CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-119 Ruimtelijke onderbouwing BOPA Looweg 49 Bathmen

Raadsvergadering 16 april 2025, gemeente DeventerBij agendapunt: BOPA-omgevingsvergunning Looweg 49 Bathmen31.009 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Onderbouwing voor de fysieke leefomgeving, te gebruiken bij buitenplanse afwijkingen van het omgevingsplan (BOPA) Bathmen, Looweg 49 Zaaknummer: Status: Definitief December 2024

Bathmen, Looweg 49 Definitief

Onderbouwing voor de fysieke leefomgeving, te gebruiken bij buitenplanse afwijkingen van het omgevingsplan (BOPA) “Bathmen, Looweg 49”

Plannaam: Plantype: Status: Datum:

Bathmen, Looweg 49 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Definitief December 2024

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

1

Bathmen, Looweg 49 Definitief

Inhoudsopgave SAMENVATTING

...........................................................................4

HOOFDSTUK 1

INLEIDING.............................................................5

1.1 1.2 1.3

AANLEIDING ......................................................................................................... 5 LIGGING VAN HET PROJECTGEBIED ................................................................................. 5 LEESWIJZER.......................................................................................................... 5

HOOFDSTUK 2 2.1 2.2 2.3

BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE .................................................................................. 7 BESCHRIJVING NIEUWE SITUATIE ................................................................................... 9 BESCHRIJVEN STRIJDIGHEID ....................................................................................... 12

HOOFDSTUK 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

PARTICIPATIE .......................................................58

PARTICIPATIE OMGEVING........................................................................................... 58 BESTUURLIJK VOOROVERLEG ....................................................................................... 58

HOOFDSTUK 6 6.1 6.2 6.3

ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU...............33

GELUID DOOR ACTIVITEITEN ....................................................................................... 33 BODEMKWALITEIT .................................................................................................. 35 LUCHTKWALITEIT ................................................................................................... 36 GEUR ................................................................................................................ 37 TRILLINGSHINDER .................................................................................................. 38 GEZONDHEID ....................................................................................................... 39 DUURZAAMHEID .................................................................................................... 42 NATUUR ............................................................................................................. 42 ARCHEOLOGIE, ERFGOED EN CULTUURHISTORIE .................................................................. 44 M.E.R.- BEOORDELING ......................................................................................... 46 OMGEVINGSVEILIGHEID ......................................................................................... 47 VERKEERSGENERATIE, -AFWIKKELING & (FIETS)PARKEREN ..................................................

51 KLIMAATADAPTATIE EN NATUUR INCLUSIEF BOUWEN .......................................................... 53 WEGING VAN HET WATERBELANG ............................................................................... 54 WELSTAND ....................................................................................................... 55 SOCIALE VEILIGHEID ............................................................................................ 56 BEZONNING ...................................................................................................... 56 LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN ..................................................... 57 LEIDINGEN EN KABELS .......................................................................................... 57

HOOFDSTUK 5 5.1 5.2

TOETSING AAN BELEID............................................13

TOETSING RIJKSBELEID ............................................................................................ 13 TOETSING PROVINCIAAL BELEID ................................................................................... 16 TOETSING REGIONAAL BELEID ..................................................................................... 25 TOETSING BELEID WATERSCHAP ................................................................................... 26 TOETSING GEMEENTELIJK BELEID .................................................................................. 27

HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15 4.16 4.16 4.17 4.18

PLANBESCHRIJVING .................................................7

FINANCIËLE HAALBAARHEID.....................................59

ALGEMEEN .......................................................................................................... 59 KOSTENVERHAAL ................................................................................................... 59 NADEELCOMPENSATIE .............................................................................................. 59

HOOFDSTUK 7 LOCATIES

HOOFDSTUK 8 OMGEVINGSPLAN

CONCLUSIE EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN .........................................................................60 VOORSTEL VOOR HET OPNEMEN VAN HET INITIATIEF IN HET .........................................................................61

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING ......................................62 BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

2

Bathmen, Looweg 49 Definitief BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5 BIJLAGE 6

RUIMTELIJK KWALITEITSPLAN ............................................................................. 62 AKOESTISCH ONDERZOEK WEG- EN RAILVERKEERSLAWAAI ............................................. 64 STIKSTOFONDERZOEK .................................................................................... 229 QUICKSCAN ECOLOGIE ................................................................................... 253 WATERTOETSRESULTAAT ................................................................................. 260 VERSLAG PARTICIPATIE................................................................................... 268

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

3

Bathmen, Looweg 49 Definitief

SAMENVATTING Hoofdstuk 1 (projectbeschrijving): Voorliggende onderbouwing is opgesteld ten behoeve van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna BOPA). Het project heeft betrekking op de locatie Looweg 49 te Bathmen. De ontwikkeling omvat het splitsen van een woning in twee zelfstandige woningen, waarbij de woning qua inhoud wordt vergroot. Dit wordt mogelijk gemaakt op basis van de KGO-regeling, waarbij een sloopvoucher wordt ingezet Hoofdstuk 2 (huidige en nieuwe situatie): Het projectgebied zelf bestaat uit een woning (met inwoning) met een tuin. In de nieuwe situatie bestaat het projectgebied uit dezelfde woning met tuin, waarbij de woning is vergroot en is gesplitst. De buitenruimte blijft ingericht als groen, tuin en voor parkeren, waarbij het wel wordt gesplitst in twee tuinen. Hoofdstuk 3 (participatie): Initiatiefnemer heeft alle buren ingelicht. Deze zijn blij met de plannen, omdat hiermee een woonruimte ontstaat voor starters en initiatiefnemer zelf ook de mogelijkheid krijgt om langer te blijven wonen aan de Looweg 49. Hoofdstuk 4 (toetsing aan beleid): Geconcludeerd wordt dat het relevante beleid op rijks, provinciaal-, regionaal, waterschaps- en gemeentelijk niveau de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling niet in de weg staat.

Hoofdstuk 5 (aspecten fysieke leefomgeving): Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 6 (financiële haalbaarheid): De gemeentelijke kosten worden verhaald via leges. Hoofdstuk 7 (conclusie): Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

4

Bathmen, Looweg 49 Definitief

HOOFDSTUK 1 1.1

INLEIDING

Aanleiding

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft betrekking op een woning (met inwoning) aan de Looweg te Bathmen. De ontwikkeling omvat het planologisch splitsen van de woning met inwoning naar twee zelfstandige woningen. Het te splitsen deel van de woning wordt daarbij uitgebreid naar 506 m3, om voldoende volume te creëren voor een zelfstandige woning. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt een sloopvoucher aangewend. Met deze aankoop willen initiatiefnemers de woning vergroten van 387 m3 naar 506 m3. De sloopmeters zijn gekocht van de Zuidlooërweg 4 te Bathmen, waar reeds 670 m2 is gesloopt. Hiervan wordt 500 m2 aangewend ten behoeve van deze ontwikkeling. Hiermee wordt voldaan aan de sloopnorm. Ter plaatse van het projectgebied geldt binnen het tijdelijke gedeelte van het omgevingsplan het bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening”. Er geldt de bestemming ‘Wonen’. Binnen deze bestemming is maximaal één woning toegestaan. Het voornemen is daarom in strijd met het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Om het voornemen mogelijk te maken, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Hiervoor dient op basis van artikel 8.0 lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) te worden aangetoond dat de BOPA in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.

1.2

Ligging van het projectgebied

Het projectgebied ligt in het buitengebied, ten oosten van de kern Bathmen. Het gaat om het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Bathmen, sectie L, perceelnummer 71. In afbeelding 1.1 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van Bathmen en ten opzichte van de directe omgeving met respectievelijk de rode ster en de rode omlijning indicatief aangegeven.

Afbeelding 1.1

1.3

Ligging van het projectgebied (Bron: OpenStreetMap)

Leeswijzer

Deze onderbouwing is opgebouwd uit acht hoofdstukken. Na de inleiding in hoofdstuk 1, volgt in hoofdstuk 2 de beschrijving van het plan. In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling getoetst aan het beleidskader. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving, zoals milieuaspecten, landschap en water ect. Op basis van al deze aspecten wordt in dit hoofdstuk onderbouwd waarom de voorgenomen ontwikkeling acceptabel is. Onder de Omgevingswet is participatie verplicht. Een verslag hiervan is opgenomen in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is de financiële haalbaarheid beschreven. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

5

Bathmen, Looweg 49 Definitief Hoofdstuk 7 bevat, het geheel samennemend, een beschouwing waaruit blijkt dat deze aanvraag zich verenigt met een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Hoofdstuk 8 gaat ten slotte in op het voorstel van de wijze waarop dit plan te zijner tijd zal worden verwerkt in het Omgevingsplan en de daarbij te hanteren regels.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

6

Bathmen, Looweg 49 Definitief

HOOFDSTUK 2

PLANBESCHRIJVING

2.1

Beschrijving huidige situatie

2.1.1

Planologische situatie

Het projectgebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Deventer. Ter plaatse van het projectgebied is sprake van een omgevingsplan van rechtswege zoals deze in werking is getreden op 1 januari 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat ter plaatse uit de ‘bruidsschat’ en de volgende documenten: • • • • •

Parapluplan Kleinschalige Kinderopvang (vastgesteld 14 juli 2016); Bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening” (vastgesteld 3 januari 2017); Parapluherziening parkeereisen (vastgesteld 11 april 2018); Parapluherziening particuliere zonnepanelen Buitengebied (vastgesteld 8 juli 2021); Parapluherziening standplaatsen en warenmarkten (digitaal) (vastgesteld 30 januari 2013).

Voor de duiding van het planologisch regime van het projectgebied is met name het bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening” van belang. Het omgevingsplan bevat in de huidige situatie namelijk uitsluitend de regels van de bruidsschat. Met het “Parapluherziening parkeren” wordt rekening gehouden bij de berekening van de parkeerbehoefte (zie verder paragraaf 4.12). De overige bestemmingsplannen bevatten aanvullende regels over kinderopvang, zonnepanelen en standplaatsen en warenmarkten. Deze zijn in dit kader niet danwel minder relevant. Omdat het bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening” is opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan wordt nog gesproken over ‘bestemmingen’ in plaats van ‘functies’. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding behorende bij het geldende bestemmingsplan opgenomen. Het projectgebied is hierin weergegeven met de paarse contour.

Afbeelding 1.2 Uitsnede bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening” (Bron: Omgevingsloket)

Op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied Deventer, 1e herziening” kent het projectgebied de bestemming ‘Wonen’ met bouwvlak en deels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 2’. Tot slot geldt de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’. ‘Wonen’ Ter plaatse van de bestemming ‘Wonen’ is het wonen toegestaan, daaronder ook begrepen kleinschalige beroepen en bedrijven-aan-huis. Voor woningen geldt dat er per bouwvlak maximaal één woning is toegestaan, met een inhoud van maximaal 750 m3, een goothoogte van 4,5 meter, een bouwhoogte van 10 meter en een dakhelling van minimaal 20° en maximaal 55°. Per woning is maximaal 100 m2 aan losstaande bijgebouwen en overkappingen toegestaan. Indien het bestaande oppervlakte meer is dan 100 m2 is dit toegestaan, maar is uitbreiding in geen geval toegestaan. ‘Waarde – Archeologie – 2’

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

7

Bathmen, Looweg 49 Definitief De voor ‘Waarde - Archeologie – 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar toegelaten functie(s), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische verwachtingswaarden. Op deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 0,5 meter onder het maaiveld wordt geroerd en met een oppervlakte groter dan 1.000 m2. ‘Reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ Ten aanzien van deze gebiedsaanduiding gelden aanvullende bepalingen voor agrarische bedrijven. Deze aanduiding heeft in dit kader dan ook geen relevantie. 2.1.2

Feitelijke situatie

Het projectgebied ligt ten oosten van de kern Bathmen. Het projectgebied grenst aan de zuidzijde aan de Looweg, aan de noordzijde door de Kleinen Traasterdijk en aan de overige zijden door agrarische percelen. Het projectgebied zelf betreft het woonerf van een vrijstaande woning (met inwoonsituatie). Rond de woning ligt een tuin. Achterop het erf staat een bijgebouw (circa 150 m2). Het erf wordt ontsloten aan de zuidzijde op de Looweg. Het projectgebied bestaat verder uit weilanden. In afbeelding 2.2 is een luchtfoto opgenomen van het erf aan de Looweg 49. Afbeelding 2.3 toont het straatbeeld van het projectgebied vanaf de Looweg.

Afbeelding 2.2

Luchtfoto ligging projectgebied (Bron: PDOK)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

8

Bathmen, Looweg 49 Definitief

Afbeelding 2.3

2.2

Straatbeeld projectgebied (Bron: Google Maps)

Beschrijving nieuwe situatie

Algemeen De ontwikkeling bevat het planologisch splitsen van de woning in twee zelfstandige woningen, waarbij het af te splitsen deel wordt vergroot tot 506 m3. Voor deze ontwikkeling van de inhoud wordt, in het kader van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) een sloopbewijs ingezet. Er wordt hiervoor een sloopbewijs van 500 m2 van gesloopte bebouwing aan de Zuidlooërweg 4 te Bathmen ingezet. De sloop is op 1 juli 2024 gereedgekomen. Het bouwplan is het vergroten van de bovenverdieping. De nokhoogte van de af te splitsen woning wordt in de nieuwe situatie 7,00 m. De nokhoogte van de bestaande boerderij is 7,50 m. Wanneer de woning wordt vergroot naar 506 m3 inhoud dan wordt deze hogere nokhoogte over de gehele lengte van het bijgebouw verlengd naar achteren. Dit is op het erf en landschapsplan aangegeven. In de nieuwe situatie krijgt de afgesplitste woning een eigen in- en uitrit op de Looweg. Ook wordt er een nieuw bijgebouw van 50 m2, achter deze woning, geplaatst. Een bestaand, klein bijgebouw wordt hiervoor gesloopt. Planologische situatie De kadastrale percelen zijn niet gelijk aan de bestemmingsvlakken voor ‘Wonen’ (zie afbeelding 1.2). De huidige woonbestemming van de Looweg 49 in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Deventer, 1e herziening’ is niet volledig in eigendom van initiatiefnemer.

Een gedeelte van de woonbestemming van de Kleinen Traasterdijk 1 is onderdeel van het projectgebied. Voor het initiatief levert dit geen belemmering op. Per bestemmingsvlak voor ‘Wonen’ is één woning toegestaan. Dit is de bestaande woning aan de Looweg 49 respectievelijk Kleinen Traasterdijk 1. De voorliggende BOPA maakt uitsluitend mogelijk wat in de BOPA is beschreven en wijzigt het onderliggend Omgevingsplan niet. Ten tijde van het actualiseren van het Omgevingsplan, wordt de BOPA in het Omgevingsplan verwerkt. Hierbij wordt bij de toekenning van de functies en bouwmogelijkheden, rekening gehouden met de eigendomsgrenzen. Ontsluiting en parkeren Bij de bestaande woning aan de Looweg 49 blijft de ruimtelijke inrichting en ontsluiting van het erf ongewijzigd. Voor de af te splitsen woning wordt een ondergeschikte inrit, gemaakt in halfverhardingen, voorgesteld. Ontsluiting met één inrit, de bestaande, is niet mogelijk. De nieuwe

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

9

Bathmen, Looweg 49 Definitief situatie is zodanig dat bewoners en bezoekers veilig in- en uitrijden op de Looweg. Er is ruimte voor ongeveer vier parkeerplekken. Hiermee kan ruim voldoende worden voldaan aan de parkeernorm voor een vrijstaande woning en is er voldoende overcapaciteit om parkeren in de bermen te voorkomen. De inrit ligt op 10 meter afstand van een berkenboom. De inrit kan worden aangelegd zonder de wortelzone van de boom te beschadigen/belemmeren. Landschap Het erf ligt direct aan de Looweg te Bathmen op korte afstand van de grens van de bebouwde kom. De eerste bebouwing is ontstaan in de jaren dertig van de vorige eeuw. Een kleinschalige boerderij in een kleinschalig Sallands hoeve landschap. Kleine weiden en akkers, veelal met houtsingels en kavelgrensbegroeiing. De oude landschapsstructuren zijn nog goed herkenbaar. Ter versterking van het landschap wordt een nieuwe houtsingel aangelegd met een lengte van ongeveer 102 meter. Het plan houd rekening met het vrije uitzicht van en naar de Kleinen Traasterdijk nummer 1. Op het erf worden enkele erfbomen en een erfbosje toegevoegd. Het erfbosje sluit aan bij het erfbosje van Kleinen Traasterdijk 1. De nieuw te bouwen schuur (bij de af te splitsen woning) Looweg wordt hiermee een eenheid met haar omgeving. Tussen de beide woningen is een beukenhaag gesitueerd ten behoeve van de wenselijke privacy.

Aan de voorzijde van het erf stonden drie sparren. Door aantasting van de ‘Letterzetter’, droogte en andere aantastingen zijn deze afgestorven en in overleg met de Gemeente in 2022 verwijderd. Langs het erf zijn aan deze zijde drie bomen ter compensatie gesitueerd. Hierna is een uitsnede van het beoogde eindbeeld opgenomen. Het gehele ruimtelijk kwaliteitsplan is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen. In afbeelding 2.5 is een impressie van de vergroting van de woning schematisch weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

10

Bathmen, Looweg 49 Definitief

Afbeelding 2.4

Beoogde situatie (Bron: Groenadviesbureau ten Have)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

11

Bathmen, Looweg 49 Definitief

Afbeelding 2.5

2.3

Schematische impressie vergroting woning (Bron: Groenadviesbureau ten Have)

Beschrijven strijdigheid

Het splitsen van de woning is in strijd in met het omgevingsplan. Er is namelijk maximaal één woning toegestaan. Daarnaast dient bij de nieuwe woning maximaal 50 m2 aan bijgebouwen te worden toegestaan. Dit is conform de standaard in het buitengebied. De beoogde activiteiten passen daarmee niet binnen de beoordelingsregels van het omgevingsplan. Om het voornemen te realiseren, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa). De BOPA zorgt voor het gewenste juridischplanologische kader. Een omgevingsvergunning voor een Bopa kan op basis van artikel 8.0 Bkl worden verleend, wanneer dit in overeenstemming is met ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

12

Bathmen, Looweg 49 Definitief

HOOFDSTUK 3

TOETSING AAN BELEID

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal-, waterschap- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit projectgebied geldende uitgangspunten weergegeven.

3.1

Toetsing Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

3.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 3.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.

Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.

Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

13

Bathmen, Looweg 49 Definitief 3.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. 3.1.2

Instructieregels Rijk (Amvb’s)

Artikel 8.0b, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: o o o o o o

o

waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Zie stap 11f van hoofdstuk 3. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

14

Bathmen, Looweg 49 Definitief (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen: • •

de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend.

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en een ‘stedelijke ontwikkeling’. bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 3.1.4

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid

3.1.4.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. Wel geeft de NOVI het volgende aan ten aanzien van woningbouw, klimaatadaptatie en de energietransitie. Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. In de Nationale Omgevingsvisie wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Het project wordt in de paragrafen 3.2.4en 3.5.2 getoetst aan het provinciale- en gemeentelijke beleid ten aanzien van wonen. Bovendien wordt vermeld dat het erf op een groene, natuur inclusieve wijze wordt ingericht. Hiermee draagt het plan bij aan de eerste prioriteit uit de NOVI, namelijk klimaatadaptatie. In paragrafen 4.7 en 4.13 wordt verder ingegaan op deze onderdelen. Gezien het bovenstaande verzet de NOVI zich niet tegen de ontwikkeling zoals opgenomen in deze ruimtelijke onderbouwing. 3.1.4.2 Instructieregels Rijk In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat.

In hoofdstuk 4 wordt verder ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl. 3.1.4.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op het realiseren van woningen is de overzichtsuitspraak ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2017:1724 van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van 11

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

15

Bathmen, Looweg 49 Definitief woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. In het plan is sprake van het toevoegen van één woning. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet van toepassing.

3.2

Toetsing provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Leidende thema’s voor de Omgevingsvisie zijn: 1. Duurzaamheid; 2. Ruimtelijke kwaliteit. Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn: • • •

•

3.2.2

door meer aandacht voor herstructurering wordt ingezet op een breed spectrum aan woon, werk- en mixmilieu’s; dorpen en steden worden gestimuleerd hun eigen kleur te ontwikkelen; investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan; zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik; deze methode gaat ervan uit dat eerst het gebruik van de ruimte wordt geoptimaliseerd, dan de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik wordt onderzocht en dan pas de mogelijkheid om het ruimtegebruik uit te breiden, wordt bekeken; ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid. Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie Overijssel. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie Overijssel te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities wordt gebruik gemaakt van het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel'. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

16

Bathmen, Looweg 49 Definitief Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.

Afbeelding 3.1

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

Hierna worden de lagen nader toegelicht. Of – generieke beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in ons handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. Waar – ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn.

De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaaleconomische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

17

Bathmen, Looweg 49 Definitief te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging t.a.v. functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen. Hoe – gebiedskenmerken Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in onze omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden.

Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet. 3.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 3.2.4.1 Of - Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase ‘Of – generieke beleidskeuzes’ zijn artikel 4.4 (Principe van concentratie), artikel 4.5 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), artikel 4.7-4.9 (ruimtelijke kwaliteit), artikel 4.11 (Kwaliteitsimpuls Groene omgeving) en artikel 4.14 (Woonafspraken) uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Hierna wordt nader op de artikelen ingegaan. Artikel 4.4 – Principe van concentratie (lid 1) In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.

Met de ontwikkeling wordt door woningsplitsing een extra woning mogelijk gemaakt. Er vindt, door het inzetten van een sloopbewijs, geen extra ruimtebeslag plaats op de groene omgeving. In paragraaf 3.4.2 wordt aangetoond dat het toevoegen van de woningen past in de gemeentelijke woningbouwprogrammering. In verband hiermee is het voornemen in overeenstemming met artikel 4.4 van de Omgevingsverordening Overijssel.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

18

Bathmen, Looweg 49 Definitief

Artikel 4.5 – Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (lid 1) Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat: a.

er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied; b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “groene omgeving” nader gedefinieerd als: dat deel van de fysieke leefomgeving waarvan de gronden niet vallen binnen bestaand bebouwd gebied. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “bestaand bebouwd gebied” nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut worden voor stedelijke functies op grond van een geldend omgevingsplan en op grond van een (voor)ontwerp voor zover de provincie daarover een positief advies heeft uitgebracht in het kader van het vooroverleg. De ontwikkeling ziet toe op een extra woning op een bestaand erf. Er is, door het inzetten van een sloopbewijs, geen sprake van extra ruimtebeslag. Daarnaast is de woning reeds grotendeels geschikt voor twee huishoudens. Door enkel het ophogen wordt voldoende volume gecreëerd voor een volwaardige woning. Hierdoor wordt het erf toekomstbestendig gemaakt voor twee huishoudens. Gelet op vorenstaande is voorliggende ontwikkeling in overeenstemming met artikel 4.5 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 4.7 (Oogmerk ruimtelijke kwaliteit): Deze paragraaf is gericht op het versterken van ruimtelijke kwaliteit door het toepassen van de OF-, WAAR- en HOE-benadering volgens het uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel. Artikel 4.8 (Ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit): In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken. Artikel 4.9 – Onderbouwing ruimtelijke kwaliteit (lid 1) Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: a.

het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de Omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. In deze en de volgende paragraven wordt getoetst aan de OF-, WAAR-, en HOE-benadering en het ontwikkelingsperspectief. Ook wordt getoetst aan de vier-lagenbenadering. Hieruit zal blijken dat aan deze principes wordt voldaan. In dit geval is er sprake van een forse verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Enerzijds doordat een sloopbewijs is ingezet, waarbij ontsierende bebouwing is opgeruimd en anderzijds doordat het erf conform gebiedskenmerken passend wordt versterkt. zo wordt voorzien in extra beplanting en hagen. In bijlage 1 is dit uitgewerkt in het ruimtelijk kwaliteitsplan. Gelet op vorenstaande is voorliggende ontwikkeling in overeenstemming met artikel 4.7 tot en met 4.9 van de Omgevingsverordening Overijssel.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

19

Bathmen, Looweg 49 Definitief

Artikel 4.11 – Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (lid 1) Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als: a. daarvoor sociaaleconomische of maatschappelijke redenen voor zijn; b. het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; en c. in het geval de nieuwvestiging of een grootschalige uitbreiding plaatsvindt op gronden binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water de compensatie bedoeld in onderdeel b gericht is op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap. De maatregelen in het kader van de KGO betreffen het inzetten van een sloopbewijs, om de vergroting van de af te splitsen woning mogelijk te maken. Ook wordt het erf landschappelijk versterkt. Wanneer wordt getoetst aan de criteria, ontstaat het volgende beeld: a.

Er is een sociaaleconomische reden voor de ontwikkeling. Door de splitsing kan initiatiefnemer samen met zijn familie op het erf blijven wonen, waarmee het erf toekomstbestendig wordt en een woning wordt gerealiseerd voor starters. b. Er is geen sprake van verlies van ecologische of landschappelijke waarden, aangezien er nauwelijks sprake is van toename van bebouwing op het erf. Overigens wordt het erf zodanig ingepast en versterkt dat eventueel verlies van deze waarden wordt gecompenseerd; c. Niet van toepassing. Artikel 4.14 – Woonafspraken 1. Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. 2. Nieuwe woningen zijn nog te realiseren woningen waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven. In voorliggend geval wordt voorzien in woningbouw ten behoeve van de lokale woningbouwbehoefte. Voor toetsing aan zowel de kwantitatieve als kwalitatieve woningbehoefte wordt verwezen naar paragraaf 3.5.2 Hier wordt geconcludeerd dat het project in overeenstemming is met artikel 4.14 van de Omgevingsverordening Overijssel.

3.2.4.2 Waar- Ontwikkelingsperspectieven Het projectgebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap’. In afbeelding 3.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

20

Bathmen, Looweg 49 Definitief

Afbeelding 3.2

Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Omgevingsloket)

"Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap" Het ontwikkelingsperspectief "Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap" richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische en natuurlijke landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem. Toetsing van het initiatief aan het Ontwikkelingsperspectief Een woningsplitsing past uitstekend binnen het mixlandschap, waar ruimte is voor diverse functies, waaronder wonen. De ontwikkeling draagt bij aan het toekomstbestendig houden van een erf en door de landschapsmaatregelen ook aan een versterking van de natuurlijke en landschapselementen.

3.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarischcultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Bij toetsing van het ruimtelijke initiatief aan de gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) is van belang dat de locatie in het buitengebied ligt. Dit betekent dat de stedelijke laag buiten beschouwing kan blijven, aangezien deze relevante kenmerken kent in het projectgebied. 1. De 'Natuurlijke laag'

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

21

Bathmen, Looweg 49 Definitief Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. Het projectgebied wordt op basis van de gebiedskenmerkenkaart de 'Natuurlijke laag' aangeduid met het gebiedstypen 'dekzandvlakte en ruggen'. Op onderstaande afbeelding is dit weergegeven.

Afbeelding 3.3

Uitsnede van de ‘Natuurlijke laag’ (Bron: Omgevingsloket)

Dekzandvlakte en ruggen De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. Toetsing van het initiatief aan de ‘Natuurlijke laag’ De ontwikkeling van het erf sluit functioneel en stedenbouwkundig goed aan bij de ruimtelijke en functionele structuur van de omgeving. Daarnaast worden er forse landschapsmaatregelen uitgevoerd, conform de gebiedskenmerken. Hier wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling op de bewuste locatie goed past bij het huidige karakter van het omliggende gebied en daarom passend is binnen de ‘Natuurlijke laag’. 2. De 'Laag van het agrarische cultuurlandschap' In de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld.

Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

22

Bathmen, Looweg 49 Definitief gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het projectgebied ligt in het 'Essenlandschap en ‘Oude hoevenlandschap'. In afbeelding 3.4 is dat weergegeven.

Afbeelding 3.4

Uitsnede van de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ (Bron: Omgevingsloket)

“Essenlandschap” Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk. “Oude hoevenlandschap” Het Oude Hoevenlandschap betreft een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het landschap is contrastrijk met veel variatie op de korte afstand.

Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Bathmen, Looweg 49 Definitief Toetsing van het initiatief aan de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ Door de landschappelijke inpassing van het projectgebied worden de kenmerken van het oorspronkelijke landschap van de verschillende landschapstypen versterkt. Dit gebeurt door het projectgebied in te richten met nieuwe, gebiedseigen beplanting. Daarmee is de ontwikkeling in overeenstemming met het gestelde in de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”. 3. De “Laag van de beleving” In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid. De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis.

De verblijfsrecreatiecomplexen, de attracties, de routes voor wandelen, fietsen en varen zijn een belangrijke economische factor geworden met een vergelijkbaar aandeel in de economie als de agrarische sector. Dit alles verandert het aanzien, de gewenste gebruiksmogelijkheden en betekenis van het buitengebied. Aan het 'belevingslandschap' ontleent Overijssel zijn tijdsdiepte, maar ook zijn aantrekkingskracht. Steeds vaker worden de kwaliteiten uit het verleden ingezet in plannen door daar met nieuwe kwaliteiten, gebruiks- en verschijningsvormen op voort te bouwen. Belangrijk in deze laag is het oude en nieuwe 'erfgoed' van de provincie. Het projectgebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de 'Laag van de beleving' aangeduid met de aanduiding 'Donkerte'. In afbeelding 3.5 is dit weergegeven.

Afbeelding 3.5

Uitsnede van de ‘Laag van de beleving’ (Bron: Omgevingsloket)

“Donkerte” Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Bathmen, Looweg 49 Definitief de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden. Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van de beleving' Ten eerste wordt gesteld dat lichtuitstraling inherent is aan een woonfunctie.

In hoeverre hier daadwerkelijk sprake is van een kwaliteit valt, gezien het feit dat verlichting in woon- en werkgebieden noodzakelijk is vanuit het oogpunt van sociale en verkeersveiligheid, te betwijfelen. In dit geval zal, ten opzichte van de huidige situatie de lichtuitstraling vrijwel niet toenemen. Er is immers reeds sprake van een woning met inwoning. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de “Laag van de beleving”. 3.2.5

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

3.3

Toetsing regionaal beleid

3.3.1

Regionale Energiestrategie

3.3.1.1 Algemeen De energietransitie houdt niet op bij de gemeentegrens. Daarom werken overheden, inwoners, bedrijfsleven, netbeheerders en maatschappelijke organisaties in 30 regio's samen aan een Regionale Energiestrategie (RES). De RES 1.0 van de regio Overijssel-West is in de zomer van 2021 vastgesteld door de gemeenteraden, Provinciale Staten en algemeen besturen van de waterschappen. In juni 2023 is een voortgangsrapportage opgesteld om de uitwerking van de RES 1.0 na te gaan en als voorbereiding op de RES 2.0. 3.3.1.2 Voortgang Regionale Energietransitie Door gemeenten is hard gewerkt aan het bepalen van de zoekgebieden en het opstellen van de bijbehorende kaders voor grootschalige opwek. Ondertussen is in bijna alle gemeenten dit beleid vastgesteld of op route gebracht voor besluitvorming in de gemeenteraad. Ook de provincie heeft invulling gegeven aan haar rol als bevoegd gezag bij grootschalige windprojecten door beleidskaders op te stellen en in gesprek te treden met gemeenten over beleidskeuzes en de rolverdeling bij de uitvoering. Veel factoren beïnvloeden hoeveel zonne- en windenergie uiteindelijk gerealiseerd kan worden. Denk aan beperkingen in de ruimte, de mate waarin een locatie en de keuze voor zonne-en windenergie maatschappelijk geaccepteerd wordt en de beschikbaarheid van netcapaciteit. In de praktijk zullen niet alle projecten slagen.

Daarom is het belangrijk dat de RES een zekere overprogrammering heeft. Het is van belang meer en/of grotere zoekgebieden aan te wijzen dan voor het behalen van de afgesproken doelstelling (1,8 TWh) ruimtelijk gezien strikt nodig is. De verwachte productie van duurzame elektriciteit met grootschalige opwek in West-Overijssel is onvoldoende om in 2030 de afgesproken 1,8 TWh te halen. Circa 45% van het bod is gerealiseerd of in ontwikkeling, 55% moet nog worden ontwikkeld. De productie van zonne-energie ligt op BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bathmen, Looweg 49 Definitief schema waarbij zon-op-dak een forse voortgang boekt. Het aandeel wind blijft echter ver achter en dat heeft nadelige consequenties voor het netwerk, de leefomgeving en de doelstelling: vermindering van de CO2-uitstoot. Er is nog veel winst te behalen met betrekking tot het hoekpunt systeemefficiëntie. In grote delen van West-Overijssel kunnen maatregelen voor systeemefficiëntie de haalbaarheid en betaalbaarheid van het RES-bod vergroten. Gemeenten en provincie spelen hier een belangrijke rol in. Zij kunnen beleidsmatig voorrang geven aan windprojecten of een combinatie van zon-wind-projecten en bijvoorbeeld zonnevelden met enkelgebruik niet langer toestaan. De afgelopen periode is de richting bepaald voor de verdere uitwerking van het warmtedeel in de RES 2.0. Daarbij is geconcludeerd dat de met name de elektrificatie van de warmtevraag aanscherping nodig heeft. Verder wordt er op regionaal niveau gewerkt aan inrichting van de samenwerking in het kader van het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) en de mogelijke ontwikkeling van een regionaal warmte(netwerk)bedrijf. 3.3.1.3 Situatie projectgebied Het versnellen van de energietransitie is verankerd in de beleidsstukken op zowel provinciaal als gemeentelijk niveau. Wat betreft gemeentelijk beleid komt het thema energie naar voren in paragraaf 4.7.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15333183/1