CConstaterende datDen Helder
Koppel je AI →
Document · PDF

Willem Alexanderhof Oost_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 7 maart 2022, gemeente Den HelderBij agendapunt: 13: Voorstel tot het vaststellen van het Bestemmingsplan Willem Alexanderhof Oost18.280 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Uit het onderzoek komt naar voren dat de gronden ter plaatse van de fases van voorliggend bestemmingsplan kunnen wordenbeschouwd als onverdacht gebied.

Onverdacht gebied De bodem bestaat in het algemeen tot ongeveer 3,5 m –mv. uit zand. Lokaal is klei direct vanaf het maaiveld aanwezig. In de boven- en/of ondergrond van een aantal boringen zijn sporen bakstenen aangetroffen. De bodem, al dan niet met bijmengingen, bevat ten hoogste licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen, PAK, PCB en/of minerale olie. Het grondwater bevat zeer plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan benzeen of kwik.

Grondwater De grondwaterstand bevond zich tijdens het onderzoek op 0,2 à 1,5 m -mv. en bevat ten hoogste licht verhoogde gehalten aan barium, kwik, benzeen, naftaleen en/of tetrachlooretheen. Waterbodem Het slib uit de sloten is over het algemeen toepasbaar en verspreidbaar.

5.2.3

Betekenis voor het project

Vanuit milieuhygiënische oogpunt zijn er naar verwachting geen belemmeringen om het terrein te ontwikkelen voor woningbouw. De bodemkwaliteit is geschikt voor de te realiseren woonfuncties binnen het plangebied.

5.3

Archeologie

Erfgoedwet In de Erfgoedwet is de bescherming van het archeologisch erfgoed geregeld. Deze wet verplicht om bij de bestemming van de in het uitwerkingsplan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden. Archeologische waarden zijn in Nederland veelal onzichtbaar, aangezien ze grotendeels verborgen liggen in de bodem. Hierdoor zijn ze niet eenvoudig te karteren. Voor de onbekende waarden heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) opgesteld. Voor de bekende waarden is de Archeologische Monumentkaart (AMK) opgesteld. Bij bodemverstoringen dient getoetst te worden of de archeologische waarden niet verstoord of beschadigd worden.

Planspecifiek In 2017 is het beleidskader Archeologie 2017 Gemeente Den Helder vastgesteld. Hierin is het plangebied aangemerkt als een gebied met een archeologische verwachtingswaarde. Tevens is sprake van militair erfgoed, waar bij werkzaamheden van 50 m2 of meer en 35 centimeter of dieper archeologisch onderzoek conform beleid dient plaats te vinden.

Willem Alexanderhof Oost Pagina 27 van 55

Voor het gebied DH4-8A4 (Julianadorp-Oost, plangebied Willem Alexanderhof) is het archeologiecriterium van de Atlantikwall van kracht. Voor het overige deel van plangebied Julianadorp Oost geldt dat het archeologievrij is. Op de beleidsadvieskaart geldt echter het zwaardere criterium van de Atlantikwall. Het advies in het beleidskader is om bij toekomstige graafwerkzaamheden onderzoek specifiek op de Antitankgracht te richten. Voor de andere perioden geldt de archeologievrije status. Het onderzoek is al in een eerder stadium uitgevoerd: in het moederplan is aandacht besteed aan de archeologische situatie van het plangebied. Er is in 2007 een bureauonderzoek archeologie uitgevoerd. Op basis van de bevindingen van het bureauonderzoek is vervolgens in 2007 een archeologisch veldonderzoek uitgevoerd. Verder archeologisch onderzoek werd niet noodzakelijk geacht. Het moederplan is vastgesteld zonder archeologisch voorbehoud voor het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.4

Cultuurhistorie

Conform artikel 3.6, lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening dienen naast archeologische waarden ook cultuurhistorische waarden te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmings- of inpassingsplannen.

Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap, zoals bebouwing, agrarische bedrijven, Willem Alexanderhof Oost Pagina 28 van 55

infrastructuur of vormen van energieopwekking. De Leidraad geeft gebiedsgerichte én ontwikkelingsgerichte beschrijvingen en biedt zo toepasbare informatie over de manier waarop ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. De provincie beoogt met deze Leidraad om samen met bijvoorbeeld gemeenten, ontwikkelaars en initiatiefnemers te werken aan het behouden en versterken van de kwaliteit van het landschap en de cultuurhistorie. In de Leidraad die voor het laatst is vastgesteld op 10 april 2018 zijn een aantal onderwerpen opgenomen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Holland, te weten aardkundige waarden, openheid, stilte en donkerte en dorps-DNA. De leidraad is verankerd in de Omgevingsverordening van de provincie. De Provincie Noord-Holland omschrijft ruimtelijke kwaliteit aan de hand van kernkwaliteiten van het landschap. Natuurlijke omstandigheden en vooral ook menselijk handelen, hebben in ieder landschap hun eigen sporen nagelaten. Nieuwe ontwikkelingen moeten zich tot deze karakteristieken verhouden. Elk landschapstype heeft zijn eigen specifieke kernkwaliteiten die gebieden een eigen karakter en identiteit geven.

De voornaamste kernkwaliteiten zijn: archeologie en tijdsdiepte (tezamen 'ondergrond'), aardkundige waarden, historische structuurlijnen, cultuurhistorische objecten en openheid, duisternis en stilte (tezamen landschaps-DNA) en dorps-DNA. De Provincie beschermt ook de ondergrond van de bijzondere landschappen. Zolang aardkundige verschijningsvormen (zoals stuwwallen, duinen, wadden en beekdalen) onaangetast zijn, vertellen ze veel over de ontstaansgeschiedenis van Noord-Holland en de krachten die daarbij een rol speelden: wind, water, ijs en getijden. Behoud en ontwikkeling van aardkundige waarden is van belang gezien de onschatbare waarde van aardkundig erfgoed voor de inwoners van Noord-Holland en Nederland. Noord-Holland is onderverdeeld in 20 gebieden, de zogenaamde ensembles, en 10 provinciale structuren. Bij het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied moet rekening worden gehouden met de ambities en ontwikkelprincipes die staan beschreven bij de afzonderlijke ensembles en structuren.

Planspecifiek Voorliggend plangebied is onderdeel van het ensemble Koegras - Anna Paulownapolder. De polder het Koegras, de Anna Paulownapolder, de Wieringerwaard en de Waardpolder behoren tot het aandijkingenlandschap en zijn vooral in gebruik voor bollenteelt en als akkerland. Polder Koegras is een efficiënte (bollen)productiepolder met een grofmazige orthogonale wegenstructuur, smalle vaarten en vlieten en weinig beplanting. Bijzondere landschapselementen zijn de oude nollen (zandduintjes) zoals de Garst en de ‘Verloren Dijk’ ten zuiden van Den Helder. Het Noordhollandsch Kanaal en de N9 vormen de oostgrens van de polder. Een zeer grote mate van openheid is een belangrijk kenmerk van het aandijkingenlandschap. Ruimtelijke dragers in de directe omgeving van het plangebied zijn de Noordzeekust, de overgang tussen de duinen en polder het Koegras en het Noordhollandsch Kanaal / N9.

Het voorliggende plangebied is 10 jaar geleden reeds aangewezen als woongebied, zij het met ene nog uit te werken bestemming. Hiermee was de eerste stap gezet tot verstedelijking. Inmiddels wordt het gebied ook beschouwd als Bestaand Stedelijk Gebied (BSG) en daardoor is de Leidraad Landschap & Cultuurhistorie niet zozeer relevant meer. Met de voorliggende planontwikkeling worden de belangrijke landschappelijke karakteristieken en ruimtelijke dragers ook niet aangetast.

Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering oplevert voor het

Willem Alexanderhof Oost Pagina 29 van 55

bestemmingsplan.

5.5

Ecologie

5.5.1

Toetsingskader

Plannen, projecten en andere handelingen dienen getoetst te worden aan de wet- en regelgeving voor natuur. Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: Natura 2000-gebieden De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000 gebieden. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhouding doelstellingen opgesteld voor een of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn ('door externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden strenge restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een "habitattoets" dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden en een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegd gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. Soortenbescherming Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Indien bij werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is een ontheffing noodzakelijk. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen.

Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. Aanvullend op de Wnb heeft de provincie Noord-Holland beleid vastgesteld ten aanzien van de gebiedsbescherming van weidevogels

Willem Alexanderhof Oost Pagina 30 van 55

Weidevogelleefgebieden Het beleid voor weidevogelleefgebieden voor de provincie Noord-Holland is vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) (mei 2018). De afweging voor ingrepen in weidevogelgebieden gaat volgens het “nee, tenzij-principe”. Belangrijk verschil met NNN-gebieden is, is dat voor weidevogelleefgebieden externe werking wel van toepassing is.

5.5.2

Toetsing

Soortenbescherming De natuurtoets is in Bijlage 2 toegevoegd.

Flora Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen binnen het plangebied. Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2017) en groeiplaatsomstandigheden van beschermde plantensoorten, is tevens het voorkomen van, binnen de Wet Natuurbescherming, beschermde plantensoorten binnen de projectlocatie niet te verwachten. Gezien de aanwezige terreintypen binnen de projectlocatie, is een nader onderzoek naar beschermde plantensoorten of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde.

Vogels In en rondom het plangebied zijn een aantal algemene broedvogels aangetroffen en te verwachten. Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Flora- en faunawet een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn eveneens niet toegestaan. Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk. Mogelijke nestlocaties van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats of sporen die wijzen op hun aanwezigheid, zijn niet waargenomen op of rond de projectlocatie. Met de voorgenomen nieuwbouw wordt dan ook niet verwacht dat nesten of het leefgebied van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats worden verstoord.

Tevens wordt niet verwacht dat met de voorgenomen ontwikkeling de landelijke staat van instandhouding ten aanzien van in het gebied aanwezige vogelsoorten in het geding is. Nader onderzoek of de aanvraag tot ontheffing voor (één van) deze soorten is dan ook niet aan de orde.

Zoogdieren Met uitzondering van kleine marterachtigen en vleermuizen worden uitsluitend enkele algemeen voorkomende zoogdieren verwacht binnen de projectlocatie. Hiervoor geldt de algemene vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep en/of bestendig beheer. Aangezien opgaande landschapselementen of groenstructuren ontbreken binnen het plangebied, wordt er vanuit gegaan dat de projectlocatie een beperkte functie heeft voor grondgebonden zoogdiersoorten. Algemeen voorkomende beschermde

Willem Alexanderhof Oost Pagina 31 van 55

soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, worden niet verwacht op de projectlocatie. Gezien de situering van de projectlocatie en de aanwezige terreintypen, kan worden verwacht dat het projectgebied van beperkt belang zal zijn voor vleermuizen. Op de projectlocatie zijn geen potentieel geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig. Gezien de aanwezige lage begroeiing wordt tevens niet verwacht dat de projectlocatie een (belangrijke) functie heeft als vliegroute of foerageergebied voor vleermuizen. Voor de verdere ontwikkeling van de woonwijk Willem Alexanderhof, is een aanvullend onderzoek naar vleermuizen of een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming dan ook niet noodzakelijk. Inmiddels zijn er op het terrein enkele verruigde terreindelen ontstaan en bieden de kruidenrijke vegetaties in combinatie met opslagterrein van grond en stenen, geschikt leefgebied voor de kleine marterachtigen wezel en hermelijn. Het betreft hierbij voornamelijk het zuidoostelijk deel van het projectgebied. De delen aan de noord- en westzijde zijn reeds onderdeel van het bouwterrein en zijn in gebruik als ketenpark en opslag met verschillende verkeers- en transportbewegingen.

Nader onderzoek naar het voorkomen van kleine marterachtigen in aangegeven terreindelen, zal dan ook moeten uitwijzen of een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk is. Het onderzoek naar kleine marterachtigen dient conform de handreiking wezel, hermelijn en bunzing (Provincie Noord-Holland) te worden uitgevoerd. Volgens de handreiking dienen 4 sporenbuizen, cameravallen dan wel mostela’s of struikrovers (of een combinatie daarvan) per hectare te worden ingezet gedurende tenminste vier weken in de periode van mei tot en met augustus. De soorten wezel en hermelijn betreffen nationaal beschermde soorten, waarvoor een ontheffing kan worden verkregen in het kader van ruimtelijke inrichting dan wel bestendig beheer en onderhoud. Indien één van genoemde soorten wordt aangetroffen, zullen passende mitigerende maatregelen moeten worden genomen, maar staan de uitvoerderbaarheid van het project niet in de weg.

Amfibieën De te verwachten amfibieën zijn voornamelijk algemeen voorkomende beschermde soorten binnen de Wet Natuurbescherming, waarvoor een vrijstelling geldt bij onder meer een ruimtelijke ingreep. Naar verwachting zullen de voorgenomen werkzaamheden geen negatief effect hebben op de lokale populatie van algemeen voorkomende amfibiesoorten. Echter is ook hiervoor in het kader van de zorgplicht aan te bevelen om de werkzaamheden aan de waterelementen plaats te laten vinden wanneer de larven zijn volgroeid (augustus) en voordat de volwassen exemplaren zich ingraven voor de winterslaap (november). Aan de hand van eerdere inventarisaties en recente verspreidingsgegevens is tevens bekend dat de beschermde soort rugstreeppad voorkomt in de omgeving van het plangebied. Met het onderzoek naar rugstreeppad in mei 2017, en het voorjaar van 2019 en 2020 zijn echter geen nieuwe (geluids)waarnemingen van de soort gedaan en is voortplanting op of in de omgeving van het plangebied niet vastgesteld. Echter is de rugstreeppad een zogeheten pionierssoort, die als zodanig in staat is om in korte tijd nieuw ontstane voortplantingswateren te koloniseren. Geschikte voortplantingswateren bestaan uit ondiepe, tijdelijke wateren, in de directe omgeving van onbegroeide zandige terreinen. Met het bouwrijp maken van het projectgebied kan een dergelijk situatie ontstaan.

Indien met de werkzaamheden rugstreeppad wordt aangetroffen zijn mitigerende maatregelen en/of een ontheffingsaanvraag alsnog noodzakelijk. Het is dan ook aan te bevelen gedurende de ontwikkeling van het gebied tijdens de voortplantingsperiode van rugstreeppad, monitoring naar het voorkomen van de soort uit te (laten) voeren. Hiermee kan worden voorkomen dat er strijdigheden (kunnen) ontstaan met bepalingen uit de Wet Natuurbescherming.

Overige beschermde soorten Andere strikt beschermde soorten dan hierboven genoemd worden niet verwacht binnen de projectlocatie. Nader onderzoek naar het voorkomen van andere beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk. Echter kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de

Willem Alexanderhof Oost Pagina 32 van 55

planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging van deze conclusies.

Houtopstanden Houtopstanden, die vallen onder het beschermingsregime van de Wet Natuurbescherming, zijn niet aanwezig binnen de projectlocatie. Een nadere toetsing, uitwerking of kapmelding ten aanzien van houtopstanden is dan ook niet aan de orde.

Gebiedsbescherming Gezien de ligging van het projectgebied aan de oostzijde van Julianadorp, het tussengelegen stedelijke en intensief agrarische gebied en de afstand (2,8 km) wordt niet verwacht dat er negatieve effecten zijn te verwachten op het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Duinen Den Helder - Callantsoog. Echter kan in verband met de aanwezigheid van stikstofgevoelige habitattypen binnen dit Natura 2000- gebied een extern effect van de plannen worden ondervonden door de uitstoot van stikstof door verkeersbewegingen als gevolg van het nieuwe gebruik binnen het plangebied. Er is daarom in beeld gebracht wat de mogelijke effecten van de ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositie van de gebruiksfase is in kaart gebracht met een AERIUS-berekening. De notitie van de resultaten en de ingevoerde gegevens is bijgevoegd in Bijlage 3. Bij de berekening is uitgegaan van de bouw van 256 woningen. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de gebruiksfase geen significante gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Tevens is de projectlocatie niet aangewezen als (onderdeel van) NNN, een ecologische verbindingszone (evz) of weidevogelleefgebied.

Een nadere of uitgebreide toetsing ten aanzien van de gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming is dan ook niet aan de orde.

5.5.3

Betekenis voor het project

Er worden geen beschermde soorten binnen het plangebied verwacht. Van verstoring zal derhalve geen sprake zijn. Ook wordt geen verstoring van het nabijgelegen Natura 2000-gebied Duinen Den Helder - Callantsoog verwacht. Tot slot wordt in de gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar in de omliggende Natura 2000- gebieden verwacht. Hiermee is het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.6

Water

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht voor bestemmingsplannen. De watertoets omvat het proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. In de toelichting van bestemmingsplannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen, waarin de resultaten van de watertoets aan bod komen.

Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en Willem Alexanderhof Oost Pagina 33 van 55

beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. Watertoets Voor geheel Willem Alexanderhof is het watertoetsproces doorlopen. Het moederplan voorziet in de aanleg van een waterrijke woonwijk. Het moederplan heeft een substantiële toename van het verhard oppervlak en een versnelde afvoer van het hemelwater tot gevolg. Om ongewenste peilstijgingen, die optreden door de versnelde afvoer van het hemelwater, te voorkomen dient er watercompensatie gerealiseerd te worden. Voor deze watercompensatie is voor het moederplan een compensatiepercentage van 15% opgenomen.

Binnen het plan wordt ruimschoots voldaan aan deze compensatie-eis. De verharding bedraagt in totaal 54.506 m2 en er wordt 43.040 m2 additioneel wateroppervlak gerealiseerd.

Waterkering Het voorliggende plangebied is niet gelegen in of bij een primaire- of secundaire waterkering.

Waterkwaliteit en riolering De planontwikkeling heeft tot gevolg dat er hemelwater en grijs afvalwater zal worden afgevoerd. Het hemelwater kan als schoon worden beschouwd en wordt afgevoerd op de sloten. Voor het grijze afvalwater zal worden aangesloten op een aan te leggen riolering.

Waterberging Voor geheel Willem Alexanderhof in Julianadorp Oost is op 16 december 2019 een watervergunning afgegeven (regiestratienummer 19.2882472). Aan deze vergunning zijn door het waterschap voorwaarden verbonden. Bij de uitwerking van de deelgebieden en gedurende de uitvoeringsfase wordt rekening gehouden met deze voorwaarden. Onderstaand is een uitsnede opgenomen van de bijlage bij de watervergunning die weergeeft hoe hoe het water conform watervergunning dient te worden aangelegd.

Willem Alexanderhof Oost Pagina 34 van 55

Afbeelding: uitsnede kaart waterlopen zoals opgenomen in de watervergunning

In de voorwaarden uit de watervergunning is opgenomen dat een tekort aan te graven water ten opzichte van de toename van verharding wordt verrekend in de gemeentelijke waterbank en zal op enig ander moment worden ingelost.

Nadien is met het HHNK in overleg getreden over de nadere invulling van fase 3.1, fase 3.2 en fase 4.2 (oost). Dit heeft geleid tot nadere afspraken en een nieuwe tekening over de watercompensatie. Deze tekening is in de navolgende afbeelding weergegeven. In donkerblauw is het te realiseren oppervlaktewater aangegeven. In lichter blauw is aangegeven waar waterbergende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd in de vorm van wadi's. Dit is verwerkt / mogelijk gemaakt in het voorliggende bestemmingsplan.

Willem Alexanderhof Oost Pagina 35 van 55

Afbeelding: uitsnede kaart waterlopen zoals nader overeengekomen met het HHNK

Aan de voorgaande afbeelding zijn vanuit het HHNK een aantal randvoorwaarden gesteld. Met betrekking tot de watercompensatie bestaan de randvoorwaarden uit drie facetten: 1. Er is sprake van een significante verhardingstoename in het plangebied. In overeenstemming met het waterschap is een compensatiepercentage van 10% afgesproken in het geval van compensatie middels sloten. 2. Verder wordt ook gebruik gemaakt van alternatieve watercompensatie middels wadi's. Uitgangspunt is dat de wadi's dusdanig ontworpen zijn dat deze berekend zijn op de hevigste bui die eens in de 100 jaar valt (de zogeheten T100 bui). 3. Tot slot is er sprake van demping van huidige waterlopen, deze dienen 1:1 gecompenseerd te worden. Met betrekking tot het onderhoud van het watersystem wordt het volgende geëist. De primaire waterlopen worden door het waterschap onderhouden. De breedte van de waterlopen is dusdanig (minimaal 6 meter) dat dit varend wordt gedaan. Bochten hebben daarom een draaicirkel van 8 meter. Verder zijn er tewaterlaatplaatsen en maaisel-deponeerplekken gerealiseerd. Overige waterlopen en wadi's worden door de gemeente onderhouden. Afspraken hierover dienen met de gemeente te worden gemaakt. Het voorgaande wordt vastgelegd in een nog aan te vragen watervergunning.

Conclusie

Willem Alexanderhof Oost Pagina 36 van 55

Het aspect water staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

5.7

Akoestiek

Om te beoordelen wat het effect van het verkeer over de geluidsgezoneerde wegen op het gebied van akoestiek is, is een onderzoek uitgevoerd waarvan de rapportage is bijgevoegd als Bijlage 4.

Planspecifiek De wegen die zijn onderzocht zijn de Schoolweg en de Zuiderhaaks. De schoolweg is gedeeltelijk gezoneerd omdat voor een gedeelte een snelheid geldt van maximaal 50 km/u. Voor het andere deel geldt 30 km/u. De Zuiderhaaks is volledig gezoneerd. Uit de resultaten blijkt dat als gevolg van de Schoolweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. De geluidsbelasting als gevolg van de Zuiderhaaks overschrijdt de voorkeursgrenswaarde op 62 woningen tot maximaal 54 dB. Eventuele bron- of overdrachtsmaatregelen bieden geen mogelijkheid om de geluidsbelasting onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van Lden 48 dB te brengen. Onderzocht zijn de mogelijkheid van het vervangen van wegdek, het verlagen van de maximumsnelheid naar 30 km/u en het aanbrengen van afschermende objecten zoals schermen, geluidswallen of niet geluidsgevoelige bebouwing. Omdat deze geen mogelijkheid bieden moeten er hogere waarden aangevraagd worden voor 62 woningen. De gecumuleerde geluidsbelasting, veroorzaakt door verkeer op de wegen die het plangebied omzomen, bedraagt op de gevels van de woningen ten hoogste Lden 59 dB. Deze geluidsbelasting is exclusief aftrek conform artikel 3.4 uit het RMG 2012. De gecumuleerde geluidsbelasting is hoger dan 53 dB.

Daarom moet voor de realisatie van de woningen bij de aanvraag om een omgevingsvergunning aangetoond worden dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit afdeling 3.1 Bescherming tegen geluid van buiten. Geconcludeerd wordt dat de geluidsniveaus binnen acceptabele waarden blijven. Met maatregelen aan de gevels kan in iedere woning een goed woon- en leefklimaat worden gerealiseerd. Het treffen van maatregelen om het geluidsniveau op de gevels omlaag te krijgen zijn financieel niet uitvoerbaar. Gezien de stedenbouwkundige invulling van het bouwgebied kan gesteld worden dat de woningen zodanig zijn gesitueerd dat er tenminste een geluidluwe gevel aanwezig is. Alle woningen binnen het plangebied beschikken namelijk over een zijde waar de maximaal gecumuleerde geluidbelasting niet meer dan 48 dB bedraagt op de begane grond, exclusief correcties conform artikel 3.4 uit het RMG 2012. Bij de meeste woningen is sprake van een goed tot redelijk geluidsniveau in de achtertuinen, waardoor in zijn algemeenheid kan worden gesproken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op de gehele woonpercelen (binnen en buiten). Het aspect Akoestiek vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.8

Luchtkwaliteit

Bij ruimtelijke plannen is een toets aan de 'Wet luchtkwaliteit' (Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) benodigd. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.

Willem Alexanderhof Oost Pagina 37 van 55

Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: 1. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden; 2. het project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. het project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie van fijnstof en stikstofdioxide; 4. het project is opgenomen binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. NIBM-projecten (kleine projecten) In de bijlagen van de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” zijn functiecategorieën of combinaties van functiecategorieën aangegeven waarbij sprake is van een NIBM-project. Voor woningbouwlocaties zijn de volgende twee categorieën opgenomen: 1. Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg; 2. Woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen; Planspecifiek Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.

De navolgende afbeelding van de NIBM-tool toont aan dat het laatste deel van de voorliggende planontwikkeling van Willem Alexanderhof (inclusief fase 6.0) nog kan worden beschouwd als NIBM.

Afbeelding: tabel NIBM-tool ingevuld met verkeersbijdrage als gevolg van plan, inclusief fase 6.0

De ontwikkeling die met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De woningen worden gasloos gebouwd, waarmee de ontwikkeling van de woningen niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan. Desalniettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&M en RIVM) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het Willem Alexanderhof Oost Pagina 38 van 55

plangebied. De achtergrondconcentraties over 2019 geven de volgende waarden: 11 µg/m³ NO2, 15 µg/m³ PM10 en 7 µg/m³ PM2,5. Uit de achtergrondconcentraties van stikstof (NO2) en fijnstof (PM10, PM2,5) blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van de locatie ruim voldoende is en de luchtkwaliteit zich niet verzet tegen de voorgenomen ontwikkeling.

5.9

Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid, moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft. Ook dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden.

Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen gemotiveerd toegestaan. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.

Groepsrisico Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting.

Verantwoording groepsrisico Binnen het invloedsgebied geldt dat voor ieder ruimtelijk plan groepsrisicoverantwoording verplicht is. Een verantwoording is een kwalitatieve beschrijving over de waarde van het groepsrisico, maatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het advies van de veiligheidsregio speelt hierbij een belangrijke rol. Bij complexe projecten ligt doorgaans een proces van overleg met veiligheidsdeskundigen ten grondslag.

Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uit 2004 legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico's voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken.

Willem Alexanderhof Oost Pagina 39 van 55

Het besluit verplicht ook om gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen waar kwetsbare objecten worden mogelijk gemaakt, zoals woningen, rekening te houden met externe veiligheid. Dit betekent bijvoorbeeld dat de woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een risicovol bedrijf dat werkt met grote hoeveelheden aan gevaarlijke stoffen.

Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen die gevaarlijke stoffen vervoeren onder hoge druk. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen) binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan. Ook is geldt dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een nieuwe kwetsbare functie wordt mogelijk gemaakt, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 of 5 meter, afhankelijk van de druk in de leiding. Binnen deze strook mag er niet gebouwd worden. Er kan bij omgevingsvergunning van worden afgeweken voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden.

Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen waar vervoer over plaatsvindt van gevaarlijke stoffen. Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 meter, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 meter is een verantwoording niet noodzakelijk als er een toename van het aantal mensen wordt toegestaan. Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken, buiten de 200 m, in de toelichting aandacht moet worden besteed aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zover het binnen het invloedsgebied van de transportroute is gelegen.

Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: 1. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; 2. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; 3. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen bij het realiseren van nieuwe kwetsbare objecten aandacht besteed moet worden aan de effecten van een plasbrand.

Het kan zijn dat er extra bouwkundige maatregelen nodig zijn om de zelfredzaamheid van de personen te verhogen.

De beleidsvisie Externe Veiligheid Willem Alexanderhof Oost Pagina 40 van 55

In juni 2010 heeft de gemeenteraad de “Beleidsvisie externe veiligheid in Heerhugowaard" vastgesteld. De beleidsvisie “Externe Veiligheid” geeft aan dat het beleid zich richt op het beperkt houden van de toename van het groepsrisico dat ontstaat door ruimtelijke besluiten of milieuvergunningen. De beleidsvisie onderscheidt drie soorten te doorlopen verantwoordingsprocessen. Welk proces voor de verantwoording wordt doorlopen hangt af van de hoogte van het groepsrisico in relatie tot de oriëntatiewaarde

Planspecifiek Het bestemmingsplan maakt kwetsbare objecten (woningen) mogelijk. Het plangebied bevindt zich niet binnen een risicocontour van een risicobron. Dit is te zien op de navolgende afbeelding van de Risicokaart. Hierop is ten noordwesten van het plangebied een risicobron met bijbehorende risicocontour weergegeven. Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich ook een verkooppunt en bewaarplaats voor vuurwerk, die geen gevaar oplevert voor de woningen. De bevi-inrichting ten noorden van de Schoolweg betreft een propaantank met een plaatsgebonden risicoafstand van 15 meter. Aan de minimale veiligheidsafstand tot dit object wordt ruimschoots voldaan. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen transportroutes (over weg en door buisleidingen) voor het transport van gevaarlijke stoffen. Tot slot maakt het plan zelf geen risicobron mogelijk. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Afbeelding: uitsnede Risicokaart (bron: www.risicokaart.nl)

Willem Alexanderhof Oost Pagina 41 van 55

5.10

Milieuzonering

Ten aanzien van de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder. Uitgangspunt hierbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van een milieugevoelige functie (zoals woningen), sprake is van een aanvaardbaar leefen verblijfsklimaat. Voor de afstemming tussen milieugevoelige functies en bedrijven dient milieuzonering te worden toegepast. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Het doel van de VNG-publicatie is het bieden van een handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk en de publicatie biedt mogelijkheden voor maatwerk en flexibiliteit bij het inpassen van bedrijvigheid in de fysieke omgeving en bij het inpassen van woningen en andere gevoelige functies nabij bedrijven.

Bedrijven Het uitwerkingsplan maakt geen milieubelastende activiteiten mogelijk, maar voorziet wel in de realisatie van een gevoelige functie (woningen). In de omgeving van het plangebied zijn enkele milieubelastende inrichtingen aanwezig. Een inventarisatie hiervan is opgenomen in het moederplan en wordt hieronder nog eens weergegeven:

Willem Alexanderhof Oost Pagina 42 van 55

Afbeelding: lijst met in de omgeving aanwezige bedrijven (bron: bestemmingsplan Julianadorp Oost 2011)

Aan alle richtafstanden uit bovenstaande inventarisatie wordt voldaan. In de afgelopen 10 jaar zijn er geen nieuwe bedrijven bijgekomen die binnen de richtafstand totaan voorliggend plangebied zijn gerealiseerd. Niet in deze lijst opgenomen is de ijsbaan Julianadorp. Volgens de richtafstanden tabel van de VNG (richtafstandenlijst tabel 1) geldt voor openlucht ijsbanen een maximale afstand van 300 meter voor geluid. Deze contour komt overeen met bijvoorbeeld een voetbalstadion. Dit vergelijk is geenzins te maken met de reeds aanwezige ijsbaan die alleen open kan in de winterperiode zolang er ijs ligt. Deze schaatsbaan sluit dus meer aan bij bijvoorbeeld veldsportcomplexen met een grootste afstand van 50 meter voor geluid. Aan deze afstand wordt voldaan.

Spuitzone bestrijdingsmiddelen Ten zuiden en oosten van de Zuiderhaaks liggen gronden met een agrarische bestemming. Hier is

Willem Alexanderhof Oost Pagina 43 van 55

ondermeer sprake van bollenteelt. Bij dergelijke agrarische teelt is sprake van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Ruimtelijk kader Er bestaan geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen agrarische gronden waar met gewasbeschermingsmiddelen kan worden gespoten en nabijgelegen woningen en daarbij behorende tuinen en andere gevoelige functies. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer opgenomen in haar uitspraak van 23 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8308, wordt een afstand van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk geacht. Hierbij wordt gemeten vanaf de bestemmingsgrens: vanaf de bestemming die het telen van bollen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen mogelijk maakt tot aan de grens van de bestemming die de woning(en) mogelijk maakt. Dit betekent dat ook tot tuinen een richtafstand moet worden aangehouden. Dit brengt echter niet met zich dat een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn, indien aan die afstand een deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd. Verder is het zo dat bollenteelt een lagere waarde aan neerslag kent dan fruitteelt. In bepaalde gevallen kan met een geringere afstand worden volstaan. Uit jurisprudentie (onder meer in de uitspraak van 30 maart 2016 in zaak nr.

201402301/3/R3) blijkt dat het aanhouden van een kortere afstand dan de richtafstand zorgvuldig moet worden onderzocht en goed moet worden onderbouwd. Daarbij gaat het om het aspect gezondheid/woon- en leefklimaat en om de milieuruimte voor agrarische bedrijvigheid waarmee zij hun bedrijfsactiviteiten kunnen uitoefenen. Verder is van belang dat richtafstanden alleen van toepassing zijn op nieuwe situaties. Dat houdt in; nieuwe woonbestemmingen of nieuwe bestemmingen waarmee de teelt van gewassen mogelijk wordt gemaakt waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Milieu Voor agrarische bedrijven en tuinbouwbedrijven geldt dat zij op grond van het Activiteitenbesluit Wet milieubeheer bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen rekening dienen te houden met voorwaarden en beperkingen. De regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zijn de afgelopen jaren aangescherpt. Hierbij is van belang dat in artikel 3.78a, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is vastgelegd dat in ieder geval een driftreductie moet worden bereikt van 75% (ten opzicht van een vastgelegde referentietechniek). Uit artikel 3.83, lid 5 van het Activiteitenbesluit volgt daarnaast een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s. Planspecifiek Ten zuiden en oosten van de Zuiderhaaks zijn bollenvelden aanwezig.

Deze bollenvelden zijn gelegen op 50 meter afstand van de woongebieden die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Aan e aan te houden afstand wordt hiermee voldaan. Bovendien wordt, anders dan bijvoorbeeld bij fruitteelt waar regelmatig bestrijding nodig is, bij dit type gewas maximaal twee tot drie keer per jaar laag bij de grond gespoten. Dit vindt alleen plaats wanneer het niet waait, omdat de bestrijdingsmiddelen anders niet effectief zijn. Er is derhalve nauwelijks sprake van spuitnevel. De weinige keren dat er jaarlijks gespoten wordt zal daarom gebeuren bij een zeer lage windsnelheid. Conclusie Gezien het voorgaande kan worden beoordeeld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op de woonbestemming en bedrijven in de omgeving zullen niet in de bedrijfsvoering worden belemmerd. Doordat de afstand tussen de woonbestemming en de agrarische gronden niet wijzigt en de afstand ten opzichte van gronden waar sprake is van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 50 meter bedraagt, is van een beperking van bedrijven die gebruik Willem Alexanderhof Oost Pagina 44 van 55

maken van gewasbeschermingsmiddelen ook geen sprake.

5.11

M.e.r.-beoordeling

5.11.1 Toetsingskader Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieu een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) geeft aan of voor een project een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing is. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de C-lijst van het Besluit m.e.r. geldt de zogenoemde m.e.r.-plicht. Deze activiteiten worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt de zogenoemde m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor deze activiteiten geldt dat zij, afhankelijk van de omstandigheden, nadelige milieugevolgen kunnen hebben.

De voorliggende ontwikkeling betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, die als activiteit is opgenomen in de D-lijst onder categorie D11.2 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject).Zie ook onderstaande tabel.

Kolom 1 Activiteiten D11.2

Kolom 2 Gevallen

Kolom 3 Plannen

Kolom 4 Besluiten

De aanleg, wijziging In gevallen waarin de De De vaststelling of uitbreiding van en activiteit betrekking structuurvisie, van het plan, stedelijk heeft op: bedoeld in de bedoeld in ontwikkelingsproject 1°. een oppervlakte van artikelen 2.1, artikel 3.6, met inbegrip van de 100 hectare of meer, 2.2 en 2.3 van eerste lid, bouw van 2°. een de Wet onderdelen a winkelcentra of aaneengesloten gebied ruimtelijke en b, van de parkeerterreinen. en 2.000 of meer ordening, en het Wet woningen omvat, of plan, bedoeld in ruimtelijke 3°. een artikel 3.1, ordening dan bedrijfsvloeroppervlakte eerste lid, van wel bij het van 200.000 m2 of die wet. ontbreken meer. daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Tabel 5.1 - Activteit D11.2 uit het Besluit milieueffectrapportage (d.d. 23 mei 2019)

Het Besluit m.e.r. geeft onder 'gevallen' per activiteit aan wat de relevante drempel is voor een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Met de aanleg van het stedelijk ontwikkelingsproject worden de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet overschreden, aangezien het Willem Alexanderhof Oost Pagina 45 van 55

planvoornemen ver onder de grens van 100 hectare, 2.000 woningen of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 blijft. Op basis hiervan geldt er dus geen formele m.e.r.-(beoordelings)plicht. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de 'Europese richtlijn milieueffectbeoordeling' te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.- beoordeling'. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-plichtig.

Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient het bevoegd gezag expliciet te beoordelen of zij het noodzakelijk acht om de m.e.r.-procedure te doorlopen. Er kunnen twee uitkomsten zijn: 1. belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden à er dient een m.e.r.-procedure te worden doorlopen; 2. belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op à er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen. Het uitgangspunt bij deze beoordeling is: 'Nee, tenzij...'

Dit uitgangspunt betekent dat er geen m.e.r. nodig is, tenzij er sprake is van mogelijke 'belangrijke nadelige gevolgen' voor het milieu op basis waarvan een dergelijke procedure wel noodzakelijk moet worden geacht. Deze 'belangrijke nadelige gevolgen' moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van Bijlage III EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. Het project dient te worden getoetst aan: Kenmerken van de activiteit Plaats van de activiteit Kenmerken van het potentiële effect

5.11.2 Toetsing Het plan blijft ruim beneden de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. In categorie D11.2 is voor "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject" een drempelwaarde van 100 hectare of meer, of 2.000 of meer woningen opgenomen. Vervolgens is een aanmeldnotitie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is als Bijlage 5 aan de toelichting van dit bestemmingsplan toegevoegd. De conclusie van deze vormvrije m.e.r-beoordeling is dat, gezien de omvang van de activiteiten in relatie tot de drempelwaarden en te verwachten effecten, belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uit te sluiten. Nader onderzoek in een MER/m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. Het college van B&W heeft hier op basis van de aanmeldnotitie voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan over besloten.

5.11.3 Betekenis voor het project Uit het onderzoek dat in het kader van dit bestemmingsplan is uitgevoerd is gebleken dat de planontwikkeling niet tot significante nadelige effecten zal leiden. Omvangrijke negatieve milieueffecten zijn hierdoor uitgesloten, waardoor het opstellen van een plan-m.e.r. niet nodig is. Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Willem Alexanderhof Oost Pagina 46 van 55

5.12

Verkeer en Parkeren

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aandacht te worden besteed aan de aspecten verkeer en parkeren. Zoals in paragraaf 2.2 en 4.4.4 is beschreven wordt voor wat betreft parkeren getoetst aan de Nota Parkeernormen Den Helder. De verkeersgeneratie wordt bepaald op basis van de CROW-publicatie 381. 5.12.1 Verkeer In de notitie die is geschreven over de stikstofdepositie als gevolg van voorliggend bestemmingsplan (inclusief fase 6.0), is een tabel opgenomen waarin de verkeersgeneratie is weergegeven. De tabel wordt hierna weergegeven.

Willem Alexanderhof Oost Pagina 47 van 55

Afbeelding: tabel verkeersgeneratie (bron: notitie stikstofdepositie)

Uit de berekening in bovenstaande tabel blijkt dat er in totaal voor onderhavig plangebied een verkeersgeneratie van ruim 2.000 verkeersbewegingen per etmaal plaats zullen vinden. Met de ontsluitingswegen in het plangebied is al rekening gehouden met de toename van verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe woonwijk Willem Alexanderhof. De bestaande en aan te leggen ontsluitingswegen voor het plangebied voorzien in voldoende capaciteit om de toenemende verkeerstoename op te vangen.

Willem Alexanderhof Oost Pagina 48 van 55

5.12.2 Parkeren De navolgende tabel is afkomstig uit de Nota Parkeernormen Den Helder. Op basis van deze nota dient gerekend te worden met de normen voor 'rest bebouwde kom'. Uit deze tabel blijkt dat gerekend moet worden met een norm van maximaal 2,0 parkeerplaats (pp). Middenwoningen hebben bijvoorbeeld een lagere norm (1,9). Deze normen zijn via dit bestemmingsplan vastgelegd in de regels door de Nota Parkeren Den Helder als voorwaarde te koppelen aan omgevingsvergunningen voor het bouwen. Voldoende parkeerplaatsen per woning zijn hiermee geborgd.

In de stedenbouwkundige opzet die is opgesteld voor Willem Alexanderhof Oost wordt gerekend met een norm van 2,0 voor alle woningen. De parkeerplaatsen worden zowel op eigen terrein als in de openbare ruimte aangelegd. Dit betekent dat er meer dan voldoende parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd en dat er zal worden voldaan aan de Nota Parkeren Den Helder.

Afbeelding: tabel met parkeernormen (bron: Nota Parkeernormen Den Helder)

5.12.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.13

Kabels, leidingen, straalpaden en andere belemmeringen

Planologische relevante buisleidingen dienen in het bestemmingsplan te worden bestemd. De bestemming leiding wordt gecombineerd met de bestemming van de gronden waarin de leiding is gelegen en beperkt de rechten en het gebruik van die gronden (de zogenaamde dubbelbestemming). Planologisch relevante leidingen zijn: hoofdtransportleidingen; hoogspanningsleidingen van 50 KV en hoger;

Willem Alexanderhof Oost Pagina 49 van 55

buisleidingen voor het transport van brandbare gassen met een druk van 20 bar of hoger; buisleidingen voor het transsport van brandbare vloeistoffen met een diameter van 400 mm en groter; buisleidingen voor het transsport van giftige stoffen; buisleidingen met een diameter van 400 mm en groter en gelegen buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor het transport van afvalwater van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier met een diameter van 400 mm en groter (hoofdleidingen van en naar de afvalwaterzuiveringsinrichting); optisch vrije paden (straalpaden). Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming/regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen (riool(pers)leidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) vervullen uitsluitend een functie voor de aanwezige functies in het gebied (kavelaansluitingen) en kunnen ook zonder planologische regeling worden aangelegd. Deze leidingen zijn veelal aangelegd langs en/of in combinatie met aanwezige infrastructuur. Bij de technische uitwerking van het plan wordt de veiligheid van deze kabels en leidingen gewaarborgd via het KLIC-systeem.

Planspecifiek Er is getoetst aan de vigerende bestemmingsplannen en de risicokaart van Nederland om inzicht te krijgen in mogelijke belemmeringen in of in de directe nabijheid van het plangebied. Uit dit onderzoek zijn geen relevante kabels, leidingen, straalpaden of andere belemmeringen naar voren gekomen, die mogelijk een belemmering zouden kunnen zijn voor deze ontwikkeling.

Willem Alexanderhof Oost Pagina 50 van 55

Hoofdstuk 6

6.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Dit hoofdstuk geeft inzicht in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke ontwikkeling juridisch is vertaald in dit bestemmingsplan. Het juridisch bindende deel bestaat uit de regels en de verbeelding. De regels vormen het juridisch instrumentarium voor wat betreft het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft de functie van visualisering van de bestemmingen en aanduidingen die in de regels worden benoemd.

6.2

Verbeelding

De verbeelding behorend bij dit uitwerkingsplan geeft de bestemmingen en aanduidingen van de gronden aan. Deze bestemmingen corresponderen met de artikelen in de regels, zoals beschreven in paragraaf 6.3. Op de verbeelding staan de symbolen en maatvoeringen waarbij in de planregels is opgenomen wat de mogelijkheden en beperkingen zijn.

6.3

Planregels

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: I. hoofdstuk 1 – Inleidende regels; II. hoofdstuk 2 – Bestemmingsregels; III. hoofdstuk 3 – Algemene regels; IV. hoofdstuk 4 – Overgangs- en slotregels. In deze paragraaf worden de regels per hoofdstuk toegelicht. Hoofdstuk1 – Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat de inleidende bepalingen van de regels en onderstaande artikelen zijn in dit hoofdstuk opgenomen:

Artikel 1: Begrippen Dit artikel geeft de betekenis aan van in de regels voorkomende begrippen. De begripsbepalingen staan op alfabetische volgorde. Voor een aantal begrippen zijn de wettelijk in de SVBP 2012 voorgeschreven definitiebepalingen gebruikt. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke wijze de berekening van maten plaatsvindt. Hoofdstuk2 – Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die in het plangebied voorkomen. Voor ieder bestemmingsvlak op de verbeelding, bevat hoofdstuk 2 een regeling. Als op de verbeelding een bouwvlak is opgenomen, is de hoofdregel dat de hoofdgebouwen binnen de bouwgrenzen dienen te worden opgericht. Bij de indeling van de bestemmingsregels is conform de Willem Alexanderhof Oost Pagina 51 van 55

SVBP 2012 een vaste volgorde aangehouden. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: I. bestemmingsomschrijving (omschrijving van de toegestane functies en gebruiksdoelen); II. bouwregels (regels waaraan de bebouwing dient te voldoen); III. eventuele nadere eisen die het college van burgemeester en wethouders aan de bebouwing kan stellen; IV. eventuele afwijking van de bouwregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de bouwregels); V. eventuele specifieke gebruiksregels (regels die aangeven welk specifiek gebruik verboden is); VI. eventuele afwijking van de gebruiksregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de gebruiksregels). Artikel 3: Woongebied Deze bestemming is toegekend aan de gebieden waar woningen worden gerealiseerd. Op gronden met de bestemming Woongebied is het toegestaan om woonhuizen, ontsluitingswegen, sloten, vaarten en daarmee gelijk te stellen waterlopen, oevers, bermen, beplanting en groen te realiseren, evenals waterpartijen. Daarbij behorende tuinen, erven en terreinen, woonstraten en paden, openbare nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, watervoorzieningen, waaronder waterbergingen, sloten en oevers en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn ook mogelijk gemaakt.

Artikel 4: Groen De bestemming Groen vormt buffers tussen de woongebieden. Deze bestemming is gekozen om voldoende groen in het plangebied te bestendigen en ook om het waterbergend vermogen binnen het plangebied omhoog te brengen. Hiermee kan worden voldaan aan de afspraken die zijn gemaakt met het HHNK. Naast groenvoorzieningen waterbergende voorzieningen zoals wadi's, zijn onder meer tevens waterpartijen, wandel- en fietspaden en recreatief gebruik toegestaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.denhelder.nl/api/v1/meetings/1779/documents/17861