CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-1057-bijlage-NL.IMRO.0150.TAM027-OW01

Raadsvergadering 28 januari 2026, gemeente DeventerBij agendapunt: TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Oxersteeg 1128.269 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

6.7 Aanwijzingen, beschermingszones, beperkingengebieden Dit betreft Artikel 11 Waarde - Archeologie - 4. Om het archeologisch waardevolle gebied veilig te stellen, gelden er op deze gronden beperkingen ten aanzien van het bouwen. Bouwen is uitsluitend toegestaan, indien uit onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat de waarden voldoende worden veiliggesteld. Daarnaast geldt er een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van bepaalde werken of werkzaamheden.

6.8

Beheer en onderhoud

In Hoofdstuk 5 (H. 22aa paragraaf 5) Beheer en onderhoud is een sloopverplichting van de landschapsontsierende bebouwing en een uitvoerings- en instandhoudingsverlichting van de inrichting en natuurinclusieve maatregelen opgenomen.

6.9

Overgangsbepalingen

In Hoofdstuk 6 (H22aa. paragraaf 8) Overgangsbepalingen is het overgangsrecht ten aanzien van bouwwerken en ten aanzien van gebruik vastgelegd.

concept

55

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 7.1

Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen plan. De ruimtelijke uitvoerbaarheid, de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid wordt beschreven.

7.2

Ruimtelijke uitvoerbaarheid

In voorgaande hoofdstukken is beschreven hoe het voorgenomen project past binnen het van toepassing zijnde overheidsbeleid. Geconstateerd is dat er geen omgeving- en milieukundige belemmeringen zijn. Ruimtelijk is de voorgenomen ontwikkeling daarmee uitvoerbaar.

7.3

M aatschappelijke uitvoerbaarheid

7.3.1 Participatie Ten behoeve van het voorgenomen plan zijn alle omwonenden geïnformeerd over dit plan. Het betreft de omwonenden die enigszins in de buurt wonen en/of zicht hebben op het plangebied. Dit betreft de bewoners van vijf omliggende buurpercelen aan de Oxersteeg. In de gesprekken is steun uitgesproken voor het voorgenomen plan en zijn geen bezwaren geuit. Ook is de grondeigenaar van de agrarische gronden aan de andere zijde van de Oxersteeg, tegenover de woonboerderij, geïnformeerd over het plan. Deze grondeigenaar heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het voorgenomen plan.

7.3.2 Vooroverleg De provincie Overijssel heeft in het kader van de voorkantsamenwerking op 4 juni 2025 een positieve beoordeling afgegeven. Het plan past in het ruimtelijk beleid. Er zijn wat de provincie betreft dan ook geen belemmeringen wanneer dit plan in deze vorm in procedure wordt gebracht. Hiermee is het ambtelijk vooroverleg met de provincie afgerond.

56

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Oxersteeg 11

7.3.3 Zienswijzen Het ontwerp omgevingsplan wordt voor een periode van zes weken voor zienswijzen ter inzage gelegd.

7.4

Economische uitvoerbaarheid

Het project betreft een particulier initiatief. Voor de activiteiten die worden uitgevoerd geldt dat de initiatiefnemer zelf verantwoordelijk is voor de financiering van deze ontwikkelingen. Het plan leidt niet tot kosten voor de gemeente die via een exploitatieplan verhaald zouden moeten worden. Voor de benodigde procedure worden leges geïnd en via een overeenkomst is geregeld dat alle eventuele planschade op de initiatiefnemer wordt verhaald. Hiermee is de financiële uitvoerbaarheid gewaarborgd. Het financiële risico van het project ligt bij de initiatiefnemer.

7.5

Conclusie

Zoals uit voorgaande paragraven blijkt maatschappelijk en economisch uitvoerbaar.

is

het

voorgenomen

project

ruimtelijk,

concept

57

Hoofdstuk 8 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties . Voorliggende omgevingsplanwijziging wordt conform artikel 5.53, eerste lid van de Omgevingswet enkel doorgevoerd met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De centrale vraag is of voorliggend initiatief leidt tot een situatie waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Oftewel; heeft er een zorgvuldige afweging van belangen plaatsgevonden waardoor sprake is van een evenwichtige toedeling? Hierbij gelden de beoordelingsregels van artikel 8.0b t/m 8.0e van het Bkl. Een plan houdt in ieder geval voldoende rekening met onderstaande onderwerpen: waarborgen van veiligheid; beschermen van waterbelangen; beschermen van gezondheid en milieu; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed; het behoud van ruimte voor toekomstige functies; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; Om dit te beoordelen zijn alle aspecten die in het kader van voorliggend initiatief relevant zijn onderzocht en afgewogen.Op basis van de hiervoor behandelde beleidskaders, regelgeving en (relevante) aspecten van de fysieke leefomgeving wordt geconcludeerd, alles overwegende, dat de voorgenomen ontwikkeling aanvaardbaar is met het oog op een

evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

58

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Oxersteeg 11

Bijlagen toelichting

concept

59

Bijlage 1 Quickscan flora- en fauna- activiteit Oxersteeg 11

60

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Oxersteeg 11

Quickscan Flora- en fauna-activiteit Oxersteeg 11, Deventer

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Status: Versie:

203860 7-8-2025 Definitief 1

© 2025 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................................................... 4

2

Huidige situatie en ontwikkeling .............................................................................................................. 5

2.1

Huidige situatie .......................................................................................................................................5

2.2

Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................................................16

3

Methode ................................................................................................................................................. 17

3.1

Inleiding ................................................................................................................................................17

3.2

Bureauonderzoek .................................................................................................................................17

3.3

Terreinbezoek .......................................................................................................................................17

4

Resultaten en effectbeoordeling ............................................................................................................ 18

4.1

Inleiding ................................................................................................................................................18

4.2

Beschermde soorten.............................................................................................................................18

4.3

Beschermde gebieden ..........................................................................................................................24

4.4

Bescherming van houtopstanden .........................................................................................................25

4.5

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................25

5

Conclusie ................................................................................................................................................. 26

5.1

Beschermde soorten.............................................................................................................................26

5.2

Beschermde gebieden ..........................................................................................................................26

5.3

Bescherming houtopstanden ...............................................................................................................26

5.4

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................26

5.5

Geldigheid rapportage ..........................................................................................................................27

Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving ........................................................................................................... 29

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 3

1 Inleiding Aan de Oxersteeg 11 in Deventer ligt een T-boerderij. Naast deze woonboerderij staat een gebouw welke sinds lange tijd wordt bewoond. Deze woning heeft echter geen positieve bestemming in het geldende bestemmingsplan. De initiatiefnemer heeft het voornemen om deze woning te verbouwen en positief te bestemmen. Om deze ontwikkeling te verwezenlijken dienen er kwaliteitsverbeteringen te worden gerealiseerd. Dit betreft onder andere het verwijderen van één schuur en het opknappen van een andere schuur. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Deze toetsing maakt duidelijk of, en hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van het natuurbeschermingsrecht. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 4

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in een agrarische omgeving in de provincie Overijssel en de gemeente Deventer (afbeelding 1). Het plangebied is gelegen aan de noordzijde van de Oxersteeg 11 te Deventer (afbeelding 2). Verder behoort het plangebied tot het buurtschap Oxe. Binnen het plangebied ligt een T-boerderij (afbeelding 3) met aangrenzend een gebouw (afbeelding 4) welke sinds lange tijd wordt bewoond. Het dak van het voorhuis van de T-boerderij bestaat uit riet en het achterhuis is voorzien van dakpannen. Het bewoonde gebouw is voor de helft voorzien van een rieten dak en voor de andere helft van een pannendak. Daarnaast beschikt dit gebouw over houten boeidelen waar bijvoorbeeld vleermuizen achter kunnen kruipen. Beide bouwwerken hebben een spouw. Verder zijn er vele gebouwen aanwezig die voornamelijk dienstdoen als caravanstalling (afbeelding 5). Twee van deze gebouwen betreffen schuren waarvan er één wordt gesloopt (afbeelding 6) en de ander wordt verbouwd (afbeelding 7). De te slopen schuur is voorzien van een pannendak en de te verbouwen schuur beschikt over een damwandplaten dak. Beide bouwwerken hebben geen spouw. In het plangebied bevinden zich verschillende algemene plantensoorten zoals grote brandnetel, hondsdraf, lookzonder-look, scherpe boterbloem, stinkende gouwe, vogelmuur en winterpostelein.

Naast de weg aan de zuidzijde van het plangebied staan drie solitaire zomereiken (afbeelding 8). Deze solitaire zomereiken staan in een rij richting het noorden gepositioneerd. Aan de westzijde van de T-boerderij staat een kastanje en een linde (afbeelding 9). Aan de noordzijde van de T-boerderij en naast de te slopen schuur staat een zomereik. Verder staan er verschillende jonge fruitbomen aan de zuidzijde van het bewoonde gebouw (afbeelding 4). Daarnaast staan er meidoornhagen aan de zuidgrens van het perceel functionerende als erfafscheiding (afbeelding 10). Tot slot zijn er twee struwelen aanwezig, één in het noorden en één in het noordoosten van het plangebied. In het plangebied is geen verlichting aanwezig. Er zijn ook geen waterelementen aanwezig binnen het plangebied.

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 5

Afbeelding 1: Weergave van de ligging van het plangebied ten opzichte van Deventer in de linkerbovenhoek (ESRI, 2023).

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 6

Afbeelding 2: Luchtfoto van het plangebied (ESRI, 2023).

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 7

Afbeelding 3: Zicht vanaf het perceel op de T-boerderij, situatie op 17 oktober 2022.

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 8

Afbeelding 4: Zicht vanaf het perceel op het bewoonde gebouw en één van de jonge fruitbomen, situatie op 25 mei 2023.

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 9

Afbeelding 5: De caravanstalling in de schuur die verbouwd gaat worden, situatie op 25 mei 2023.

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 10

Afbeelding 6: Te verwijderen schuur, situatie op 25 mei 2023.

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 11

Afbeelding 7: Te verbouwen schuur, situatie op 25 mei 2023.

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 12

Afbeelding 8: Zicht vanaf de Oxersteeg op de drie solitaire zomereiken, situatie op 17 oktober 2022.

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 13

Afbeelding 9: Zicht vanaf de Oxersteeg op de kastanje en de linde, situatie op 25 mei 2023.

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 14

Afbeelding 10: Zicht vanaf de Oxersteeg op de meidoornhagen, situatie op 25 mei 2023.

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 15

2.2 Voorgenomen ontwikkeling Naast de T-boerderij staat een gebouw welke sinds lange tijd wordt bewoond. Deze woning heeft echter geen positieve bestemming in het geldende bestemmingsplan. De initiatiefnemer heeft het voornemen om deze woning te verbouwen en positief te bestemmen. Om deze ontwikkeling te verwezenlijken dienen er een aantal kwaliteitsverbeteringen te worden gerealiseerd. Dit betreft onder andere het verwijderen van één schuur (afbeelding 6) en het verbouwen van een andere schuur (afbeelding 7). De aanbouw van de te verbouwen schuur aan de oostzijde van de T-boerderij wordt gesloopt. Deze schuur wordt vervolgens met 5 meter uitgebreid op de plek van de gesloopte aanbouw. De gehele schuur neemt de vorm aan van een kapschuur waardoor er over de volle lengte twee meter wordt afgehaald. De westkant van de schuur wordt hierdoor open. De schuur zelf wordt een gepotdekselde kapschuur met zwarte houten gevelbekleding. Daarnaast wordt er een extra haag van 42 meter aan de noordzijde van de T-boerderij toegepast zodat het voorerf duidelijk wordt afgescheiden van het achtererf. De haag zal uit de volgende soorten bestaan: Gelderse roos, meidoorn, sleedoorn en wilde lijsterbes. Ook wordt er een beuk aangeplant aan de noordwestzijde van de T-boerderij. Verder worden er binnen het plangebied geen opgaande beplanting (bomen of struiken) weggehaald.

De beoogde ontwikkelingen staan weergegeven in afbeelding 11.

Afbeelding 11: Weergave van de beoogde ontwikkelingen. Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 16

3 Methode 3.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

3.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is (indien beschikbaar) gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna); • de flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken is opgeslagen in deze database; • kaartweergaves van de beschermde gebieden en houtopstanden.

3.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door R. Karssen uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 25 mei 20231 bij 15,9°C, half bewolkt weer en windkracht 3 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

• •

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of; op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt het natuurbeschermingsrecht, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of;

•

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of;

•

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied) en/of;

•

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

1 Om een zo volledig mogelijk beeld te schetsen van de bestaande situatie zijn twee afbeeldingen van een eerder veldbezoek

toegevoegd. Dit veldbezoek is op 17 oktober 2022 uitgevoerd door M. Elshof, werkzaam bij Eelerwoude als adviseur ruimtelijke ontwikkeling. Het betreft afbeelding 3 en 8. Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 17

4 Resultaten en effectbeoordeling 4.1 Inleiding Dit hoofdstuk behandelt de resultaten van het uitgevoerde (veld- en bureau)onderzoek en de te verwachten effecten als gevolg van het planvoornemen. Paragraaf 4.2 beschrijft waargenomen en te verwachten soorten waarvoor onder de Omgevingswet (artikelen 11.37, 11.46 of 11.54 van het Bal) mogelijk een vergunningsplicht (of vrijstelling) geldt. Vervolgens wordt in paragrafen 4.3, 4.4. en 4.5 ingegaan op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde houtopstanden en het Natuurnetwerk Nederland.

4.2 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.1 Planten Voorkomen en functie Tijdens het veldbezoek zijn onder andere diverse algemene plantensoorten zoals grote brandnetel, hondsdraf, look-zonder-look, scherpe boterbloem, stinkende gouwe, vogelmuur en winterpostelein aangetroffen. Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Daarnaast is een deskundigenbeoordeling van de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied uitgevoerd op basis van een biotoopanalyse. Gelet op de aanwezige terreintypen, het beheer en de functie van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen (gemaaid grasveld). Veel van de beschermde soorten komen nagenoeg uitsluitend voor in zeer specifieke habitats als kalkgraslanden, kalkrijke akkers, zinkgraslanden, natuurlijk beheerde akkerranden, specifieke bostypen, op schrale, kalkhoudende bodems en schrale heidegronden. Dergelijke habitats komen binnen het plangebied niet voor. Effecten en vergunning In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden op basis van het aanwezige biotoop niet verwacht, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten op beschermde planten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is niet aan de orde voor beschermde planten.

Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor beschermde planten is niet noodzakelijk.

4.2.2 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en mogelijk ook bosvleermuis.

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 18

Verblijfplaatsen Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats. Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen.

Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Verblijfplaatsen In het plangebied zijn een groot aantal gebouwen aanwezig. Enkel de gebouwen waar werkzaamheden aan plaatsvinden worden hier beschreven. Het betreft een bewoond gebouw (afbeelding 4) en twee schuren (afbeelding 6 en 7). De bouwkundige staat en eigenschappen verschillen per object en derhalve worden deze hieronder afzonderlijk beschreven: • Het bewoonde gebouw (afbeelding 4) heeft een spouwmuur en een dakbeschot, maar heeft geen open stootvoegen waar vleermuizen naar binnen kunnen kruipen. Daarnaast beschikt dit gebouw over houten boeidelen welke kunnen fungeren als wegkruipmogelijkheid voor vleermuizen. • De schuur (afbeelding 6) bestaat uit een enkelsteens muur en is voorzien van een pannendak. Een spouwmuur en/of een dakbeschot zijn niet aanwezig in deze schuur waardoor wegkruipmogelijkheden voor vleermuizen ontbreken. Daarentegen beschikt de schuur over houten boeidelen die wel kunnen dienen als wegkruipmogelijkheid. • De andere schuur (afbeelding 7) bestaat grotendeels uit houtwerk en is voorzien van een damwandplaten dak. Deze schuur heeft openingen welke zijn ontstaan door onder andere ontbinding van het houtwerk. De betreffende gaten werken ventilerend en zorgen voor tocht. Door de tocht ontstaan er schommelingen in de temperatuur. Wisselende temperaturen creëren een ongeschikt microklimaat voor vleermuizen.

Tevens is er geen spouwmuur en/of een dakbeschot in deze schuur aanwezig waardoor eventuele wegkruipmogelijkheden voor vleermuizen ontbreken. Verder komt in het zuiden van het plangebied een houtsingel van zomereik voor (afbeelding 8), welke vanwege de omvang en grootte, potentie heeft als verblijfplaats voor boom bewonende vleermuizen als de rosse vleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en bosvleermuis. Een controle op mogelijke boomholtes en spleten welke kunnen functioneren als verblijfplaats voor deze soorten is ten tijde van het veldbezoek op 25 mei 2023 niet uitgevoerd en is ook niet noodzakelijk gezien de houtsingel behouden blijft. Foerageergebieden en vliegroutes Vleermuizen gebruiken graag luwe zones om langs te foerageren. De houtsingel in het zuiden van het plangebied bestaande uit zomereik (afbeelding 8) is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Daarnaast betreft het een lijnvormig element welke vleermuizen gebruiken als vliegroute om zich langs te verplaatsen. Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 19

Bovendien zullen de vleermuizen ook boven de tuin en rond de gebouwen foerageren. De omgeving van het plangebied is ook geschikt als foerageergebied en vliegroute, onder meer door de aanwezigheid van waterelementen en lijnvormige houtsingels van zomereik langs de Oxersteeg. Effecten en vergunning Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Omgevingswet met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Omgevingswet. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven (zie ook kader - Foerageergebieden en vliegroutes). Verblijfplaatsen De effecten op verblijfplaatsen voor vleermuizen worden hieronder per bouwwerk afzonderlijk beschreven: • Het bewoonde gebouw (Afbeelding 4) beschikt over houten boeidelen welke kunnen fungeren als verblijfplaats voor vleermuizen. Het is echter nog niet bekend waar de werkzaamheden aan dit gebouw uit zullen bestaan. Indien het bijvoorbeeld gaat om een verbouwing van de gevel of het volledig herbouwen van het gebouw, zijn negatieve effecten op verblijfplaatsen mogelijk aanwezig.

Een beoordeling op de aanwezigheid van negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen in dit gebouw is pas mogelijk als is vastgesteld welke werkzaamheden er zullen plaatsvinden. • Desondanks dat de te verwijderen schuur (Afbeelding 6) kan fungeren als verblijfplaats voor vleermuizen door de aanwezigheid van houten boeidelen, worden negatieve effecten uitgesloten. De schuur bestaat uit een enkelsteens muur en heeft geen dakbeschot, waardoor enige vorm van isolatie ontbreekt. De kans op schommelende temperaturen door bijvoorbeeld tocht is aanzienlijk. Wisselende temperaturen creëren een ongeschikt microklimaat voor vleermuizen. • De te verbouwen schuur (Afbeelding 7) is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en deswege kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Foerageergebieden en vliegroutes Negatieve effecten op foerageergebieden en vliegroutes worden uitgesloten. Het aanwezige foerageergebied en de lijnvormige elementen blijven namelijk behouden. Nader onderzoek of een vergunningsaanvraag is niet noodzakelijk. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor vleermuizen niet noodzakelijk. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt.

Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 20

4.2.3 Grondgebonden zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: ree, haas, konijn, vos en diverse algemene muizen en spitsmuizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast maken een aantal mogelijk van het plangebied gebruik als migratieroute. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals bunzing, eekhoorn, egel, hermelijn, steenmarter en wezel kunnen in het plangebied voorkomen. Van de bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel ontbreken binnen het plangebied sporen in de vorm van prenten, uitwerpselen of prooiresten. In de gebouwen waar werkzaamheden aan plaatsvinden zijn ook geen nesten van de kleine marterachtigen aangetroffen. Binnen het plangebied zijn wel dichte struwelen aanwezig die als verblijfplaats voor de egel en kleine marterachtigen kunnen functioneren. Echter wordt er binnen het plangebied geen opgaande beplanting (bomen of struiken) weggehaald, waardoor het mogelijke leefgebied van de hiervoor genoemde soorten behouden blijft.

Tevens zijn er geen eekhoornnesten aangetroffen in de houtsingel in het zuiden van het plangebied (afbeelding 8). Verder is het mogelijk dat voor enkele soorten het plangebied onderdeel uitmaakt als leefgebied, zoals foerageergebied, maar betreft het geen essentieel leefgebied gezien de ligging in een groene omgeving. Effecten en vergunning Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een positief effect op de kwaliteit van het leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de vergunningsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor de bovenstaande soorten geldt dat negatieve effecten zijn uit te sluiten. Verblijfplaatsen en essentieel leefgebied zijn ter plaatse van de werkzaamheden niet aangetroffen. Mogelijk maakt het plangebied wel onderdeel uit van het leefgebied van de betreffende soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor grondgebonden zoogdieren is niet noodzakelijk.

4.2.4 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd onder de Omgevingswet. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 21

Jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruikmaken zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. Echter zijn vogelsoorten behorende tot deze categorie wel te verwachten in het plangebied. De openingen in het houtwerk van de te verbouwen schuur (afbeelding 7) zorgen ervoor dat een boerenzwaluw naar binnen kan vliegen om daar een nestlocatie te maken. De dakoverstekken van het bewoonde gebouw en de te verwijderen schuur (afbeelding 4 en 6) bieden de mogelijkheid voor huiszwaluwen om een nestlocatie te maken. Daarnaast is het ook mogelijk dat er nestlocaties aanwezig zijn van huismussen en/of gierzwaluwen onder de dakpannen van het bewoonde gebouw. Andere vogelsoorten zoals een kerkuil of steenuil met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats zijn niet aangetroffen dan wel te verwachten in het plangebied. De te verwijderen schuur is wel geschikt als verblijfplaats voor een kerkuil of steenuil, maar het luik waar deze soorten naar binnen kunnen vliegen is gesloten (afbeelding 6). Ook sporen in de vorm van braakballen of uitwerpselen van deze soorten zijn niet waargenomen. Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In het plangebied is een vogelsoort aangetroffen waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is.

Tijdens het veldbezoek is een zingende gekraagde roodstaart waargenomen. Tevens is er een nest aangetroffen in de te verwijderen schuur (afbeelding 6). Het gaat hierbij vermoedelijk om een nest van de gekraagde roodstaart of zwarte roodstaart. Verder zijn er ook andere vogelsoorten behorende tot deze categorie te verwachten in het plangebied. De houtsingel van zomereik in het zuiden van het plangebied (afbeelding 8) biedt de mogelijkheid voor een functionele leefomgeving van de bonte vliegenvanger, boomklever en boomkruiper. Daarnaast is het mogelijk dat er nestlocaties aanwezig zijn van ringmussen en/of spreeuwen onder de dakpannen van het bewoonde gebouw en de te verwijderen schuur (afbeelding 4 en 6). Overige (broed)vogels De aangetroffen en de te verwachten vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van erven en bossen. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruikmaken van het plangebied: houtduif, groenling, merel, roodborst, pimpelmees, koolmees, witte kwikstaart, tjiftjaf en winterkoning. Binnen het plangebied zijn geen nesten aangetroffen van algemeen voorkomende broedvogels. Effecten en vergunning Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd.

Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een omgevingsvergunning noodzakelijk. Tijdens het veldbezoek is er in geen van de gebouwen een nest of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) van vogelsoorten behorende tot deze categorie aangetroffen. Negatieve effecten worden hierom uitgesloten. Nader onderzoek of een vergunningsaanvraag voor vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest is niet noodzakelijk. Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving In het plangebied is een vogelsoort aangetroffen waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Tijdens het veldbezoek is een zingende gekraagde roodstaart waargenomen. Tevens is er een nest aangetroffen in de te verwijderen schuur (afbeelding 6). Het gaat hierbij vermoedelijk om een nest van de gekraagde roodstaart of zwarte roodstaart. Er zijn geen verblijfplaatsen of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) van andere vogelsoorten behorende tot deze categorie aangetroffen in het plangebied. Na de werkzaamheden blijft er voldoende geschikt leefgebied over voor zowel de gekraagde als de zwarte roodstaart en daarnaast zijn deze soorten flexibel genoeg om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Negatieve effecten op deze soortgroep zijn hierom op voorhand uitgesloten mits buiten het broedseizoen van 1 maart tot 15 juli wordt gewerkt.

Nader onderzoek of een vergunningsaanvraag voor vogelsoorten met een jaarrond beschermde functionele leefomgeving is niet noodzakelijk. Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 22

Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Omgevingswet. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat schadelijke handelingen worden uitgevoerd waar een vergunning voor nodig is (artikel 11.37, lid 2 onder a t/m d van het Besluit activiteiten leefomgeving). De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen 2. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien door een ecologisch deskundige voorafgaand aan de werkzaamheden is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Omgevingswet zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Conclusie: bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels.

Negatieve effecten op deze soorten zijn op voorhand uitgesloten mits buiten het broedseizoen van 1 maart tot 15 juli wordt gewerkt en er tijdens de werkzaamheden geen nesten van vogels worden aangetroffen. Indien dit niet mogelijk is, wordt een broedvogelcheck noodzakelijk geacht.

4.2.5 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals ringslang, gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen en venranden. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied (NDFF, 2023). Effecten en vergunning Op basis van het aanwezige biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is voor reptielen niet noodzakelijk.

4.2.6 Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied in beperkte mate gebruiken als landbiotoop. In het plangebied zelf zijn geen waterelementen aanwezig waardoor de aanwezigheid van voortplantingsbiotoop op voorhand uit te sluiten is. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander of poelkikker, worden niet verwacht in het plangebied vanwege de aanwezige, ongeschikte habitat voor deze soorten. Zo ontbreken waterelementen in het plangebied. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën in en rondom het plangebied (NDFF, 2023).

2 In het kader van de Omgevingswet wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een

broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 23

Effecten en vergunning Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een positief effect op het leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de vergunningsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de aanwezige biotoop worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is voor amfibieën niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is voor amfibieën niet noodzakelijk.

4.2.7 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen (sloten, poelen, enzovoort) aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig. Effecten en vergunning Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Effecten op beschermde vissen zijn dan ook uit te sluiten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor vissen is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is voor beschermde vissen niet noodzakelijk.

4.2.8 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als brede geelgerande waterroofkever, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder en platte schijfhoren niet verwacht. Dit door het ontbreken van geschikt habitat dat onder andere bestaat uit krabbenscheervegetaties en waardplanten als boswilg en wilde kamperfoelie. Daarnaast ligt het plangebied buiten het bekende verspreidingsgebied van de meeste soorten. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en rondom het plangebied (NDFF, 2023). Effecten en vergunning In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Nader onderzoek of een flora- en fauna-activiteit is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.

4.3 Beschermde gebieden Ligging Het plangebied aan de Oxersteeg 11 ligt niet in een Natura 2000-gebied. In de ruime omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 4,1 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken (AERIUS, 2023). Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 24

Effecten Niet stikstof-gerelateerde effecten: De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een toetsing van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Op 2 november 2022 heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de tot dan toe geldende bouwvrijstelling stikstof niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. In dat kader is voor zowel de bouw-/aanlegfase als voor de gebruiksfase van ruimtelijke ontwikkelingen daarom weer een stikstofdepositieberekening benodigd. Deze stikstofberekening volgt in een afzonderlijke rapportage.

4.4 Bescherming van houtopstanden Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

4.5 Natuurnetwerk Nederland Ligging Het plangebied bevindt zich op 200 meter afstand van Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de zone ‘ondernemen met natuur en water’. Effecten Het plangebied ligt niet in het NNN of in de zone ‘ondernemen met natuur en water’. Daarnaast kent het natuurbeleid in de provincie Overijssel geen externe werking, hierom is een toetsing aan natuurbeleid niet noodzakelijk.

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 25

5 Conclusie 5.1 Beschermde soorten 5.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een positief effect op de kwaliteit van het leefgebied van een aantal beschermde zoogdieren en amfibieënsoorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad, kleine watersalamander, ree, haas, konijn, vos, diverse algemene muizen en spitsmuizen. De ingreep zelf heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.

5.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soortgroep dient rekening te worden gehouden. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Negatieve effecten op deze soortgroep zijn op voorhand uitgesloten mits buiten het broedseizoen van 1 maart tot 15 juli wordt gewerkt. Indien dit niet mogelijk is, wordt een broedvogelcheck noodzakelijk geacht. Verder dient bij de werkzaamheden rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels.

5.2 Beschermde gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten: Een toetsing van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Op 2 november 2022 heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de tot dan toe geldende bouwvrijstelling stikstof niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. In dat kader is voor zowel de bouw-/aanlegfase als voor de gebruiksfase van ruimtelijke ontwikkelingen daarom weer een stikstofdepositieberekening benodigd. Deze stikstofberekening volgt in een afzonderlijke rapportage.

5.3 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

5.4 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet in het NNN of in de zone ‘ondernemen met natuur en water’. Daarnaast kent het natuurbeleid in de provincie Overijssel geen externe werking, hierom is een toetsing aan natuurbeleid niet noodzakelijk.

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 26

5.5 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 27

Literatuurlijst • • • •

AERIUS. (2023, Mei 26). AERIUS, rekeninstrument voor de leefomgeving. Opgehaald van AERIUS Calculator: https://www.aerius.nl/nl ESRI. (2023, Mei 26). ESRI Nederland. Opgehaald van ESRI: https://www.esri.nl/nl-nl/home Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. NDFF. (2023, Mei 26). Nationale Databank Flora en Fauna. Opgehaald van NDFF: https://ndffecogrid.nl/uitvoerportaal/login.zul

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 28

Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Inleiding Het natuurbeschermingsrecht onder de Omgevingswet bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn in de meeste gevallen het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In deze bijlage wordt kort ingegaan op de relevante regels waaraan voldaan moet worden.

Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming (toetsing flora- en fauna-activiteit) is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “Andere soorten”. Schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningplichtige situatie onder de Omgevingswet Het systeem van de Omgevingswet wijkt af van wat eerder in de Wet natuurbescherming was opgenomen; er is niet langer sprake van absoluut verbod met een mogelijkheid om ontheffing van dit verbod te krijgen, maar van vergunningplichtige handelingen behoudens wanneer men beschikt over een daartoe bedoelde omgevingsvergunning. De Omgevingswet gaat uit van het ‘ja, mits-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal schadelijke handelingen genoemd die leiden tot een vergunningplichtig geval of situatie (zie tabel 1). De schadelijke handelingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Andere (nationaal) beschermde soorten’). Voor welke situaties een omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit nodig is vastgelegd in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Vogels (Vogelrichtlijnsoorten) Dit regime betreft alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn. Hiervoor gelden de volgende schadelijke handelingen: • er geldt vergunningplicht voor activiteiten die kunnen leiden tot het opzettelijk doden of vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels als bedoeld in artikel 1 Vogelrichtlijn; • tevens geldt vergunningplicht voor het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren én het opzettelijk storen van vogels. Dit is vastgelegd in artikel 11.37 van het Bal. Europees beschermde soorten Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 3. Hiervoor gelden de volgende schadelijke handelingen:

3 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de

bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 29

•

er geldt vergunningplicht voor het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk verstoren, doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn; • er geldt vergunningplicht voor het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren én het verstoren en het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van bedoelde diersoorten; • er geldt ook vergunningplicht voor het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Dit is vastgelegd in artikel 11.46 van het Bal. Andere (nationaal) beschermde soorten Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven.

Hiervoor gelden de volgende schadelijke handelingen: • er geldt vergunningplicht voor het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten zoals genoemd in bijlage IX, onder A van het Bal; • vergunningplicht geldt ook voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van de hiervoor bedoelde dieren; • vergunningplicht geldt ook voor het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B van het Bal. Dit is vastgelegd in artikel 11.54 van het Bal. Tabel 1. Overzicht schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningplichtige situatie onder de Omgevingswet. Beschermingsregime soorten

Beschermingsregime soorten

Beschermingsregime Andere soorten (art.

Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal)

Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal)

11.54 Bal)

Lid 1, onder a het is verboden van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of opzettelijk te vangen

Lid 1, onder a het is verboden in het wild levende dieren in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of opzettelijk te vangen

Lid 1, onder b het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, beschadigen of nesten weg te nemen

Lid 1, onder b het is verboden in het wild levende dieren opzettelijk te storen

Lid 1, onder a het is verboden beschermde, in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijke te vangen en te doden Lid 1, onder b het is verboden vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a opzettelijk te beschadigen of te vernielen

Lid 1, onder c Het is verboden eieren te rapen of onder zich te hebben

Lid 1, onder c het is verboden eieren van in het wild levende dieren opzettelijk te vernielen of te rapen

Lid 1, onder d Het is verboden opzettelijk vogels te storen , tenzij het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort

Lid 1, onder d het is verboden voortplantings- of rustplaatsen van in het wild levende dieren te beschadigen of te vernielen

Lid 1, onder c het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken, verzamelen, af te snijden, ontwortelen of te vernielen

Lid 1, onder e het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken, verzamelen, af te snijden, ontwortelen of te vernielen

Deze schadelijke handelingen mogen niet uitgevoerd worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling van vergunningplicht geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve vergunning);

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 30

• •

de activiteit deel uitmaakt van een vastgesteld programma; een vergunning is verkregen.

Voor een aantal handelingen zijn vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. De schadelijke handelingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel betreft het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime nog steeds een schadelijke handeling. Voor vogels geldt dat verstoren geen vergunningplichtig geval is als de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 5.1, lid 2 onder g Ow gelezen in samenhang met § 11.2 Bal). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft een schadelijke handeling, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.

Tot slot geldt er geen vergunningplicht voor het opzettelijk doden of vangen en vernielen of beschadigen van vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen van bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 11.54 lid 2 sub a Bal). Vrijstellingen De vergunningplicht zoals hiervoor benoemd is niet absoluut. De vergunningplicht voor bepaalde handelingen bestaat niet als er voor deze handelingen of activiteiten een vrijstelling is verleend. Dergelijke vrijstellingen kunnen landelijk gelden en worden door de Minister vastgesteld. De provincies kunnen in hun omgevingsverordening ook bepaalde vrijstellingen verlenen. Deze vrijstellingen verschillen per provincie. Er bestaan ook andere wetsinstrumenten die een vergunningplicht uitsluiten. Dit kan doordat bepaalde activiteiten zijn opgenomen in een programma, of dat de handelingen worden uitgevoerd op grond van een aangewezen gedragscode. Wanneer dit aan de orde is wordt dit verderop in het rapport toegelicht. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de schadelijke handelingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal, vooral algemeen voorkomende en beschermde, zoogdieren en amfibieën vrijgesteld van de vergunningplicht.

Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Omgevingswet biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet en Wet natuurbescherming is reeds ervaring opgedaan met een dergelijke programmatische aanpak. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebieden een generieke vergunningen verleend. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.

Oxersteeg 11, Deventer | Eelerwoude | 31

Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes. Afwijken van schadelijke handelingen Om af te mogen wijken van de schadelijke handelingen (en deze toch te mogen overtreden) via een vergunning of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een vergunning worden verleend. Hieronder worden de drie vereisten nader toegelicht. Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de schadelijke handeling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten.

De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen vergunning worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende vergunningen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken.

Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moet inzicht worden gegeven in: 1. de SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied); 2. het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16418102/1