RIS325164 Bijlage ruimtelijke onderbouwing Obrechtstraat
Tekst van het document
• •
20% middeldure huurwoningen; en een streven naar 25% middeldure koopwoningen.
Daarbij wordt gestuurd op een meer evenwichtige spreiding van de sociale woningbouw over de stad. Ook wordt ingezet op het borgen van voldoende betaalbare woningen voor kwetsbare groepen en wordt gestuurd op de verbetering en vernieuwing van kwetsbare wijken, o.a. via de aanpak 'Nieuwe Generatie Stadswijken'. Streven is meer differentiatie in de woningvoorraad aan te brengen. Eventuele afname van de sociale voorraad in deze wijken dient elders in de stad, maar ook in de regio te worden gecompenseerd. 2. Het verder uitbouwen van Den Haag als aantrekkelijke en gastvrije woonstad. Dit is een voorwaarde voor het vasthouden en aantrekken van stedelijk talent. Doel is om voor deze groepen die bijdragen aan het internationale, gastvrije, levendige en economische profiel van Den Haag nog meer onderscheidende stedelijke woon(werk)milieus te ontwikkelen. In het bouwprogramma wordt daarom nadrukkelijk rekening gehouden met de woonvoorkeuren van stedelijke doelgroepen young urban professionals, stedelijke gezinnen, studenten, empty-nesters en expats.
Pagina 26 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
3. Een meer toekomstbestendige woningvoorraad. Het streven is dat in 2030 de woningvoorraad voldoet aan de duurzame en woontechnische eisen. Dit betekent dat het onderhoud van woningen op orde is en dat in 2030 tenminste 50% van de woningen wordt verwarmd met een niet-fossiele warmtebron. Voor nieuwbouw betekent dit dat woningen niet langer zijn aangesloten op het gasnet. Verder wordt ingezet op een groter en gevarieerder aanbod aan geschikte woningen en woonzorgvormen voor (langer) zelfstandig thuis wonen. Doorwerking planinitiatief Het plan voorziet in 5 rijwoningen (eengezinswoningen). Dit betreft een categorie waar behoefte aan is. Het plan levert daarmee een bescheiden bijdrage aan het verkleinen van het woontekort. Het plan is daarom in lijn met de Woonvisie van de gemeente Den Haag. Er hoeft formeel niet te worden voldaan aan de segmentering van het woningbouwprogramma omdat de ontwikkeling niet in meer dan 30 eengezinswoningen voorziet, zie pagina 21 Woonagenda 2020-2023.
Pagina 27 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
3.4.7 Woonagenda 2020-2023 Op 7 oktober 2020 heeft de raad de Woonagenda 2020-2023 vastgesteld. De Woonagenda is een actualisatie van de vorige Woonagenda 2019-2023, aangevuld met maatregelen uit het coalitieakkoord 'Samen voor de stad'. Uitgangspunt is dat iedere inwoner van Den Haag fatsoenlijk en betaalbaar kan wonen. Betaalbaar wonen moet haalbaar zijn voor starters, ouderen, studenten én gezinnen. De Woonagenda vormt het actueel woonbeleid van Den Haag en is hiermee een concrete uitwerking van de Woonvisie. De woonagenda vervangt de uitvoeringsagenda bij de Woonvisie Den Haag. Belangrijke elementen van de woonagenda zijn: • maatregelen om de realisatie en het behoud van goedkope en middeldure woningen te borgen; • maatregelen om de sociale huurwoningen in Den Haag beter te verdelen; • maatregelen om de leefbaarheid in wijken te beschermen door een rem op de bouw van kleine woningen (kleiner dan 50 m2) en het beperken van de mogelijkheid tot bouwkundig splitsen (zie paragraaf ); • maatregelen voor specifieke doelgroepen waaronder onmisbare beroepsgroepen, woonwagenbewoners, zorgdoelgroepen en studenten. In de woonagenda zijn extra maatregelen beschreven. Den Haag kampt momenteel namelijk met een enorme woningnood. Den Haag groeit de komende jaren met 4.000 tot 5.000 inwoners per jaar.
Om te zorgen dat iedereen in onze stad prettig kan wonen zijn dan ook flinke maatregelen nodig voor de Haagse woningmarkt. In de woonagenda zijn deze extra maatregelen beschreven en hieronder worden er aantal opgesomd: • De jaarlijkse bouwambitie is verhoogd. De norm van 30% sociale woningbouw voor de hele stad groeit hierbij mee. • Daarnaast geldt een eis van 20% middel dure huur (waarvan de helft tussen de liberalisatiegrens en €880 en de helft tussen €880 en €985 (prijspeil 2020). • Er wordt gestreefd naar 20% betaalbare koopwoningen in nieuwbouw (< €310.000 prijspeil 2020). • Op beperkte schaal voert de gemeente een actief grondbeleid als dat helpt om de bouw van sociale huur en starterswoningen te ondersteunen. • Het verbouwen van een woning tot 2 of meer zelfstandige woningen (bouwkundig splitsen) kan alleen nog in een beperkt aantal gebieden en onder bepaalde voorwaarden. Ook de regels voor kamerbewoning en kamerverhuurders worden strenger. Dit voorkomt negatieve gevolgen voor het karakter en de leefbaarheid van buurten. • Er is in Den Haag een groot tekort aan bepaalde beroepsgroepen zoals leraren, agenten en zorgpersoneel. Daarom experimenteert de gemeente met manieren om deze beroepsgroepen te helpen bij het vinden van huisvesting. Zo maken we het aantrekkelijker om deze beroepen uit te oefenen in Den Haag.
• Er komen extra maatregelen voor het huisvesten van specifieke groepen zoals studenten, zorgdoelgroepen, ouderen en arbeidsmigranten. Bij plannen met meer dan 30 eengezinswoningen, of meer dan 80 meergezinswoningen moet er worden voldaan aan de percentages van 20% middel dure huurwoningen en 30% sociale woningbouw in het woonprogramma van het betreffende plan. Doorwerking planinitiatief. Het plan voorziet in 5 rijwoningen (eengezinswoningen) in het duurdere koopsegment en voorziet daarmee in een categorie waar behoefte aan is. Er hoeft niet te worden voldaan aan de verplichte woningbouwsegmentering zoals omschreven in de woonagenda 2020-2023 omdat het plan kleiner is dan 30 eengezinswoningen. Het plan voorziet met de 5 middel dure koopwoningen wel in een categorie waar behoefte aan is.
Pagina 28 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
4 Milieuaspecten De diverse milieuaspecten kunnen een belangrijke afweging vormen bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling in afwijking van het bestemmingsplan, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. 4.1 Bodem Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (hierna: Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit stelt grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. De bodemkwaliteit en voorgenomen functie dienen met elkaar in overeenstemming te zijn. Voor een ruimtelijke ontwikkeling en functiewijziging is bodemonderzoek benodigd om de bodemkwaliteit op de projectlocatie vast te stellen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het projectgebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wbb regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering.
Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van projectgebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a) het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b) het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c) het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Doorwerking planinitiatief Voor het plan is een historisch onderzoek, verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd. Er is ook asbestonderzoek uitgevoerd binnen het projectgebied van het plan ‘Hof van Boedijn’. In afbeelding 11 is het onderzoeksgebied weergegeven. Het onderzoek maakt als bijlage 2 onderdeel uit van de ruimtelijke onderbouwing.
Afbeelding 11: Overzicht van te behouden en te kappen bomen.
Pagina 29 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
Historisch onderzoek Uit analyse van topografische kaarten uit 1890 tot op heden is gebleken dat het plangebied al minimaal sinds begin 20e eeuw bebouwd is. Uit het kaartmateriaal is ook gebleken dat er in het verleden een trambaan door het plangebied gelopen heeft. Volgens kadastrale informatie is de bebouwing met nummer 106a-106g gerealiseerd in 1893. De bebouwing met nummer 106g is gerealiseerd in 1900. Het is niet bekend of deze bouwjaren daadwerkelijk kloppen gezien het historische kaartmateriaal. Op de planlocatie heeft eerder bodemonderzoek plaatsgevonden. Gedurende dit onderzoek zijn er licht verhoogde concentraties aangetroffen. Op basis van deze historische gegevens kunnen lichte gehalten van verontreiniging worden verwacht. Verder is uit locatieonderzoek gebleken dat 2 geconstateerde puinverhardingen als asbestverdacht moeten worden beschouwd. Verkennend bodemonderzoek De deellocaties binnen de onderzoeklocatie van het verkennend bodemonderzoek bestaan uit de 2 geconstateerde puinverhardingen aan de Noordoostzijde en de Zuidzijde. De derde deellocatie betreft het overige terreindeel. Voor alledrie de deellocaties is de hypothese ‘verdacht’ op verontreiniging gesteld. De onderzoeksstrategie is afgestemd op de gestelde hypothese. In de maanden september en november heeft het veldwerk plaatsgevonden.
Vanwege de aanwezigheid van split bovenop het puin op het noordoostelijke terreindeel en de aanwezigheid van vegetatie op het puin op het zuidelijke terreindeel kon geen (goede) maaiveldinspectie worden uitgevoerd. Tijdens de beperkte locatie- cq. maaiveldinspectie zijn op het maaiveld van de locatie geen asbestverdachte materialen of overige bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging. Het vrijkomende materiaal is zintuiglijk beoordeeld op samenstelling, geur, kleur en overige bijzonderheden die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Uit de boorstaten blijkt dat de bodem over het algemeen uit zeer fijn tot matig fijn zand bestaat. In de ondergrond is sprake van (zandige) veenlagen. De puinlagen bestaan hoofdzakelijk uit repac met bijmengingen van baksteen, beton, aardewerk, glas en grind. Onder het puin bevinden zich zandlagen waarin bijmengingen van baksteen, beton, kolengruis en kalk zijn waargenomen. Ten aanzien van de steenachtige bijmengingen is in het veld vastgesteld dat eenduidig sprake is van baksteen en/of beton. Betreffend materiaal is niet vermengd met andersoortig puin en ten aanzien asbest onverdacht. Bij de uitvoering van het laboratoriumonderzoek is de gehanteerde onderzoeksstrategie in de NEN5740 en NEN5897 als leidraad gebruikt.
Voor het inschatten van de risico's van eventueel aanwezige verontreinigingen zijn de analyseresultaten (meetwaarden) van het laboratorium gestandaardiseerd (GSSD) en vervolgens getoetst aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden bodemsanering. Het toets resultaat wordt weergegeven als index en geeft de verhouding weer tussen het gemeten gehalte en de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. Met betrekking tot asbest zijn daar waar noodzakelijk de gewogen asbestconcentraties bepaald. Deellocatie Analysemonster
De kwaliteit van de zintuiglijk verontreinigde ondergrond is niet onderzocht in het laboratorium omdat het niet toegestaan is om zintuiglijk schone en zintuiglijk verontreinigde monsters te mengen. Op basis van visuele waarnemingen wordt de kwaliteit van de zintuiglijk verontreinigde ondergrond vergelijkbaar geacht met de kwaliteit van de zintuiglijk verontreinigde bovengrond. Uit de onderzoeksresultaten is gebleken dat het mengmonster van de zintuiglijk verontreinigde bovengrond een matig verhoogd gehalte aan lood en zink bevat. Diverse overige zware metalen, PAK en minerale olie zijn licht verhoogd gemeten. In de zintuiglijk schone bovengrond zijn licht verhoogde
Pagina 30 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
gehalten aan enkele zware metalen en PAK gemeten. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verhoogde parameters gemeten. Na uitsplitsing van het mengmonster van de zintuiglijk verontreinigde bovengrond is gebleken dat de bovengrond ter plaatse van de boringen 02 en 08 sterk verontreinigd is met respectievelijk zink en lood. Ter plaatse van de overige boringen is sprake van voornamelijk licht tot plaatselijk matig verhoogde gehalten. De verhoogde gehalten worden voornamelijk gerelateerd aan de visueel waargenomen bijmengingen en/of het gebruik van de locatie door de jaren heen. Op basis van het historische gebruik van de locatie wordt aangenomen dat de bijmengingen en daarmee de licht tot sterk verhoogde gehalten voor 1987 zijn ontstaan cq. in de bodem terecht zijn gekomen. Daarmee is (ten aanzien van de sterke verontreinigingen) sprake van historische verontreinigingen waarop de zorgplicht niet van toepassing is. De licht verhoogde gehalten vormen geen belemmering voor de geplande planologische procedure, de aanvraag van een omgevingsvergunning en de herontwikkeling van de locatie. Ten aanzien van de sterke verontreinigingen geldt dat hiervoor wel belemmeringen gelden. De omvang van de verontreinigingen is niet bekend. Daar heeft nader onderzoek naar plaatsgevonden.
Asbestonderzoek Uit de resultaten van het uitgevoerde asbestonderzoek blijkt dat zowel de fijne fractie van het puin op het noordoostelijk terreindeel als de fijne fractie van het puin op het zuidelijke terreindeel geen asbest bevatten. Ten aanzien van asbest is het puin daarmee geschikt voor hergebruik en is geen sprake van belemmeringen voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en herontwikkeling van de locatie. Analyse resultaten grondwater In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan xylenen, enkele VOCl-componenten en molybdeen gemeten. De gemeten concentraties overschrijden de streefwaarden in geringe mate. De grondwaterkwaliteit vormt geen belemmering voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en herontwikkeling van de locatie. Een directe oorzaak voor de licht verhoogde concentraties is niet bekend maar wordt gezocht in het historische gebruik van de locatie en/of de omgeving daarvan. Nader bodemonderzoek De aanleiding van het nader bodemonderzoek wordt gevormd door de onderzoeksresultaten van het verkennend bodemonderzoek. Op een deel van de locatie (boringen 02 en 08) is in de bovengrond sprake van een sterke verontreiniging met respectievelijk zink en lood aangetoond.
Om de omvang van de verontreiniging ter plaatse van boring 02 vast te stellen worden ter horizontale afperking vier aanvullende boringen (102-105) verricht tot een diepte van circa 1,0 m-mv. Voor verticale afperking van de verontreiniging wordt één boring (101) verricht tot circa 2,0 m-mv ter plaatse van de verontreinigde boring 02. Om de omvang van de verontreiniging ter plaatse van boring 08 vast te stellen worden ter horizontale afperking drie aanvullende boringen (202-204) verricht tot een diepte van circa 1,0 m-mv. Daarnaast worden voor horizontale afperking, in combinatie met het gelijktijdig uitgevoerde puinonderzoek, drie gaten doorgeboord tot een diepte van circa 1,0 m-mv. Voor verticale afperking van de verontreiniging wordt één boring (201) verricht tot circa 2,0 m-mv ter plaatse van de verontreinigde boring 08. Ter plaatse van de verontreinigingskern ter plaatse van boring 02 zijn in de ondergrond geen parameters verhoogd gemeten. Dit betekent dat de verontreiniging op een diepte van circa 0,8 m-mv volledig is afgeperkt. Ter plaatse van horizontaal afperkende boring 104 is nog een sterk verhoogd gehalte aan zink gemeten. Ter plaatse van de overige boringen zijn hooguit licht tot matig verhoogde gehalten aan zink
Pagina 31 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
en/of lood gemeten. Boring 104 bevindt zich ten zuiden van boring 02. Ten zuiden van boring 104 zijn tijdens het verkennend bodemonderzoek de boringen 10, 05 en 04 verricht. Zintuiglijk zijn niet of nauwelijks bodemvreemde materialen aangetroffen ter plaatse van deze boringen. De bovengrond uit deze drie boringen is (tijdens het verkennend bodemonderzoek) samengevoegd tot mengmonster MM BG 02. In betreffend monster is een gehalte aan lood gemeten welke de achtergrondwaarde in zeer geringe mate overschrijdt. Zink is in dit monster niet verhoogd gemeten. Op basis van de analyseresultaten van zowel het verkennend als nader bodemonderzoek kan de omvang van de sterke verontreiniging in voldoende mate worden vastgesteld. Het uitvoeren van verder nader onderzoek wordt daarmee niet noodzakelijk geacht. Ter plaatse van de verontreinigingskern ter plaatse van boring 08 zijn in de ondergrond licht verhoogde gehalten aan lood en zink gemeten. Dit betekent dat de (sterke) verontreiniging op een diepte van circa 1,0 mmv in voldoende mate is afgeperkt. Ter plaatse van de horizontaal afperkende boringen 202, 203 en G04 zijn nog sterk verhoogde gehalten aan lood en/of zink gemeten. Betreffende boorpunten bevinden zich op het oostelijke terreindeel nabij de perceelsgrens. In de overig horizontaal afperkende monsters zijn hooguit licht tot matig verhoogde gehalten aan lood en/of zink aangetoond.
Tijdens het verkennend bodemonderzoek zijn ter plaatse van boring 09, verricht ten noorden van boring 08, licht verhoogde gehalten aan lood en zink aangetoond. Op basis van de analyseresultaten van zowel het verkennend als nader bodemonderzoek kan de omvang van de sterke verontreiniging in voldoende mate worden vastgesteld. Het uitvoeren van verder nader onderzoek wordt daarmee niet noodzakelijk geacht. Ten aanzien van PFAS voldoet de (sterk) verontreinigde grond aan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat op het overwegend noordoostelijke terreindeel sprake is van een heterogeen lichte tot sterke verontreiniging met lood en zink. De geschatte verontreinigingscontouren (matige tot sterke verontreiniging) zijn weergegeven op afbeelding 12.
Afbeelding 12: verontreinigingscontouren.
De oppervlakte van het matig tot sterk met lood en zink verontreinigde gebied wordt geschat op circa 600 m2. Binnen dit gebied is sprake van twee separate sterke verontreinigingscontouren waarvan beide
Pagina 32 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
een oppervlakte hebben van circa 70 m2 (totaal 140 m2). Bij een verontreinigde bodemlaag van 0,8 à 1,0 m1 (gemiddeld 0,9 m1) wordt de omvang van de matige tot sterke verontreiniging geschat op circa 540 m3. Hiervan is circa 126 m3 grond sterk verontreinigd. In noordwestelijke richting is waarschijnlijk sprake van een matige perceelgrensoverschrijdende verontreiniging. In oostelijke richting is waarschijnlijk sprake van een matige tot sterke perceelgrensoverschrijdende verontreiniging. De omvang van de verontreiniging buiten de onderzoekslocatie is niet vastgesteld. Op basis van de omvang van de (sterke) verontreiniging binnen de onderzoekslocatie, doordat de verontreiniging voor 1987 is ontstaan en sprake is van een organisatorische en ruimtelijke samenhang, is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De zorgplicht uit de Wet bodembescherming is niet van toepassing. conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt een deel van de locatie heterogeen matig tot sterk verontreinigd te zijn met lood en zink. Daarbuiten zijn hooguit licht verhoogde gehalten in grond en licht verhoogde concentraties in grondwater aangetoond. De licht verhoogde gehalten cq. concentraties vormen geen belemmering voor de geplande planologische procedure, de aanvraag van een omgevingsvergunning en de herontwikkeling van de locatie.
Ten aanzien van de matige tot sterke verontreinigingen geldt dat hiervoor wel belemmeringen gelden. De verhoogde gehalten worden voornamelijk gerelateerd aan de visueel waargenomen bijmengingen en/of het gebruik van de locatie door de jaren heen. Op basis van het historische gebruik van de locatie wordt aangenomen dat de bijmengingen en daarmee de licht tot sterk verhoogde gehalten voor 1987 zijn ontstaan cq. in de bodem terecht zijn gekomen. Daarmee is (ten aanzien van de sterke verontreinigingen) sprake van een geval van ernstige verontreiniging waarop de zorgplicht niet van toepassing is. De matige tot sterke verontreiniging vormt een belemmering voor de geplande planologische procedure, de aanvraag van een omgevingsvergunning en de herontwikkeling van de locatie. Om die reden dient in het kader van de herontwikkeling een bodemsanering plaats te vinden. De saneringswijze dient vastgesteld te worden op basis van de toekomstige terreininrichting. Voorafgaand aan de sanering dient een BUS-melding opgesteld in ingediend te worden bij het bevoegd gezag. De proceduretermijn bedraagt vijf weken. Na het indienen van de benodigde meldingen kunnen de saneringswerkzaamheden worden uitgevoerd. Deze werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden door BRL 7000 en BRL 6000 erkende bedrijven.
Pagina 33 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
4.2
Archeologie
Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Gemeentelijk beleid archeologie Voor het gehele grondgebied van Den Haag heeft de gemeente een Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart (AWVK) opgesteld. In de Beleidsnota Archeologie 2011-2020 'In het verleden ligt het heden' geeft de gemeente aan hoe ze zorg wil dragen voor de archeologische sporen en resten in de Haagse ondergrond. Op de gemeente dekkende AWVK komen drie eenheden voor waaraan de gemeente beleid heeft gekoppeld: 1. Terreinen met een archeologische waarde, dat wil zeggen: waarvan is vastgesteld dat er zich belangrijke archeologische sporen en resten bevinden. In het kader van de archeologische monumentenzorg stelt de gemeente hier voorwaarden aan bodemverstorende activiteiten dieper dan 50 cm onder maaiveld; 2. Gebieden waar archeologische resten en sporen kunnen worden verwacht (op basis van de bodemopbouw en/of historische kaarten).
Bij activiteiten met een bodemverstoring groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld stelt de gemeente hier voorwaarden voor onderzoek en bescherming van mogelijk aanwezige sporen en resten. 3. Gebieden waar geen archeologische sporen/resten (meer) worden verwacht. Hier verbindt de gemeente op het gebied van de archeologie geen voorwaarden aan bodemverstorende activiteiten. Deze verwachtingen zijn verwerkt in de Haagse bestemmingsplannen door dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie” met verschillende gradaties op te nemen. Doorwerking planinitiatief Het plangebied kent in het geldende bestemmingsplan ‘Duinoord’ de dubbelbestemming ‘Waarde archeologie’. Ondanks dat het plangebied deze dubbelbestemming heeft en daarmee formeel om archeologisch onderzoek kan worden gevraagd, heeft het terrein op de vernieuwde Archeologische Waarden- en verwachtingskaart geen archeologische verwachting (meer). Uit een mailwisseling van 15 augustus 2023 met de afdeling Archeologie van de gemeente Den Haag blijkt dat zij geen archeologische onderzoek verlangen bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning. De wettelijke meldingsplicht blijft wel van kracht (Erfgoedwet art. 5.10 en 5.11). Dat wil zeggen dat, indien er tijdens de werkzaamheden archeologische vondsten worden gedaan door de uitvoerder, dit per direct bij de afdeling Archeologie van de gemeente Den Haag moet worden gemeld.
Pagina 34 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
4.3 Flora & fauna Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie wetten: de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van soorten en gebieden vastgelegd. Soortenbescherming De toets aan de natuurwetgeving is een getrapte toets. Allereerst is een quickscan flora en fauna (natuurtoets) nodig. De resultaten van de quickscan bepalen of een vervolgonderzoek uitgevoerd moet worden. Een voorbeeld van een vervolgonderzoek is een onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen of andere beschermde soorten. Het plan kan soms onder bepaalde voorwaarden worden uitgevoerd als er negatieve effecten worden verwacht. Een voorbeeld is door het nemen van maatregelen om negatieve effecten te voorkomen. Er is meestal een ontheffing nodig van de provincie als negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden. Gebiedsbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn er natuurgebieden aangewezen die beschermd zijn. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn uitgesplitst in Habitatrichtlijngebieden en Vogelrichtlijngebieden. Binnen de diverse Natura 2000-gebieden komen een aantal stikstofgevoelige habitattypen voor. Het projectgebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals een Natura 2000-gebied.
Zorgplicht Tevens dient ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten de zorgplicht van artikel 1.11 Wet natuurbescherming in acht te worden genomen. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg dient te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het projectgebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals een Natura 2000-gebied. Doorwerking planinitiatief Vanwege het planvoornemen wordt de bestaande bebouwing in het plangebied gesloopt. Vanuit de wetgeving is het verplicht om te onderzoeken of de werkzaamheden negatieve effecten hebben op beschermde gebieden en beschermde soorten. Beschermde gebieden Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000- gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Westduinpark & Wapendal’ en bevindt zich op een afstand van respectievelijk 1,45 km van het plangebied. Er is een Aerius-berekening uitgevoerd waarmee wordt aangetoond dat het plan geen negatieve effecten heeft op dit Natura- 2000 gebied. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.4 en bijlage 3.1, 3.2 en 3.3 van deze onderbouwing. Beschermde soorten Er is een ecologische quickscan (bijlage 4) uitgevoerd vanwege de sloop, bouw en aanlegwerkzaamheden op de planlocatie.
Uit de ecologische quickscan is gebleken dat het plangebied geen functioneel leef- of verblijfsgebied is voor beschermde soorten. Het plangebied kan mogelijk wel geschikt zijn voor soorten die niet zijn beschermd of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten altijd beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart t/m 15 juli). Geconcludeerd kan worden dat het aspect soortenbescherming geen belemmering vormt voor de ontwikkeling, mits de volgende maatregelen worden getroffen:
Pagina 35 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
• •
•
• •
•
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.
De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
Conclusie Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde Natuurgebieden. Het plan heeft daarom geen negatieve invloed op Natuurnetwerk Nederland. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat het plan geen negatieve effecten heeft op Natura-2000 gebied. Daarom is een stikstofberekening uitgevoerd waar in paragraaf 4.4. van deze onderbouwing nader op in wordt gegaan. Uit de berekening is gebleken dat het plan geen negatieve effecten heeft op Natura 2000- gebied. Het plangebied vormt geen essentieel leefgebied voor beschermde soorten. Wel kan het plangebied geschikt zijn voor algemene soorten. Er dient voor de werkzaamheden rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Het aspect soortenbescherming hoeft geen belemmering te vormen, mits de maatregelen zoals hiervoor omschreven worden uitgevoerd.
Pagina 36 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
4.4 Stikstofdepositie Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen. Met AERIUS Calculator kan correct berekend worden of er sprake is van stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Zowel de bouwfase als de gebruiksfase van het project dient berekend te worden. Doorwerking planinitiatief De stikstofdepositie door de gewenste activiteiten op de Natura 2000-gebieden is voor het jaar 2024 en het jaar 2025 berekend met de Aerius-calculator. De uitkomst is dat er in de realisatie- en gebruiksfase geen depositie op Natura 2000-gebieden optreedt. Een nadere beschouwing is dan ook niet noodzakelijk.
Op grond van de beoordelingssystematiek voor nieuwe activiteiten is het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming dan ook niet nodig. Op grond van de stikstofdeposities is er geen reden het initiatief te belemmeren. De stikstofberekeningen van de bouwfase (bijlage 3.1) en de gebruiksfase (bijlage 3.2) zijn opgenomen als bijlage van deze onderbouwing. Daarnaast is een Aerius rapportage opgesteld waarin er meer uitleg wordt gegeven over de totstandkoming en achtergronden van de berekening. Deze is opgenomen als bijlage 3.3 van de onderbouwing.
Pagina 37 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
4.5 Geluid In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai opgenomen, met betrekking tot geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies zoals woningen. In de omgeving van het onderhavige project is wegverkeer een relevante geluidsbron. Met het plan worden geluidgevoelige objecten gerealiseerd, derhalve is een akoestisch onderzoek noodzakelijk. Wegverkeerslawaai Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij de weg binnen een woonerf is gelegen of dat voor een weg een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur. De overige wegen kennen een geluidszone, een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. In het kader van de toetsing aan de Wet geluidhinder is in dit geval sprake van bestaande wegen en van nog niet geprojecteerde woningen. De ten hoogst toelaatbare geluidbelasting voor nieuw te projecteren woningen binnen een zone van een bestaande weg bedraagt 48 dB. Het is echter mogelijk om onder voorwaarden een ontheffing te krijgen van de voorkeurswaarde van 48 dB. Een belangrijke voorwaarde is dat onderzoek moet worden verricht naar mogelijk te nemen maatregelen waarmee de geluidsbelasting terug kan worden gedrongen.
Voor nog niet geprojecteerde woningen bedraagt de maximale te ontheffen waarde voor de hoogst toelaatbare geluidsbelasting 63 dB.
Doorwerking planinitiatief De Wet geluidhinder is formeel niet van toepassing op wegen met een maximumsnelheid van 30 km/ uur. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidsbelasting wel inzichtelijk gemaakt en is analoog aan de systematiek uit de Wet geluidhinder aangesloten bij art. 110g en het Reken en meetvoorschrift geluid (2012) wat betreft de toe te passen aftrek. De Obrechtstraat is deels gezoneerd, de geluidsbelasting van de hele weg is echter getoetst. Er is een akoestisch onderzoek (bijlage 5) uitgevoerd naar de geluidsbelastingen ten gevolge van het wegverkeerslawaai op de geluidsgevoelige bestemming van het bouwplan. Voor de 5 nieuw te bouwen woningen (geluidgevoelige bestemmingen) is de geluidsbelasting van de volgende geluidsbronnen in beeld gebracht: • Koningin Emmakade (incl. tram), • Laan van Meerdervoort (incl. tram) • Obrechtstraat (gezoneerd deel) • Waldeck Pyrmontkade (incl. Tram) • In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt tevens de nabijgelegen weg Reinkenstraat in het onderzoek betrokken.
Tabel 1: berekende geluidsbelasting weg en tramverkeer samen (incl aftrek art. 110g Wet Geluidhinder).
De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt maximaal 36 dB wanneer het weg- en tramverkeer tezamen worden beschouwd. De geluidsbelasting als gevolg van enkel het tramverkeer bedraagt hoogstens 33 dB (zie bijlage 5). Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
Pagina 38 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
4.6 Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer. Het uitgangspunt bij ruimtelijke planvorming is dat een project niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aanpak zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijn stof (PM10 en PM2,5). Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. De overige stoffen die in bijlage 2 zijn genoemd liggen over het algemeen ver onder de grenswaarden. De grenswaarden van de stikstofdioxide en fijn stof zijn in onderstaande tabel weergegeven. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
24-uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m3
Fijn stof (PM2,5)
Tabel 2 Grenswaarden luchtkwaliteit
Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit uitoefenen indien: • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid onder b1); • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); • het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). Besluit niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit (besluit NIBM). De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
In het Besluit NIBM is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Doorwerking planinitiatief De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 5 rijtjeswoningen, aldus kan worden verwacht dat de ontwikkeling NIBM is. Het plan draagt daarom niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Om aan te tonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening dient ook de huidige luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Uit de informatie van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) kan het volgende worden afgeleid.
Pagina 39 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
Afbeelding 13: NO2 concentraties nabij het plangebied in het monitoringsjaar 2025
Uit afbeelding 13 blijkt dat de NO2 concentraties (stikstofdioxide) nabij het plangebied zich ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3 per jaar bevinden. Nabij de wegen rondom het plangebied worden waarden van 17 µg/m3 gemeten in het monitoringsjaar 2025.
Afbeelding 14: Concentraties PM10 nabij het plangebied in het monitoringsjaar 2025
Uit afbeelding 14 blijkt dat de PM10 concentraties (fijnstof) nabij het plangebied zich ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3 bevinden. Nabij de wegen rondom het plangebied worden waarden van 16,17 µg/m3 gemeten in het monitoringsjaar 2025.
Pagina 40 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
Afbeelding 15: PM2,5 concentraties nabij het plangebied in het monitoringsjaar 2025
Uit afbeelding 15 blijkt dat de PM2,5 concentraties (fijnstof) nabij het plangebied zich ruim onder de grenswaarde van 25 µg/m3 bevinden. Nabij de wegen rondom het plangebied worden waarden van 8,194 µg/m3 gemeten in het monitoringsjaar 2025. Conclusie
De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bevindt zich onder de wettelijke grenswaarden. Daarnaast voldoet het plan aan het NIBM- criterium. Immers gaat het om een kleinschalig plan met een toevoeging van 5 woningen. Aangezien de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de grenswaarden en het plan Niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Moet worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan.
Pagina 41 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
4.7 Bedrijven en milieuzonering Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient de invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid op de leefomgeving afgewogen te worden. Door middel van milieuzonering kan een ruimtelijke scheiding worden aangebracht tussen milieubelastende functies en milieugevoelige functies, zoals bijvoorbeeld wonen. De VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze zijn weergegeven in onderstaande tabel. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van woningen. Aan de hand van de VNG-brochure is beoordeeld of bestaande of mogelijk toekomstige bedrijvigheid een negatieve invloed heeft op de functie wonen. Milieucategorie
Gemengd gebied
Rustige woonwijk
1
0 meter
10 meter
2
10 meter
30 meter
3.1
30 meter
50 meter
3.2
50 meter
100 meter
4.1
100 meter
200 meter
4.2
200 meter
300 meter
Tabel 3: De VNG- Richtafstandentabel Bedrijven- en milieuzonering
De richtafstanden van de VNG- publicatie zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Volgens de VNG-publicatie is de definitie van het omgevingstype gemengd gebied als volgt: 'Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven'. Gebieden die direct langs hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Daarnaast bestaan er ook functiemengingsgebieden. Dit zijn vaak hoog stedelijke gebieden met een hoge mate van functiemenging zoals stadscentra of woonwerkgebieden. De planlocatie bevindt zich in een functiemengingsgebied. Hiervoor kan de staat van bedrijfsactiviteiten uit het vigerende bestemmingsplan Duinoord worden gebruikt als toetsingskader. Doorwerking planinitiatief Het plangebied ligt binnen een functiemengingsgebied. In het vigerende bestemmingsplan Duinoord is Een aparte staat van bedrijfsactiviteiten voor functiemenging als bijlage van dit bestemmingsplan opgenomen.
Ze vermeldt welke bedrijfsactiviteiten uit oogpunt van hinder en gevaar goed inpasbaar zijn in gebieden met functiemenging (stadscentra, winkelcentra, woonwerkgebieden met kleinschalige vooral ambachtelijke bedrijvigheid en gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies). Er is in deze lijst gekozen voor een andere categorieaanduiding dan in de algemene richtafstandenlijst: Categorie A betreft activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend;
Pagina 42 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
Categorie B betreft de activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden; Categorie C betreft activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: • het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; • productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; • de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; • activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur. Rondom de projectlocatie zijn hoofdzakelijk Woonbestemmingen aanwezig, waarbinnen o.a. kantoren, detailhandel, horeca, dienstverlening en een hotel is mogelijk gemaakt. Dit zijn allemaal categorie A en B activiteiten die niet belastend werken voor de 5 nieuwe woningen in het plangebied. Deze bedrijfsfuncties grenzen namelijk al direct aan bestaande woningen. Die bestaande woningen zijn maatgevend voor deze omringende bedrijven. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen. De omliggende bedrijven vormen geen belemmering.
In de omgeving komt alleen maar lichte bedrijvigheid voor, die goed samen kunnen gaan met woonfuncties in een functiemengingsgebied.
Pagina 43 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
4.8 Kabels en leidingen Het kan voorkomen dat er in of nabij het projectgebied planologische relevante kabels en/of leidingen liggen. Planologisch relevant zijn hoofdnutsvoorzieningen, zoals leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen, aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen of afvalwaterleidingen. Doorwerking planinitiatief Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een planologisch relevante leiding zoals een gasleiding, hoogspanningsleiding of afvalwaterleiding.
Pagina 44 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
4.9 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarbij kunnen de volgende bronnen worden onderscheiden: • Inrichtingen: risico’s van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties; • Transport van gevaarlijke stoffen over de weg; • Transport van gevaarlijke stoffen per spoor; • Transport van gevaarlijke stoffen over het water; • Transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een denkbeeldige persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De norm (één op één miljoen per jaar) geldt voor kwetsbare objecten als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Dit betekent dat er als gevolg van een ongeval – in theorie – per jaar slechts één persoon op een miljoen mensen mag overlijden. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op een ongeval met veel dodelijke slachtoffers. Hierbij wordt gekeken naar de werkelijk aanwezige bevolking en de verspreiding van die bevolking rond een risicobron.
Bepaald wordt hoe groot de kans is op tien, honderd of meer slachtoffers tegelijk onder die bevolking. Groepsrisicoberekeningen beogen maatschappelijke ontwrichting inzichtelijk te maken. Het groepsrisico is afhankelijk van de omvang van het ongeval. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het groepsrisico worden verantwoord (VGR). Vanzelfsprekend speelt de hoogte van het groepsrisico een rol, ook de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid maken onderdeel uit van de verantwoordingsplicht. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), zoals deze op dit moment luiden, zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is gebaseerd op de Nota Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS) die reeds is vervallen. De nota heeft geen wettelijk bindende werking, maar is niet vrijblijvend. Voor buisleidingen geldt sinds 1 januari 2012 de regeling ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’. Doorwerking planinitiatief In en rondom het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen en/of risicobronnen.
Uit de gegevens die beschikbaar zijn via risicokaart blijkt dat binnen het plangebied en in de omgeving daarvan geen bedrijven zijn gelegen die vanuit het oogpunt van externe veiligheid relevant zijn. Er vindt binnen het plangebied of de omgeving daarvan ook geen vervoer van gevaarlijke stoffen over water of spoor plaats. Het plangebied ligt op meer dan 200 meter van de rijkswegen en van de door de gemeenteraad vastgestelde route gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van deze maatgevende wegen. Verder zijn er binnen het plangebied of in de directe omgeving geen buisleidingen gelegen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Een LPG-tankwagen rijdt voor de bevoorrading van het tankstation aan de Van Stolkweg over de ontheffingsroute Zuid-Hollandlaan, Koningskade, Raamweg en Prof. B.M. Teldersweg (S200). Na de bevoorrading rijdt de LPG-tankwagen dezelfde route terug. De kortste afstand van het plangebied tot
Pagina 45 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
deze route is ongeveer 1,5 km. Het plangebied ligt daarmee op voldoende afstand van deze ontheffingsroute. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
Pagina 46 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
4.10 Waterhuishouding De waterparagraaf is een vast onderdeel van een ruimtelijke onderbouwing. In deze paragraaf komen relevante wateraspecten aan bod die van belang zijn in het plangebied. Het Hoogheemraadschap van Delfland is verantwoordelijk voor de waterkwantiteit en -kwaliteit van de polder- en boezemwatergangen in en om het plangebied. De gemeentelijke taken zijn onder andere het riool- en oeverbeheer. 4.10.1 Nationaal Waterprogramma Het Nationaal Waterprogramma geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Nederland heef te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta. • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.
De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Het bodem- en watersysteem stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen. Om deze randvoorwaarden ook juridisch te laten doorwerken zijn inhoudelijke kaders nodig voor de inrichting en gebruik van wateren alsook voor ruimtelijke inrichting, landgebruik en de wijze van bouwen. In Nederland komen veel opgaven voor de leefomgeving bij elkaar op een klein oppervlak. Niet alles kan, soms moeten keuzes worden gemaakt. Daarvoor zijn in het NWP een aantal afwegingsprincipes voor het waterbeleid en -beheer opgenomen. Daarmee zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het omvat een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen.
De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een water robuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daar- bij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.
Pagina 47 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
4.10.2 Hoogheemraadschap van Delfland Het Hoogheemraadschap van Delfland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn: • veiligheid tegen overstromingen; • voldoende water; • gezond water Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Delfland dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomst vast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Delflands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Delfland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheersplan werkt Delfland aan zijn ambities. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Delfland een adviserende rol.
In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Delfland een regelgevende rol. Keur en uitvoeringsregels De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels voor waterkeringen, watergangen en andere waterstaatwerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen) en voor kwelgevoelige gebieden. Maar ook voor onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. Het uitgangspunt van deze Keur is 'ja, tenzij': in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze Keur anders is bepaald. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij Delfland (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). 4.10.3 Gemeentelijk rioleringsplan Uitgangspunt voor het rioleringsbeleid is het "Integraal Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 (RIS 306620, vastgesteld 17-11-2020). Het plan beschrijft voor het eerst integraal de hoofdtaken van de gemeente voor de vier watercompartimenten: afvalwater, hemelwater, grond- en oppervlaktewater waarbij de onderlinge relaties, beleid en opgaven beschreven zijn. De raakvlakken met de uitwerking van de stadsbrede klimaatadaptatiestrategie zijn opgezocht en geïntegreerd.
Deze strategie wordt in een apart traject behandeld en vastgesteld. De gemeente neemt haar verantwoordelijkheid voor de zorgplichten zoals omschreven in de Wet milieubeheer en de Waterwet. De zorg voor het rioolstelsel en het grond- en oppervlaktewater vindt gebiedsgericht plaats en op basis van maatschappelijk aanvaardbare kosten. De klimaatverandering zal effect hebben op de grondwaterstanden. Naast monitoring op mogelijke verhoogde grondwaterstanden zullen ook te lage grondwaterstanden nauwlettender worden gevolgd.
Pagina 48 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
Afbeelding 16: Het grondwatersysteem van Den Haag (bron: Integraal Rioleringsplan 2021-2025)
De bodemgesteldheid in polders, en in het bijzonder in Wateringseveld, Ypenburg en Leidschenveen (diepe polders) is ongunstiger dan in andere stadsdelen, de verwachte levensduur van de riolering is hier dan ook korter dan gemiddeld. Deze wijken liggen op veengrond en hebben een gemiddeld hoge grondwaterstand die met behulp van sloten en soms ook lokale drainage wordt beheerst. Risico van bodemdaling met invloed op riool en op gebouwen is hier het grootst. In de nieuwe planperiode wordt extra nadruk gelegd op de samenhang tussen diverse gebruiksvormen van en werkzaamheden op maaiveld en ondergronds. Fasering van wegwerkzaamheden en rioolvervanging wordt op elkaar afgestemd. Een primaire notie bij het klimaatbestendiger maken van de stad door het afkoppelen van verharde oppervlakken is het ontstenen en bij voorkeur vergroenen. Verder vormt de aanwezigheid van bomen een uitdaging voor het vervangen van de riolering. Omgekeerd stelt de aanwezigheid van riolering randvoorwaarden aan te planten bomen. Er zal een goede afstemming nodig blijven met programma's van andere partijen, zoals met name het vervangen van waterleidingen door Dunea en gasleidingen door Stedin. Dubbel ruimtegebruik is wenselijk maar stelt wel de nodige voorwaarden. Een goede en tijdige afweging van de belangen is nodig om de verschillende ondergrondse ruimtegebruikers een plek te geven.
Er is ook sterke samenhang met energietransitie: aan de ene kant kan er warmte uit de riolering en het water worden gewonnen. Aan de andere kant kan de toenemende vraag naar ruimte in de ondergrond door warmtenetwerken leiden tot een nog grotere druk op de toch al schaarse ruimte in de ondergrond. Bij herstructureringen en nieuwbouwprojecten wordt in samenwerking met het hoogheemraadschap van Delfland een watertoets uitgevoerd. Via een waterparagraaf in het bestemmingsplan wordt de visie op de verwerking van afvalwater, hemelwater en grondwater en de samenhang met oppervlaktewater beschreven en worden eisen voor de verdere uitwerking verwoord. Het hoogheemraadschap hanteert hierbij de watersleutel. Deze is in 2020 vernieuwd en via de website van het hoogheemraadschap te gebruiken. Indien de ontwikkeling kan leiden tot overlast in het project of de nieuwe wijk, kunnen in een vroeg stadium passende maatregelen worden genomen om overlast te voorkomen. Meer dan de helft van het oppervlak van Den Haag is niet in bezit van de gemeente zelf. Bewoners en bedrijven zullen hun steentje moeten bijdragen om de stad water robuuster te maken. Voorbeelden van maatregelen op eigen terrein zijn het aanleggen van groene daken en het verminderen van verharding (tegels) in tuinen en op binnenterreinen.
Pagina 49 van 54
Ruimtelijke Onderbouwing Hof van Boedijn
Doorwerking planinitiatief Waterkering De planlocatie ligt niet op of nabij een waterkering. De belangen van een waterkering zijn daarom niet in het geding. Afname verhard oppervlak In de bestaande situatie is er sprake van bedrijfsbebouwing met een verhard terrein. In de toekomstige situatie worden er 5 woningen ingepast met groene daken, tuinen en wordt het terrein rondom de woningen groen ingepast. Het totaal aan verhard oppervlak neemt in de toekomstige situatie af ten opzichte van de bestaande situatie. In de bestaande situatie is er sprake van 343 m2 oppervlak aan bebouwing. Het verharde terrein rondom de bedrijfsbebouwing heeft een oppervlak van 1266 m2. In de bestaande situatie is er 367 m2 aan groen/ onverhard terrein aanwezig. Het totaal oppervlak aan bebouwing en verhard terrein bedraagt in de bestaande situatie 1.609 m2.
Afbeelding 17: Oppervlakte verharding bestaande situatie
In de toekomstige situatie bedraagt het oppervlak van de eengezinswoningen 585 m2 (inclusief 126 m2 aan private buitenruimte. De halfverharding in het plangebied bedraagt 539 m2. Het aantal m2 aan groen is in de toekomstige situatie 851 m2. Het aantal m2 aan verhard oppervlak neemt dus af t.o.v. de bestaande situatie. In bovenstaande en onderstaande afbeeldingen is dit visueel weergegeven.