2025-87 Concept bijlagen bij besluit Randerstraat 1
Tekst van het document
De 'Natuurlijke laag'
Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp.
Het projectgebied wordt op basis van de gebiedskenmerkenkaart de 'Natuurlijke laag' aangeduid met het gebiedstypen 'dekzandvlakte en ruggen'. Op onderstaande afbeelding is dit weergegeven.
Dekzandvlakte en ruggen Th ma: natuur iedsbegrenz
wijzing 4
Afbeelding 3.3
Uitsnede van de 'Natuurlijke laag' (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief Dekzandvlakte en ruggen
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk - door de wind gevormd - zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag'
De ontwikkeling van het erf sluit functioneel en stedenbouwkundig goed aan bij de ruimtelijke en functionele structuur van de omgeving. Daarnaast worden er forse landschapsmaatregelen uitgevoerd, conform de gebiedskenmerken. Hier wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling op de bewuste locatie goed past bij het huidige karakter van het omliggende gebied en daarom passend is binnen de 'Natuurlijke laag'. 2.
De 'Laag van het agrarische cultuurlandschap'
In de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het projectgebied ligt in het 'Oude hoevenlandschap'. In afbeelding 3.4 is dat weergegeven.
f 1 t-
Oude hoevenlandschap Them natuur Gebit ing: indic
L Afbeelding 3.4
Uitsnede van de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
Oude hoevenlandschap
Het Oude Hoevenlandschap betreft een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat dezelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het landschap is contrastrijk met veel variatie op de korte afstand. Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen.
Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'
Door de landschappelijke inpassing van het projectgebied worden de kenmerken van het oorspronkelijke landschap van de verschillende landschapstypen versterkt. Dit gebeurt door nieuwe gebiedseigen beplanting te realiseren en bestaande structuren en beplanting te behouden en te versterken. Daarmee is de ontwikkeling in overeenstemming met het gestelde in de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'. 3.
De 'Laag van de beleving'
In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid. De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. De verblijfsrecreatiecomplexen, de attracties, de routes voor wandelen, fietsen en varen zijn een belangrijke economische factor geworden met een vergelijkbaar aandeel in de economie als de agrarische sector. Dit alles verandert het aanzien, de gewenste gebruiksmogelijkheden en betekenis van het buitengebied. Aan het ’belevingslandschap' ontleent Overijssel zijn tijdsdiepte, maar ook zijn aantrekkingskracht. Steeds vaker worden de kwaliteiten uit het verleden ingezet in plannen door daar met nieuwe kwaliteiten, gebruiks- en verschijningsvormen op voort te bouwen.
Belangrijk in deze laag is het oude en nieuwe 'erfgoed' van de provincie.
Het projectgebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de 'Laag van de beleving' aangeduid met de aanduiding 'Donkerte', ‘IJssellinie inundatieveld', ‘Stadsen dorpsrandgebieden' en 'Verdedigingslinies'. In afbeelding 3.5 is dit weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief V
09 0000
Ussellinieinundatieveld
.49.49
Them; uituurhistorie Gebiec renzing idicatief
Donkerte Thema: la schap Gebiedsbe renzing: indicatief
•0 249.4,4 .9.0 b 4.$, 094992 4 24420099 90000.
altuurhistorie egrenzing: indica
Stads- en dorpsrandgebieden Them tedelijk gebied
2V902000202 9%♦ d D ► A d4 "A
99929,
/
999090 9099000
9900,004
00000,0 4
333533
8
66 294206299200,60 »0322egeze 46 0684600. "AVAV. 0o62bZeé-59
3239992 Afbeelding 3.5
ZéV60ééz6 ZV§»99>n
I 006Vo-V
23222*
Verdedigingslinies Thema,
>
•99 69 d,d ♦ 49,6 ( v6066 0004 4v .000000 200660626 ) ,4 $éV• 000502000 066666 4,4
d €
8 8
30
7
• 4
9
o0
Uitsnede van de 'Laag van de beleving' (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
Donkerte Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk.
Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden. Cultureel erfgoed De omgevingsvisie richt zich vooral op de ruimtelijke kant van ons cultureel erfgoed; op de sporen uit het verleden die zichtbaar en tastbaar aanwezig zijn in onze leefomgeving en dan specifiek op het zogenaamde 'onroerende erfgoed'. Denk hierbij aan monumenten, karakteristieke gebouwen (bijvoorbeeld agrarisch, industrieel en religieus erfgoed), maar ook aan landgoederen, historische occupatiepatronen en infrastructuur, verdedigingslinies en schansen, begraafplaatsen, plaatsen van herdenking en grens- en markepalen. Er is ook cultureel erfgoed dat niet direct zichtbaar is in de leefomgeving.
In de ondergrond zijn archeologische waarden te vinden die het verhaal vertellen van menselijke activiteiten uit het verleden. De ambitie bestaat om het cultureel erfgoed als drager van de identiteit te behouden. Onder cultureel erfgoed vallen tevens de IJssellinies. Stads- en dorpsrandgebieden
De stads- en dorpsrand is een overgangsgebied. Hier is sprake van 2 elkaar overlappende invloedssferen. De randen zijn bepalend voor de identiteit van zowel de steden- en dorpen als het landschap eromheen. De (potentiële) kwaliteit is die van de 'best of both worlds'; stedelijke
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief voorzieningen, verspreid liggende (gewilde) woon- en werkfuncties, padennetwerk in een landschappelijk raamwerk. Dichtbij stad en dorp en toch buiten. Randen gaan niet alleen over de 'functionele mix', maar vooral ook over herkenbaarheid, duidelijkheid, silhouetten (kerktorens, markante gebouwen, bruggen, ed) het je thuis voelen. Markante zichtlijnen op dorpen versterken de randkwaliteit. In de stads- en dorpsranden sluiten recreatieve en utilitaire routes van buiten de stad/het dorp aan op de binnenstedelijke/dorpsstructuur. In deze gebieden komen veel opgaven en belangen samen zoals dorpsen stadsuitbreidingen, infra structuur, landbouw, landschapsontwikkeling, water en natuur.
Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van de beleving' Ten eerste wordt gesteld dat lichtuitstraling inherent is aan een woonfunctie. In hoeverre hier daadwerkelijk sprake is van een kwaliteit valt, gezien het feit dat verlichting in woon- en werkgebieden noodzakelijk is vanuit het oogpunt van sociale en verkeersveiligheid, te betwijfelen. In dit geval zal, ten opzichte van de huidige situatie de lichtuitstraling vrijwel niet toenemen. Er is immers reeds sprake van een erf waar gewoond wordt. Daarnaast was de bedrijfsbebouwing tevens voorzien van verlichting.
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de aanwezige culturele waarden. Zowel de verdedigingslinie als de IJssell inie worden door de beoogde ontwikkeling niet aangetast.
Daarnaast sluit het beoogde erf goed aan bij aanduiding 'Stads- en dorpsrandgebieden’. Door het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing ontstaan nieuwe zichtlijnen. Daarnaast wordt het erf zo ingericht dat het agrarische karakter behouden blijft. Zo blijft het karakter van het buitengebied behouden. Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de 'Laag van de beleving'.
3.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. 3.3.1
Regionale Energiestrategie
3.3.1.1 Algemeen De energietransitie houdt niet op bij de gemeentegrens. Daarom werken overheden, inwoners, bedrijfsleven, netbeheerders en maatschappelijke organisaties in 30 regio's samen aan een Regionale Energiestrategie (RES). De RES 1.0 van de regio Overijssel-West is in de zomer van 2021 vastgesteld door de gemeenteraden, Provinciale Staten en algemeen besturen van de waterschappen. In juni 2023 is een voortgangsrapportage opgesteld om de uitwerking van de RES 1.0 na te gaan en als voorbereiding op de RES 2.0. 3.3.1.2 Voortgang Regionale Energietransitie
Door gemeenten is hard gewerkt aan het bepalen van de zoekgebieden en het opstellen van de bijbehorende kaders voor grootschalige opwek. Ondertussen is in bijna alle gemeenten dit beleid vastgesteld of op route gebracht voor besluitvorming in de gemeenteraad. Ook de provincie heeft invulling gegeven aan haar rol als bevoegd gezag bij grootschalige windprojecten door beleidskaders op te stellen en in gesprek te treden met gemeenten over beleidskeuzes en de rolverdeling bij de uitvoering. Veel factoren beïnvloeden hoeveel zonne- en windenergie uiteindelijk gerealiseerd kan worden. Denk aan beperkingen in de ruimte, de mate waarin een locatie en de keuze voor zonne-en windenergie maatschappelijk geaccepteerd wordt en de beschikbaarheid van netcapaciteit. In de praktijk zullen niet alle projecten slagen. Daarom is het belangrijk dat de RES een zekere overprogrammering heeft. Het is van belang meer en/of grotere zoekgebieden aan te wijzen dan voor het behalen van de afgesproken doelstelling (1,8 TWh) ruimtelijk gezien strikt nodig is. De verwachte productie van duurzame elektriciteit met grootschalige opwek in West-Overijssel is onvoldoende om in 2030 de afgesproken 1,8 TWh te halen. Circa 45% van het bod is gerealiseerd of in ontwikkeling, 55% moet nog worden ontwikkeld. De productie van zonne-energie ligt op
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
schema waarbij zon-op-dak een forse voortgang boekt. Het aandeel wind blijft echter ver achter en dat heeft nadelige consequenties voor het netwerk, de leefomgeving en de doelstelling: vermindering van de CO2-uitstoot.
Er is nog veel winst te behalen met betrekking tot het hoekpunt systeemefficiëntie. In grote delen van West-Overijssel kunnen maatregelen voor systeemefficiëntie de haalbaarheid en betaalbaarheid van het RES-bod vergroten. Gemeenten en provincie spelen hier een belangrijke rol in. Zij kunnen beleidsmatig voorrang geven aan windprojecten of een combinatie van zon-wind-projecten en bijvoorbeeld zonnevelden met enkelgebruik niet langer toestaan. De afgelopen periode is de richting bepaald voor de verdere uitwerking van het warmtedeel in de RES 2.0. Daarbij is geconcludeerd dat de met name de elektrificatie van de warmtevraag aanscherping nodig heeft. Verder wordt er op regionaal niveau gewerkt aan inrichting van de samenwerking in het kader van het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) en de mogelijke ontwikkeling van een regionaal warmte(netwerk)bedrijf. 3.3.1.3 Situatie projectgebied
Het versnellen van de energietransitie is verankerd in de beleidsstukken op zowel provinciaal als gemeentelijk niveau. Wat betreft gemeentelijk beleid komt het thema energie naar voren in paragraaf 4.7. Voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in het opwekken van windenergie of het grootschalig opwekken van zonne-energie. Geconcludeerd wordt dat het voornemen niet strijdig is met de Regionale Energietransitie voor Overijssel-West.
3.3.2
Conclusie toetsing aan het regionaal beleid
De in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing besloten ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met de regionale beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de voorgenoemde beleidsstukken.
3.4
Toetsing beleid waterschap
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding. 3.4.1
Vigerend beleid
3.4.1.1 Beleid Waterschap Drents Overijsselse Delta Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Op 14 december 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Drents Overijsselse Delta vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma's: •
• •
Voldoende water: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid : goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte; Schoon water: In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol, alsmede de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). Waterveiligheid: Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
•
Duurzame toekomst: Het waterschap hecht veel aan energietransitie: energieneutraal zijn tegen 2025, circulaire economie en bescherming van de biodiversiteit zijn voorbeelden van beleidstukken voor de komende jaren.
Deze vier thema's zijn uitgewerkt in verschillende deelgebieden, waarmee de doelstellingen vertaald zijn in concrete opgaven en maatregelen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. 3.4.1
Toetsing van het initiatief aan beleid waterschap.
Voor de toetsing aan het initiatief aan het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta wordt verwezen naar paragraaf 4.14. Hier wordt verder ingegaan op de toetsing aan het beleid van het waterschap.
3.5
Toetsing gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema's gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In deze paragraaf wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 3.5.1
Omgevingsvisie gemeente Deventer
3.5.1.1 Algemeen In het 'Structuurplan Deventer 2025' (april 2004) zijn de toekomstige ruimtelijke opgaven voor Deventer en de gewenste ontwikkelingsrichting in beeld gebracht. Het 'Structuurplan Deventer 2025' is echter door allerlei ontwikkelingen binnen en buiten Deventer inmiddels deels verouderd. Daarom is in samenspraak met een groot aantal betrokkenen een Omgevingsvisie gemaakt. In de Omgevingsvisie legt de gemeente Deventer haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast. Dit is de eerste stap in het proces richting de invoering van de Omgevingswet. In de Omgevingsvisie is aangegeven dat de klimaatverandering zorgt voor meer extremen in neerslag, hitte, droogte en water door de grote rivieren, waaronder de IJssel. Daarnaast speelt de eindigheid van natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen. Dat vraagt om maatregelen. Zoals grote inzet op energiebesparing, het klimaatbestendig maken van de leefomgeving, het overschakelen van fossiele op duurzame energiebronnen en het zuiniger en duurzamer omgaan met energie, water, grondstoffen en voedsel. De gemeente zoekt duurzame, klimaatbestendige en circulaire oplossingen op alle plekken die zich daarvoor lenen: in woningen, bedrijven, in de stad en op het platteland.
Belangrijke uitdagingen zijn: • • • • •
Instellen op de consequenties van klimaatverandering; Planmatig werken aan de klimaatadaptatie en energietransitie; Bij het toewijzen van functies rekening houden met de druk op ruimte; Meedoen met de ontwikkeling van nieuwe werkwijzen in energieopwekking; Waarborgen en vergroten van de cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische kwaliteit.
Om in te kunnen spelen op de dynamiek van de economie en de (internationale) markt moet er ruimte voor ondernemerschap zijn. Ruimte om waardevast te investeren, te groeien en samen te werken. De opgave is de veerkracht en inventiviteit van de ondernemers optimaal te blijven faciliteren en in te spelen op ontwikkelingen in de markt. Minder regels mogen overigens niet leiden tot onduidelijkheid voor alle betrokken partijen, willekeur of een onzeker vestigingsklimaat. De opgaven zijn in ambities omgezet en van mogelijke ontwikkelrichtingen per deelgebied voorzien. Het projectgebied ligt in het buitengebied (zie onderstaande uitsnede, de rode cirkel) en is dus niet (expliciet) voor woningbouw aangewezen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
-1
18
•l
é
5) dë
b Afbeelding 3.6
Uitsnede kaart omgevingsvisie Deventer (Bron: Gemeente Deventer)
Het projectgebied Is gelegen in de gebiedscategorie 'Rivierenlandschap binnendijks'. De omgevingsvisie sluit woningbouw niet op voorhand uit. Binnen dit type landschap is de functie wonen toegestaan. Er wordt gestuurd op hergebruik en transformatie van bestaand vastgoed. Daarnaast hebben binnen deze categorie de ambities 'Veilig en gezond leven' en 'Duurzame toekomst' prioriteit, zoals is te zien in afbeelding 3.7.
*600000
/
,)///4)
Ê
4 Deze ambite hooft in deze logenda oenheid pronitet
o
O
r 23 23 X X O x
#4 Rivierenlandschap buitendijks
Cultuur en ontspanning
Horeca rocreatlo
MaattcnappeUfk
Bedn/v»^
Wonen
□
Natuur en ecologie
Duurzame toekomst
Veiig en gezond leven
Waardevast ondernemen
O
|
Meer samendoen buiten Deventer
De kracht van Deventer benutten
Kwalitetsimpuls op de Deventer schaal
Méér wisselwerking tussen platteland en stad
gelaagdheid
Moer Deventer stedelijkheid
aandeUssel
Meer cultuurhistorische
Meer dan hntorinch stadstront
O
“989989888888888 "«92 2288888v26..8.28288888888888888%62.
1’214 'fff
X
O
O
x
Jong Ontginningenlandschap
X
BuMefuoum optoopoduo
s
•qeAOuui ua OuvMnouuao etpsMMOuooefoteqM»)
O
O0)C
M Agransch
Ontwikkelingsrichting functies
Ambities voor het buitengebied
E
Ê ♦ öö X Xüü X X X X •6
Tondons Toename van den functio mogolik
Deze ambitie heeft een spocfeke uitwerking in deze logenda-conheid
Tenden» Toename van deze functie onder voorwaarden
Deze ambitio heeft geen spocifieko uitworking n deze legend-eonhoid
Tonden» Hergebruik en transformatie van bestaand vastgoed
Deze functio m principo niet toogostaan
Afbeelding 3.7
Uitsnede kaart omgevingsvisie Deventer - ambitie Buitengebied (Bron: Gemeente Deventer)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
Voor de Dorpen wordt het volgende benoemd: Eén van de kenmerken van leven in de dorpen is dat veel mensen elkaar kennen. Dat is zeker belangrijk vanwege de vergrijzing van de bevolking en het uitgangspunt dat mensen hun zorg steeds meer zelf moeten organiseren. Men zal vaker een beroep doen op elkaar, om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven wonen. De gemeente ondersteunt dit 'noaberschap' door voorzieningen zo veel mogelijk te clusteren en te zorgen voor aantrekkelijke plekken om elkaar op straat te ontmoeten. Rust, ruimte en groen maken de dorpen aantrekkelijk. Die kwaliteiten willen we behouden. Voor Diepenveen worden de volgende aandachtspunten benoemd: • « • • • • •
Meer cultuurhistorische gelaagdheid; Méér wisselwerking tussen platteland en stad; Kwaliteitsimpuls op Deventer schaal; De kracht van Deventer benutten; Waardevast ondernemen; Ongedeelde samenleving; Veilig en gezond leven.
3.5.1.2 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie gemeente Deventer Voorliggende ontwikkeling sluit goed aan bij de doelstellingen uit de Omgevingsvisie. Door de agrarische bedrijfsbebouwing te slopen en woningen te realiseren draagt het initiatief bij aan een duurzame en toekomstbestendige transformatie van het erf. Binnen de landschappelijke inrichting is rekening gehouden met het agrarische karakter van het perceel en de te realiseren gebouwen zijn zo vormgegeven dat het agrarische karakter behouden blijft. Daarnaast is er door het toevoegen van woningen en het slopen van de bedrijfsgebouwen meer ruimte voor groen binnen het perceel. Dit draagt bij aan de ambitie van de gemeente om te werken aan klimaatadaptatie. Door het toevoegen van groen is er meer infiltratie mogelijk in de bodem. Verder draagt de ontwikkeling bij aan 'noaberschap', door het toevoegen van de woningen, kan het gezin op één erf wonen. In de toekomst kan daarom ook meer zorg voor elkaar worden gedragen. Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie gemeente Deventer.
3.5.2
Woonvisie Deventer (2024)
3.5.2.1 Algemeen De Woonvisie geeft aan waar het woonbeleid zich de komende 5 tot 10 jaar op richt. Het geeft de ambities aan en de belangrijkste opgaven. Deze zijn gemeentebreed, zowel voor de stad Deventer als de omliggende dorpen en kernen. De Woonvisie geeft niet altijd definitieve antwoorden op de opgaven, maar geeft wel richting aan de manier waarop we de opgaven oppakken. De visie is een uitnodiging aan de partners om actief bij te dragen aan het realiseren van de woonopgaven. In de woonvisie staan meerdere ambities centraal op basis waarvan verder wordt gewerkt:
1. Vitale stad aan de IJssel; 2. Ongedeeld en inclusief; 3. Duurzaam en toekomstbestendig. Hier zijn de volgende woonopgaven aan verbonden:
1. Voldoende, betaalbaar en divers; 2. Goed wonen in wijken en dorpen; 3. Duurzaam wonen. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn met name de aspecten 'Wonen geschikt voor ouderen', 'Inbreiding' en 'Goed wonen in dorpen' die worden genoemd in de Woonvisie van belang.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
3.5.2.2 Aantrekkelijke woonmiiieus De gemeente ziet kansen in de transformatie van historische panden, zoals monumenten, cultureel erfgoed en karakteristiek agrarische bebouwing. Om zo de waardevolle panden in stand te houden.
3.5.2.3 Goed wonen in dorpen
'Noaberschap' en betrokkenheid bij de leefbaarheid zijn kwaliteiten die bij uitstek in de dorpen aanwezig zijn. Voor de ouderen is van belang dat voorzieningen die, niet aanwezig zijn in de dorpen, wel bereikbaar blijven en dat zorg hen ook thuis kan bedienen. We accepteren dat in dorpen niet alle woonvormen en voorzieningen als in de stad beschikbaar zijn. Wel is het zaak met de ontwikkelruimte die er is, goed aan te sluiten bij de kwalitatieve woonvraag van met name jongeren en ouderen vanuit de kern. We staan open voor kleinschalige burgerinitiatieven en innovatieve ideeën die met name gericht zijn op betaalbaar wonen voor starters, het langer zelfstandig blijven wonen en de leefbaarheid in de kernen en op het platteland. De afgelopen jaren zijn routekaarten opgesteld en vastgesteld voor de dorpen Diepenveen, Schalkhaar, Lettele, Loo, Okkenbroek en Bathmen. Deze gaan dieper in op doelgroepen, tempo en plekken. In paragraaf 3.5.1 wordt verder ingegaan op de routekaart voor Diepenveen. 3.5.2.4 Toetsing initiatief aan de Woonvisie Deventer (2024) Het initiatief om agrarische bedrijfsbebouwing te slopen en twee compensatiewoningen, één bestaande woning, een steltenberg en een kapschuur in het buitengebied van Diepenveen te realiseren, sluit aan bij de "Woonvisie Deventer 2024".
De visie ondersteunt transformatie en hergebruik van agrarische panden mits dit de landschappelijke en historische waarde respecteert. In voorliggend geval worden de kapschuur, steltenberg en de woning zo vormgegeven dat het agrarische karakter van het erf behouden blijft. Daarnaast is kleinschalige woningbouw mogelijk, mits het past bij dorpse kwaliteiten en de behoeften van de gemeenschap. In voorliggend geval bestaat er een directe behoefte aan de woningen, aangezien het gezin op één erf wil wonen. Verder is landschappelijke inpassing en duurzaamheid van belang, zowel voor de woningen als voor de bijgebouwen. Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de Woonvisie Deventer (2024). 3.5.3
Kansen uit buiten
3.5.3.1 Algemeen De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) van de provincie Overijssel biedt mogelijkheden aan gemeenten en hun inwoners en ondernemers. Met de twee Rood-voor-Rood-regelingen en de Sloopbank van de gemeente Deventer geeft de gemeente invulling aan de KGO en kunnen de mogelijkheden ervan worden benut. De regelingen zijn deels nieuw en deels uitgebreid of herzien. Voor de toepassing van die regelingen gelden de volgende voorwaarden: een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door de sloop van landschapsontsierende gebouwen, door landschappelijke inpassing en verbetering, door het behoud van karakteristieke gebouwen en door ecologische kansen te benutten. Concreet gaat het om twee varianten van de Rood-voor-Rood-regeling: Woning voor schuur en Schuur voor schuur. De nieuwe Sloopbank is voor beide een hulpmiddel.
3.5.3.2 Woning voor schuur Bij deze versie van de Rood-voor-Rood-regeling kan een initiatiefnemer landschapsontsierende gebouwen slopen in ruil voor één of meerdere woningen. Voor het bouwen van een woning zijn minimaal 850 m2 aan sloopmeters nodig. Voor sloopoppervlakte met asbestdaken die vallen onder het asbestdakenverbod, geldt een minimum van 700 m2. Naast het juiste aantal vierkante meters wegen kwalitatieve eisen en voorwaarden mee. De geboden ontwikkelruimte moet in balans zijn en blijven met de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarde van het erf en de directe omgeving. De gemeente stelt daaraan eisen. Dat betekent dat een initiatiefnemer de nieuwe woning(en) kan bouwen als hij/zij de genoemde waarde van het erf daarmee verbetert. Of een bepaalde ontwikkeling wel of niet mogelijk is, hangt af van plaatselijke omstandigheden, de kenmerken van het erf en de directe omgeving. Ook de welstandsnota geeft richtlijnen en criteria voor erf- en gebouwontwikkelingen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
3.5.3.3 Schuur voor schuur Bij deze versie van de Rood-voor-Rood-regeling kan een initiatiefnemer landschapsontsierende gebouwen slopen in ruil voor nieuwbouw of uitbreiding van bijgebouwen en niet-agrarische bedrijfsgebouwen, of in ruil voor de uitbreiding van woningen. Voor het bouwen van een bijgebouw zijn minimaal 250 m2 aan sloopmeters nodig. Voor sloopoppervlakte met asbestdaken die vallen onder het asbestdakenverbod, geldt een minimum van 200 m2. Voor het uitbreiden van woningen geldt dat voor elke uitbreiding tot en met 100 m3 initiatiefnemer 250 m2 moet slopen, ongeacht de bouwomvang. Voor elke uitbreiding boven de 100 m3 moet vijf keer zoveel m2 worden gesloopt.
Naast het juiste aantal vierkante meters wegen kwalitatieve eisen en voorwaarden mee. De geboden ontwikkelruimte moet in balans zijn en blijven met de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarde van het erf en de directe omgeving. De gemeente stelt daaraan eisen. Dat betekent dat een initiatiefnemer het bouwplan alleen kan uitvoeren als hij/zij de genoemde waarde van het erf daarmee verbetert. Of een bepaalde ontwikkeling wel of niet mogelijk is, hangt af van plaatselijke omstandigheden, de kenmerken van het erf en de directe omgeving. Ook de welstandsnota geeft richtlijnen en criteria voor erf- en gebouwontwikkelingen.
3.5.3.4 Toetsing van het initiatief aan 'Kansen uit buiten' Het initiatief om 1.447 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing te slopen en twee compensatie woningen, één reguliere (bestaande) woning, een steltenberg en een kapschuur te realiseren, sluit aan bij het "Kansen uit buiten"-beleid van de gemeente Deventer. De voorgestelde sloopoppervlakte voldoet ruimschoots aan de minimale eis van 850 m2 per woning, die in het beleid wordt gehanteerd. De toevoeging van een steltenberg en een kapschuur sluit tevens goed bij de karakteristieke bebouwingstypen in het buitengebied van Deventer. Een belangrijk onderdeel van het "Kansen uit buiten"-beleid is de landschappelijke inpassing. Het initiatief voorziet hierin door het realiseren van een plan dat is ontworpen met oog voor de erfstructuur en landschappelijke context. Dit draagt niet alleen bij aan een betere visuele integratie van de nieuwe bebouwing, maar versterkt ook de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.
Daarnaast sluit het plan aan bij het streven van de gemeente om ecologische kansen te benutten en verouderde agrarische bebouwing te verwijderen, wat leidt tot een aantrekkelijker en beter functionerend buitengebied. Door de transformatie wordt niet alleen de leefomgeving verbeterd, maar ook een belangrijke impuls gegeven aan de landschappelijke waarden van het gebied. Het plan voldoet aan de voorwaarden met betrekking tot sloopoppervlakte en draagt door landschappelijke inpassing bij aan de gewenste verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. 3.5.4
Structuurvisie Olst-Wijhe
3.5.4.1 Algemeen De gemeenteraad van Olst-Wijhe heeft op 4 december 2017 de Structuurvisie Olst-Wijhe 'Ruimte voor initiatief en innovatie' vastgesteld. In deze structuurvisie is het beleidskader voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente verwoord. De visie schetst het toekomstbeeld voor Olst-Wijhe op weg naar 2025.
Het doel / de speerpunten uit deze visie zijn: • • •
« •
Aantrekkelijk en veilig wonen voor jong en oud met passende toekomstbestendige maatschappelijke voorzieningen en mogelijkheden om te werken in en om de dorpen en buurtschappen. Evenwicht tussen leefkwaliteit, bereikbaarheid en mobiliteit. Vrijetijdsbesteding als impuls voor de lokale economie met de aantrekkelijke IJsselzone en ‘IJsselfront Olst-Wijhe' als integrale gebiedsontwikkeiing. Versterken van toekomstbestendige landbouw en landgoederen en aandacht voor natuuren landschapskwaliteiten. Inzetten op het duurzaam vormgeven van nieuwe ontwikkelingen, op duurzame energie en energiebesparing in het kader van de energietransitie. Samenwerken aan circulaire economie. aan vestigingsmogelijkheden voor lokale ondernemers en daar waar mogelijk innovatie bevorderen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
Voor het Sallandse platteland is de ambitie om de diversiteit van het landschap te versterken en de plattelandseconomie te versterken. Landbouwontwikkelingen worden mogelijk gemaakt in relatie tot landschappelijke kwaliteiten. Er wordt ingezet op het vergroten van de natuur door agrariërs en wordt er ingezet op voldoende afvoer van hemelwater. Daarnaast is de combinatie van agrarische bedrijvigheid en woningen belangrijk voor de sociale structuur. Hierdoor wordt er ruimte geboden voor herbestemming van vrijkomende agrarische bebouwing tot nieuw woon-werkconcepten of recreatief (mede)gebruik. Deze ontwikkelingen worden gekoppeld aan duurzaamheid, ruimtelijk en sociale kwaliteit. De recreatie wordt verbeterd door de wandel- en fietsroutes beter vindbaar en bereikbaar te maken.
3.5.4.2 Toetsing van het initiatief aan de Structuurvisie Olst-Wijhe: 'Ruimte voor initiatief en innovatie' De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop van 1.447 m2 agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied van de gemeente Diepenveen, met als doel het realiseren van in totaal drie woningen, een steltenberg en een kapschuur. De nieuwe bebouwing wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast om het agrarische karakter van het gebied te behouden. Deze ontwikkeling draagt bij aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit door het verwijderen van verouderde en ontsierende bebouwing, terwijl het tegelijkertijd het landschap versterkt en de visuele aansluiting, door het creëren van nieuwe zichtlijnen, met de omliggende natuur bevordert. Het plan sluit aan bij de ambities uit de structuurvisie van Olst-Wijhe, waarin gestuurd wordt op het versterken van het landschap en het creëren van duurzame, toekomstbestendige ontwikkelingen in het buitengebied.
3.5.5
Handreiking KGO regeling Olst-Wijhe
3.5.5.1 Algemeen De handreiking Kwaliteitsimpuls Groen Omgeving (KGO) is een nadere uitwerking van de provinciale KGO kader. De gemeente Olst-Wijhe wil de ontwikkelingen in het landelijk gebied op een goede manier begeleiden. De ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied moet door de ontwikkelingen worden verbetert. Hierdoor blijft het buitengebied aantrekkelijk en zijn er voldoende mogelijkheden om te ondernemen en te leven. Een nieuwe ontwikkeling die voldoet aan de KGO is goed voor de beleving en de toekomst van het landelijk gebied.
In de KGO regeling is opgenomen dat er voor ontwikkelingen op een agrarisch erf grotere oppervlakten worden bebouwd dan toegestaan. Deze ontwikkelingen voorzien in bijvoorbeeld een nieuwe woning, een nieuwe schuur of een nieuw bedrijf. Vereiste hierbij is dat er gebruik moet worden gemaakt van sloopmeters volgens een vastgestelde sloopverhouding, waarbij doorgaans meer vierkante meters worden gesloopt dan nieuw gebouwd. Bij de sloop van agrarische schuren en de realisatie van nieuwe schuren geldt een verhouding van 2 m2 slopen is 1 m2 bouwen.
3.5.5.2 Toetsing van het initiatief aan de Handreiking KGO regeling Olst-Wijhe De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de sloop van totaal 1.447 m 2 aan agrarische bedrijfsbebouwing. In plaats hiervan worden in totaal, drie woningen, een steltenberg en een kapschuur gerealiseerd. Deze nieuwe bebouwing wordt zorgvuldig ingepast in het landschap. Hierbij wordt tevens de landschappelijke kwaliteit ter plaatse versterkt. Voorgaande is beschreven in het ruimtelijk kwaliteitsplan (zie bijlage 1). Met het voornemen blijft het agrarische karakter van het erf behouden. De ontwikkeling draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied in de gemeente Olst-Wijhe door het vervangen van verouderde en ontsierende bebouwing en overtollige erfverharding en het versterken van de landschappelijke beleving en kwaliteit. Het plan sluit aan bij de doelstellingen van de KGO-regeling, die gericht zijn op het bevorderen van een duurzame en toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
3.5.6
Woonvisie 2022-2025
3.5.6.1 Algemeen
In de gemeentelijke Woonvisie 2022-2025 is aangegeven dat de woningbehoefte in Olst-Wijhe groot is. Daarom heeft de gemeenteraad besloten (zomer 2021) dat de gemeente de focus richt op BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
woningbouw. Dat doet de gemeente onder de noemer: Olst-Wijhe, toekomstbestendige, eigenzinnige regionale woongemeente aan de IJssel, met een groei van 1.000-1.200 woningen in de komende 10 jaar. Naast extra woningen zet de gemeente met de nieuwe Woonvisie in op: • • •
een goede mix van verschillende soorten woningen, voor verschillende doelgroepen (zoals jong en oud, gezinnen en alleenstaanden); duurzaam, klimaatadaptief en natuurinclusief: sociaal en inclusief (bijvoorbeeld door het bevorderen van elkaar ontmoeten in je eigen buurt).
De gemeente blijft ruimte bieden om het beleid Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) door te zetten. Ter compensatie van de sloop van landschapsontsierende agrarische schuren, is onder voorwaarden de realisatie van een nieuwe woning met bijgebouw mogelijk. Hierbij is het wel van belang dat omliggende agrarische bedrijven niet in hun ontwikkeling worden belemmerd. 3.5.6.2 Toetsing aan de woonvisie
Het voorliggende plan betreft de realisatie van een twee-onder-een-kapwoning, een steltenberg en een kapschuur. Deze bebouwing wordt gerealiseerd ter compensatie van de sloop van 1.447 m2 agrarische bedrijfsgebouwen. De woningen worden gerealiseerd ten behoeve van een directe lokale behoefte. De woningen worden namelijk gerealiseerd zodat het gezin op één erf kan wonen. Verder worden de nieuwe woningen energieneutraal opgeleverd en is er in de gewenste situatie meer ruimte voor groen. Gezien de directe behoefte en de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met de woonvisie.
3.5.7
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
De in de voorliggende BOPA besloten ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de voorgenoemde beleidsstukken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
HOOFDSTUK 4
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
4.1
Geluid door activiteiten
4.1.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • •
activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.1.2
Motivering
In voorliggend geval worden met de nieuwe woningen geluidsgevoelige objecten toegevoegd. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai
Voor Rijks- en spoorwegen zijn geluidaandachtsgebieden opgenomen in het CVGG. Voor gemeentewegen en provinciale wegen worden vooralsnog de volgende afstanden aangehouden: • •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
•
voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
In de nabije omgeving van het projectgebied bevinden zich de gemeenteweg de Randerstraat en de provinciale weg de N337. Daarom dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd naar geluid door wegen. Het akoestische onderzoek is uitgevoerd door BJZ.nu. Hieronder worden de belangrijkste resultaten kort benoemd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 2.
Onderzoek geluid door wegen De geluidbelasting als gevolg van de gemeentelijke weg 'Randerstraat' bedraagt hoogstens 49 dB Lden- Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB Lden uit het Bkl. De geluidbelasting als gevolg van de provinciale weg 'N337' bedraagt hoogstens 50 dB Lden. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB Lden uit het Bkl. Dit betekent dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen.
Industrielawaai
In de nabijheid is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig. Industrielawaai is geen belemmering voor het voornemen.
Solitaire bedrijvigheid Geluidshinder door solitaire bedrijvigheid vormt geen belemmering voor het project. Het project ziet toe op het (planologisch) toevoegen van twee geluidsgevoelige gebouwen. In een straal van circa 370 meter rondom het projectgebied liggen geen bedrijven met grote geluidshinder. Andersom betreffen woningen geen functie dat akoestisch relevant is voor de omgeving.
4.1.3
Conclusie
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;
« • •
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
• • •
«
Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.891 Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 4.2.2
Motivering
In voorliggend geval is door Dumea Milieu een bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707 uitgevoerd. Hieronder worden de belangrijkste resultaten kort benoemd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3. Verkennend bodemonderzoek NEN5740
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Gehete locatie
In de bovengrondmengmonsters en in de ondergrondmengmonsters zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde. In de grondwatermonsters zijn geen verhogingen aangetroffen. Vml diesettank
In het bovengrondmengmonster BM5 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pblwml zijn geen verhogingen aangetroffen. De bovengrond valt in de bodemkwaliteitsklasses Landbouw/natuur, Wonen en Industrie. De ondergrond valt in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Aangezien geen partijkeuring conform het Regeling Bodemkwaliteit is uitgevoerd, dienen de resultaten in het kader van de Rbk als indicatief beschouwd te worden. Er heeft geen onderzoek naar de parameters PFAS plaats gevonden. Bij afvoer van grond zal dit wellicht alsnog in een later stadium moeten worden uitgevoerd. Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen.
Gehele locatie
Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters MM1, MM2, MM3 en MM4 is analytisch geen asbest aangetoond. Druppelzones Het mengmonster van DZ1 is licht asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. In de overige mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond.
Algemeen
Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
4.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het BkL Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 BkL Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM 10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1,
2.
4.3.2
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 BkL Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tooi aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Motivering
Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling (toevoegen twee woningen, functiewijziging van bedrijfswoning naar reguliere woning), in verhouding tot de standaardgevallen NIBM, kan worden gesteld dat het project 'niet in betekende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Het (planologisch) toevoegen van drie woningen blijft namelijk ruim onder de gestelde standaardgevallen uit artikel 5.54 van het BkL Een verdere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof is niet nodig.
4.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.4
Geur
4.4.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie,
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: •
« • •
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels.
Veehouderijen
In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • •
4.4.2
Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Motivering
Ten oosten van het projectgebied op circa 370 meter ligt een schapenveehouderij. Dit betreft een bedrijf waar landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor gehouden worden. In 2018 is een geurberekening uitgevoerd vanuit de veehouderij aan de Randerstraat 3 naar de omgeving. Hieruit blijkt dat voor de geurgevoelige gebouwen aan de Randerstraat 5, 10 en 12 ruimschoots wordt voldaan aan de norm van 14 oudeur units. Het projectgebied ligt op een grotere afstand van het de veehouderij, er wordt daarom gesteld dat binnen het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten opzichte van de veehouderij aan de Randerstraat 3.
Voor veehouderijen met landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor gelden vaste afstandsnormen. In het buitengebied geld een afstandsnorm van 50 meter. Binnen een straal van 50 meter liggen geen veehouderijen waar landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor gehouden worden. De nieuwe woningen zijn ook niet maatgevend voor een veehouderij in de omgeving aangezien er andere geurgevoelige gebouwen op kortere afstand van de veehouderij liggen. Geur van veehouderijen is gelet op de omgeving en de daar gelegen veehouderijen niet beperkend voor het plan met de nieuwe woningen en omgekeerd. Er zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden er geen agrarische bedrijven belemmerd door dit plan.
4.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Diepenveen, Randerstraat 1 Definitief
4.5
Trillingshinder
4.5.1
Algemeen
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manieren optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 4.5.2
Motivering
De woning is voorzien op een afstand van circa 1 kilometer tot het spoor. Daarmee wordt ter plaatse van de woningen geen onaanvaardbare trilling verwacht. Het projectgebied valt tevens ruimschoots buiten de onderzoeksgrens van 100 meter.
4.5.3
Conclusie
Trilling vormt geen belemmering voor het voornemen.
4.6
Gezondheid
4.6.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • •
het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken