CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-1057-bijlage-NL.IMRO.0150.TAM027-OW01

Raadsvergadering 28 januari 2026, gemeente DeventerBij agendapunt: TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Oxersteeg 1128.269 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

5.4

Gezondheid

Integrale besluitvorming en samenhang door alle aspecten van de fysieke leefomgeving vroegtijdig te betrekken is een van de uitgangspunten van de Omgevingswet. Gezondheid is hier een belangrijk onderdeel van.

5.4.1 Wettelijk kader Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

5.4.2 Relatie met het voorliggende plan In de huidige situatie worden er op het erf aan de Oxersteeg 11 reeds twee gezinnen in twee verschillende woningen. Met het voorliggende plan wordt deze situatie ook formeel planologisch geregeld. Op het erf is sprake van een gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Uit dit voorliggende hoofdstuk blijkt dat de milieueffecten op het wonen aanvaardbaar zijn en passen binnen de wettelijke kaders. Met het voorliggende plan wordt het erf ook kwalitatief verbeterd. Tot slot maakt het voorliggende plan het mogelijk dat de woning toekomstbestendig kan worden gemaakt. Anderszijds heeft de functie wonen geen schadelijke gevolgen voor de gezondheid van omwonenden. Met betrekking tot het aspect gezondheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De ontwikkeling brengt geen gezondheidsrisico’s met zich mee.

concept

35

5.5

Verkeer en parkeren

5.5.1 Verkeer In het voorliggende plan wordt één extra wooneenheid gerealiseerd binnen het plangebied Oxersteeg 11. Het erf heeft reeds een verkeersveilige ontsluiting op de Oxersteeg, welke gehandhaafd blijft. Het voorliggende plan zorgt voor een heel beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen op de Oxersteeg (hoewel feitelijk de woning al tientallen jaren als zodanig wordt gebruikt). Deze heel beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen kan goed opgevangen worden. Het huidige verkeersbeeld op de Oxersteeg wijzigt niet met het voorliggende plan. Het voorliggende plan leidt niet tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid.

5.5.2 Parkeren In het voorliggende plan wordt planologisch één extra woning gerealiseerd aan de Oxersteeg 11. Op basis van de nota 'Parkeernormen Deveneter 2013 Auto en fiets' geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning. Het erf in het plangebied is ruim van opzet, waarmee ruimschoots aan de parkeernorm kan worden voldaan. De geldende parkeernormen zijn geborgd in de regels van dit omgevingsplan.

5.6

Natuur

Met het voorliggende plan wordt het erf landschappelijk ingepast, waarbij o.a. nieuwe bomen, hagen en bloemengsels en de betrokken erven worden toegevoegd. Dit heeft een positief effect op de natuurwaarden van het erf. Anderzijds moet ook worden geoordeeld of met het plan voldaan worden aan de natuur-regelgeving. De natuur-regelgeving bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden.

5.6.1 Soortenbescherming Met betrekking tot soortenbescherming hebben quickscans flora en fauna plaatsgevonden voor de ontwikkelingen aan de Oxersteeg 11 en 17. Voor het erf aa de Oxersteeg heeft daarbij ook nader onderzoek egel plaatsgevonden. De resultaten zijn weergegeven in de rapporten 'Quickscan flora- en fauna- activiteit, Oxersteeg 11 Deventer' (zie Bijlage 1) en de 'Quickscan flora- en fauna-activiteit Oxersteeg 17 Deventer' (zie Bijlage 2). Hierna volgende belangrijkste conclusies. Oxersteeg 11 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een positief effect op de kwaliteit van het leefgebied van een aantal beschermde zoogdieren en amfibieënsoorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad, kleine watersalamander, ree, haas, konijn, vos, diverse algemene muizen en spitsmuizen. De ingreep zelf heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt

36

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Oxersteeg 11

Afhankelijk van de werkzaamheden die in de toekomst aan het gebouw worden uitgevoerd waar planologisch de woonfunctie aan wordt toegekend, is nader onderzoek naar vleermuis en huismus nodig. Het is mogelijk dat nestlocaties van huismus aanwezig zijn onder de dakpannen van dit gebouw. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen aanwezig zijn bij de wegkruipruimtes bij de houten boeidelen van het gebouw. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Negatieve effecten op deze soortgroep zijn op voorhand uitgesloten mits buiten het broedseizoen van 1 maart tot 15 juli wordt gewerkt. Indien dit niet mogelijk is, wordt een broedvogelcheck noodzakelijk geacht. Verder dient bij de werkzaamheden rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels. Oxersteeg 17 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een landschappelijke inpassing van het leefgebied van een aantal beschermde zoogdieren en amfibieënsoorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt.

Het betreft soorten als bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad, kleine watersalamander, ree, haas, konijn, vos, diverse algemene muizen en spitsmuizen. De ingreep zelf heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Egel De egel is niet aangetroffen tijdens het camera onderzoek en ook niet waargenomen tijdens de verschillende veldbezoeken. Negatieve effecten tijdens de werkzaamheden op egel verblijfplaatsen zijn uitgesloten. Het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk. Steenmarter en das Steenmarter en de das zijn wel waargenomen tijdens het camera onderzoek, echter zijn verblijfplaatsen op voorhand al uitgesloten door de afwezigheid van sporen, latrines, uitwerpselen, hopen en/of burchten. Hierdoor is het aanvragen van omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels.

Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Negatieve effecten op deze soortgroep zijn op voorhand uitgesloten mits buiten het broedseizoen van 1 maart tot 15 juli wordt gewerkt. Indien dit niet mogelijk is, wordt een broedvogelcheck noodzakelijk geacht. Verder dient bij de werkzaamheden rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels.

concept

37

5.6.2 Gebiedsbescherming, Natura 2000 Niet stikstof-gerelateerde effecten Beide betrokken erven liggen op relatief grote afstand van de dichtsbijzijnde Natura 2000-gebieden. Het erf Oxersteeg 11 ligt op circa 4,1 kilometer van het Natura 2000-gebied RIjntakken en het erf Oxersteeg 17 ligt op circa 5 kilometer van het Natura 2000-gebied RIjntakken. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een nadere toetsing van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Op het erf aan de Oxersteeg 17 worden enkele schuren gesloopt, wordt een dak van een schuur vervangen en worden landschapsmaatregelen uitgevoerd. Op het erf aan de Oxersteeg wordt één kleine schuur gesloopt, wordt een bestaande schuur kwalitatief vervangen en worden landschapsmaatregelen uitgevoerd. Dit zijn eenmalige werkzaamheden (bouw- en sloopfase). Daarnaast wordt planologisch één wooneenheid toegevoegd op het erf aan de Oxersteeg 11 (gebruiksfase).Van een significante stikstofdepositie als gevolg van de bouw- en gebruiksfase is redelijkerwijs geen sprake.

Het betreft relatief kleine ontwikkelingen op grote afstand (circa 4,1 en 5 km) van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.

5.6.3 Houtopstanden Er worden binnen op de betrokken erven geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

5.6.4 Natuurnetwerk Nederland (NNN) De betrokken erven bevinden zich niet in NNN-gebied. Het NNN kent in de provincie Overijssel ook geen externe werking. Een toetsing aan het NNN-beleid is daarom niet noodzakelijk.

5.6.5 Natuurinclusief bouwen Op 10 juli 2019 is door de raad de motie natuurinclusief bouwen aangenomen. Bij (nieuw)bouw en renovatie is natuurinclusief bouwen uitgangspunt. De gedachte achter natuurinclusief bouwen is dat gestreefd moet worden dat de nieuwe situatie beter is dan de oude voor wat betreft biodiversiteit. Mogelijke maatregelen zijn onder andere groene daken, schuil en nestgelegenheden voor inheemse dieren en het gebruik van beplanting die kan bijdragen aan verbetering van de biodiversiteit. Middels een puntensysteem wordt bepaald of er genoeg maatregelen worden getroffen. In totaal zijn 15 punten benodigd waarbij in ieder geval uit elke categorie een onderdeel gekozen moet worden. In voorliggend geval worden maatregelen getroffen in het kader van natuurinclusief bouwen. De maatregelen zijn aangegeven in de lijst, zoals opgenomen in Bijlage 3. In voorliggend geval worden met de ecologische maatregelen 17 punten gescoord. In het rapport 'Oxersteeg 11 & 17 Deventer, Herontwikkeling & kwaliteitsverbetering' (zoals opgenomen in Bijlage 2 van de regels) zijn deze maatregelen geborgd.

38

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Oxersteeg 11

5.6.6 Conclusie Indien rekening wordt gehouden met broedende vogels, worden met de voorgenomen ontwikkelingen geen negatieve effecten verwacht op beschermde soorten. Afhankelijk van toekomstige werkzaamheden aan het gebouw waar de woonfunctie aan wordt toegekend, is dan eventueel wel nader onderzoek naar vleermuizen en huismussen noodzakelijk. Directe effecten op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten en de erven liggen niet in Natuurnetwerk Nederland. Met het voorliggende plan worden beide erven landschappelijk ingepast, waarbij o.a. nieuwe bomen, hagen en bloemengsels worden toegevoegd. Dit heeft een positief effect op de natuurwaarden van het erf. Ook worden diverse andere natuurinclusieve maatregelen genomen. Met betrekking tot het aspect natuur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7

M ilieuzonering

5.7.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden werd doorgaans de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen. Inmiddels kan ook gebruik worden gemaakt van de nieuwe VNG handreiking activiteiten en milieuzonering, welke op 17 oktober 2024 is gepubliceerd.

Hierin is de 'lijst van activiteiten' die in de VNG-uitgave van 2009 zit, getransponeerd voor de aspecten geluid en geur. Deze 'transponeringstabel' kan ook worden gebruikt om een indicatie te krijgen van de inpasbaarheid van een nieuwe activiteit. Het geeft een indicatie van de gebruiksruimte die voor de nieuwe activiteit nodig is.

5.7.2 Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Met het voorliggende plan wordt planologisch een woonfunctie toegekend aan een gebouw aan de Oxersteeg 11. Er liggen geen functies in de omgeving die qua milieu beperkend kunnen zijn voor de toekenning van de woonfunctie, of waarop de nieuwe woning beperkend kan werken. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf (geen intensieve veehouderij), ligt op circa 185 meter afstand. Deze afstand is ruim voldoende. Daarbij liggen er andere burgerwoningen dichterbij dit agrarische bedrijf, die eerstbeperkend zijn. Het erf zelf is in gebruik als caravan-stalling. In de VNG uitgave Bedrijven en milieuzonering editie 2009 valt een caravanstalling onder “Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)”. Voor deze categorie geldt een richtafstand van 10 meter voor gevaar. Het gevaar betreft met name gevaarlijke stoffen/gasflessen die nog in de caravans opgeslagen kunnen liggen en

concept

39

de mogelijkheid tot brandoverslag van de stalling naar het gebouw waar de woonfunctie aan wordt toegekend. In het voorliggende plan liggen de schuren die voor de caravanstalling worden gebruikt op ruim meer dan 30 meter afstand. Zelfs de toegangsweg over het erf naar de schuren toe, ligt op meer dan 10 meter afstand van de dichtsbijzijnde gevel van het gebouw waar de woonfunctie aan wordt toegekend. De richtafstand voor het aspect geluid beslaat 30 meter. Hiertoe heeft akoestisch onderzoek industrielawaai plaatsgevonden, welke is opgenomen in de bijlagen (Bijlage 4). Conclusie van dit akoestische onderzoek is dat de standaardwaarde voor het maximale geluidsniveau uit het Besluit kwaliteit leefomgeving ter plaatse van de toekomstige woning niet wordt overschreden. Aangenomen kan worden dat binnen het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor voorliggend plan. Met betrekking tot het aspect milieuzonering is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8

Luchtkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

5.8.1 Wettelijk kader Om de risico's van luchtverontreiniging voor mens en natuur te beperken, zijn op Europees niveau normen vastgelegd. De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. Deze zijn als rijksomgevingswaarde vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. De provincie en de gemeente kunnen lokale omgevingswaarden voor de buitenlucht in de omgevingsverordening en het omgevingsplan opnemen. In artikel 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn standaardgevallen opgenomen welke niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Artikel 5.54. (standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit) Het toelaten van activiteiten leidt in ieder geval tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 µg/m3 of minder als bedoeld in artikel 5.53 voor zover het gaat om een verhoging als gevolg van het toelaten van: a. gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1°. één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m2; of 2°. twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige verkeersverdeling en een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 200.000 m2; b. gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1°.

één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2°. c. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: 1. één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of 2. twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig

40

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Oxersteeg 11

grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties; d. het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1. niet-verwarmde kassen; of 2. verwarmde kassen niet groter dan 2 ha; e. het telen van gewassen in de open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving; f. het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1. witloftrek; of 2. teelt van eetbare paddenstoelen; of g. het exploiteren van een spoorwegemplacement, bedoeld in artikel 3.295b van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het begin van de activiteit of een wijziging die leidt tot een toename van het aantal dieseltractie-uren van ten hoogste 7.500 per jaar.

5.8.2 Relatie met het voorliggende plan Voorliggend plan heeft geen betrekking op het realiseren van meer dan 1.500 woningen, maar slechts betrekking op de realisatie van één nieuwe woning. Daarmee draagt de ontwikkeling niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (zie artikel 5.54 lid b sub 1). Van belang is daarnaast om te beoordelen of de luchtkwaliteit op de locatie geschikt is voor het voorgenomen plan. In de directe omgeving van het plan zijn geen industriële emissiebronnen van betekenis gelegen en ook geen intensieve veehouderijen. Uit de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, blijkt dat in het km2 vak waarin het plan ligt de achtergrondconcentratie Stikstofdioxide (NO2) en fijnstof PM10 en PM2,5 voldoet aan de grenswaarden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmeringen voor voorliggend plan. Met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.9

Spuitzones

5.9.1 Algemeen Bij de vaststelling van een omgevingsplan dient rekening gehouden te worden met bestrijdingsmiddelen en de volksgezondheid. Er dient enerzijds beoordeeld te worden of ter plaatse van een nieuwe woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Anderzijds dienen ook de belangen van de telers beschermd te worden. Er zijn geen wettelijke bepalingen inzake minimaal aan te houden afstanden. Een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, wordt volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling in het algemeen niet onredelijk geacht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Een kleinere afstand dan 50 meter kan echter onder omstandigheden ook voldoende zijn, zolang de afwijking goed is gemotiveerd (ABRvS 6 juni 2018, no. 201704769/1/R1, r.o. 11.1.). Gemotiveerd moet worden dat er redelijkerwijs sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning.

concept

41

5.9.2 Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Aan de Oxersteeg 11 is een bedrijf gevestigd. Dit betreft een caravanstalling. Naast schuren staat er op het erf een kleine woning, direct naast een grotere bedrijfswoning (vroeger was het één geheel). Beide woningen worden al sinds jaar en dag bewoond en ook de omliggende tuinen worden al sinds jaar en dag als zodanig gebruikt. De kleinere woning heeft echter nooit een woonbestemming gekregen. Met het nu voorliggende plan wordt wel de woonfunctie gegeven aan dit gebouw. Bij deze benodigde voorliggende wijziging van het omgevingsplan dient rekening gehouden te worden met spuitzones. Hiertoe is een 'Onderbouwing spuitzone plan Oxersteeg 11' opgesteld, welke is bijgevoegd (zie Bijlage 5). De conclusie van deze onderbouwing is dat gezien de in de onderbouwing genoemde omstandigheden, van risico's m.b.t. de gezondheid ter plaatse van de positief te bestemmen woning aan de Oxersteeg 11, door gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de directe omgeving, redelijkerwijs geen sprake is. Er is redelijkerwijs sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Anderzijds wordt voldoende rekening gehouden met de belangen van omliggende grondeigenaren. Voor de onderbouwing wordt verwezen naar Bijlage 5.

5.10 Geluid Geluid is voor veel activiteiten in de fysieke leefomgeving een relevant aspect. Sommige activiteiten zijn een bron van geluid, andere activiteiten worden er aan blootgesteld. De regels voor geluid gaan over het beheersen van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidsgevoelige gebouwen zoals woningen. De regelgeving omtrent geluid waar aan moet worden voldaan is opgenomen in het Bkl, de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Daarnaast mogen bedrijven in de omgeving niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering door een nieuwe ontwikkeling en moet er binnen en rond het plangebied sprake blijven van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.10.1

Wettelijk kader

De instructieregels uit het Bkl wijzen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21) en geluidgevoelige ruimten (artikel 3.22) aan. Dit ter bescherming van mensen tegen geluid. Het gaat hierbij om aanwezige, in aanbouw zijnde en geprojecteerde gebouwen. Voor het toelaten van een nieuwe activiteit met een geluidgevoelig gebouw of geluidgevoelige ruimte moet er sprake zijn van een aanvaardbaar geluidsniveau. Anderzijds dient er bij een nieuwe ontwikkeling of activiteit ook sprake te zijn van een aanvaardbaar geluidsniveau in reeds aanwezige geluidgevoelige gebouwen of ruimten en mag een nieuwe woning of andere geluidgevoelige functie reeds aanwezige activiteiten niet al te zeer beperken. Op grond van artikel 2.12a van de Omgevingswet moet de provincie geluidproductieplafonds vaststellen voor de provinciale wegen. Op dit moment zijn er door de provincie Overijssel nog geen geluidproductieplafonds vastgesteld en zijn deze dan ook niet overgenomen in de omgevingsplannen van Overijsselse gemeenten. Zodoende is artikel 12.13ia van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing, waarin wordt bepaald dat in dergelijke gevallen de Aanvullingswet geluid Omgevingswet van toepassing is.

Hierin is het overgangsrecht ten aanzien van de geluidsregels bepaald, waaruit blijkt dat nog steeds de maximaal toelaatbare grenswaarde van 53 dB van toepassing is en er een voorkeursgrenswaarde van 48 dB geldt.

5.10.2

Relatie met het voorgenomen plan

Met het voorliggende plan wordt een woonfunctie toegekend aan een bestaand gebouw aan de Oxersteeg 11. Hierbij kan sprake zijn van industrielawaai en wegverkeerslawaai.

42

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Oxersteeg 11

Industrielawaai De woonfunctie wordt toegekend aan een gebouw gelegen op het erf Oxersteeg 11. Hier is ook een caravanstalling gevestigd. Gezien deze functie heeft akoestisch onderzoek industrielawaai plaatsgevonden, welke is opgenomen in de bijlagen (Bijlage 4). Conclusie van dit akoestische onderzoek is dat de standaardwaarde voor het maximale geluidsniveau uit het Besluit kwaliteit leefomgeving ter plaatse van de toekomstige woning niet wordt overschreden. Er liggen geen andere bedrijven in de directe omgeving welke voor geluidsoverlast kunnen zorgen Wegverkeerslawaai Het erf Oxersteeg 11 ligt aan de Oxersteeg en in de nabijheid van de Rijksweg A1. Er heeft akoestisch onderzoek plaatsgevonden om het geluid op de gevels vanaf deze wegen te bepalen. Dit akoestische onderzoek is opgenomen in de bijlagen (Bijlage 6). Conclusie van het onderzoek is dat de standaardwaarde voor de geluidbronsoort Rijkswegen wordt overschreden met 1 dB. De standaardwaarde t.g.v. de geluidbronsoort gemeentelijke wegen wordt niet overschreden. Het is realistisch om een hogere waarde toe te staan van 51 dB ten gevolge van de geluidbronsoort Rijkswegen. Uit de berekeningen blijkt dat de gezamenlijke geluidbelasting de 53 dB niet overschrijdt. Daarmee wordt voor alle gevels voldaan aan het maximaal toelaatbare binnenniveau uit het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Extra geluidwerende voorzieningen ten gevolge van wegverkeerslawaai zijn niet noodzakelijk. Het college kan een hogere waarde dan de standaardwaarde toestaan, in die gevallen waarin de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van het te verwachten geluid op de gevel (vanwege de weg) van de uitwendige scheidingsconstructie van de betrokken woningen tot aan de standaardwaarde: a. onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel b. overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of c. financiële aard. De voorkeursvolgorde voor het treffen van maatregelen ter beperking van het geluid op de gevel is op de eerste plaats bronmaatregelen (bijvoorbeeld beperken aantal voertuigen, toepassen ander wegdek of verlagen rijsnelheid), vervolgens overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidschermen) en tot slot gevelmaatregelen. Het beperken van het aantal voertuigen is niet mogelijk. De snelheid op de Rijksweg A1 kan eveneens niet verlaagd worden. Ook kan het type wegdek niet worden aangepast door de initiatiefnemer. Het zou dan moeten gaan om een zeer groot gedeelte van de Rijksweg, hetgeen niet realistisch is. Bij maatregelen in de overdracht moet gedacht worden aan een scherm. Een scherm langs het plangebied is vanuit stedenbouwkundig oogpunt geen optie.

De woning kan niet verder van de weg af worden gesitueerd omdat er sprake is van bestaande bebouwing. Het is realistisch om een hogere waarde dan de standaardwaarde toe te staan van 51 dB voor de woning voor de geluidbronsoort Rijkswegen. Conclusie is dat m.b.t. het aspect geluid redelijkerwijs sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau en omliggende functies worden niet beperkt. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Wel dient een hogere waarde toegestaan te worden van 51 dB ten gevolge van de geluidbronsoort Rijkswegen (de A1).

concept

43

5.11 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.

5.11.1

Wettelijk kader

Geurgevoelige gebouwen dienen beschermd te worden tegen geurbelasting van activiteiten in de omgeving. De instructieregels van het Rijk voor het aspect geur zijn opgenomen in het Bkl. De instructieregels van het Rijk gelden voor zuiveringstechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor overige activiteiten stelt de gemeente in het omgevingsplan eigen omgevingswaarden. Artikel 5.91 van het Bkl wijst geurgevoelige gebouwen aan die in ieder geval bescherming genieten. Hierbij gaat het onder meer om woningen of gebouwen met een zorg- of onderwijsfunctie. Voor overige gebouwen of locaties stelt de gemeente in het omgevingsplan eigen normen voor de mate van geurbescherming. Indien er sprake is van milieubelastende activiteiten gelden specifieke beoordelingsregels uit artikel 8.20 Bkl. Artikel 5.91. (geurgevoelige gebouwen) 1. Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 2. Het eerste lid geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als bedoeld in dat lid als het omgevingsplan in dat gedeelte niet toelaat een: a. woonfunctie; b.

onderwijsfunctie; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied; d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied; e. bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van een woonfunctie; of f. bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van een gezondheidszorgfunctie met bedgebied. 3. Onder een geurgevoelig gebouw wordt ook verstaan een gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd. 4. Het omgevingsplan kan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. 5. In het omgevingsplan kan paragraaf 5.1.4.6 overeenkomstig worden toegepast op locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

44

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Oxersteeg 11

5.11.2

Relatie met het voorgenomen plan

Met het voorliggende plan wordt één nieuw geurgevoelig gebouw gerealiseerd. Dit betreft het bestaande gebouw op het erf Oxersteeg 11 waar de woonfunctie aan wordt toegekend. In de nabijheid van het plangebied liggen agrarische bedrijven. Hiertoe heeft geuronderzoek plaatsgevonden. Het rapport is opgenomen in de bijlagen (Bijlage 7). Hierna volgen de conclusies van het onderzoek. In de omgeving (iets meer dan 2 km rondom de locatie) zijn meerdere (intensieve) veehouderijen met geuremissie aanwezig, meest op meer dan een kilometer afstand. Met het onderzoek is de achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder berekend. Deze bedraagt 1,24 ou. Hierbij hoort de beoordeling leefklimaat van 'zeer goed'. Hiermee worden ook de bestaande rechten van veehouderijen niet aangetast, aangezien de geurbelasting niet in de buurt komt van 14 ou. Met betrekking tot geur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12 Omgevingsveiligheid Deze paragraaf gaat in op de wijze waarop bij de voorgenomen ontwikkeling de omgevingsveiligheid wordt gewaarborgd. Hierbij gaat het om de risico’s die voortkomen uit de opslag, productie, gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

5.12.1

Wettelijk kader

Afdeling 5.1.2 van het Bkl bevat de instructieregels voor omgevingsveiligheid. De activiteiten die zijn aangewezen als risicobronnen worden benoemd in bijlage VII van het Bkl. Deze risicobronnen zijn belang voor de regels met betrekking tot aandachtsgebieden en het plaatsgebonden risico. De in bijlage VII benoemde activiteiten zijn: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven (milieubelastende activiteiten uit het Bal); Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, het water en het spoor; Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Artikelen 5.12 t/m 5.15 van het Bkl gaan in op de aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s. Deze aandachtsgebieden gelden van rechtswege en worden vastgelegd in de digitaal raadpleegbare Register Externe Veiligheid, wat online raadpleegbaar is. Binnen deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico door ter plaatse van het risicogebied geen kwetsbare gebouwen en/of (beperkt) kwetsbare locaties toe te laten. Middels voorschriftgebieden kunnen extra maatregelen worden opgelegd waardoor deze gebouwen en locaties wel toelaatbaar zijn. Deze maatregelen zijn als extra bouweisen vastgelegd in paragraaf 4.2.14 van het Bbl.

concept

45

5.12.2

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

Het Register Externe Veiligheid is digitaal raadpleegbaar via de Atlas Leefomgeving. Via de Atlas Leefomgeving zijn zo voor geheel Nederland de externe veiligheidsrisico's zichtbaar. In de directe nabijheid van de Oxersteeg 11 zijn geen externe risico’s aanwezig. Aan de noordzijde ligt wel de Rijksweg A1, die is aangewezen als provinciaal routenetwerk gevaarlijke stoffen. Deze weg ligt echter op circa 465 meter van het plangebied, welke daarmee ruim buiten de risicocontour ligt. De PR-6 contour is hier 0 meter. Het gifwolkaandachtsgebied ligt op circa 170 meter afstand van de nieuwe woning aan de Oxersteeg 11, het explosieaandachtsgebied ligt op circa 270 meter van de nieuw te realiseren woning en het brandaandachtsgebied ligt op circa 440 meter van de nieuw te realiseren woning. Op 4 juli 2007 is door de Raad de "Omgevingsvisie externe veiligheid" vastgesteld. In die nota is de ambitie vastgelegd wat betreft het veiligheidniveau dat moet worden nagestreefd per deelgebied in Deventer. Voor het buitengebied is vastgelegd dat overschrijding van het plaatsgebonden risico voor kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten niet acceptabel is en dat de oriënterende waarde van het groepsrisico niet mag worden overschreden. Het onderhavige plan voldoet aan dit ambitieniveau. Aan de andere kant brengt de voorgenomen ontwikkeling geen omgevingsveiligheidsrisico’s met zich mee.

Met betrekking tot het aspect omgevingsveiligheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.13 Beperkingsgebieden Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Een beperkingengebied is in feite wat nu de (beschermings)zones onder de huidige wetgeving zijn en in veel gevallen omvat het beperkingen gebied ook de locatie van de weg of het waterstaatswerk of object zelf. Het plangebied aan de Oxersteeg 11 is niet gelegen binnen een beperkingengebied.

5.14 Kabels en leidingen Ten behoeve van het plan aan de Oxersteeg 11, daar waar planologisch de functie wonen wordt toegevoegd aan een bestaand gebouw, dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse kabels en planologisch relevante leidingen. In de bodem van het plangebied liggen voor zover bekend geen primaire hoofdleidingen en/of kabels, die beperkend zijn voor het voorliggende plan.

46

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Oxersteeg 11

5.15 Cultuurhistorisch erfgoed Het omgevingsplan dient rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Deze paragraaf gaat in op de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, archeologische waarden en cultuurhistorie, zowel binnen als buiten het plangebied.

5.15.1

Wettelijk kader

De regels van artikel 5.130 Bkl stellen dat er in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, inclusief bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Het gemeentelijke omgevingsplan bevat derhalve regels over: Het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten of archeologische monumenten; Het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten; Het bevorderen van gebruik, zo nodig door wijziging, van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten ter voorkoming van leegstand; Het voorkomen van aantasting van de omgeving van een op grond van het omgevingsplan beschermd monument en het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; en Het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkoor in situ. Aanvullend kan het omgevingsplan ook regels bevatten die eisen stellen aan archeologisch onderzoek, de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding.

Regels voor archeologisch onderzoek zijn niet van toepassing op activiteiten met een oppervlakte minder dan 100 m2, tenzij in het omgevingsplan andere oppervlakten worden vastgesteld.

5.15.2

Cultuurhistorie

In het omgevingsplan van de gemeente Deventer zijn verschillende bepalingen opgenomen met betrekking tot erfgoed en cultuurhistorie. Het gaat onder andere om (wijzigingen aan) gemeentelijk-, provinciaal-, of rijksmonumenten en beschermde stads- of dorpsgezichten. Binnen het plangebied is echter geen monumentaal of karakteristiek pand aanwezig, die met het voorliggende plan wordt aangetast. Ook is het plangebied geen onderdeel van een beschermd dorpsgezicht. Met het voorliggende plan blijft de bestaande woonboerderij aan de Oxersteg 11 behouden. Deze woonboerderij heeft de karakteristieken van de typische Sallandse woonboerderij, wat terug te zien is in de moderne architectuur. Op het erf aan de Oxersteeg 17 blijft de karakteristieke Sallandse woonboerderij met bijgebouw behouden. Hier worden alleen leegstaande landschapsontsierende schuren aan de achterzijde van het erf gesloopt. Hierbij worden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aangetast. Met betrekking tot het aspect cultuurhistorie is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

concept

47

5.15.3

Archeologie

Archeologische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het verdrag van Malta en de wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk terplekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. Ter plaatse van het projectgebied geldt het Omgevingsplan gemeente Deventer (in werking vanaf 6 juni 2025). Onderdeel van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan zijn besluiten die zijn aangewezen in art. 4.6 Invoeringswet Omgevingswet (zie art. 22.1 Omgevingswet). Een besluit is bijvoorbeeld een bestemmingsplan. Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingplan 'Buitengebied Deventer, 1e herziening' (vastgesteld op 1 maar 2017). Hierin zijn dubbelbestemmingen opgenomen die de archeologische waarden in het buitengebied van Deveneter borgen.

Het erf aan de Oxersteeg 11 heeft de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie – 2' (voor de noordzijde van het erf) en 'Waarde - Archeologie 2' (voor een deel van het erf), Waarde - Archeologie 3' (voor een deel van het erf) en 'Waarde - Archeologie - 4' (in en om de twee aanwezige woningen). Als bodemingrepen plaatsvinden over een grotere oppervlakte (de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 4 kent hier de hoogste bescherming en daarin geldt een oppervlakte groter dan 200 m2), en dieper dan 0,50 meter onder het maaiveld, dan is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Daar is in het voorliggende plan geen sprake van. Ditzelfde geldt voor het erf aan de Oxersteeg 17, waar de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie – 3' geldt. Hier geldt een grens van bodemingrepen over een grotere oppervlakte dan 500 m2 en dieper dan 0,50 meter onder het maaiveld. Ook daar is met het voorliggende plan geen sprake van. Met betrekking tot het aspect archeologie is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.16 Bodem Het is van belang om te weten of de bodemkwaliteit binnen het plangebied past bij de voorgenomen ontwikkeling. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt ingegaan op welke wijze er bij de voorgenomen ontwikkelingen rekening wordt gehouden met de bodemkwaliteit.

5.16.1

Wettelijk kader

Het Bkl bevat regels ter bescherming van de gezondheid en het milieu voor het aspect bodem. Deze regels zijn via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl. In het aanvullingsbesluit is bepaald voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen drie basisvormen van bodemgebruik; landbouw/natuur, wonen en industrie. Het bodembeleid is er op gericht om de gebruikswaarde van de bodem te waarborgen en het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen te faciliteren door in onderlinge samenhang; De bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; Te streven naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem, en; De resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.

48

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Oxersteeg 11

Een bodemgevoelig gebouw is in het Bkl omschreven als een gebouw, of een gedeelte daarvan dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn (incl. woonschepen en woonwagens). Een bijbehorende bouwwerk van ten hoogste 50 m2 wordt niet beschouwd als bodemgevoelig gebouw. Daarnaast wijst het Bkl ook bodemgevoelige locaties aan. Dit zijn de locaties waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, onmiddellijk aan een bodemgevoelige locatie grenzende aaneengesloten tuin of terrein (incl. tuinen en terrein grenzend aan locaties voor woonschepen of woonwagens). In het omgevingsplan stelt de gemeente de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage XIIA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De interventiewaarden voor bodemkwaliteit zijn in Bijlage IIa bij het Besluit activiteiten leefomgeving gegeven.

5.16.2

Relatie met voorgenomen plan

Met het voorliggende plan wordt planologisch de woonfunctie toegevoegd aan een gebouw, welke al tientallen jaren als woning wordt gebruikt. Hierbij vindt geen uitbreiding van het gebouw plaats en wordt de grond niet op grote schaal geroerd. Daar komt bij dat de locatie onverdacht is voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging. De bodem wordt daarmee geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

5.17 Water Deze paragraaf gaat in op hoe er bij de voorgenomen ontwikkeling rekening wordt gehouden met de aspecten water en watersystemen zodat er ook op dit aspect sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties

5.17.1

Wettelijk kader

Een project of activiteit kan mogelijk gevolgen hebben met de waterhuishouding in en rond het plangebied of locatie van de activiteit. De regelgeving hiervoor is vastgelegd in de Waterschapsverordening, het Waterbeheerprogramma van het waterschap en eventueel de waterkwaliteitsdoelstellingen van de Kaderrichtlijn water (KRW). Ook gemeentelijk beleid met betrekking tot waterhuishouding en klimaatadaptatie is van belang Het regels voor het beschermen van de waterbelangen zijn opgenomen in paragaaf 5.1.3 van het Bkl. Artikel 5.37 Bkl stelt dat er rekening dient te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersysteem en dat, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van het watersysteem (het waterschap) worden betrokken. Daarnaast kan het omgevingsplan ook specifieke regels over onderdelen van het watersysteem bevatten. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt.

5.17.2

Waterschap Rijn en IJssel

Voor het plangebied is het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 van het Waterschap Rijn en IJssel van toepassing. Dit programma geeft richting aan de plannen van het waterschap tot en met 2027. Daarnaast is de Keur van het waterschap een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.

concept

49

5.17.3

Gemeente Deventer

Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2022-2026. Binnen Rivus, de samenwerking in de regio op het gebied van de afvalwaterketen en klimaatadaptatie, wordt gewerkt aan een nieuwe planvorm die gestalte moet krijgen onder de werking van de Omgevingswet. Door hier samen met onze 7 partnergemeenten in op te trekken kan een groot deel van dit RioleringsProgramma met een gezamenlijke inhoud worden opgesteld. Iedere gemeente heeft daarnaast natuurlijk zijn eigen invulling van dat programma naast het gezamenlijke deel. Op basis van het GRP geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen in beginsel een waterbergingseis. Dit wil zeggen dat er bij een toename van verharding een waterbergingsvoorziening moet worden gerealiseerd, met een volume in m³ afhankelijk van de toename aan verharding in m² (toename verharding in m² * 0,02 of 0,01 (afhankelijk van de situatie)).

5.17.4

Relatie met het voorliggende plan

Binnen dit voorliggende plan wordt één wooneenheid gerealiseerd in een bestaand gebouw. In totaliteit neemt het verhard oppervlak aan de Oxersteeg 11 af. Er hoeft daarmee geen waterbergingsvoorziening gerealiseerd te worden. Het plangebied aan de Oxersteeg 11 bevindt zich niet binnen een beekdal, primair watergebied, stedelijke watercorridor of beschermingsgebied / invloedszone van een watergang, waterkering of persleiding. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Het plangebied ligt in 'Overstroombaar gebied'. Het betreft een dijkring gebied. Ruimtelijke plannen voorzien alleen in nieuwe stedelijke functies binnen deze gebieden als in het desbetreffende plan (geborgd in de provinciale Omgevingsverordening). In het voorliggende plangebied wordt één extra woning gerealiseerd voor zelfredzame mensen. Het plangebied ligt op relatief grote afstand van de dijk en via de Oxersteeg is een goede vluchtroute aanwezig. De kans op slachtoffers is daarmee zeer gering en de schade zal beperkt zijn. Ook aan de Oxersteeg 17 wordt niet nieuwgebouwd. Er worden alleen schuren gesloopt, waarmee het verharde oppervlak afneemt. Het Waterschap Rijn en IJssel is om advies gevraagd. Dit advies is opgenomen in Bijlage 8.

Gezien er alleen sprake is van een functiewijziging binnen bestaande bebouwing en er geen nieuwe bebouwing wordt opgericht en/of verharding wordt gerealiseerd, is het advies van het waterschap dat er geen waterbelang is. Geconcludeerd kan worden dat ten aanzien van het aspect water sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen sprake van een toename aan verharding of aanpassingen aan het watersysteem. Er komen geen waterbelangen in het gedrang.

50

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Oxersteeg 11

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording

6.1

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het voorliggend TAM-Omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

6.2

Artikelsgewijze toelichting

Deze wijziging van het omgevingsplan betreft een TAM-Omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-Omgevingsplan is opgesteld conform de standaarden voor IMRO 2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-Omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: a. b. c. d.

Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.

concept

51

6.3

Pre-ambule

Dit omgevingsplan start met een pre-ambule welke luidt: ''Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een ontwikkeling op de locatie Oxersteeg 11 te Deventer en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22aa]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Deventer. Dit hoofdstuk is digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22h] van het omgevingsplan van de gemeente Deventer. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22h]' gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage [22h] bij het omgevingsplan van de gemeente Deventer.'' In de STOP-TPOD systematiek is in de regelstructuur een indeling mogelijk in hoofdstukken, titels, afdelingen, paragrafen, subparagrafen, artikelen en leden. In de IMRO systematiek is uitsluitend een regelstructuur mogelijk in hoofdstuk, artikelen, leden, subleden en subsubleden.

De regels in het TAM-Omgevingsplan zijn onderdeel van het Omgevingsplan van de gemeente Deventer, en dienen dan ook binnen deze structuur opgesteld te worden. Technisch is dit echter, gezien de verschillende regelstructuren, niet mogelijk. De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. Het Omgevingsplan kent echter al een hoofdstuk 1, waar de algemene bepalingen zijn opgenomen. Hoofdstuk 2 tot en met 21 van het Omgevingsplan zijn gereserveerd. In theorie zouden deze hoofdstukken gebruikt kunnen woorden voor gebruik door de TAM-Omgevingsplannen, maar bij het opstellen van meerdere plannen ontstaan hier problemen in de samenloop. De begripsbepalingen zijn in het Omgevingsplan opgenomen in artikel 1.1. In het TAM-Omgevingsplan is een artikel altijd genummerd als 1, 2, 3 etc. en kent de structuur geen 1.1, 1.2, 1.3 etc. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Vanwege de regelstructuur is er voor gekozen om elke gebiedsontwikkeling waarvoor een TAM-Omgevingsplan wordt opgesteld, in een apart hoofdstuk van het Omgevingsplan te plaatsen. Op deze manier zal er geen probleem ontstaan in de samenloop van regels.

Hoofdstuk 22 bevat de regels uit de bruidsschat, Hoofdstuk 23 bevat de slotbepalingen. Om die reden is er voor gekozen om door te nummeren in de hoofdstukken als zijnde hoofdstuk 22a, 22b, 22c etc. Bij het omzetten van de TAM-omgevingpslannen in de STOP-TPOD standaard is het echter niet mogelijk om een hoofdstuk 22a aan te maken waaronder de betreffende paragrafen komen te vallen. Bij het omzetten zal dan ook de verwachting zijn dat de TAM-omgevingsplannen rechtstreeks in de juiste, definitieve structuur van het Omgevingsplan ingevoegd moeten worden. Een uitdaging hierbij is dat, naast de verschillen in regelstructuur, er ook verschillen zijn in de relatie tussen verbeelding en regels.

52

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Oxersteeg 11

In de IMRO standaarden kan er aan 1 vlak, bijvoorbeeld een enkelbestemming, slechts 1 artikel gekoppeld worden. Zijn meerdere artikelen van toepassing, dan kunnen deze alleen gekoppeld worden door het aanmaken van nieuwe vlakken. Ook kan er voor gekozen worden om in artikelen te verwijzen naar vlakken, waarbij deze technisch niet worden gekoppeld. Uit de regels moet men dan halen dat er in een bepaald vlak nog meer artikelen van toepassing kunnen zijn. In de STOP-TPOD standaarden kunnen aan een werkingsgebied meerdere artikelen gekoppeld worden. Op deze manier kan er sprake zijn van 1 werkingsgebeid waarbij men doorgeleid wordt naar alle relevante regels die gelden binnen dat werkingsgebied. Vanwege de beperking in de IMRO-standaard is het dan ook niet haalbaar om naast de gebruiksactiviteiten en de bouwactiviteiten ook de huidige dubbelbestemmingen 'uit elkaar te halen'. De huidige dubbelbestemmingen zouden in de STOP-TPOD structuur uitgesplitst kunnen worden in bijvoorbeeld: a. aanwijziging in de fysieke leefomgeving (aanwijzing van bijzondere belangen) b. gebruiksactiviteit (een leiding mag gebruikt worden voor een leiding met bijbehorende belemmerde zone) c. bouwactiviteit ten behoeve van andere gebruiksactiviteiten (bescherming van de waarde of de leiding) d. bouwactiviteit ten behoeve van de betreffende belangen (bijvoorbeeld bouwen van een hoogspanningsmast) e.

aanlegactiviteiten (bescherming van de waarde, leiding, etc) Deze activiteiten zouden in de STOP-TPOD structuur allemaal aan hetzelfde werkingsgebied gekoppeld kunnen worden. In de IMRO-standaard kan dit niet. Om die reden is er voor gekozen om de dubbelbestemmingen te handhaven zoals ze nu zijn. Dit geldt tevens voor de gebiedsaanduidingen waarbij bij uitsplitsing meerdere artikelen aan 1 werkingsgebied gekoppeld zouden moeten worden. Pas bij het omzetten van de dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen in de STOP-TPOD structuur kunnen de regels uitgesplitst worden.

6.4

Algemene bepalingen

Hoofdstuk 1 bevat de algemene bepalingen. Deze regels gelden voor de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in de bij het TAM-omgevingsplan behorende GML-bestand. De regels in dit hoofdstuk bevatten: Begripsbepalingen (Artikel 1); Meet- en rekenbepalingen (Artikel 2); Algemene verbodsbepalingen (Artikel 3); Anti dubbeltelregeling (Artikel 4); Toepassingsbereik (Artikel 5); Aanvraagvereisten (Artikel 6). In Artikel 5 is het toepassingsbereik opgenomen. In het toepassingsbereik is aangegeven welke besluiten niet van toepassing zijn op dit deel van het omgevingsplan en op welke locatie de regels van dit deel van het omgevingsplan van toepassing zijn.

concept

53

6.5

Gebruiksactiviteiten

Artikel 8 Wonen - buitengebied betreft de gronden ter plaatse van de kleine woning met bijbehorende tuin. Voor ruimtelijke bouwactiviteiten zijn bouwregels opgenomen in Artikel 10 Bouwregels Wonen - buitengebied. In deze artikelen is o.a. geregeld dat één reguliere woning is toegestaan met een maximum volume van 500 m3. Naast het wonen als zodanig is ook een aantal nevenfuncties toegestaan, waaronder kleinschalige bedrijven en beroepen aan huis. Dit betreft nevenfuncties die in de regel, al dan niet onder de gestelde voorwaarden, goed met de woonfunctie te verenigen zijn.

6.6

Bouwactiviteiten

In het omgevingsplan van rechtswege (bruidsschat) zijn in § 22.2.7.2 regels opgenomen over de binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Deze bruidsschatregels regelen op hoofdlijnen het volgende: Artikel 22.26: Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken In dit artikel is geregeld dat voor alle ruimtelijke bouwactiviteiten een omgevingsvergunning nodig is. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing In dit artikel is geregeld dat er, in afwijking van 22.26, geen vergunning nodig is voor bepaalde activiteiten. Het gaat hierbij om bouwwerken die eerder waren opgenomen in artikel 3, bijlage II van de Bor. Artikel 22.27 moet in samenhang gelezen worden met de bouwregels in dit Tam-omgevingsplan. Indien aan alle bouwrgels wordt voldaan, is er geen omgevingsvergunning nodig voor de omgevingsplanactiviteit bouwen. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed In dit artikel is opgenomen dat in basis activiteiten bij, in, aan of op een gemeentelijk, provinciaal of rijk smonument niet altijd vergunningsvrij uitgevoerd mogen worden. Voor deze activiteiten is dus in veel gevallen wel een vergunning nodig. Ook voor activiteiten die worden verricht binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt dat deze veelal niet zonder vergunning uitgevoerd mogen worden.

Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen In dit artikel is opgenomen waar een aanvraag omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk aan moet voldoen. Er moet getoetst worden aan de regels in het omgevingsplan over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Dat betekent dat er aan alle bouwregels in het omgevingpslan getoetst moet worden, waarbij dus de bruidsschat en de bestemmingsplannen ook toe behoren. Er moet getoetst worden of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, en als de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, dan moet ook getoetst worden of de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden.

54

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Oxersteeg 11

Een omgevingvergunning moet getoetst worden aan de beoordelingsregels zoals opgenomen in artikel 22.29 van dit omgevingsplan (Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen). Dit zijn de beoordelingsregels uit de bruidsschat, voorheen opgenomen in artikel 2.10 Wabo. In artikel 2.10 Wabo is opgenomen dat een omgevingsvergunning wordt geweigerd indien deze in strijd is met het bestemmingsplan. Omdat de regels nu allemaal in hetzelfde omgevingsplan zijn opgenomen, zijn de regels in het bestemmingsplan aanvullende beoordelingsregels op de beoordelingsregels in artikel 22.29. Om die reden is bij de beoordelingsregels in de bouwregels de volgende bepaling opgenomen: "In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden ter plaatse van 'Bouwregel xx' tevens de volgende regels: [...] ". In het plangebied is Artikel 10 Bouwregels Wonen - buitengebied van toepassing. Artikel 10 Bouwregels Wonen - buitengebied In dit artikel zijn bouwregels opgenomen die gelden voor de aanwezige kleine woning met bijbehorende tuin, welke met dit voorliggende plan positief wordt bestemd. O.a. is opgenomen dat de woning maximaal 500 m3 mag zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16418102/1