RIS325129 Bijlage Het moment waarop democratie ontstaat
Tekst van het document
Edoch: dan volgt de lange mars door de instituties: het aanvragen van de benodigde vergunningen, het zoeken naar een goede én geschikte vorm van project(her)ontwikkeling. En uiteraard ook van bezwaarprocedures. Daarmee is het gebouw daadwerkelijk gered. Maar de zo gewenste sociale of culturele bestemming is er uiteindelijk niet van gekomen: ‘een gemeenschappelijke functie […] een bibliotheek, whatever […] maar daar is nooit een financiële drager voor gekomen.” Een commerciële partij ziet er uiteindelijk brood in, om het gebouw te gaan gebruiken. Deze supermarkt is de ‘redder’.
26 februari 2026
P 22
Dit voorbeeld illustreert hoe ‘wijkdemocratie’ in de praktijk soms neerkomt op kiezen tussen imperfecte opties: bewoners kunnen iets tegenhouden (sloop), maar het alternatief dat haalbaar is, sluit niet per se aan bij wat bewoners in ideaalbeeld willen. De tuin als participatie-interventie In een volgend gesprek komt een informele interventie voorbij: rond de totstandkoming van een (volks)tuinproject. Een mooi voorbeeld hoe participatie in de dagelijkse praktijk van de wijk werkt: via een klein aantal mensen, dat – met de juiste timing- via toevallige ontmoetingen en volharding aan een tuinconcept denkt. De respondent beschrijft dat de buitenruimte vervallen was en dat ze een simpel idee had: opfleuren met bollen en groen, als tijdelijk gebaar en als tegenwicht tegen verloedering. Ze vertelt dat het initiatief uiteindelijk pas echt van de grond kwam toen ze besloot bewoners te mobiliseren, flyers te maken en concreet een moment te prikken. Met als call to action: ‘Zullen we die tuin aan gaan pakken en de bewoners charteren om ons mee te helpen?’ In zekere zin is deze tuin misschien wel exemplarisch voor de gang van zaken in Rustenburg-Oostbroek. Na een wat schokkerige start wordt de tuin uiteindelijk door bewoners ‘omarmd’. Eenvoudigweg omdat mensen de bloemen en plantjes mooi vinden.
Maar tegelijkertijd laat deze plek de dubbelhartigheid in de wijk zien: zorgzaamheid én vernieling bestaan naast elkaar. Zo heeft iemand alle narcissen uit de grond gerukt. Maar daarnaast heeft ook iemand ‘een bos bloemen achtergelaten.’ Macht en tegenmacht Daar waar we aan de ene kant zien dat er veel betrokkenheid is, en bewoners ook georganiseerd zijn, horen we ook andere geluiden. Bijvoorbeeld over het al dan niet vertegenwoordigd voelen door een bewonersorganisatie: ‘Om activiteiten In de wijk te doen omdat toch wel heel duidelijk is dat de Bewonersorganisatie, BORO heet die, de wijk niet vertegenwoordigt, voor geen
Gemeente Den Haag
meter zelfs. In januari heeft een aantal buurtbewoners geprobeerd om in dat bestuur te komen, ze hebben zich verkiesbaar gesteld. Nou, dat is op een fiasco uitgelopen, met medeweten van het stadsdeelkantoor. De vier mensen die zich hadden aangemeld voor de bestuursfunctie, zijn allemaal met grote hoeveelheden machtigingen weggestemd door de bewonersorganisatie.’ Tegelijk is er een scherp gearticuleerd wantrouwen richting stadsdeelondersteuning: ‘er gebeurt helemaal niets… alleen maar tijdrekken… geen daadwerkelijke betrokkenheid. Een ander voorbeeld is al even illustratief. Zie hier een app-wisseling: ‘Hoi [naam], het zou fijn zijn als we voor de tuinopruimdagen op [plek] 10 a 15 prikkers en vuilniszakken met ringen kunnen krijgen. Antwoord: ‘Ga ik regelen!’. Even daarna: ‘Goedemorgen [naam], ‘Ik heb [...] begrepen dat het om binnentuinen gaat en niet om de buitenkant. Dat maakt het voor mij lastig om prikkers uit te lenen. Ik ken de [plek] niet zo goed en waarschijnlijk heb ik gemist dat het voornamelijk over een binnentuin ging. [...] Ik ben erop gewezen dat we geen materiaal mogen uitlenen voor privéterrein, zeker niet als het om een binnentuin/achtertuin gaat. Excuses daarvoor.
Dat soort uitspraken worden in de regel niet gedaan om te klagen, maar ze laten zien hoe handelingsperspectief afbrokkelt als procedures traag voelen of wanneer contactpersonen niet zichtbaar meebewegen. Sociale stratificatie
Binnen de wijk zelf komt ook de sociale positie van ‘de eenling’ naar voren: degene die ‘roept en schreeuwt en zeurt’ en daardoor zowel aandacht krijgt/trekt, maar evenzeer kwetsbaar is. Als we respondenten bevragen op redenen waarom mensen al dan niet in beweging komen, ontstaat een geschakeerd beeld. Participatie as such is niet vanzelfsprekend: veel bewoners zijn er niet mee bezig. Pas als er iets gebeurt, dat direct raakt aan hun leven, dan is er bereidheid om te doen: ‘Je moet
26 februari 2026
P 23
getriggerd worden.’ Zo’n trigger kan bijvoorbeeld het parkeerbeleid zijn: ‘dan is een bewonersavond […] een volle avond […] omdat ze er de pijn voelen.’ Daarmee benoemt ze -onbewust- dat formele participatie vaak reactief is: pas wanneer de pijn voelbaar wordt, komen mensen in beweging. Tegelijk beschrijft ze hoe informele plekken gesprekken faciliteren. Tijdens een schilderavond, bijvoorbeeld: ‘Daar vinden de gesprekken plaats over afval, over oplossingen.’ Zo kunnen initiatieven ontstaan: “Daaruit kunnen ook weer initiatieven geboren worden.” Maar participatie is (en blijft) complex: ‘omdat veel bewoners simpelweg andere prioriteiten hebben of in overlevingsstand zitten.’ Of omdat leeftijd en levensfase meespelen: ‘het zal mijn tijd wel duren.’ Kortom: wijkdemocratie is geen nette participatieladder-achtige setting. Maar (vooral) een grillige mix van triggers, netwerken, energie, vertrouwen en timing.’ 3. Duiding De wijk beschikt over veel lokale energie, maar ervaren ‘bestuurlijke’ traagheid ondermijnt vertrouwen en duurzaamheid van inzet. Hoewel lokale organisatiekracht groot is, wordt het handelingsperspectief ondermijnd door een ervaren gebrek aan bestuurlijke responsiviteit. Dit leidt tot een zekere mate van spanning(en) tussen lokale inzet van actieve bewoners en institutionele ondersteuning.
Wijkdemocratie krijgt hier dus als het ware een dubbel gezicht: er is veel organisatiekracht en overlegpraktijk, maar de vertaling naar steun, besluitvorming en doorwerking blijft betwist. De wijk ‘ziet’ zichzelf daarmee als actief en bereidwillig om in actie te komen. Maar voelt zich tegelijkertijd afhankelijk van een overheid die volgens sommige betrokkenen te vaak op afstand blijft.
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P 24
3. Schilderswijk De Schilderswijk is natuurlijk in veel opzichten een iconische plek van Den Haag. Een dichtbebouwde, levendige en multiculturele stadswijk, die direct grenst aan het centrum van Den Haag. Met meer dan 30.000 inwoners en een hoge woningdichtheid is het een kinderrijke buurt: veel kleinschalige woningen en weinig (privé) buitenruimte. Ruimtelijk kent de wijk een mix van oude straten en ingrijpende stadsvernieuwing uit de late 20e eeuw, met veel sociale huur en groene pleinen tussen nieuwbouwblokken. Sociaal wordt de wijk gekenmerkt door (wat je met enige verbeeldingskracht) wel superdiversiteit (120+ nationaliteiten) zou kunnen noemen. Een sterke culturele diversiteit in winkels en horeca, en uitdagingen rond leefbaarheid en sociale cohesie, maar ook door lokale betrokkenheid en initiatieven van bewoners zelf. 1.Wijkbeeld De Schilderswijk wordt gekenmerkt door sterke, maar ook wat intern gerichte sociale netwerken. Er bestaat in de wijk een woud aan initiatieven, zelforganisaties, stichtingen en verenigingen. De gemeente is zichtbaar in de week aanwezig en ondersteunt de wijk met een breed palet aan publieke investeringen. De bewoners zelf zien de Schilderswijk nadrukkelijk als een heterogene wijk, ondanks de relatief beperkte geografische omvang. De wijk bestaat ook in hun ogen uit meerdere gebieden.
Waarin ieder gebied zijn eigen dynamiek, problematiek en sociale verhoudingen kent.
Gemeente Den Haag
Daarnaast spelen institutionele factoren een rol in de beleving van de wijk. Zo draagt de aanwezigheid van zorg- en opvanginstellingen in de wijk bij aan gevoelens van onveiligheid, mede door zichtbare problematiek rondom verslaving en verward gedrag. Opbouwwerkers merken op dat er veel geïnvesteerd is en wordt in de wijk: in aankleding van pleinen, in het plaatsen van speelvoorzieningen en groen, maar ook in activiteiten. Bijvoorbeeld in het jongerenwerk en bij buurtvoorzieningen. De Schilderswijk is een (zogenaamd) Investeringsgebied, en dat is merkbaar én zichtbaar. Paradoxaal genoeg worden deze investeringen niet altijd even goed herkend of zelfs gewaardeerd door bewoners. 2. Empirische illustraties De veelvormigheid van de Schilderswijk is iets wat in ieder gesprek naar voren komt. Waarbij vergelijken tussen buurten (of het vergelijken van de inzet van opbouwwerkers) door bewoners expliciet niet wordt gedaan. Het beeld van de wijk is divers. De archetype beelden van de Schilderswijk als (licht) problematische plek leven vlak onder de oppervlakte. De Schilderswijk is zeker niet onbekend met de aanwezigheid van ‘verwarde mensen op straat.
[...] van verslaafden, dealers.’ En ja, die ‘bedrijvigheid’ heeft ook een aanzuigende, dan wel beeldvormende werking: ‘ja, dat trekt aan.’ Daar staat ook zeker een ander beeld naast: bewoners zijn ‘heel erg gehecht aan hun stukje van de wijk.’ De Schilderswijk voelt als thuis én gebonden: ‘Het is heel moeilijk om mensen van hier naar daar te krijgen.’ Ook op sociaal vlak gebeurt er het nodige. Sociale cohesie wordt vooral beschreven als netwerk-gebonden: ‘Groep zorgt voor groep en familie zorgt voor familie.’ Vanuit de gemeentelijke overheid is er al langere tijd aandacht voor de Schilderswijk. Als Investeringsgebied is er best veel mogelijk. Zo wordt er door
26 februari 2026
P 25
betrokkenen gewezen op de substantiële investeringen in voorzieningen en jongerenwerk: ‘Er is veel geïnvesteerd: pleinen, groen, jongerenwerk.’ Met de sociale cohesie in de wijk is het best stevig gesteld. Alleen is de verschijningsvorm misschien wat typisch: ‘In de wijk gebeurt al heel veel aan participatie, alleen vaak buiten de formele kaders: mensen organiseren [met en voor] elkaar; helpen buren; delen informatie [en ze] lossen problemen samen op.’ Alleen, zo stelt de respondent vast: ‘Deze vormen van samenleven en betrokkenheid worden niet altijd gezien als participatie, omdat ze moeilijk meetbaar zijn. Daardoor ontstaat een vertekend beeld: het lijkt soms alsof mensen niet meedoen, terwijl dat juist wel gebeurt. Alleen anders.’ Verschil in wie wel en ook niet meedoet
Er zijn duidelijke verschillen in wie meedoet. Mannen zijn daarbij vaak wat oververtegenwoordigd in de (formele), wat zichtbare participatievormen. Terwijl vrouwen vaak net wat minder zichtbaar blijven, terwijl door hen zorgtaken vaker worden opgepakt en ook vaker mantelzorg wordt verleend. Daar staat echter ook een wat recenter beeld naast. Of, dat is aan het ontstaan: een groeiende groep vrouwen, vaak tweede of derde generatie is nu juist actief op zoek is naar verdere ontwikkeling, naar vrijwilligerswerk en is actief bezig, dan wel op zoek naar maatschappelijke participatie. Een van de meest gearticuleerde opmerkingen, wijst op het (bijna niet te onderschatten) belang van nabijheid en persoonlijk contact. In de wijk helpt het enorm als er expliciet outreachend gewerkt wordt: aanbellen, op straat aanwezig zijn, op verschillende tijdstippen zichtbaar zijn en informele gesprekken voeren. Bewoners benoemen dat ook: ‘Dat jij naar me toe komt: je ziet mij, je geeft mij aandacht.’ Dat wordt vaker gemist bij formele instanties. In de wijk zijn ook krachtige voorbeelden van collectieve effectiviteit te vinden. Meerdere casussen zijn aangereikt, waarin bewoners, jongeren, moskeeën, scholen, gemeentelijke diensten en professionals samenwerken rond concrete
Gemeente Den Haag
problemen, zoals bijvoorbeeld het aanpakken van rattenoverlast of het tegengaan van vervuiling op pleinen. Daarbij wordt vaak informele mobilisatiekracht ingezet: ‘We zetten jongeren in die in eigen taal kunnen uitleggen. We betrekken moskeeën, scholen, moeders. We willen gedragsverandering.’ Tot slot: respondenten zijn best een beetje kritisch op het (soms gepercipieerde) pamperen en benadrukken het belang van taalvaardigheid en gedeelde normen, terwijl ze tegelijk oog houden voor kwetsbaarheid en context. Maar, zo geven ze ook aan: daar is vooral ook wederzijds respect voor nodig: ‘Als je je veilig voelt, ga je meer openstaan. Als je dat niet hebt, denk je: dit is niks voor mij.’ De hierboven beschreven spanning tussen aanpassen en erkennen, tussen ruimte geven en grenzen stellen, laat zien hoe complex het werken aan samenleven met elkaar en (organiseren van) participatie in de wijk is. 3.Duiding Wijkdemocratie manifesteert zich hier niet als wijkbrede participatie, maar maar (vooral) als participatie binnen specifieke netwerken: netwerkgebonden. Beleidsmatige inzet is zeker zichtbaar. Maar een aantal participatieve processen zou beter gedijen als er nog beter aangesloten zou kunnen worden bij bestaande sociale structuren. Alhoewel participatie van bewoners het nodige oplevert, is er anderzijds sprake van een beperkt bereik.
Formele inzet (investeringen) is noodzakelijk maar niet voldoende: het effect op ervaren handelingsperspectief hangt samen met de mate waarin gemeente en gemeentelijke professionals nog vaker relationeel werken: als verbinder tussen groepen. Wijkdemocratie in de Schilderswijk vraagt vooral om aansluiting bij bestaande netwerken en om het daadwerkelijk slaan van bruggen tussen al die los-vaste, formele, maar vooral ook informele netwerken, die op zichzelf goed
26 februari 2026
P 26
functioneren en een zinvolle bijdrage aan het sociaal weefsel van de wijk leveren, maar niet noodzakelijkerwijs verbondenheid met andere netwerken voelen.
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P 27
4. Laakkwartier en Spoorwijk Laak is misschien wel een wijk waar de inzet voor leefbaarheid en kansen structureel bij bewoners wordt gevoeld. Maar waar ook ‘ongelijke kansen’ een onderwerp van gesprek is. Professionals spreken over ‘veel kansenongelijkheid’. En over bewoners die ‘op allerhande vlakken’ kansarm zijn. In Laak staat de kwaliteit (ondanks dat er echt al het nodige is verbeterd) van de openbare ruimte nog steeds onder druk. Denk aan: afval, parkeerdruk en ongedierte: ‘het leeft echt’. Tegelijk is vooruitgang ontegenzeggelijk gevoeld én gemaakt. Bewoners ervaren volgens een respondent ‘minder vervuiling’ en ‘meer sociale cohesie’. 1. Wijkbeeld
Dat dubbele beeld is belangrijk: in onze gesprekken is die daadwerkelijk ervaren verbetering van de buurt en de wijk pregnant. Maar is de hardnekkigheid van alledaagse kwesties, die telkens opnieuw om politieke aandacht vragen, even aanwezig. Laak is een relatief klein stadsdeel (qua oppervlakte), maar er speelt een groot aantal ontwikkelingen. In de komende jaren zal er in Laak een omvangrijke gebiedsontwikkeling plaatsvinden. En zal het aantal woningen sterk groeien. En daarmee zal ook het inwonertal nog verder toenemen. Dat (toekomst)perspectief doet het nodige met de wijk. Daar waar jaren geleden de metafoor ‘Hotel Laak’ op de wijk geplakt kon worden (bewoners checkten in, maar wilden eigenlijk zodra dat maar een beetje kon, ook weer doortrekken), is dat beeld zeker niet meer zo dominant.
Gemeente Den Haag
Op participatief vlak gebeurt er het nodige. En tegelijkertijd is dat ook fragiel: er zijn bewoners die meedenken en initiatieven organiseren, maar zijn ‘het vaak dezelfde gezichten’. Een wijk, kortom, die nog steeds onder enige druk staat, met zichtbare verbeteringen, maar desondanks hardnekkige leefbaarheidsproblemen. 2. Empirische illustraties
Geen misverstand: in Laak is er nog het nodige te doen. Zoals een respondent stelt: ‘Ik werk zelf in meerdere wijken. Wat daar speelt: gemiddeld lage inkomens. Ongeveer één op de vier huishoudens leeft rond het sociaal minimum. Dat betekent veel financiële stress. Gezondheidsproblemen hangen daarmee samen. De staat van woningen is deels slecht, wat ook weer invloed heeft op gezondheid.’ Daarmee is de volgende opmerking ook vooral een understatement: kansenongelijkheid is nog steeds een van de grote uitdagingen waar de wijk mee kampt. Sterker nog: we mogen spreken van een relatief grote kansenongelijkheid (ten opzichte van andere delen van de stad). Op allerlei vlakken zijn er minder kansen. Zo is er, bij wijze van voorbeeld, een groot tekort aan leraren. Hetgeen er mede voor verantwoordelijk is dat de kwaliteit van het onderwijs onder druk staat. Wat dit stadsdeel ook typeert, is die bijzondere combinatie, die we ook op andere plekken in Den Haag hebben aangetroffen. Enerzijds is er sprake van (relatief veel) sociale problematiek. Maar evenzeer zien we sterke sociale cohesie. Zoals een respondent vertelt: ‘Bewonersorganisaties en vrijwilligers die echt proberen er iets van te maken.’ Zo is er dus net zo goed een sterk sociaal weefsel aan het ontstaan: ‘Je [...] dat juist vanuit die problematiek heel veel ontstaat.
Er zijn veel organisaties en initiatieven van bewoners zelf: mensen die hier wonen, [die hier] zijn opgegroeid of zich sterk verbonden voelen met de wijk. Veel zelforganisaties en vrijwilligers die actief zijn op sociaal gebied, armoede, gezondheid, sport.’
26 februari 2026
P 28
Vaak zijn dat mensen die zelf ook zorgen hebben, maar vanuit hun eigen ervaring iets willen betekenen voor anderen: ‘Dat zijn twee uitersten die naast elkaar bestaan.’ Ook in demografisch opzicht is de wijk divers: de wijk is relatief jong; er wonen relatief wat weinig ouderen, veel jonge mensen. Ook is er nog steeds de nodige doorstroom en tijdelijke bewoning, onder andere door arbeidsmigratie. Maar de wijk lijkt de opwaartse lijn te pakken te hebben: ‘Wat ik ook hoor sinds ik hier werk: bewoners ervaren dat het de afgelopen jaren vooruit is gegaan. Minder vervuiling, meer sociale cohesie. Tegelijk blijven problemen zoals afval en parkeren bestaan.
Nu al staat de leefbaarheid onder druk. Het is dichtbebouwd, er zijn problemen in de openbare ruimte: ‘afval, parkeerdruk, ongedierte. Dat klinkt ongenuanceerd, maar het leeft echt.’ Daarnaast is er (gevoelde, dan wel ervaren) druk op openbare voorzieningen: op de buurthuizen, de zorg, de huisartsen. Tegelijkertijd zijn veel bewoners (ook) trots op hun wijk. Zoals een professional zegt: ‘Maar ik hoor ook gevoelens van uitsluiting: waarom gebeurt ontwikkeling daar wel en hier niet?’ Er komt een concreet voorbeeld voorbij: ‘Eén jongen vertelde dat er op school negatief werd gekeken naar zijn wijk. Dat bleef me bij. Hij had al uitdagingen thuis en op straat, en daar kwam ook nog stigma bij. Als je op jonge leeftijd merkt dat er zo naar je gekeken wordt, doet dat iets met je zelfbeeld en trots.’ Om daarna nog toe te voegen: ‘Dat voel je dan al jaren.’
(Zelf)organisatie
In Laak zijn inmiddels behoorlijk wat initiatieven te vinden. Dan kan je denken aan: ‘vrijwilligersgroepen die voedselpakketten maken voor mensen die nét buiten officiële regelingen vallen.’ De taakopvatting (als je daar op die manier over mag spreken) van deze groepen is breed te noemen: ze ‘doen veel meer dan voedsel uitdelen: ze gaan mee naar afspraken, ondersteunen bij zorg en gemeentelijke dienstverlening.’ Daarnaast zijn er culturele en gemeenschapsorganisaties die activiteiten organiseren: zoals sport, muziek, lessen, vieringen. In eerste aanleg zijn deze activiteiten voor iedereen toegankelijk, maar in de praktijk trekken ze vooral hun eigen achterban. Daarnaast zijn er ook zelfstandige buurthuizen actief, die naast het reguliere welzijnswerk bestaan. De toekomst en het perspectief van de wijk
Zoals al eerder gememoreerd: Laak staat aan de vooravond van een (forse) gebiedsontwikkeling. De wijk is (nu) nog relatief betaalbaar. Maar is ook gunstig gelegen. Dat maakt het waarschijnlijk, dat ook in dit deel van Den Haag gentrificatieprocessen gaan plaatsvinden. Zoals een respondent zegt: ‘De prijzen stijgen al.’ Daarmee zie je ook een nieuwe vorm van (met een groot woord) segregatie ontstaan binnen dit stadsdeel: nieuw ontwikkelde gebieden hebben een andere sociaal-economische samenstelling dan oudere wijken. Minder sociale huur, andere typen voorzieningen en ondernemingen.
Gemeente Den Haag
Woningverbetering staat hoog op de agenda. Hard nodig, zeggen betrokkenen. Maar, zo zijn ze zich bewust, dat kan ook processen van gentrificatie versterken. De verbeterde woningen worden duurder, waardoor bestaande bewoners (misschien) worden weggedrukt. Dat vergt planologisch scherp denkwerk. 3. Duiding
Laak is een wijk waar democratische vernieuwing snel neerkomt op heel praktische vragen: wie heeft tijd, energie en vertrouwen om te (blijven) investeren? Participatieve initiatieven zijn er zeker. Maar die initiatieven zijn ook zeker nog kwetsbaar: de participatieve lasten worden door een relatief kleine groep gedragen. Wel of niet mee (kunnen) doen raakt in deze wijk vaak direct aan sociale ongelijkheid. Dat wijst ook op (wat structurelere) drempels in tijd, capaciteit en onderling vertrouwen. Waarbij het ontegenzeggelijk de goede kant op gaat: een oude metafoor over de wijk als ‘Hotel Laak: you can check in, but you can never leave’ lijkt toch echt minder van toepassing.
26 februari 2026
P 29
5. Leidschenveen
gemeentelijke overheden een belangrijke voorwaarde is om daadwerkelijk in beweging te komen. En te blijven.
Leidschenveen is een relatief jonge Vinex-wijk aan de oostrand van Den Haag. Ontworpen in de jaren ’90 en sinds 2002 onderdeel van Den Haag. Ruimtelijk is het misschien wel te classificeren als een Vinex-wijk, ‘zoals de Vinex ooit bedoeld was’. Namelijk: groen en ruim opgezet, met verschillende buurten zoals De Velden, De Vissen en De Lanen. Gelegen rond linten en verkeersassen. De wijk is goed ontsloten (zoals dat ook bij Vinex-wijken past). Via RandstadRail en via wegen (de A4/A12). Tegelijkertijd kampt de wijk wellicht ook met zo’n ander typisch Vinex-euvel: het ontbreekt aan een klassieke stadskern of natuurlijke ontmoetingsplekken.
Dat vraagt van de gemeentelijke overheid (vooral) om heldere communicatie met vrijwilligers.
1.Wijkbeeld De bestaande woningvoorraad in Leidschenveen bestaat grotendeels uit koopwoningen in laagbouw en tussenwoningen. Het gemiddelde inkomen ligt wat hoger dan elders in Den Haag. Er wonen bovendien veel gezinnen. Sociaal zijn er in de wijk verschillende actieve bewoners te vinden, evenals wijkcentra en bijbehorende initiatieven. De wijk is zeker niet ‘af’: uitdagingen zijn er evengoed, bijvoorbeeld rond sociale samenhang en actieve netwerken. In zeker opzicht is het schoolplein misschien wel de meest geschikte toevallige ontmoetingsplek, gezien het gezinskarakter van de wijk. Leidschenveen is een wijk, waar enerzijds veel vrijwillige inzet en laagdrempelige activiteiten te vinden zijn, maar tegelijkertijd is deze infrastructuur in zekere zin ook fragiel. Leidschenveen laat zien hoe afhankelijk wijkdemocratie kan zijn van de kracht van enkele vrijwilligers. Waarbij een ervaren gevoel van wederkerigheid met de
Gemeente Den Haag
2. Empirische illustraties In Leidschenveen is er een flink aantal sociale, semi-gestructureerde activiteiten. Zoals een klaverjasclub. Een wandelclub. Een aantal mensen dat actief is bij buurtpreventie. In het buurthuis wordt gebreid, gehaakt en geborduurd. Op Koningsdag wordt feest gevierd. Informele structuren, die zichzelf in verenigingsvorm of club georganiseerd hebben. Die voor sommige activiteiten wel, en voor andere activiteiten geen subsidie ontvangen, dan wel krijgen. Informele structuren, die zich (goed) verhouden tot formele structuren en tot de gemeente. Maar waarbij het contact lang niet altijd vanzelf gaat. Eén interactie is daarbij veelzeggend. ‘Ik geef één keer per jaar een nieuwjaarsborrel. Dan komen er zo’n tachtig tot negentig man. Met een tent achter in de tuin. Onderzoeker: Gewoon hier in de tuin? Respondent: ‘Ja. Huiskamer leegmaken, tent achter in de tuin, verwarmers erin.’ Daar ben je wel een paar dagen mee bezig, met alles klaarmaken, stelt de onderzoeker vast. Dat klopt: ‘Ja. Het is eigenlijk voor alle vrijwilligers uit [de wijk]. Ook mensen van ‘boven’ worden uitgenodigd.’ Boven? ‘Uit de hemel’ (lachend). ‘Zelfs de burgemeester wordt uitgenodigd.
En allerlei betrokkenen met wie we samenwerken.’ Onderzoeker: Is de burgemeester ooit langsgekomen? ‘Nee, niet echt.’ Ook de wijkagenten worden uitgenodigd, uiteraard de vrijwilligers en samenwerkingspartners: ‘Iedereen met wie we samenwerken: klaverjasclub, loopclub, buurtpreventie, noem maar op. Die worden uitgenodigd. En daar is geen subsidie voor. Dat komt uit eigen zak. Daar ben ik heel trots op.’
26 februari 2026
P 30
Sociale samenhang is dun
Tegelijkertijd is deze sociale samenhang een tikje dun: ‘Mensen zijn er ook wel bang voor dat als wij stoppen, alles wegvalt.’ Maar: ‘wij staan open voor alles. Onze deur staat open. Niks is te gek.’ Waarom dat is? ‘Omdat mensen denken dat wij alles weten. En omdat we goed contact hebben met gemeente en politie, en omdat we overal ons gezicht laten zien. Bij activiteiten, maar ook bij bijeenkomsten. En dan komen mensen letterlijk aan de deur: “Jij bent de moeder van de wijk, kan jij me helpen?’ Leidschenveen heeft ook wel iets van een ‘slaapstad’, zo vertelt een van onze respondenten: ‘je merkt: mensen die hard moeten werken voor een hoge hypotheek, tweeverdieners, die komen om te slapen en doen weinig. Sporten in andere plaatsen, boodschappen elders, werken in Den Haag. Ik denk dat ik één van de weinigen ben die jarenlang in dezelfde wijk gewoond én gewerkt heeft. Overdag kan het heel stil zijn, behalve op routes en bij het winkelcentrum.’ Een net gestart initiatief kan, mede om bovenstaande redenen, ook even snel weer afbreken als het ‘voor een vrijwilliger… heel erg moeilijk’ wordt om iets rond te krijgen. Inconsistentie en versnippering in gemeentelijke communicatiekanalen worden daarbij ook ervaren als een (potentiële) rem: ‘de ene organisatie mag lunch en cadeautjes weggeven als bedankjes aan vrijwilligers.
Terwijl bij mij persoonlijk een bonnetje van € 80,- voor pizza’s voor vrijwilligers na een hele dag inzet geweigerd wordt door de gemeente.’ De reden? ‘Niet subsidiabel. En als ik dan zeg: ja, maar het is een fractie van het geheel, gooi het dan op onvoorzien. Dan is het: nee, dat mag niet. En aan de andere kant worden bij andere feesten flessen wijn weggegeven. Dan denk ik: ja… waar komt dat dan vandaan?’ Handelingsperspectief is zeker aanwezig, maar fragiel; het groeit door erkenning, aanwezigheid en betrouwbare ondersteuning, en verdwijnt wanneer wederkerigheid en professionele responsiviteit tekortschieten.
Gemeente Den Haag
Verschil wordt er ook gevoeld: ‘Qua gebruik van wijkcentra zit er groot verschil tussen bijvoorbeeld een andere wijk en onze wijk. In die andere wijk was ’s avonds een beheerder aanwezig, eigenlijk elke dag, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Hier: misschien twee dagen per week een dagdeel. Onderzoeker: Waarom is dat verschil dan zo? ‘Geen idee. Maar het maakt dat je daar snel terechtkunt: iemand kan open en dicht doen, zorgt voor koffie en thee. En als je hier iets wil organiseren, kan dat alleen als je de sleutel mag hebben. En dan nog: geen koffie en thee, toiletten op slot. Niemand om te helpen als er iets is. Dat is al jaren zo.’ Ook een andere respondent merkt dit op: ‘Mijn man en ik zijn opgegroeid in Rotterdam. Daar had je wijkcentra waar je eigenlijk dag en nacht kon aanbellen. Als je hulp nodig had bij schoolwerk, administratie, bankpas kwijt: je ging naar het wijkcentrum en er was altijd wel iemand. Dat mis ik hier.’ Wie maakt gebruik van de activiteiten?
In Leidschenveen zijn er best flink wat activiteiten. Tegelijkertijd lijkt het bereik relatief niet buiten de eigen groep te liggen: ‘Wat ik nu vooral zie overdag in het wijkcentrum: vaste groepjes. En echt open activiteiten met vrije inloop, waarbij iedereen welkom is: die zijn er nauwelijks.’ Als er dan wijkbrede activiteiten ontstaan, dan leidt die schaal soms ook weer tot reacties van formele instanties. Zo is er ooit een initiatief ontstaan rond de viering van Halloween: ‘Ja… ik krijg nog steeds mensen aan de deur die vragen: wanneer organiseren jullie weer Halloween. Mensen vragen ernaar, omdat het open was voor iedereen. Mensen kwamen van buiten de wijk ook. Maar die activiteit is er niet meer: ‘Het gaat niet meer. Vrijwilligers vinden is moeilijk. En ook: de gemeente stelt eisen aan veiligheid, routes, van alles, terwijl je iets simpels wil organiseren: iedereen kan meedoen op eigen risico. En als je dan vraagt: kan ik budget krijgen om beveiliging in te huren? Dan is het: nee, dat kan niet. Maar ondertussen is er afgelopen Halloween wél iets commercieels gedaan
26 februari 2026
P 31
met het winkelcentrum, met een commercieel bedrijf. En dan denk ik: ik snap het niet.’ 3.Duiding In Leidschenveen is sprake van een herkenbare, maar kwetsbare vorm van collectieve effectiviteit. Er bestaat een actief netwerk van semigestructureerde en informele initiatieven. Denk aan de diverse clubs, buurtpreventie en wijkactiviteiten. Dus de bereidheid om aan de slag te gaan en verantwoordelijkheid te nemen voor de wijk is er zeker. Sleutelfiguren zijn zeker aanwezig. Onderlinge banden worden onderhouden. Een basisniveau van sociaal kapitaal en een zekere mate van vertrouwen binnen een kern van actieve bewoners is zeker aanwezig. Tegelijkertijd is de sociale samenhang “dun”: zij rust sterk op een beperkte groep sleutelfiguren en bereikt relatief weinig bewoners buiten de vaste kring. De wijk heeft kenmerken van een ‘slaapstad’, met veel tweeverdieners en beperkte dagelijkse aanwezigheid, wat de vorming van sterke, brede netwerken bemoeilijkt. Initiatieven blijken bovendien fragiel: zij vallen snel weg wanneer individuele draagkracht afneemt of wanneer institutionele ondersteuning tekortschiet. De relatie met formele structuren is ambivalent. Hoewel er contacten zijn met gemeente en politie, wordt de institutionele respons als inconsistent en weinig responsief ervaren.
Ongelijkheid in ondersteuning, bureaucratische rigiditeit en beperkte faciliteiten (zoals onderbezetting van wijkcentra) ondermijnen het handelingsperspectief van vrijwilligers.
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P 32
6. Regentesse-kwartier
wijk. Daardoor is er niet altijd sprake van een sterke, ervaren verbinding met de wijk.
Het Regentesse-kwartier is een compacte, historisch gegroeide stadswijk net buiten het centrum van Den Haag, aangelegd tussen ca. 1885 en 1910. Ook deze wijk is aangemerkt als beschermd stadsgezicht. De buurt is voorzien met veel neo-renaissance gevels en statige straten. De wijk heeft een dichte, stedelijke structuur met een mix van grote en kleinere woningen, intieme straten en pleinen rond o.a. het Regentesseplein en Koningsplein. Sociaal biedt de buurt stedelijke diversiteit, hippe winkels en cafés (met de Weimarstraat als centrale as), actieve bewoners en goede voorzieningen, gecombineerd met sterke bereikbaarheid naar centrum, strand en OV.
2. Illustratieve citaten
1.Wijkbeeld Segbroek is een stadsdeel met zijn eigen karakter. Iedere wijk daarbinnen heeft ook weer een eigen karakter. En dito aandachtspunten. Meedoen is op een aantal plekken in het stadsdeel welhaast vanzelfsprekend. Zoals een professional het kort schetst: hoe beter opgeleid mensen zijn, hoe kritischer vragen over participatie kunnen worden gesteld. In een wijk als de Vogelwijk weten bewoners de weg naar politiek en bestuur goed te vinden. Tegelijkertijd kent Segbroek twee wijken waar (relatief veel) arbeidsmigranten wonen. In een deel van het Regentesse en Valkenboskwartier (in de volksmond heet dat Reva) wordt er dan ook een extra investeringsimpuls gegeven. In delen van de wijk wonen arbeidsmigranten die de Nederlandse taal niet of beperkt beheersen en in de meeste gevallen ook tijdelijk woonachtig zijn in de
Gemeente Den Haag
Misschien heeft een van onze gesprekspartners het Regentesse-kwartier wel het best gekenschetst: ‘Het Regentessekwartier, [dat] is zand en veen, arm en rijk, praktisch geschoold, hoogopgeleid met heel veel kunstenaars, creatieve ZZP ers, maar ook heel veel nieuwkomers.’ Om daarna te vervolgen: ‘Dus eigenlijk vind je hier in het Regentessekwartier de wereld van Den Haag in het klein. Het voelt als een dorp, Maar het is een stad. Het is heel divers, Het is dynamisch. Er zijn heel veel initiatieven van buurtbewoners die ter wereld wat beter willen maken.’ Dat geldt ook voor de Weimarstraat, zo vertelt deze respondent: ‘De weimarstraat, [dat is] ook precies diezelfde afspiegeling van al die bewoners. Ieder eettentje heeft een andere smaak, [...] veganistische tentjes, Arabisch Libanees, eigenlijk van alles. Je kan hier alles vinden. [...]’ Die sfeer, dat kenmerkt het Regentessekwartier, aldus deze respondent. ‘Dat voel je ook In de straten eromheen. Iedereen houdt elkaar een beetje In de gaten, maar toch kan Iedereen zijn eigen ding doen.’ Samen voor ons eigen, zouden ‘Koot & Bie’ dat vroeger gemunt hebben. Rond diezelfde Weimarstraat is er het nodige aan (buurt)initiatieven te vinden: Het Wijkpaleis is een van die initiatieven. Gevestigd in een ‘voormalig schoolgebouw, waar [...] mensen werkruimte [kunnen] huren.
En: ‘er zijn allerlei wijkgerichte activiteiten, er worden allerlei dingen georganiseerd voor kinderen, er is een sporthal bij, een mooie buitenspeellocatie, de mogelijkheid voor moestuintjes voor bewoners. Het is een plek voor bewoners die verbinding zoeken met elkaar.’
26 februari 2026
P 33
Ook op misschien wat minder voor de hand liggende plekken is er verbinding: ‘Er is hier een boksschool waar heel veel jeugd komt ook. [...] ‘Heel divers, maar ook een verbindende rol.’ En diverse zelforganisaties, zoals ‘de Stichting Sarita Hindoestaanse vrouwenorganisatie. Met [naam], dat is dan ook zo'n sleutelfiguur die heel veel Hindoestaanse vrouwen niet alleen hier, maar In de hele stad bereikt. En [naam] van de Polka Poolse Stichting.’ Participatie: maar lang niet altijd met en door iedereen
Tegelijkertijd is het participatieve deel van de wijk ook een tikje eenzijdig, zo stelt een respondent. Het ‘zand’ is beter vertegenwoordigd dan het veen: ‘Waarom het zand het initiatief neemt? Nou ja, tijd over en ook de mogelijkheden om het te doen. Het belangrijk vinden voor een betere wereld, terwijl het veen ja, ik noem het maar even plat, zeg maar de andere kant van de Weimarstraat richting Transvaal. Ja toch de taal niet beheerst, in armoede leeft, de wereld om zich heen niet goed kent, veel in hun eigen wereld leven, zorgen hebben.’ De respondent is zich terdege bewust van de stereotyperingen in dit beeld. Zelf woont de respondent dan ook ‘in het GroenLinks museum, hoorde ik laatst op TV.’ Om daarna te relativeren: ‘Dit is allemaal GroenLinks wat hier leeft, [zo stelde dat TV-programma]. Nou is dat niet helemaal zo, denk ik.’. Maar: de bedoeling is natuurlijk wel dat alle mensen uiteindelijk daar beter van worden, dus.’ Verbinding maken tussen zand en veen is niet altijd even gemakkelijk: ‘Dat is ook best ingewikkeld. We hebben nu vier jaar samengewerkt met wijkwelzijn. [diverse] projecten gedaan rond vrouwendagen, rond eenzaamheid, rond dekolonisatie, noem het allemaal maar op.’ Daarbij zijn best wat formele netwerken betrokken, zo schetst deze respondent: ‘een heel team van collega's die de bewoners beter kent. Ook de bewoners van het andere deel.
En dan nog is het zo moeilijk om ze over de drempel te krijgen te betrekken mee te laten doen.’
Gemeente Den Haag
Waar dat aan ligt? Aan een veelvoud aan factoren: ‘Taal is daarin een hele belangrijke factor die die belemmert, Maar het is ook: onbekend maakt onbemind. Als ze eenmaal binnen zijn geweest, [hebben] meegedaan, dan groeit het en gaat het verder. Maar ja, om ze echt actief te betrekken, [dat] is lastig.’ Ook aan de ‘andere kant’ van de wijk gebeurt er het nodige: in de ‘Gebedshuizen In de omgeving. [In] de moskeeën, de tempel op de [locatie], en [in] de kerken, de Evangelische Broedergemeente, de Surinaamse Kerk. Die zijn wel heel erg bezig, ook met verbinden en verzorgen Met hun ‘leden bezig om de wereld beter te maken.’ Maar, zo stelt ook een respondent: organiseren is één. Het gefinancierd krijgen is twee. Dat is lang niet altijd gemakkelijk: ‘Ik merk dat veel mensen tegen regeltjes aanlopen. Soms hebben ze [budget] nodig en dat mag dan wel. Maar dat mag dan niet besteed aan eten en drinken. Dat mag dan alleen naar de activiteit gaan. Maar soms is juist dat eten en drinken zo wezenlijk belangrijk. [Vooral] als het thuis moeilijk is.’ En dan werkt het strikt toepassen van die regels niet bevorderlijk: ‘Het wordt dan heel snel bureaucratisch.’ De wereld van de gemeente
Als het om geformaliseerde structuren gaat, dan verschilt het beeld. In de ReVa bestaat er geen formele bewonersorganisatie. In de Bloemenbuurt (bijvoorbeeld) weer wel: ‘Wat ik daar heb gezien is dat een bewonersorganisatie niet namens alle bewoners spreekt, wat de bewonersorganisatie zelf ook aangeeft en dat is natuurlijk ook ontzettend lastig.’ Bij het opstellen van de wijkagenda is er met een aantal werkgroepen gewerkt. Maar ‘ja, daar zijn gewoon mensen afgehaakt.’ Professionals in de wijk doen hun best om zoveel mogelijk inwoners te betrekken. Zo bestaat er een bewonersenquête, ‘waarin mensen echt om hun mening wordt gevraagd. Die bewonersenquête staat 3 of 4 weken. Tegelijk met die enquête staan we met de koffiekar op straat en geven we informatie over wat
26 februari 2026
P 34
de wijkagenda is. We lopen bij sportverenigingen naar binnen, ook daar hebben we netwerk binnen de gemeente.’
herkenbaar: bewoners nemen initiatief, organiseren activiteiten en zetten zich bijvoorbeeld in voor leefbaarheid en sociale verbetering.
Met die input wordt ook echt gewerkt: ‘je moet natuurlijk als gemeente wel goed nadenken hoe je bewoners meeneemt.’ Dat gebeurt dan ook op een aantal thema’s, zoals bijvoorbeeld het verhogen van de leefbaarheid. Bewoners denken dan actief mee: ‘Dan komen er echt wel thema's naar voren, punten waarop bewoners verbetering willen. Nou dan ga je dus die thema's prioriteren. Bewoners uitdagen om mee te denken in werkgroepen van hoe wil je het dan georganiseerd hebben.’
Tegelijkertijd is de sociale samenhang gelaagd en deels gesegmenteerd. Participatie is ongelijk verdeeld: het meer kansrijke ‘zand’ is oververtegenwoordigd in initiatieven, terwijl het sociaal-economisch wat kwetsbaardere ‘veen’ minder zichtbaar en moeilijker te betrekken is. Factoren als taalbarrières, armoede, onbekendheid met instituties en verschillen in leefwereld belemmeren brede deelname. Collectieve effectiviteit manifesteert zich sterk binnen netwerken, maar minder vanzelfsprekend tussen netwerken.
Tegelijkertijd is het bereiken van bewoners niet gemakkelijk. En als er dan contact is, dan verschillen de mores van de leefwereld wel eens met die van de systeemwereld. Een professional hoort dan bijvoorbeeld ‘Dat de gemeente een grote organisatie is en dat het lastig is om de juiste persoon te pakken te krijgen. Dat de gemeente niet meebeweegt met wat zij willen, dat het gewoon niet mogelijk is, ook niet qua regelgeving. En ja, dat de gemeente natuurlijk wel te maken heeft met voorwaarden, regelingen die van toepassing zijn en daar kan je niet van afwijken, want je moet je wel aan je eigen regels en afspraken houden als gemeente.’
De relatie met formele structuren (gemeente, welzijn) is ambivalent. Er zijn participatieve instrumenten (wijkagenda, werkgroepen, enquêtes) en professionals spannen zich in om bewoners te betrekken. Tegelijkertijd worden bureaucratische regels en financieringskaders ervaren als belemmerend, vooral wanneer zij onvoldoende aansluiten bij de sociale logica van ontmoeting en vertrouwen (bijvoorbeeld rond informele uitgaven voor eten en drinken).
3.Duiding Het Regentessekwartier kenmerkt zich aan de ene kant door een hoge mate van sociale diversiteit en door een levendige civil society. De wijk is eigenlijk Den Haag ‘in het klein’: sociaal-economische verschillen zijn er volop (zand en veen). Terwijl uiteenlopende culturele achtergronden, een mix van praktisch geschoolden en hoogopgeleiden, kunstenaars, stukadoors en nieuwkomers naast elkaar bestaan. Deze heterogeniteit gaat gepaard met best wat buurtinitiatieven, informele netwerken en zelforganisaties (zoals het Wijkpaleis, de religieuze gemeenschappen en migrantenorganisaties), die functioneren als verbindende infrastructuur. Sociaal kapitaal en vormen van collectieve effectiviteit zijn
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P 35
7. Kraayenstein en Vroondaal Vroondaal is te kenschetsten als een groene wijk met woningen in het hogere segment. Vroondaal is bovendien een relatief jonge wijk, in stadsdeel Loosduinen, grenzend aan het Landschapspark Madestein. Het gebied bestond tot begin deze eeuw grotendeels uit glastuinbouw en is vanaf circa 2004 gefaseerd herontwikkeld tot een woonwijk met een groen en ruim karakter. Uiteindelijk is er ontwikkeld voor vooral woningbouw, terwijl ook enkele maatschappelijke voorzieningen, waaronder een basisschool in de buurt zijn ‘geland’. Kraayenstein is de naast gelegen wijk die gevormd is rond de voormalige buitenplaats Kraayenstein in het Zwarte Poldertje. Daar is vanaf de jaren zeventig ontwikkeld. Vooral via grootschalige woningbouw, die zich kenmerkt door een mix van hoog- en laagbouw. Waaronder ook lange woonflats van meerdere bouwlagen en rijen eengezinswoningen. Relatief typisch voor het stedelijke uitbreidingsbeleid van de jaren zeventig en tachtig.
doorstromers die waarde hechten aan ruimte, groen en woonkwaliteit. Ook landschappelijke inpassing draagt daaraan bij. Daarmee is er gelijk een duidelijk verschil te zien met de wijk Kraayenstein. Relatief veel hoogbouw is rond het winkelcentrum Kraayenstein te vinden. Wat groenere woonblokken zijn aan de randen van de wijk gesitueerd. De wijk kent een mix van koop- en huurwoningen. Waarbij overigens de gemiddelde woningwaarde in de laatste jaren sterk gestegen is. Qua bewoners vormt de wijk een diverse populatie met gezinnen, alleenstaanden en ouderen, waarbij een deel van de woningen in het hogere segment ligt. De buurt heeft een actieve bewonersorganisatie: het Wijkberaad Kraayenstein. Dat een aantal initiatieven rond leefbaarheid, verkeer en groenvoorziening is gestart. Formeel is de wijk één geheel. In de praktijk wordt dat lang niet altijd zo gevoeld. In een deel van deze wijk is de sociale cohesie relatief groot: vanwege de start van de bouw in 2004 is de wijk Vroondaal niet alleen relatief nieuw, maar zijn veel mensen er ook gelijktijdig komen wonen. Geboortegolven zorgen bovendien voor sociale cohesie via ‘het schoolplein’. Daarmee is het een kleine, overzichtelijke wijk met korte lijnen. Tot slot is het ook zaak om kort Bloemendaal (als buurt) te noemen. Aan het Parnassiaterrein zit al sinds de jaren dertig een instelling die GGZ-zorg verleent.
Dat ‘trekt’ ook een ander type bewoners. Gemiddeld genomen is de gevoelde sociale cohesie redelijk tot goed te noemen. En is ook het veiligheidsgevoel goed, maar is er toch ook sprake van ervaren overlast.
1. Wijkbeeld 2. Empirische illustraties De bestaande woningvoorraad in Vroondaal bestaat overwegend uit koopwoningen in het middeldure en duurdere segment, zoals vrijstaande villa’s, twee-onder-een-kapwoningen en ruime eengezinswoningen. Appartementen en huurwoningen zijn aanwezig, maar vormen een minderheid. Dat betekent dat de wijk vooral in trek is bij gezinnen en
Gemeente Den Haag
Participatieve initiatieven zijn aanwezig, maar verdeeld tussen de oude en de nieuwere buurten. Waarbij de nieuwe buurten in eerste aanleg nog nauwelijks formele bewonersverenigingen hebben. Vooral omdat Vroondaal in een PPSconstructie is opgezet, waarbij de projectontwikkelaar een grote rol had. Een
26 februari 2026
P 36
respondent vertelt: ‘Vroondaal [is opgezet als] publiek private samenwerking met gemeente en projectontwikkeling. [In een] 50-50 verhouding. Maar in Vroondaal zitten alleen mensen van de projectontwikkelaar [in koopwoningen]. Niet van de gemeente [in huurwoningen].’ Ook de bewoners in Vroondaal wilden zich organiseren: ‘De buurt [wilde] zich organiseren. Er is al jaren een bewonersorganisatie in Hofstede. Ik heb ook een groepje opgericht in Vroondaal Zuid. [Dat] moest geformaliseerd worden. Zuid en Westmade park hebben samen een bewonersvereniging. [...] Vroonvaart had ook een organisatie. Nu [is er] één wijkberaad voor heel Vroondaal.’ Initiatieven die er zijn, zijn vaak gericht op het totstandbrengen van die verbinding. Er is inmiddels een keur aan activiteiten, zo vertelt een respondent. ‘Halloween is bijvoorbeeld heel groot. Dat gaat via whatsappgroepen. We hebben mensen die sportinstructeur zijn, en buiten sportlessen geven. Kerstborrel, sinterklaasfeest. Picknickbankjes worden geplaatst, omdat er weinig bankjes zijn. Kleedjesmarkt. Kanovereniging, sportverenigingen.’ De communicatieve structuren zijn lean & mean: ‘Whatsappgroepen wordt goed gebruikt, mensen helpen elkaar op weg. Er is geen drempel.’ De overlegstructuren met formele actoren zijn in de regel wat zwakker ontwikkeld.
Soms gaat het goed: het ‘Stadsdeel heeft de juiste mensen op de juiste plek.’ Ook dat gaat via een ‘Whatsappgroep [via] wijkberaad [naar] de contactpersoon van het stadsdeel.’ Maar richting stadhuis gaat het minder: ‘De gemeente zou brieven van de commissie [naam] moeten beantwoorden. ‘We geven regelmatig aan waar de gemeente op zou kunnen letten. Van de commissie begreep ik dat zij weinig antwoord kregen van het stadhuis.’
(Kraayenstein) iets organiseert: dan wel goede opkomst.’ Zoals een andere respondent opmerkt: dat is misschien wel de (juiste) schaal waarop mensen actief willen zijn. Want: zo vertelt een respondent: het winkelcentrum Kraayenstein met de supermarkt, zijn winkels, evenals school en sport is een plek die er voor de hele wijk is. Maar de kleedjesmarkt bijvoorbeeld is het weer in de buurt. Omdat het thema veiligheid in een aantal buurten sterk speelt, is er een initiatief van een klein aantal buurten gestart, waarin (nu) onder de vlag van het wijkberaad in de avonduren ‘door de wijk gewandeld wordt’. Om zo een oogje in het zeil te houden. 3.Duiding Wijkdemocratie in Kraayenstein en Vroondaal is in opbouw en duidelijk (nog) gebiedsgebonden. In de nieuwere buurten van Vroondaal kwam bewonersorganisatie pas later tot stand, mede door de PPS-structuur. Maar inmiddels is er een wijkberaad dat als overkoepelend platform fungeert. Informele netwerken (vooral via laagdrempelige WhatsAppgroepen) ondersteunen elkaar. En verzorgen de organisatie van activiteiten rond feestdagen, op het gebied van sport en op het terrein van veiligheid. De sociale samenhang is zichtbaar in concrete initiatieven en gedeelde voorzieningen, maar verschilt per schaalniveau. De verbinding met de gemeente is wisselend, beter met het stadsdeel dan met het stadhuis, naar het zich laat aanzien.
Dat belemmert soms de institutionele verankering van bewonerskracht.
Als het om de participatieve interventies gaat, dan valt een aantal zaken op. Zo is de ALV van de Buurtvereniging relatief minder bezocht: volgens een respondent komen er ‘weinig mensen op af.’ Daarentegen zijn de bijeenkomsten van het Wijkberaad beter bezocht: ‘Als het wijkberaad
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P 37
8. Geuzen- en Statenkwartier Het Geuzen- & Statenkwartier is een ruim, statig stadsdeel in Den Haag. Dat grotendeels ontwikkeld is tussen 1890 en 1915. Daaraan dankt het zijn brede lanen, de grote herenhuizen in Jugendstil en Art-nouveau-stijl. En zijn pleinen. Een aantrekkelijke optelsom van beschermd stadsgezicht vormen. De Frederik Hendriklaan (‘De Fred’) fungeert als levendige winkel- en horeca-as. De woningvoorraad bestaat voornamelijk uit koop- of particuliere (duurdere) huurwoningen. Sociale huur is juist beperkt aanwezig. Daarmee ligt de gemiddelde WOZ-waarde (ver) boven het Haagse gemiddelde. De buurt trekt relatief veel expats en bewoners met hogere inkomens en heeft goede bereikbaarheid en voorzieningen, nabij strand, groen en internationale instellingen. Een wijk met een gemengd, maar vooral welvarend sociaal profiel. 1.Wijkbeeld Een mondige wijk met hoge betrokkenheid rond concrete issues in de openbare ruimte. In het Statenkwartier wordt wijkdemocratie vooral zichtbaar als ‘issuemobilisatie’ die zich afspeelt langs maatschappelijke vraagstukken die in het dagelijks leven spelen. Mondige ‘burgers’ die hun weg wel weten te vinden. Een respondent formuleert het kernachtig: het gaat om ‘hoeveel invloed’ een bewonersorganisatie krijgt op beleid en uitvoering én ‘hoe representatief’ die organisatie dan is.
Gemeente Den Haag
De wijk heeft in ruimtelijke zin een voordeel op andere plekken in Den Haag. Er is ruimte voor wat in jargon ook wel toevallige ontmoetingen worden genoemd. Participatie ontkiemt om die reden niet alleen in formele settings, maar heeft ook kans van ontkiemen in ‘winkelstraten, recreatiegebieden’. Op de pleinen in de buurtjes. Kortom op al die ‘andere publieke plekken’ waar mensen verblijven, boodschappen doen of zich verplaatsen. Zo is ‘meedoen’ en democratische participatie, iets dat als het ware ‘op kan lopen’ alledaagse. Tegelijk is het Statenkwartier een wijk waarin betrokkenheid vaak piekt als onderwerpen ‘dichtbij huis’ komen: autoluw, fietsen en parkeren roepen “veel meningen” op. 2. Empirische illustraties Vertegenwoordigers van de gemeente zijn goed ‘aangetakt’ op de sociale en participatieve iniatieven en bewegingen in de wijk: ‘Ze spreken ook heel veel bewoners. Dat wordt dan gedaan via WhatsApp groepen, bijvoorbeeld. Maar ook [...] nieuwsbrieven. Ook oploopjes in de wijk worden met regelmaat georganiseerd: ‘momenten in de wijk [...] waarbij mensen samenkomen om mee te praten [...] of überhaupt elkaar te leren kennen. Het Statenkwartier kent ook werkgroepen.
Dat is ontstaan naar aanleiding van de wijkagenda.’ Bewoners zijn mondig: ‘we merken vaak wel dat bewoners het prettig vinden dat we ze op de hoogte stellen en ook de mogelijkheid geven om er iets van te vinden.’ Dat gaat ook over nog vast te stellen beleid. De ervaring van professionals is, dat je dan eerder vroeger dan later zou moeten beginnen met het betrekken van bewoners: ‘De gemeente denkt erover na om [over een beleidsonderwerp] iets te gaan doen,’ dan is het verstandig dat mensen ‘kunnen meedenken. Zodat je ervoor zorgt dat mensen toch wel vroegtijdig aangehaakt zijn en ook weten dat iets speelt.’
26 februari 2026
P 38
Want: ‘Mensen hier hebben vaak de vaardigheden en middelen om zelf dingen te organiseren. Klassiek opbouwwerk is minder nodig; het is een zelforganiserende wijk.’ Dat heeft ook een schaduwzijde: ‘In deze wijk lijkt het goed te lopen, maar breder in het stadsdeel zie je dat bewonersorganisaties een grote rol spelen. De vraag is wel of zij een volledige afspiegeling van de wijk zijn. De ene organisatie slaagt daar beter in dan de andere.’ En dat ‘kan leiden tot scheve verhoudingen.’ 3.Duiding Wijkdemocratie is hier sterk issue-gedreven. Daarmee toont het Statenkwartier een dynamiek die je vaker ziet in stedelijke participatie: een relatief hoog potentieel aan betrokkenheid, maar sterk thematisch gedreven en situatie-gebonden. Tegelijk is er een scherp besef dat invloed zonder representativiteit problematisch is. In het Statenkwartier draait wijkdemocratie vooral om mobilisatie rond concrete thema’s dichtbij huis, zoals parkeren, fietsbeleid of het al dan niet autoluw maken van straten. De publieke ruimte (winkelstraten, recreatieplekken) fungeert daarbij ook als sociaal kruispunt waar toevallige ontmoetingen ontstaan. Conclusie: de wijk kent veel betrokkenheid, maar de participatiefdemocratische uitdaging zit ‘m in het vertalen van issue-gedreven energie naar wat meer representatieve vertegenwoordiging.
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P 39
Onder dezelfde hemel, een andere bodem Overeenkomsten en verschillen tussen wijken
buurtapps en informele ontmoetingen in recreatiegebieden een vergelijkbare rol. In andere wijken zijn het hofje, het woonblok of de portiek de plekken waar onderlinge betrokkenheid ruimte kan krijgen. Het is belangrijk om te benadrukken dat elke wijk een netwerk van informele relaties heeft dat omvangrijker is dan vanuit een beleidsmatig gezichtspunt herkenbaar is. Simpelweg omdat er informeel en onder de radar ook heel veel gebeurt. Ook in wijken daar waar bij inspraakmomenten leeg blijft, of waar weinig formele initiatieven geregistreerd staan. Deze praktijken worden niet altijd herkend als participatie – en dat zijn ze strikt genomen ook niet. Zij vormen eerder de sociale infrastructuur waarop participatie kan ontstaan. Zoals Tonkens (2021) beschrijft in haar analyse van samenleven in tijden van verschil, is sociale cohesie geen vanzelfsprekend gegeven maar een relationeel proces dat onderhoud vraagt.
Wanneer we de bevindingen uit de deskresearch naast de inzichten uit de acht verdiepingswijken leggen, ontstaat een samenhangend patroon van overeenkomsten en verschillen tussen wijken. Dat patroon proberen we in dit hoofdstuk zichtbaar te maken.
Verschillen in collectieve effectiviteit in de sociale bodem
Collectieve effectiviteit: de sociale bodem
Wat betreft het verschil in institutionele aansluiting: in sommige wijken weten formele structuren – bewonersorganisaties, stadsdeelmedewerkers, welzijnspartijen – deze informele infrastructuur te herkennen en te verbinden met beleidsprocessen. In andere wijken bestaan informele en formele werelden grotendeels naast elkaar.
In de 42 onderzochte wijken bestaat een vorm van collectieve effectiviteit. Niet overal even sterk, niet overal even zichtbaar, maar nergens volledig afwezig. Collectieve effectiviteit verwijst naar het gedeelde vertrouwen tussen bewoners en hun bereidheid om samen te handelen in het belang van de leefomgeving (Sampson, et al., 1997). In Den Haag krijgt dat vorm in uiteenlopende praktijken: burenhulp, informele zorgnetwerken, WhatsAppgroepen rond veiligheid, religieuze gemeenschappen, sportverenigingen, oudernetwerken, jongerenorganisaties en nog veel meer. In de Schilderswijk fungeren moskeeën, scholen en koffiehuizen als sociale knooppunten. In het Geuzen- en Statenkwartier spelen winkelstraten,
Gemeente Den Haag
Wat tussen wijken verschilt, is niet het bestaan van deze onderlaag, maar de dichtheid van netwerken, de spreiding van betrokkenheid (breed gedragen of geconcentreerd bij enkelen), en de mate van institutionele aansluiting.
Dat verschil is cruciaal. Want zonder aansluiting blijft collectieve effectiviteit onbenut voor participatie en daarmee indirect voor wijkdemocratie.
Collectieve effectiviteit staat niet los van sociaal-economische omstandigheden. Wijken met relatief hoge inkomens, stabiele wooncarrières en een hoge verkiezingsopkomst kennen gemiddeld meer formele
26 februari 2026
P 40
bewonersorganisaties, een brede vrijwilligersinzet, en een grote spreiding van actieve bewoners. In wijken met geconcentreerde armoede en sociale problematiek is collectieve inzet vaker afhankelijk van enkele sleutelfiguren en professionele ondersteuning vanuit welzijnsorganisaties. Ongelijkheid in opleiding, tijd en netwerktoegang vertaalt zich in ongelijkheid in politieke betrokkenheid. Langs dezelfde lijnen is het participatiepotentieel verdeeld. Wat in het veldwerk terugkomt, is dat bewoners in kwetsbare wijken vaker spreken over een “overlevingsstand”. Collectieve effectiviteit vraagt mentale ruimte, stabiliteit en vertrouwen. Die ruimte is niet voor iedereen hetzelfde en wordt ook verschillend ervaren. De wijkdemocratie ontwikkelt niet in een neutrale context, maar ontwikkelt op een voedingsbodem die specifiek is voor de wijk. Participatie: zichtbare betrokkenheid Wanneer mensen collectieve effectiviteit ervaren en hun betrokkenheid bij de wijk samen vertalen naar overleg, inspraak, actie, organisatie, dan begonnen participatieve processen te ontstaan. In geen enkele wijk is participatie uitsluitend procedureel. Overal bestaat een hybride praktijk, waarin formele structuren (wijkagenda’s, bewonersorganisaties, inspraakavonden) samenlopen met informele mobilisatie en thematische coalities.
Tavory en Timmermans (2014) beschreven hoe sociale praktijken niet gereduceerd kunnen worden tot formele categorieën, maar zich bewegen tussen institutionele kaders en alledaagse interacties. Het veldwerk laat zien dat formele participatie vaak slechts het zichtbare deel is van een veel bredere dynamiek. Wie over een langere periode naar participatie in wijken kijkt, ziet geen constante lijn van hoge of lage betrokkenheid, maar een golfbeweging. In vrijwel alle wijken gaat participatie op en af. Er zijn momenten of een aanleiding dat de energie oploopt – bijvoorbeeld rond grote bouwprojecten,
Gemeente Den Haag
veranderingen in het parkeerbeleid, of overlast en verslechtering van de (sociale) veiligheid. Bewoners organiseren zich, mobiliseren hun achterbannen, gaan naar drukbezochte bijeenkomsten, en laten via diverse communicatiekanalen van zich horen. Na zo’n periode volgt dikwijls een periode van rust. Niet omdat de betrokkenheid bij de wijk is verdwenen, maar er geen directe aanleiding is. Sommige bewoners trekken zich terug, anderen blijven op een laag pitje actief. Dit inzicht is van belang, omdat het laat zien dat lage zichtbaarheid van participatie (en wijkdemocratie) niet automatisch wijst op afwezigheid van betrokkenheid. Verschillen in stabiliteit & schaal Niet alle wijken kennen dezelfde stabiliteit in het participatielandschap. In sommige wijken is betrokkenheid verspreid over initiatieven en personen, waardoor uitval minder impact heeft. In andere wijken is participatie sterk geconcentreerd bij enkele sleutelfiguren. Wanneer zij stoppen, ontstaat een vacuüm dat niet automatisch wordt opgevuld. Dit verschil maakt bepaalde wijken gevoeliger voor discontinuïteit dan andere, zonder dat dat direct zichtbaar is in formele structuren. Daarnaast verschilt de schaal waarop bewoners zich organiseren. In sommige wijken is het denken vanzelfsprekend wijkbreed georganiseerd. In andere wijken ligt de primaire schaal bij het hofje, de straat of het woonblok.
Wijkbrede bijeenkomsten sluiten daar minder goed aan bij de beleefde werkelijkheid.
Wijkdemocratie: vertegenwoordiging, invloed en legitimiteit
Wanneer participatie zich verbindt met besluitvorming, vertegenwoordiging en institutionele doorwerking, spreken we van wijkdemocratie. In alle wijken duikt vroeg of laat dezelfde vraag op: wie spreekt hier namens de wijk? Representativiteit staat nergens buiten discussie. In wijken met sterk
26 februari 2026
P 41
georganiseerde participatie gaat het debat vaak over interne diversiteit: zijn huurders zichtbaar? Jongeren? Nieuwkomers? In superdiverse wijken verschuift het vraagstuk naar toegang. Taal, culturele codes en vertrouwdheid met vergaderstructuren bepalen wie feitelijk mee kan doen. Het lijkt erop dat formele openheid geen garantie biedt voor feitelijke inclusie. Verschil in democratisch zelfbeeld Wijken verschillen in hoe zij zichzelf zien als gemeenschap. In sommige wijken is er een sterk collectief bewustzijn. Bewoners spreken over “onze wijk” met een zekere trots en vanuit een lang verleden. Participatie wordt dan meer gezien als een vanzelfsprekendheid. Men is gewend om invloed uit te oefenen op de leefomgeving (in de wijk). In andere wijken is dit beeld diffuus. Bewoners ervaren minder gemeenschapszin. De wijk is voor hen een woonomgeving. Democratische betrokkenheid is hier minder verbonden aan identiteit en meer aan concrete situaties. Er zijn ook wijken waar het zelfbeeld sterk wordt beïnvloed door externe beeldvorming. Wanneer een wijk in beleid of media vaak wordt geassocieerd met een bepaalde problematiek, kan dat invloed hebben op hoe bewoners zichzelf positioneren in participatieprocessen – soms defensief, soms juist strijdvaardig. Het verschil ligt niet zo zeer in betrokkenheid, maar in de symbolische betekenis die bewoners aan hun wijk toekennen.
wijken waar vertrouwen robuust is, wordt vertraging vaker als procedureel begrepen. Waar vertrouwen kwetsbaar is, kan dezelfde vertraging worden geïnterpreteerd als onverschilligheid. Dit spanningsveld is een fundamenteel aspect van de wijkdemocratie. Verschil in verwachtingen van invloed Een fundamenteel verschil tussen wijken betreft de mate waarin bewoners invloed verwachten – en hoe zij die definiëren. In sommige wijken wordt invloed opgevat als daadwerkelijk meebeslissen. Of bewoners willen ten minste vroeg betrokken worden en hechten aan zichtbare doorwerking van hun inbreng in beleid en uitvoering. In andere wijken is invloed meer pragmatisch. Het gaat dan minder om zeggenschap en meer om gehoord worden, of om heel concreet een antwoord op een vraag of klacht. Er zijn ook wijken waar bewoners minder uitgesproken verwachtingen hebben van invloed op gemeentelijke beleid, maar sterk inzetten op onderlinge zelforganisatie. Soms door een barrière, soms door een gebrek aan vertrouwen en soms door de houding “dat het toch geen zin heeft”. Wijkdemocratie is daar minder te meten aan formele besluitvorming, en meer aan het vermogen om lokaal dingen voor elkaar te krijgen. Hoe bewoners omgaan met invloed bepaalt mede hoe ze hun participatieervaringen beoordelen.