CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-912 Bijlage Ruimtelijke motivering BOPA Basisschool Lettele def

Raadsvergadering 26 februari 2025, gemeente DeventerBij agendapunt: Positief bindend advies voor het verlenen van de omgevingsvergunning-BOPA 1e fase voor het Kindcentrum (w.o. basisschool Sancta Maria) Sportweg 1 in Lettele26.964 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

4.7.5

Conclusie geluid door activiteiten

4.7.6

Conclusie

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden. Voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit levert dat geen belemmeringen op, omdat de nieuwe functie milieutechnisch ingepast kan worden doordat maatwerkvoorschriften zijn vastgesteld voor de sporthal en het zwembad. In het bouwtechnische deel dient rekening gehouden te worden met maatregelen ten aanzien de indeling van het toekomstige gebouw en de geluidswering van de gevels.

Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van het omgevingsplan, mits bij de uitwerking in het bouwdeel rekening wordt gehouden met de indeling van het toekomstig gebouw en de geluidwering van gevels.

Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 37 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

4.8

Bodem

4.8.1

Wettelijk kader

Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving. Daaronder wordt ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem verstaan. Onder de Omgevingswet is het wettelijk instrumentarium voor de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, moet op grond van het Bkl (artikel 5.89i en 5.89j) worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van het omgevingsplan of omgevingsvergunning. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook het aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein.

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Bal noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

4.8.2

Motivering

In het kader van onderhavige ontwikkeling heeft Greenhouse Advies een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de locatie van de beoogde basisschool. De locatie van het beoogde kunstgrasveld is door het Veldwerkbureau onderzocht door middel van een partijkeuring en is separaat gerapporteerd. Het verkennend bodemonderzoek en de rapportage van de partijkeuring zijn respectievelijk als bijlage 6 en 7 bij deze onderbouwing opgenomen. Verkennend bodemonderzoek locatie beoogde basisschool Op basis van de onderzoeksresultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Vooronderzoek Uit het historisch onderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie rond het jaar 1900 in gebruik is als heide, bos, en agrarisch land. In de decennia daarna wordt al het terrein bos, totdat het in 1957 weer in gebruik is als agrarisch land. In 1975 is de locatie in gebruik als sportveld en is een accommodatie met zwembad aangelegd. Een aanwezige watergang wordt in die tijd gedempt. Op de locatie zijn in het recente verleden diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Tijdens de onderzoeken zijn diverse lichte verontreinigingen in de bodem aangetoond, en in een enkel onderzoek is lokaal een tussenwaardeoverschrijding van arseen aangetoond, wat geduid is als een natuurlijk verhoogd gehalte.

Veldonderzoek Uit de profielbeschrijvingen blijkt dat de bodem tot 3,0 meter diepte uit zand bestaat, waarbij de bovenste 0,3 - 0,5 meter uit humeus zand bestaat. Tijdens de monsterneming is de grondwaterstand aangetroffen op een diepte van 1,3 m-mv. Tijdens het locatiebezoek is aan de zuidkant van de zoeklocatie van de beoogde basisschool een schuur aangetroffen met een asbestverdacht dak zonder dakgoot. Op basis van de uitwerking van het plan voor de basisschool wordt geconcludeerd dat de basisschool met schoolplein en parkeerterrein op ruime afstand van Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 38 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

dit schuurtje worden gerealiseerd waardoor de schuur behouden blijft en onderzoek naar asbest in de bodem ter plaatse van de druppelzones niet noodzakelijk is. Uit de twee raaien met proefboringen in de gedempte watergang blijkt dat de voormalige watergang gedempt is met gebiedseigen grond (gelijke grondsoort, textuur, gehalte organische stof, bodemvreemde bijmenging), waarin geen bodemvreemde bijmenging is aangetroffen, en dus onverdacht is. Chemisch onderzoek Uit de analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: • • •

Uit de toetsing van de analyseresultaten aan het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) blijkt dat in zowel de boven- en ondergrond geen van de onderzochte parameters verhoogd zijn aangetoond ten opzichte van de interventiewaarden. Uit de toetsing van de analyseresultaten aan het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) blijkt dat zowel de boven- als de ondergrond in de kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde valt. Dit betreft een indicatieve toetsing. Uit de toetsing van de analyseresultaten van het grondwater aan het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) blijkt dat geen van de onderzochte parameters de signaleringsparameter voor grondwaterverontreinigingen overschrijdt.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat er geen nader bodemonderzoek noodzakelijk is. De locatie van de beoogde basisschool is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. Partijkeuring locatie beoogd kunstgrasveld Op basis van de onderzoeksresultaten van de partijkeuring wordt geconcludeerd dat de partij op basis van het Besluit bodemkwaliteit en Handelingskader PFAS voldoet aan de kwaliteitseis en toepassingssituatie ‘Landbouw/natuur’. Toepassing van grond dient voorafgaand aan het toepassen gemeld te worden bij het Omgevingsloket van het DSO.

4.8.3

Conclusie

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1

Wettelijk kader

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van het omgevingsplan.

Voor luchtkwaliteit gelden doelen en omgevingswaarden. De doelen voor luchtkwaliteit zijn vastgelegd in het Schone Lucht Akkoord, waarbij gemeente Deventer streeft naar het permanent verbeteren van de luchtkwaliteit. Dit moet leiden tot een gezondheidswinst van minimaal 50% in 2030 ten opzichte van 2016. Hierdoor leven mensen langer, gezonder en met meer kwaliteit van leven. Initiatieven moeten een positieve bijdrage leveren aan de maatregelen die hieruit voortvloeien. Naast het Schone Lucht Akkoord zijn in Afdeling 2.2. van het Bkl omgevingswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon opgenomen. In Nederland worden over het algemeen alleen mogelijke overschrijdingen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5) verwacht. Als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide of fijnstof in de buitenlucht, dan moeten de omgevingswaarden uit afdeling 2.2. van het Bkl in acht worden genomen. Dit volgt uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. In 2024 worden door de EU nieuwe omgevingswaarden vastgesteld, deze waarden gaan vanaf 2030 gelden. Hierbij worden de grenswaarden verder aangescherpt en komen er voor meerdere stoffen resultaatsverplichtingen.

De luchtkwaliteit hoeft in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Er bestaat namelijk een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden, bijvoorbeeld wanneer sprake Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 39 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

is van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal). Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: • •

•

aannemelijk is gemaakt dat het project niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde of niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde; aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het project per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; of bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het project samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering); aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen.

Gevoelige functies De belangrijkste bepalende factor voor de blootstelling aan luchtverontreiniging door druk verkeer is de afstand tussen bron en ontvanger. Voldoende afstand wordt het meest effectief bereikt door hiermee rekening te houden bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij “[…] in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid”. Gevoelige groepen worden extra beschermd tegen blootstelling aan luchtverontreiniging door geen nieuwe voorzieningen voor langdurig verblijf te realiseren dichtbij drukke wegen.

4.9.2

Motivering

Volgens de Atlas voor de Leefomgeving (www.atlasleefomgeving.nl/check-je-plek) bedraagt in de bestaande situatie de concentratie fijnstof in de lucht 8 µg PM2,5/m³. Dit is hoger dan de advieswaarde (volgens de World Health Organization) van 5 µg PM2,5/m³. De concentratie stikstofdioxide in de lucht bedraagt 9 µg NO2/m³. Deze waarde ligt onder de advieswaarde. De voornomen ontwikkeling bestaat uit het verhuizen van een bestaande basisschool naar het sportpark aan de noordzijde van de dorpskern. Gezien het feit dat het gaat om de verplaatsing van een bestaande functie is er geen sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit. Omdat het nieuwe gebouw moet voldoen aan de huidige energieprestaties die vanuit het Bbl worden gesteld, zal daarnaast sprake zijn van een laag energieverbruik en hiermee een lagere uitstoot. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de luchtkwaliteit als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft. Een nader onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

4.9.3

Conclusie

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van het omgevingsplan.

4.10 Geur 4.10.1 Wettelijk kader

Er zijn diverse sectoren waarbij geuremissie een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening houden met geur door activiteiten in de omgeving van geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven); Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 40 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan de locaties vast waar waarden voor geur gelden. Sommige activiteiten kennen afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. De gemeente Deventer heeft nog geen normen voor geurhinder in het omgevingsplan opgenomen. Tot die tijd geldt de Bruidsschat (regels die met de invoering van de Omgevingswet zijn verhuisd van het Rijk naar de gemeenten en onderdeel zijn van het tijdelijke deel van het omgevingsplan en te raadplegen zijn op www.omgevingswet.overheid.nl/regels-op-dekaart).

4.10.2 Motivering

In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen is een onderzoek geurhinder veehouderijen uitgevoerd. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient het woon- en leefklimaat voor nieuwe geurgevoelige gebouwen te worden beoordeeld. Hiertoe wordt zowel de voorgrond-belasting als de achtergrondbelasting berekend. Op basis van de berekende geurconcentraties wordt een percentage geurgehinderden bepaald. Dit percentage vertaald naar een kwalificatie van de milieukwaliteit. Het is tevens van belang dat de bestaande omliggende veehouderijen niet in uitbreidingsmogelijkheden worden beperkt door de realisatie van de nieuwe ontwikkeling. Het onderzoek geurhinder veehouderijen is als bijlage 8 bij deze onderbouwing opgenomen. De voor het plan meest nabijgelegen veehouderij ligt aan de Bathmenseweg 45A in Lettele, ten westen van het plangebied. Aan zowel de afstandsnorm voor binnen als buiten de bebouwde kom wordt voldaan, waardoor de vaste afstanden geen belemmering veroorzaken voor de doorgang van het initiatief. Om inzicht te krijgen in de mate van geurhinder ter plaatse van het toekomstige kindcentrum is zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting berekend met respectievelijk V-Stacks vergunning en gebied (versie 2020).

Op basis van de berekende voorgrondbelastingen wordt geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de geurnorm van 3,0 ouE/m³ plaatsvinden als gevolg van de afzonderlijke veehouderijen. De maximale voor- en achtergrond-belasting bedraagt respectievelijk 1,8 en 3,9 voor het plangebied. Het percentage geurgehinderden blijft beperkt tot 5,7% en 6,1%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGDrichtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit als gevolg van de veehouderijen goed zal zijn. Op basis van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het kindcentrum geen beperkingen gelden. Ter plaatse van de geurgevoelige locatie wordt voldaan aan de afstandseisen en grenswaarden uit de Omgevingswet en het omgevingsplan van de gemeente. Met de realisatie van het kindcentrum zal de grens van de bebouwingscontour geur verplaatsen, waardoor de veehouderij aan de Bathmenseweg 45A en/of Kulturhus De Spil beperkt zouden kunnen worden. Om uit te sluiten of dit het geval is, is juridisch advies op dit punt ingewonnen. Uit dit advies blijkt dat als gevolg van de bouw van het kindcentrum ter plaatse van de open ruimte tussen De Spil en de Sportweg de grens van de bebouwingscontour geur inderdaad verschuift. De Spil en de sporthal komen dan binnen de bebouwingscontour geur van Lettele te liggen.

Als gevolg daarvan veranderen de afstanden die aangehouden moeten worden tot het agrarisch bedrijf van 50 meter tot 100 meter. Voor het kindcentrum en De Spil heeft dit geen gevolgen, de afstanden tot het agrarisch bedrijf zijn groter dan 100 meter. De sporthal komt hiermee wel binnen de 100 meter-contour van het agrarisch bedrijf te liggen. In het juridisch advies wordt gemotiveerd dat de sporthal niet als een geurgevoelig gebouw beschouwd dient te worden. Daarmee vormt de sporthal geen belemmering voor het agrarisch bedrijf. Het juridisch advies op het punt van geurhinder veehouderijen is als bijlage 9 bij deze onderbouwing opgenomen.

4.10.3 Conclusie

Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van het omgevingsplan.

4.11 Omgevingsveiligheid 4.11.1 Wettelijk kader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, risico’s door windturbines, het overstromingsrisico, wateroverlast en natuurbranden. Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 41 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

Het risico wordt bepaald door de kans op een incident per jaar te vermenigvuldigen met het aantal slachtoffers dat kan vallen op een bepaalde locatie of in een gebied. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Naast deze risicobenadering is in de Omgevingswet een effectbenadering geïntroduceerd met het begrip ‘aandachtsgebieden’. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico voor (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl).

Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Het plaatsgebonden risico wordt op basis van de vastgestelde afstanden vastgelegd in een contour. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico (artikel 5.15 van het Bkl).

Afbeelding: aandachtsgebieden (bron: aandeslagmetdeomgevingswet.nl) Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren (effectgebieden en geen risico-afstanden) zichtbaar op de kaart (Zie Atlas Leefomgeving op www.atlasleefomgeving.nl, Register externe veiligheid), zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. De gemeente mag een brand- of explosie –aandachtsgebied (of delen ervan) aanwijzen als voorschriftengebied waardoor er extra bouwkundige eisen gaan gelden voor nieuwe gebouwen. Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico’s wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 42 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage VI). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen; de meeste basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: • • •

Hoeveel personen zijn in dat gebouw of op die locatie gelijktijdig aanwezig? Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident.

Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren, aandachtsgebieden en het groepsrisico. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het toedelen van functies aan locaties. Daarnaast moet het bevoegd gezag motiveren (artikel 5.14 Bkl) waarom van een brand- en/of explosie-aandachtsgebied een voorschriftengebied wordt gemaakt als in dit gebied nieuwe (beperkt-) kwetsbare gebouwen mogelijk worden gemaakt.

4.11.2 Motivering Risicovolle objecten De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een zeer kwetsbaar gebouw (basisschool). Op onderstaande afbeelding zijn de risicovolle objecten binnen een afstand van circa 1 kilometer rondom het besluitgebied weergegeven.

Uitsnede kaart Veilige omgeving – Externe veiligheid, beoogde basisschool blauw omcirkeld (bron: atlasleefomgeving.nl) Inrichtingen Direct ten oosten van de beoogde basisschool bevindt zich behorend bij het zwembad De Spil een opslag van chloorbleekloog en zwavelzuur ten behoeve van het zwembad. Gezien de omvang van het zwembad geldt dat er voor beide stoffen maximaal 150 liter aanwezig mag zijn in 25 liter vaten. Deze stoffen worden gescheiden van elkaar opgeslagen in daarvoor bedoelde kasten. Omdat de kans erg klein is dat de stoffen in aanraking met elkaar komen (gescheiden opslag) en er dus giftig gas kan ontstaan, valt deze opslag niet onder de wet- en regelgeving voor externe veiligheid. Om deze reden gelden er geen aandachtsgebieden en plaatsgebonden risicocontouren. Transportroutes gevaarlijke stoffen Binnen een straal van 1 km rondom het besluitgebied komen geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen voor.

Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 43 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

Buisleidingen Binnen een straal van 1 km rondom het besluitgebied komen geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen voor. Overstromingsrisico en wateroverlast Het besluitgebied ligt in een gebied dat niet overstroomt. In paragraaf 4.13 zijn de risico’s op wateroverlast bij extreme regenval beschreven en hoe hier in de waterhouding mee om gegaan moet worden. De uitgangspunten hiervoor zijn vastgelegd in de watermemo. Natuurbranden Het besluitgebied ligt niet in een risicogebied voor natuurbranden.

4.11.3 Conclusie

Het aspect 'omgevingsveiligheid' vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van het omgevingsplan.

4.12 Ecologie 4.12.1 Wettelijk kader

De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld. Flora- en fauna-activiteiten Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en faunaactiviteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: ‘Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: • •

Er soorten aanwezig zijn; Welke soorten dat zijn.

Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland.

Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Ook worden de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. In Nederland voor ruim 160 gebieden. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 44 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee.

4.12.2 Motivatie

Om de eventuele aanwezigheid van wettelijk beschermde plant- en diersoorten in en direct rondom het besluitgebied en de gevolgen van de voorgenomen ontwikkelingen ten aanzien van beschermde natuurgebieden inzichtelijk te maken is een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van deze soorten- en gebiedsinformatie zijn uitspraken gedaan over eventuele noodzakelijke vervolgonderzoeken. Het ecologisch onderzoek is als bijlage 10 bij deze onderbouwing opgenomen. Hieronder zijn de conclusie en aanbevelingen opgenomen. Gebiedsbescherming De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt geen (significante) negatieve effecten op beschermde natuurgebieden als gevolg van directe verstoring (licht, geluid en/of trillingen), mede op basis van het onderzoek naar lichthinder. Wettelijk beschermde houtopstanden zijn niet aanwezig. Er geldt geen omgevingsvergunning of plicht tot kapmelding bij de provincie. Een substantieel, negatief effect van de beoogde ontwikkeling op de stikstofemissie en depositie en daarmee op Natura 2000-gebieden is nader onderzocht door middel van een stikstofberekening. Natura 2000-gebieden Om de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te kunnen bepalen, zijn door Gras Advies AERIUS-berekeningen voor de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd. De resultaten zijn verwerkt in een stikstofrapportage welke als bijlage 11 bij deze onderbouwing is opgenomen.

Uit de berekening volgens de AERIUS Calculator voor de realisatie- en gebruiksfase is gebleken dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar op Natura 2000-gebieden (stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden). Hiermee is een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Voor de voorgenomen ontwikkeling is er daarom met betrekking tot stikstofdepositie geen vergunning benodigd. Natuurnetwerk Nederland Het dichtstbijzijnde gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de Landgoederen Salland direct grenzend aan de oostzijde van het projectgebied. Dit gebied valt niet onder Natura 2000-gebied. Het gebied wordt gekenmerkt door een groot aantal landgoederen en buitenplaatsen, beekdalen en droge dekzandgronden afgewisseld met nattere zones met kwelwater of stagnerend regenwater. (Overheid.nl, 2022). Deze vormen samen een structuurrijk en natuurrijk cultuurlandschap met een kleinschalig karakter en een mozaïek aan historische landhuizen, parken, bossen, akkers, graslanden, weteringen, poelen en monumentale lanen (Provincie Overijssel, 2023). Enkele voorkomende beschermde soorten zijn de kamsalamander en ringslang. Het besluitgebied, met name de locatie van het beoogde kunstgrasveld, grenst direct aan dit NNN-gebied.

Om de effecten van de voorgenomen aanleg van het kunstgrasveld met verlichting op het nabijgelegen NNN-gebied is een ‘Nee, tenzij’-toets uitgevoerd. Hierbij is gekeken naar de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN bestaande uit de abiotische kwaliteit, natuurwaarden en de ruimtelijke condities. De ‘Nee, tenzij’-toets is als bijlage 12 bij deze onderbouwing opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling vindt zich buiten het NNN plaats waardoor er geen sprake is van oppervlakteverlies. Ook vormt het besluitgebied geen belangrijke verbinding tussen natuurgebieden, waardoor versnippering van het NNN is uitgesloten. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een verlaging van de grondwaterstand of significante toename van stikstofdepositie, waardoor de Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 45 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

basisvoorwaarden voor de bestaande en potentiële natuurwaarden niet worden aangetast. Significant negatieve effecten als gevolg van oppervlakte afname, versnippering openheid, verbinding of abiotische gevolgen zijn uitgesloten. Het naastgelegen NNN bestaat voor een groot deel uit het beheertype N16.03 Droog bos met productie. Binnen dit natuurtype zijn 15 kwalificerende broedvogels aangewezen, die allen in het bos voorkomen. Uit literatuur en NDFF is te achterhalen dat er drie kwalificerende broedvogelsoorten broeden binnen het landgoed ’t Oostermaet en van drie andere soorten is een vastgesteld territorium geregistreerd. Er worden geen bomen gekapt, waardoor er geen sprake is van verlies van geschikte broedlocaties voor holenbroeders. Het huidige sportveld wordt in de toekomstige situatie voorzien van nieuwe verlichting. Om verstoring door deze verlichting te voorkomen, zal de verlichting alleen op het sportveld gericht zijn en niet uitstralen naar de omgeving. Ook is de verlichting alleen aan wanneer spelers op het veld aanwezig zijn. Om zo veel mogelijk te voorkomen dat eventuele strooiverlichting verstoring op het NNN-gebied wordt het groen tussen het sportveld en het NNN-gebied versterkt. Het plaatsen van het kindcentrum brengt geluid van spelende kinderen gedurende de pauzes met zich mee.

De toename van geluid zal echter niet verschillen met de huidige situatie van het trainingsveld. Ook zijn trainingen in de avonden terwijl scholen in de avond uit zijn. Significant negatieve effecten op aanwezige fauna door licht of geluidsverstoring zijn uitgesloten. Uit de effectenbeoordeling voor de bouw van het kindcentrum en de aanleg van het kunstgrasveld met verlichting blijkt daarmee dat er geen sprake is van negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het nabijgelegen Natuur Netwerk Nederland gebied. Soortenbescherming Negatieve effecten op beschermde soorten als gevolg van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling kunnen op voorhand worden uitgesloten. Vervolgonderzoek naar beschermde soorten is niet nodig. De aanwezigheid van (beschermde) soorten uit onderstaande soortgroep is aannemelijk. Aanvullend soortenonderzoek en een mogelijke omgevingsvergunning zijn niet nodig mits tenminste één van de daaropvolgende maatregelen wordt toegepast: •

(Broed)vogels: 1. Verstorende werkzaamheden vinden plaats buiten het broedseizoen, of; 2. Wanneer werkzaamheden toch binnen het broedseizoen vallen, dienen de aanwezige bosschages/bomen met nesten en de omgeving hiervan niet te worden verstoord, of; 3. Er vindt een broedvogelinspectie plaats door een deskundige ecoloog vóór aanvang van ontwikkeling gerelateerde werkzaamheden.

Verstoring van broedende vogels is verboden Verstoring van broedvogels kan voorkomen worden door de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Het broedseizoen is globaal aan te geven tussen 15 maart en 15 juli, afhankelijk van weersomstandigheden en de specifieke soort. Eerdere en latere broedgevallen zijn ook beschermd conform de Omgevingswet. De aanwezigheid van algemene soorten waaronder haas, konijn, mol en algemene muizen-soorten valt niet uit te sluiten. Deze soorten zijn in de provincie Overijssel vrijgesteld. Een aanvullend soortenonderzoek en omgevingsvergunning voor deze soorten is niet nodig. Desondanks geldt voor deze soorten de zorgplicht. Zorgplicht In artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), is de zorgplicht voor alle in het wild voorkomende planten en dieren vastgelegd. Lid 1 van het artikel luidt als volgt: 1. “Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht: a. “alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b.

voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.”

Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 46 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

Deze zorgplicht wordt nader geconcretiseerd omdat initiatiefnemers op grond van lid 2 verplicht zijn zich ervan dienen te vergewissen dat op de locatie van de voorgenomen activiteit, geen in het wild levende dieren van beschermde soorten of hun belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats aanwezig zijn (BIJ12, 2024).

4.12.3 Conclusie

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van het omgevingsplan.

4.13 Waterhuishouding 4.13.1 Wettelijk kader

Met de komst van de Omgevingswet is deze wet ook de basis voor regulering van het wateraspect. De Omgevingswet zorgt voor een goede balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving, waaronder bijvoorbeeld grondwater en de legger voor waterstaatswerken. De wet is gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

4.13.2 Watertoets

Het doel van de watertoets is om in een vroeg stadium in overleg te treden met het waterschap over de voorgenomen ontwikkeling. Op 22 april 2024 de watertoets uitgevoerd. Op basis hiervan heeft het Waterschap Drents Overijsselse Delta een uitgangspuntennotitie opgesteld. De uitgangspuntennotitie is als bijlage 13 bij deze onderbouwing opgenomen. De uitgangspuntennotitie vormt de basis voor de waterparagraaf.

4.13.3 Waterparagraaf

Zoals hierboven al aangegeven, heeft Buro Hoogstraat in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een watermemo opgesteld. Doel van de memo is om te waterhuishoudkundige aspecten zowel kwalitatief als kwantitatief uit te beschrijven, te beschouwen welke eisen de gemeente en het waterschap hieraan stellen en hoe hier in de planvorming mee om kan worden gegaan. De watermemo is als bijlage 14 bij deze onderbouwing opgenomen. De belangrijkste resultaten zijn hieronder verwoord. Voor nadere informatie wordt verwezen naar genoemde memo.

4.13.3.1 Basisinformatie Gegevens besluitgebied In de watermemo zijn de twee deelgebieden van het besluitgebied afzonderlijk benoemd en beschouwd. Deelgebied NO (wordt kunstgrasveld) heeft een oppervlakte van circa 0,88 ha. en de oppervlakte van deelgebied ZW (beoogde basisschool) bedraagt circa 1,24 ha. Het maaiveld van deelgebied NO ligt op een hoogte van globaal +8.10 m NAP en het maaiveld van deelgebied ZW op een hoogte van globaal +8,50 m NAP. Bodemopbouw en doorlatendheid Uit het als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen verkennend bodemonderzoek blijkt dat de bodemopbouw ter plaatse van beide deelgebieden volledig uit zand bestaat. Grondwater Op basis van verschillende peilbuizen in de omgeving van het besluitgebied wordt geconcludeerd dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) op respectievelijk circa 0,8 m (deelgebied NO) en circa 1,2 m (deelgebied ZW) en circa 1,65 m (deelgebied NO) en circa 2,05 m (deelgebied ZW) – maaiveld liggen.

Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 47 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

Kwel-infiltratie Op de kwelkaart van de klimaateffectatlas is aangegeven dat het besluitgebied in een infiltratiegebied ligt. Oppervlaktewater Uit de legger van het waterschap blijkt dat het besluitgebied in een peilvak ligt met een minimaal peil van +6,60 m NAP en een maximaal peil van +6,90 m NAP ligt. Overstromingsrisico Op de klimaateffectatlas is het besluitgebied aangegeven in een gebied waarvoor geen overstromingskans is aangegeven. Stresstest extreme neerslag Tijdens hevige neerslagsituaties is er kans op wateroverlast in gedeelten van beide deellocaties. Binnen deelgebied NO gaat het om de zuidelijke en oostelijke rand en van deelgebied ZW gaat het om de zuidelijke en noordelijke delen. Bestaande riolering In de Bathmenseweg en de Sportweg ligt een gemengd stelsel.

4.13.3.2 Randvoorwaarden en uitgangspunten Digitale watertoets Zoals eerder aangegeven blijkt uit de digitale watertoets dat er belangen van het waterschap worden geraakt, er is sprake van een toename van verharding met meer dan 500 m². Om die reden moet de normale procedure worden gevolgd. Ontwateringsdieptes De gemeente Deventer heeft eisen gesteld aan de minimale ontwateringsdiepten voor bebouwing en wegen. Deze ontwateringsdieptes worden gehanteerd om te voorkomen dat in de toekomst nadelige gevolgen gaan optreden als gevolg van (te) hoge grondwaterstanden. Het maaiveld van deelgebied NO ligt op een hoogte van globaal +8,10m NAP en het maaiveld van deelgebied ZW ligt op een hoogte van globaal 8,50 m NAP. In onderstaande tabel is voor de verschillende gebruiksvormen in het besluitgebied een overzicht weergegeven van de vereiste minimale hoogtes van het maaiveld op basis van de door de gemeente Deventer gestelde ontwateringsdieptes. Bij de technische uitwerking van het plan dienen de ontwerphoogtes verder uitgewerkt te worden. Op basis van bovenstaande gegevens hoeven beide deelgebieden niet te worden opgehoogd. Tabel 5.1: Minimale ontwateringsdieptes en ontwerphoogtes op basis van een GHG van +7,30 m NAP

Beleid gemeente Deventer

Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 48 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

De gemeente Deventer hanteert bij nieuwbouw de eis dat 20 mm hemelwater op eigen terrein geborgen en geïnfiltreerd moet worden. Middels geohydrologisch onderzoek moet worden aangetoond of infiltreren ook kan. Bij berging van 20 mm moet een infiltratievoorziening binnen 24 uur weer leeg zijn. Beleid waterschap Drents Overijsselse Delta Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is de initiatiefnemer verantwoordelijk om eventuele negatieve effecten van het plan op het watersysteem tegen te gaan. De initiatiefnemer moet in het plan rekening houden met klimaateffecten. Het waterschap hanteert het uitgangspunt dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waterneutraal worden ingericht. Dat betekent dat er geen extra wateroverlast optreedt, maar ook geen extra watertekort als gevolg van een toename van de watervraag.

4.13.3.3 Overbelasting watersysteem

Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt, afgevoerd worden. Dit mag echter niet leiden tot wateroverlast benedenstrooms van het plangebied. Bij extreme kortstondige buien, verblijft water voor korte tijd op het maaiveld, zonder dat dit tot overlast leidt. Er wordt rekening gehouden met de volgende randvoorwaarden: • Vasthouden-bergen-afvoeren; • Benutten, lokaal verwerken of vertraagd afvoer van hemelwater op percelen en in de openbare ruimte; • Gescheiden houden van hemelwater en rioolwater; • Capaciteitseisen voor de afvoer van hemelwater; • Eisen die aan woningen, andere kwetsbare functies en openbare ruimte worden gesteld ter voorkoming van wateroverlast. Bij het voorkomen van wateroverlast zijn er twee zaken van belang: • Voorkomen van overbelasting van het watersysteem en • Voorkomen van versnelde afvoer van afstromend hemelwater Afstromend verhard oppervlak In onderstaande tabellen is de verdeling in oppervlaktes in het besluitgebied weergegeven voor de huidige en toekomstige situatie. Tabel 5.2: Verdeling oppervlaktes toekomstige situatie

Uit de tabel blijkt dat het verhard oppervlak in de toekomstige situatie met 4.000 m² toeneemt. Benodigde berging Op basis van de bergingseis van 80 mm per m² verhard (dak)oppervlak moet binnen het besluitgebied in totaal ca. 320 m³ aan berging worden gerealiseerd: 40 m³ in deelgebied NO en 280 m³ in deelgebied ZW. In Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 49 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

onderstaande tabel zijn dimensies van wadi’s aangegeven waarmee de minimaal vereiste berging in beide deelgebieden kan worden gerealiseerd. Tabel 5.3: Overzicht dimensies van wadi’s voor de minimaal vereiste berging in beide deelgebieden

In beide deelgebieden is voldoende ruimte beschikbaar om wadi’s met de in bovenstaande tabel aangegeven dimensies aan te leggen. Ledigingseis Een infiltratievoorziening moet binnen 24 uur weer beschikbaar zijn voor een nieuwe neerslagsituatie. Om vast te stellen of aan deze eis wordt voldaan zijn infiltratieberekeningen uitgevoerd. Wanneer de bodems van de voorgestelde wadi’s meer dan 0,2 m boven de GHG liggen, mag bij het berekenen van de ledigingstijd rekening worden gehouden met infiltratie door de bodem. Voor de infiltratiecapaciteit van de wadi’s is de doorlatendheid van de toplaag, die bestaat uit gras, maatgevend. Voor de doorlatendheid van gras wordt als vuistregel een waarde van 0,5 m/dag aangehouden. Aangezien voor het zand in de bovenste 0,5 m van het plangebied geen gegevens over K-waarden bekend zijn, is bij de infiltratieberekeningen uitgegaan van een waarde van 0,5 m/dag. Op basis van de in tabel 5.3 aangegeven dimensies en dieptes van de wadi’s zijn de ledigingstijden ervan berekend, waarbij ervan is uitgegaan dat er ook water via de bodems van de wadi’s infiltreert. In onderstaande tabel is een overzicht van de berekende ledigingstijden weergegeven. Tabel 5.4: Berekende ledigingstijden voor de wadi’s met de in tabel 5.3 aangegeven dimensies

Extreme neerslagsituatie Bij een extreme neerslagsituatie waarbij 119 mm neerslag valt, vullen de wadi’s zich volledig. Bij deze bui mag er (tijdelijk) water op het maaiveld in het besluitgebied staan. In onderstaande tabel is voor deze bui een overzicht van de waterbalans voor beide deelgebieden weergegeven. Tabel 5.5: Waterbalans bij extreme bui van 119 mm

Uit tabel 5.5 volgt dat bij een extreme bui van 119 mm: • binnen deelgebied ZW nog 36 m³ hemelwater moet worden geborgen. Deze hoeveelheid zal zich over de niet bebouwde delen van het deelgebied verspreiden, zijnde 11.600 m². Zonder afvoer uit het deelgebied betekent dit dat er tijdelijk 0,31 cm water op de niet bebouwde terreindelen binnen het deelgebied staat.

Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 50 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

•

binnen deelgebied NO nog 3 m³ hemelwater moet worden geborgen. Deze hoeveelheid zal zich over de niet bebouwde delen van het deelgebied verspreiden, zijnde 8.800 m². Zonder afvoer uit het deelgebied betekent dit dat er tijdelijk 0,03 cm water op de niet bebouwde terreindelen binnen het deelgebied staat.

Wanneer de vloerpeilen minimaal 0,30 m boven het omliggende maaiveld worden gelegd, zal er ook bij extreme neerslag geen hemelwater in gebouwen stromen.

4.13.3.4 Waterkwaliteit

Het waterschap is verantwoordelijk voor een goede waterkwaliteit van het regionale watersysteem. Voor de borging van waterkwaliteit gelden diverse maatregelen. Voor bepaalde stoffen zijn Europese normen vastgesteld, bijvoorbeeld voor gevaarlijke stoffen zoals lood, cadmium, oplosmiddelen en bestrijdingsmiddelen. Afvoer hemelwater • Kwaliteit afvoer hemelwater: o Schoon hemelwater (dakoppervlakken) mag (vertraagd) worden afgevoerd naar oppervlaktewater binnen het plangebied. o Voor overige afvoer en verwerking van hemelwater (vanaf verharding) is het gewenst om dit via een bodempassage te lozen op het oppervlaktewater binnen het plangebied. o In alle situaties geldt een voorkeur voor bovengronds afvoeren (zichtbaar). Als dit niet kan is het noodzakelijke voorzieningen te treffen om eventuele foutieve ondergrondse aansluitingen te kunnen vaststellen. Hemelwater wordt vastgehouden alvorens het vertraagt wordt afgevoerd. Om verontreiniging van het watersysteem te voorkomen worden in het ontwerp geen uitlogende (bouw)materialen gebruikt. • Verversing oppervlaktewater: Geïsoleerde vijverpartijen of watergangen vermijden. Het is nodig dat het watersysteem zo ontworpen wordt dat er aandacht is voor verversing en wateraanvoer. Stilstaand water - zeker bij opwarming en droogte – is kwetsbaar (met als gevolg bijvoorbeeld vissterfte).

• Peilbeheersing: Wij kunnen sturen in de waterkwaliteit door bijvoorbeeld water in te laten of juist af te voeren. In gebieden waar wij geen water kunnen aanvoeren en sloten droogvallen, kunnen wij de waterkwaliteit niet sturen. We adviseren om in deze gebieden bij droogvallende watergangen een minimale waterdiepte te hanteren van 100 cm om te voorkomen dat ze droogvallen. Verontreinigingen - afvalwater Bij verontreinigd afvalwater, bijvoorbeeld verontreinigd hemelwater, geldt de volgende voorkeursvolgorde voor het lozen van afvalwater: • het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; • verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; • afvalwaterstromen gescheiden houden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; • huishoudelijk afvalwater en afvalwater wat betreft biologische afbreekbaarheid daarmee overeenkomt, voor zover doelmatig en kostenefficiënt, worden ingezameld en naar een zuiveringtechnisch werk getransporteerd; • ander afvalwater dan bedoeld onder 4, wordt, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, opnieuw gebruikt; • ander afvalwater dan bedoeld onder 4 wordt lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu gebracht en • ander afvalwater dan bedoeld onder 4 wordt naar een zuiveringtechnisch werk getransporteerd.

In het algemeen wordt geadviseerd het gebruik van de volgende toepassingen te beperken: • Uitloogbare materialen (zoals bijvoorbeeld koper, lood of zink) die een verontreiniging van het oppervlaktewater kunnen veroorzaken; • Chemische onkruidbestrijdingsmiddelen; • Verduurzaamd hout als oeverbeschoeiing; • Stoffen, bijvoorbeeld schoonmaakmiddelen (ook milieuvriendelijke), niet zonder meer rechtstreeks in oppervlaktewater te lozen. Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 51 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

4.13.3.5 Riolering Uitgangspunten • Aantal gebruikers school: • Aanwezig: • Inwonersequivalent: • VWA per gebruiker: • Piekafvoer: • Totaal afvoer: • Totaal piekafvoer:

110 (96 leerlingen en personeel) 5 dagen per week, 12 uur per dag 40 (35% van permanente bewoning) aanname 60 liter (50% van permanente bewoning) aanname 6 liter/uur per gebruiker (50% van permanente bewoning) 2,4 m³ per dag 240 liter/uur (0,07 l/s)

Een kunststofleiding met een diameter van 160 mm en een verhang van 1:200 heeft een afvoercapaciteit van 15,8 l/s bij een half gevulde buis. Voor het vuilwaterriool in het besluitgebied volstaat een leidingdiameter van 160 mm dus ruimschoots. Aansluiting op bestaand riool In de Sportweg ligt een gemengd riool met een diameter van 160 mm. In overleg met de gemeente Deventer moet worden nagegaan: • of dit riool voldoende capaciteit heeft om ook het vuilwater van het plangebied te kunnen afvoeren; • waar, op welke wijze en onder welke ontwerpuitgangspunten het VWA-riool van deelgebied ZW op het riool in de Sportweg kan worden aangesloten (of dit onder vrij verval kan en of een pompgemaal nodig is). Bij het opstellen van het definitieve stedenbouwkundig plan zal het rioolplan met exacte dieptes nader moeten worden uitgewerkt.

4.13.4 Conclusie

Met inachtneming van voornoemde wordt geconcludeerd dat het aspect ‘water’ geen belemmering vormt voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van het omgevingsplan. In het kader van het vooroverleg wordt het plan voorgelegd aan waterschap Drents Overijsselse Delta.

4.14 Duurzaamheid Het huidige schoolgebouw van de basisschool Sancta Maria niet meer de huidige bouwkundige, gezondheids- en duurzaamheidseisen die hieraan worden gesteld. De bouw van een nieuw kindcentrum biedt de mogelijkheid om een gebouw te ontwerpen dat aan de laatste eisen voor duurzaamheid voldoet, in elk geval wat betreft energiegebruik en -opwekking. De sloop van de huidige schoolgebouwen biedt de mogelijkheid om nieuwbouw te realiseren met een andere functie. Ook deze nieuwbouw moet voldoen aan de laatste eisen voor energiegebruik en -opwekking. In het ontwerp voor het nieuwe schoolgebied dienen natuurinclusieve maatregelen genomen te worden. Het gaat bijvoorbeeld om het opnemen van kasten voor vleermuis, huismussen en gierzwaluwen in het gebouw. Hiermee kan worden voldaan aan de eisen voor Natuurinclusief bouwen. De herinrichting van het terrein rondom de school biedt verder de mogelijkheid voor het realiseren van een duurzaam watersysteem. Hierin wordt de afvoer van hemelwater en vuilwater gescheiden, waarbij het hemelwater zo veel mogelijk in het gebied rondom de school wordt geïnfiltreerd.

4.15 Gezondheid 4.15.1 Beoordelingskader

De gezondheid van de mens wordt bepaald door verschillende factoren, waaronder erfelijkheid, leefstijl, toegang tot de gezondheidszorg en de sociale en fysieke leefomgeving. Bij het bieden van bescherming gaat het om bescherming tegen invloeden vanuit het milieu, zoals geluid en luchtverontreiniging, maar ook tegen ziekteverwekkers uit de veeteelt, elektromagnetische straling en de gevolgen van klimaatverandering. Dit krijgt in het omgevingsplan onder meer vorm door te voorzien in een scheiding tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies (milieuzonering) en het stellen van regels voor activiteiten over Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 52 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

aspecten als geur, geluid, luchtkwaliteit, trillingen, bodemkwaliteit en hittebestendigheid/verkoeling. Op (een aantal van) deze aspecten is ingegaan in de voorgaande paragrafen van deze motivering. Bij het bevorderen van gezondheid en faciliteren van een gezondere leefstijl gaat het om een aantrekkelijke en veilige inrichting en om maatregelen die bijdragen aan een gezondere leefstijl. Het gaat dan om mogelijkheden tot bewegen, spelen, sporten en ontspanning en om de aanwezigheid van dagelijkse voorzieningen in de buurt. Maar ook om mogelijkheden van het maken van gezonde keuze als het gaat om voeding, ontmoeten, sociale veiligheid en verkeersveiligheid. Verder gaat het om gedragsbeïnvloedende maatregelen, zoals rookvrije openbare locaties. De fysieke omgeving kan op verschillende manieren positieve dan wel negatieve invloed hebben op de gezondheid van inwoners. Daarom wordt de invloed van het initiatief op gezondheid van gebruikers en de directe omgeving (naast de verschillende onderdelen) ook in totaliteit bekeken en afgewogen. Een negatief effect op gezondheid vanuit één aspect wordt niet automatisch gecompenseerd door een positief effect op een ander aspect. Dit hangt van de situatie en de betrokken aspecten af.

4.15.2 Motivatie Van binnen naar buiten Voorgenomen ontwikkeling omvat de verplaatsing van de basisschool vanuit de dorpskern naar het sportpark aan de noordzijde van het dorp. Hiermee wordt in de dorpskern ruimte gecreëerd voor bijvoorbeeld woningbouw en wordt de basisschool gerealiseerd nabij de sportvoorzieningen. In voorgaande paragrafen is onderzocht welke effecten het initiatief ondervindt van aspecten met betrekking tot een gezonde leefomgeving, zoals bodemkwaliteit, geluid en luchtkwaliteit. Uit de afweging voor deze aspecten blijkt dat geen van deze thema’s zorgt voor een verslechtering van een evenwichtige toedeling van functies. Van buiten naar binnen Binnen een straal van 2 km rondom het besluitgebied bevinden zich twee geitenhouderijen. Het betreft een bedrijf aan de Oostermaatsdijk 7 op een afstand van ruim 1,6 kilometer tot het besluitgebied en het bedrijf aan de Bathmenseweg 53 op een afstand van circa 1,25 kilometer tot het besluitgebied. Door de aanwezigheid van genoemde geitenhouderijen is de GGD IJsselland om advies gevraagd. Op 13 juli 2023 heeft de GGD IJsselland per mail een advies uitgebracht over het vestigen van een onderwijsinstelling op de beoogde locatie. Hieronder is het advies van de GGD opgenomen. Het advies is ook als bijlage 15 bij deze ruimtelijk motivering opgenomen.

Gezondheidsrisico’s geitenhouderij • Het VGO-onderzoek laat een verband zien tussen het risico op longontsteking bij omwonenden en de afstand tot een geitenhouderij. De GGD adviseert daarom uit voorzorg twee kilometer afstand aan te houden tussen een geitenhouderij en een gevoelige bestemming (waaronder kinderopvang). • Zonder invloed van veehouderij is het risico op longontsteking ongeveer 1,4% per persoon per jaar (1.400 gevallen per 100.000 inwoners). Bij een geitenhouderij neemt dit risico toe naarmate men dichter bij het bedrijf woont. Op een afstand van 500 meter is het risico op longontsteking 70% hoger dan de baseline (1,4 %). De bijlage geeft een grafische weergave hiervan. Daaruit is tevens af te leiden dat het extra risico op longontsteking vanaf 500 m tot de geitenhouderij snel afneemt. • Voor elke extra geitenhouderij binnen het beoordeelde gebied neemt het berekende risico toe. Op dit moment is niet aan te geven met hoeveel. De gebruikte analysemethode in het VGO (Onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden) houdt wel rekening met ‘ophoping’ (cumulatie) van bedrijven. In de analyse is een globaal verband aangenomen tussen het risico op longontsteking en het aantal bedrijven in de buurt. Dit verband moet verder worden onderzocht om deze vraag te kunnen beantwoorden.

• Longontsteking is extra risicovol voor kinderen (tot 4 jaar), senioren van >70 jaar en mensen met een zwakke gezondheid. Gezondheidsrisico’s melkveehouderij • Voor een melkveehouderij gaan wij uit van een minimale afstand van 100 meter tot een gevoelige bestemming (waaronder een basisschool), uitgaande van onder meer hogere concentraties van fijnstof. Hier wordt in deze situatie aan voldaan.

Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 53 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

•

Wel kan geurhinder optreden, ook bij kinderen. Geurhinder kan leiden tot verstoring van gedrag en activiteiten, en stressgerelateerde gezondheidseffecten zoals hoofdpijn, misselijkheid en benauwdheid. De GGD adviseert om geurconcentraties zo laag mogelijk te houden en maximaal 5 OUE/m3.

Advies op basis van overwegingen veehouderij • De GGD heeft vanuit het perspectief van ‘gezondheidsrisico’s als gevolg van omliggende veehouderijen’ geen bezwaar tegen deze eventuele verplaatsing, omdat: o de geitenhouderijen ook in de huidige situatie binnen 2 km van de basisschool liggen; o de verandering in afstanden relatief klein is; o de GGD geen risico’s per meter afstand kunnen voorspellen; o de geitenhouderijen op meer dan 1000 meter van de nieuwe locatie liggen en het extra risico op longontsteking vanaf 500 meter snel afneemt. Uit het bovenstaande blijkt dat de GGD IJsselland geen bezwaar heeft tegen het vestigen van de onderwijsinstelling op de locatie.

4.15.3 Conclusie

Het aspect 'gezondheid' vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van het omgevingsplan.

4.16 Ontplofbare Oorlogsresten 4.16.1 Beoordelingskader

In delen van de gemeente Deventer is nog steeds de kans aanwezig op het aantreffen van niet gesprongen explosieven (officiële term tegenwoordig: Ontplofbare Oorlogsresten). In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de afwegingen omtrent het stellen van regels aan activiteiten, is het wenselijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven in het besluitgebied waarop deze omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit betrekking heeft.

4.16.2 Motivatie

Om te bepalen of de locaties van de beoogde basisschool en het kunstgrasveld verdacht zijn op Ontplofbare Oorlogsresten heeft de gemeente Deventer bij het opstellen van het archeologisch onderzoek, welke als bijlage 1 bij deze onderbouwing is opgenomen, de gemeentelijke Munitierisico-kaart geraadpleegd. Het terrein is gekarteerd als ‘onverdacht’. Daaruit blijkt dat het terrein geen verhoogde risico’s gelden voor het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten.

4.16.3 Conclusie

Het aspect 'ontplofbare oorlogsresten’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van het omgevingsplan.

4.17 Conclusie aspecten fysieke leefomgeving De milieu- en omgevingsaspecten vormen geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van het omgevingsplan.

Projectcode: P06177 Versie: Definitief

Pagina 54 van 61

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘Basisschool Lettele’ GOEDE ONDERBOUWING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

5 Participatie 5.1

Verplichte participatie

In de Omgevingswet is geregeld dat participatie een verplicht onderdeel is voor de vergunningverlening. De gemeente Deventer vindt het meedenken, meepraten en meedoen van inwoners, ondernemers en organisaties belangrijk bij besluitvorming en heeft om die reden participatiebeleid vastgesteld. Het bestuur kan die overwegingen dan zo goed mogelijk meewegen bij de besluitvorming. Voor externe partijen is voorzien in een ‘Wegwijzer participatie’. Participatie is altijd maatwerk en betekent bewust stilstaan bij de participatieladder: • Welke ruimte is er voor invloed? • Welke belangen hebben inwoners bij het project of de beleidsontwikkeling? • Hoeveel tijd, geld, capaciteit en expertise is beschikbaar? • Stemt college en/of raad in met het voorgestelde participatieniveau (trede op de participatieladder)? • Hoe verhoudt dit participatietraject zich tot andere lopende of toekomstige participatietrajecten? Op basis van artikel 16.55 van de Omgevingswet heeft de gemeenteraad van Deventer een lijst opgesteld met gevallen waarvoor participatie verplicht is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15076787/1