2025-750-bijlage-(aanvullingen 11-09-2025) Ruimtelijke onderbouwing BOPA Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3
Tekst van het document
Onderbouwing voor de fysieke leefomgeving, te gebruiken bij buitenplanse afwijkingen van het omgevingsplan (BOPA)
Status: Definitief september 2025
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief
Onderbouwing voor de fysieke leefomgeving, te gebruiken bij buitenplanse afwijkingen van het omgevingsplan (BOPA) “Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3”
Plannaam: Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Plantype: Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Status: Definitief Datum: september 2025
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief
Inhoudsopgave SAMENVATTING
...........................................................................4
HOOFDSTUK 1
INLEIDING.............................................................5
1.1 1.2 1.3
AANLEIDING .............................................................................................................. 5 LIGGING VAN HET PROJECTGEBIED ..................................................................................... 5 LEESWIJZER .............................................................................................................. 6
HOOFDSTUK 2 2.1 2.2 2.3
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE ..................................................................................... 7 BESCHRIJVING NIEUWE SITUATIE ...................................................................................... 9 BESCHRIJVEN STRIJDIGHEID ......................................................................................... 11
HOOFDSTUK 3 3.1 3.2 3.3 3.4
PARTICIPATIE ....................................................... 48
PARTICIPATIE OMGEVING ............................................................................................. 48 BESTUURLIJK VOOROVERLEG ......................................................................................... 48
HOOFDSTUK 6 6.1 6.2 6.3
ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU .............. 27
GELUID DOOR ACTIVITEITEN ......................................................................................... 27 BODEMKWALITEIT ..................................................................................................... 28 LUCHTKWALITEIT ...................................................................................................... 29 GEUR ................................................................................................................... 30 TRILLINGSHINDER ..................................................................................................... 32 GEZONDHEID .......................................................................................................... 33 DUURZAAMHEID ....................................................................................................... 34 NATUUR ................................................................................................................ 34 ARCHEOLOGIE, ERFGOED EN CULTUURHISTORIE .................................................................... 37 M.E.R.- BEOORDELING ............................................................................................ 38 OMGEVINGSVEILIGHEID ............................................................................................
40 VERKEERSGENERATIE, -AFWIKKELING & (FIETS)PARKEREN .................................................... 41 KLIMAATADAPTATIE ................................................................................................ 43 WEGING VAN HET WATERBELANG ................................................................................. 43 LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN ...................................................... 46
HOOFDSTUK 5 5.1 5.2
TOETSING AAN BELEID ............................................ 12
TOETSING RIJKSBELEID ............................................................................................... 12 TOETSING PROVINCIAAL BELEID ...................................................................................... 15 TOETSING BELEID WATERSCHAP ..................................................................................... 22 TOETSING GEMEENTELIJK BELEID .................................................................................... 23
HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15
PLANBESCHRIJVING ..................................................7
FINANCIËLE HAALBAARHEID ....................................49
ALGEMEEN .............................................................................................................. 49 KOSTENVERHAAL ...................................................................................................... 49 NADEELCOMPENSATIE ................................................................................................. 49
HOOFDSTUK 7 LOCATIES
CONCLUSIE EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN .........................................................................50
HOOFDSTUK 8
JURIDISCHE KADERS ............................................... 51
8.1 8.2
ALGEMEEN .............................................................................................................. 51 TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES........................................................................... 51
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING ......................................52 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN ....................................................................... 52 AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI ......................................................... 53 AERIUS-BEREKENING ...................................................................................... 54 RAPPORTAGE VELDWERK ..................................................................................... 55 BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief BIJLAGE 5 BIJLAGE 6
WATERTOETS ................................................................................................. 56 PARTICIPATIETRAJECT........................................................................................ 57
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief
SAMENVATTING Hoofdstuk 1 (projectbeschrijving): Voorliggende onderbouwing is opgesteld ten behoeve van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna BOPA). De ontwikkeling heeft betrekking op boerderij ’t Hagenvoorde aan de Hagenvoorderdijk 3 in Schalkhaar. Het betreft een gemeentelijk monument. De ontwikkeling omvat het realiseren van een extra woning in een bestaand bijgebouw. Hoofdstuk 2 (huidige en nieuwe situatie): De huidige situatie betreft een gemeentelijk monumentaal erf in het buitengebied van Deventer, bestaande uit een woonboerderij met diverse bijgebouwen, landbouwgrond en tuin, ontsloten via twee inritten aan de Hagenvoorderdijk. In de nieuwe situatie wordt een extra woning gerealiseerd in een bestaand bijgebouw, waardoor het erf wordt gesplitst in twee afzonderlijke erven met elk een eigen woning en bijgebouwen, gescheiden door natuurlijke erfafscheidingen en passend ingepast in het landschap. Hoofdstuk 3 (participatie): De omwonenden zijn geïnformeerd door de initiatiefnemer. De verslaglegging van het participatietraject is toegevoegd als bijlage 6 bij deze onderbouwing. Hoofdstuk 4 (toetsing aan beleid): Geconcludeerd wordt dat het relevante beleid op rijks, provinciaal-, waterschaps- en gemeentelijk niveau de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling niet in de weg staat.
Hoofdstuk 5 (aspecten fysieke leefomgeving): Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 6 (financiële haalbaarheid): De gemeentelijke kosten worden verhaald via leges. Hoofdstuk 7 (conclusie): Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief
HOOFDSTUK 1
1.1
INLEIDING
Aanleiding
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft betrekking op boerderij ’t Hagenvoorde aan de Hagenvoorderdijk 3 in Schalkhaar. Zowel de boerderij als het bijgebouw betreffen een gemeentelijk monument. De ontwikkeling omvat het realiseren van een extra woning in een bestaand bijgebouw. Ter plaatse van het projectgebied geldt binnen het tijdelijke gedeelte van het omgevingsplan bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening” en de enkelbestemming ‘Wonen’. Binnen deze enkelbestemming is slechts één woonhuis toegestaan. Daarom is het voornemen in strijd met het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In artikel 49.2 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een extra wooneenheid toe te staan in een karakteristiek gebouw of monument dat niet is aangebouwd aan de (voormalige) bedrijfswoning. De voorwaarden van deze wijzigingsbevoegdheid worden omschreven en getoetst in paragraaf 3.4.4. Met uitzondering van de randvoorwaarde onder a en b wordt aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid voldaan. De gemeente heeft aangegeven dat de overige randvoorwaarden kunnen worden toegepast om te kunnen beoordelen of er mee kan worden gewerkt aan een buitenplanse afwijking. Om het voornemen mogelijk te maken, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
Hiervoor dient op basis van artikel 8.0a lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) te worden aangetoond dat de BOPA in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Voorliggende ruimtelijke motivering voorziet hierin. In voorliggend geval wordt de omgevingsvergunning voor de BOPA gefaseerd aangevraagd. De Omgevingswet biedt gedurende de overgangsfase (tot 1 januari 2032) hiervoor de mogelijkheid op basis van artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit artikel bepaalt dat bij het toepassen van artikel 8.0a, lid 2 Bkl, in ieder geval sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In voorliggend geval wordt het ‘planologische basisbesluit’ aangevraagd. Deze ruimtelijke motivering gaat daarom in op de planologische aspecten van de activiteit en beschrijft de kaders voor de te realiseren woning in het vrijstaande bijgebouw. In een later stadium zal een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor de bouwactiviteit, waarbij het bouwplan is geconcretiseerd.
1.2
Ligging van het projectgebied
Het projectgebied ligt aan de Hagenvoorderdijk 3 in Schalkhaar. Het gaat om een perceel dat kadastraal bekend staat als kadastrale gemeente Diepenveen, sectie D, perceelnummers 4886 en 4887. In afbeelding 1.1 is de ligging van het projectgebied met respectievelijk de rode ster en de rode omlijning indicatief aangegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief
Afbeelding 1.1
1.3
Ligging van het projectgebied (Bron: plattekaart.nl)
Leeswijzer
Deze onderbouwing is opgebouwd uit acht hoofdstukken. Na de inleiding in hoofdstuk 1, volgt in hoofdstuk 2 de beschrijving van het plan. In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling getoetst aan het beleidskader. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving, zoals milieuaspecten, landschap en water et cetera. Op basis van al deze aspecten wordt in dit hoofdstuk onderbouwd waarom de voorgenomen ontwikkeling acceptabel is. Onder de Omgevingswet is participatie verplicht. Een verslag hiervan is opgenomen in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is de financiële haalbaarheid beschreven. Hoofdstuk 7 bevat, het geheel samennemend, een beschouwing waaruit blijkt dat deze aanvraag zich verenigt met een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Hoofdstuk 8 gaat ten slotte in op de juridische kaders die aan deze omgevingsvergunning zijn verbonden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief
HOOFDSTUK 2
PLANBESCHRIJVING
2.1
Beschrijving huidige situatie
2.1.1
Planologische situatie
Het projectgebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Deventer. Ter plaatse van het projectgebied is sprake van het omgevingsplan van rechtsweg zoals deze in werking is getreden op 1 januari 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat ter plaatse uit de volgende documenten: • • • • • •
Omgevingsplan gemeente Deventer (in werking vanaf 6 juni 2025); “Parapluherziening particuliere zonnepanelen Buitengebied” (vastgesteld 9 juli 2021); “Parapluherziening parkeereisen” (vastgesteld 11 april 2018); “Buitengebied Deventer, 1e herziening” (vastgesteld 1 maart 2017); “Parapluherziening Kleinschalige Kinderopvang” (vastgesteld 14 juli 2016); “Parapluherziening standplaatsen en warenmarkten (digitaal)” (vastgesteld 30 januari 2013).
Voor de duiding van het planologisch regime van het projectgebied is met name het bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening” van belang. Het omgevingsplan bevat in de huidige situatie namelijk uitsluitend de regels van de bruidsschat. Omdat het bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening” is opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan wordt nog gesproken over ‘bestemmingen’ in plaats van ‘functies’. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding behorende bij het geldende bestemmingsplan opgenomen. Het projectgebied is hierin indicatief weergegeven met de rode contour.
Afbeelding 1.2 Uitsnede bestemmingsplan “Buitengebied https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/)
Deventer,
1e
herziening”
(Bron:
Op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening” kent het projectgebied de bestemming ‘Wonen’ met bouwvlak en functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – voormalig bedrijfsbebouwing’. Daarnaast is een deel van de gronden voorzien van de bestemming ‘Natuur’. Tot slot zijn er verschillende archeologische dubbelbestemmingen opgenomen, namelijk ‘Waarde – Archeologie 2’ (deels), ‘Waarde – Archeologie 3’ (deels) en ‘Waarde – Archeologie 4’ (deels).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief 2.1.2
Feitelijke situatie
Het projectgebied ligt in het buitengebied van de gemeente Deventer, aangrenzend de noordoostzijde van de kern Schalkhaar. Het ligt in het overgangsgebied tussen Schalkhaar en Deventer. Belangrijke structuurdragers in de omgeving zijn de Zandwetering (waterloop) ten noorden van het projectgebied en park Braband (beschermd dorpsgezicht) ten zuiden van het projectgebied. Het projectgebied zelf wordt begrensd door gronden die in beheer zijn bij Stichting IJssellandschap. Het projectgebied zelf bestaat uit een woonboerderij, aangebouwde stenen schuur, stenen bakhuis, kapschuur en een hooiberg. Het betreft een gemeentelijk monument. De locatie is middels twee inritten ontsloten op de Hagenvoorderdijk. Een deel van de gronden is ingericht als landbouwgrond. Het overige bestaat uit tuin en manoeuvreerruimte. In afbeelding 2.2 is een luchtfoto opgenomen. Het projectgebied is hierin met rode omlijning weergegeven. Afbeelding 2.3 toont een impressie van het erf.
Afbeelding 2.2
Luchtfoto ligging projectgebied (Bron: PDOK, bewerkt)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief
Afbeelding 2.3 Impressie projectgebied vanaf de Zandwetering (L) en Hagenvoorderdijk (R) (Bron: Buitenwonen makelaars)
2.2
Beschrijving nieuwe situatie
De ontwikkeling omvat het realiseren van een extra woning in een bestaand bijgebouw. Deze ruimtelijke motivering gaat daarom in op de planologische aspecten van de activiteit en beschrijft de kaders voor de te realiseren woning in het vrijstaande bijgebouw. In een later stadium zal een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor de bouwactiviteit, waarbij het bouwplan is geconcretiseerd. Er ontstaat een erf bij de nieuwe woning met aangebouwde schuur. De nieuwe woning zal inpandig worden verbouwd. De aangebouwde schuur evenals het bakhuis wordt gebruikt als bijgebouw. Het tweede erf ontstaat bij de losstaande tweede schuur, deze wordt eveneens verbouwd tot woning. De kapschuur en de hooischuur worden gebruikt als bijgebouw. Voor beide woningen worden de twee bestaande inritten gebruikt. De erven zijn van voldoende omvang om te voldoen aan de parkeernormen. Perceelafscheidingen in de vorm van schuttingen en hekwerken zijn ongewenst. Middels natuurlijke afscheidingen worden twee aparte erven gecreëerd, om zo privacy voor beide woningen te borgen. Het geheel zal landschappelijk worden ingepast. Hiervoor is door Poelmans Reesink landschapsarchitectuur een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Deze rapportage is als bijlage 1 bij deze onderbouwing gevoegd. In paragraaf 4.15 wordt hier verder op ingegaan. Afbeelding 2.4 en 2.5 geven de beoogde erfinrichting weer.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief
Afbeelding 2.4
Overzicht gewenste situatie (Bron: Buitenwonen makelaars, bewerkt)
Afbeelding 2.5
Overzichtstekening gewenste situatie (Bron: Poelmans Reesink)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief
2.3
Beschrijven strijdigheid
Ter plaatse van het projectgebied geldt binnen het tijdelijke gedeelte van het omgevingsplan het bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening” en de enkelbestemming ‘Wonen’. Binnen deze enkelbestemming is slechts één woonhuis toegestaan. Daarom is het voornemen in strijd met het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In artikel 49.2 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een extra wooneenheid toe te staan in een karakteristiek gebouw of monument dat niet is aangebouwd aan de (voormalige) bedrijfswoning. De voorwaarden van deze wijzigingsbevoegdheid worden omschreven en getoetst in paragraaf 3.4.4. Met uitzondering van de randvoorwaarde onder a en b wordt aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid voldaan. De gemeente heeft aangegeven dat de overige randvoorwaarden kunnen worden toegepast om te kunnen beoordelen of er kan mee worden gewerkt aan een buitenplanse afwijking. Deze aanvraag ziet slechts toe op de planologische aanvaardbaarheid hiervan. In een later stadium zal een afzonderlijke omgevingsvergunning worden aangevraagd voor de bouwactiviteit, op het moment dat het bouwplan verder is uitgewerkt en geconcretiseerd. Bij deze tweede aanvraag zal een toetsing plaatsvinden op bouwkundige aspecten en welstandseisen. Om het voornemen mogelijk te maken, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
Hiervoor dient op basis van artikel 8.0a lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) te worden aangetoond dat de BOPA in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Voorliggende ruimtelijke motivering voorziet hierin. In voorliggend geval wordt de omgevingsvergunning voor de BOPA gefaseerd aangevraagd. De Omgevingswet biedt gedurende de overgangsfase (tot 1 januari 2032) hiervoor de mogelijkheid op basis van artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit artikel bepaalt dat bij het toepassen van artikel 8.0a, lid 2 Bkl, in ieder geval sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In voorliggend geval wordt het ‘planologische basisbesluit’ aangevraagd. Deze ruimtelijke motivering gaat daarom in op de planologische aspecten van de activiteit en beschrijft de kaders voor de te realiseren woning in het vrijstaande bijgebouw. In een later stadium zal een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor de bouwactiviteit, waarbij het bouwplan is geconcretiseerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief
HOOFDSTUK 3
TOETSING AAN BELEID
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal-, waterschap- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit projectgebied geldende uitgangspunten weergegeven.
3.1
Toetsing Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 3.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief 3.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. 3.1.2
Instructieregels Rijk (Amvb’s)
Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies van het Rijk het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. b. c.
de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan of; de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk belemmert.
Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor hoofdstuk 5 van het Bkl instructieregels bevat: • • • • • • • •
waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4); beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5); het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6); het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7); het gebruik van bouwwerken, waaronder de aanwijzing van woningbouwcategorieën (paragraaf 5.1.7a); het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
In de motivering moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden. In het vervolg van deze ruimtelijke motivering wordt op de betreffende aspecten ingegaan. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief • •
de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend.
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en een ‘stedelijke ontwikkeling’. bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 3.1.4
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid
3.1.4.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. Wel geeft de NOVI het volgende aan ten aanzien van woningbouw, klimaatadaptatie en de energietransitie. Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. In de Nationale Omgevingsvisie wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Het project wordt in de paragrafen 3.3 en 3.5 getoetst aan het provinciale- en gemeentelijke beleid ten aanzien van wonen. De ontwikkeling omvat het realiseren van een extra woning in een bestaand bijgebouw. Daarnaast wordt het bestaande woonhuis gerenoveerd, waarbij het monument wordt verduurzaamd en gemoderniseerd. Dit draagt bij aan het behoud van het monument voor de toekomst. Dit wordt geconcretiseerd in de opvolgende aanvraag. Daarnaast wordt hiermee bijgedragen aan de eerste prioriteit uit de NOVI, namelijk de energietransitie. In paragrafen 4.7 en 4.13 wordt verder ingegaan op deze onderdelen.
Gezien het bovenstaande verzet de NOVI zich niet tegen de ontwikkeling zoals opgenomen in deze ruimtelijke onderbouwing. 3.1.4.2 Instructieregels Rijk In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. In hoofdstuk 4 wordt verder ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl. 3.1.4.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op het realiseren van woningen is de overzichtsuitspraak ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2017:1724 van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. In het plan is sprake van het toevoegen van één woning. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet van toepassing.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief
3.2
Toetsing provinciaal beleid
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. 3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Leidende thema’s voor de Omgevingsvisie zijn: 1. Duurzaamheid; 2. Ruimtelijke kwaliteit. Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn: • • •
•
3.2.2
door meer aandacht voor herstructurering wordt ingezet op een breed spectrum aan woon, werk- en mixmilieu’s; dorpen en steden worden gestimuleerd hun eigen kleur te ontwikkelen; investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan; zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik; deze methode gaat ervan uit dat eerst het gebruik van de ruimte wordt geoptimaliseerd, dan de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik wordt onderzocht en dan pas de mogelijkheid om het ruimtegebruik uit te breiden, wordt bekeken; ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid. Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie Overijssel. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie Overijssel te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities wordt gebruik gemaakt van het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel'. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, et cetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief
Afbeelding 3.1
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Hierna worden de lagen nader toegelicht. Of – generieke beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in ons handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. Waar – ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn.
De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaaleconomische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief ruimte voor een lokale afweging t.a.v. functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen. Hoe – gebiedskenmerken Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in onze omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden.
De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet. 3.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 3.2.4.1 Of - Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase ‘Of – generieke beleidskeuzes’ zijn artikel 4.4 (Principe van concentratie), 4.5 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), artikel 4.9 (Onderbouwing ruimtelijke kwaliteit), artikel 4.11 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) en artikel 4.14 (Woonafspraken) uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Verder zijn de artikelen uit afdeling 3.6 (Grondwaterbescherming) en afdeling 4.9 (Watergebiedsreserveringen) van belang. Deze artikelen gaan over het aspect water. Daarom worden er verder op deze artikelen ingegaan in paragraaf 4.14. Hierna wordt nader op de artikelen ingegaan. Artikel 4.4
Principe van concentratie
Lid 1: In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen. Artikel 4.5
Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
lid 1: Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat: a. b. c.
er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied; de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.
In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “groene omgeving” nader gedefinieerd als: dat deel van de fysieke leefomgeving waarvan de gronden niet vallen binnen bestaand bebouwd gebied.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “bestaand bebouwd gebied” nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut worden voor stedelijke functies op grond van een geldend omgevingsplan en op grond van een (voor)ontwerp voor zover de provincie daarover een positief advies heeft uitgebracht in het kader van het vooroverleg. Toetsing van het initiatief aan artikelen 4.5 en 4.6 van de Omgevingsverordening Overijssel De ontwikkeling vindt plaats in het overgangsgebied tussen Schalkhaar en Deventer. Met de voorgenomen ontwikkeling zal niet extra worden gebouwd binnen het projectgebied. De ontwikkeling omvat het mogelijk maken van een extra woning in een bestaand bijgebouw. Per saldo is er dus geen sprake van extra ruimtebeslag door bouwen en verharden op de groene omgeving. In paragraaf 3.4.2 wordt aangetoond dat het toevoegen van de woningen past in de gemeentelijke woningbouwprogrammering. In verband hiermee is het voornemen in overeenstemming met artikel 4.4 van de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 4.6
Toekomstbestendigheid
lid 1: In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus: a. b. c.
de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen; duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; en ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben.
Toetsing van het initiatief aan artikel 4.6 van de Omgevingsverordening Overijssel Met voorgenomen ontwikkeling wordt het monument verduurzaamd en gemoderniseerd. Dit draagt bij aan het behoud van het gemeentelijk monument voor de toekomst. Er wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 4.6 van de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 4.9
Onderbouwing ruimtelijke kwaliteit
lid 1: Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: a. b. c.
het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.
Artikel 4.11
Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
lid 1: a. b. c.
daarvoor sociaaleconomische of maatschappelijke redenen voor zijn; het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; en in het geval de nieuwvestiging of een grootschalige uitbreiding plaatsvindt op gronden binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water de compensatie bedoeld in onderdeel b gericht is op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.
lid 2: Het eerste lid is in ieder geval van toepassing op: a. b.
nieuwe verblijfsrecreatieve complexen en verblijven; uitbreidingen van bestaande verblijfsrecreatieve complexen;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief c. d. e.
de bouw van nieuwe woningen; nieuwe bouwlocaties voor bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden; grootschalige uitbreiding van bestaande locaties voor niet-agrarische bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden.
lid 3: Het eerste lid is niet van toepassing op: a. b.
de bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven; zelfstandige opstellingen van zonnepanelen.
Toetsing van het initiatief aan artikel 4.9 en 4.11 van de Omgevingsverordening Overijssel In deze paragraaf (3.2.3) wordt het initiatief getoetst aan het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering). Tevens blijkt uit deze paragraaf dat de ontwikkeling passend is binnen het ter plaatse geldende ‘ontwikkelingsperspectief’. Het erf zal landschappelijk worden ingepast volgens de geldende gebiedskenmerken. KGO (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) is van toepassing bij het realiseren van extra woningen in het buitengebied van Deventer. De gemeente Deventer past het KGO-beleid toe onder de naam ‘Kansen uit buiten’ voor ontwikkelingen in het buitengebied. Dit beleid is gebaseerd op de provinciale KGO-regeling van Overijssel en stelt als belangrijkste voorwaarde dat nieuwe ontwikkelingen gepaard moeten gaan met investeringen in de ruimtelijke kwaliteit, bijvoorbeeld het slopen van landschapsontsierende bebouwing. De sociaal economische en/of maatschappelijke redenen zijn dat het project bijdraagt aan het behoud en de verbetering van karakteristieke bebouwing. Het erf wordt toekomstbestendig gemaakt, zodat het erfgoed nog jaren mee kan. Het project draagt daarmee bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast wordt het erf landschappelijk en natuurlijk ingericht en ingepast. Ook dit versterkt de ruimtelijke kwaliteit.
De investeringen die worden verricht ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit, staan in verhouding tot de geboden ontwikkelruimte. Voorgenomen initiatief is daarom in overeenstemming met artikel 4.9 en 4.11 van de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 4.14
Woonafspraken
1. Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. 2. Nieuwe woningen zijn nog te realiseren woningen waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven. Toetsing van het initiatief aan artikel 4.14 van de Omgevingsverordening Overijssel In voorliggend geval wordt een extra woning toegevoegd ten behoeve concrete behoefte. Voor toetsing aan zowel de kwantitatieve als kwalitatieve woningbehoefte wordt verwezen naar paragraaf 3.4.2. Hier wordt geconcludeerd dat het project in overeenstemming is met artikel 4.14 van de Omgevingsverordening Overijssel. 3.2.4.2 Waar- Ontwikkelingsperspectieven Het projectgebied behoort tot de ontwikkelingsperspectieven ‘Stads- en dorpsrandgebieden’ en ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’. In afbeelding 3.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief
Afbeelding 3.2 Overijssel)
Uitsnede
ontwikkelingsperspectievenkaart
Omgevingsvisie
Overijssel
(Bron:
Provincie
“Stads- en dorpsrandgebieden” In de Stedelijke Omgeving vind je enkele bijzondere gebiedscondities die specifieke kansen met zich meebrengen. Denk aan kenniscentra, stadsassen en stationsgebieden, maar ook aan stads- en dorpsrandgebieden. De stads- en dorpsrandgebieden vormen de overgang tussen de Stedelijke en de Groene Omgeving, en zijn daarmee zowel entree van de stad als verbinding naar het buitengebied. Het vormgeven als entree van zowel de Groene als de Stedelijke Omgeving is een belangrijk kwaliteitsdoel. Veel stadsen dorpsrandgebieden in Overijssel liggen tegen aantrekkelijke natuurcomplexen of landgoederen aan. Recreatieve functies en culturele voorzieningen kunnen op specifieke plekken in de stads- en dorpsrandgebieden de kwaliteit en aantrekkelijkheid verhogen. Ook liggen er kansen voor nieuwe landgoederen en/of de landgoedaanpak (restanten van) verdwenen landgoederen kunnen hierbij een bron van inspiratie zijn. Als er naast de inmiddels geplande woon- en werklocaties nog behoefte ontstaat, kunnen nieuwe woon- en werkmilieus worden ingezet om de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de stads- en dorpsrandgebieden te verhogen en de landschappelijke structuur in deze gebieden te versterken.
In de stads- en dorpsrandgebieden liggen ook kansen om beleidsambities op het gebied van natuur, water, en energie te realiseren én om de functie als ‘uitloop’-gebied voor de stad te versterken door verdichting van het routenetwerk voor langzaam verkeer. "Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap" Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden – net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven – de ruimtelijke kwaliteitsambities: • •
zichtbaar en beleefbaar mooi landschap; sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief •
continu en beleefbaar watersysteem.
Toetsing van het initiatief aan de ‘Ontwikkelingsperspectieven’ De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij het geldende ontwikkelingsperspectief. De kleinschalige aanpassing behoudt het landschap en versterkt de ruimtelijke kwaliteit. Met natuurlijke erfafscheidingen en een landschappelijk inpassingsplan blijft het karakteristieke landschap zichtbaar en beleefbaar. De monumentale waarden worden gerespecteerd en het watersysteem blijft intact. Deze ontwikkeling draagt bij aan de vitaliteit van het buitengebied, biedt woonruimte zonder grootschalige nieuwbouw en sluit aan bij provinciale ambities voor natuur, cultuur en leefbaarheid in overgangsgebieden tussen stad en platteland. 3.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarischcultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. In dit geval zijn slechts de ‘Natuurlijke laag’ en de ‘Laag van beleving’ van belang. Vanuit de ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’ en de ‘Stedelijke laag’ geldt dat deze buiten beschouwing kunnen worden gelaten omdat er geen kenmerken of elementen vanuit deze lagen op het projectgebied of de directe omgeving van toepassing zijn.
De ‘Natuurlijke laag’ Het projectgebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Natuurlijke laag’ aangeduid met het gebiedstype ‘Dekzandvlakte en ruggen’. “Dekzandvlakte en ruggen” De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. Toetsing van het initiatief aan de ‘Natuurlijke laag’ De boerderij is gelegen op het meest westelijke punt van een uitloper van de dekzandrug. De boerderij ligt hoger dan de omgeving. Met voorgenomen ontwikkeling wordt deze bijzondere karakteristiek van het landschap niet beïnvloed. De kleinschalige aanpassing behoudt het landschap en versterkt de ruimtelijke kwaliteit. Het hoogteverschil blijft behouden. Met natuurlijke erfafscheidingen en een landschappelijk inpassingsplan blijft het karakteristieke landschap zichtbaar en beleefbaar.
De ‘Laag van beleving’ Het projectgebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Laag van beleving’ aangeduid met de gebiedstypes ‘Stads- en dorpsrandgebieden’ en ‘IJssellinie inundatieveld’. “Stads- en dorpsrandgebieden” De stads- en dorpsrand is een overgangsgebied. Hier is sprake van twee in elkaar overlappende invloedssferen. De randen zijn bepalend voor de indentiteit van zowel de steden- en dorpen als het landschap eromheen. Randen gaan niet alleen over de 'functionele mix', maar vooral ook over herkenbaarheid, duidelijkheid, silhouetten en het je thuis voelen. Markante zichtlijnen op dorpen versterken de randkwaliteit. Er is ruimte voor ontwikkelingen mits deze voortbouwen aan de versterking van de stad-land relatie. Het voorkomen van versnippering. Als ontwikkelingen plaatsvinden is deze gericht op het behoud, herstel en aanleg van landschappelijke recreatieve routes tussen stad/dorp en land.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief “IJssellinie inundatieveld” Dit gebied is één van de bakens in de tijd en brengt een cultuurhistorische ambitie met zich mee. Zoals het creëren van verbindingen en verbanden tussen bestaande bakens, welke onderdeel van een groter geheel zijn maar nu verloren of geïsoleerd in het landschap liggen. Tevens kunnen bakens van deze tijd worden toegevoegd. Cultuurhistorische waarden dienen behouden te worden door ze bewust in te zetten in gebiedsopgaves. Toetsing van het initiatief aan de ‘Laag van beleving’ Met betrekking tot het IJssellinie inundatieveld wordt opgemerkt dat het bij voorliggende ontwikkeling niet mogelijk is om deze verdedigingslinie te accentueren of extra zichtbaar te maken. Het betreft immers een kleinschalige aanpassing. In voorgaande paragrafen is reeds uiteengezet dat de ontwikkeling passend is in stads- en dorpsrandgebieden. 3.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
3.3
Toetsing beleid waterschap
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding. 3.3.1
Vigerend beleid
3.3.1.1 Beleid Waterschap Drents Overijsselse Delta Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: •
• • •
Voldoende water: dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid: goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte. Schoon water: in het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol, alsmede de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch) Waterveiligheid: het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en regionale watersysteem; Duurzame toekomst: Het waterschap hecht veel aan energietransitie: energieneutraal zijn tegen 2025, circulaire economie en bescherming van de biodiversiteit zijn voorbeelden van beleidsstukken voor de komende jaren.
Daarnaast is de Waterschapsverordening een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Het plangebied ligt in het beheergebied van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Het beleid is beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het programma bestaat uit 3 delen te weten; Waterbeheerprogramma WDODelta 2022-2027, Gebiedsuitwerkingen WBP 2022-2027 en KRW factsheets en achtergronddocument. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Het hemelwatersysteem wordt door het Waterschap Drents Overijsselse Delta getoetst aan de hoeveelheid neerslag die eens in de 100 jaar wordt overschreden: uitgangspunt hiervoor is een bui van 80mm. Vanuit het plangebied is een afvoer van 1,6 l/s/ha naar het watersysteem van het
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief waterschap toegestaan. Op basis van eigen ervaringen staat het waterschap Drents Overijsselse Delta geen reductie toe bij het toepassen van halfverharding. 3.3.2
Toetsing van het initiatief aan beleid waterschap.
Voor de toetsing aan het initiatief aan het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta wordt verwezen naar paragraaf 4.14. Hier wordt verder ingegaan op de toetsing aan het beleid van het waterschap.
3.4
Toetsing gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In deze paragraaf wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 3.4.1
Omgevingsvisie gemeente Deventer
3.4.1.1 Algemeen In het Structuurplan Deventer 2025 (april 2004) zijn de toekomstige ruimtelijke opgaven voor Deventer en de gewenste ontwikkelingsrichting in beeld gebracht. Het Structuurplan Deventer 2025 is echter door allerlei ontwikkelingen binnen en buiten Deventer inmiddels deels verouderd. Daarom is in samenspraak met een groot aantal betrokkenen een Omgevingsvisie gemaakt. In de Omgevingsvisie legt de gemeente Deventer haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast. Dit is de eerste stap in het proces richting de invoering van de Omgevingswet. In de Omgevingsvisie is aangegeven dat de klimaatverandering zorgt voor meer extremen in neerslag, hitte, droogte en water door de grote rivieren, waaronder de IJssel. Daarnaast speelt de eindigheid van natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen. Dat vraagt om maatregelen. Zoals grote inzet op energiebesparing, het klimaatbestendig maken van de leefomgeving, het overschakelen van fossiele op duurzame energiebronnen en het zuiniger en duurzamer omgaan met energie, water, grondstoffen en voedsel. De gemeente zoekt duurzame, klimaatbestendige en circulaire oplossingen op alle plekken die zich daarvoor lenen: in woningen, bedrijven, in de stad en op het platteland. Belangrijke uitdagingen zijn: • • • • •
Instellen op de consequenties van klimaatverandering; Planmatig werken aan de klimaatadaptatie en energietransitie; Bij het toewijzen van functies rekening houden met de druk op ruimte; Meedoen met de ontwikkeling van nieuwe werkwijzen in energieopwekking; Waarborgen en vergroten van de cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische kwaliteit.
Om in te kunnen spelen op de dynamiek van de economie en de (internationale) markt moet er ruimte voor ondernemerschap zijn. Ruimte om waardevast te investeren, te groeien en samen te werken. De opgave is de veerkracht en inventiviteit van de ondernemers optimaal te blijven faciliteren en in te spelen op ontwikkelingen in de markt. Minder regels mogen overigens niet leiden tot onduidelijkheid voor alle betrokken partijen, willekeur of een onzeker vestigingsklimaat. Voor de Dorpen wordt het volgende benoemd: Eén van de kenmerken van leven in de dorpen is dat veel mensen elkaar kennen. Dat is zeker belangrijk vanwege de vergrijzing van de bevolking en het uitgangspunt dat mensen hun zorg steeds meer zelf moeten organiseren. Men zal vaker een beroep doen op elkaar, om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven wonen. De gemeente ondersteunt dit ‘noaberschap’ door voorzieningen zo veel mogelijk te clusteren en te zorgen voor aantrekkelijke plekken om elkaar op straat te ontmoeten. Rust, ruimte en groen maken de dorpen aantrekkelijk. Die kwaliteiten willen we behouden. Voor Schalkhaar worden de volgende aandachtspunten benoemd:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Schalkhaar, Hagenvoorderdijk 3 Definitief • • • • • • • •
Meer cultuurhistorische gelaagdheid; Méér wisselwerking tussen platteland en stad; Kwaliteitsimpuls op Deventer schaal; De kracht van Deventer benutten; Waardevast ondernemen; Ongedeelde samenleving; Duurzaam ontwikkelen; Veilig en gezond leven.