2025-119 Ruimtelijke onderbouwing BOPA Looweg 49 Bathmen
Tekst van het document
Voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in het opwekken van windenergie of het grootschalig opwekken van zonne-energie. Geconcludeerd wordt dat het voornemen niet strijdig is met de Regionale Energietransitie voor Overijssel-West. 3.3.2
Conclusie toetsing aan het regionaal beleid
De in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing besloten ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de voorgenoemde beleidsstukken.
3.4
Toetsing beleid waterschap
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding. 3.4.1
Vigerend beleid
3.4.1.1 Beleid Waterschap Rijn en IJssel Het waterschap Rijn en IJssel zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe 'Water en mens in hun element' draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's. 3.4.1
Toetsing van het initiatief aan beleid waterschap.
Voor de toetsing aan het initiatief aan het beleid van het waterschap Rijn en IJssel wordt verwezen naar paragraaf 4.14. Hier wordt verder ingegaan op de toetsing aan het beleid van het waterschap.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bathmen, Looweg 49 Definitief
3.5
Toetsing gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In deze paragraaf wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 3.5.1
Omgevingsvisie gemeente Deventer
3.5.1.1 Algemeen In het Structuurplan Deventer 2025 (april 2004) zijn de toekomstige ruimtelijke opgaven voor Deventer en de gewenste ontwikkelingsrichting in beeld gebracht. Het Structuurplan Deventer 2025 is echter door allerlei ontwikkelingen binnen en buiten Deventer inmiddels deels verouderd. Daarom is in samenspraak met een groot aantal betrokkenen een Omgevingsvisie gemaakt. In de Omgevingsvisie legt de gemeente Deventer haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast. Dit is de eerste stap in het proces richting de invoering van de Omgevingswet. In de Omgevingsvisie is aangegeven dat de klimaatverandering zorgt voor meer extremen in neerslag, hitte, droogte en water door de grote rivieren, waaronder de IJssel. Daarnaast speelt de eindigheid van natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen. Dat vraagt om maatregelen. Zoals grote inzet op energiebesparing, het klimaatbestendig maken van de leefomgeving, het overschakelen van fossiele op duurzame energiebronnen en het zuiniger en duurzamer omgaan met energie, water, grondstoffen en voedsel. De gemeente zoekt duurzame, klimaatbestendige en circulaire oplossingen op alle plekken die zich daarvoor lenen: in woningen, bedrijven, in de stad en op het platteland. Belangrijke uitdagingen zijn: • • • • •
Instellen op de consequenties van klimaatverandering; Planmatig werken aan de klimaatadaptatie en energietransitie; Bij het toewijzen van functies rekening houden met de druk op ruimte; Meedoen met de ontwikkeling van nieuwe werkwijzen in energieopwekking; Waarborgen en vergroten van de cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische kwaliteit.
Om in te kunnen spelen op de dynamiek van de economie en de (internationale) markt moet er ruimte voor ondernemerschap zijn. Ruimte om waardevast te investeren, te groeien en samen te werken. De opgave is de veerkracht en inventiviteit van de ondernemers optimaal te blijven faciliteren en in te spelen op ontwikkelingen in de markt. Minder regels mogen overigens niet leiden tot onduidelijkheid voor alle betrokken partijen, willekeur of een onzeker vestigingsklimaat. De opgaven zijn in ambities omgezet en van mogelijke ontwikkelrichtingen per deelgebied voorzien. Het projectgebied ligt in het buitengebied (zie onderstaande uitsnede, de rode cirkel) en is dus niet (expliciet) voor woningbouw aangewezen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bathmen, Looweg 49 Definitief
Afbeelding 3.6
Uitsnede kaart omgevingsvisie Deventer (Bron: Gemeente Deventer)
Het projectgebied is gelegen in de gebiedscategorie “Oude Hoevenlandschap – laagte”. De omgevingsvisie sluit woningbouw niet op voorhand uit. Binnen dit type landschap is de functie wonen toegestaan. Daarnaast hebben binnen deze categorie de ambities “Méér wisselwerking tussen platteland en stad”, “Kwaliteitsimpuls op de Deventer schaal”, “Veilig en gezond leven” en “Duurzame toekomst” prioriteit, zoals is te zien in afbeelding 3.7.
Afbeelding 3.7
Uitsnede kaart omgevingsvisie Deventer – ambitie Bathmen (Bron: Gemeente Deventer)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bathmen, Looweg 49 Definitief Voor de Dorpen wordt het volgende benoemd: Eén van de kenmerken van leven in de dorpen is dat veel mensen elkaar kennen. Dat is zeker belangrijk vanwege de vergrijzing van de bevolking en het uitgangspunt dat mensen hun zorg steeds meer zelf moeten organiseren. Men zal vaker een beroep doen op elkaar, om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven wonen. De gemeente ondersteunt dit ‘noaberschap’ door voorzieningen zo veel mogelijk te clusteren en te zorgen voor aantrekkelijke plekken om elkaar op straat te ontmoeten. Rust, ruimte en groen maken de dorpen aantrekkelijk. Die kwaliteiten willen we behouden. Voor Bathmen worden de volgende aandachtspunten benoemd: • • • • • • • •
Meer cultuurhistorische gelaagdheid; Méér wisselwerking tussen platteland en stad; Kwaliteitsimpuls op Deventer schaal; De kracht van Deventer benutten; Waardevast ondernemen; Ongedeelde samenleving; Duurzaam ontwikkelen; Veilig en gezond leven.
3.5.1.2 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie gemeente Deventer Voorliggende ontwikkeling draagt bij aan de vitaliteit van het dorp Bathmen, doordat een woning aan de rand van het dorp (feitelijk in het buitengebied) geschikt wordt gemaakt voor twee huishoudens. Het initiatief draagt bij aan het streven om mensen zo lang mogelijk thuis te laten wonen en het behouden van de kwaliteit, door de investeringen op het erf. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie gemeente Deventer. 3.5.2
Woonvisie Deventer (2024)
3.5.2.1 Algemeen De Woonvisie geeft aan waar het woonbeleid zich de komende 5 tot 10 jaar op richt. Het geeft de ambities aan en de belangrijkste opgaven. Deze zijn gemeentebreed, zowel voor de stad Deventer als de omliggende dorpen en kernen. De Woonvisie geeft niet altijd definitieve antwoorden op de opgaven, maar geeft wel richting aan de manier waarop we de opgaven oppakken. De visie is een uitnodiging aan de partners om actief bij te dragen aan het realiseren van de woonopgaven. In de woonvisie staan meerdere ambities centraal op basis waarvan verder wordt gewerkt: 1. Vitale stad aan de IJssel; 2. Ongedeeld en inclusief; 3. Duurzaam en toekomstbestendig. Hier zijn de volgende woonopgaven aan verbonden: 1. Voldoende, betaalbaar en divers; 2. Goed wonen in wijken en dorpen; 3. Duurzaam wonen. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn met name de aspecten ‘Wonen geschikt voor ouderen’, ‘Inbreiding’ en ‘Goed wonen in dorpen’ die worden genoemd in de Woonvisie van belang. 3.5.2.2 Woningen geschikt voor ouderen Met het veranderen van de gemiddelde leeftijd van de bevolking verandert ook de behoefte aan woonruimte. Er zijn woningen nodig die aansluiten bij de wensen en behoeften van ouderen. Het gaat om woningen met comfort en gebruiksgemak, in de buurt van voorzieningen en met voldoende mogelijkheden om anderen te ontmoeten en een leefomgeving die uitnodigt om te bewegen.
Het toevoegen van levensloopbestendige woningen in de bestaande wijk biedt kansen om doorstroming op gang te brengen. Van de woningen die worden gerealiseerd moet een derde geschikt zijn voor ouderen (nultreden en geclusterde woningen). Het gaat hier om er zo’n 2.300 woningen. Hiervan BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bathmen, Looweg 49 Definitief moeten er ongeveer 1.500 woningen tot 2030 worden gerealiseerd. Vanwege de specifieke behoefte kan hiervoor zowel nieuwbouw als bestaande bouw worden benut. 3.5.2.3 Inbreiding De woningbouwopgave is fors, daarnaast is er snelheid gewenst en liggen er verschillende ruimteclaims. Bij de woningbouwopgave is nog steeds de voorkeur om deze binnenstedelijk te realiseren. Daarnaast is uitbreiding nodig, maar dit mag er niet toe leiden dat kansen voor passende inbreiding onbenut blijven (conform ladder voor duurzame verstedelijking). Inbreiding biedt een belangrijke kans voor het toevoegen van aantrekkelijke woningtypen voor meerdere doelgroepen, zeker ook voor senioren. Denk aan geclusterd bouwen in nabijheid van intramurale complexen. Hierdoor kunnen de senioren in hun eigen wijk blijven wonen en daarmee hun bestaande netwerk behouden. Dit zorgt voor doorstroming in buurten en wijken. Inbreiding draagt ook bij aan de versterking van de voorzieningenstructuur. Daarnaast ontstaan ook kansen voor collectiviteit, zoals deelmobiliteit. Verdichting wordt dus steeds belangrijker, maar er is wel creativiteit en eventueel maatwerk en omdenken (bijvoorbeeld parkeernorm/-hub, groen, woningoppervlakte) voor nodig. Inbreiden legt extra druk op de bestaande openbare ruimte. Die vaak niet is afgestemd op meer woningen.
Denk hierbij aan spelen, groen-blauwe waarden, verkeer/parkeren en riolering. Het is daarom van belang om de leefomgeving aan de voorkant te betrekken bij inbreiding en verdichting, zodat de impact op de openbare ruimte goed in kaart kan worden gebracht en hier in ontwerp en beslissingen rekening mee kan worden gehouden. 3.5.2.4 Goed wonen in dorpen ‘Noaberschap’ en betrokkenheid bij de leefbaarheid zijn kwaliteiten die bij uitstek in de dorpen aanwezig zijn. Voor de ouderen is van belang dat voorzieningen die, niet aanwezig zijn in de dorpen, wel bereikbaar blijven en dat zorg hen ook thuis kan bedienen. We accepteren dat in dorpen niet alle woonvormen en voorzieningen als in de stad beschikbaar zijn. Wel is het zaak met de ontwikkelruimte die er is, goed aan te sluiten bij de kwalitatieve woonvraag van met name jongeren en ouderen vanuit de kern. We staan open voor kleinschalige burgerinitiatieven en innovatieve ideeën die met name gericht zijn op betaalbaar wonen voor starters, het langer zelfstandig blijven wonen en de leefbaarheid in de kernen en op het platteland. De afgelopen jaren zijn routekaarten opgesteld en vastgesteld voor de dorpen Diepenveen, Schalkhaar, Lettele, Loo, Okkenbroek en Bathmen. Deze gaan dieper in op doelgroepen, tempo en plekken. In paragraaf 3.4.3 wordt verder ingegaan op de routekaart voor Bathmen.
3.5.2.5 Toetsing initiatief aan de Woonvisie Deventer (2024) Voorliggende ontwikkeling omvat de splitsing van een woning in twee woningen. Hiermee wordt bijgedragen aan zowel de kwalitatieve en kwantitatieve woningbehoefte in de gemeente Deventer. Ten aanzien van de dorpen wordt bijgedragen aan de ambitie om de ontwikkelruimte goed aan te laten sluiten bij de kwalitatieve woonvraag vanuit de kern. Het gaat om een kleinschalig burgerinitiatief, waarbij de leefbaarheid in de kern en het platteland wordt versterkt. Tot 2030 dienen er zo’n 1.500 levensloopbestendige woningen te worden gebouwd in de gemeente Deventer. Deze ontwikkeling draagt daar op zeer lokale schaal in Bathmen aan bij. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de Woonvisie Deventer (2024). 3.5.3
Routekaart Bathmen Wonen en Voorzieningen
3.5.3.1 Algemeen Zoals reeds benoemd in paragraaf 3.5.2.4 is voor het dorp Bathmen een routekaart opgesteld om dieper in te gaan op de doelgroepen, tempo en plekken voor woningbouw binnen het dorp. Naast woningbouw voor de lokale behoefte wil Bathmen inzetten op een extra groei om het dorp bruisend te houden met voldoende draagvlak voor het behouden en versterken van de voorzieningen, de verenigingen en het levendige centrum. Woningbouw voor de lokale behoefte
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bathmen, Looweg 49 Definitief Door het relatief eenzijdig woningaanbod van vrijstaande en duurdere woningen in Bathmen is er onvoldoende geschikt woningaanbod voor starters en ouderen. In het woningbouwprogramma moet daar actief op gestuurd worden. Voor jongeren gaat het om betaalbare kleinere woningen van een basiskwaliteit (denk aan studio’s/ één slaapkamer appartementen), ze hebben nu onvoldoende mogelijkheden om in hun dorp te blijven wonen. Door te kiezen voor een basiskwaliteit zullen jongeren op een gegeven moment doorverhuizen en komen de woningen weer vrij voor nieuwe jongeren. Naast koop gaat het ook om (sociale) huurwoningen voor jongeren. Voor ouderen is er behoefte aan woningtypen die het gat vullen tussen hun huidige vaak te grote woningen en het verpleegtehuis: multifunctionele levensloopbestendige woningen, bij voorkeur in het centrum van Bathmen nabij voorzieningen. Extra groei in Bathmen In de Dorpsagenda Bathmen 2035 is de ambitie opgenomen om te geleidelijk groeien naar zo’n 7.000 tot 7.500 inwoners in 2035 (inclusief het buitengebied) en daarmee de vitaliteit te behouden en te versterken. Dat zijn 1.000 tot 1.500 inwoners meer dan nu. Die groeiambitie is duidelijk hoger dan de eigen groei en daarvoor zullen dan ook huishoudens, vooral gezinnen, van buiten Bathmen moeten komen.
3.5.3.2 Toetsing van het initiatief aan de Routekaart Bathmen Wonen en Voorzieningen Voorliggende ontwikkeling draagt op kleine schaal bij aan de behoefte aan woningen in Bathmen. Er wordt daarbij zowel ingespeeld op de behoefte voor starters als de mogelijkheid voor senioren om langer thuis te wonen. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de Routekaart Bathmen Wonen en Voorzieningen. 3.5.4
Kansen uit buiten
3.5.4.1 Algemeen De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) van de provincie Overijssel biedt mogelijkheden aan gemeenten en hun inwoners en ondernemers. Met de twee Rood-voor-Rood-regelingen en de Sloopbank van de gemeente Deventer geeft de gemeente invulling aan de KGO en kunnen de mogelijkheden ervan worden benut. De regelingen zijn deels nieuw en deels uitgebreid of herzien. Voor de toepassing van die regelingen gelden de volgende voorwaarden: een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door de sloop van landschapsontsierende gebouwen, door landschappelijke inpassing en verbetering, door het behoud van karakteristieke gebouwen en door ecologische kansen te benutten. Concreet gaat het om twee varianten van de Rood-voor-Rood-regeling: Woning voor schuur en Schuur voor schuur. De nieuwe Sloopbank is voor beide een hulpmiddel. 3.5.4.2 Woning voor schuur Bij deze versie van de Rood-voor-Rood-regeling kan een initiatiefnemer landschapsontsierende gebouwen slopen in ruil voor één of meerdere woningen. Voor het bouwen van een woning zijn minimaal 850 m2 aan sloopmeters nodig. Voor sloopoppervlakte met asbestdaken die vallen onder het asbestdakenverbod, geldt een minimum van 700 m2. Naast het juiste aantal vierkante meters wegen kwalitatieve eisen en voorwaarden mee.
De geboden ontwikkelruimte moet in balans zijn en blijven met de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarde van het erf en de directe omgeving. De gemeente stelt daaraan eisen. Dat betekent dat een initiatiefnemer de nieuwe woning(en) kan bouwen als hij/zij de genoemde waarde van het erf daarmee verbetert. Of een bepaalde ontwikkeling wel of niet mogelijk is, hangt af van plaatselijke omstandigheden, de kenmerken van het erf en de directe omgeving. Ook de welstandsnota geeft richtlijnen en criteria voor erf- en gebouwontwikkelingen. 3.5.4.3 Schuur voor schuur Bij deze versie van de Rood-voor-Rood-regeling kan een initiatiefnemer landschapsontsierende gebouwen slopen in ruil voor nieuwbouw of uitbreiding van bijgebouwen en niet-agrarische bedrijfsgebouwen, of in ruil voor de uitbreiding van woningen. Voor het bouwen van een bijgebouw BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bathmen, Looweg 49 Definitief zijn minimaal 250 m2 aan sloopmeters nodig. Voor sloopoppervlakte met asbestdaken die vallen onder het asbestdakenverbod, geldt een minimum van 200 m2. Voor het uitbreiden van woningen geldt dat voor elke uitbreiding tot en met 100 m3 initiatiefnemer 250 m2 moet slopen, ongeacht de bouwomvang. Voor elke uitbreiding boven de 100 m3 moet vijf keer zoveel m2 worden gesloopt. Naast het juiste aantal vierkante meters wegen kwalitatieve eisen en voorwaarden mee. De geboden ontwikkelruimte moet in balans zijn en blijven met de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarde van het erf en de directe omgeving. De gemeente stelt daaraan eisen. Dat betekent dat een initiatiefnemer het bouwplan alleen kan uitvoeren als hij/zij de genoemde waarde van het erf daarmee verbetert. Of een bepaalde ontwikkeling wel of niet mogelijk is, hangt af van plaatselijke omstandigheden, de kenmerken van het erf en de directe omgeving. Ook de welstandsnota geeft richtlijnen en criteria voor erf- en gebouwontwikkelingen. 3.5.4.4 Toetsing van het initiatief aan ‘Kansen uit buiten’ De ontwikkeling bevat het planologisch splitsen van de woning in twee zelfstandige woningen, waarbij het af te splitsen deel wordt vergroot van 397 m3 tot 506 m3 en de gewenste bouw van een bijgebouw van 50 m2, behorend bij dit volume. Het gaat dus om een vergroting van 109 m3.
Om het voornemen mogelijk te maken wordt een sloopbewijs van 500 m2 van gesloopte bebouwing aan de Zuidlooërweg 4 te Bathmen ingezet. De sloop betreft een bovengronds mestbassin. De sloop is op 1 juli 2024 gereedgekomen. mestbassin. De sloop hiervan is op 1 juli 2024 gereed. De koopovereenkomst sloopmeters (kenmerk 2024-003) is ondertekend door initiatiefnemer en reeds ingediend bij de gemeente Deventer.
3.5.5
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
De in de voorliggende BOPA besloten ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de voorgenoemde beleidsstukken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bathmen, Looweg 49 Definitief
HOOFDSTUK 4
ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU
4.1
Geluid door activiteiten
4.1.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •
activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.1.2
Motivering
In voorliggend geval wordt met de nieuwe woning een geluidsgevoelig object toegevoegd. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bathmen, Looweg 49 Definitief •
voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
In de nabije omgeving van het projectgebied bevinden zich een spoorweg (Deventer-Almelo) en de Looweg, waar ook een geluidaandachtsgebied geldt. Daarom dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd naar weg- en railverkeerslawaai. In voorliggend geval is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai in uitvoering. Het onderzoek wegverkeerslawaai wordt door BJZ.nu uitgevoerd. De volledige rapportage wordt bijgevoegd als bijlage 2 van deze onderbouwing. Hierna wordt op de belangrijkste conclusies ingegaan. Onderzoek weg- en railverkeerslawaai Het geluid als gevolg van de gemeentelijke wegen bedraagt hoogstens 50 Lden. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 Lden uit het Bkl. Het geluid als gevolg van de spoorlijn Deventer-Almelo bedraagt hoogstens 65 Lden. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 55 Lden uit het Bkl. Er wordt wel voldaan aan de grenswaarde van 65 Lden uit het Bkl. Het gecumuleerde geluid bedraagt hoogstens 58 dB. Doordat in voorliggend geval het gecumuleerd geluid voldoet aan de grenswaarden van de betreffende geluidsbronsoorten, wordt het gecumuleerd geluid als aanvaardbaar beschouwd. Het gezamenlijk geluid bedraagt ten hoogste 65 dB. Er is een gevelwering van minimaal 65-33 = 32 dB benodigd om ter plaatse van alle woningen aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen.
Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten voor het splitsen van de woning dient te worden beoordeeld of sprake is van voldoende gevelwering om ter plaatse van de woningen een binnenniveau van 33 dB te waarborgen. Aangezien het gaat om een bestaande woning wordt verwacht dat de huidige gevel voor een deel voorziet in de benodigde geluidwering. De overige geluidwering kan met gevelmaatregelen gewaarborgd worden. Er wordt verwacht dat met geringe gevelmaatregelen een binnenniveau van 33 dB is te realiseren. Ter plaatse van de woningen is tevens sprake van één of meerdere geluidsluwe gevels. Voor de bouw van de woning is een akoestisch onderzoek uitgevoerd onder de Wet geluidhinder. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat met het toepassen van suskasten voldaan kon worden aan het vereiste binnenniveau. Bij de bouw van de woning zijn beneden suskasten gebruikt met een geluidwering van 33,7 dB en boven 39,6 dB. Met het inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Industrielawaai In de nabijheid is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig. Industrielawaai is geen belemmering voor het voornemen. Solitaire bedrijvigheid In de nabije omgeving van het projectgebied zijn enkele geluidsbronnen aanwezig die de geluidgevoelige gebouwen (woningen) kunnen verhinderen.
Hieronder zal de geluidshinder van bestaande functies in de omgeving worden beschreven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden geluid uit de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In dit geval is er gezien de aard van de omgeving sprake van een ‘rustige woonwijk’. Opgemerkt wordt dat er is gemeten tussen gevel van de geplande woning en de betreffende bestemmingen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bathmen, Looweg 49 Definitief
Adres en functie
Maximale toegelaten milieucategorie
Grootste richtafstand ‘rustige woonwijk’
Daadwerkelijke afstand (circa)
Looweg 51/51a Grondgebonden agrarisch bedrijf
3.2
50 m
270 m
Looweg 47 Bedrijf
2
30 m
120 m
Hogeweg 24 Parkeerterrein
3.1
50 m
60 m
Hogeweg 24
3.1
30 m
90 m
Sportcentrum Bathmen Zoals weergegeven in bovenstaande tabel wordt aan alle richtafstanden voldaan. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ten aanzien van het sportcentrum wordt aanvullend opgemerkt dat op basis van het planologische regime bepaalde zaken niet kunnen worden uitgesloten, zoals padelbanen of een buitenzwembad. Deze functies zijn feitelijk niet aanwezig. In geval van deze functies wordt naar verwachting niet voldaan aan de richtafstanden en kan geluid belemmerend zijn voor het plan. In dit geval geldt echter dat de bestaande woning (die wordt gesplitst) en ook andere woningen reeds op kortere afstand liggen van het sportcomplex dan de beoogde af te splitsen woning. daarnaast ligt de af te splitsen woningen reeds binnen de woonbestemming, waar nu planologisch ook al een woning toegestaan is. Het sportcomplex wordt dan ook in geen enkel geval belemmerd in de bedrijfsvoering. Ten aanzien van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geldt dat hier nu feitelijk gezien sprake van is, gezien aan de richtafstanden wordt voldaan (zie tabel). Een mogelijke padelbaan of buitenzwembad in de toekomst zal moeten voldoen aan de geluidsnormen aan de bestaande woning en aan andere woningen, die reeds dichter nabij het sportcomplex liggen. 4.1.4
Conclusie
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • •
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bathmen, Looweg 49 Definitief •
duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •
Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 4.2.2
Motivering
In dit geval heeft het gehele projectgebied reeds een woonbestemming en als zodanig in gebruik. De grond is geschikt voor het beoogde gebruik. Daarnaast is er geen sprake van een uitbreiding van bebouwing, enkel een verhoging. Een bodemonderzoek is dan ook niet nodig. 4.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bathmen, Looweg 49 Definitief een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 4.3.2
Motivering
Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling (toevoegen één woning), in verhouding tot de standaardgevallen NIBM, kan worden gesteld dat het project ‘niet in betekende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Het realiseren van één woning blijft namelijk ruim onder de gestelde standaardgevallen uit artikel 5.54 van het Bkl. Een verdere toetsing aan de rijkomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof is niet nodig. 4.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.4
Geur
4.4.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bathmen, Looweg 49 Definitief In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 4.4.2
Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Motivering
Binnen een straal van 100 meter tot het projectgebied zijn geen veehouderijen gelegen (de meest nabijgelegen veehouderij ligt op circa 270 meter afstand en betreft bovendien een grondgebonden veehouderij, waarvoor een vaste afstand van 50 meter geldt. Verder liggen binnen een straal van 2 kilometer van het projectgebied maar een beperkt aantal veehouderijen met dieren waarvoor wel geuremissiefactoren zijn vastgesteld en is voor ieder bedrijf sprake van een geringe geuremissie. Geur van veehouderijen is gelet op de omgeving en de daar gelegen veehouderijen niet beperkend voor het plan met een nieuwe woning en omgekeerd. Er zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden er geen agrarische bedrijven belemmerd door dit plan. 4.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.5
Trillingshinder
4.5.1
Algemeen
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.
Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 4.5.2
Motivering
De woning is voorzien op een afstand van circa 100 meter tot het spoor. Daarmee wordt ter plaatse van de af te splitsen woning geen onaanvaardbare trilling verwacht. Daarnaast geldt dat de afstand tot het spoor niet veranderd ten opzichte van de huidige situatie. Het gaat immers enkel om verhoging van de bestaande bebouwing, waarbij de afstand tot het spoor onveranderd blijft. Het nemen van bouwtechnische maatregelen ten aanzien van trilling is dan ook niet realistisch te achten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bathmen, Looweg 49 Definitief 4.5.3
Conclusie
Trilling vormt geen belemmering voor het voornemen.
4.6
Gezondheid
4.6.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • •
het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. 4.6.2
Spuitzonering
Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen kunnen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen woningen en bijbehorende tuinen. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de fruitteelt. Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woon- en leefklimaat bij de woningen gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2013:BY8000). De afstand van 50 meter is een indicatieve afstand. Onder omstandigheden en in een specifiek geval kan ervan worden afgeweken en dus een kortere afstand worden aangehouden. Ook dit is in de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State geaccepteerd. De afstand die wordt aangehouden in een specifiek geval moet worden onderbouwd met een zorgvuldig locatiespecifiek onderzoek.
Hierbij kan geen gebruik worden gemaakt van de modellen van het EFSA, aangezien deze onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn. 4.6.3
Motivering
In dit hoofdstuk van de onderbouwing zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en bodemkwaliteit). Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat telkens wordt voldaan aan het wettelijk kader. Spuitzonering
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bathmen, Looweg 49 Definitief Ten aanzien van spuitzonering geldt dat de woonkavel grenst aan een agrarische bestemming waar bespuiting van gewassen planologisch is toegestaan. In dit geval gaat het om gronden aan alle zijden van het projectgebied. Afbeelding 4.1 geeft het bouwblok weer met daaromheen een straal van 50 meter. Afbeelding 4.2 geeft een overzicht de eigendomssituatie van de percelen binnen de begrenzing van de spuitzone.
Afbeelding 4.1
Begrenzing spuitzone (Bron: GroenAdviesbureau H.A. ten Have)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bathmen, Looweg 49 Definitief
Afbeelding 4.2
Eigendomssituatie omliggende percelen (Bron: Kadastralekaart.com, bewerkt)
Alle percelen die op afbeelding 4.2 zijn aangeduid met ‘N-a’ zijn percelen die niet als agrarische cultuurgrond in gebruik zijn. De gronden ten oosten en westen van het bouwblok zijn in eigendom van initiatiefnemer. De gronden worden gebruikt om niet door de eigenaren van de Looweg 51 voor het op kleine schaal weiden van varkens. Hier worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. De agrarische gronden ten zuidwesten van het projectgebied zijn in eigendom van de gemeente Deventer. Ook deze gronden zijn in gebruik door de eigenaren van de Looweg 51 voor het verbouwen van maïs. De gronden ten noorden van het projectgebied zijn in eigendom van de Looweg 51 en worden gebruikt voor het verbouwen van gras. Bij het verbouwen van gras is sprake van weinig driftrisico, omdat laag bij de grond wordt gespoten. Dit geldt ook voor maïs, omdat alleen bestrijdingsmiddelen kunnen worden gebruikt in de periode (circa 8 weken) tussen zaaien en volledige grondbedekking. Hierbij is dus ook weinig driftrisico. Verder wordt opgemerkt dat ook nietchemische bestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn en dat ook kan worden gewerkt met mechanische onkruidbestrijding. Initiatiefnemer heeft een goede verstandhouding met de eigenaren van de Looweg 51. Deze mogen gebruik maken van de gronden van initiatiefnemer.
Initiatiefnemer kan afspraken maken met de eigenaren van de Looweg 51 over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de landbouwgrond ten noorden van het projectgebied. Ook de gemeente Deventer is in staat om afspraken te maken over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de landbouwgrond ten zuidwesten van het projectgebied. Daarnaast geldt in dit geval dat het plan gericht is op het toestaan van een extra woning binnen een bestaand woonperceel. Het voornemen ziet alleen toe op een verticale uitbreiding om een voldoende groot volume mogelijk te maken voor de af te splitsen woning. Er is geen sprake van uitbreiding van het bouwvlak, het bestemmingsvlak voor wonen en de tuin. Bovendien geldt in het actuele planologische kader dat het gehele perceel reeds een woonbestemming kent die binnen een spuitzone is gelegen. Bij het bespuiten van de gewassen dient de gebruiker van de gronden reeds rekening te houden met bescherming van de betreffende woningen. Een recente uitspraak van de raad van State bevestigd dit (ECLI:NL:RVS:2023:4331). Hierin is het volgende gesteld: De Afdeling is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat op beide tuinpercelen kan worden gegarandeerd.
De Afdeling wijst daarbij op de omstandigheid dat [appellante] bij het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen al rekening moet houden met het woon- en leefklimaat op het direct aan de kas grenzende perceel aan de [locatie 2] en de omstandigheid dat deze woonbestemming in dezelfde zuidelijke richting ligt als de twee bij de plattelandswoning behorende percelen en deze twee percelen verder van de kas gelegen zijn dan het direct aan de kas grenzende perceel aan de [locatie 2]. De Afdeling betrekt daarbij BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bathmen, Looweg 49 Definitief voorts dat een plattelandswoning een lager beschermingsniveau geniet dan een perceel met de bestemming "Wonen". Concluderend wordt gesteld dat de gezondheid (woon- en leefklimaat) in het projectgebied goed is, aangezien gebruiker van de agrarische gronden reeds met omliggende woningen rekening dient te houden. Alleen de eigenaren van de Looweg 51 kunnen planologisch gezien gebruik maken van gewasbeschermingsmiddelen binnen een straal van 50 meter van de woning en tuin van de Looweg 49. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is echter niet aannemelijk en bij het gebruiken van onkruidbestrijdingsmiddelen is sprake van een laag driftrisico. Initiatiefnemer en de gemeente Deventer zijn beiden in staat om met de eigenaren van Looweg 51 afspraken te maken over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het voornemen levert geen verslechtering op van de leefomgeving of omgevingskwaliteit. Het voornemen leidt er ook niet toe dat de gebruiksmogelijkheden ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen verder wordt ingeperkt. Daarom kan geconcludeerd worden dat het voornemen voldoet aan het maatschappelijk doel uit artikel 1.3 Omgevingswet. 4.6.4
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
4.7
Duurzaamheid
4.7.1
Algemeen
Een duurzame ruimtelijke ontwikkeling voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder dat daarmee de behoeften van toekomstige generaties in gevaar worden gebracht. Dit betekent dat de ontwikkeling plaatsvindt binnen de grenzen van het ecosysteem en dat er aandacht is voor de verdeling van welvaart en de veerkracht van het sociaal-maatschappelijke systeem. Concreet gaat het onder andere om het op efficiënte en verantwoorde wijze gebruiken van ruimte, water, energie en grondstoffen binnen een planontwikkeling, op basis van een lange termijn visie waarbij rekenschap is gegeven aan de behoeften van toekomstige gebruikers en de effecten van de planontwikkeling op de fysieke leefomgeving. 4.7.2
Motivering
Voor wat betreft het aspect duurzaamheid wordt opgemerkt dat de aan de meest recente eisen en normen ten aanzien van duurzaamheid zal worden voldaan. 4.7.3
Conclusie
Vanuit het aspect duurzaamheid en klimaat is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
4.8
Natuur
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bathmen, Looweg 49 Definitief 4.8.1
Gebiedsbescherming
4.8.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
4.8.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 4.8.1.3 Motivering Natura 2000-gebieden Het projectgebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Sallandse Heuvelrug’ bevindt zich op circa 8,5 kilometer afstand van het projectgebied. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Het resultaat van deze berekening staat in bijlage 3 van deze onderbouwing. Hieronder is de conclusie opgenomen. AERIUS-berekening Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het projectgebied ligt op circa 450 meter afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bathmen, Looweg 49 Definitief 4.8.2
Soortenbescherming
4.8.2.1 Algemeen Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 4.8.2.2 Motivering In het kader van soortenbescherming is door Bureau Bleijerveld. een quickscan ecologie uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden hierna besproken. Voor de volledige quickscan wordt verwezen naar bijlage 4 van deze onderbouwing. Onderzoeksresultaten Uit de toetsing van het plan aan de Ow is gebleken dat op de locatie algemene, licht beschermde zoogdieren zijn te verwachten. Voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling in geval van ruimtelijke ingrepen. Aanvullende maatregelen zijn niet vereist. De locatie kan tot het leefgebied van egel behoren maar de ontwikkeling heeft geen negatief effect op deze functie. In het projectgebied zijn geen nesten of verblijfplaatsen van vogels en vleermuizen aangetroffen. Voor beschermde soorten uit de overige soortgroepen is de locatie niet geschikt als leefgebied. Uit het onderzoek is geconcludeerd dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op strikter beschermde soorten en dat er geen aanleiding is gevonden voor aanvullend onderzoek naar specifieke soorten. De ontwikkeling kan doorgang vinden zonder aanvullende maatregelen of vergunning wat betreft natuurbeleid. 4.8.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.
4.9
Archeologie, erfgoed en cultuurhistorie
4.9.1
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bathmen, Looweg 49 Definitief Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.9.2
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. 4.9.2.1 Motivering De archeologische beleidskaart is doorvertaald naar dubbelbestemmingen in bestemmingsplannen. Op basis van het geldende bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening” zijn de gronden in het projectgebied deels voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Voor gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ geldt dat bij graafwerkzaamheden met een oppervlak van groter dan 1.000 m2 en dieper dan 0,5 meter onder maaiveld een archeologisch onderzoek nodig is. Ter plaatse van het projectgebied zijn de beoogde bodemingrepen niet groter dan 1.000 m2 en dieper dan 0,5 meter (onder het maaiveld). Een archeologisch onderzoek kan in het kader van de onderbouwing kan achterwege blijven. 4.9.3
Erfgoed en cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
4.9.3.1 Motivering Er bevinden zich in het projectgebied of in de directe omgeving hiervan geen rijksmonumenten of andere cultuurhistorische waarden. 4.9.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bathmen, Looweg 49 Definitief
4.10
M.e.r.- Beoordeling
4.10.1 Algemeen Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •