2025-813 Onderbouwing Fysieke leefomgeving BOPA Zonnepark Bussiksweg
Tekst van het document
Figuur 5: Situering projectgebied t.o.v. laag van agrarisch cultuurlandschap Uitvoeringsmodel omgevingsvisie Overijssel. Het oude hoevenlandschap wordt gekenmerkt door een kleinschalige, organische structuur, met verspreide individuele erven zonder dorpen. Deze erven liggen rond kleine esjes en natte laagtes, verbonden door routes die de natuurlijke vormen van het landschap volgen. Houtwallen, eikenbeplanting en kleinschalige dekzandgronden zijn prominente elementen die bijdragen aan de landschappelijke variatie. •
Actuele ontwikkelingen in het oude hoevenlandschap omvatten schaalvergroting in de landbouw en een toename van burgererven, wat het karakter van dit kleinschalige landschapstype beïnvloedt. De kleinschaligheid maakt het 25
•
•
landschap gevoeliger voor verandering, waarbij de samenhang tussen erven, essen, flanken, heideontginningen en laagtes onder druk staat; De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden ruimte voor landbouw, wonen, werken en recreatie, mits wordt voortgebouwd aan de kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, routes over de erven en de erf- en landschapsbeplantingen. Binnen deze structuren bestaan mogelijkheden functionele grootschalige landbouw te ontwikkelen in een kleinschalig landschap; Ontwikkelingen in het oude hoevenlandschap moeten bijdragen aan het behoud en de accentuering van de dragende structuren, zoals groenstructuren en routes. Dit omvat de samenhang en karakteristieke verschillen tussen landschapselementen zoals erven met erfbeplanting, open esjes, beekdalen en voormalige heidevelden. De nadruk ligt op het behouden van de mate van openheid en kleinschaligheid. Ontwikkelingen dienen daarnaast de toegankelijkheid van erven en erfroutes te vergroten.
Toetsing De ontwikkeling van het zonnepark met EOS en toebehoren op één perceel draagt bij aan de kleinschaligheid en structuur van het oude hoevenlandschap. Bestaande oude houtwallen rondom de locatie worden versterkt, terwijl aan de overige randen nieuwe houtwallen met gebiedseigen soorten worden aangelegd, zie Bijlage 1 (Inpassings- en Beheerplan). Dit versterkt niet alleen de structuur van de kavel zelf, maar geeft ook een impuls aan de karakteristieke groenstructuren van het oude hoevenlandschap. De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen. Het gaat in deze laag enerzijds om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen en anderzijds om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden. Binnen de stedelijke laag wordt de projectlocatie gerekend tot de “verspreide bebouwing” en tegelijkertijd tot het “informele trage netwerk”. A. Verspreide bebouwing De ligging van een stad of dorp in het landschap, op een kruispunt van infrastructuur of in de nabijheid van grondstoffen speelt een belangrijke rol in het functioneren ervan. Efficiëntie en bereikbaarheid zijn belangrijke vestigingsfactoren, maar daarbij wordt de kwaliteit, eigenheid en het onderscheidend vermogen van de regio steeds belangrijker.
26
•
•
•
Voor de verspreide bebouwing is het relevant dat de agrarische erven van oudsher een hele sterke binding hebben met het landschap. Vanuit het erf werden de omliggende gronden in cultuur gebracht en vervolgens eeuwenlang bewerkt. Elke boer deed dit naar eigen inzicht en afgestemd op de plaatselijke omstandigheden, maar wel volgens de wetmatigheden van het toenmalig landbouwsysteem. Door deze ‘eenheid in handelen’ ontstonden samenhangende landschappen, die nu nog steeds herkenbaar zijn: essenlandschap, oude hoevenlandschappen, broek- en heideontginningen, veenlandschappen et cetera. Bijzonder is dat elk landschap zijn eigen erftype heeft: de opbouw van erf, erfbebouwing, erfbeplantingen en relaties met de omliggende gronden zijn specifiek voor het betreffende landschapstype, alsof in het erf de genen van het landschap besloten liggen. Naast erven kent het buitengebied losliggende ‘gewone’ burgerwoningen met veelal een eigen individueel karakter en een eigen verhaal van ontstaan; Bij de transformatie van de erven vervalt vaak de vanzelfsprekende samenhang tussen erf en landschap. Daarbij heeft de oorspronkelijke ‘eenheid in handelen’, waarbij iedereen ongeveer hetzelfde deed, plaatsgemaakt voor ‘diversiteit in handelen’: iedereen doet op zijn erf zijn eigen ‘ding’. De erven gaan daardoor binnen de landschappelijke eenheid steeds meer van elkaar verschillen.
Nieuwe functies bepalen het aangezicht: of een erf in agrarisch gebruik is (grote stallen, werklijnen naar het landschap), er een aannemer of autobedrijf zit (kaal erf met een grote plaat verharding eromheen) of dat het bijvoorbeeld een woonerf is geworden (klein erf, dicht in de beplantingen en een paardenweide). Deze verschillen zijn zowel in het landschap als op luchtfoto’s duidelijk waar te nemen; De ambitie is ‘Levende erven!’, waarbij de erven verbonden worden gemaakt met het landschap en ze serieus te verkennen als alternatief voor woon-werkmilieuvormen. De erven die vrijkomen, worden steeds groter, met zoveel bebouwing en opstallen dat ze voor individuele burgers vaak te groot zullen zijn. Sloop van de stallen is in bepaalde situaties een optie, maar soms worden de erven hierdoor zo klein dat ze als het ware verdampen. Deze robuuste erfensembles kunnen door het bieden van ruimte voor extra (vervangende) bebouwing een alternatief bieden voor - een deel van - de woningbouw en bedrijvenopgave elders, mits dit bijdraagt aan de lokale/regionale sociaaleconomische ontwikkeling.
Door voort te bouwen op de karakteristieken en kwaliteiten van de vaak eeuwenoude erven ligt hier een kans unieke, echt Overijsselse woon-werk-, recreatie- en zorgmilieus te ontwikkelen: sterk verbonden met de historie, het omliggende landschap en met veel ruimte voor individuele invulling en expressie;
27
•
Als sturingsnorm binnen de verspreide verbouwing geldt dat de ontwikkeling van nieuwe erven bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. De hieruit voortvloeiende sturingsrichting luidt dat wanneer ontwikkelingen plaatsvinden op erven, deze bijdragen aan behoud en versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen, waarbij een duidelijk onderscheid tussen voor- en achterkant blijft en koppeling van het erf aan het landschap plaatsvindt. Hierdoor verbetert de toegankelijkheid ervan.
Toetsing De voorgenomen ontwikkeling past goed bij de ontwikkeling van verscheidenheid in de wijze waarop de erven van de verspreide bebouwing worden ingezet. Het zonnepark is net als een nieuw erf ingepast in het landschap, met continue stroomproductie en -opslag als hartslag van een levende ontwikkeling. Hierbij schikt de zonneweide met energieopslagsysteem zich naar de bestaande structuren van het landschap en wordt met maatwerk in landschappelijke inpassing voorzien, zie opnieuw Bijlage 1. B. Informele trage netwerk •
•
Binnen dezelfde stedelijke laag is het informele trage netwerk het ‘langzame’ netwerk (wandelpaden, fietspaden, ruiterpaden, vaarroutes) van de provincie, dat delen van het agrarisch cultuurlandschap en het natuurlijke laag toegankelijk en ervaarbaar maakt. De oude zandwegen en paden vormen het basisstramien. Van oudsher verbonden deze routes vaak de kernen met het ommeland en met elkaar. Zo vormde het dorpsplein, de dorpsstraat, de weg naar buiten en uiteindelijk de zandpaden door de velden, een samenhangend netwerk. De maaswijdte van dit netwerk is sterk afhankelijk van het type landschap. Doordat bepaalde schakels in dit netwerk in de loop van de tijd zijn verdwenen door bijvoorbeeld ruilverkaveling, opwaardering tot hoofdinfrastructuur en individuele ingrepen door particuliere grondeigenaren, is sprake van discontinuïteit. Onderdelen van het langzame netwerk zijn opgenomen in de nationale en provinciale ruiter-, fiets, wandel- en vaarroutes; Een ontwikkeling binnen het informele trage netwerk is dat paden verdwijnen doordat woonwijken en bedrijventerreinen het landschap inschuiven, of doordat (snel)wegen barrières vormen en spoorwegovergangen worden afgesloten, of door aaneenvoeging van agrarische percelen.
Anderzijds neemt de vraag naar een beleefbaar en toegankelijk natuur- en agrarisch cultuurlandschap toe, en daarmee de vraag naar verdichting en completering van het padennetwerk;
28
•
•
De provinciale ambities binnen het informele trage netwerk richten zich op twee hoofdpunten. Ten eerste is er de ambitie een verschuiving in het verplaatsingsgedrag van auto naar fiets te realiseren. Dit wordt nagestreefd door het opheffen van discontinuïteiten in het padennetwerk en door het fiets- en wandelpadennetwerk op regionaal niveau te integreren tot een compleet systeem, onder meer door de aanleg van fietssnelwegen. Zo ontstaat een comfortabel alternatief netwerk om met de fiets naar school, het dorp of het station te gaan. Daarnaast wordt ingezet op het verbinden van kernen met het buitengebied door middel van ommetjes, gericht op het beleefbaar maken van de directe leefomgeving en het landschap. Dit netwerk wordt vervolgens verknoopt aan overstapplaatsen aan de hoofd- en regionale infrastructuur. De ligging en de dichtheid van het netwerk worden ingezet om de intensiteit van het gebruik te sturen. Daarbij wordt het erfgoed langs het informele trage netwerk benut om de toeristische aantrekkelijkheid van gebieden te vergroten; Als sturingsnorm van Overijssel geldt dat de informele routes en routenetwerken in beeld worden gebracht en een beschermende bestemmingsregeling krijgen, gericht op de continuïteit van routes (vaarwegen, kleine paadjes, zandpaden, kerkpaden, fietsen wandelpaden en -routes, et cetera).
Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij doorgaande zandwegen, wandel- en fietsroutes worden discontinuïteiten in het netwerk van paden en vaarroutes voorkomen. De bijbehorende sturingsrichting luidt dat wanneer ontwikkelingen plaatsvinden in de gebieden die in de directe invloedssfeer van stad en dorp liggen, zoals bedrijventerreinen of woonwijken, deze bijdragen aan behoud en verkleining van de maaswijdte van het padennetwerk. Nieuwe kansen voor langeafstands-, wandel- en fietsroutes worden daarbij benut.
Toetsing Het voorgenomen zonnepark met energieopslagsysteem heeft geen directe invloed op de ontwikkeling van ruiter-, fiets-, wandel- of vaarroutes. De planlocatie ligt op ruime afstand van de Holterweg (N344) tussen Deventer en Holten en heeft geen (zicht)relatie met deze weg of met de bebouwde gebieden van Bathmen. De omgeving wordt gekenmerkt door verspreide boerenerven. Het plangebied ligt op een klein perceel dat aan de ene kant wordt begrensd door een watergang en aan de andere kant door de Bussinksweg. Er liggen geen wandelroutes in de directe omgeving waarop aangesloten kan worden.
29
De laag van de beleving richt zich in dit gebied op hoe licht en donker bijdragen aan de ervaring van het landschap. Lichte gebieden benadrukken de economische dynamiek van de provincie, zoals steden, dorpen, autosnelwegen, kassengebieden, attractieparken en bedrijventerreinen. Donkere gebieden daarentegen geven een beeld van de rustige ‘buitengebieden’ van Overijssel: natuurcomplexen en grote landbouwgebieden waar het ’s nachts nog echt donker is en de sterrenhemel zichtbaar blijft. Het betreft dunbevolkte regio’s met een lage gebruiksdruk die bijdragen aan de unieke beleving van rust en stilte. De planlocatie bevindt zich in een dergelijk donker gebied. Rondom de locatie worden sommige boerenerven gebruikt voor kleinschalige nevenactiviteiten zoals paardenhouderijen en campings. Grootschalige recreatieve programma’s en routes zijn nauwelijks aanwezig, wat de landelijke en rustige sfeer van het gebied versterkt. •
•
•
De buitengebieden worden autonoom steeds lichter door de uitbreiding van bebouwing, verlichte wegen en kassencomplexen. Ook de verspreiding van woon- en werkfuncties in het landschap draagt bij aan de toename van licht. Tegelijkertijd groeit de maatschappelijke aandacht voor het verminderen van lichthinder en het vermijden van onnodige lichtuitstraling naar boven; Donkerte wordt gezien als een belangrijke kwaliteit om te koesteren. De ambitie is de huidige donkere gebieden minstens zo donker te houden en, waar mogelijk, verder te verduisteren. Dit houdt in dat kunstmatige verlichting zorgvuldig en terughoudend wordt toegepast. Het behoud van het rustige en onthaaste karakter van deze gebieden staat centraal, terwijl stedelijke functies en infrastructuur gebundeld blijven in de lichte gebieden; Als sturingsnorm wordt kunstlicht in donkere gebieden alleen minimaal, gericht en selectief ingezet om lichthinder te voorkomen. Ontwikkelingen in het buitengebied moeten onnodige lichtuitstraling vermijden en het rustige, onthaaste karakter van deze gebieden behouden.
Toetsing In de planuitwerking is rekening gehouden met de laag van de beleving, waarbij de waarde van donkerte centraal staat. Kunstmatige verlichting zal tot een minimum worden beperkt om de nachtelijke rust en de zichtbaarheid van de sterrenhemel te waarborgen. Deze aanpak sluit aan bij de ambitie de kenmerkende kwaliteiten van donkere gebieden te beschermen. De landschappelijke inpassing rondom het te realiseren project (zie Bijlage 1) speelt hierin ook een faciliterende rol.
30
2.3.4 Uitvoeringsprogramma Nieuwe Energie Overijssel Zoals alle provincies in Nederland streeft ook Overijssel naar verduurzaming en de hiervoor benodigde (grootschalige) productie van duurzame energie om aan de nationale energietransitie te kunnen bijdragen. Hiervoor heeft de provincie een Programma Nieuwe Energie Overijssel, evenals een kwaliteitsimpuls zonne-energie opgesteld, waarin handvatten voor het opwekken van zonne-energie worden gegeven. Hierbij zijn diverse richtlijnen voor het opwekken van deze energievorm in veldopstelling opgesteld. Deze worden in paragraaf 2.3.5 nader toegelicht. In 2016 is de provincie Overijssel samen met kernpartners van start gegaan met de ontwikkeling van het Programma Nieuwe Energie Overijssel. Dit programma had als (tussen)doel in 2023 ten minste 20% hernieuwbare energie te realiseren en besparings- en efficiencymaatregelen in verschillende sectoren te stimuleren, onderweg naar energieneutraliteit in 2050. Binnen het programma Nieuwe Energie Overijssel wordt in die context gewerkt vanuit negen “Werkvloeren”: Bedrijven & Industrie, Bio-energie, Energie-infrastructuur, Gebouwde omgeving, Innovatie, Smart Energy Hubs, Warmte, Wind en Zon.
Toetsing Zonnepark Bussinksweg Bathmen beantwoordt de vraag naar opwek van zonnestroom en geeft met het voorziene energieopslagsysteem ook invulling aan de benodigde en gewenste flexibiliteit om vraag en aanbod in de (hernieuwbare) energievoorziening zoveel als mogelijk in overeenstemming te brengen. Het initiatief helpt Overijssel zodoende haar duurzaamheidsdoelstellingen te behalen. 2.3.5 Handreiking zonnevelden (april 2020) Provincie Overijssel wil ruimte maken voor de aanleg van zonnepanelen, ook buiten de steden en dorpen, in de Groene Omgeving. Deze ambitie is opgenomen in de provinciale omgevingsvisie en met regels uitgewerkt in de provinciale omgevingsverordening. Voor alle nieuwe ontwikkelingen in de Groene Omgeving, waaronder zonneparken, geldt dat een goede ruimtelijke inpassing verplicht is. Naast deze zogenaamde 'basisinspanning' kan het zijn dat voor zonneparken specifiek aanvullende kwaliteitsprestaties nodig zijn. De Handreiking Zonnevelden helpt initiatiefnemers en gemeenten samen met omwonenden en andere belanghebbenden een goede balans te bepalen tussen de ruimte voor ontwikkeling en de mate van aanvullende kwaliteitsprestaties.
Het document biedt een praktisch kader voor het toepassen van vier kwaliteitsimpulsen: zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, inpassen in of bijdragen aan het landschap, beperken en compenseren van effecten op landschap en ecologie en het realiseren van 31
maatschappelijke meerwaarde. Deze handreiking zal dan ook als leidraad gebruikt worden voor de nadere invulling van het projectgebied. Voorbeelden op basis van de vier kwaliteitsimpulsen zijn: •
• •
Probeer de locatiekeuze af te stemmen op het bestaan van aantoonbare maatschappelijke meerwaarde, zoals meervoudig ruimtegebruik, het treffen van impact-verlagende maatregelen, aansluiting op de gebiedskarakteristieken en het bijdragen aan maatschappelijke doelen; Houd het landschap en de gebiedskenmerken, bijvoorbeeld de kavelrichting, sturend voor het ontwerp van het zonneveld; Houd rekening met (doorgaande) structuren en patronen in het landschap. In een kleinschalig landschap kan een groot veld bijvoorbeeld worden opgedeeld in meerdere kleinere velden die beter aansluiten op de omgeving.
De Overijsselse zonneladder geeft aan dat naast de ontwikkeling van PVinstallaties op daken, industrieterreinen en braakliggende gronden ook ruimte gemaakt moet worden voor zonnevelden in de Groene Omgeving. Dit omdat niet al het dakoppervlak beschikbaar of geschikt is voor de aanleg van zonnepanelen. De zonneladder benadrukt echter dat zonnevelden in de Groene Omgeving pas aan de orde komen als de mogelijkheden binnen trede 1 en trede 2 van de zonneladder zijn uitgeput. Initiatiefnemers moeten kunnen aantonen dat alternatieven zoals daken, braakliggende terreinen of multifunctioneel ruimtegebruik onvoldoende mogelijkheden bieden om de duurzaamheidsdoelen te behalen. Alleen onder deze voorwaarden kan trede 3 worden toegepast, waarbij monofunctionele zonnevelden in agrarisch gebied mogelijk worden gemaakt. De provincie staat in het verlengde daarvan voor een periode van maximaal 25 jaar zonneparken als tijdelijke oplossing toe in de Groene Omgeving. Hierdoor blijft de oorspronkelijke bestemming van het perceel behouden. Het voorliggende project bevindt zich in het landelijk gebied van de gemeente Deventer en kent een agrarische bestemming. Het initiatief voor een zonnepark inclusief energieopslagsysteem betreft een ontwikkeling voor een periode van 25 jaar. Dit is geborgd met een vergunningvoorschrift.
In de kwaliteitsimpuls wordt belang gehecht aan de gebiedskenmerken van de provincie, zoals opgenomen in het Uitvoeringsmodel omgevingsvisie Overijssel. Deze zijn hiervoor reeds toegelicht en aan het projectinitiatief getoetst. De provinciale gebiedskenmerken vinden nauw aansluiting op drie schaalniveaus, waaraan middels de ontwerpprincipes van de basisinspanning voldaan moet worden.
32
Toetsing Schaalniveau 1 gaat in op het omringende landschap van het project. Zo moeten de schaal van het project en de omgeving op elkaar afgestemd worden. Het voorliggende project laat zien dat de inpassing van een zonnepark met energieopslagsysteem past binnen het matenlandschap, een kleinschalig gebied met een afwisseling van open en gesloten ruimten. Het relatief laaggelegen en natte kavel, historisch gebruikt als weidegrond, is grotendeels intact gebleven en maakt onderdeel uit van één kamer binnen dit landschap. Ook is gekozen voor een eenvoudige hoofdvorm van het zonnepark die de bestaande vorm van het planperceel volgt en benadrukt. Zie voor de verdere uitwerking hiervan Bijlage 1 en 2. Schaalniveau 2 betrekt de directe omgeving in het project. Het zonnepark nabij de Bussinksweg wordt visueel geïntegreerd door herstel van bestaande en toevoeging van nieuwe landschapselementen die de kleinschaligheid en afwisseling in het landschap versterken. Aan de noorden zuidzijde wordt het zonnepark aan het oog onttrokken door bestaande houtwallen, terwijl aan de oost- en westzijde nieuwe houtsingels worden aangelegd. Deze omranding bestaat uit gebiedseigen soorten, zoals wilg, zwarte els, meidoorn en lijsterbes. Ook wordt gewone liguster toegepast, een semi-wintergroene haagplant die het zonnepark ook in de winter grotendeels aan het zicht onttrekt.
Hekwerken die nodig zijn voor de beveiliging van het zonnepark worden aan de binnenzijde van de houtsingels geplaatst en voorzien van openingen aan de onderzijde voor klein wild en zoogdieren. De ruimte zonder zonnepanelen, boven en rondom de leidingen van Gasunie, wordt ingericht met kruidenrijk grasland samengesteld op basis van inheemse soorten. Deze wijze van landschappelijke inpassing is besproken met belanghebbenden die in en om het plangebied wonen, werken en recreëren. Voor een nadere uitwerking wordt verwezen naar Bijlage 1. Schaalniveau 3 biedt verdieping ten aanzien van de daadwerkelijke invulling van het park. De panelen zijn voorzien in een geordende zuidopstelling met een maximale bouwhoogte van minder dan 2 meter, waardoor de landschapselementen (bestaand en nieuw) het zicht vanuit de omgeving op het project volledig ontnemen. De ruimte rondom de aanwezige gasleidingen wordt ingericht als kruidenrijk grasland met soorten die aansluiten bij de omgeving. Het graslandbeheer binnen de hekken van het zonnepark vindt plaats middels een schaapskudde, wat bijdraagt aan de ecologische waarde en helpt structuurrijke vegetatie te ontwikkelen. Voor de ontsluiting van het zonnepark wordt het bestaande toegangspad aan de noordoostzijde voorzien van halfverharding met grasbetontegels of gebroken puin.
Aan de zuidoostzijde wordt een secundaire toegang aangelegd, geschikt voor blusvoertuigen die zodoende van twee zijden het plangebied kunnen bereiken. Rondom en door het park wordt een 33
vergelijkbare route aangelegd om toegang te bieden tot de paneelopstellingen. De fundering van de panelen bestaat uit geramde stalen buispalen, die na de exploitatiefase eenvoudig verwijderd kunnen worden zodat de impact op de ondergrond minimaal blijft. Bij de entree van het park, achter de houtsingel, worden het transformatorstation en het energieopslagsysteem met toebehoren geplaatst. Deze voorzieningen worden uitgevoerd in donkere kleuren om maximaal op te gaan in de omgeving. Zie voor een verdere uitwerking van schaalniveau 3 het inpassingsplan (Bijlage 1). Trede 2 Zonnepark Bussinksweg is ingedeeld op trede 2 van de Overijsselse zonneladder, wat betekent dat het planvoornemen gesitueerd is in de Groene Omgeving, maar niet binnen een natuurgebied. Dit past binnen de principes van de provinciale Handreiking zonnevelden, die richtlijnen biedt voor ruimtelijke inpassing en meervoudig ruimtegebruik. Het zonnepark met EOS is ontworpen als een tijdelijk (mede)gebruik voor een periode van 25 jaar, waarbij het bijdraagt aan de transitie van fossiele naar duurzame energiebronnen. Het landschappelijk ontwerp van het zonnepark sluit aan bij de maatschappelijke opgaven voor het landelijk gebied, zoals beschreven in de Handreiking.
De gehanteerde 80/20-referentie, waarbij 80% van het terrein gebruikt wordt voor het panelenveld en 20% voor groen en/of water, is in dit project nog ruimer toegepast: van de totale kavel van 3,57 hectare wordt slechts 2,04 hectare binnen het hekwerk gebruikt voor panelen en een batterijopstelling, waardoor het panelenveld slechts 57% van de kavel beslaat. Technisch gezien zal ongeveer 32% van het terrein bedekt zijn met panelen, waardoor meer dan tweederde (68%) ruimte overblijft voor landschapsherstel, waterbeheer en bevordering van biodiversiteit. Het planvoornemen draagt ook bij aan de extensivering van de landbouw in het gebied. Het zonnepark is gelegen op een laaggelegen kavel met een hoge grondwaterstand. Door de inrichting met grasland onder de panelen, kruidenrijke graslanden in de bufferstrook van Gasunie en begrazing door schapen wordt het infiltrerend vermogen van de bodem behouden. Om het waterbergend vermogen verder te vergroten, wordt aan de zuidzijde van het zonnepark ruimte vrijgemaakt voor de aanleg van ondiepe poelen, die door hun zonnige ligging bijzonder geschikt zijn voor amfibieën. Hiermee wordt niet alleen de ecologische waarde van het gebied versterkt, maar ook de wateropvangcapaciteit vergroot aangezien de poelen ruimschoots tegenwicht bieden aan de beperkt verharding voor trafohuis, EOS en onderhoudsroutes.
Door de combinatie van energieopwekking en -opslag, schapenbegrazing, landschappelijke inpassing, waterberging en ecologische versterking 34
draagt Zonnepark Bussinksweg bij aan meerdere gebiedsopgaven en sluit het aan bij de richtlijnen van de Handreiking zonnevelden. Daarmee rechtvaardigt het plan een plaats op trede 2 van de zonneladder als een zorgvuldig ingepast, multifunctioneel project binnen de Groene Omgeving. 2.3.6 Conclusie Provinciaal beleid Het voorliggende initiatief past binnen het provinciaal beleid van Overijssel. Het project voldoet aan de gestelde kaders in de omgevingsvisie, de omgevingsverordening en de Handreiking Zonnevelden. Het zonnepark sluit aan bij trede 2 op de zonneladder, is zorgvuldig landschappelijk ingepast en voldoet aan de voorwaarden voor tijdelijke ontwikkelingen in de Groene Omgeving.
2.4 RES-regio West-Overijssel 2.4.1 Regionale Energie Strategie De Regionale Energie Strategie (RES) West-Overijssel 1.0 is medio 2021 vastgesteld als strategisch koersdocument voor de regio West-Overijssel. De regio heeft de ambitie tegen 2030 jaarlijks 1.826 GWh aan duurzame elektriciteit op te wekken, waarbij 60% hiervan afkomstig is van windenergie en 40% van zonne-energie. Binnen de 40% zonne-energie is specifiek de ambitie geformuleerd 567 GWh per jaar te realiseren via zonop-land-projecten. De tussenstand van de RES 2.01 toont aan dat de voortgang van zon-opland in de regio West-Overijssel voor 2030 nog verdere stappen vereist. Van de totale ambitie van 567 GWh zon-op-land is 327 GWh gerealiseerd of in ontwikkeling. Dit betekent dat nog een opgave van 240 GWh resteert onderweg naar de doelstelling. Met zonnepark Bussinksweg wordt een deel van deze opgave ingevuld. De 2.219 MWh (2,2 GWh) aan verwachte stroomproductie per jaar is weliswaar slechts een gering aandeel van de totale opgave van 567 GWh aan zonnevelden, maar zal tegelijkertijd genoeg groene stroom kunnen leveren om in de jaarlijkse behoefte van bijna 900 gemiddelde Nederlandse huishoudens te kunnen voorzien.
1
https://reswestoverijssel.nl/monitor/tussenstand+jul+2022/HandlerDownloadFiles.ashx?idnv=2269331
35
2.4.2 Conclusie beleid RES-regio West-Overijssel Het voornemen past binnen het beleid van de RES-regio West-Overijssel, aangezien de realisatie van het zonnepark bijdraagt aan de ambitie 567 GWh stroomproductie met zon op land te realiseren in 2030.
2.5 Gemeente Deventer 2.5.1 Omgevingsvisie Deventer Eind 2019 heeft gemeente Deventer haar lokale omgevingsvisie vastgesteld. Hierin wordt het volgende aangegeven op pagina 18: ‘De behoefte aan duurzame energiebronnen stijgt. Lokaal opwekken van energie heeft een grote ruimtelijke impact in zowel bestaand stedelijk gebied (verduurzaming woningvoorraad), als in het buitengebied. Bijvoorbeeld bij het bieden van ruimte voor wind- en zonne-energie, geothermie en bio-energie. Ook ondergronds is innovatie en ontwikkeling nodig, bijv. voor het energietransport van windmolen tot voordeur en de aanleg van een warmtenet als duurzame verwarmingsbron. Er ontstaan lokale initiatieven (zoals coöperaties), waarbij inwoners, bedrijven en andere partijen samen het energiegebruik terugdringen en alternatieve energiebronnen aanboren. De energietransitie heeft daarmee niet alleen een fysieke component, maar ook een sociaal-maatschappelijke.’ Zonnepark Bussinksweg voorziet in de behoefte aan duurzame energie door lokale opwekking van hernieuwbare elektriciteit. Door middel van een inpassingsplan wordt de beleefbaarheid van de fysieke component van het zonnepark geminimaliseerd. Zo worden aan de noord- en zuidzijde bestaande houtwallen versterkt en worden aan de oost- en westzijde nieuwe houtsingels aangelegd.
De sociaal-maatschappelijke component krijgt gestalte vanuit een op maat gemaakt participatietraject. Omwonenden zijn meermaals geïnformeerd, geraadpleegd en om advies gevraagd over de plannen. Onder meer tijdens twee informatieavonden en een open inloopavond is een dialoog gevoerd met betrokkenen, waarvan de input is verwerkt in de verdere uitwerking van het project. De gevolgde stappen en resultaten van het communicatie- en procesparticipatieplan zijn respectievelijk terug te vinden in Bijlagen 3 en 4. De opgehaalde input is verwerkt in het inpassings- en beheerplan (Bijlage 1). Op pagina 61 van de visie wordt hiernaast beschreven in welke delen van de gemeente mogelijkheden voor energielandschappen worden herkend. De gemeente Deventer ziet kansen in het jonge ontginningenlandschap. Volgens de kaarten die bij de visie horen is de planlocatie aan de Bussinksweg gelegen in het jonge ontginningenlandschap. De locatie voldoet daarmee aan de lokale omgevingsvisie.
36
2.5.2 Uitgangspunten zonneparken Deventer In maart 2019 heeft de gemeente Deventer het document ‘Uitgangspunten zonneparken Deventer’ gepubliceerd. Hierin wordt gesteld dat het belangrijk is een goede balans te vinden tussen enerzijds de ambitie van de gemeente Deventer om in 2030 energieneutraal te zijn en anderzijds het gewenste lokale draagvlak voor een zonnepark. Het document stelt dat een projectinitiatief te allen tijde gepaard moet gaan met een verantwoorde ruimtelijke afweging en landschappelijke inpassing. Om deze balans zo goed mogelijk te bereiken en te bewaken, zijn uitgangspunten opgesteld. Hierbij is de handreiking 'Kwaliteitsimpuls Zonnevelden 2017' van de provincie Overijssel gebruikt als leidraad. Hieronder worden de uitgangspunten toegelicht aan de hand van vier hoofdthema’s. Landschappelijke en ruimtelijke inpassing Bij de ontwikkeling van zonneparken wordt gestreefd naar een landschappelijke en ruimtelijke inpassing die past bij de grootte, structuur en karakteristieke elementen van het landschap. Hierbij dienen bestaande gebiedskenmerken als aanknopingspunten voor een verantwoorde inpassing. Het ontwerp moet aansluiten bij de ruimtelijke structuur, patronen en verkaveling van het landschap, zodat deze herkenbaar blijven of verder worden ontwikkeld. Daarnaast is het belangrijk dat het zonnepark op een passende manier zichtbaar is in het landschap.
Zonnepark Bussinksweg sluit aan op deze uitgangspunten, aangezien het ontwerp zorgvuldig is afgestemd op het kleinschalige matenlandschap. Dit landschap wordt gekenmerkt door een afwisseling tussen open en gesloten ruimten en het zonnepark versterkt deze structuur door behoud en herstel van bestaande houtwallen en de aanleg van nieuwe houtsingels met gebiedseigen soorten. Randvoorwaarden en technische inrichting Voor de inrichting van zonneparken is het wenselijk randen te creëren die passen bij het landschapstype. Transparante en diervriendelijke hekwerken worden aanbevolen en toegangspoorten zouden logisch en goed bereikbaar moeten worden geplaatst. De zonnepanelen dienen afgestemd te worden op de ruimtelijke structuur van het landschap, waarbij zicht op de achterzijde van de panelen zoveel mogelijk wordt vermeden. Eventuele bijgebouwen, zoals transformatorstations, zouden zorgvuldig moeten worden ingepast met een ingetogen ontwerp om de ruimtelijke impact te minimaliseren. Het is wenselijk het gebruik van verlichting te beperken tot functionele toepassingen. Bij zonnepark Bussinksweg wordt invulling gegeven aan deze uitgangspunten door het behoud en herstel van bestaande houtwallen aan de noord- en zuidzijde. Aan de oost- en westzijde worden nieuwe
37
houtsingels toegevoegd met inheemse soorten die het park grotendeels aan het zicht onttrekken. Diervriendelijke hekwerken worden aan de binnenzijde van deze houtsingels geplaatst, met openingen om de doorgang van klein wild en zoogdieren mogelijk te maken. De zonnepanelen zijn zodanig opgesteld dat het zicht op de achterzijde wordt vermeden en de maximale bouwhoogte van 1,9 meter sluit aan bij de omliggende vegetatie. Het transformatorstation en een ruimte voor het energieopslagsysteem zijn zorgvuldig ingepast achter de houtsingel, uitgevoerd in een donkere kleur om visuele impact te minimaliseren. Verlichting wordt beperkt tot functionele toepassingen. Zie Bijlage 1 voor de verdere details en inrichtingsprincipes van het planvoornemen. Duurzaamheid en ecologie De uitgangspunten voor duurzaamheid en ecologie voor zonneparken richten zich op het vergroten van biodiversiteit en het bieden van een mogelijke meerwaarde voor de natuur, afhankelijk van ligging en landschapstype. Dit omvat de aanleg van stapsteenbosjes, houtwallen als verbindende elementen, natuurvriendelijke oevers, poelen, waterberging met hoge natuurwaarden en bloemrijke extensief beheerde graslanden. Ook worden soortspecifieke maatregelen aanbevolen om insecten, bijen, vlinders of bijzondere soorten zoals de das en kamsalamander te bevorderen.
Daarnaast zijn de uitgangspunten gericht op het stimuleren van een klimaatbestendig Deventer door een klimaatadaptieve inrichting te realiseren die is afgestemd op extreme weersomstandigheden, zoals heftige neerslag, extreme hitte en langdurige droogte. Een groene inrichting van het maaiveld sluit hierop aan, waarbij de hoeveelheid verharding zo beperkt mogelijk blijft. Samenwerking met waterschappen wordt aangemoedigd om eventuele wateropgaven in het gebied op te lossen. Tot slot bevatten de uitgangspunten advies met betrekking tot het streven naar een circulaire economie door het gebruik van recyclebare zonnepanelen en overige materialen. Zonnepark Bussinksweg geeft invulling aan deze uitgangspunten door 68% van het terrein in te zetten voor herstel van landschapselementen, klimaatmaatregelen die het waterbergend vermogen vergroten, de ontwikkeling van structuurrijke vegetaties op maaiveldniveau en het verbeteren van de biodiversiteit. Zie Bijlage 1 voor een gedetailleerde uitwerking. Aan de noord- en zuidzijde worden bestaande houtwallen versterkt, terwijl aan de oost- en westzijde nieuwe houtsingels worden aangeplant met inheemse soorten zoals wilg, zwarte els en lijsterbes. Op het perceel worden kruidenrijke graslanden aangelegd rond de gasleidingen met een zadenmengsel van gebiedseigen soorten. Aan de zuidzijde worden poelen aangelegd voor extra waterberging.
Het zonnepark draagt bij aan een klimaatbestendig Deventer door een klimaatadaptieve inrichting die is afgestemd op extreme weersomstandigheden zoals heftige neerslag, extreme hitte en langdurige droogte. Dit wordt onder meer gedaan door een groene inrichting van het 38
maaiveld, waarbij de hoeveelheid (half)verharding zo beperkt mogelijk is. In het gebied tussen de watergang en het zonnepark komen meerdere ondiepe poelen. Dit vergroot de waterbergingscapaciteit en helpt snelle afvoer en als gevolg daarvan wateroverlast te voorkomen bij hevige neerslag. Omdat behoudens de halfverharding voor de onderhoudsroutes, de opstelling van het energieopslagsysteem en het transformatorstation geen dichte verharding wordt aangebracht, kan regenwater in de bodem blijven infiltreren, wat helpt de grondwaterstand aan te vullen en droogte te voorkomen. De inrichting met grasland rondom de panelen, kruidenrijke grassen in de zone rond de Gasunie-leidingen en gericht beheer met schapen zorgen ervoor dat de bodem haar infiltrerend vermogen op zijn minst behoudt. Tot slot worden de panelen aangeschaft bij een partij die is aangesloten bij Stichting Organisatie Producentenverantwoordelijkheid E-waste Nederland (OPEN). Deze stichting zorgt voor de naleving van wettelijke verplichtingen met betrekking tot de inzameling en recycling van zonnepanelen, waarmee wordt bijgedragen aan een circulaire economie. Ook de draagframes, omvormers, bekabeling en ander toebehoren bestaan hoofdzakelijk uit herbruikbare materialen en componenten.
Maatschappelijke meerwaarde Zonneparken kunnen maatschappelijke meerwaarde creëren door het toevoegen van een recreatieve of informatieve functie, maar ook door de archeologische, cultuurhistorische of landschappelijke betekenis van een locatie te versterken. Welke vorm van maatschappelijke meerwaarde het meest geschikt is, hangt af van de specifieke ligging en omgeving. Zonnepark Bussinksweg draagt bij aan deze maatschappelijke meerwaarde door de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van het oude hoevenlandschap zichtbaar te maken. Het herstel en behoud van houtwallen, gecombineerd met de aanleg van nieuwe houtsingels met gebiedseigen soorten, versterkt de structuur van het kleinschalige coulissenlandschap en sluit goed aan bij de kenmerken en historische context van de locatie. Participatie en draagvlak In het uitgangspuntendocument van de gemeente Deventer wordt benadrukt dat participatie een essentieel onderdeel is van de ontwikkeling van zonneparken. De initiatiefnemer heeft een inspanningsverplichting om draagvlak te genereren in de omgeving. Hoewel draagvlak niet vooraf wordt gekwantificeerd, moet de omgeving actief betrokken worden via een participatietraject. Dit traject geeft inzicht in de mate van betrokkenheid, de ingezette middelen en de terugkoppeling van resultaten.
Participatie is onderverdeeld in procesparticipatie, waarbij omwonenden worden betrokken bij de planvorming en uitwerking, en projectparticipatie, waarin mogelijkheden voor financiële deelname worden geboden.
39
Procesparticipatie: de participatieladder De participatieladder, zoals opgenomen in de uitgangspunten van de gemeente Deventer, onderscheidt vijf niveaus van betrokkenheid, van laag naar hoog: Informeren, Raadplegen, Adviseren, Coproduceren en Meebeslissen. Voor zonneparken stelt de gemeente als minimale eis dat procesparticipatie wordt vormgegeven op trede 3 (Adviseren). Dit betekent dat de nadruk van communicatie gericht moet zijn op het actief verkrijgen van input van omwonenden en het verwerken van deze input in de nadere planvorming. Vrij op Naam Zonneparken heeft deze verplichting bij zonnepark Bussinksweg ingevuld door een communicatie- en procesparticipatieplan (zie Bijlage 3) op te stellen waarover op voorhand inhoudelijke afstemming is geweest met het bevoegde gezag. Omwonenden zijn meermaals geïnformeerd over de plannen en uitgenodigd om hun zorgen, wensen en ideeën te delen. Tijdens inspraakavonden en een werkatelier is een dialoog gevoerd met betrokkenen, waarvan de resultaten in Bijlage 4 zijn gedocumenteerd. Hiermee is voldaan aan de eisen van trede 3 van de participatieladder, zoals opgenomen in de gemeentelijke uitgangspunten. Projectparticipatie Naast procesparticipatie is projectparticipatie een essentieel onderdeel behorend bij de ontwikkeling van een zonnepark.
Projectparticipatie is gericht op het (lokaal) bieden van de mogelijkheid financieel mee te profiteren van de opbrengsten van het zonnepark, voor een evenwichtige verdeling van eventuele lasten en lusten. Vrij op Naam Zonneparken heeft voor zonnepark Bussinksweg verschillende opties onderscheiden om deze financiële participatie vorm te geven, zoals uitgewerkt in Bijlage 5, het plan voor financiële participatie. Vanuit de afstemming met de (in)direct omwonenden van het plangebied is geen animo ontstaan om lokaal eigenaarschap te verwerven in de vorm van aandelen van de project-BV. Buurtverenging Dijkerhoek is nadien dezelfde mogelijkheid voorgelegd, maar ziet geen participatierol in het zonnepark voor zichzelf weggelegd omdat dit niet aansluit op haar kernactiviteiten. Ten slotte is Noaber-Energie uit Bathmen benaderd om van gedachten te wisselen over participatie in de vorm van aandelen in de project-BV. Met de coöperatie heeft Vrijopnaam als initiatiefnemer reeds diverse gesprekken gevoerd die in het laatste kwartaal van 2025 worden vervolgd, met als insteek dat Noaber-Energie zal meedoen met (het vervolg van) de risicodragende ontwikkeling en exploitatie van het project. In het derde kwartaal van 2025 heeft de coöperatie toegang tot middelen verworven waarmee zij die ambitie kracht bij kan zetten. De afspraken met Vrijopnaam dienen echter nog verder te worden uitgewerkt.
Zie ook Bijlage 3 voor een gedetailleerde over de afstemming met deze organisaties en Bijlage 5 voor het uitgewerkte plan voor financiële participatie.
40
Een belangrijk instrument dat sowieso de weg naar de praktijk zal vinden, is Paneelopnaam, waarmee inwoners van de gemeente Deventer het recht kunnen verkrijgen op het vruchtgebruik (de stroom) van het zonnepark. Voor een vast bedrag van € 99 per paneel ontvangen deelnemers gedurende negen jaar jaarlijks minimaal 250 kWh zonnestroom. Deze stroom wordt direct in mindering gebracht op hun energierekening, waardoor zij concreet financieel voordeel ervaren van het project. Het energetische en financiële rendement van een Paneelopnaam is vergelijkbaar met dat van panelen op eigen dak. Verder wordt onderzocht of voldoende interesse bestaat in crowdfunding. Via een door de AFM erkend platform kan een deel van het eigen vermogen van het project beschikbaar worden gesteld aan de omgeving, mits de betrokken bancaire financier dit toestaat. Dit biedt de omgeving de mogelijkheid financieel te participeren zonder van energieleverancier te switchen en, afhankelijk van de overeengekomen voorwaarden met de betrokken bank, een jaarlijks rendement van circa 3-5% te behalen. Deze aanpak draagt bij aan het betrekken van de omgeving en het creëren van lokaal draagvlak voor het zonnepark.
Wanneer het uiteindelijk niet lukt 50% van de aandelen van de project-BV lokaal te organiseren, dan is een vaste afdracht vanuit de projectkasstromen door de initiatiefnemer aan een lokaal fonds een (voor de omgeving risicoloos) alternatief om de winsten deels ook lokaal te laten landen. Dit geld komt dan jaarlijks lokaal beschikbaar en kan onder nader op te stellen spelregels worden besteed, bijvoorbeeld aan verduurzamingsmaatregelen, een buurtfeest of nog iets heel anders. Dit gaat doorgaans om een bedrag in de ordegrootte van € 0,40 - € 0,50 per MWh geproduceerde hernieuwbare elektriciteit, in lijn met de gedragscode zon op land van branchevereniging Holland Solar. 2.5.3 Deventer aandeel in RES-bod West-Overijssel In paragraaf 2.4 is de RES regiobreed aan bod gekomen. Gemeente Deventer heeft zich in die context gecommitteerd aan een concreet aandeel van 212 GWh aan jaarlijkse productie van hernieuwbare elektriciteit. Met oog op dat doel wordt een bijdrage van 63 GWh verlangd van zonne-energie, anders dan zon op daken van woningen. Momenteel is binnen dat domein 40 GWh gerealiseerd, wat inhoudt dat nog aanvullende opwek nodig is. Het planvoornemen zou voorzien in circa 2,5 GWh aan jaarlijkse productie van hernieuwbare elektriciteit en het Deventer aandeel van het RES-bod voor West-Overijssel zodoende dichter binnen handbereik brengen.
41
2.5.4 Conclusie gemeentelijk beleid Het planvoornemen voor Zonnepark en EOS Bussinksweg Bathmen past binnen het beleid van de gemeente Deventer. •
•
•
•
Het voornemen draagt bij aan de gemeentelijke doelstellingen uit de omgevingsvisie Deventer om lokale opwekking van hernieuwbare energie te bevorderen, met aandacht voor zowel de fysieke als de sociaal-maatschappelijke component van de energietransitie. Het voornemen sluit aan op de uitgangspunten uit het document ‘Uitgangspunten zonneparken Deventer’, op het gebied van landschappelijk en ruimtelijke inpassing, technische randvoorwaarden, duurzaamheid, ecologie en maatschappelijke meerwaarde. Het voornemen is een bouwsteen van het afgesproken en vooralsnog onvoltooide Deventer aandeel binnen de RES-opgave om te komen tot 212 GWh productie van hernieuwbare elektriciteit per jaar, waarvan 63 GWh uit zonne-energie (niet zijnde zon op daken van woningen). In het ontwikkeltraject tot op heden is invulling gegeven aan de inspanningsverplichting om draagvlak te creëren in de omgeving (zie Bijlage 4 voor een verslag hiervan), waarbij de principes van trede 3 van de lokale participatieladder zijn toegepast.
2.6 Conclusie De realisatie van Zonnepark en EOS Bussinksweg Bathmen sluit aan op de hiervoor beschreven beleidsdoelen met betrekking tot de opwek van hernieuwbare energie op mondiaal, Europees, rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Het project draagt bij aan de regionale en provinciale energiedoelstellingen, zoals onder meer vastgelegd in de RES West-Overijssel en het Programma Nieuwe Energie Overijssel. Daarnaast voldoet het initiatief aan de uitgangspunten van de gemeente Deventer voor zonneparken en is het voorzien op een locatie die in de Omgevingsvisie Deventer als kansrijk wordt beschouwd, in het jonge ontginningenlandschap. Verder kan het planvoornemen in lijn met de aangescherpte zonneladder van de provincie Overijssel worden ontwikkeld. De gemeente Deventer heeft vóór 13 oktober 2023 een positief principebesluit met betrekking tot het initiatief afgegeven, waardoor het planvoornemen bovendien voldoet aan de belangrijkste eis die de provincie in 2024 heeft vastgesteld inzake de “Overgangsregeling” voor zon-op-land-initiatieven. Een tweede voorwaarde hiervoor betreft de opvolging van principes vanuit de Kwaliteitsimpuls zonnevelden in de Groene Omgeving (maatschappelijke meerwaarde, versterken/
42
compenseren ruimtelijke kwaliteit en natuurwaarden). Uit paragraaf 2.3 is gebleken op welke wijze hier invulling aan is gegeven, zie ook Bijlage 1. De derde en laatste voorwaarde die aan de provinciale overgangsregeling is gekoppeld, betreft de tijdlijn van het project: afronding dient voor 1 januari 2030 plaats te vinden. In Hoofdstuk 5 is een planning opgenomen waaruit blijkt dat dit met de kennis van nu haalbaar is.
43
3 Beschrijving huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling 3.1 Beschrijving huidige situatie Zoals beschreven in Hoofdstuk 1.2 bevindt het plangebied zich op het perceel gelegen tussen de kavels met adreslocatie Bussinksweg 1 en 3 te Bathmen (Perceel BMN02- E-15). Dit perceel is ten noordoosten van de kern van Bathmen gesitueerd in de richting van de dorpen Okkenbroek en Dijkerhoek. Het perceel maakt onderdeel uit van agrarisch gebied en is gelegen ten westen van de Bussinksweg en ten oosten van de Ikkinksweg, zie Figuur 6.
Figuur 6: Situering projectgebied. 3.1.1 Functionele structuur Het projectgebied betreft een agrarisch perceel dat de afgelopen jaren als gras- en maïsland heeft gefungeerd. Twee dubbelbestemmingen2 zijn van toepassing: een aanduiding voor de aanwezigheid van gasleidingen en de dubbelbestemming "Archeologie 2", zoals weergegeven in Figuur 7. Deze bestemmingen impliceren voor het projectontwerp respectievelijk het Het begrip ‘bestemmingen’ is sinds invoering van de Omgevingswet niet langer van toepassing. De bestemmingsplannen zoals die voorheen golden zijn opgenomen onder het gemeentelijke omgevingsplan. Gemeentes krijgen de komende jaren de tijd om het omgevingsplan in te vullen.
2
44
vrijhouden van een bufferzone rondom de gasleidingen en oog voor het behoud van archeologische waarden bij ingrepen in de bodem. De omgeving van het projectgebied bestaat voornamelijk uit agrarische gronden en verspreide bebouwing. Binnen het projectgebied zijn geen recreatieve voorzieningen aanwezig, zoals wandel- of fietsroutes.
Figuur 7: Bestemmingen in en rondom het projectgebied. Woningen en verblijfsobjecten Rondom het projectgebied bevinden zich verschillende verblijfsobjecten, waaronder (bedrijfs)woningen, zie Figuur 8. De dichtstbijzijnde woningen liggen direct ten noordoosten en zuidoosten van het projectgebied achter de houtwallen, respectievelijk aan de Bussinksweg 3 en Bussinksweg 1, op minder dan 100 meter afstand. Ten westen van het projectgebied ligt een mini-camping aan de Ikkinksweg 7 op minder dan 200 meter afstand.
45
Figuur 8: Verblijfsobjecten, inclusief woningen, in de nabijheid van het projectgebied. Infrastructuur en risicovolle inrichtingen Nabij het projectgebied ligt de Holterweg op een afstand van ruim 500 meter. Deze lokale verkeersader is het dichtstbijzijnde infrastructurele werk en speelt een rol in de bredere ontsluiting van de omgeving. Daarnaast doorkruisen vijf hogedrukgasleidingen van Gasunie het projectgebied. Deze leidingen zijn opgenomen als dubbelbestemming in het omgevingsplan en vereisen een veiligheidsbufferzone vanwege mogelijke risico’s bij schade of lekkage en toegang voor beheer en onderhoud. Dit vormt een belangrijke factor bij de inrichting van het zonnepark. In paragraaf 4.6.2 (Buisleidingen) staat beschreven welke concrete maatregelen in het projectplan zijn verwerkt als resultaat van maatwerkafstemming met Gasunie als belanghebbende, teneinde nadelige beïnvloeding op de buisleidingen te voorkomen. Binnen een straal van drie kilometer van het projectgebied bevinden zich verder geen risicovolle inrichtingen, zoals tankstations of industriële faciliteiten.
46
Figuur 9: Infrastructuur in de omgeving van het projectgebied. De afbeelding toont de loop van de gasleidingen en de Holterweg ten opzichte van het projectgebied. Natuur Het projectgebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Wel liggen enkele Natura 2000-gebieden in de ruime omgeving van het project, zie Figuur 10. Deze gebieden zijn onder meer de Sallandse Heuvelrug (ca. 5,4 km afstand), Boetelerveld (ca. 8,9 km afstand) en Borkeld (ca. 9,5 km afstand). Het gebied Rijntakken ligt op meer dan 10 km afstand van het projectgebied. Op circa 0,3 km afstand van het plangebied liggen de dichtstbijzijnde gebieden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland. Er liggen geen stiltegebieden nabij het projectgebied. Zie paragraaf 4.8.2 (Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden) voor de impactanalyse van zonnepark Bussinksweg.
47
Figuur 10: Natuur in de omgeving van het projectgebied. De bestaande groenstructuren op/aan de randen van het perceel zijn via een inventarisatie van ANV Groen Salland in kaart gebracht, evenals de aanknopingspunten die dit biedt voor de landschappelijke inpassing als onderdeel van het planvoornemen; zie hiervoor Bijlage 6. 3.1.2 Zichtbaarheid De projectlocatie bevindt zich in een halfopen agrarisch landschap en is zichtbaar vanaf verschillende omliggende wegen en percelen, zoals de Bussinksweg en de Ikkinksweg, zie Figuur 11. Om het zonnepark met EOS zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken, wordt gebruikgemaakt van bestaande landschapselementen, zoals de houtwallen, die worden aangesterkt. Aanvullend worden aan de open randen nieuwe houtsingels gerealiseerd met boomvormers (zoals fladderiep, wilg, zwarte els) en struiken (meidoorn en lijsterbes). Voor een (semi-)wintergroen beeld wordt ook hulst en wilde liguster toegepast, een semi-wintergroene haagplant die in het Nederlandse klimaat in principe jaarrond groen blijft. De toevoeging van nieuwe houtsingels en het behoud/de versterking van bestaande houtwallen draagt eraan bij dat het zonnepark visueel afgeschermd zal zijn voor omwonenden. Zie Bijlage 1 voor alle details van het inpassingsplan (en beheerplan).
Het uitvoeren en in stand houden van de landschappelijke inpassing gedurende de instandhoudingstermijn van het zonnepark, is door middel van een vergunningvoorschrift geborgd.
48
Figuur 11: Zicht op het plangebied (paars gearceerd) in de huidige situatie: vanaf de Bussinksweg ten zuidoosten van plangebied (foto A), vanaf de Bussinksweg ten noordoosten van plangebied (foto B) en vanaf de Ikkinksweg (foto C) inclusief locatieduiding van de zichtlijnen (onder). 49
3.2 Projectbeschrijving In deze paragraaf wordt beschreven hoe de keuze voor een zonnepark met energieopslagsysteem en de keuze voor de locatie tot stand zijn gekomen. Ook worden de belangrijkste systeemcomponenten toegelicht. 3.2.1 Keuze voor een zonnepark De energietransitie vraagt om een energielandschap waarin steeds meer elektriciteit wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen. Om de doelstellingen te halen, is het nodig dat verschillende vormen van energieopwekking worden ingepast in het landschap. Zonne-energie is één van die duurzame bronnen uit deze energiemix. De productie van zonneenergie zorgt voor relatief weinig (negatieve) milieueffecten, maar er is wel sprake van een relatief groot ruimtebeslag. Een zonnepark is technisch eenvoudig aan te leggen zonder ingrijpende funderings- of installatiewerkzaamheden. Dit zorgt ervoor dat het realiseren (en verwijdering) van een zonnepark relatief eenvoudig is. Een alternatief op het gebied van zonne-energie is het plaatsen van zonnepanelen op daken. Echter, lang niet al het dakoppervlak in Nederland is geschikt voor het opwekken van zonne-energie. Denk aan beperkingen op het gebied van bijvoorbeeld draagkracht, aansluitcapaciteit en/of zonlichtinval. Ook kan de gemeente eigenaren er niet toe verplichten zonnepanelen op hun daken aan te brengen.
Daarnaast worden de ambities en doelstellingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 niet gehaald door enkel zonnepanelen op daken. Grondgebonden zonneparken zijn daarom evenzeer nodig om de doelstellingen te behalen. Het is daarom ook niet nodig om eerst alle daarvoor geschikte daken van zonnepanelen te voorzien, voordat een grondgebonden zonnepark kan worden gerealiseerd. Voordeel van grootschalig opwekken Het grootschalig opwekken van zonne-energie heeft voordelen ten opzichte van het decentraal en kleinschalig opwekken. In vergelijking met het kleinschalig opwekken van zonne-energie op bijvoorbeeld dakoppervlak levert het opwekken van zonne-energie in een groot zonnepark een belangrijk efficiëntievoordeel door onder meer schaalvoordelen en transport. Een groot zonnepark levert absoluut en vaak ook relatief gesproken een grotere jaarproductie aan elektriciteit op en tegen lagere (relatieve) kosten in vergelijking met kleinschalige opwek.
50
3.2.2 Keuze voor een energieopslagsysteem Het toevoegen van een energieopslagsysteem aan het zonnepark is om diverse redenen in toenemende mate een wenselijke ontwikkeling, zoals hieronder kort toegelicht. Voorkomen van energieverspilling Door de sterke groei van wind- en zonne-energie is het balanceren van vraag en aanbod complexer geworden. Dat leidt vaker tot (zeer) lage of negatieve elektriciteitsprijzen en bij daadwerkelijke netknelpunten tot expliciete beperkingen via congestiemanagement (door TenneT en/of de regionale netbeheerder die het midden- en laagspanningsnet beheert; in het plangebied is dat Enexis). Met een opslagsysteem kan tijdelijk nietafzetbare productie worden opgeslagen en op een later moment geleverd, zodat minder duurzame energie verloren gaat. Bijdragen aan de stabiliteit van het netwerk Opslag kan actief een bijdrage leveren aan systeemdiensten en balancering: denk hierbij aan deelname aan de landelijke primaire en secundaire reservemarkten (FCR/aFRR), het inspelen op de landelijke onbalansprijs en het meewerken aan congestiemanagement (onder meer via GOPACS, het gezamenlijke platform van TenneT en de regionale netbeheerders waaronder Enexis). Daarmee draagt het systeem bij aan frequentiehandhaving, balanceringscapaciteit en het voorkomen van lokale overbelastingen.
Bijdragen aan een efficiënter gebruik van het lokale netwerk TenneT en regionale netbeheerders zoals Enexis zijn bezig met de implementatie van processen om via congestiemanagement de capaciteit van lokale netwerken beter te kunnen benutten. Daarvoor is het van belang lokaal ook zoveel mogelijk flexibiliteit in vraag en aanbod te organiseren, meer dan nu het geval is. Een energieopslagsysteem levert hieraan een belangrijke bijdrage en kan door regionale netbeheerder in de gemeente Deventer (Enexis) zelfs als “congestieverzachter” worden aangemerkt, afhankelijk van nog te verrichten onderzoek naar de exacte kenmerken en situatie in het betreffende middenspanningsnetvlak waarop zowel het zonnepark als het energieopslagsysteem worden aangesloten (via een gedeelde netaansluiting). De netbeheerders rollen processen uit om via congestiemanagement de bestaande netcapaciteit beter te benutten. Lokale flexibiliteit is daarbij essentieel. Een batterij bij het zonnepark kan piek-invoeding voorkomen dan wel afvlakken en vraag/aanbod in de tijd verschuiven. Afhankelijk van de technische aansturing en het middenspanningsnetvlak waarop zowel het zonnepark als het energieopslagsysteem worden aangesloten (via een gedeelde netaansluiting) kan Enexis een dergelijk systeem aanmerken als congestieverzachter; dit vergt separaat technisch onderzoek.
51
Beleidskader In het Meerjarenprogramma Klimaatfonds 2025 is een beleidsvoornemen opgenomen voor een toekomstige batterijverplichting bij zonneparken. Dit is nog geen geldende wettelijke plicht; nadere uitwerking en besluitvorming volgen. 3.2.3 Locatiekeuze Zoals toegelicht in paragraaf 2.5 is de locatiekeuze in overeenstemming met de bepalingen en aanwijzingen uit de “omgevingsvisie Deventer” en het rapport “Uitgangspunten zonneparken Deventer” van de gemeente. Initiatiefnemer Vrij op Naam Zonneparken is in 2022 in contact gekomen met een ondernemer die een groot deel van zijn agrarische activiteiten heeft stopgezet en om die reden op zoek was naar een zinvolle andere invulling van (een deel van) zijn agrarische grond. Het betreffende perceel is gelegen in een van de voorkeursgebieden van de gemeente voor zon op land (het jonge ontginningslandschap). 3.2.4 Planbeschrijving In deze paragraaf worden de belangrijkste systeemcomponenten van het voornemen nader toegelicht.
Figuur 12: Inpassingstekening zonnepark met energieopslagsysteem. 52
Zonnepanelen De monokristallijne zonnepanelen zoals voorzien worden in een zuidzuidwestelijke opstelling geplaatst in lijn met de kavelstructuur, onder een hellingshoek van circa 15 graden. De maximale hoogte van de zonnepanelen ten opzichte van het maaiveld blijft onder de 2 meter. De zonnepanelen zijn (standaard) voorzien van een antireflecterende coating zodat invallend zonlicht zoveel als mogelijk kan worden geabsorbeerd, Door de combinatie van hellingshoek en oriëntatie ten opzichte van het zuiden enerzijds en deze coating alsmede de landschappelijke inpassing in groenstructuren anderzijds, zal van hinderlijke lichtreflectie geen sprake zijn; zie ook paragraaf 4.2 waarin het thema schittering centraal staat. Draagframes Palen worden direct in de bodem geramd of geschroefd en hierbovenop wordt het draagframe gemonteerd. De palen en frames worden vervaardigd van corrosiebestendige materialen, geschikt voor langdurig gebruik in een buitenomgeving. De frames zijn ontworpen om de zonnepanelen in een vaste zuid-opstelling te ondersteunen, met een hellingshoek van circa 15°. Het ontwerp van de frames houdt rekening met de bodemgesteldheid van het projectgebied, waarbij stabiliteit wordt gewaarborgd en bodemschade wordt geminimaliseerd. Om de exacte ramof schroefdiepte van de frames te bepalen, worden voorafgaand aan de uitvoering bodemsonderingen en/of een trekproef uitgevoerd.
Energieopslagsysteem Het zonnepark wordt uitgerust met een energieopslagsysteem met lithium-ion-cellen op basis van brandveilige LFP-chemie (met ijzerfosfaatkathodes). Het energieopslagsysteem krijgt een geschatte opslagcapaciteit van 6 MWh en een vermogen van 1,5 MW, afgestemd op de verwachte energieopbrengst van het zonnepark. Het systeem wordt geïnstalleerd in een 20ft-container met eventueel benodigde hulpcomponenten voor de elektrische inpassing zoals een PCS-kast (omvormers) en een step-up-transformator voor inpassing op het trafostation van het zonnepark. Het ontwerp van het energieopslagsysteem voldoet aan alle geldende veiligheidseisen, waaronder de circulaire risicobeheersing voor lithium-ion energiedragers, de PGS-37-1, en IEC62619. Hierbij wordt rekening gehouden met specificaties zoals compartimentering van batterijcellen, automatische afschakeling bij calamiteiten, actieve koeling en een intern blussysteem. Voor meer informatie zie Bijlage 7: Toetsing PGS-37-1 EOS Bussinksweg Bathmen.
53
Figuur 13: Lay-out en impressie energieopslagsysteem in container. Bekabeling en aansluiting elektriciteitsnetwerk De kabels worden per zonnepaneel middels DC-kabels (gelijkstroom) naar de omvormers geleid, waar de stroom wordt omgezet naar bruikbare wisselstroom op laagspanning (400-800V). De opgewekte elektriciteit wordt vervolgens via kabels geleid naar het transformatorstation, waar de stroom wordt omgezet van laagspanning naar middenspanning (hier 10.000 V). De AC-bekabeling wordt grotendeels ondergronds aangelegd om het landschap visueel en functioneel zo min mogelijk te verstoren. De middenspanningskabels leiden de stroom van het transformatorstation bij het zonnepark naar het inkoopstation dat aan de openbare weg (Bussinksweg) wordt geplaatst. Dit inkoopstation is het overdrachtspunt op het netwerk van regionale netbeheerder Enexis en wordt via een zogenaamde “knip en verbinding” “ingelust” op het bestaande 10-kVringnetwerk van Enexis. De exacte locatie van het inkoopstation wordt in een later stadium vastgesteld in overleg met Enexis. Bouwproces De zonnepanelen worden op de grondframes gemonteerd en vervolgens geramd of geschroefd in de bodem. De bekabeling wordt aangelegd en verbonden met de omvormers en het transformatorstation.