CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-750-bijlage-(aanvullingen 11-09-2025) Ruimtelijke onderbouwing BOPA Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3

Raadsvergadering 26 november 2025, gemeente DeventerBij agendapunt: BOPA Hagenvoorderdijk 3 Schalkhaar19.146 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.4.1.2 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie gemeente Deventer De ontwikkeling sluit aan bij de ambities uit de Omgevingsvisie van de gemeente Deventer. De ontwikkeling maakt gebruik van bestaande bebouwing en behoudt cultuurhistorische waarden. Het project houdt rekening met landschappelijke en ecologische kwaliteit door toepassing van natuurlijke erfafscheidingen en een landschappelijk inpassingsplan. Er wordt extra woonruimte gerealiseerd zonder uitbreiding van het ruimtebeslag. De ontwikkeling sluit aan bij de doelstellingen voor duurzaam ruimtegebruik, behoud van erfgoed en zorgvuldig omgaan met de leefomgeving. Tot slot wordt vermeld dat er maatregelen worden getroffen op het gebied van klimaatadaptatie, duurzaamheid en natuur inclusiviteit. In hoofdstuk 4 van deze onderbouwing wordt hier verder op ingegaan. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie gemeente Deventer. 3.4.2

Woonvisie Deventer (2024)

3.4.2.1 Algemeen De Woonvisie geeft aan waar het woonbeleid zich de komende 5 tot 10 jaar op richt. Het geeft de ambities aan en de belangrijkste opgaven. Deze zijn gemeentebreed, zowel voor de stad Deventer als de omliggende dorpen en kernen. De Woonvisie geeft niet altijd definitieve antwoorden op de opgaven, maar geeft wel richting aan de manier waarop we de opgaven oppakken. De visie is een uitnodiging aan de partners om actief bij te dragen aan het realiseren van de woonopgaven. In de woonvisie staan meerdere ambities centraal op basis waarvan verder wordt gewerkt: 1. Vitale stad aan de IJssel; 2. Ongedeeld en inclusief; 3. Duurzaam en toekomstbestendig. Hier zijn de volgende woonopgaven aan verbonden: 1. Voldoende, betaalbaar en divers; 2. Goed wonen in wijken en dorpen; 3. Duurzaam wonen. Voor de voorgenomen ontwikkeling is met name het aspect ‘Goed wonen in dorpen’ in de Woonvisie van belang. 3.4.2.2 Goed wonen in dorpen ‘Noaberschap’ en betrokkenheid bij de leefbaarheid zijn kwaliteiten die bij uitstek in de dorpen aanwezig zijn. Voor de ouderen is van belang dat voorzieningen die, niet aanwezig zijn in de dorpen, wel bereikbaar blijven en dat zorg hen ook thuis kan bedienen. We accepteren dat in dorpen niet alle woonvormen en voorzieningen als in de stad beschikbaar zijn.

Wel is het zaak met de ontwikkelruimte die er is, goed aan te sluiten bij de kwalitatieve woonvraag van met name jongeren en ouderen vanuit de kern. We staan open voor kleinschalige burgerinitiatieven en innovatieve ideeën die met name gericht zijn op betaalbaar wonen voor starters, het langer zelfstandig blijven wonen en de leefbaarheid in de kernen en op het platteland. De afgelopen jaren zijn routekaarten opgesteld en vastgesteld voor de dorpen Diepenveen, Schalkhaar, Lettele, Loo, Okkenbroek en Bathmen. Deze gaan dieper in op doelgroepen, tempo en plekken. In paragraaf 3.4.3 wordt verder ingegaan op de routekaart voor Schalkhaar.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief 3.4.2.3 Toetsing initiatief aan de Woonvisie Deventer (2024) De ontwikkeling is passend binnen de beleidsambities van de Woonvisie Deventer 2024, met nadruk op het thema “Goed wonen in dorpen”. De ontwikkeling maakt gebruik van bestaande bebouwing en voegt op beperkte schaal extra woonruimte toe, zonder uitbreiding van het bebouwde oppervlak. Dit sluit aan bij de wens om in dorpen in te spelen op de lokale woonvraag. In dit geval is er sprake van een concrete behoefte. De ontwikkeling houdt rekening met het behoud van het dorpskarakter en de aanwezige cultuurhistorische waarden. Er wordt geen grootschalige nieuwbouw gerealiseerd, waardoor het landschap en de ruimtelijke kwaliteit behouden blijven. Het plan past binnen de kaders voor dorpsontwikkeling zoals genoemd in de Woonvisie en sluit aan bij de routekaarten voor dorpen als Schalkhaar. Aan de routekaart wordt in paragraaf 3.4.3 verder getoetst. 3.4.3

Routekaart Schalkhaar Wonen en Voorzieningen

3.4.3.1 Algemeen Zoals reeds benoemd in paragraaf 3.4.2.4 is voor het dorp Schalkhaar een routekaart opgesteld om dieper in te gaan op de doelgroepen, tempo en plekken voor woningbouw binnen het dorp. De woningbouwopgave voor Schalkhaar is gericht op het beter in balans brengen van het aanbod in het dorp. Er is met name extra woningbouw voor ouderen nodig zodat zij in Schalkhaar naar een geschikte woning kunnen doorstromen en zo er een woning vrijkomt voor starters. Woningbouw voor starters is achtergebleven en jongeren hebben wat minder kans om te starten in het dorp. De zorgvraag van ouderen neemt toe, maar het aanbod woonzorg groeit niet, zij moeten in een eigen woning blijven of verhuizen naar een geschikte woning. Op inbreidingslocaties in en rond het centrum van Schalkhaar, zou meer van dergelijk aanbod gerealiseerd moeten worden. Daarnaast is er de wens om ruimte te geven aan initiatieven van senioren die gezamenlijk een levensloopgeschikt, dorps woonproject willen ontwikkelen met grondgebonden wonen. 3.4.3.2 Toetsing van het initiatief aan de Routekaart Schalkhaar Wonen en Voorzieningen De ontwikkeling past binnen de routekaart Schalkhaar Wonen en Voorzieningen. De ontwikkeling maakt gebruik van bestaande bebouwing en betreft een kleinschalige toevoeging, waarmee wordt ingespeeld op de lokale vraag zonder grootschalige uitbreiding.

In dit geval is er sprake van een concrete vraag. 3.4.4

Bestemmingsplan Buitengebied Deventer, 1e herziening

In artikel 49.2 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een extra wooneenheid toe te staan in een karakteristiek gebouw of monument dat niet is aangebouwd aan de (voormalige) bedrijfswoning. De voorwaarden zijn als volgt: a) het realiseren van een woning in een bijgebouw is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek'; b) de aanduiding karakteristiek dient opgenomen te zijn omdat het blijkens bijlage 6 of 7 een karakteristiek bijgebouw betreft; c) de realisatie van een woning in een bijgebouw, gelegen op gronden binnen 50 m ten opzichte van de bestemming Leiding - Hoogspanningsverbinding is niet toegestaan; d) het bepaalde onder c is niet van toepassing indien uit berekeningen blijkt dat het jaargemiddelde magneetveld voldoet aan de normen; e) er wordt daadwerkelijk bijgedragen aan herstel en/of behoud van deze panden; f) de cultuurhistorische waarde van deze gebouwen wordt niet aangetast; g) de geluidsbelasting aan de gevel ten gevolge van weg- en railverkeer mag de uiterste grenswaarde, zoals vastgelegd in de Wet geluidhinder (onder de Omgevingswet vervat in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)), niet overschrijden; met dien verstande dat: h) het gebruik plaatsvindt binnen het bestaande bouwvolume; uitbreiding van bebouwing is niet toegestaan waardoor het uitwendige karakter van het bijgebouw – zoals dit bepaald is

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief

i)

door hoofdafmetingen, onderlinge maatverhoudingen, dakvorm en nokrichting – behouden blijft; bij het wijzigingsplan beperkingen kunnen worden gesteld aan de oppervlakte van bijgebouwen bij deze nieuwe woning.

3.4.3.1 Toetsing van het initiatief aan de wijzigingsbevoegdheid a) Er is geen sprake van de aanduiding ‘karakteristiek’. Het betreft echter wel een gemeentelijk monument. De ontwikkeling omvat het realiseren van een extra woning in een bestaand bijgebouw. Daarnaast wordt het bestaande woonhuis gerenoveerd, waarbij het monument wordt verduurzaamd en gemoderniseerd. Dit draagt bij aan het behoud van het monument voor de toekomst. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.9.3 evenals 4.15.2 van deze onderbouwing. b) zie de toetsing onder a); c) Hier wordt aan voldaan. De dichtstbijzijnde dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’, ligt op zo’n 145 meter afstand van het projectgebied. d) Niet van toepassing. e) Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.9.3 evenals 4.15.2 van deze onderbouwing. f) Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.9.3 evenals 4.15.2 van deze onderbouwing. g) Hier wordt aan getoetst in paragraaf 4.1. Op deze plek wordt geconcludeerd dat aan deze voorwaarde wordt voldaan. h) Deze aanvraag ziet slechts toe op de planologische aanvaardbaarheid hiervan. In een later stadium zal een afzonderlijke omgevingsvergunning worden aangevraagd voor de bouwactiviteit, op het moment dat het bouwplan verder is uitgewerkt en geconcretiseerd. Bij deze tweede aanvraag zal een toetsing plaatsvinden op bouwkundige aspecten en welstandseisen.

Bij deze aanvraag wordt rekening gehouden met deze voorwaarde. Hier wordt aan voldaan. i) Er wordt gebruikt gemaakt van de bestaande bijgebouwen. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Met uitzondering van de randvoorwaarde onder a en b wordt aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid voldaan. De gemeente heeft aangegeven dat de overige randvoorwaarden kunnen worden toegepast om te kunnen beoordelen of er kan mee gewerkt aan buitenplanse afwijking. 3.4.5

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

De in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de voorgenoemde beleidsstukken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief

HOOFDSTUK 4

ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU

4.1

Geluid door activiteiten

4.1.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •

activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.1.2

Motivering

In voorliggend geval wordt een geluidsgevoelig object toegevoegd. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief •

voor een weg, bestaande uit drie of meer meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

In de nabije omgeving van het projectgebied bevinden zich geen spoorwegen. De dichtstbijzijnde spoorweg bevindt zich op circa 1,4 kilometer afstand van het projectgebied. Het projectgebied ligt in het geluidaandachtsgebied van de Hagenvoorderdijk. Door BJZ.nu is een akoestisch onderzoek gevoerd naar wegverkeerslawaai. Deze is als bijlage 2 bij deze onderbouwing gevoegd. Hierna worden kort de onderzoeksresultaten besproken. Onderzoeksresultaten Het geluid als gevolg van de gemeentelijke wegen bedraagt hoogstens 33 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. Dit betekent dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woning. Industrielawaai In de nabijheid is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig. Industrielawaai is geen belemmering voor het voornemen. Solitaire bedrijvigheid In een straal van zo’n 150 meter bevinden zich, op Tennisclub Park Braband na, geen geluidsbronnen. Om te kijken wat de belasting is van deze functie op het woon- en leefklimaat van de woningen binnen het projectgebied wordt gebruikt gemaakt van de richtafstanden geluid uit de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’.

Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In dit geval is er gezien de aard van de omgeving sprake van een ‘rustige woonwijk’. Opgemerkt wordt dat er is gemeten tussen gevel van de geplande woningen en de betreffende bestemming. Voor de functie ‘Tennisbanen (met verlichting)’ geldt een richtafstand voor geluid van 50 meter. De afstand vanaf de bestemming tot aan de gevel van de geplande woningen is circa 150 meter. Aan de richtafstand kan ruimschoots worden voldaan. Op de locatie van de woningen is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Bovendien wordt de ontwikkeling van de betreffende functie niet beperkt, aangezien deze reeds volledig wordt omsloten door bestaande woonfuncties. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.1.4

Conclusie

Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1

Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief •

duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 4.2.2

Motivering

In voorliggend geval is er slechts sprake van kleinschalige bodemingrepen. Bovendien is het reeds mogelijk om in het projectgebied te wonen. In het projectgebied is reeds sprake van bouwwerken waarin (nagenoeg) voortdurend mensen verblijven. Gelet op het vorenstaande is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk. 4.2.3

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 4.3.2

Motivering

Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling (toevoegen één woning), in verhouding tot de standaardgevallen NIBM kan worden gesteld dat het project ‘niet in betekende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Het toevoegen van één woning blijft namelijk ruim onder de gestelde standaardgevallen uit artikel 5.54 van het Bkl. Een verdere toetsing aan de rijkomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof is niet nodig. 4.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4

Geur

4.4.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 4.4.2

Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Motivering

Met voorgenomen ontwikkeling wordt één nieuw geurgevoelig object toegevoegd. Een woning is namelijk een geurgevoelig gebouw. De dichtstbijzijnde agrarische bedrijven zijn: varkenshouderij aan de Wechelerweg 56b (circa 690 meter afstand), de melkveehouderij aan de Wechelerweg 56c (circa 600 meter afstand) en het geitenbedrijf aan de Raalterweg 8 (circa 360 meter afstand). De afstanden zijn gemeten vanaf de bebouwingsmogelijkheden van de bedrijven tot aan de gevels van de woningen. Hieronder wordt per bedrijf de eventuele geurhinder uiteengezet. Daarnaast wordt de impact van de ontwikkeling op de bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven uiteengezet. Varkenshouderij aan de Wechelerweg 56b Een varkenshouderij is een veehouderij met geuremissie. Gezien de afstand en geuruitstoot van deze veehouderij blijft de geurimmissie naar verwachting beneden de geurnorm van 3 odeur (er is hier sprake van een concentratiegebied). Melkveehouderij aan de Wechelerweg 56c Voor grondgebonden veehouderijen kan een vaste afstand van 50 meter worden aangehouden in het buitengebied. Daarnaast bevindt zich op het erf een mestsilo. Op basis van artikel 22.117 moet er bij een mestopslag (drijfmest, digestaat en dunne fractie) van dit formaat minimaal een afstand van 50 meter worden aangehouden. De afstand vanaf de stal tot aan de gevel van de woning is circa 730 meter.

De afstand vanaf de mestsilo tot aan de gevel van de woningen is circa 780 meter. Aan de afstand van 50 meter wordt ruimschoots voldaan. Geitenbedrijf aan de Raalterweg 8 Een geitenbedrijf is een veehouderij met geuremissie. In het kader van het masterplan ‘Hagenvoorde Oost - Schalkhaar’ van de gemeente Deventer is de geurhindercirkel van het geitenbedrijf inzichtelijk gemaakt. Dit betreft een contour van 345 meter. Het betreft de binnenste rode cirkel in afbeelding 4.1. In de afbeelding is te zien dat het projectgebied buiten de contour ligt. Het projectgebied is onderstaande afbeelding indicatief geduid met oranje cirkel. De afstand van deze contour is gebaseerd op de onderzochte situatie in het kader van de nieuwe woonwijk Steenbrugge. Daarom kan worden geconcludeerd dat het geitenbedrijf geen belemmering vormt voor het woon- en leefklimaat van de toe te voegen woning.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief

Afbeelding 4.1

Studiegebied Hagenvoorde (Bron: gemeente Deventer)

Impact van de ontwikkeling op de bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven Tot slot wordt vermeldt dat het projectgebied wordt omringd door geurgevoelige objecten. Daarom kan worden geconcludeerd dat geen van de veehouderijen in de omgeving worden beperkt door de voorliggende ontwikkeling. Daarnaast kan men vanwege de ligging binnen bestaand stedelijk gebied ervan uitgaan dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar geurbelasting. Verder liggen in de nabijheid van het projectgebied geen andere bedrijven die geurhinder veroorzaken. De ontwikkeling zelf (toevoegen van één woning) is ook geen geur belastende activiteit. 4.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5

Trillingshinder

4.5.1

Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 4.5.2

Motivering

De dichtstbijzijnde spoorweg bevindt zich op zo’n circa 1,4 kilometer van het projectgebied. Trillingshinder is daarmee niet aan de orde. 4.5.3

Conclusie

Trilling vormt geen belemmering voor het voornemen.

4.6

Gezondheid

4.6.1

Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. 4.6.2

Motivering

In dit hoofdstuk van de onderbouwing zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en bodemkwaliteit). Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat telkens wordt voldaan aan het wettelijk kader. In het kader van geurhinder is reeds kort aandacht besteed aan het nabijgelegen geitenbedrijf aan de Raalterweg 8, dat zich op ongeveer 360 meter afstand van het plangebied bevindt. Uit onderzoek van de GGD blijkt dat binnen een straal van 2 kilometer rondom geitenhouderijen sprake kan zijn van een verhoogd risico op longontsteking. De gemeente benadrukt echter dat de uiteindelijke beslissing om al dan niet ontwikkelingen binnen deze 2 kilometer zone toe te staan, een integrale gemeentelijke afweging betreft. Deze handelwijze wordt ondersteund door jurisprudentie van de Raad van State. In diverse uitspraken, waaronder die van 20 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3454), heeft de Raad van State geoordeeld dat er binnen een straal van 2 km rond geitenhouderijen inderdaad sprake kan zijn van een verhoogd gezondheidsrisico. Dit betekent echter niet dat ontwikkelingen binnen deze zone per definitie niet mogelijk zijn. De Raad van State stelt dat het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente) een zorgvuldige, gemotiveerde afweging moet maken, waarbij actuele wetenschappelijke inzichten en adviezen van de GGD worden betrokken.

Zolang de gemeente expliciet en onderbouwd

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief ingaat op de potentiële gezondheidsrisico’s en deze afweegt tegen andere belangen, is het toegestaan om ontwikkelingen binnen deze zone toe te staan. In dit geval wordt, gezien de aard en beperkte omvang van de voorgenomen ontwikkeling, in combinatie met de relatief ruime afstand tot het geitenbedrijf, het gezondheidsrisico als minimaal ingeschat. De risico’s nemen immers af naarmate de afstand tot de geitenhouderij toeneemt. Bovendien wordt het gebied ten noorden van het projectgebied ter plaatse van de geitenhouderij, De Welcherhoek, mogelijk in de toekomst herontwikkeld tot woongebied. Daarnaast wordt geitenhouderij reeds in haar uitbreidingsmogelijkheden beperkt door bestaande woonfuncties in de directe omgeving. Verdere uitbreiding van het bedrijf is dan ook niet aannemelijk. Er wordt vermeld dat er binnen het projectgebied ruimte is voor groenvoorziening. Groenvoorziening en buitenruimtes stimuleren lichamelijke activiteit, sociale interactie en algemeen welzijn, wat ook bekend staat als positieve gezondheid. Het voornemen levert geen verslechtering op van de leefomgeving of omgevingskwaliteit. Daarom kan geconcludeerd worden dat het voornemen bijdraagt aan het maatschappelijk doel uit artikel 1.3 Omgevingswet. 4.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

4.7

Duurzaamheid

4.7.1

Algemeen

Een duurzame ruimtelijke ontwikkeling voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder dat daarmee de behoeften van toekomstige generaties in gevaar worden gebracht. Dit betekent dat de ontwikkeling plaatsvindt binnen de grenzen van het ecosysteem en dat er aandacht is voor de verdeling van welvaart en de veerkracht van het sociaal-maatschappelijke systeem. Concreet gaat het onder andere om het op efficiënte en verantwoorde wijze gebruiken van ruimte, water, energie en grondstoffen binnen een planontwikkeling, op basis van een lange termijn visie waarbij rekenschap is gegeven aan de behoeften van toekomstige gebruikers en de effecten van de planontwikkeling op de fysieke leefomgeving. 4.7.2

Motivering

De ontwikkeling omvat het realiseren van een extra woning in een bestaand bijgebouw. Daarnaast wordt het bestaande woonhuis gerenoveerd, waarbij het monument wordt verduurzaamd en gemoderniseerd. Dit draagt bij aan het behoud van het monument voor de toekomst. De woningen worden voorzien van zonne-energie. Hiervoor wordt een kleinschalig zonneveld gerealiseerd. Dit geheel wordt landschappelijk ingepast, zoals ook omschreven in bijlage 1 van deze onderbouwing. Daarnaast worden beide woningen voorzien van warmtepomp. Zo wordt grotendeels voorzien in eigen energiebehoefte en draagt de ontwikkeling bij aan een bredere ambitie binnen de gemeente Deventer om CO2 te verminderen. 4.7.3

Conclusie

Vanuit het aspect duurzaamheid en klimaat is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

4.8

Natuur

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl. 4.8.1

Gebiedsbescherming

4.8.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

4.8.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 4.8.1.3 Motivering Natura 2000-gebieden Het projectgebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Rijntakken’ bevindt zich op circa 3,2 kilometer afstand van het projectgebied. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Het resultaat van deze berekening staat in bijlage 3 van deze onderbouwing. Hieronder is de conclusie opgenomen. AERIUS-berekening Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het projectgebied ligt op circa 607 meter afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 4.8.2

Soortenbescherming

4.8.2.1 Algemeen Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 4.8.2.2 Motivering In dit geval is er door EcoTierra veldwerk uitgevoerd om inzichtelijk te maken wat de wettelijke consequenties zijn van de ingreep op beschermde dier- en plantensoorten. De verslaglegging daarvan is weergegeven in bijlage 4 van deze onderbouwing. Hierna worden de resultaten en vervolgacties samengevat. Resultaten Uit het veldbezoek van EcoTierra is gebleken: •

Er is een kans op aanwezigheid van de grootoorvleermuis op het perceel, mogelijk met kraamverblijfplaatsen in de gebouwen. Vleermuizen zijn strikt beschermde soorten. Onder de Omgevingswet (en het Besluit activiteiten leefomgeving) is het verboden om deze dieren te verstoren, hun verblijfplaatsen te beschadigen of te vernietigen.

Vervolgacties Uit de resultaten van het veldwerk volgen de vervolgende acties: • • • • •

• •

Er zijn camera’s geplaatst in het kraamseizoen (tot juli) en vinden er twee avondrondes plaats met warmtebeeldcamera’s. De rapportage hiervan volgt op een later moment. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt een Ecologisch Werkprotocol (EWP) opgesteld, waarin staat hoe het terrein en de gebouwen “natuurvrij” gemaakt kunnen worden (d.w.z. zonder schade aan beschermde soorten). Het natuurvrij maken van de gebouwen gebeurt onder ecologische begeleiding, bij voorkeur na het kraamseizoen (vanaf september), omdat vleermuizen vanaf 15 oktober in winterslaap gaan. Het EWP wordt ter controle aan de gemeente gestuurd. Zodra goedkeuring is verkregen, kunnen mitigerende maatregelen worden genomen en kunnen de werkzaamheden starten. Als uit het onderzoek blijkt dat er een vleermuiskolonie aanwezig is, kan een ontheffing op grond van de Omgevingswet nodig zijn voordat met sloop of verbouwing wordt begonnen. Uit onderzoek van EcoTierra blijkt dat er geen kraamverblijf of vleermuiskolonie aanwezig is. De rapportage hiervan volgt op een later moment. Het EWP moet worden goedgekeurd door de gemeente voordat werkzaamheden starten. Het natuurvrij maken van gebouwen mag alleen plaatsvinden buiten het kraamseizoen en onder begeleiding van een ecoloog.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief 4.8.3

Conclusie

Het veldbezoek heeft geleid tot een concreet plan van aanpak voor het ecologisch onderzoek en het natuurvrij maken van de gebouwen, in lijn met de eisen van de Omgevingswet. Het is essentieel om het vleermuizenonderzoek volledig af te ronden en het EWP te laten goedkeuren voordat er werkzaamheden plaatsvinden, om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen. Slechts bij het voldoen aan deze wettelijke verplichtingen wordt in het kader van de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.9

Archeologie, erfgoed en cultuurhistorie

4.9.1

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.9.2

Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. 4.9.2.1 Motivering De archeologische beleidskaart is doorvertaald naar dubbelbestemmingen in bestemmingsplannen. Op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening” zijn er verschillende archeologische dubbelbestemmingen opgenomen, namelijk ‘Waarde – Archeologie 2’ (deels), ‘Waarde – Archeologie 3’ (deels) en ‘Waarde – Archeologie 4’ (deels). Dubbelbestemming

Onderzoeksplicht

‘Waarde – Archeologie 2’

Groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,50 m onder het maaiveld

‘Waarde – Archeologie 3’

Groter dan 500 m2 en dieper dan 0,50 m onder het maaiveld

‘Waarde – Archeologie 4’

Groter dan 200 m2 en dieper dan 0,50 onder het maaiveld

De voorgenomen oppervlaktes en dieptes worden niet overschreden, er is immers sprake van slechts kleinschalige bodemingrepen. Een archeologisch onderzoek kan in het kader van de onderbouwing achterwege blijven. De ter plaatse aanwezige archeologische waarden worden niet geschaad.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief 4.9.3

Erfgoed en cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

4.9.3.1 Motivering De boerderij betreft een gemeentelijk monument en maakt onderdeel uit van een erfensemble met een prominente en betekenisvolle positie in het landschap. Daarnaast ligt het projectgebied nabij het beschermd dorpsgezicht Park Braband, een gebied waarin één of meerdere monumenten, samen met hun directe omgeving, een beeldbepalende rol vervullen. De ontwikkeling gaat gepaard met een zorgvuldige renovatie. Daarbij wordt het monument verduurzaamd en gemoderniseerd, wat bijdraagt aan het behoud en de toekomstbestendigheid van het gemeentelijk monument. Om de ruimtelijke en landschappelijke waarde van het erfensemble te behouden, is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (bijlage 1). Dit plan waarborgt een zorgvuldige inpassing van de ontwikkeling in het bestaande landschap. Over het plan wordt verder uitgeweid in paragraaf 4.15. Wat betreft de bouwkundige en welstandstechnische aspecten betreft dit een gefaseerde BOPAprocedure. In een later stadium zal een afzonderlijke omgevingsvergunning worden aangevraagd voor de bouwactiviteit, op het moment dat het bouwplan verder is uitgewerkt en geconcretiseerd. Bij deze tweede aanvraag zal een toetsing plaatsvinden op bouwkundige aspecten en welstandseisen. Hiermee wordt geborgd dat de monumentale waarde van het erfensemble behouden blijft en niet wordt aangetast. 4.9.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische worden.

4.10

M.e.r.- Beoordeling

4.10.1 Algemeen Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • •

In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief •

Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en 2. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1. het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; b.

de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en 3. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit. 4.10.2 Motivering Onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van een gesloten lijstenstelsel voor de beoordeling van project-m.e.r. (milieueffectrapportage). Dit houdt in dat de projecten en besluiten die onder de project-m.e.r.-verplichting vallen, zijn opgenomen in de lijst bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hierin is onder andere het stedelijke ontwikkelingsproject opgenomen. De jurisprudentie met betrekking tot de ondergrens van het begrip ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject’ blijft onder de Omgevingswet van belang. Zo overweegt de Afdeling bijvoorbeeld dat de ontwikkeling van 12 woningen niet als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd (ABRS 11 maart 2020, nr. 201901464/1/R1). In dit specifieke geval gaat het om het toestaan van één extra woning.

Bovendien is, voor zover relevant in dit kader, sprake van een functie die geen aantasting veroorzaakt van het woon- en leefklimaat in de omgeving van omliggende woningen. Op basis van het voorgaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit wordt tevens bevestigd door de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten, evenals de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 4.10.3 Conclusie Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief

4.11

Omgevingsveiligheid

4.11.1 Algemeen Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk; Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik; Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven; Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik;

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 4.11.2 Motivering Aan de hand van de risicokaart van Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.

In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de Risicokaart met daarop middels een rode ster de locatie van het projectgebied weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief

Afbeelding 4.2

Uitsnede risicokaart (Bron: Atlasleefomgeving.nl)

Zoals weergegeven op de Risicokaart bindt zich in de directe omgeving van het projectgebied verschillende risicobronnen. Het betreft de hoogspanningslijn en twee ondergrondse hogedruk aardgasleidingen ten noorden van het projectgebied. Het projectgebied bevindt zich echter niet binnen het brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied van deze risicobronnen. Daarom vormt dit geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen het projectgebied. 4.11.3 Conclusie Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.

4.12

Verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren

4.12.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de uitgangspunten uit de 'Nota 'Parkeernormen Deventer 2013 Auto en fiets'. Deze parkeernormen zijn geënt op landelijke parkeerkencijfers op basis van de CROW-publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317 (oktober 2012)' van het CROW. Voor de verkeersgeneratie wordt aangesloten bij de meest recente CROW-publicatie, genaamd CROW de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’. De kencijfers zijn landelijk (en

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Bij het gebruik van kencijfers moet rekening worden gehouden met onder meer de bereikbaarheidskenmerken van de locatie. Ook de stedelijkheidsgraad is van invloed op het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen en dus op de hoogte van het parkeerkencijfer. Onder stedelijkheidsgraad wordt verstaan het aantal adressen per vierkante kilometer. In de vermelde publicaties van het CROW worden de kencijfers weergegeven onderverdeeld naar functies, de stedelijke zone en de stedelijkheidsgraad. 4.12.2 Uitgangspunten Op basis van voorliggend plan in relatie tot het gemeentelijke parkeerbeleid wordt voor de berekening van zowel de parkeerbehoefte als van de verkeersgeneratie uitgegaan van de volgende uitgangspunten: • •

Stedelijkheidsgraad: ‘sterk stedelijk’ (CBS Statline); Gebiedsindeling: ‘rest bebouwde kom’.

Hierna wordt ingegaan op de onderdelen parkeren en verkeer. 4.12.3 Verkeer Op basis van de verkeersgeneratie:

CROW

publicatie

geldt

voor

deze

woningen

gemiddeld

Functie

Verkeersgeneratie (per woning)

Aantal woningen

Totaal

Koop, huis, vrijstaand

8,2

2

16,4

Totaal

de

volgende

16,4

Op basis van bovenstaande tabel blijkt dat in de nieuwe situatie sprake is van een verkeersgeneratie van 16,4 (afgerond 17) verkeersbewegingen per weekdagetmaal. In de huidige situatie is er ter plaatse al één woning. Concreet gaat het dus over een toename van 8,2 (afgerond 9) verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De woningen worden ontsloten op de Hagenvoorderdijk. Deze verkeersgeneratie kan eenvoudig worden afgewikkeld door omliggende wegen. 4.12.4 Parkeren Op basis van de gemeentelijke parkeernota geldt de volgende gemiddelde parkeerbehoefte (inclusief bezoekersparkeren): Functie

Parkeernorm woning)

Koop, vrijstaand

2,1

Totaal

(per

Aantal woningen

Totaal

2

4,2 4,2

In de gewenste situatie is sprake van een parkeerbehoefte van 4,2 (afgerond 5) parkeerplaatsen. In afbeelding 2.5 is weergegeven dat op het erf ruimschoots in deze parkeerbehoefte kan worden voorzien. Met betrekking tot het aspect parkeerbehoefte wordt geen belemmering voorzien. 4.12.5 Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief

4.13

Klimaatadaptatie

4.13.1 Algemeen Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Het KNMI heeft scenario’s opgesteld waarin duidelijk wordt gemaakt hoe deze toename er naar verwachting in de toekomst uit ziet. Een vergrote kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen levert risico’s op voor veiligheid, gezondheid en economie. Ruimtelijke aanpassing om deze risico’s tegen te gaan noemen we klimaatadaptatie. 4.13.2 Motivering Met de ontwikkeling wordt bijgedragen aan klimaatadaptatie door het gebruik van natuurlijke erfafscheidingen en een landschappelijk inpassingsplan. Hierdoor wordt biodiversiteit bevorderd, water beter vastgehouden en hittestress verminderd. Het hergebruik van bestaande gebouwen beperkt extra verharding en ruimtebeslag, wat gunstig is voor het lokale klimaat. De ruime erven bieden bovendien mogelijkheden voor groen en wateropvang, waardoor het erf veerkrachtiger wordt tegen extreme weersomstandigheden. De ontwikkeling sluit aan bij natuur- en klimaatadaptief wonen, en versterkt het landschap en de ecologische waarden van het gebied. De aspecten wateroverlast en overstroming worden bovendien behandeld in paragraaf 4.14. 4.13.3 Conclusie Wat betreft de aspecten klimaatadaptatie wordt vermeld dat dit voldoende is geborgd in het plan. Het aspect vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16125641/1