CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-68 Toelichting bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijversweg 2

Hamerraad 6 maart 2024, gemeente DeventerBij agendapunt: Bestemmingsplan Manegelocatie en Schrijversweg 230.903 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

52

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijver sweg 2

Geconcludeerd wordt dat er ter plaatse van de woning en het kindcentrum sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, aangaande het aspect wegverkeerslawaai. Daarnaast wordt er aan de westzijde van het plangebied, langs de Douweler Leide een weg gepland. Dit betreft een ontsluitingsweg naar een beoogde nieuwe woonwijk ten noorden van het plangebied. Ook hiervoor is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de conclusies: De geluidbelasting ten gevolge van de ontsluitingsweg (50 km/uur deel) bedraagt, inclusief 5 dB reductie, hoogstens 48 dB ter plaatse van de woning op toetspunt 14. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB. De geluidbelasting van de ontsluitingsweg (30 km/uur deel) bedraagt, inclusief 5 dB reductie, hoogstens 44 dB. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB. Dit betekent dat het realiseren het kindcentrum en de woning geen beperking vormt voor de realisatie van een ontsluitingsweg direct langs de kavel aangezien het woon- en leefklimaat aanvaardbaar blijft.

4.2.3.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het plan.

4.2.4

Bodem

4.2.4.1 Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

4.2.4.2 Situatie plangebied Schrijversweg 2, Deventer In dit geval is sprake van nieuwe verblijfsfuncties (nieuwe wooneenheden binnen de bestaande woning), en een functiewijziging van een bestaande woning en zijn de daken van de voormalige bedrijfsgebouwen asbestverdacht. Ook hebben op de planlocatie eerder bedrijfsmatige en bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden en is daarmee ook sprake van een potentieel verdachte locatie voor bodemverontreiniging. Daarom is er een bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder worden de resultaten kort besproken. Het volledige rapport is als Bijlage 6 toegevoegd. Verk ennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Gehele locatie In het bovengrondmengmonster BM1 zijn lichte verhogingen PCB en PAK aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM2 is een lichte verhoging PCB aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM3 is een lichte verhoging lood aangetroffen. In de

53

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijversweg 2

ondergrondmengmonsters OM1 en OM2 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb7wm1 zijn lichte verhogingen benzeen en minerale olie aangetroffen. Voormalige dieseltanks In het bovengrondmengmonster BM4 is een lichte verhoging minerale olie aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn geen verhogingen aangetroffen. Voormalige bestrijdingsmiddelenopslag In het bovengrondmengmonster BM5 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb4wm1 is een lichte verhoging minerale olie aangetroffen. Verk ennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Over de gehele onderzoekslocatie zijn meerdere asbestverdachte materialen waargenomen. Tevens is ter plaatse van de verharding van puin asbestverdacht materiaal waargenomen. Op de locatie liggen meerdere depots met ongedefinieerd puin. In deze depots zijn meerdere (grote) asbestverdachte materialen aangetroffen. Geadviseerd word om het aanwezige asbest op het maaiveld, middels handpicking te verwijderen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters MM2 en MM3 is analytisch geen asbest aangetoond. Het totale gewogen asbestgehalte in inspectiegat 8 (grond en plaatmateriaal) is hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.

De totale gewogen asbestgehalten in inspectiegaten 9 en 22 (grond en plaatmateriaal) is hoger dan de interventiewaarde (100 mg/kg ds). Formeel dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de ernst en omvang van de verontreiniging ter plaatse van de inspectiegaten 8, 9 en 22. De puinlaag dient formeel te worden onderzocht conform de NEN5897. Nader onderzoek Er is nader asbest bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" & NEN5897 "asbest in puin" uitgevoerd. Ten behoeve van het nader asbestonderzoek ter plaatse van de aangetroffen verontreiniging zijn 13 inspectiesleuven en één inspectiegat gegraven voor de horizontale en verticale afperking. De onderzoeksopzet is vooraf besproken met omgevingsdienst IJsselland. De omvang van de verontreiniging ter plaatse van het "erf" is in voldoende mate in kaart gebracht. Op basis van zintuiglijke waarnemingen en de uitgevoerde analyses kan gesteld worden dat het erf licht tot sterk verontreinigd is met asbest. De verontreiniging wordt grotendeels veroorzaakt door de aangetroffen asbesthoudende materialen (>20mm). Voor de verticale afperking zijn de inspectiesleuven doorgegraven tot maximaal 1,00 m-mv. Hiervan zijn drie (meng)monsters samengesteld. In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond. De diepte van de verontreiniging varieert van 0,30 m-mv tot 0,70 m-mv.

De totale omvang van de verontreiniging op het erf bedraagt circa 2240 m2 x een gemiddelde diepte van 0,5m = 1120 m3. Puinverharding Ter plaatse van de puinverharding zijn vier inspectiegaten gegraven. In deze inspectiegaten zijn matig tot sterke hoeveelheden asbestverdacht materiaal aangetroffen. De puinverharding kan op basis

54

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijver sweg 2

van zintuiglijke waarnemingen als verontreinigd worden beschouwd. De diepte van de puinverharding is vastgesteld op circa 0,70 m-mv. De omvang van de verontreiniging met asbest in puin kan worden geschat op een oppervlakte van 135 m2 x 0,7m = 95 m3. Als een laag meer dan 50% bodemvreemd materiaal bevat, is de Wbb niet van toepassing. Dit betekent dat voor het ontgraven van een dergelijke puinverharding geen saneringsplan hoeft worden opgesteld. Een asbestweg moet worden gemeld bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Druppelzone In het mengmonster DZ1 is analytisch geen asbest aangetoond. Op het maaiveld (onder bossage) liggen grote hoeveelheden asbestverdacht materiaal. Conclusie De sterke verontreinigingen mogen voor sanering niet worden geroerd als gevolgd van sloop- en grondwerkzaamheden. Sanering is noodzakelijk om de locatie geschikt te maken voor huidig en toekomstig gebruik (wonen met tuin). Voorafgaand aan de sanering dient een BUS-melding te worden opgesteld, dat door het bevoegd gezag dient te zijn goedgekeurd. Het verrichten van bodemsaneringen mag alleen door erkende bedrijven worden uitgevoerd. Er dient rekening te worden gehouden met eventuele asbestnesten tijdens (graaf)werkzaamheden. Het is mogelijk dat er meerdere asbestnesten in de bodem voorkomen. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om de bodemsanering te waarborgen.

Manegelocatie Oerdijk In voorliggend geval dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd om planologisch gezien een woning en een kindcentrum toe te voegen. Het is daarom van belang om vast te stellen of de bodemkwaliteit past bij de gewenste functie (wonen, bedrijfsactiviteiten, waarbij men langer dan twee uur verblijft). Op de locatie is een manege aanwezig geweest. Ten tijde van de sloop van deze manege zijn meerdere bodemonderzoeken geweest. Het meest recente bodemonderzoek (2016) is als Bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd. Op de locatie was sprake van meerdere verontreinigingen: Olieverontreiniging in boring 63: De omvang van de verontreiniging bedraagt circa 40 m3 (50 m2 x 0,8 m1), waarvan circa 20 m3 met gehalten > I-waarde. In het grondwater is maximaal een matig verhoogd gehalte aan olie aangetoond; Metalen-/olieverontreiniging in de toplaag van rijhal 2: De omvang van de verontreiniging bedraagt circa 300 m3 (750 m2 x 0,4 m1) met gehalten > I-waarde; bouw- en sloopafval onder rijhal 1: in deze bodemlaag zijn, van de geanalyseerde parameters, maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. Het gewogen gehalte aan asbest bedraagt 5 mg/kg d.s.. Op het overige terrein zijn geen tot licht verhoogde gehalten aangetoond in de vaste bodem en in het grondwater. Visueel is geen asbest waargenomen op of in de bodem/puin. Analytisch is maximaal 5 mg/kg d.s.

aan asbest aangetoond. Het maximaal gewogen gehalte aan asbest overschrijdt de bepalingsgrens, maar blijft ruim beneden de interventiewaarde voor asbest in grond/puin (50 mg/kg d.s.). De aangetoonde olieverontreiniging is beperkt van omvang. Het betreft geen geval van ernstige bodemverontreiniging. De aangetoonde verontreiniging in de toplaag van rijhal 1, betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het aanwezige bouw- en sloopafval betreft geen geval van ernstige bodemverontreiniging (niet zijnde bodem) en bevat geen I-waarde overschrijdingen. Derhalve bestaat geen directe saneringsnoodzaak.

55

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijversweg 2

Wij adviseren de olieverontreiniging, ter plaatse van de voormalige HBO-tank en de toplaag uit rijhal 1, onder milieukundige begeleiding te verwijderen en af te voeren naar een erkend verwerker. Voorafgaand aan de sanering dient een saneringsplan te worden uitgewerkt, welke ter goedkeuring moet worden ingediend bij het bevoegd gezag. Aan de hand van dit bodemonderzoek is er een asbestinventarisatie (2018) uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn in Bijlage 8 weergegeven. Op basis van resultaten van de uitgevoerde werkzaamheden (onderzoek ter plaatse, analyse van de genomen monsters e.d.) kan worden geconcludeerd, dat er asbesthoudende toepassingen in de geïnventariseerde opstallen aanwezig zijn. Gezien de visuele inspectie en de bemonsterde materialen is er een redelijk vermoeden tot niet direct waarneembaar asbesthoudend materiaal. Aan de hand van de asbestinventarisatie hebben er saneringswerkzaamheden (2019) plaatsgevonden. Op de locatie zijn ter plaatse van de rijbak en voormalige tank verontreinigingen aangetroffen. De verontreinigingen zijn gesaneerd. Doel van de sanering was de verontreiniging ter plaatse van de rijhal volledig te verwijderen. Ter plaatse van de oliespot is het doel de verontreiniging voor zover recelijkerwijs en civieltechnisch mogelijk te verwijderen.

Tijdens de sanering is een tweede onvoorziene olieverontreiniging (spot 2) in de grond (omvang circa 10 m3), ten noordoosten van rijhal 2 gesaneerd. De onverwacht aangetroffen olieverontreiniging is, na instemming door de Omgevingsdienst IJsselland, middels ontgraving verwijderd. Hierbij is ontgraven tot een diepte van 2,0 m-mv. Tijdens het verwijderen van een pad is een stortgat met afval, puin en teer aangetroffen. Het stortgat is eveneens ontgraven en vervolgens afgevoerd naar een erkend verwerker. In de eindcontrolemonsters van de ontgravingen zijn geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden. De werkzaamheden zijn uitgevoerd volgens het plan van aanpak en de gemelde wijzigingen. De saneringsdoelstellingen zijn behaald. Met de saneringsresultaten is ingestemd door de omgevingsdienst IJsselland (6 juni 2019, kenmerk Z2019-00006649). Op basis van de resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoeken en sanering is de locatie geschikt voor het toekomstige gebruik. Voor nieuwbouw op de locatie geldt dat een onderzoek een maximale actualiteit heeft van 5 jaar. Dit betekent dat ter plaatse van de nieuwbouw van de gebouwen met verblijfsfunctie voor mensen een actueel verkennend bodemonderzoek (NEN5740) nodig is.

Gelet op de resultaten van de eerder uitgevoerde onderzoeken en sanering en de op de locatie uitgevoerde activiteiten is het in eerste instantie voldoende om de kwaliteit van de contactzone (bovengrond) vast te stellen. In het kader van dit bestemmingsplan is geen nader bodemonderzoek nodig, maar wel voor het aanvragen van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

4.2.4.3 Conclusie Op de locatie aan de Schrijversweg 2 dient bodemsanering plaats te vinden. Verder wordt geconcludeerd dat het milieuaspect 'bodem' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkelingen.

56

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijver sweg 2

4.2.5

Luchtkwaliteit

4.2.5.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.

57

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijversweg 2

4.2.5.2 Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van voorliggende ruimtelijke ontwikkelingen, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in de vorige paragraaf ('Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen') kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. In de directe omgeving zijn geen industriële of agrarische emissiebronnen van betekenis op planlocatie. Op de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu zijn op schaal van vierkante km vakken de gemiddelde achtergrondconcentraties aangegeven van diverse luchtverontreinigende stoffen. Uit deze kaart blijkt dat in het km2 vak waarin het plan ligt de achtergrond concentratie Stikstofdioxide (NO2) en fijnstof PM10 en PM2,5 ruim voldoen aan grenswaarden van de wet milieubeheer. Aan de WHO-advieswaarde wordt voor PM2,5 niet voldaan.

Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.

4.2.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

58

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijver sweg 2

4.2.6

Externe veiligheid

4.2.6.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

4.2.6.2 Situatie plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Hierna wordt per deelgebied ingegaan op het onderdeel 'externe veiligheid'.

Schrijversweg 2, Deventer Hieronder volgt een uitsnede van de risicokaart waarbij het plangebied met blauw is omcirkeld.

59

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijversweg 2

Afbeelding 4.1 Uitsnede risicok aart Schrijversweg 2 (Bron: Atlas Leefomgeving)

Inrichting Het voorgenomen plan ligt niet in het invloedsgebied van een in de nabijheid gelegen risicobedrijf. Toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is niet noodzakelijk. Transportroutes Ten noorden, op circa 188 meter, ligt de rijksweg A1 tussen afrit 24 (Deventer Oost) - afrit 26 (Lochem). Dit is een basisnetroute waar gevaarlijke stoffen over vervoerd worden. Het toetsingskader voor de daaruit voortvloeiende risico's is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Besluit). Het Besluit bepaalt dat binnen een zone van 200 meter vanaf het spoor het 10-6 plaatsgebonden risicocontour (PR) en groepsrisico (GR) wordt onderzocht bij ruimtelijke planvorming. Dit hangt wel af van de te volgen ruimtelijke procedure. Binnen de zone van 200 meter liggen 2 wooneenheden. De derde wooneenheid die in het zuidelijk deel van de boerderij wordt gevestigd ligt net buiten de 200 meter zone van de A1. De Rijksweg A1 is opgenomen in de regeling basisnet. In de regeling is voor deze route tussen afrit 24 (Deventer Oost) afrit 26 (Lochem) een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) van 12 meter en plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter vastgesteld. De voorgenomen ontwikkeling ligt niet binnen deze contouren.

60

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijver sweg 2

Wel ligt de ontwikkeling voor een deel binnen de 200 meter van de A1. Op grond van artikel 8 van het BTEV dient dan het groepsrisico te worden berekend en verantwoord. Alvorens een berekening met het rekenprogramma RBM II uit te voeren mag eerst gebruik worden gemaakt van de vuistregels uit de Handleiding risico analyse transport (HART). In de regeling basisnet is aangegeven dat voor het bepalen van de hoogte van het groepsrisico alleen hoeft te worden gekeken naar de vervoerstromen met de stofgroep GF3 (propaan, LPG, enz.). Over de A1 tussen afrit 24 (Deventer Oost) - afrit 26 (Lochem) gaan maximaal 4000 vervoersbewegingen met stofgroep GF3. De omgeving van de Schrijversweg 2 te Deventer is te typeren als buitengebied met een dichtheid van 1 persoon per hectare. Uitgaande van een tweezijdige bebouwing en een autosnelweg waar 100 km of meer gereden mag worden zijn ruim 49.000 vervoersbewegingen met stofgroep GF3 nodig om een overschrijding van 10% van de oriënterende waarde van het groepsrisico te krijgen. Een overschrijding van de oriënterende waarde van groepsrisico ontstaat pas bij ruim 490.000 vervoersbewegingen met stofgroep GF3. Deze hoeveelheden worden niet gehaald.

Gezien er geen overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico of 10% van deze waarde plaatsvindt is op grond van artikel 8 lid 2 onder a van BTEV geen verdere verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Omdat de ontwikkeling wel binnen het invloedsgebied (355 meter voor stofgroep GF3) is gelegen moet de veiligheidsregio op grond van artikel 7 van het BTEV om advies worden gevraagd. Buisleidingen Het voorgenomen plan ligt niet in het invloedsgebied van een in de nabijheid gelegen hoge druk aardgasbuisleiding. Toetsing aan het Besluit externe buisleidingen (BEVB) is niet noodzakelijk. Externe veiligheidsbeleid De ontwikkeling is getoetst aan het vastgestelde externe veiligheidsbeleid van de gemeente Deventer. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de ambitie van het beleid. Advies Veiligheidsregio IJsselland De Veiligheidsregio IJsseland heeft advies uitgebracht over de ontwikkeling aan de Schrijversweg 2. De locatie beschikt over een vluchtroute van de risicobron af. De toekomstige gebruikers worden geïnformeerd over de risico's. Verder is het advies o.a. om gevels en dak brandwerend en praktisch onbrandbaar uit te voeren. Dit advies wordt overgenomen voor zover dit te verenigen is met het herstel, behoud en verbetering van de karakteristieke waarden van de boerderij.

Gezien het aantal extra woningen dat op deze locatie mogelijk wordt gemaakt wordt het niet nodig geacht om de adviezen van de Veiligheidsregio onverkort over te nemen, als dat tot gevolg zou hebben dat de karakteristieke waarden van de boerderij zouden worden aangetast. Conclusie Externe veiligheid vormt naar verwachting geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. Manegelocatie Oerdijk Hieronder volgt een uitsnede van de risicokaart waarbij het plangebied met blauw is omcirkeld.

61

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijversweg 2

Afbeelding 4.2 Uitsnede risicok aart Manegelocatie Oerdijk (Bron: Atlas Leefomgeving)

Plaatsgebonden risico Het plangebied is niet gelegen binnen de aan te houden afstand voor het plaatsgebonden risico (PR-10) van inrichtingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), aangewezen transportroute voor gevaarlijke stoffen onder het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) of buisleidingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Groepsrisico Het plangebied ligt niet in invloedgebied van een BEVI inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding. Een verantwoording van het groepsrisico is niet nodig Advies Veiligheidsregio IJsselland In beginsel is voor plannen met (beperkt-) kwetsbare gebouwen die gelegen zijn buiten een aangewezen invloedgebied van een risicobron (BEVI, transportroute of buisleiding) geen advies nodig van de Veiligheidsregio. Het plan ligt hier echter wel net buiten het invloedgebied van een buisleiding. Ook buiten invloedgebied kan bij een calamiteit bij verblijf buiten een gebouw door hittestraling nog (letsel-)schade ontstaan. Het kindcentrum voorziet ook in een vrij kwetsbare minder zelfredzame doelgroep. In dit geval is van belang gezien deze kwetsbaarheid en ligging net buiten invloed gebied wel

62

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijver sweg 2

een advies op te vragen bij de Veiligheidsregio IJsselland. De Veiligheidsregio adviseert omtrent maatregelen risicopreventie, zelfredzaamheid, risicocommunicatie, vluchtroutes en bereikbaarheid voor de hulpdiensten. De Veiligheidsregio heeft advies uitgebracht. Er wordt geadviseerd om ervoor te zorgen dat de woning en het kindcentrum beide een vluchtroute hebben die van de hogedruk aardgasleiding af is gericht. Wanneer de woning en het kindcentrum worden uitgevoerd conform het erfinrichtingsplan zoals dan wordt hier aan voldaan. Verder worden de toekomstige gebruikers geïnformeerd over de risico's. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het mogelijk maken van een kindcentrum en een woning.

4.2.6.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.2.7

Ecologie

4.2.7.1 Algemeen Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

4.2.7.2 Gebiedsbescherming 4.2.7.2.1

Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. In onderstaande tabel is per deelgebied de afstand tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied aangegeven. Deelgebied Schrijversweg 2, Deventer Manegelocatie Oerdijk

Afstand tot Natura 2000 4,3 kilometer van 'Rijntakken' 3,7 kilometer van 'Rijntakken'

Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, dan wel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de

63

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijversweg 2

instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is van directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen het Natura 2000-gebieden. Er is voor beide locatie een stikstofonderzoek (AERIUS-berekening) uitgevoerd. De onderzoeken zijn opgenomen in respectievelijk Bijlage 9 en Bijlage 10. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de aanlegfase en de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkelingen geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De Schrijversweg 2 ligt op circa 400 meter van gronden die zijn aangewezen als NNN. De manegelocatie aan de Oerdijk ligt op circa 1,192 kilometer afstand van NNN. Onder meer gezien de afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

4.2.7.3 Soortenbescherming Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Provincie Overijssel beschikt daarnaast over eigen natuurbeleid, onder andere in de vorm van de 'Beleidsregel Natuur Overijssel 2017'. In bepaalde situaties mogen verboden uit de Wet natuurbescherming worden overtreden, maar daarvoor is dan wel een vrijstelling of een ontheffing nodig. De provincie regelt in de meeste gevallen deze vrijstellingen of ontheffingen. Via het onderdeel soortenbescherming in de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt de provincie plant- en diersoorten die in het wild voorkomen. Alle vogels en ruim 230 plant- en diersoorten vallen onder de bescherming van deze wet, met als doel de biodiversiteit te bevorderen. In de wet is een aantal verboden opgenomen. Het is bijvoorbeeld verboden om beschermde dieren opzettelijk te doden,

64

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijver sweg 2

te verstoren of te verjagen of om voortplantingsplaatsen en rustplaatsen te beschadigen en vernielen.

Situatie plangebied Schrijversweg 2 In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door BJZ.nu een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De quickscan flora en fauna is opgenomen in Bijlage 11. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Vogels Als gevolg van de beoogde ingrepen (slopen van de schuren/stallen) wordt mogelijk een jaarrond beschermd nest of een beschermde rustplaats van vermoedelijk de kerkuil en de huismus vernield, verstoord of in functie belemmerd. Nader onderzoek moet uitwijzen of er een nest binnen het plangebied gevestigd is en wat de effecten van de werkzaamheden zijn op de leefomgeving van de kerkuil. Van de overige in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Buiten het nader onderzoek naar de kerkuil dienen werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren, vernielen en/of beschadigen van bezette vogelnesten als slopen en het rooien van vegetatie buiten het broedseizoen van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd en/of vernield worden.

Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Het (opzettelijk) doden van een vogel is te allen tijde verboden. Huismus Door Ecofect B.V. is een nader onderzoek uitgevoerd naar de huismus. Het rapport is opgenomen als Bijlage 12. Hier worden de belangrijkste resultaten genoemd. Tijdens twee veldbezoeken is het plangebied beoordeeld op de aanwezigheid van de huismus. Tijdens de veldbezoeken is de huismus niet aangetroffen. Het plangebied is functioneel niet in gebruik. Geconcludeerd kan worden dat er geen schadelijke effecten zijn op de functionaliteit van het leefgebied van de huismus en er is geen effect is op de gunstige staat van instandhouding. Er zijn geen te nemen verplichte maatregelen ten gunste van de huismus. Kerkuil Door Ecofect B.V. is een nader onderzoek uitgevoerd naar de kerkuil. Het rapport is opgenomen als Bijlage 13. Hier worden de belangrijkste resultaten genoemd. Er zijn vier nachtelijke veldbezoeken uitgevoerd en is gelet op de aan- of afwezigheid van de kerkuil of sporen (braakballen/veren). Tijdens deze veldbezoeken is vastgesteld en vastgelegd dat er geen kerkuilen of sporen aanwezig waren of een bezet nest. Er is vastgesteld dat de kerkuil geen gebruik maakt van het plangebied.

De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden vanwege de afwezigheid van een vaste rust- of verblijfplaats. Ook blijft (essentieel) foerageergebied intact. Er dient geen ontheffing aangevraagd te worden bij de Provincie om de kerkuil te mogen verstoren en verhuizen. Grondgebonden zoogdieren Als gevolg van de beoogde werkzaamheden (sloop, ontruimen van het erf en rooien van vegetatie) wordt mogelijk een egel of kleine marterachtige of steenmarter gedood en wordt mogelijk een vaste rust- of

65

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijversweg 2

verblijfplaats van voorgenoemde soorten vernield/verstoord of in functie belemmerd. Er is daarom door Ecofect B.V. nader onderzoek uitgevoerd naar kleine marterachtigen. Het rapport is opgenomen als Bijlage 14. Hier worden de belangrijkste resultaten genoemd. Door middel van cameravallen is er onderzoek uitgevoerd op locaties die vrij zijn van menselijke activiteit en in potentie geschikt zijn als (migratie)route voor kleine marterachtigen. De wildcamera's zijn op twee locaties geplaatst. Er zijn waarnemingen gedaan van een kat, (spits)muizen, koolmees, roodborst en diverse insecten. Er zijn geen marterachtigen op beeld vastgelegd. Het bureau-onderzoek, habitatgeschiktheidsonderzoek en de cameravallen geven geen aanleiding om aan te nemen dat de kleine marterachtigen gebruik maken van de planlocatie. Ook de waarneming van de huiskat maakt het leefgebied suboptimaal. De Wet natuurbescherming wordt betreffende de steenmarter en kleine marterachtigen niet overtreden. Vleermuizen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en wordt mogelijk een vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming beschadigd en vernield worden.

Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in beeld te krijgen is door Ecofect B.V. nader onderzoek naar verblijfsfuncties van gebouwbewonende vleermuizen uitgevoerd. Het rapport is opgenomen als Bijlage 15. Hier worden de belangrijkste resultaten genoemd. Het onderzoek is uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2021. Tijdens de diverse veldbezoeken zijn er geen verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes dan wel zwermlocaties van vleermuizen aangetroffen in en nabij de (te slopen) bebouwing. Er zijn tevens geen paarroepjes en baltsgedrag waargenomen. Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute. Het plangebied wordt in de toekomstige situatie niet veranderd waardoor er geen essentiële lijnelementen verloren gaan. Verder gaan er geen verblijfplaatsen of essentiële functies verloren door of tijdens de geplande ingreep. Ten slotte zijn vliegroutes, waarbij een met een zekere regelmaat vleermuizen passeren, niet aangetroffen. De Wet natuurbescherming wordt betreffende de vleermuis niet overtreden. Amfibieën Er wordt geadviseerd om een amfibieënscherm te plaatsen rond het gebied van de werkzaamheden om intreding en daarmee (opzettelijke) doding van rugstreeppadden te voorkomen.

Indien tijdens de uitvoer onverhoopt alsnog intreding plaatsvindt, dienen alle werkzaamheden die kunnen leiden tot (opzettelijke) doding stilgelegd te worden en dienen de aanwezige rustreeppadden door een kundige uitgevangen te worden. Overige soorten Er worden geen andere beschermde flora- of faunasoorten verwacht binnen het plangebied. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. Natuur inclusief bouwen Vanuit gemeentelijk beleid is het verplicht om natuurinclusieve maatregelen te nemen in het ontwerp van het plangebied. Hierbij dient voldaan te worden aan een puntensysteem met passende maatregelen. Voorbeelden van toepasbare maatregelen zijn het aanbrengen van een houtwal, bloemrijk grasland, rommelhoopjes en nestkasten. Hierbij is het zaak dat een kundige betrokken wordt in de juiste toepassing van verschillende maatregelen om de effectiviteit hiervan te waarborgen. Tot slot wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht

66

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijver sweg 2

moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Conclusie Naar aanleiding van de quickscan is er nader onderzoek uitgevoerd ten aanzien van de huismus, kerkuil, marterachtigen en vleermuis. In geen van de onderzoeken zijn er sporen aangetroffen van de betreffende diersoorten. Er kan worden geconcludeerd dat er met de ontwikkelingen geen sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming.

Manegelocatie Oerdijk In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door BJZ.nu een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De quickscan flora en fauna is opgenomen in Bijlage 16. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Vogels Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren, vernielen en/of beschadigen van bezette vogelnesten dienen daarom buiten het broedseizoen van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd en/of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Verder bevindt zich aan de oostkant van het bosje een Blauwe reigerkolonie. Gezien de nabijheid daarvan dienen eventuele kapwerkzaamheden ten gevolge van dit voorgenomen plan buiten het broedseizoen van de Blauwe reiger plaats te vinden. Het broedseizoen van de Blauwe reiger wijkt af van het gemiddelde broedseizoen en vindt plaats van februari tot en met mei.

Grondgebonden zoogdieren Er wordt geen beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Mits geen grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Hierbij is het noodzakelijk dat als er onverhoopt dieren aangetroffen worden tijdens de uitvoer van de beoogde werkzaamheden, deze de mogelijkheid krijgen elders een veilige plek te vinden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Vleermuizen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats, essentieel foerageergebied en essentiële vliegroute verstoord. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Reptielen Er wordt geen beschermd reptiel gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Er hoeft geen nader onderzoek

67

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijversweg 2

uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Overige soorten Er worden geen andere beschermde flora- of faunasoorten verwacht binnen het plangebied. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. Natuur inclusief bouwen Vanuit gemeentelijk beleid is het verplicht om natuurinclusieve maatregelen te nemen in het ontwerp van het plangebied. Hierbij dient voldaan te worden aan een puntensysteem met passende maatregelen. Voorbeelden van toepasbare maatregelen zijn het aanbrengen van een houtwal, bloemrijk grasland, rommelhoopjes en nestkasten. Hierbij is het zaak dat een kundige betrokken wordt in de juiste toepassing van verschillende maatregelen om de effectiviteit hiervan te waarborgen. Tot slot wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Conclusie Er hoeven geen nadere ecologische onderzoeken plaats te vinden. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het plan.

4.2.7.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor voorliggend plan.

4.2.8

Duurzaamheid en natuurinclusief bouwen

4.2.8.1 Algemeen Duurzaamheidthema's zoals energie- en waterbesparing, aandacht voor langzaam verkeer en groenvoorzieningen, zuinig grondstoffengebruik, efficiënt ruimtegebruik en duurzaam bouwen, zullen met name bij nieuwbouwplannen en herinrichting een belangrijke plaats toegekend krijgen. De gemeente Deventer heeft in 2019 de motie 'Natuurinclusief bouwen' aangenomen. Hiermee is het beleid van de gemeente om in een bestemmingsplan 'Natuur Inclusief Bouwen' als voorwaarde op te nemen. Voorbeelden van NIB-maatregelen bij gebouwen zijn: Het aanbrengen van nestkasten voor uilen, huismussen, zwaluwen en andere vogelsoorten, afgestemd op de vogelsoorten die op het erf en in de omgeving voorkomen; Het aanbrengen van vleermuiskasten (bij bestaande bebouwing) of vleermuisstenen (bij nieuwe bebouwing), afgestemd op de vleermuissoorten die op het erf en in de omgeving voorkomen; Voorbeelden van 'groene' NIB-maatregelen zijn: Het aanplanten van streekeigen (fruit)bomen, heggen en hagen; Het aanleggen van poelen;

68

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijver sweg 2

Het aanleggen van takkenrillen.

4.2.8.2 Situatie plangebied In de voorgenomen plannen is rekening gehouden met het aspect duurzaamheid, onder meer vanwege het feit dat: de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt op bestaande erven, waarbij onder andere voor de bestaande karakteristieke boerderij een nieuwe duurzame vervolgfunctie wordt gegeven (wonen); er tevens verharding en bebouwing wordt gesloopt (Schrijversweg 2). Hierdoor is per saldo sprake is van een afname van verharding; er geen uitlogende materialen worden gebruikt bij de bouw; de diverse nieuw te realiseren woningen conform het Bouwbesluit worden gebouwd en daarmee duurzaam(er) zijn; alle nieuwe woningen gasloos worden uitgevoerd; sprake zal zijn van efficiënt materiaalgebruik en afvalscheiding op de bouwplaats. Daarnaast wordt opgemerkt dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen ruimtelijke plannen zijn uitgewerkt, zie Bijlage 1 en Bijlage 2. Tot slot is door de ecoloog van de gemeente een puntenlijst opgesteld voor Natuur Inclusief Bouwen. Het standaard menu zal als voorwaardelijke verplichting voor de ontwikkelingen worden opgenomen. Er zijn minimaal 15 punten per woning en voor het kindcentrum benodigd.

4.2.8.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat in voorliggend plan voldoende aandacht is uitgegaan naar de aspecten 'duurzaamheid' en 'natuurinclusief bouwen'.

4.2.9

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.2.9.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan): Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3): Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4): Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie

69

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijversweg 2

van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. De voorgenomen ontwikkeling is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. In de D-lijst is de volgende activiteit opgenomen: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.

Het realiseren van woningen is in beginsel als een stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken, waardoor toetsing aan de drempelwaarden dient plaats te vinden. De drempelwaarden zijn ten aanzien van de hiervoor genoemde activiteit als volgt: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

4.2.9.2 Situatie plangebied Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat in het kader van de voorliggende plannen geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkelingen is het de vraag of er daadwerkelijk sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van de voorgenomen ontwikkelingen (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden.

Eén en ander is en wordt tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets.

70

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijver sweg 2

4.3

Leidingen en kabels In paragraaf 4.2.6 is reeds ingegaan op de in de nabijheid aanwezige ondergrondse aardgasleidingen, Verder bevinden zich in en nabij het plangebied geen andere ondergrondse en bovengrondse leidingen, waar bij het opstellen van dit bestemmingsplan rekening mee dient te worden gehouden.

4.4

Waterhuishouding

4.4.1

Vigerend beleid

4.4.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

4.4.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 (vastgesteld 18 maart 2022). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.

4.4.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

4.4.1.4 Waterschap Algemeen In voorliggend geval ligt de Schrijversweg 2 binnen het gebied van het waterschap Rijn en IJssel. Voor de manegelocatie aan de Oerdijk betreft dat het waterschap Drents Overijsselse Delta.

71

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijversweg 2

Waterschap Rijn en IJssel Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Het waterschap Rijn en IJssel heeft het waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma (WBP) 2022-2027. Het waterbeheerprogramma geeft vooral de koers aan voor de komende jaren. Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond. Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan.

Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. Het waterschap probeert niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen, het wil ook van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken.

Waterschap Drents Overijsselse Delta Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Kadernotitie Stedelijk Water. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De genoemde beleidsdocumenten kunnen worden ingezien op het hoofdkantoor van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ook zijn deze te raadplegen op de internetsite: www.wdodelta.nl. Op gemeentelijk niveau is het in overleg met het waterschap opgestelde gemeentelijk Waterplan en het (verbreed) gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van belang.

4.4.1.5 Gemeentelijk rioleringsplan 2022-2026 Algemeen Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2022-2026. Het GRP is een verplicht plan op basis van de Wet Milieubeheer. In zijn huidige vorm komt het GRP als verplicht plan te vervallen bij het ingaan van de Omgevingswet (1 januari 2024). Binnen Rivus, de samenwerking in de regio op het gebied van de afvalwaterketen en klimaatadaptatie, wordt gewerkt aan een nieuwe planvorm die gestalte moet krijgen onder de werking van de

72

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijver sweg 2

Omgevingswet. Door hier samen met onze 7 partnergemeenten in op te trekken kan een groot deel van dit RioleringsProgramma met een gezamenlijke inhoud worden opgesteld. Iedere gemeente heeft daarnaast natuurlijk zijn eigen invulling van dat programma naast het gezamenlijke deel. Waterbergingseis Op basis van het GRP geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen in beginsel een waterbergingseis. Dit wil zeggen dat er bij een toename van verharding een waterbergingsvoorziening moet worden gerealiseerd, met een volume in m³ afhankelijk van de toename aan verharding in m² (toename verharding in m² * 0,02 of 0,01 (afhankelijk van de situatie)). Conform het bouwbesluit moet hemelwater altijd gescheiden van het overig afvalwater worden aangeboden aan de perceelgrens. Daarnaast geldt in Deventer een bergingseis van 20 mm op eigen terrein. Het resterende water mag op de perceelsgrens worden aangeboden aan de gemeente. Dit moet bovengronds.

4.4.2

Waterparagraaf

4.4.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

4.4.2.2 Watertoetsproces Schrijversweg 2 Het waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Op basis van deze digitale toetsing valt de ontwikkeling onder de normale procedure. De hierbij behorende ‘standaard waterparagraaf’ is opgenomen in Bijlage 17 bij deze toelichting. Omdat er sprake is van een 'normale procedure' is advies ingewonnen bij het waterschap. Hierna volgt een nadere uiteenzetting van de waterhuishoudkundige aspecten: Watersysteem Het plangebied ligt niet of nabij watergangen in beheer bij het waterschap. Er worden geen wijzigingen aan het watersysteem gedaan. Waterveiligheid Ter plaatse van het plangebied is er geen verhoogd risico op overstromingen. Wateroverlast Het verhard oppervlak ter plaatse neemt, door de sloop van de voormalige agrarische

73

vastgesteld bestemmingsplan Manegelocatie Oerdijk en Schrijversweg 2

bedrijfsbebouwing, af. Een extra compensatie ten behoeve van de waterberging is niet noodzakelijk. Ter voorkoming van wateroverlast wordt uitgegaan van het principe vasthouden - bergen - afvoeren. Ter plaatse wordt het hemelwater op eigen terrein geïnfiltreerd. Daarnaast wordt er een wadi gecreëerd in de gezamenlijke paardenweide. Waterkwaliteit In het ontwerp worden geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt zodat hemelwater niet vervuild raakt. Riolering Bij de nadere uitwerking van de plannen zal bezien worden of het huishoudelijk afvalwater via het bestaande gemeentelijk riool kan worden afgevoerd. Indien dit niet het geval is, dient er een IBA te worden aangelegd. Overige Ter plaatse is geen sprake van grondwateroverlast en het voornemen vindt niet plaats binnen een grondwaterbeschermingsgebied of intrekgebied. Het deelgebied ligt op basis van de Omgevingsverordening Overijssel wel in boringsvrije zone Salland Diep. In de boringsvrije zone Salland Diep is het verboden om mechanische ingrepen te verrichten met een diepte van meer dan 50 meter zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. Omdat de voorgenomen ontwikkeling niet ziet op bodemwerkzaamheden op een diepte van 50 meter of meer, vormt de boringsvrije zone geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Manegelocatie Oerdijk Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Op basis van deze digitale toetsing valt de ontwikkeling onder de normale procedure. De hierbij behorende ‘standaard waterparagraaf’ is opgenomen in Bijlage 18 bij deze toelichting. Omdat er sprake is van een 'normale procedure' is advies ingewonnen bij het Waterschap. Hierna volgt een nadere uiteenzetting van de waterhuishoudkundige aspecten: Watersysteem Het plangebied ligt deels in de beschermingszone van een A-watergang, namelijk de Douweler Leide. De functie van deze watergang blijft met de ontwikkelingen gegarandeerd. Er vindt geen demping plaats. Binnen het plangebied zal mogelijk een natuurlijke overgangszone gemaakt worden voor de Douweler Leide die ten westen van het plangebied stroomt. Mogelijk worden hier natuurlijke oevers en plas-dras zones gemaakt. In de plas-dras zone wordt tevens een wadi aangelegd voor het bergen van water. Waterveiligheid Het plangebied ligt een dijkringgebied. Dit is een gebied met een risico op overstromingen. In paragraf 4.4.3 wordt ingegaan op het overstromingsrisico. Wateroverlast Ter voorkoming van wateroverlast wordt uitgegaan van het principe vasthouden - bergen - afvoeren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13844250/1