2025-87 Concept bijlagen bij besluit Randerstraat 1
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. 4.6.2
Spuitzonering
Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen kunnen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen woningen en bijbehorende tuinen. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de fruitteelt. Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woon- en leefklimaat bij de woningen gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2013:BY8000). De afstand van 50 meter is een indicatieve afstand. Onder omstandigheden en in een specifiek geval kan ervan worden afgeweken en dus een kortere afstand worden aangehouden. Ook dit is in de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State geaccepteerd. De afstand die wordt aangehouden in een specifiek geval moet worden onderbouwd met een zorgvuldig locatiespecifiek onderzoek. Hierbij kan geen gebruik worden gemaakt van de modellen van het EFSA, aangezien deze onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn.
4.6.3
Motivering
In dit hoofdstuk van de onderbouwing zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en bodemkwaliteit). Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat telkens wordt voldaan aan het wettelijk kader. Spuitzonering Ten aanzien van spuitzonering geldt dat het projectgebied grenst aan een agrarische bestemming waar bespuiting van gewassen planologisch is toegestaan. In dit geval gaat het om gronden aan alle zijden van het projectgebied. Afbeelding 4.1 geeft het bouwblok weer met daaromheen een straal van 50 meter.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
— Begrenzing gewasbeschermingszone sercee östnr 5094 SbontinglJsselanoschap oppetvat 1.930 m2
I
\
Oppemax 1.930 m
\
/
sese
woning
grens Deventer-OFWhe)
BouwDlOk In bestemmingsplan .
beslemming wonen
Afbeelding 4.1
Begrenzing spuitzone (Bron: GroenAdviesbureau
I
Bij de voorgenomen ontwikkeling aan de Randerstraat 1 in het buitengebied van Diepenveen wordt de spuitzonering zorgvuldig en in overeenstemming met het advies van de GGD geregeld. De GGD adviseert namelijk om de blootstelling aan bestrijdingsmiddelen zo veel mogelijk te beperken, vooral in situaties waar kwetsbare bestemmingen, zoals woningen, zich in de nabijheid van landbouwgrond bevinden. Omdat de GGD niet precies kan aangeven tot welke afstand van teelten blootstelling aan bestrijdingsmiddelen plaatsvindt en hoe groot het gezondheidsrisico is, wordt uit voorzorg aangeraden om een minimale afstand van 50 meter aan te houden tussen agrarisch land en gevoelige bestemmingen, zoals woningen. Dit advies is bevestigd in recente rechterlijke uitspraken, die benadrukken dat bij woonfuncties naast agrarische functies een spuitvrije zone van 50 meter in acht dient te worden genomen. In de voorgenomen ontwikkeling is in overleg met de eigenaren van de omliggende percelen schriftelijk vastgelegd dat er rondom het projectgebied een 50 meter brede spuitvrije zone wordt aangehouden. In deze zone zal geen gebruik worden gemaakt van chemische bestrijdingsmiddelen. In plaats daarvan wordt deze zone ingericht als een biologische zone, waarin uitsluitend biologische landbouwmethoden worden toegepast.
Dit sluit niet alleen aan bij de ambities van de gemeente Deventer om het buitengebied op een duurzame manier te ontwikkelen, maar zorgt ook voor een veiliger leefklimaat voor de toekomstige bewoners.
De biologische zone fungeert niet alleen als buffer tussen de agrarische activiteiten en de nieuwe woningen, maar draagt ook bij aan het behoud van de ecologische waarde van het landschap. Door het vervangen van chemische bestrijdingsmiddelen door biologische alternatieven, wordt de biodiversiteit in het gebied versterkt en wordt de bodemkwaliteit verbeterd. Bovendien vermindert het gebruik van biologische teeltmethoden de risico's voor de gezondheid van de bewoners en het milieu.
Daarnaast wordt er in het advies van de GGD gewezen op het belang van het beperken van de blootstelling aan bestrijdingsmiddelen door middel van praktische maatregelen. De initiatiefnemer en de toekomstige bewoners van de ontwikkeling worden dan ook geïnformeerd over de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
mogelijkheden om de blootstelling verder te minimaliseren, bijvoorbeeld door het volgen van de aanbevelingen van de GGD over het verminderen van risico's. Hoewel in het 'Onderzoek blootstelling omwonenden' is geëxperimenteerd met verschillende vormen van perceelafscheiding, zoals hagen of schuttingen, blijkt dat de effectiviteit van deze afscheidingen in het beperken van de verspreiding van drift van bestrijdingsmiddelen niet is vastgesteld. Desondanks draagt de 50 meter brede biologische zone zelf al effectief bij aan het beschermen van de nieuwe woningen tegen mogelijke blootstelling aan schadelijke stoffen.
Op deze manier wordt de spuitzonering rondom de ontwikkeling aan de Randerstraat 1 op een zorgvuldige en verantwoorde manier geregeld, in lijn met de aanbevelingen van de GGD en de doelstellingen van de gemeente Deventer voor een duurzame en gezonde leefomgeving. Het voornemen levert geen verslechtering op van de leefomgeving of omgevingskwaliteit. Het voornemen leidt er ook niet toe dat de gebruiksmogelijkheden ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen verder wordt ingeperkt. Daarom kan geconcludeerd worden dat het voornemen voldoet aan het maatschappelijk doel uit artikel 1.3 Omgevingswet.
Geitenhouderijen Zoals bekend, laat het VGO-onderzoek een verband zien tussen het risico op longontsteking bij omwonenden en de afstand tot een geitenhouderij. GGD'en adviseren daarom uit voorzorg 2 kilometer afstand tot een geitenhouderij te houden. Zonder invloed van veehouderij is het risico op longontsteking ongeveer 1,4% per persoon per jaar (1400 gevallen per 100.000 inwoners). Bij een geitenhouderij neemt dit risico toe naarmate men dichter bij het bedrijf woont. Op een afstand van 500 meter is het risico op longontsteking 70% hoger dan de baseline (1,4 %). De afstand van de locatie aan de Randerstraat 1 tot de betreffende geitenhouderij is circa 750 meter.
Longontsteking is extra risicovol voor kinderen (tot 4 jaar), senioren van >70 jaar en mensen met een zwakke gezondheid.
In voorliggend geval ligt het projectgebied op voldoende afstand van een geitenhouderij.
4.6.4
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
4.7
Duurzaamheid
4.7.1 Algemeen Een duurzame ruimtelijke ontwikkeling voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder dat daarmee de behoeften van toekomstige generaties in gevaar worden gebracht. Dit betekent dat de ontwikkeling plaatsvindt binnen de grenzen van het ecosysteem en dat er aandacht is voor de verdeling van welvaart en de veerkracht van het sociaal-maatschappelijke systeem.
Concreet gaat het onder andere om het op efficiënte en verantwoorde wijze gebruiken van ruimte, water, energie en grondstoffen binnen een planontwikkeling, op basis van een lange termijn visie waarbij rekenschap is gegeven aan de behoeften van toekomstige gebruikers en de effecten van de planontwikkeling op de fysieke leefomgeving. 4.7.2
Motivering
Voor wat betreft het aspect duurzaamheid wordt opgemerkt dat de aan de meest recente eisen en normen ten aanzien van duurzaamheid zal worden voldaan.
4.7.3
Conclusie
Vanuit het aspect duurzaamheid en klimaat is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief Natuur
4.8
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
4.8.1
Gebiedsbescherming
4.8.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • « •
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
4.8.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 4.8.1.3 Motivering
Natura 2000-gebieden Het projectgebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied 'Rijntakken' bevindt zich op circa 90 meter afstand van het projectgebied. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv, geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde.
Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Het resultaat van deze berekening staat in bijlage 4 van deze onderbouwing. Hieronder is de conclusie opgenomen. AERIUS-berekening PM
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het projectgebied ligt op circa 100 meter afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 4.8.2
Soortenbescherming
4.8.2.1 Algemeen Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
4.8.2.2 Motivering In het kader van soortenbescherming is door Bureau Bleijerveld een quickscan ecologie uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden hierna besproken. Voor de volledige quickscan wordt verwezen naar bijlage 5 van deze onderbouwing. Onderzoeksresultaten
Kleine zoogdieren
Door de werkzaamheden kan verstoring en sterfte van algemene, kleine zoogdieren en amfibieën optreden. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt afhankelijk van de provincie een vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen. In provincie Overijssel geldt deze vrijstelling voor alle verwachte soorten. Aanvullende maatregelen zijn voor deze soorten niet noodzakelijk. Broedvogels zonder vaste nestplaatsen
In de gebouwen zijn broedsels in de toekomst niet uit te sluiten. Bij sloop tijdens het broedseizoen kan sterfte van vogels en verstoring van broedsels optreden. Daarom dienen deze ingrepen buiten het broedseizoen plaats te vinden. De piek van het broedseizoen beslaat de periode va 15 maart tot 15 juli, maar eerdere en vooral latere broedgevallen zijn mogelijk. In de periode van 1 september tot 1 maart is de kans op broedgevallen gering. Broedvogels met vaste nestplaatsen
In gebouw 1 zijn twee vaste nestplaatsen van huismus aanwezig. Door de sloop gaan de nestplaatsen verloren. In de aanbevelingen is een plan opgenomen om het duurzame voorkomen van de huismus in het plangebied te borgen Aanbevelingen
Door de sloop van de schuur (gebouw 1) gaan de twee nestplaatsen van de huismus verloren. Om de nestplaatsen in stand te houden wordt voorgesteld om op de boerderijwoning - die intact blijft tijdelijke nestkasten op te hangen die geschikt zijn voor de huismus. Hiervoor zijn zowel de oostals westgevel geschikt omdat deze hoger dan drie meter zijn en een overstek bezitten die de zon afschermen. Op basis van mitigatie in tweevoud zijn vier voorzieningen benodigd. De permanente voorzieningen dienen te worden geïntegreerd in de nieuwbouw middels permanente BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief inbouwvoorzieningen. Afhankelijk van de constructiewijze is hier mogelijk maatwerk voor nodig, bijvoorbeeld in geval van houten gevels. Er kan ook voor worden gekozen om in plaats van tijdelijke voorzieningen direct permanente voorzieningen in de boerderijwoning te plaatsen. In dat geval hoeven geen voorzieningen in de nieuwbouw te worden geïntegreerd.
Initiatiefnemer heeft vier nestkasten geplaatst zoals weergegeven in onderstaande afbeelding.
A,
*
1 Afbeelding 4,2
Geplaatste nestkasten boerderijwoning (Bron: Initiatiefnemer)
De gemeente Deventer heeft akkoord gegeven op de geplaatste nestkasten als tijdelijke mitigatiekast. Daarnaast worden op de nieuw te realiseren buitenstarter ook twee permanente verblijfsplaatsen toegevoegd. Er wordt daarom geconcludeerd dat er binnen het projectgebied voldoende aandacht is besteedt aan de bescherming van de aanwezige flora en fauna.
4.8.3 Conclusie Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.
4.9
Archeologie, erfgoed en cultuurhistorie
4.9.1
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland.
Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.9.2
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.
4.9.2.1 Motivering
Ter plaatse van de te slopen bebouwing en de te realiseren woningen en bijgebouwen geldt het "Bestemmingsplan Buitengebied Olst-Wijhe". De archeologische beleidskaart is doorvertaald naar dubbelbestemmingen binnen het bestemmingsplan. De gronden zijn aangeduid met de "Waarde Archeologie 1". De gronden aangewezen met deze waarde zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologische verwachtingszone met een hoge archeologische verwachting. Hierbij geldt geen onderzoeksplicht bij bouwplannen of activiteiten die: 1.
2. 3.
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing mogelijk maken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder maaiveld, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, of; een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m2, of: een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
In voorliggend geval wordt voldaan aan de tweede voorwaarde. De oppervlakte van de bouwwerken blijven ruim onder de onderzoeksgrens van 2.500 m2. Een archeologisch onderzoek kan in het kader van de onderbouwing kan achterwege blijven. 4.9.3
Erfgoed en cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • « • •
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
4.9.3.1 Motivering Er bevinden zich in het projectgebied of in de directe omgeving hiervan geen rijksmonumenten of andere cultuurhistorische waarden.
4.9.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische worden.
4.10
M.e.r.- Beoordeling
4.10.1 Algemeen Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • « • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.1Ö van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit).
In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. 2.
de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. 1°. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. 2°. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.
Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob.
Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1.
2. 3.
het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; b. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.
4.10.2 Motivering
Onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van een gesloten lijstenstelsel voor de beoordeling van project-m.e.r. (milieueffectrapportage). Dit houdt in dat de projecten en besluiten die onder de project-m.e.r.-verplichting vallen, zijn opgenomen in de lijst bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hierin is onder andere het stedelijke ontwikkelingsproject opgenomen. De jurisprudentie met betrekking tot de ondergrens van het begrip 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject' blijft onder de Omgevingswet van belang. Zo overweegt de Afdeling bijvoorbeeld dat de ontwikkeling van 12 woningen niet als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd (ABRS 11 maart 2020, nr. 201901464/1/R1).
In dit specifieke geval gaat het om het toestaan van twee extra woningen. Bovendien is, voor zover relevant in dit kader, sprake van een functie die geen aantasting veroorzaakt van het woon- en leefklimaat in de omgeving van omliggende woningen. Op basis van het voorgaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit wordt tevens bevestigd door de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten, evenals de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 4.10.3 Conclusie
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.11
Omgevingsveiligheid
4.11.1 Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.
Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). 4.11.2 Motivering
Aan de hand van de Atlas Leefomgeving 'Veilige omgeving' kaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de 'Veilige omgeving kaart' staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 4.3 is een uitsnede van de Atlas Leefomgeving kaart met daarop middels een rode ster de locatie van de beoogde woningen weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
&
I
O’
MiN
49
o
i
ININ
D
E
N
\
M
-
N i 1N IN
0 o 1_
Beperkt kwetsbaar Kwetsbaar • Zeer kwetsbaar □ Te bevestigen
1
I
N N
E Brandaandachtsgebied •I Eplosieaandachtsgebied
N
(incl. Vuurwerk en Ciiel) Gifwolk aandacht sgebied
□ PR 10-6 * Basisnet Spoor
Afbeelding 4,3
Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)
De nieuwe woningen betreffen kwetsbare gebouwen (woonfunctie) zoals bedoeld in de Omgevingswet. Het projectgebied is verder niet gelegen binnen de 10-6 per jaar contour van een risicobron en de woningen vormt zelf ook geen risicobron voor haar omgeving. De woningen zijn tevens niet gelegen binnen een brand-, explosie of gifwolkaandachtsgebied (minimaal 320 meter). 4.11.3 Conclusie
Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.
4.12
Verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren
4.12.1 Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Beide gemeenten, Olst-Wijhe en Deventer beschikken over beleid met betrekking tot parkeren. De gemeente OlstWijhe sluit aan bij de nota 'Beleidsregels parkeren in Olst-Wijhe. Deventer beschikt over de 'Nota parkeernormen Deventer 2013 Auto en Fiets'. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte wordt in voorliggend geval aangesloten bij de uitgangspunten uit de 'Nota Parkeernormen Deventer 2013 Auto en fiets'. Aangezien deze parkeernormen iets hoger zijn, er wordt daarom een worst-case scenario gegeven.
Deze parkeernormen zijn geënt op landelijke parkeerkencijfers op basis van de CROW-publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317 (oktober 2012)' van het CROW. Voor de verkeersgeneratie wordt aangesloten bij de meest recente CROW-publicatie, genaamd 'Parkeerkencijfers 2024, Basis voor parkeernormering, publicatie 744 (augustus 2024). De kencijfers van het CROW zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Diepenveen, Randerstraat 1
Definitief gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Bij het gebruik van kencijfers moet rekening worden gehouden met onder meer de bereikbaarheidskenmerken van de locatie. Ook de stedelijkheidsgraad is van invloed op het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen en dus op de hoogte van het parkeerkencijfer. Onder stedelijkheidsgraad wordt verstaan het aantal adressen per vierkante kilometer. In de vermelde publicaties van het CROW worden de kencijfers weergegeven onderverdeeld naar functies, de stedelijke zone en de stedelijkheidsgraad.
4.12.2 Uitgangspunten Op basis van voorliggend plan in relatie tot het gemeentelijke parkeerbeleid wordt voor de berekening van zowel de parkeerbehoefte als van de verkeersgeneratie uitgegaan van de volgende uitgangspunten:
• • •
Stedelijkheidsgraad: 'sterk stedelijk' (CBS Statline); Gebiedsindeling: 'buitengebied'; Functie: 'Koop, twee-onder-een-kap' en 'Koop, huis, vrijstaand'.
Hierna wordt ingegaan op de onderdelen parkeren en verkeer.
4.12.3 Verkeer Op basis van de CROW publicatie geldt voor deze woning gemiddeld de volgende verkeersgeneratie:
Functie
Verkeersgeneratie (per woning)
Aantal woningen
Totaal
Koop, huis, tweeonder-een-kap
7,8
2
15,6
Koop, huis, vrijstaand
8,2
1
8,2
Totaal
23,8
In de gewenste situatie is sprake van een toename aan verkeersgeneratie van afgerond 16 verkeersbewegingen per weekdag etmaal. Met de verkeersgeneratie van de bestaande woning komt de verkeersgeneratie voor het gehele erf in de nieuwe situatie op circa 24 verkeersbewegingen. In de bestaande situatie zijn er twee afzonderlijke inritten naar het erf. In de gewenste situatie wordt een van deze inritten weggehaald, zodat er één gezamenlijk erf ontstaat. De inrit is weergegeven in afbeelding 4.4. Alle drie de woningen zullen door deze in- en uitrit te bereiken zijn. De nieuwe situatie is zodanig dat bewoners en bezoekers veilig in- en uitrijden op de Randerstraat. De inschatting is dat dit extra verkeer niet zal leiden tot significante veranderingen in het verkeersbeeld, temeer omdat het gaat om een geringe toename aan verkeersbewegingen. Deze verkeersgeneratie kan eenvoudig worden afgewikkeld door omliggende wegen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
Nieuw erf Randerstraat 1
1
I
1
"i
Besta 2055 woning ’
A
i
--
y
verwijderen inrit
Nieuwe inril • betonklinkers, kleur grijs (BKK) ------ - opsluitbanden 100x10x20 cm
------Te verwijderen nrit
H Afbeelding 4.4
Gewenste situatie in- en uitrit (bron:GroenAdviesbureau)
4.12.4 Parkeren
Voorliggend project gaat uit van het realiseren van twee extra woningen. Op basis van de gemeentelijke parkeernota geldt de volgende gemiddelde parkeerbehoefte (inclusief bezoekersparkeren):
Functie
Parkeernorm (per woning)
Aantal woningen
Totaal
Koop, twee-onderéén-kap
2,2
2
4,4
Koop, huis, vrijstaand
2,1
1
2,1
Totaal
6,5
Er is op het erf voldoende ruimte om te voorzien in de parkeerbehoefte. Op het erf wordt daarom ook voorzien in de benodigde parkeerplekken.
4.12.5 Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
4.13
Klimaatadaptatie en natuur inclusief bouwen
4.13.1 Algemeen 4.13.1.1
Klimaatadaptatie
Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Het KNMI heeft scenario's opgesteld waarin duidelijk wordt gemaakt hoe deze toename er naar verwachting in de toekomst uit ziet. Een vergrote kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen levert risico's op voor veiligheid, gezondheid en economie. Ruimtelijke aanpassing om deze risico's tegen te gaan noemen we klimaatadaptatie. 4.13.1.2
Natuur inclusief bouwen
Bij natuur inclusief bouwen en verbouwen let je extra op alles wat leeft rond je huis. Dat doe je door in je bouwplannen plek voor planten en dieren op te nemen. Als je zorgt dat er ook vogels, vleermuizen en insecten kunnen wonen in en rond je huis help je de natuur. Het Natuur Inclusief Bouwen (NIB) is in de laatste jaren wel verder ontwikkeld. De gemeente Deventer heeft een puntensysteem voor natuur inclusief bouwen. Elk bouwplan heeft minstens 15 punten nodig om natuur inclusief te zijn. 4.13.2 Motivering
Hieronder wordt kort omschreven hoe is omgegaan met klimaatadaptatie en natuur inclusief bouwen. 4.13.2.1
Klimaatadaptatie
De effecten van klimaatverandering worden voornamelijk voorkomen of gemitigeerd door zoveel mogelijk verharding te vervangen door groen. In dit geval is er op het gewenste erf voldoende ruimte voor groen. Daarnaast wordt een boerensloot met knotwilgen aangelegd voor het infiltreren van het HWA van de nieuwe gebouwen. Dit is tevens bevorderlijk voor de waterberging binnen het projectgebied. Daarnaast wordt veel van de oude verharding verwijderd, in totaal wordt er meer verharding verwijderd dan er terugkomt. Feitelijk is er daarmee geen sprake van het toevoegen van verharding.
Het vele groen, samen met de aandacht voor goede opvang, gebruik en afvoer van regenwater, draagt bij aan de klimaatbestendigheid van het gebied. Het aanwezige groen en schaduw verlaagt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress. De aspecten wateroverlast en overstroming worden bovendien behandeld in paragraaf 4.14.
4.13.2.2
Natuur inclusief bouwen
Binnen de ontwikkeling wordt rekening gehouden met natuur inclusief bouwen. Zoals eerder vermeld moet elk bouwplan minstens 15 punten verdienen om natuur inclusief te zijn. Hieronder worden de natuur inclusieve maatregelen kort benoemd met bijbehorende aantal punten:
Nest-en verblijfplaatsen: a. nestkast steenuil in de kapschuur 1 punten B. Inheemse beplantingen: a. Aanplant struweelheg, lengte 97 ml 8 punten b. Aanplant gemengde haag met inheemse soorten, lengte 57 ml 2 punten c. Aanplant beukenhaag, lengte 70 ml 2 punten d. Aanplant van hoogstamfruitbomen, 6 st 3 punten e. Aanleg boerenslootje met knotwilgen, lengte 66 ml 4 punten f. Aanplant knotwilgen bij kikkerpoel in perceel DPV nr. 7589 2 punten Aanplant streekeigen soorten struiken en bomen 8 punten gTotaal 30 punten
A.
De natuur inclusieve maatregelen zijn tevens overzichtelijk weergeven in bijlage 1 van deze onderbouwing.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
4.13.3 Conclusie
Wat betreft de aspecten klimaatadaptatie en natuur inclusief bouwen wordt vermeld dat deze voldoende zijn geborgd in het plan. De aspecten vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.14
Weging van het waterbelang
4.14.1 Algemeen
Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn groot en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De provincie houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor de plannen voor waterbeheer in de regio. Ook is de provincie verantwoordelijk voor vergunningverlening voor drinkwaterwinning. De ambities zijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving. De waterschappen beheren water en waterkeringen (dijken) en zuiveren afvalwater. Ook zorgen zij voor de kleine waardevolle wateren, zoals vennen en bronnetjes. Voor grotere rivieren, meren en kanalen en grondwaters bestaat de Europese Kaderrichtlijn. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg).
Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen het waterschap wil nemen.
Bij nieuwe plannen dient rekening te worden gehouden met de waterhuishoudkundige situatie. Dit houdt in dat de gevolgen van het plan op de waterbelangen beschreven moeten worden. Een belangrijk instrument hierbij is de watertoets. De waterbelangen en waterhuishoudkundige doelstellingen worden hierbij afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen gaan over zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
In paragraaf 3.4 is reeds ingegaan op het beleid van het waterschap. Hierna wordt kort ingegaan op de aanvullende eisen vanuit het gemeentelijk rioleringsprogramma. 4.14.2 Gemeentelijk Rioleringsprogramma (2022-2026)
Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsprogramma (2022-2026) en de regionale samenwerking op het gebied van water in de wateragenda. De wateragenda is een samenwerkingsstructuur waarbij een aantal thema's centraal staan. Deze thema's zijn uitgewerkt in aandachtspunten. Op deze punten gaan de waterpartners de komende jaren lokaal samenwerken. De thema's zijn: • • « •
Veilig en klimaatbestendig Milieu en gezondheid Beleving, bewustwording en participatie Doordat de wateragenda duidelijke thema's bevat, kunnen de waterpartners efficiënt en effectief samenwerken aan de watertaken.
De gemeente is verantwoordelijk voor een goed stedelijk watersysteem. Volgens de wet begint de zorgplicht bij de perceeleigenaar. De perceeleigenaar moet het hemel- en grondwater op het eigen perceel verwerken. De gemeente komt in beeld als dit niet kan. In het Gemeentelijk Rioleringsplan is beschreven hoe de gemeente haar watertaken invult en uitvoert. De gemeentelijke watertaken komen voort uit 3 zorgplichten: • • •
inzameling en transport van stedelijk afvalwater; verwerking van afvloeiend hemelwater; de aanpak en het voorkomen van grondwaterproblemen in bebouwd gebied coördineren. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief Hemelwater en afvalwater worden op de erfgrens gescheiden aangeleverd. Bovendien moet hemelwater maximaal worden geïnfiltreerd op het eigen terrein. Daarom hanteert de gemeente als uitgangspunt dat de eigenaar bij nieuwbouw zorgt voor een infiltratievoorziening (bijvoorbeeld kratten of een laagte in de tuin) met een inhoud van minimaal 20 mm/m2 over het verhard oppervlak op eigen terrein. 4.14.2 Motivering
Voor dit project is gebruik gemaakt van de digitale watertoets. Hierdoor wordt ook het betrokken waterschap geïnformeerd. In dit geval is dat het waterschap Drents Overijsselse Delta. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de 'normale procedure'. Het waterschap heeft een uitgangspuntennotitie opgesteld. De uitgangspunten notitie is opgenomen als bijlage 6. De belangrijkste punten worden hieronder toegelicht.
Waterveiligheid Waterkeringen
Het plan ligt naast een primaire kering maar valt binnen de beschermingszone B rondom deze kering. Het is noodzakelijk dat de functie en stabiliteit van deze waterkering is gegarandeerd. De Waterschapsverordening stelt eisen voor activiteiten binnen de beschermingszone van een waterkering. Gezien de geringe werkzaamheden wordt gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering vormt voor de waterkering.
Overstrominqsrisico Het projectgebied ligt in een dijkringgebied. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een geringe toename van het aantal personen binnen het gebied. Ten tijde van een overstroming kan men zich relatief gemakkelijk in veiligheid brengen door naar een verdieping hoger te gaan. Daarnaast kan van de waterbron af worden gevlucht.
Bij de ontwikkeling van het plan dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en). Het betreft ook een stuk bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Het voornemen voorziet enkel in de sloop van de agrarische bedrijfsgebouwen en de realisatie van een twee-onder-één-kapwoning, een steltenberg en een kapschuur. De bestaande woning en de nieuw te bouwen woningen beschikken over een verdieping zodat de bewoners zich inpandig kunnen evacueren. Tevens is de bereikbaarheid van het projectgebied goed waardoor er snel gevlucht kan worden bij calamiteiten.
Daarnaast wordt met de veiligheidsregio afgesproken om bij de risicocommunicatie voor dit gebied burgers te informeren over wat te doen bij een mogelijke overstroming. Vooralsnog wordt voor dit gebied bij een dreigende overstroming ingezet op vroegtijdige evacuatie. Dit wordt bij de risicocommunicatie meegenomen en wordt meegenomen bij het regionaal coördinatieplan. In de toekomst wordt verkend in hoeverre en op welke manier hoge gebouwen in het gebied schuilmogelijkheden kunnen bieden. Geconcludeerd wordt dat de ligging van het plangebied in een overstroombaar gebied geen belemmeringen met zich meebrengt ten aanzien van de ontwikkeling. Overbelasting watersysteem
Voor het infiltreren van HWA van de nieuwe gebouwen wordt een infiltratiesloot met knotwilgen aangelegd met de volgende specificaties:
Knotwilgen:
10 st knotwilgen Salix alba, Schietwilg, maat 18-20 cm omtrek, stokken Plantafstand 7 meter Infiltratiesloot lengte 66 meter, breedte op maaiveld niveau 300 cm, diepte 50 cm, taluds 1: 3, infiltratie van hemelwater van gebouwen (kapschuur, steltenberg en buitenstarter) oppervlakte van de gebouwen: 400 m2 x regenbui factor 0,08 = 32 m3 Bergingscapaciteit: 55 m3 slootje met natuurlijke begroeiing en aanplant van 10 st. knotwilgen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
Waterkwaliteit De functie wonen heeft geen nadelige invloed op de waterkwaliteit, het hemelwater of oppervlaktewater wordt niet vervuild. 4.14.3 Conclusie
Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.
4.15
Welstand
4.15.1 Algemeen Bij het beoordelen van bouwplannen wordt aan de Welstandsnota getoetst. De 'welstandsnota gemeente Deventer, welstands- en reclamebeleid’ dateert van 1 oktober 2014. Met deze nota wordt het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Deventer beoogd. In de nota heeft de gemeente het kader voor de welstandstoetsing vastgesteld, door middel van criteria waar nieuwe bouwplannen op grond van het aspect 'welstand' (het uiterlijk van het gebouw) aan moeten voldoen. Deventer is opgedeeld in verscheidende gebieden, de ontwikkellocatie is gelegen in het oude cultuurlandschap, in het oude hoevenlandschap.
Erfinrichting: oude hoevenlandschap J Het kenmerkende kleinschalige karakter van het oude hoeven
Gebiedseigen ensembles/erven worden gekenmerkt door hun
landschap is onder druk komen te staan, doordat ontwikkelingen in
grillige kavelvorm en de ogenschijnlijk willekeurige strooing van
het buitengebied steeds grootschaliger zijn geworden. Toegevoegde
gebouwen. Het geheel (het ensemble) vormt echter een duidelijke
bebouwing (met name stallen) ts met alleen breder en langer geworden, maar ook hoger. Dit maakt de nieuwe bebouwingen
eenheid die zich aanpast aan landschappelijke omstandigheden
Onvoldoende
beeldbepalender indien deze geen begeleiding krijgen door
gebouwen kan dan ook variëren. Het erf dient echter wet een
erfbeplantin^ rondom
compacte indeling te hebben. Op het erf dient een duidelijke
bedrijfikavet en
aanwezige landschappelijke elementen (zoals houtwallen, bomenrijen en dergelijke)- In het oude hoevenlandschap zijn
onduidelijk voorerf.
veel (lineaire) landschapselementen aanwezig waardoor de
gelegen, met daarbij behorende woonfuncties en recreatieve
meeste bebouwing wordt genuanceerd. Het aantal (lineaire) landschapselementen is echter wel afgenomen, doordat deze
en dergelijke) zijn niet toegestaan in de woonzone en dienen op de
geheel verdwenen zijn of In verval zijn geraakt. Door de
bedrijfskavel gepositioneerd te worden.
Aandachtspunt
(zoals reliëf en landschapselementen). De bouwrichting van de
woonzone aanwezig te zijn, zo mogelijk direct langs wegen
functies. Bedrijfsmatige toevoegingen (zoals een stal, silo, kuilhoop
aanwezigheid van landgoederen en historische erven blijft het robuuste karakter van het landschappelijke raamwerk intact.
Het is belangrijk dat nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een toenemende aftakeling van het landschappelijke raamwerk. Het kleinschalige karakter van het gebied is waardevol en dient te worden behouden, danwel versterkt.
Aandachtspunt Onvoldoende
In
erfbeplantins rondom
bedrijfskavel en een rechthoekige
kavelvorm.
I I.
«
)
iR
=l
wapDet
> Goede
Erven In het oude hoevenlandschap dienen aansluiting te vinden
landschappelijke Inpassing
bij landschapselementen (bosschages, bomenrijen et cetera). De ontwikkelingsrichting kan daarom variëren.
Voldoende erfbeplantln^. yllllge
kavelvorm en compact
N
OL-
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
In het geheel dient het landschappelijke raamwerk een robuustere uitstraling te krijgen. Hiermee onderscheidt het oude cultuurlandschap zich van het jonge ontginningenlandschap. De wijze waarop het landschappelijke raamwerk wordt versterkt, varieert. Het oude hoevenlandschap dient versterkt te worden door een afwisseling van transparante en dichte randbeplantingen over perceels- en erfscheidingen. De woonzone dient een groene uitstraling te hebben. Gecultiveerde beplantmgsvormen, zoals hagen en heggen zijn hierbij toegestaan. Op de bedrijfskavel dienen de beplantingen een informele/natuurlijke uitstraling te hebben. De erfscheidingen dienen dan ook te worden aangeplant met gebiedseigen landschapselementen.
Onderstaand zijn de aanbevelingen ten aanzien van erfbeplanting weergegeven. Een totaal overzicht van richtlijnen staat onder
Erfinrichtingsrichtlijnen. Behouden/versterken van het kleinschalige karakter: Het erf dient aan te sluiten op aanwezige landschapselementen; Rijk beplant erf, met afwisseling in transparante en dichte randbeplantingen; Informele/natuurlijke uitstraling van erfbeplanting op de bedrijfskavel: Gebruik van gebiedseigen landschapselementen en beplantingssoorten.
9 4 1917
“,E( IH
a
LKf
A
1956
H
202 Y H
1>
1991
Afbeelding 4.5
fshad
Criteria Oude hoevenlandschap (Bron: Gemeente Deventer)
Er is tevens rekening gehouden met de 'Nota Ruimtelijke Kwaliteit' van de gemeente Olst-Wijhe. Het projectgebied ligt in het landelijk gebied en zal ook aan de eisen bij dit deelgebied worden getoetst. 4.15.2 Motivering
In de voorliggende ruimtelijke onderbouwing is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals beschreven in de 'Welstandsnota gemeente Deventer, welstands- en reclamebeleid' en de 'Nota Ruimtelijke Kwaliteit'. In bijlage 1 is dit nader uitgewerkt. Het ontwerp zal bij de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen worden getoetst.
4.15.3 Conclusie Het aspect welstand vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.16
Sociale veiligheid
4.16.1 Algemeen Naast een aantrekkelijke en aanpasbare woonomgeving zal de woonomgeving vooral ook (sociaal) veilig in het gebruik moeten zijn. Het gaat er om dat mensen zich veilig voelen en dat zoveel mogelijk daadwerkelijk zijn. Factoren die kunnen bijdragen aan (het gevoel van) meer veiligheid zijn: informeel toezicht op de openbare ruimte, persoonlijke controle over de ('eigen') omgeving en het imago van het (totale) gebied. Toegespitst op het projectgebied betekent dit, dat door inrichting en beheer van de openbare ruimte een goede sociale controle mogelijk dient te zijn. Een aantal aspecten waarbij de sociale veiligheid bijzondere aandacht vraagt, is:
«
stedenbouwkundige inrichting: daarbij gaat het onder meer om de relatie openbaar-privé, menging tuin en straatgericht wonen, overzichtelijkheid van stratenpatronen, parkeervoorzieningen en openbare verlichting; vrijliggende groenvoorzieningen: vooral de waarborging van overzichtelijkheid; langzaam-verkeerroutes: primaire routes moeten bij voorkeur 'begeleid' worden door woonbebouwing.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
56
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief 4.16.2 Motivering Bij de beoogde ontwikkeling is geen herinrichting van de openbare buitenruimte nodig. Wel is in het plan veel ruimte gereserveerd om het bestaande groene karakter van de locatie te behouden. Dit groene karakter bevordert de zichtlijnen en overzichtelijkheid van het erf. Aangezien het erf zich in het buitengebied van de kern Diepenveen bevindt zijn voorzieningen op enige afstand. Overzichtelijkheid van het erf kan daarom bijdragen aan het veiligheidsgevoel. Daarnaast wordt op het erf voldoende verlichting gerealiseerd om het gevoel van onveiligheid tegen te gaan. De verlichting wordt gerealiseerd zonder teveel lichthinder te veroorzaken om de kwaliteit van het gebied 'Donkerte', zoals genoemd in het provinciale beleid te behouden. Verder is het project gesitueerd in een omgeving met een duidelijke verkeersstructuur. 4.16.3 Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er in voldoende mate rekening is gehouden met het aspect sociale veiligheid.
4.17
Bezonning
4.17.1 Algemeen
Bij bezonning bij ruimtelijke plannen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplekken.
4.17.2 Motivering
In dit geval gaat het om een zeer kleinschalige ontwikkeling, waarbij grote eentonige bebouwing met een grote schaduwwerking wordt gesloopt. De schaduwwerking van de nieuw te realiseren bebouwing zal in vergelijking met de bestaande schaduw afnemen. Woningen of tuinen van omwonenden worden door de plannen niet in de schaduw gezet. Een bezonningsstudie is dan ook niet nodig. 4.17.3 Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er in voldoende mate rekening is gehouden met het aspect bezonning.
4.18
Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden
4.18.1 Algemeen
De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken integraal onderdeel uit van de taak van overheden om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.18.2 Motivering
Voor de inrichtingstekening van de ontwikkeling wordt verwezen naar afbeelding 2.5. Het ontwerp houdt rekening met de omliggende ruimtelijke en bebouwingsstructuren.
Het erf ligt in een rivierenlandschap. Weidsheid en openheid zijn belangrijke kenmerken. Deze openheid is toegepast in het landschapsplan, zowel voor het erf als het landschap. De hoeveelheid robuuste landschappelijke elementen zijn passend in dit landschap.
Aanplant van:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
57
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
• • • • • • «
hoogstam fruitbomen; gemengde hagen; strakke tuinhaag; erfbomen; erfbosje; struweelheg; boerensloot met knotwilgen.
Op het zuidelijke perceel zijn ongeveer 10 jaar gelegen vele knotwilgen aangeplant langs een boerensloot. Eveneens is een kikkerpoel aangelegd. Deze landschapselementen worden door initiatiefnemer beheerd en is een initiatief van 'Kostbaar Salland'. Het landschapsplan is verder uitgewerkt in bijlage 1. De bestaande bomen blijven behouden. De hoeveelheid groen neemt toe. Op deze manier draagt het project bij aan de ruimtelijke kwaliteit. 4.18.3 Conclusie
Met de in deze onderbouwing besloten ontwikkeling wordt voldoende rekening gehouden met de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit in de omgeving.
4.19
Leidingen en kabels
Er bevinden zich in en om het projectgebied geen andere relevante ondergrondse en bovengrondse leidingen waar rekening mee hoeft te worden gehouden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
58
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
Hoofdstuk 5
Participatie
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.
5.1
Participatie omgeving
Op verscheidende momenten zijn er door de initiatiefnemer participatiemomenten georganiseerd voor de direct omwonenden, landeigenaren en overheden. In bijlage 7 is hiervan een verslag opgenomen. De verschillende betrokkenen zijn positief over de voorgenomen ontwikkeling.
5.2
Bestuurlijk vooroverleg
5.2.1
Het Rijk
Geoordeeld wordt dat het plan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
5.2.2
Provincie Overijssel
Deze paragraaf wordt ingevuld nadat door de gemeente Deventer contact is gezocht met de provincie om het planvoornemen te bespreken. 5.2.3
Waterschap Drents Overijsselse Delta
De watertoets is uitgevoerd. Daarmee is in een vroeg stadium door de gemeente met het waterschap contact gezocht met betrekking tot de waterhuishouding van het projectgebied. De waterhuishoudkundige aspecten zijn in overeenstemming met het waterschap vormgegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
59
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
Hoofdstuk 6
6.1
Financiële haalbaarheid
Algemeen
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
6.2
Kostenverhaal
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit.
Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
6.3
Nadeelcompensatie
In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
60
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
HOOFDSTUK 7
Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan
LOCATIES Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld ten behoeve van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit deze BOPA blijkt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
61
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
HOOFDSTUK 8
Voorstel VOOR het opnemen van het initiatief in het
OMGEVINGSPLAN De activiteit dient overeen te komen met de bestemming 'Wonen' met bijbehorende regels uit het bestemmingsplan "Buitengebied Deventer, 1e herziening". De regels dienen gewijzigd te worden in die zin dat twee extra woningen wordt toegestaan op het erf en de bedrijfswoning gebruikt kan worden als reguliere woning. Daarnaast moet afstand worden gedaan van de agrarische functie, bedrijfsmatige activiteiten en het bijbehorende bouwvlak. Verder dient de spuitvrije zone van 50 meter rondom de woningen opgenomen te worden in het omgevingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
62
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitsplan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
63
yelOw
mes BEELDKWALITEITSPLAN Randerstraat 1, Diepenveen
08-01- 2025
ye ouv nes Op het Erf aan de Randerstraat 1 te Diepenveen worden de huidige landschap ontsierende gebouwen gesloopt. is een landschapsplan ontwikkeld waarin te lezen valt dat er een aantal nieuwe gebouwen terug komen, (door gebruik te maken van de RVR/KGO regeling) Dit beeldkwaliteitsplan geeft de richting aan voor de nieuwe bebouwing. Onder de nieuwe bebouwing vallen de: Steltenberg, Kapschuur & 2 onder 1 kap woning.
Nieuwe bebouwing De nieuwe bebouwing moet het karakter van de boerderij versterken. Dit impliceert dat deze ingetogen en rustig vormgegeven en gematerialiseerd moet worden. Onderstaand per toe te voegen gebouw een omschrijving.
A: Steltenberg Een steltenberg is een gebouw wat kenmerkend is voor een boerenerf. Ze werden in het verleden gebruikt voor opslag van Hooi, het onderbrengen van Vee en voor de opslag van diverse zaken. De huidige functie wordt er vooral 1 van opslag van machines voor het behoud en onderhoud van het gezamenlijke erf. Qua materiaalgebruik moet de stelberg verwijzen naar een originele steltenberg zoals deze "vroeger" gebouwd werden. Een Stelberg bestaat uit een vier roedige hooiberg voorzien van een rieten kap. Aan twee zijden om de hooiberg heen worden uitbouwen geplaatst. Deze uitbouwen hebben een relatief vlak pannendak en zijn gemaakt van met hout beklede gevels. Gevels aan de onderzijde voorzien van een gemetseld trasraam. De openingen in de gevels zijn klein. Onderstaand enkele referentiebeelden.
ashk $
245 554 . 9
13
I
1
1 < |
1
a283ë 556e
%
{
1’
{
-4ë
i
Pi
■■ -
49 A.
erem
32 -aie s~—, ; €a e ** • • - ,Pee -= -r-at-
w
4,4**
V==