CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-705 TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f combiplan buitengebied Deventer 8 Toelichting

Raadsvergadering 26 november 2025, gemeente DeventerBij agendapunt: TAM Omgevingsplan Buitengebied Deventer20.199 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

30

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f co mbiplan buitengebied Deventer 8

ouderen vanuit de kern. De gemeente wil ruimte bieden om in te spelen op deze kwalitatieve woonvraag door het benutten van inbreidingslocaties en hergebruik van bestaande panden in de kernen en transformatie van karakteristieke, leegstaande of leegkomende panden en erven in het buitengebied. De gemeente staat open voor kleinschalige burgerinitiatieven en innovatieve ideeën die met name gericht zijn op betaalbaar wonen voor starters, het langer zelfstandig blijven wonen en de leefbaarheid in de kernen en op het platteland. Toetsing aan de Woonvisie Deventer (2018) Het voornemen voorziet in een bescheiden bijdrage aan de grote woningbouwopgave waarmee de gemeente Deventer te maken heeft. De betreffende woning worden al bewoond. De behoefte is daarmee concreet aangetoond. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen wordt eveneens de leefbaarheid en vitaliteit van het buitengebied versterkt. Geconcludeerd wordt dat voorliggend voornemen in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie.

4.4.3

Natuurinclusiefbouwen Op 10 juli 2019 is door de raad de motie natuurinclusief bouwen aangenomen. Bij (nieuw)bouw en renovatie is natuurinclusief bouwen uitgangspunt. De gedachte achter natuurinclusief bouwen is dat gestreefd moet worden dat de nieuwe situatie beter is dan de oude voor wat betreft biodiversiteit. Mogelijke maatregelen zijn onder andere groene daken, schuil en nestgelegenheden voor inheemse dieren en het gebruik van beplanting die kan bijdragen aan verbetering van de biodiversiteit. Toetsing aan 'Natuurinclusief bouwen' Omdat op de locatie 1e Zuider Pierkesmarweg 4 in Bathmen een nieuw bijgebouw wordt gebouwd is het beleid 'Natuurinclusief bouwen' voor deze locatie van toepassing. In dit TAM-omgevingsplan wordt natuurinclusief bouwen voor de locatie 1e Zuider Pierkesmarsweg 4 door middel van een voorwaardelijke verplichting vastgelegd. Er is een keuze uit verschillende maatregelen die getroffen kunnen worden waarbij een minimum puntenaantal gehaald dient te worden. Planspecifiek worden op de locatie 1e Zuider Pierkesmarsweg 4 de volgende maatregelegen getroffen: 1. nestgelegenheid voor huismus: 2 punten; 2. nestkommen voor huiszwaluw: 1 punt; 3. inbouwkast paar- en kraamverblijf vleermuizen: 3 punten; 4. streekeigen gevelbegroeiing: 3 punten; 5. toepassen streekeigen soorten bomen en struiken: 2 punten; 6.

aanplant geriefhout bosje streekeigen soorten: 3 punten; 7. insectenhotel: 1 punt; Totaal: 15 punten.

4.4.4

Conclusie gemeentelijk beleid Geconcludeerd wordt dat de in voorliggend TAM-omgevingsplan besloten ontwikkeling in past binnen het gemeentelijk beleid.

31

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f combiplan buitengebied Deventer 8

32

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f co mbiplan buitengebied Deventer 8

Hoofdstuk 5 5.1

Aspecten van de fysieke leefomgeving

Milieuaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld. De volgende aspecten komen aan bod: bodem; geluid door activiteiten; luchtkwaliteit; externe veiligheid; milieuzonering; geur; ecologie; besluit milieueffectrapportage; duurzaamheid; gezondheid; archeologie en cultuurhistorie; waterhuishouding; duurzaamheid; leidingen en kabels; verkeer en parkeren; sociale veiligheid.

5.1.1

Bodem

5.1.1.1 Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

33

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f combiplan buitengebied Deventer 8

Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 5.1.1.2 Situatie plangebied Het voornemen ziet op de wijziging van de functie 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' naar 'Wonen'. De bestaande woning is recent vernieuwd en blijft behouden. Onlangs is door Hunneman Milieu-Advies een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste onderzoeksresultaten ingegaan. Onderzoeksresultaten verkennend bodemonderzoek Zintuiglijk zijn in de vaste bodem geen noemenswaardige bijmengingen aan bodemvreemde materialen waargenomen.

Zintuiglijk is geen asbestverdacht materiaal op en/of in de bodem aangetroffen. In de vaste bodem zijn geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan barium en chroom aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. Op basis van de analyseresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en bestaan, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaren voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie. 5.1.1.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.1.2

Geluid door activiteiten

5.1.2.1 Algemeen Onder de Omgevingswet is de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit aan. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: 1. het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige

34

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f co mbiplan buitengebied Deventer 8

gebouwen en locaties; 2. het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; 3. het bevorderen van bronmaatregelen; 4. het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; 5. het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde is het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de hoogste van de volgende waarden: 1. De standaardwaarde, bedoeld in onderstaande tabel; of 2. Het geluid bij volledige benutting van het geluidproductieplafond dat gold direct voorafgaand aan de vaststelling van het in de aanhef bedoelde geluidproductieplafond.

Tabel: Standaardwaarde geluid voor een geluidsbron op een geluidsgevoelig gebouw per geluidsbronsoort (Bron: ministerie IenM) Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde kan de hoogste van de twee waarden als bedoeld in artikel 3.32 lid 1 van de Bkl worden overschreden als; 1. Geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de twee waarden te voldoen; 2. De overschrijding door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; 3. Het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, als bedoeld in onderstaande tabel.

35

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f combiplan buitengebied Deventer 8

Tabel: Grenswaarde voor geluid door een geluidsbron op een geluidsgevoelig gebouw per geluidsbronsoort (Bron: Ministerie van IenM) Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl).

Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen dan gelden de volgende afstanden (artikel 17.5 Omgevingsregeling): voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. 5.1.2.2 Situatie plangebied Weg- & railverkeerslawaai

36

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f co mbiplan buitengebied Deventer 8

Door BJZ.nu een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. De volledige onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 3. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Onderzoeksresultaten De geluidbelasting als gevolg van de spoorweg Deventer-Almelo bedraagt hoogstens 60 dB. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 55 dB. Wel wordt voldaan aan de grenswaarde van 65 dB uit het Bkl. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de standaardwaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige of financiële aard. Met voldoende gevelwering om te kunnen voldoen aan de binnenwaarde wordt het aanvaardbaar geacht dat er sprake is van een lichte overschrijding ten opzichte van de standaardwaarde. Ten tijde van de vergunningverlening dient een bouwakoestisch onderzoek uitgevoerd te worden waarin wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de vereiste binnenwaarde. Met het inachtnemen van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woning. Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen geluidsgezoneerde bedrijventerreinen aanwezig. In paragraaf 5.1.5 wordt ingegaan op milieuhinder als gevolg van individuele bedrijven. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het aspect industrielawaai geen belemmering vormt.

5.1.2.3 Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.1.3

Luchtkwaliteit

5.1.3.1 Beoordelingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft.

37

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f combiplan buitengebied Deventer 8

Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 5.1.3.2 Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl), kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. 5.1.3.3 Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

5.1.4

Externe veiligheid

5.1.4.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.

Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: 1. Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl).

38

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f co mbiplan buitengebied Deventer 8

2. Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 3. Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 4. Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) 5.1.4.2 Situatie plangebied Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Het voorgenomen plan maakt geen risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen mogelijk en vormt daarmee geen risicobron. Wel worden kwetsbare objecten (woningen) gerealiseerd. Onderstaand is voor het plangebied een inventarisatie gedaan naar de aanwezige risicobronnen in de omgeving van het gebied. De locatie 1e Zuider Pierkesmarsweg 4 ligt in de nabijheid van de Spoorlijn Deventer - Almelo en een buisleiding van Gasunie. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontouren. Het plangebied ligt binnen de contouren van 'explosieaandachtsgebied', 'gifwolkaandachtsgebied' en 'brandaandachtsgebied'. Het voornemen ziet toe op de wijziging van de functie 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' naar 'Wonen' en deels 'Natuur'.

Het aantal woningen en daarmee de personendichtheid, neemt in de beoogde situatie niet toe. Aangezien er geen sprake is van een toename van personen is een nadere verantwoording niet noodzakelijk. Vanuit Gasunie is er akkoord mits de eigenaar zich houden aan de grondroerdersregeling. 5.1.4.3 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.1.5

Milieuzonering

5.1.5.1 Algemeen Onder de Omgevingswet worden aspecten als geluid- en geurhinder niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals voorheen in het Activiteitenbesluit of een milieuvergunning, maar direct in het omgevingsplan. Dit is een van de redenen waarom de VNG heeft besloten dat de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit niet meer goed past bij het integrale karakter van de Omgevingswet en het omgevingsplan. Milieuzonering nieuwe stijl (VNG handreiking mei 2019) anticipeert hierop en gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren, onder meer voor geluid. De werkelijke milieubelasting van een bedrijfsactiviteit is dan bepalend of een activiteit op een bepaalde locatie past, en niet meer een richtafstand. De systematiek uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is opgenomen in veel bestemmingen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn - ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege - wordt deze systematiek nog toegepast. In voorliggend geval geldt voor het project gebied de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering'. Hierna wordt de ontwikkeling op basis hiervan getoetst.

39

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f combiplan buitengebied Deventer 8

5.1.5.2 Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Gelet op de ligging van het plangebied in het buitengebied, waarbij ter plaatse geen sprake is van een sterke menging van functies, wordt de omgeving van het plangebied aangemerkt als een 'rustige woonwijk'.

5.1.5.3 Situatie plangebied Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De gewenste functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van

40

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f co mbiplan buitengebied Deventer 8

bestaande functies in de omgeving en andersom of nieuwe functies de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Agrarische bedrijven In de directe omgeving van het plangebied zijn twee agrarische bedrijven gevestigd. In onderstaande tabel zijn deze agrarische bedrijven opgenomen. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie de bedrijven worden gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen het bouwvlak en de nieuwe woonbestemming en het betreffende bedrijf en wat de daadwerkelijke afstand bedraagt. Adres

Omschrijving

Milieucategorie

Max. richtafstand

Daadwerkelijke afstand tot bouwvlak circa 260 meter

Postweg 1a, Bathmen Fokken en houden 3.2 30 meter van rundvee Oude Holterdijk 2, Fokken en houden 4.1 30 meter circa 180 meter Bathmen van varkens Voor veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', veelal de grootste richtafstand voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. In paragraaf 5.1.6 wordt hier nader op ingegaan. Indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten dan geldt voor beide agrarische bedrijven een grootste richtafstand van 30 meter voor 'geluid' en 'stof'. Gesteld wordt dat wordt voldaan aan de richtafstand. 5.1.5.4 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief.

5.1.6

Geur

5.1.6.1 Algemeen Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.

De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met de geurnormen in het omgevingsplan. De gemeente stelt een geurnorm vast in het omgevingsplan, waarbij:

41

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f combiplan buitengebied Deventer 8

Een waarde moet worden opgenomen voor de toelaatbare geur op een gebouw. Het Rijk geeft daar een standaardwaarde bij aan die een gemeente zonder nadere motivering kan overnemen in het omgevingsplan. De opgenomen waarde in het omgevingsplan wordt ook wel de 'geurnorm' genoemd. De gemeente kan in haar omgevingsplan een afwijkende waarde opnemen die hoger of lager is dan de standaardwaarde, zolang deze niet hoger is dan de grenswaarde. In artikel 5.109 Bkl staat naast de standaardwaarde ook de grenswaarde aangegeven. De afwijkende waarde is dan de geldende geurnorm. Het omgevingsplan moet de zogenaamde 50%-regeling bevatten. Ook moeten in het omgevingsplan minimale afstanden opgenomen worden, waar een stal bij bouw aan moet voldoen. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan; Rekenen; Afstandseisen; Randvoorwaarden. 5.1.6.2 Situatie plangebied De locatie 1e Zuider Pierkesmarsweg 4 te Bathmen ligt in de nabijheid van een varkenshouderij (Oude Holterdijk 2, Bathmen). Onderstaand is een motivering opgenomen waarom een geuronderzoek niet nodig is.

Motivering Binnen een straal van 100 meter tot het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen (de meest nabijgelegen veehouderij ligt op circa 190 meter afstand). Geur van veehouderijen is gelet op de omgeving en de daar gelegen veehouderijen niet beperkend voor het plan met een nieuwe woning en omgekeerd. De bewoners op deze locatie wonen al geruime tijd in de recreatiewoning, in de huidige situatie is er eigenlijk sprake van permanente bewoning. De bewoners ervaren geen geurhinder. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gezien de afstand van omliggende woningen op kortere afstand van de agrarische bedrijven, worden deze agrarische bedrijven niet (verder) in hun ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. 5.1.6.3 Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.1.7

Ecologie

5.1.7.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura

42

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f co mbiplan buitengebied Deventer 8

2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 5.1.7.2 Gebiedsbescherming Natura-2000 gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Ligging plangebied Het plangebied ligt op circa 6 km afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Sallandse Heuvelrug'. Vanwege de onderlinge afstand tussen het plangebied en de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden is directe hinder in de vorm van bijvoorbeeld geluid en verstrooiing van licht uitgesloten. Het plangebied is niet zichtbaar vanuit het betreffende Natura 2000-gebied en de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal.

Het is uitgesloten dat verstoringseffecten, zoals geluid, optische verstoring, kunstlicht een negatief effect hebben op instandhoudingsdoelen van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van stikstofdepositie wordt het volgende opgemerkt. Gelet op de kleinschaligheid van de ontwikkeling in combinatie met de grote afstand tot Natura 2000-gebieden wordt gesteld dat er, als gevolg van de in dit TAM-omgevingsplan besloten ontwikkeling, geen sprake is van (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. In de aanlegfase gaat het om zeer tijdelijke en zeer kleinschalige werkzaamheden. Ten aanzien van de gebruiksfase wordt opgemerkt dat de verkeersbewegingen beperkt toenemen (circa 6 verkeersbewegingen per dag). Dit is echter een dusdanig kleine toename dat dit – in combinatie met grote afstand - geen negatief effect heeft op stikstofdepositie op Natura 2000-gebied.

43

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f combiplan buitengebied Deventer 8

Tot slot wordt opgemerkt dat uit resultaten van AERIUS-berekeningen voor vergelijkbare projecten op een soortgelijke afstand van Natura 2000-gebeiden blijkt dat dergelijke ontwikkelingen niet resulteren in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden als gevolg van de in dit TAM-omgevingsplan besloten ontwikkeling kan hiermee redelijkerwijs worden uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen concreet begrensd NNN. Gezien de ligging en de aard en omvang van de ontwikkelingen (onder meer natuurontwikkeling) wordt gesteld dat als gevolg van voorliggend TAM-omgevingsplan geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.1.7.3 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang.

Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 5.1.7.4 Situatie plangebied Quickscan natuurwaarden In dit geval is door Otte Groenadvies een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten. De gehele onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. Onderzoeksresultaten Flora Tijdens het veldbezoek werden geen beschermde of bedreigde plantsoorten of resten hiervan op het plangebied aangetroffen, het voorkomen van strikter beschermde plantsoorten zijn derhalve uit te sluiten.

Op het perceel en in de directe omgeving zijn geen monumentale- en behoudenswaardige bomen aanwezig. Fauna

44

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f co mbiplan buitengebied Deventer 8

Het perceel is geschikt voor de huismuis, rat en mol. Deze soorten zijn niet beschermd. Voor deze soorten geldt de algemene zorgplicht. Het perceel is geschikt voor soorten als huisspitsmuis, egel, konijn en haas. Deze soorten zijn opgenomen in de lijst nationaal beschermde soorten.. In het kader van deruimtelijke inrichting geeft de provincie Overijssel vrijstelling voor deze soorten. Eveneens zijn voor deze soorten de algemene zorgplicht van toepassing; Mogelijk gebruiken rode eekhoorn en marterachtigen de omgeving om te foerageren en als nest- en verblijfplaatsen. Mits er buiten de gevoelige periode wordt gewerkt (maart- september) wordt met de amovatie van de bebouwing geen negatieve effecten verwacht; Voer voor aanvang van de kap van de bomen een schouw uit op het voorkomen van nestplaatsen van de rode eekhoorn; Wat betreft vaste verblijfplaatsen van vleermuizen biedt de recreatiewoning en een acacia in potentie geschikte mogelijkheden als verblijfplaats voor vleermuizen.

Het valt niet te verwachten dat de geplande sloopwerkzaamheden een negatieve invloed heeft op eventueel aanwezige vlieg- en foerageerroutes van vleermuizen; Vogels, voer voor aanvang van de kap van de bomen een schouw uit op het voorkomen van roestplaatsen van uilen; Voordat de recreatiewoning is geamoveerd en herbouwd is geconstateerd dat er geen negatieve effecten op amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden zijn verwacht. Een ontheffing of nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk; Vleermuizenonderzoek Wat betreft vaste verblijfplaatsen van vleermuizen is nader onderzoek op de recreatiewoning en holle bomen noodzakelijk. Dit onderzoek is verricht voordat de recreatiewoning is gesloopt. Onlangs heeft de sloop plaatsgevonden en is een nieuwe woning gebouwd. Door Jansen&Jansen Groenadviesbureau is een vervolgonderzoek gericht op vleermuizen uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten. De gehele onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting. Onderzoeksresultaten Het is vastgesteld dat er geen paar- of zomerverblijfplaatsen van vleermuizen in de te slopen recreatie woning aanwezig zijn. Wel heeft het plangebied een beperkte functie als foerageergebied voor enkele gewone dwergvleermuizen. Aan deze functie als foerageergebied zal door het uitvoeren van de voorgenomen ingreep geen afbreuk worden gedaan.

De voorgenomen ingreep heeft geen negatieve invloed op beschermde functies van vleermuizen. 5.1.7.5 Conclusie De ecologische aspecten vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

45

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f combiplan buitengebied Deventer 8

5.1.8

Besluit milieueffectrapportage

5.1.8.1 Algemeen Onderdeel van de beoordeling is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat een omgevingsplan. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is nog maar één mer-beoordelingsprocedure. 5.1.8.2 Project-mer-beoordeling Artikel Omgevingswet: 16.43 en 16.88 (eerste lid, onder h). Artikel Omgevingsbesluit: 11.11. Nadere regels project-mer-beoordeling. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit) In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en 2. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. 1°. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. 2°. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1.

het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; b. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en

46

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f co mbiplan buitengebied Deventer 8

3. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit. 5.1.8.3 Situatie plangebied Voorliggend TAM-omgevingsplan maakt de wijziging van een recreatiefunctie naar een reguliere woning mogelijk. Ter plaatse van de beoogde reguliere woning wordt een nieuw bijgebouw gebouwd. Op basis van kolom 1 van bijlage V Ob valt dit onder een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Gelet op de kenmerken van dit project en de plaats van het project zal dit geen gevolgen voor het milieu met zich meebrengen. Uit hoofdstuk 5 van deze toelichting is dit ook gebleken.

5.1.9

Duurzaamheid

5.1.9.1 Algemeen Duurzaamheidthema's zoals energie- en waterbesparing, aandacht voor langzaam verkeer en groenvoorzieningen, zuinig grondstoffengebruik, efficiënt ruimtegebruik en duurzaam bouwen, zullen met name bij nieuwbouwplannen en herinrichting een belangrijke plaats toegekend krijgen. Ontwikkeling van duurzaamheid past in de ontwikkeling die het duurzaamheidsdenken nu ook landelijk doormaakt en waarbij ook steeds meer de eisen als negatieve prikkel omgezet worden in een positieve benadering in de vorm van wijzen op de kwaliteit van het gebouw, op (woon-)comfort, het binnenmilieu in het algemeen, op gezond wonen en leven. In het Milieubeleidsplan 2003-2008 presenteert de gemeente Deventer haar ambitie op het gebied van duurzaam bouwen en energiebeleid. In juni 2009 is de Visie Duurzaam Deventer bestuurlijk vastgesteld. De gemeentelijke ambitie is dat Deventer in 2030 klimaat- en energieneutraal is. Om deze ambitie te realiseren is voor de periode 2011-2014 door de gemeenteraad de Uitvoeringsagenda Duurzaamheid 'Op weg naar een duurzaam evenwicht' vastgesteld. Deze periode is verlengd tot 2018. In april 2016 heeft de raad de doelstelling energieneutraal 2030 herbevestigd en besloten dat tot 2018 de uitvoeringsagenda duurzame energie het kader is. De beleidsprioriteit duurzame mobiliteit is aan 8 beleidsprioriteiten toegevoegd.

De focus ligt naast duurzame mobiliteit, ook op verduurzaming bestaande woningbouw en verduurzaming bedrijven en kantoren. Daarnaast zijn er beleidsprioriteiten over energieneutrale nieuwbouw en gebiedsontwikkeling, partnerschappen, duurzame energiebronnen (zon, wind en biomassa) en de eigen bedrijfsvoering. 5.1.9.2 Situatie plangebied Ter plaatse van het plangebied wordt de bestaande recreatiewoning gebruikt als reguliere woning. Hierdoor is er sprake van efficiënt ruimtegebruik en zuinig grondstoffengebruik. Er wordt bestaande bebouwing hergebruikt, waardoor niet nieuw hoeft te worden gebouwd. 5.1.9.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat in voorliggend plan voldoende aandacht is besteed aan het aspect 'duurzaamheid'.

47

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f combiplan buitengebied Deventer 8

5.2

Gezondheid

5.2.1

Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd.

Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. Gemeentelijk beleid In de Omgevingsvisie Deventer is opgenomen dat het gezondheidsbeleid en milieubeleid ook gaat om het bieden van voorzieningen die de gezondheid bevorderen. Zoals betekenisvol (vrijwilligers) werk, goede sociale contacten, veerkracht en zelfmanagement, sociale veiligheid en prettig wonen. Gezondheid wordt niet alleen bepaald door (leefstijl) gedrag zoals voeding en bewegen, maar ook door de omgeving. Bijvoorbeeld door de afwisseling van bebouwing met groen, de aanwezigheid van plekken met rust (stilte), verkoelend water en aantrekkelijke en gevarieerde openbare ruimten die uitnodigen tot bewegen. Goede fiets- en wandelvoorzieningen en buitenspeelmogelijkheden.

5.2.2

Spuitzonering Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen kunnen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen woningen en bijbehorende tuinen. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de fruitteelt. Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woon- en leefklimaat bij de woningen gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling

48

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f co mbiplan buitengebied Deventer 8

bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2013:BY8000). De afstand van 50 meter is een indicatieve afstand. Onder omstandigheden en in een specifiek geval kan ervan worden afgeweken en dus een kortere afstand worden aangehouden. Ook dit is in de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State geaccepteerd. De afstand die wordt aangehouden in een specifiek geval moet worden onderbouwd met een zorgvuldig locatiespecifiek onderzoek. Hierbij kan geen gebruik worden gemaakt van de modellen van het EFSA, aangezien deze onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn.

5.2.3

Beoordeling Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd. In deze paragraaf staat vooral het effect op de gezondheid centraal van het voornemen. In dit hoofdstuk zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en milieuzonering). De functie wonen heeft geen schadelijke gevolgen voor de gezondheid van omwonenden. In de huidige situatie hebben de gronden de functie 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. Door de voorliggende ontwikkeling wordt hier regulier wonen mogelijk gemaakt. Ten aanzien van het voornemen wordt aandacht besteedt aan een groene indeling van het perceel, dit kan ook een positief effect hebben op de gezondheid. Hierdoor wordt een veilige en gezonde fysieke leefomgeving gecreëerd voor de toekomstige bewoners maar ook voor de omwonenden. Er wordt daarom geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

Spuitzonering plangebied Ten aanzien van spuitzonering ligt de woonfunctie binnen 50 meter van agrarische gronden waarop het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen planologisch is toegestaan. Het gaat om de percelen die kadastraal bekend staan als Bathmen, E, nummers: 402, 114, 116 en 156. Het plan is gericht op het toestaan van regulier wonen in een bestaande recreatiewoning. In de huidige situatie is er reeds sprake van langdurig menselijk verblijf. In de beoogde situatie neemt de gevoeligheid niet toe. Er wordt al vele jaren gewoond in de recreatiewoning, er veranderd niets voor de bewoners. Met de eigenaren van de betreffende gronden is per brief overeenstemming bereikt ten aanzien van het bespuiten van gewassen. Bij het bespuiten van de gewassen dient de gebruiker van de gronden reeds rekening te houden met bescherming van de betreffende woning. De grondeigenaren hebben ondertekend dat men op de hoogte is van de betreffende spuitzonering en wat er speelt in juridische zin. Daarmee is het aspect spuitzonering in voldoende mate geborgd.

5.2.4

Conclusie Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

49

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f combiplan buitengebied Deventer 8

5.3

Archeologie en cultuurhistorie

5.3.1

Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Hierna worden nader ingegaan op de aspecten archeologie en cultuurhistorie.

5.3.2

Archeologie De archeologische verwachting voor het grondgebied van de gemeente Deventer is gebaseerd op de landschappelijke en bodemkundige context van bekende archeologische vindplaatsen. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente Deventer. Dit archeologiebeleid is op 28 januari 2015 door de raad vastgesteld in de vorm van een beleidskaart en een onderbouwing. Situatie plangebied De archeologische beleidskaart is doorvertaald naar dubbelbestemmingen in bestemmingsplannen. Op basis van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Deventer, 1e herziening" zijn de gronden in het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2'. Voor gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' geldt dat bij graafwerkzaamheden met een oppervlak van groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 meter onder maaiveld een archeologisch onderzoek nodig is. Ter plaatse van het plangebied zijn de beoogde bodemingrepen niet groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 meter (onder het maaiveld). Een archeologisch onderzoek kan in het kader van dit TAM-omgevingsplan daarom achterwege blijven. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid.

5.3.3

Cultuurhistorie Het plangebied betreft geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. In de directe omgeving zijn tevens geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Het voornemen heeft geen negatieve invloed op de waarde of instandhouding van omliggende monumenten. Voor het plangebied zijn geen specifieke regels opgesteld in het omgevingsplan wat betreft cultuurhistorie.

50

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f co mbiplan buitengebied Deventer 8

5.3.4

Conclusie Het aspect 'Archeologie en cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.4

Waterhuishouding

5.4.1

Vigerend beleid

5.4.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.4.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast.

We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. 5.4.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.4.1.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta In vooorliggend geval ligt het plangebied in het gebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Waterschap Drents Overijsselse Delta Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerplan 2022-2026, de beleidsnota Water Raakt!, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en

51

ontwerp bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f combiplan buitengebied Deventer 8

Onderhoud 2050, Beleid Beheer en Onderhoud Stedelijk water 2013-2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De genoemde beleidsdocumenten kunnen worden ingezien op het hoofdkantoor van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ook zijn deze te raadplegen op de internetsite: www.wdodelta.nl. Op gemeentelijk niveau is het in overleg met het waterschap opgestelde gemeentelijk Waterplan en het (verbreed) gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van belang. 5.4.1.5 Gemeentelijk Rioleringsprogramma (2022-2026) Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsprogramma (2022-2026) en de regionale samenwerking op het gebied van water in de wateragenda. De wateragenda is een samenwerkingsstructuur waarbij een aantal thema's centraal staan. Deze thema's zijn uitgewerkt in aandachtspunten. Op deze punten gaan de waterpartners de komende jaren lokaal samenwerken. De thema's zijn: Veilig en klimaatbestendig; Milieu en gezond; Beleving, bewustwording en participatie. Doordat de wateragenda duidelijke thema's bevat, kunnen de waterpartners efficiënt en effectief samenwerken aan de watertaken. De gemeente is verantwoordelijk voor een goed stedelijk watersysteem. Volgens de wet begint de zorgplicht bij de perceeleigenaar.

De perceeleigenaar moet het hemel- en grondwater op het eigen perceel verwerken. De gemeente komt in beeld als dit niet kan. In het Gemeentelijke Rioleringsprogramma is beschreven hoe de gemeente haar watertaken invult en uitvoert. De gemeentelijke watertaken komen voort uit 3 zorgplichten: 1. Inzameling en transport van stedelijk afvalwater (Wet Milieubeheer); 2. Verwerking van afvloeiend hemelwater (nieuwe Waterwet); 3. De aanpak en het voorkomen van grondwaterproblemen in bebouwd gebied coördineren (nieuwe Waterwet). Zorgplicht stedelijk afvalwater: Onder de straat liggen door de hele gemeente honderden kilometers leidingen. Hiervoor zijn putten, straatkolken en honderden pompjes aangelegd. Het hele systeem zorgt er voor dat afvalwater bij de rioolwaterzuivering aan de Roland Holstlaan komt. Hier zorgt het waterschap oor de zuivering. Het gezuiverde water komt daarna in de IJssel. De gemeente is verantwoordelijk voor de aanleg en onderhoud van de riolering. Zorgplicht hemelwater: De Waterwet gaat ervan uit dat hemelwater schoon genoeg is om zonder zuiverende voorziening te lozen. De zorgplicht hemelwater legt de verantwoordelijkheid bij de perceelseigenaar om het hemelwater zoveel mogelijk zelf te verwerken. De gemeentelijke zorgplicht begint als de perceelseigenaar niet zelf het hemelwater kan infiltreren of bergen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16078473/2