakte en ruggen De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. Toetsing van het initiatief aan de ‘Natuurlijke laag’ De ontwikkeling van het erf sluit functioneel en stedenbouwkundig goed aan bij de ruimtelijke en functionele structuur van de omgeving. Daarnaast worden er landschapsmaatregelen uitgevoerd, conform de gebiedskenmerken. Hier wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling op de bewuste locatie goed past bij het huidige karakter van het omliggende gebied en daarom passend is binnen de ‘Natuurlijke laag’. 2. De 'Laag van het agrarische cultuurlandschap' In de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld.

Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het projectgebied ligt in het ‘Essenlandschap’. In onderstaande afbeelding is het projectgebied globaal weergegeven in rood.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

20

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Afbeelding 3.3 Projectgebied in de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ (Bron: Omgevingsvisie Overijssel)

Essenlandschap Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk. Toetsing van het initiatief aan de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ Door de landschappelijke inpassing van het projectgebied worden de kenmerken van het oorspronkelijke landschap van de verschillende landschapstypen versterkt. Dit gebeurt door nieuwe gebiedseigen beplanting te realiseren en bestaande structuren en beplanting te behouden en te versterken. Daarmee is de ontwikkeling in overeenstemming met het gestelde in de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’. 3. De ‘Laag van de beleving’ In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar.

Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

21

Lettele, Oerdijk 140 Definitief van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid. De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. De verblijfsrecreatiecomplexen, de attracties, de routes voor wandelen, fietsen en varen zijn een belangrijke economische factor geworden met een vergelijkbaar aandeel in de economie als de agrarische sector. Dit alles verandert het aanzien, de gewenste gebruiksmogelijkheden en betekenis van het buitengebied. Aan het 'belevingslandschap' ontleent Overijssel zijn tijdsdiepte, maar ook zijn aantrekkingskracht. Steeds vaker worden de kwaliteiten uit het verleden ingezet in plannen door daar met nieuwe kwaliteiten, gebruiks- en verschijningsvormen op voort te bouwen. Belangrijk in deze laag is het oude en nieuwe 'erfgoed' van de provincie. Het projectgebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de 'Laag van de beleving' aangeduid met de aanduiding 'Donkerte'.

Afbeelding 3.4 Projectgebied in de ‘Laag van de beleving’ (Bron: Omgevingsvisie Overijssel)

Donkerte Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

22

Lettele, Oerdijk 140 Definitief waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden. Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van de beleving' Ten eerste wordt gesteld dat lichtuitstraling inherent is aan een woonfunctie. In hoeverre hier daadwerkelijk sprake is van een kwaliteit valt, gezien het feit dat verlichting in woon- en werkgebieden noodzakelijk is vanuit het oogpunt van sociale en verkeersveiligheid, te betwijfelen. In dit geval zal, ten opzichte van de huidige situatie de lichtuitstraling vrijwel niet toenemen. Er is immers reeds sprake van een erf waar gewoond wordt. Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de ‘Laag van de beleving’. 3.2.5

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

3.3

Beleid waterschap

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In deze paragraaf wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding. 3.3.1

Beleid Waterschap Drents Overijsselse Delta

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Op 14 december 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Drents Overijsselse Delta vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 20222027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma's: •

• • •

Voldoende water: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid : goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte; Schoon water: In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol, alsmede de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). Waterveiligheid: Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. Duurzame toekomst: Het waterschap hecht veel aan energietransitie: energieneutraal zijn tegen 2025, circulaire economie en bescherming van de biodiversiteit zijn voorbeelden van beleidstukken voor de komende jaren.

Deze vier thema's zijn uitgewerkt in verschillende deelgebieden, waarmee de doelstellingen vertaald zijn in concrete opgaven en maatregelen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Lettele, Oerdijk 140 Definitief 3.3.2

Toetsing beleid Waterschap

Voor de toetsing aan het initiatief aan het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta wordt verwezen naar paragraaf 4.14. Hier wordt verder ingegaan op de toetsing aan het beleid van het waterschap.

3.4

Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van beleidsplannen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 3.4.1

Omgevingsvisie gemeente Deventer

3.4.1.1 Algemeen In het ‘Structuurplan Deventer 2025’ (april 2004) zijn de toekomstige ruimtelijke opgaven voor Deventer en de gewenste ontwikkelingsrichting in beeld gebracht. Het ‘Structuurplan Deventer 2025‘ is echter door allerlei ontwikkelingen binnen en buiten Deventer inmiddels deels verouderd. Daarom is in samenspraak met een groot aantal betrokkenen een Omgevingsvisie gemaakt. In de Omgevingsvisie legt de gemeente Deventer haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast. Dit is de eerste stap in het proces richting de invoering van de Omgevingswet. In de Omgevingsvisie is aangegeven dat de klimaatverandering zorgt voor meer extremen in neerslag, hitte, droogte en water door de grote rivieren, waaronder de IJssel. Daarnaast speelt de eindigheid van natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen. Dat vraagt om maatregelen. Zoals grote inzet op energiebesparing, het klimaatbestendig maken van de leefomgeving, het overschakelen van fossiele op duurzame energiebronnen en het zuiniger en duurzamer omgaan met energie, water, grondstoffen en voedsel. De gemeente zoekt duurzame, klimaatbestendige en circulaire oplossingen op alle plekken die zich daarvoor lenen: in woningen, bedrijven, in de stad en op het platteland. Belangrijke uitdagingen zijn: • • • • •

Instellen op de consequenties van klimaatverandering; Planmatig werken aan de klimaatadaptatie en energietransitie; Bij het toewijzen van functies rekening houden met de druk op ruimte; Meedoen met de ontwikkeling van nieuwe werkwijzen in energieopwekking; Waarborgen en vergroten van de cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische kwaliteit.

Om in te kunnen spelen op de dynamiek van de economie en de (internationale) markt moet er ruimte voor ondernemerschap zijn. Ruimte om waardevast te investeren, te groeien en samen te werken. De opgave is de veerkracht en inventiviteit van de ondernemers optimaal te blijven faciliteren en in te spelen op ontwikkelingen in de markt. Minder regels mogen overigens niet leiden tot onduidelijkheid voor alle betrokken partijen, willekeur of een onzeker vestigingsklimaat. De opgaven zijn in ambities omgezet en van mogelijke ontwikkelrichtingen per deelgebied voorzien. Het projectgebied ligt in het buitengebied (zie onderstaande uitsnede, de rode cirkel) en is dus niet (expliciet) voor woningbouw aangewezen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Lettele, Oerdijk 140 Definitief

Afbeelding 3.2

Uitsnede kaart omgevingsvisie Deventer (Bron: Gemeente Deventer)

Het projectgebied is gelegen in de gebiedscategorie ‘Oude Hoevenlandschap – dekzandrug’. De omgevingsvisie sluit woningbouw niet op voorhand uit. Binnen dit type landschap is de functie wonen toegestaan. Er wordt gestuurd op hergebruik en transformatie van bestaand vastgoed. 3.4.1.2 Toetsing van het initiatief aan de omgevingsvisie Voorliggende ontwikkeling sluit goed aan bij de doelstellingen uit de Omgevingsvisie. Door de bestaande bebouwing te behouden en op te knappen draagt het initiatief bij aan een duurzame en toekomstbestendige transformatie van het erf. Verder draagt de ontwikkeling bij aan ‘noaberschap’, door het toevoegen van de woningen, kan het gezin op één erf wonen. In de toekomst kan daarom ook meer zorg voor elkaar worden gedragen. Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie gemeente Deventer.

3.4.2

Woonvisie Deventer (2024)

3.4.2.1 Algemeen De Woonvisie geeft aan waar het woonbeleid zich de komende 5 tot 10 jaar op richt. Het geeft de ambities aan en de belangrijkste opgaven. Deze zijn gemeentebreed, zowel voor de stad Deventer als de omliggende dorpen en kernen. De Woonvisie geeft niet altijd definitieve antwoorden op de opgaven, maar geeft wel richting aan de manier waarop we de opgaven oppakken. De visie is een uitnodiging aan de partners om actief bij te dragen aan het realiseren van de woonopgaven. In de woonvisie staan meerdere ambities centraal op basis waarvan verder wordt gewerkt: 1. Vitale stad aan de IJssel; 2. Ongedeeld en inclusief; 3. Duurzaam en toekomstbestendig. Hier zijn de volgende woonopgaven aan verbonden:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Lettele, Oerdijk 140 Definitief 1. Voldoende, betaalbaar en divers; 2. Goed wonen in wijken en dorpen; 3. Duurzaam wonen. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn met name de aspecten ‘Wonen geschikt voor ouderen’, ‘Inbreiding’ en ‘Goed wonen in dorpen’ die worden genoemd in de Woonvisie van belang. 3.4.2.2 Aantrekkelijke woonmilieus De gemeente ziet kansen in de transformatie van historische panden, zoals monumenten, cultureel erfgoed en karakteristiek agrarische bebouwing. Om zo de waardevolle panden in stand te houden. 3.4.2.3 Goed wonen in dorpen ‘Noaberschap’ en betrokkenheid bij de leefbaarheid zijn kwaliteiten die bij uitstek in de dorpen aanwezig zijn. Voor de ouderen is van belang dat voorzieningen die, niet aanwezig zijn in de dorpen, wel bereikbaar blijven en dat zorg hen ook thuis kan bedienen. We accepteren dat in dorpen niet alle woonvormen en voorzieningen als in de stad beschikbaar zijn. Wel is het zaak met de ontwikkelruimte die er is, goed aan te sluiten bij de kwalitatieve woonvraag van met name jongeren en ouderen vanuit de kern. We staan open voor kleinschalige burgerinitiatieven en innovatieve ideeën die met name gericht zijn op betaalbaar wonen voor starters, het langer zelfstandig blijven wonen en de leefbaarheid in de kernen en op het platteland.

De afgelopen jaren zijn routekaarten opgesteld en vastgesteld voor de dorpen Diepenveen, Schalkhaar, Lettele, Loo, Okkenbroek en Bathmen. Deze gaan dieper in op doelgroepen, tempo en plekken. 3.4.2.4 Toetsing initiatief aan de Woonvisie Deventer (2024) Het initiatief om één woning toe te voegen in voormalig agrarische bebouwing in het buitengebied van Lettele, sluit aan bij de "Woonvisie Deventer 2024". De visie ondersteunt transformatie en hergebruik van agrarische panden mits dit de landschappelijke en historische waarde respecteert. In voorliggend geval worden de woningen zo vormgegeven dat het agrarische karakter van het erf behouden blijft. Daarnaast is kleinschalige woningbouw mogelijk, mits het past bij dorpse kwaliteiten en de behoeften van de gemeenschap. In voorliggend geval bestaat er een directe behoefte aan de woningen, aangezien het gezin op één erf wil wonen. Verder is landschappelijke inpassing en duurzaamheid van belang. Door voorgenomen ontwikkeling komen tevens twee bestaande woningen in het dorp beschikbaar. Dit is positief voor woningzoekenden en komt de leefbaarheid ten goede. Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de Woonvisie Deventer (2024). 3.4.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16381823/1