RIS325129 Bijlage Het moment waarop democratie ontstaat
Tekst van het document
“Het moment waarop democratie ontstaat.” Onderzoek naar het participatielandschap in Den Haag Merel van Rees – van Bekkum, Ton Baetens, Koen Gruijters, & Hans Moors 26 februari 2026
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P1
Samenvatting De gemeente Den Haag staat voor een sterke democratie op wijkniveau. Daarom wil de gemeente graag weten hoe het participatielandschap in de stad eruit ziet. Aan die behoefte wil dit onderzoeksrapport tegemoetkomen. Het beantwoordt de vraag wat de actuele staat is van de wijkdemocratie en wat er mogelijk is om die zo sterk mogelijk te maken. Een combinatie van deskresearch en verdiepend veldwerk in acht wijken laat in cijfers en verhalen zien hoe bewoners de wijkdemocratie in de praktijk beleven. Een theorie over wijkdemocratie Het onderzoek vertrekt vanuit drie elkaar onderling conditionerende begrippen. •
•
•
Collectieve effectiviteit: de sociale relaties (en basis) tussen bewoners, die samen bereid zijn om actief in te grijpen en lokale problemen op te lossen. Het gaat bij collectieve effectiviteit niet alleen over de bereidheid om zich in te zetten voor het collectieve belang, maar ook over doenvermogen. Participatie: het proces waarbinnen meedoen, invloed uitoefenen en meebeslissen is georganiseerd. Daarom bestaat participatie alleen als er echt invloed kan worden uitgeoefend. Participatie heeft ook een normatief aspect: het gaat over zeggenschap en eigenaarschap. Wijkdemocratie: het ecosysteem dat in een wijk invulling geeft aan en gelegenheid biedt om betrokken te zijn bij en mee te beslissen over onderwerpen die spelen in de wijk. Dat kan formeel georganiseerd zijn,
Gemeente Den Haag
zodat democratische processen structureel geborgd zijn. Maar het kan ook informeel tot stand komen, omdat bewoners elkaar ontmoeten en verstaan, afspraken maken en zeggenschap regelen. De collectieve effectiviteit van wijkbewoners, die zich uitdrukt in allerlei maatschappelijke groepen, clubs en organisaties, in initiatieven en activiteiten, van mensen voor mensen in de wijk, is, zoals gezegd, een belangrijke voorwaarde voor participatie. Zonder participatie (in de brede zin van het woord) is het vrijwel ondenkbaar dat er een rijke wijkdemocratie ontstaat. Kort samengevat, wijkdemocratie bestaat alleen bij gratie van participatie, en participatie vereist ervaren collectieve effectiviteit. Het participatielandschap van Den Haag Per wijk is aan de hand van veel verschillende soorten gegevens het participatielandschap zichtbaar gemaakt: wat er is aan participatieve initiatieven en participatief potentieel. Deze infographics zijn beschikbaar in de bijlage bij dit onderzoeksrapport. Ook valt een aantal zaken op in vrijwel alle onderzochte wijken. •
•
De uitgangsposities van wijken verschillen sterk Sociaaleconomische kenmerken, verkiezingsopkomst, vrijwilligersinzet, ervaren veiligheid, sociale cohesie en subsidieaanvragen zijn ongelijk verdeeld over de stad. In wijken waar financiële druk, kansenongelijkheid of veiligheidsvraagstukken domineren, is participatie vaak persoonsafhankelijk en kwetsbaar. Betrokkenheid is overal aanwezig, maar niet altijd zichtbaar In elke wijk zetten bewoners zich in. Alleen gebeurt dit niet altijd via formele kanalen. Met name in superdiverse contexten lijkt een sterke informele betrokkenheid zichtbaar: burenhulp, zelforganisaties, religieuze netwerken en informele initiatieven. Deze inzet wordt niet altijd herkend als “participatie”, terwijl zij wel degelijk bijdraagt aan wijkdemocratie. Daarom is het belangrijk om ook de informele kant van participatie te zien én te stimuleren.
26 februari 2026
P2
•
•
Formele structuren zijn aanwezig, maar verschillen in draagkracht In vrijwel alle onderzochte wijken bestaan bewonersorganisaties en participatiestructuren. Het bereik, de representativiteit en de organisatorische duurzaamheid verschillen aanzienlijk. In sommige wijken is sprake van een stevige infrastructuur met verschillende organisaties, terwijl in andere wijken slechts enkele sleutelfiguren de participatie “dragen”. Vertrouwen en responsiviteit zijn doorslaggevend Bewoners zijn bereid zich in te zetten wanneer onderwerpen concreet zijn en als zij ervaren dat hun inbreng effect heeft. Waar terugkoppeling ontbreekt of processen traag verlopen, neemt motivatie af. Transparantie en tijdig communiceren over wat wel en niet mogelijk is, blijkt essentieel.
Overeenkomsten tussen wijken Het verdiepende veldwerk in acht wijken laat vooral het belang zien van zachte ofwel relationele factoren die de kracht van de wijkdemocratie mede bepalen. • •
•
Informele netwerken spelen overal een belangrijke rol in het sociale weefsel van wijken en in hoe sterk de ervaring van collectieve effectiviteit is. De aandacht voor participatie wordt getriggerd als bewoners ervaren dat het onderwerp een directe impact heeft op het dagelijks leven. Voorbeelden hiervan zijn: parkeren, veiligheid, sloop, of afval. Nabijheid en persoonlijk contact versterken vertrouwen. Indien de gemeente en zijn samenwerkingspartners outreachend en met oog voor de relaties en verbindingen in de wijk werken, zichtbaar zijn en aan te spreken op wat ze (niet) doen, dan vergroot dit de betrokkenheid van bewoners.
Verschillen tussen wijken De verschillen tussen wijken, zoals die uit het veldwerk naar voren komen, hangen samen met de voedingsbodem die in wijken bestaat voor meedoen en invloed uitoefenen.
Gemeente Den Haag
•
•
•
In sommige wijken functioneert de formele democratische infrastructuur (wijkraden, bewonersorganisaties, verenigingen of enquêtes) goed, maar niet alle groepen voelen zich erdoor aangesproken. In andere wijken is er veel lokale energie, zowel in de formele organisaties als in informele initiatieven, maar wordt in de samenwerking met de gemeente inertie en traagheid ervaren. In superdiverse wijken is participatie sterk afhankelijk van bestaande netwerken. Tussen die netwerken bestaan weinig verbindingen en het is ingewikkeld en in de ogen van bewoners niet vanzelfsprekend om die bruggen te slaan.
De wijkdemocratie ontwikkelt zich op een voedingsbodem die er al is en waar de (ervaren) ongelijkheid tussen bewoners deel van uitmaken. Een gelijk participatieaanbod leidt daarom niet automatisch tot gelijke kansen om mee te doen, invloed uit te oefenen en mee te beslissen. Twee overkoepelende lessen Op basis van het onderzoek zijn voor de gemeente Den Haag twee overkoepelende lessen te trekken. De eerste les is dat participatie-activiteiten op wijk- en buurtniveau niet eenmalig kunnen zijn. Het is eigenlijk een vorm van democratische innovatie: een pop-updemocratie, die ontstaat via allerlei participatieve gebeurtenissen die voortdurend plaatsvinden, waarbij mensen elkaar leren kennen en buren en vrienden ontmoeten. Bij voorkeur is participatie ook het resultaat van cocreatie: niet top-down en gestuurd vanuit de systeemwerkelijkheid van de gemeente, maar veeleer als een samenhangend ecosysteem van gemeente en wijkbewoners tezamen, op fysieke plekken in een wijk. Plekken die betekenis krijgen, omdat gemeente en wijkbewoners elkaar er ontmoeten en er beiden iets kunnen halen en brengen. De tweede les is om de deliberatieve kant van participatie vooral niet uit de weg te gaan. Ook al is het soms vanuit de gemeente niet te doen om zoveel
26 februari 2026
P3
verschillende mensen tevreden te houden. Soms kan dat ook simpelweg niet vanwege wet- en regelgeving. De kunst is om desondanks in gesprek te blijven en het proces van delibereren serieus te nemen. De waarde van participatie schuilt namelijk in de deliberatie, in dat proces van samen in gesprek over wat mogelijk is, wat gewenst is, wat verantwoordelijk is, wat legitiem is. Het betekent eveneens dat je niet bang moet zijn voor conflict. De wijkbewoners niet, en vooral de gemeente niet. Conflict is juist het moment waarop democratie ontstaat. In de wrijving, omdat die ruimte maakt voor uiteenlopende opvattingen. Beide lessen helpen om (wijk)democratische processen te verbeteren. Dat zal in elke context net wat anders moeten gaan, omdat de omstandigheden per wijk anders zijn. Wijkdemocratie ontstaat niet door een palet van participatie instrumenten alleen, maar als bewoners ervaren dat hun stem ertoe doet en dat samen handelen zin heeft.
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P4
Inhoud Samenvatting
2
Inleiding We zitten aan elkaar vast – een theorie van wijkdemocratie Het participatielandschap van Den Haag – in 42 foto’s De verdieping Onder dezelfde hemel, een andere bodem Conclusie – met twee overkoepelende lessen
6 9 14 18 40 44
Literatuur Bijlagen
47 50
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P5
overlegstructuren. Elders is minder formele organisatie zichtbaar, maar bestaan hechte informele netwerken. Er zijn wijken waar bewoners de weg naar het stadsdeelkantoor moeiteloos vinden, en wijken waar die stap minder vanzelfsprekend voelt.
Inleiding Op een vrijdagmiddag staat ergens in Den Haag een kraampje op een plein. Bewoners blijven even staan. Er wordt gesproken over verkeer, over afval, over hoe het “vroeger anders was”. Iets verderop deelt een vrijwilliger flyers uit namens een bewonersorganisatie. In een buurthuis wordt met ambtenaren gesproken over de wijkagenda en de uitkomsten van een recente vragenlijst. En op het stadhuis buigt men zich over beleid dat al deze wijken raakt. Het zijn losse scènes, maar samen vertellen ze een groter verhaal: dat van wijkdemocratie. Democratie is niet alleen een kwestie van ‘gaan stemmen.’ Zeker niet in een wijk. Een wijk is als het leven zelf: soms vol energiek, soms vermoeiend. Soms zichtbaar in verslagen en besluiten, maar vaker invoelbaar, als het om de onderlinge verhoudingen in de buurt en de wijk gaat. En evenzeer speelt er macht: wie het woord neemt, wie wordt gehoord en wie stil blijft. Die optelsom van alledag in de dagelijkse leefomgeving: dat is in de kern wijkdemocratie. Democratie die vorm krijgt aan overlegtafels en in WhatsAppgroepen, in formele wijkagenda’s en spontane initiatieven, in vertrouwen, maar ook in twijfel of wantrouwen.
Juist dat besef vormde de achtergrond van het initiatiefvoorstel Haagse Wijken Aan Zet, dat in 2025 door de gemeenteraad werd aangenomen. De boodschap is helder: democratie vindt niet alleen plaats in de raadzaal, maar juist ook in buurten en wijken. De Inspraak- en Participatieverordening 2024 bevestigt dat participatie geen sluitstuk mag zijn, maar vertrekpunt van beleid. Eerdere evaluaties laten zien dat bewoners willen meedoen – mits onderwerpen concreet zijn, invloed daadwerkelijk wordt ervaren, kaders duidelijk zijn en zichtbaar is wat er met hun inbreng gebeurt. De vraag is daarmee niet óf wijkdemocratie belangrijk is. De vraag is hoe zij functioneert. En met en voor wie. De aanleiding – een brug tussen ambitie en werkelijkheid Tussen ambitie en dagelijkse praktijk ligt echter altijd een ‘eigen werkelijkheid.’ Een werkelijkheid, die stelt dat niet iedereen in gelijke mate beschikt over tijd, netwerk, vertrouwen of mentale ruimte om zich in te zetten voor de wijk. Of daar trek in heeft, en vindt dat de gemeente alles moet oplossen. Voor sommigen is digitale communicatie efficiënt; voor anderen vormt zij een drempel. Sommige bewoners voelen zich vanzelfsprekend aangesproken, anderen ervaren afstand. Wie verschijnt in een publieke ruimte is zelden toeval.
In een stad als Den Haag, met zijn 44 wijken verspreid over acht stadsdelen, kan die democratische praktijk onmogelijk overal hetzelfde zijn. Sommige wijken kennen een stevige infrastructuur van bewonersorganisaties en
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P6
Dit onderzoek opgezet als een wijkscan van het participatielandschap in 42 Haagse wijken1. Het doel is om een samenhangend en feitelijk beeld te geven van hoe bewonersparticipatie en wijkdemocratie zich momenteel manifesteren. Centraal staat de vraag: “Wat is de staat van het participatielandschap in 42 Haagse wijken, en waar liggen mogelijkheden en knelpunten voor versterking van wijkdemocratie?” Om die kernvraag te kunnen beantwoorden is een aantal deelvragen geformuleerd: 1. Wat is het niveau van collectieve effectiviteit in de wijken en hoe beïnvloedt dit de mate van participatie? 2. Waar bevinden zich ‘witte vlekken’ in bewonersbetrokkenheid, en hoe verhoudt dit zich tot gemeentelijk beleid?
selectie van deze wijken – in elk stadsdeel een wijk – is samen met de opdrachtgever gemaakt, op basis van de deskresearch. Op die plekken hebben we een bonte mix van bewoners, vrijwilligers, sleutelfiguren en professionals gesproken. Er is geluisterd, geobserveerd en doorgevraagd. Niet om te oordelen, maar juist om te begrijpen hoe participatie, meedoen, het alledaags vormgeven van democratisch handelen wordt beleefd: wanneer voelen bewoners zich betrokken? Wanneer haken zij af? Wanneer groeit vertrouwen – en wanneer brokkelt het af? Deze combinatie van overzicht en verdieping maakt het mogelijk verschillen zichtbaar te maken zonder ze al te zeer te simplificeren. Het doel is nadrukkelijk niet om wijken te rangschikken of langs een normatieve meetlat te leggen, maar om variatie te begrijpen en te duiden. De volledige onderzoeksopzet en methodologische verantwoording zijn opgenomen in de bijlage.
3. Welke participatiestructuren en -initiatieven bestaan er per wijk en welke actoren zijn betrokken?
Wie wil begrijpen ‘hoe wijkdemocratie werkt’, moet in onze ogen eerst kijken naar de onderliggende structuren en naar sociale basis waarop zij rust. Daarom beginnen we met een verkenning van de collectieve effectiviteit in wijken, het participatielandschap en hoe die samen de wijkdemocratie laten functioneren.
Breedte én diepte Het onderzoek combineert breedte en diepte. In 42 wijken is deskresearch verricht: beleidsdocumenten, wijkagenda’s, beschikbare cijfers en subsidiegegevens zijn geanalyseerd om per wijk een overzicht te maken van zichtbare structuren en initiatieven. Dat levert een stadsbrede ‘foto’ op van het participatielandschap.
Leeswijzer Dit rapport presenteert allerlei verschillende manieren om naar het participatielandschap en de wijkdemocratie te kijken. Het is daarom ook een rapport dat je niet van voor tot achter hoeft te lezen. De lezer kan er ook gewoon doorheen hink-stap-sprongen.
Maar cijfers en documenten vertellen nooit het hele verhaal. Daarom is in acht wijken (verspreid over de stadsdelen) licht verdiepend veldwerk uitgevoerd. De
Ben je geïnteresseerd in wat er in de wijken speelt, begin dan met hoofdstuk 3 waarin die stadsbrede ‘foto’ wordt toegelicht. Of blader door naar hoofdstuk 4
1
Tijdens de deskresearch werd duidelijk dat er voor twee wijken in Den Haag (Oostduinen en Forepark) te weinig data beschikbaar was. In overleg met de opdrachtgever zijn deze twee wijken verder niet meegenomen in het onderzoek.
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P7
dat verslag doet van het verdiepende veldwerk en laat zien hoe mensen die in die acht wijken wonen en werken de wijkdemocratie beleven. In hoofdstuk 5 analyseren we verschillen en overeenkomsten tussen de 42 Haagse wijken die we in de deskresearch en het veldwerk hebben bestudeerd. Niet iedereen is verzot op academische literatuur en theoretische beschouwingen. Daarom hebben we die zoveel mogelijk gebundeld in hoofdstuk 2. Wie eerst in de theorie achter collectieve effectiviteit, participatie en wijkdemocratie wil duiken, of dat juist achteraf wil doen, die bepaalt dat zelf. En natuurlijk ook of je het hoofdstuk wilt overslaan. Voor de snelle lezer is hoofdstuk 6 waarschijnlijk het meest relevant. Daar trekken we kort en krachtig een aantal wezenlijke conclusies en formuleren we twee overkoepelende lessen. De bijlagen, ten slotte, bevatten de gebruikte literatuur, de methodologische verantwoording en de 42 wijkoverzichten.
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P8
We zitten aan elkaar vast – een theorie van wijkdemocratie De Haagse gemeenteraad heeft in 2025 het initiatiefvoorstel ‘Haagse Wijken Aan Zet’ aangenomen. Het voorstel bouwt voort op bestaande beleidslijnen, zoals het ‘Actieplan verbetering samenwerking bewonersorganisaties en gemeente’ (RIS322962), ‘Vitalisering van de Lokale Democratie’ (RIS309465), de ‘Inspraaken Participatieverordening Den Haag’ uit 2024 (RIS319848) en, eerder al, de ‘Beleidsnota Bewonersorganisaties’ uit 2021 (RIS309456). Het initiatiefvoorstel benadrukt, dat nog meer maatwerk, inclusiviteit en samenwerking met formele en informele bewonersorganisaties belangrijk is om de democratische processen op buurt- en wijkniveau te voeden. Eerder al was de term “maatwerkdemocratie” gevallen. En in het Handboek voor samenwerking met de stad werd met een open en brede blik gekeken naar alle belanghebbenden die democratische processen in buurten en wijken vormgeven: “Bewoners organiseren zich op meer verschillende manieren, formeel en informeel. In verenigingen, stichtingen en andere rechtsvormen, zoals maatschappen en coöperaties. En in informele netwerken, via geloofsgemeenschappen, rolmodellen en zelforganisaties.”
Gemeente Den Haag
Democratische innovatie Het denken over lokale democratische processen in buurten en wijken in Den Haag sluit aan bij de nieuwste ontwikkelingen die de wetenschappelijke literatuur over democratische innovatie beschrijft. De laatste vijftien jaar is een enorme verbreding van de academische discussie zichtbaar geworden. De vaak aangehaalde studie van Graham Smith (2009, p.1) beschreef democratische innovaties nog als “instituties die specifiek zijn ontworpen om de participatie van burgers in het politieke besluitvormingsproces te vergroten en te verdiepen.” Deze definitie gaat uit van institutioneel ontwerp en een overheid die het initiatief neemt om participatie en participatieve besluitvorming te organiseren. Tien jaar later hanteerde Smith zelf (2019, p.573) een ruimer perspectief. Hij was alledaagse praktijken die buurtbewoners samen ondernemen gaan zien als democratische innovatie. Newton (2012, p.5) had al eerder gewezen op de praktijk van democratische innovatie, die hij heel open beschreef als “ideeën in actie”. In hun Handbook of Democratic Innovations and Governance (2019) definierden Elstub en Escobar ook democratische processen en praktijken als innovatief, die geen institutioneel karakter hebben of vanuit overheidsinitiatieven zijn ontstaan.
Paxton (2020) koos eenzelfde positie en wees op het belang van informele instituties, waar mensen onderling afspraken over maken en die ze op allerlei verschillende plekken los-vast kunnen inrichten. Dzur (2019) muntte hiervoor de term ‘Cvic Umwelt’. Ook dat zijn immers democratische innovaties: een veelkleurig palet van allerlei afspraken, min of meer onuitgesproken regels en informele patronen van handelen en organiseren, die maken dat mensen op allerlei verschillende plekken mee willen doen en mee kunnen doen. Democratische innovatie is een breed concept (Asenbaum, 2021; zie ook: Bua & Bussu, 2023).
26 februari 2026
P9
Democratie en participatie Democratie en participatie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Maar ze zijn niet hetzelfde. Democratie gaat over besluitvorming om samenleven te organiseren, verschillen van mening te overbruggen, om inspraak te hebben en elkaar te horen, ook al zie je elkaars visie op wat er moet gebeuren helemaal niet zitten. Democratie gaat niet vanzelf, daar moet je iets voor regelen en doen. Participatie gaat over toegankelijkheid, over hoe je iets regelt en wat je doet om mensen mee te laten doen en mee te laten beslissen. Participatie is een noodzakelijke voorwaarde voor een democratisch proces. Wijkdemocratie betekent: de manier waarop in een wijk invulling wordt gegeven aan en gelegenheid wordt geboden om betrokken te zijn bij en mee te beslissen over onderwerpen die spelen in de wijk. Dat kan formeel georganiseerd zijn, zodat democratische processen structureel geborgd zijn. Maar het kan ook informeel tot stand komen, omdat bewoners onderling elkaar ontmoeten en verstaan, afspraken maken en zeggenschap regelen.
In veel Haagse wijken zijn bijvoorbeeld bewonersorganisaties, die namens de bewoners van een wijk met de gemeente overleggen en afspraken maken. Bewonersorganisaties zijn niet democratisch gekozen, maar krijgen steun van de gemeente2. Ze vertegenwoordigen de wijk, maar zijn niet een afspiegeling van of vertegenwoordiging van de bewoners van de wijk. Daarnaast zijn in de wijken verschillende informele organisaties actief. Die worden niet, of alleen indirect door de gemeente gesteund of gefinancierd. Maar ze doen wel goede dingen voor wijkbewoners. Ze brengen mensen bij elkaar, behartigen
belangen. Informele organisaties zijn evenmin democratisch gekozen, of een representatieve afspiegeling van de wijk. Vanuit het gezichtspunt van de gemeente is juist het samenspel van formele en informele organisaties belangrijk. De gemeente ziet graag een zo breed mogelijke betrokkenheid, inspraak en participatie in de wijken. Het inrichten van een bewonersorganisatie is geen doel op zich. Het gaat om maatwerk, om het tot stand brengen van toegang, inspraak en invloed waar bewoners zich senang bij voelen. Hiervoor bestaat geen standaard. Daarom stimuleert de gemeente – naast de bewonersorganisaties – allerlei aanvullende vormen van (online) participatie. Want hoe meer ruimte er is om mee te doen, des te sterker de democratische basis en daarmee de legitimiteit van bewonersvertegenwoordiging en van besluitvorming die bewoners en gemeente in onderlinge afstemming tot stand brengen. Participatie betekent: invloed op besluitvorming (rond beleid of projecten die de gemeente (in de wijk) uitvoert). Bij voorkeur vindt participatie plaats als beleid nog in ontwikkeling is, opdat er zoveel mogelijk overeenstemming komt tussen bewoners en gemeente over het doel en de uitvoering van beleid. Participatie is het proces waarbinnen invloed uitoefenen is georganiseerd. Daarom bestaat participatie alleen als er echt invloed kan worden uitgeoefend.
Participatie heeft ook een normatief aspect: het gaat over zeggenschap en eigenaarschap. Participatie impliceert een machtsrelatie tussen burgers en het gemeentebestuur.
Bewoners willen wel participeren, maar onder een aantal voorwaarden. Vaak moet het gaan over onderwerpen die de buurt of de wijk aangaan. Vaak moeten de onderwerpen concreet zijn en op afzienbare termijn tot een uitkomst of oplossing kunnen leiden. Bewoners willen bovendien daadwerkelijk invloed en
2
Zie ook: ‘Actieplan verbetering samenwerking bewonersorganisaties en gemeente’. Onderdeel van het actieplan is hoe de gemeente de bewonersorganisaties denkt te kunnen ondersteunen bij het vraagstuk van representativiteit in de wijk.
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P 10
zeggenschap hebben, bij voorkeur zo vroeg mogelijk in beleidsvormende en besluitvormingsprocessen. Het moet bij voorbaat glashelder zijn waar bewoners wel en waar ze niet iets over kunnen inbrengen: de begrenzing van de invloed is cruciaal. Tot slot willen bewoners in een zo vroeg mogelijk stadium weten welke opvolging de gemeente aan hun inbreng gaat geven: het moet duidelijk zijn binnen welk mandaat de bewoners participeren. Wat randvoorwaarden betreft, vinden bewoners het prettig als verschillende (digitale en fysieke) participatievormen worden gebruikt en dat ze voor een lange periode betrokken worden. Ook willen ze graag dat iedereen kan meedoen (ongeacht taal, fysieke beperkingen, etc.), en dat representativiteit ten minste wordt nagestreefd. Deze voorwaarden zijn in de praktijk vrijwel nergens allemaal aanwezig. Dat is de reden geweest om het initiatiefvoorstel ‘Haagse Wijken Aan Zet’ te doen en actief te stimuleren dat de wijkdemocratie niet uitsluitend vanuit het stadhuis vormgegeven wordt. Deels moet het ook een informeel, of spontaan, of van onderop tot stand gekomen initiatief van wijkbewoners zijn, dat de gemeente omarmt, mogelijk ook ondersteunt, in elk geval serieus neemt.
Want participatie is niet een vrijblijvende optie, stelde de ‘Inspraak- en Participatieverordening’ in 2024, maar een vanzelfsprekend vertrekpunt voor de beleidsvorming en -uitvoering in de gemeente Den Haag. Samen Doen = Beter Participeren Dan is misschien wel de meest relevante vraag wat bewoners zelf onder “wijkdemocratie” verstaan. Wanneer vinden bewoners dat ze betrokken zijn? Mensen wonen en werken in een wijk. Doen er boodschappen, gaan er uit eten, naar school. Ze hebben er vrienden of kennissen, maken gebruik van gemeentelijke en particuliere voorzieningen, willen veilig over straat kunnen, houden van groen, vinden het leuk als er zo nu en dan iets te doen is, en dat ze ergens terecht kunnen als ze zorgen hebben dat iets niet goed gaat, of als publieke voorzieningen kapot zijn. Samenleven in een wijk is een onontwarbaar kluwen van sterke en zwakke relaties tussen wijkbewoners onderling. Mensen
Gemeente Den Haag
zitten aan elkaar vast. Soms bewust en gewild, soms ongewild of tegen beter weten in. Cruciaal voor het op gang brengen en houden van participatie – in de betekenis van meedoen, invloed uitoefenen en bijdragen aan besluitvorming – is wat in de wetenschappelijke literatuur “collectieve effectiviteit” wordt genoemd. In hun klassiek geworden studie uit 1997 wezen Sampson, Raudenbush en Earls op het niet te onderschatten belang van sociale relaties tussen wijkbewoners, die samen bereid zijn om actief in te grijpen en lokale problemen op te lossen. Het gaat bij collectieve effectiviteit dus niet alleen over de bereidheid om zich in te zetten voor het collectieve belang, maar ook over doenvermogen. Des te meer collectieve effectiviteit wijkbewoners ervaren, des te sterker is het vertrouwen dat deze mensen hebben in hun wijk (Kleinhans & Bolt, 2010; Kullberg et al., 2021). Collectieve effectiviteit op wijkniveau draait om sociale netwerken. Deze netwerken dragen bij aan de sociale integratie van de gemeenschap en fungeren als bron van sociaal kapitaal, doordat zij gescheiden of marginale groepen met elkaar in contact brengen. In een collectief effectieve wijk kennen en vertrouwen bewoners elkaar en zijn ze gemotiveerd om samen actie te ondernemen.
Wijken met een hoge mate van collectieve effectiviteit vertonen significant lagere prevalentie van obesitas, depressie en risicovol gedrag. Tevens zijn in dergelijke wijken lagere sterfte- en morbiditeitscijfers vastgesteld. Wonen in zo’n wijk blijkt positief bij te dragen aan een lager niveau van pesten op scholen, en aan lagere niveaus van partnergeweld. Dikwijls ligt de prevalentie van criminaliteit en geweld lager. Bewoners zijn er minder bang om slachtoffer van een misdrijf te worden, ook omdat er meestal meer toezicht en sociale controle in dergelijke wijken is. Collectieve effectiviteit wordt ook positief geassocieerd met gezondheid bevorderend gedrag, betere gezondheid op gemeenschapsniveau, en hogere schoolaanwezigheid (Collins, Neal, & Neal, 2014; Kirkby-Geddes, King, & Bravington, 2013; Carbone, & McMillin 2019).
26 februari 2026
P 11
Het omgekeerde is ook waar. In vrijwel alle (grote) gemeenten zijn buurten waar sprake is van een concentratie van slechte woningen, een niet goed uitgebalanceerde woningvoorraad, relatieve armoede, lage inkomens, werkloosheid, uitkeringsafhankelijkheid, beperkte economische vitaliteit, etnische en culturele concentratie van bevolkingsgroepen, onderwijsachterstand en schooluitval, vervuiling, overlast in diverse soorten en maten, informele inkomenscircuits en criminaliteit. Dat is in de meeste van die buurten eigenlijk al heel lang het geval. Precies daar waar collectieve doeltreffendheid ontbreekt, ervaren bewoners dat de leefbaarheid van de wijk verslechterd en ondermijnd raakt (Moon et al., 2024; Moors, 2026). In dergelijke wijken worden sommige groepen bewoners kwetsbaar. En juist in wijken waar de meeste kwetsbare mensen wonen, lijkt het veiligheidsgevoel van wijkbewoners af te nemen. De arbeidsparticipatie en (tevredenheid met) bestaanszekerheid in deze buurten is gemiddeld laag (Miltenburg, 2017; Stam, 2022; Apel, 2026). Zichtbaarheid en optreden van het stadsdeel, de gemeente, handhaving en de politie – burgers noemen dat allemaal “de overheid” – is een belangrijke stimulator van collectieve effectiviteit, vooral in de “mindere buurten”.
Recent onderzoek liet zien dat mensen die de lokale overheid en de politie beschouwen als een effectieve en ondersteunende hulpbron, in hun buurt een groter gevoel van collectieve doeltreffendheid hadden. Dat zit vooral in betrouwbare aanwezigheid: er zijn als wijkbewoners dat vragen en als het nodig is, concreet ingrijpen om problemen aan te pakken. Daarnaast moeten wijkbewoners het handelen van de overheid als gepast, eerlijk en rechtvaardig zien. Ongelijke behandeling, intimidatie en (in het geval van de politie) excessief geweldgebruik zijn zaken die afbreuk doen aan het vertrouwen. Dat betekent overigens niet dat iedereen zijn of haar gelijk moet krijgen, maar burgers vinden het belangrijk om de mogelijkheid te hebben om hun kant van het verhaal te vertellen, voordat de overheid een beslissing neemt (Richey, 2022; Mulaphong, 2023; Yesberg et al., 2024).
Gemeente Den Haag
In wijken met veel ervaren collectieve effectiviteit is doorgaans sprake van meer en kwalitatief betere participatie. Als bewoners vertrouwen hebben in hun gezamenlijke vermogen om positieve veranderingen te bewerkstelligen, zijn ze meer geneigd om actief deel te nemen aan democratische processen en collectieve acties. Collectieve effectiviteit vormt dus de sociale fundering waarop de collectieve kracht van bewoners kan worden ingezet voor participatie (meedoen, invloed uitoefenen en bijdragen aan besluitvorming). Rijke wijkdemocratie De collectieve effectiviteit van wijkbewoners, die zich uitdrukt in allerlei maatschappelijke groepen, clubs en organisaties, in initiatieven en activiteiten, van mensen voor mensen in de wijk, is, zoals gezegd, een belangrijke voorwaarde voor participatie. Zonder participatie is het vrijwel ondenkbaar dat er een rijke wijkdemocratie ontstaat. Kort samengevat, wijkdemocratie bestaat alleen bij gratie van participatie, en participatie vereist ervaren collectieve effectiviteit. Pierre Rosanvallon (2002) beschreef de democratie als ons permanente gezamenlijke project van het organiseren van de samenleving. Kees Schuyt (2023) formuleert een vergelijkbaar standpunt als hij stelt dat in een democratie machtsuitoefening in de maatschappij net zo belangrijk is als politieke electorale macht.
Kim Putters (2015) betoogde dat de basis van onze democratie zich uitstrekt tot alle maatschappelijke terreinen: vormen van meedoen en meebeslissen zoals door inspraak, betrokkenheid en zeggenschap van burgers over en in maatschappelijke verbanden zoals buurten, wijken, instellingen en organisaties. Caelesta Braun (2022) gebruikte hiervoor de term “maatschappelijke democratie”. Marlies Honigh (2025) beschreef democratie als samenlevingsvorm, afhankelijk van de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties en (groepen) burgers. En in zijn recente oratie als faculteitshoogleraar brak Marc Hertogh (2026) een lans voor de herwaardering
26 februari 2026
P 12
van het brede maatschappelijke middenveld. Talloze vrijwilligersorganisaties, belangengroepen en burgerinitiatieven in wijken en buurten vormen een “tussenruimte” tussen overheid en burgers, betoogt hij, en in die tussenruimte zit de sleutel om invulling te geven aan wat democratie en rechtsstaat betekenen. Democratie en rechtsstaat zijn geen abstracte concepten waarover in Den Haag wordt gedebatteerd, maar verdienen ’t gezien te worden als concrete deliberatieve structuren die hun invulling en lading op sublokaal niveau krijgen. Allerlei organisaties in de wijk vormen een schakel tussen bewoners en het openbaar bestuur, zoals Braun (2022), Honigh (2025) en Hertogh (2026) uitlegden. Dat kunnen overheden, publiek-private en private organisaties zijn. Via deze organisaties nemen mensen in meer of mindere mate actief deel aan het maatschappelijk leven. Femke Kaulingfreks (2023) muntte de term “tussenpersonen”: de vele drijvende krachten van informele buurtinitiatieven en kleine maatschappelijke ondernemingen die de wijk bij elkaar houden, weten wat er speelt onder bewoners, steun geven aan de wijkbewoners om hen heen. Zij constateerde tevens dat er vanuit gemeenten nog veel terughoudendheid bestaat om het belang van deze “tussenpersonen” te zien.
De “institutionele erkenning” voor hun werk ontbreekt en daarmee dikwijls ook de gelegenheid om dergelijke informele initiatieven en organisaties overeind te houden (zie ook: De Groot et al., 2023).
Het belang dat gemeenten hebben bij een rijke wijkdemocratie is allereerst het signaleren. Al die maatschappelijke organisaties op wijkniveau helpen beter zien en begrijpen wat er in een wijk goed verloopt en waar het mis gaat en de gemeente en haar samenwerkingspartners beloften niet nakomen. Daarnaast vormen diezelfde maatschappelijke verbanden een graadmeter voor rechtsgevoel en rechtvaardigheid. Actieve wijkbewoners horen wat er speelt, waar ongenoegen wortelt. Bovendien kunnen ze spreekbuis zijn. De mensen die de maatschappelijke organisaties draaiende houden, kunnen doorvertellen wat zij oppikken in de wijk, maar ontluikende gevoelens van onrechtvaardigheid – vanuit een gemeenteperspectief – ook mee helpen duiden. Dankzij een rijke wijkdemocratie worden democratie en rechtsstaat concreet, krijgen ze een gezicht, en wordt duidelijk wat de gemeente wel kan leveren en wat niet. Onderzoekers als Braun (2022), Kaulingfreks (2023), Honigh (2025) en Hertogh (2026) zijn het roerend eens over het belang van wijkdemocratie en over de noodzaak van voortdurende vernieuwing van de verhouding tussen burgers en overheden. De Amsterdamse socioloog Abram de Swaan zei het treffend: “In de menselijke samenleving begint niets met een schone lei.
Er is altijd iets aan vooraf gegaan dat in de herinnering voortleeft en waarop verwachtingen gebaseerd worden die gevolgen hebben voor wat er verder gebeurt.” (De Swaan, 1996, p.45).
Op wijkniveau betekenen “maatschappelijke democratie” en “maatschappelijke rechtsstaat”, dat bewoners actief betrokken raken, inspraak hebben, meedoen bij en invloed hebben op de besluitvorming en uitvoering van beleid voor hun buurt, zoals die vorm krijgt in de samenwerking tussen en met overheden, publiek-private en private organisaties. Dat is wat wijkdemocratie in essentie inhoudt: de ruimte om mee te denken en mee te doen, op het kruispunt van wat formeel is georganiseerd en informeel plaatsvindt.
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P 13
Het participatielandschap van Den Haag – in 42 foto’s Collectieve effectiviteit vormt de sociale basis waarop participatie kan rusten. En participatie is op haar beurt een noodzakelijke voorwaarde voor rijke wijkdemocratie. Met andere woorden, zonder ervaren collectieve effectiviteit komt participatie in de regel moeilijk opgang of blijft zij fragiel. Dat is het meest beknopte uittreksel van de theoretische onderbouwing van dit onderzoek. Collectieve effectiviteit: de voorwaarden waaronder samen handelen meer of minder kansrijk is
Als collectieve effectiviteit gaat over het gedeelde vermogen van bewoners om samen te handelen, gebaseerd op sociale relaties, vertrouwen en op de verwachting dat samen ingrijpen resultaat oplevert (Sampson, Raudenbush, & Earls, 1997; Kleinhans & Bolt, 2010; Kullberg et al., 2021), hoe wordt dit dan zichtbaar in bijvoorbeeld cijfers en documenten? Wat we in de deskresearch hebben gedaan, is indicatoren bijeenbrengen die vaak als randvoorwaarden worden gezien: sociaaleconomische druk, sociale cohesie, ervaren veiligheid en de mate waarin vrijwillige inzet structureel aanwezig is als uitdrukking van sociaal kapitaal. De eerste, meest concrete aanwijzing uit de deskresearch in de Haagse wijken is dat zij sterk verschillen in sociaaleconomische uitgangspositie. Dat wordt bijvoorbeeld zichtbaar wanneer de verkiezingsopkomst en inkomensgegevens,
Gemeente Den Haag
theoretische- en praktisch geschoolden naast elkaar worden gelegd. De gemeenteraadsopkomst varieert sterk per wijk. Zo ligt het Haagse gemiddelde rond de 46%, maar onder dat gemiddelde ligt een grote spreiding: sommige wijken komen boven de 80% uit, terwijl andere wijken onder de 35% blijven. In de 12 wijken met de laagste opkomst (circa 35% of lager) heeft het overgrote deel – in ten minste 8 van de 12 gevallen – een aandeel lage inkomens van 50% of meer en 53% zijn praktisch opgeleid. Dit is niet een verklaring, maar een beschrijving van ongelijkheid in context. Ze sluit aan bij de (sociologische) studies die stellen dat niet iedereen over dezelfde tijd, energie, vaardigheden en institutionele vertrouwdheid beschikt om “publieke betrokkenheid” vanzelfsprekend te maken (Tonkens, 2021; Bovens & Wille, 2017). Het betekent: vóórdat er überhaupt sprake is van participatie, verschillen wijken al in de mate waarin bestaanszekerheid onder druk staat. Een illustratie Een bewoner die samenwoont, gepensioneerd is en naast diens AOW ook pensioen ontvangt, beschikt doorgaans over meer tijd en mentale ruimte om te participeren dan iemand met een jong gezin, een meer dan fulltime baan en financiële druk. Voor de laatste categorie is publieke betrokkenheid minder vanzelfsprekendheid. Niet uit onwil, maar door beperkt participatievermogen.
Wanneer bestaanszekerheid onder druk staat, is de ruimte om je te verdiepen in wijkprocessen kleiner.
In de stadsdeelanalyses en wijkdocumenten van de gemeente Den Haag wordt sociale cohesie regelmatig benoemd als kracht, aandachtspunt of kwetsbaarheid. Zo laat de deskresearch zien dat de sociale cohesie in 13 van de 42 wijken (30%) als kracht wordt benoemd, in 21 wijken (48%) wordt cohesie als kwetsbaar of selectief omschreven; en in 10 wijken (23%) is er sprake van ‘versnippering’. Vergelijken we de wijken met deze sociaaleconomische kenmerken, dan valt op dat in wijken waar armoede en een lage
26 februari 2026
P 14
(verkiezings)opkomst samenkomen, de sociale cohesie vaker genoemd wordt als aandachtspunt. Volgens de redenering van Sampson, Raudenbush en Earls (1997) staat collectieve effectiviteit in deze wijken vermoedelijk onder druk. Veiligheid is in 18 van de 42 wijken (41%) expliciet benoemd als factor die doorwerkt in leefbaarheid en samenleven. Deze wijken overlappen grotendeels met wijken waar lage inkomens en lage opkomst geconcentreerd zijn. Ook hier geldt: de deskresearch kan niet laten zien hoe veiligheid wordt beleefd, maar wél dat veiligheid in veel wijken als relevant thema terugkomt. In de logica van collectieve effectiviteit is dat betekenisvol, omdat ervaren veiligheid samenhangt met de mate waarin publieke ruimte als ontmoetingsplek kan functioneren. Daarnaast is er samenhang met de mogelijkheid van informele sociale controle en gezamenlijk handelen. In 14 van de 42 wijken (32%) wordt vrijwilligerswerk expliciet als sterk en structureel aanwezig beschreven. In bijna 20 wijken (45%) is het beperkt of sterk persoonsafhankelijk. In 10 wijken (23%) is het nauwelijks zichtbaar in de documentatie. In 8 van de 42 wijken met beperkte inzet gaat het om wijken met lage opkomst en hogere sociaaleconomische druk. Dit wil trouwens niet zeggen dat er geen vrijwilligerswerk is in deze wijken. Het wil wel zeggen, dat het in de bestudeerde formele bronnen niet naar voren komt.
Om diverse redenen kan vrijwilligerswerk onder de radar blijven. Dikwijls zouden de mensen die het doen het niet eens als zodanig bestempelen, omdat het in hun optiek “iets is dat je gewoon doet” voor mensen die je kent en die het nodig hebben. De deskresearch schetst een ongelijk landschap in voorwaarden. Op basis van sociaaleconomische context, signalen over cohesie en veiligheid en beschrijvingen van vrijwilligerswerk, verschillen wijken in hoe de bewoners hun collectieve effectiviteit kunnen ervaren.
Gemeente Den Haag
Participatie: zichtbare deelname in formele en informele vormen
In het vorige hoofdstuk werd geschetst dat participatie niet gelijk staat aan (wijk)democratie, maar dat het wel een noodzakelijke voorwaarde er voor is. Participatie gaat over toegankelijkheid en invloed op besluitvorming, en impliceert een machtsrelatie tussen bewoners en bestuur (RIS319848; Tonkens, 2021). De gemeenteraadsopkomst is hierboven al benoemd als onderdeel van de context. Ten aanzien van participatie kunnen opkomstcijfers ook worden gezien als indicator van formele democratische deelname. De spreiding per wijk is groot. Deelname aan wijkagenda-enquêtes vertoont een vergelijkbaar patroon. De respons is gemiddeld hoger of lager in wijken met meer of minder gunstige sociaaleconomische kenmerken. Dit betekent niet dat bewoners in wijken met lage respons “niet willen meedoen”. Het betekent alleen dat de formele participatiekanalen (bewonersavonden, het invullen van enquêtes, deelname aan overlegtafels, etc.) niet in dezelfde mate worden benut. Bij bewonersorganisaties laten de deskresearch zien dat er in bijna elke wijk ‘iets’ formeels aanwezig is. In 41 van de bewoonde wijken is ten minste één bewonersorganisatie, vereniging of wijkberaad geregistreerd. In wijken waar er gunstigere sociaaleconomische kenmerken zijn (10 wijken) zijn er gemiddeld 4 tot 6 bij de gemeente geregistreerde bewonersorganisaties of initiatieven.
wijken met een lagere verkiezingsopkomst en minder gunstigere sociaaleconomische kenmerken ligt dat aantal gemiddeld tussen de 1 en 3 per wijk. Een interessante bevinding uit onderzoek van RadarAdvies (2024) onder Haagse bewonersorganisaties is dat die niet automatisch representatief zijn. In de regel lijken de bewonersorganisaties vaak te bestaan uit een relatief homogene groep, en dat deze organisaties zichzelf ook afvragen hoe representatief zij zijn. Onder de stadsdeelmedewerkers van de gemeente worden stadsdeelanalyses geschreven over onder andere de uitvoering van de wijkagenda’s, maar ook over het bij hen bekende beeld in de wijk. In deze
26 februari 2026
P 15
analyses wordt genoteerd dat stadsdeelmedewerkers regelmatig vragen krijgen over de capaciteit en houdbaarheid van de bewonersorganisaties, vanuit de organisatie zelfs. Uit de bestudeerde gegevens blijkt, dat in elke wijk initiatieven en organisaties bestaan waarmee de gemeente samenwerkt aan participatie. De gegevens laten echter in beperkte mate zien, wat het bereik, het draagvlak en de representativiteit van die participatie is. Het subsidieregister is eveneens een interessante (en doorgaans weinig benutte) bron om naar participatie te kijken, omdat het inzicht geeft in initiatieven en activiteiten die georganiseerd worden. Uit het geanalyseerde (openbare) subsidieoverzicht 20243 worden 375 aanvragen zichtbaar die een expliciete wijkvermelding bevatten. Het aantal aanvragen verschilt aanzienlijk per wijk: van 1 aanvraag in sommige wijken tot 41 in het Transvaalkwartier en 39 in Laakkwartier & Spoorwijk. Het gemiddelde voor Den Haag bedraagt 5,6 aanvragen per wijk. Opvallend bij de analyse van subsidies 1.
2.
Een aanzienlijk deel van de aanvragen komt van wijkbedrijven, stichtingen en andere professionele organisaties. Subsidies weerspiegelen dus niet uitsluitend bewoner-gedragen initiatieven, maar ook professionele interventies in de wijk. In wijken met gunstige sociaaleconomische kenmerken worden relatief meer aanvragen gedaan door bewonerscollectieven, vaak rond vergroening, cultuur en buurtactiviteiten. In wijken met grotere sociaaleconomische druk komen vaker aanvragen voor die gericht zijn op armoede, jeugd, veiligheid en maatschappelijke ondersteuning, en deze thema’s sluiten aan bij wat in wijkagenda’s van die wijken terugkeert.
3
In de praktijk zullen er per wijk meer subsidieaanvragen zijn gedaan dan in het subsidieregister van 2024 zichtbaar is. Bij het analyseren van het register bleek echter vaak niet te achterhalen voor welke wijk een aanvraag precies
Gemeente Den Haag
Bij geregistreerd vrijwilligerswerk zien we eveneens spreiding. In 14 van de 44 wijken (32%) wordt vrijwilligerswerk expliciet als sterk en structureel aanwezig beschreven. In 20 wijken (45%) is vrijwilligerswerk beperkt of sterk persoonsafhankelijk, en in 10 wijken (23%) is het nauwelijks zichtbaar in de documentatie. In 8 van deze wijken met beperkte of nauwelijks zichtbare inzet van vrijwilligers gaat het om wijken met lage opkomst bij verkiezingen en een verhoudingsgewijs hoge sociaaleconomische druk. Dat betekent vermoedelijk dat inzet daar vaak rust op enkele sleutelfiguren of tijdelijke projecten. De sociale basis voor breed gedragen, langdurige inzet is dunner, zoals de Haagse ‘Inspraak- en Participatieverordening’ ook veronderstelt. Dat sluit aan bij de constatering van Tonkens en Hurenkamp, dat participatie niet alleen een kwestie is van willen, maar ook van sociale ruimte en doenvermogen (Tonkens, 2021; Hurenkamp & Tonkens, 2024). Wijkdemocratie – de institutionele inrichting van betrokkenheid en besluitvorming In het Haagse beleidskader werd gesteld dat wijkdemocratie gaat over de manier waarop er gelegenheid bestaat om op wijk- en buurtniveau als bewoner betrokken te zijn en via formele en informele kanalen invloed uit te oefenen (RIS309465; RIS319848; RIS309456; ‘Haagse Wijken Aan Zet’, 2025).
Daarom hebben we in de wijkagenda’s, uitvoeringsplannen, overlegstructuren, ondersteuningsmogelijkheden, communicatie- en subsidieregelingen gezocht naar opvattingen over en manieren om wijkdemocratie te realiseren. De institutionele uitwerking van de wijkagenda’s en uitvoeringsplannen verschilt per wijk. In de ontvangen stadsdeeloverzichten staat dat in sommige wijken communicatieplannen (nog) ontbreken en dat bijvoorbeeld thematische werkgroepen (met bewoners) nog gevormd moeten worden. Een mogelijke
was ingediend. Daarom hebben we ervoor gekozen alleen de aanvragen te analyseren waarin de wijk expliciet werd genoemd.
26 februari 2026
P 16
verklaring is dat in sommige stadsdelen nog aan nieuwe wijkagenda’s wordt gewerkt in 2025. Wat valt op? Uit het rapport van RadarAdvies (2024) en de gedeelde wijkagenda-analyses blijkt dat er in sommige wijken hoge verwachtingen vanuit bewoners worden gesignaleerd, terwijl de organisatorische borging nog in ontwikkeling is. Dit wijst erop dat de randvoorwaarden voor participatie – zoals duidelijke rolverdeling, terugkoppeling en structurele verankering – (nog) niet in elke wijk even sterk zijn uitgewerkt.
Uiteraard is de uitgangspositie voor de wijkdemocratie niet in elke wijk hetzelfde. In sommige wijken kan de gemeente voortbouwen op een relatief sterke bewonersinfrastructuur (meer organisaties, meer initiatieven), terwijl de gemeente in andere wijken te maken heeft met een zwakker netwerk of een als kwetsbaar beschreven infrastructuur. Wijkdemocratie is niet alleen een set plannen en procedures, maar ook afhankelijk van de plekken waar ontmoeting, informatie en gesprek plaatsvinden. Voorzieningen zoals wijkcentra, ontmoetingsplekken, buurtkamers en maatschappelijke voorzieningen zijn ongelijk verdeeld over de stad en functioneren per wijk op uiteenlopende manieren. Diverse wijkanalyses verwijzen expliciet naar wijkcentra of wijkgebouwen als belangrijke knooppunten voor ontmoeting en informatie-uitwisseling. Tegelijkertijd wordt in sommige wijken benoemd dat voorzieningen beperkt zijn, versnipperd liggen of onvoldoende zichtbaar zijn voor bewoners.
Deels hangt dit samen met fysieke afstand. In sommige wijken is de afstand naar bijvoorbeeld winkelcentra, openbaar vervoer en wijkcentra aanzienlijk groter dan elders (Den Haag in Cijfers laat dit per wijk zien). Een andere factor is de fysieke en communicatieve toegankelijkheid van voorzieningen. Sommige uitvoeringsplannen (van de wijkagenda’s) melden dat communicatieplannen nog ontwikkeld moeten worden. 42 wijkfoto’s Naast deze beknopte duiding van de verzamelde data hebben we voor alle 42 onderzochte wijken een afzonderlijke infographic gemaakt. Die laat in één oogopslag zien, hoe het participatielandschap er per wijk uitziet. Deze infographics zijn opgenomen als bijlage bij deze rapportage. Foto’s laten doorgaans haarscherp een momentopname zien. Het nadeel is echter, dat foto’s weinig prijsgeven over hoe iets beweegt of werkt, en evenmin over hoe iets wordt beleefd. Daarom is verdiepend veldwerk nodig: om de papieren werkelijkheid naast de geleefde werkelijkheid te leggen (Tonkens & Verhoeven, 2022). Bovendien zijn indicatoren die in de literatuur met collectieve effectiviteit verbonden worden – zoals onderling vertrouwen en bereidheid tot collectief handelen – niet goed te vangen met statistiek of documentanalyses alleen (Carbon & McMillin, 2019).
Interviews, observaties en casuïstiek maken zichtbaar hoe bewoners hun netwerk, hun wijk en de gemeente ervaren, en hoe formele en informele praktijken elkaar versterken of juist langs elkaar heen lopen4. In het verdiepende veldwerk in 8 wijken is dat beter in beeld gekomen. Hoofdstuk 4 doet daar verslag van.
4
In de interviews is ook gevraagd naar wijkoverstijgende activiteiten. Hoewel dit onderwerp met enige regelmaat ter sprake kwam, bood dit onvoldoende basis om tot duidelijke definities te komen. Daarom valt dit verder buiten de scope van dit onderzoek.
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P 17
De Acht wijken uitgelicht verdieping
Selectie van acht wijken: variatie in voorwaarden, deelname en inrichting onderzoeken. Bij de selectie van de acht wijken, die de opdrachtgever en de onderzoekers samen hebben gemaakt, is afgesproken om per stadsdeel één wijk te kiezen en zoveel mogelijk recht te doen aan de diversiteit van Haagse wijken. Daarbij is gekozen voor drie wijken waar het participatielandschap (zoals toegelicht in hoofdstuk 3) relatief sterk ontwikkeld is, en vijf wijken waar dat beeld minder gunstig is of juist afwijkt en bijzonder is. Die afweging kan betrekking hebben op de aanwezigheid van ‘witte vlekken’, beperkte bewonersbetrokkenheid of specifieke aandachtspunten die in beleid of praktijk urgent zijn, zoals grote gebiedsontwikkelingen, toenemende armoedeproblematiek of de aanwezigheid van landelijke programma’s. Op deze manier is een evenwichtige selectie ontstaan die zowel sterke voorbeelden als kwetsbare of uitdagende situaties omvat en daarmee een breed en genuanceerd beeld van de wijkdemocratie in Den Haag mogelijk maakt.
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P 18
1. Mariahoeve en Marlot
nergens bij aangesloten. Ik doe lekker mijn eigen ding’. Aldus een bewoner op straat.
Mariahoeve & Marlot is een groen en ruim opgezet woonmilieu aan de rand van de stad, onderdeel van stadsdeel Haagse Hout, met directe toegang tot het Haagse Bos en Parkbos Marlot. Mariahoeve is naoorlogse wederopbouwwijk (vanaf eind jaren 50) met een mix van eengezinswoningen, lage en hoge flats rond groene kernen. Marlot is anders: de wijk heeft ruime straten, villawoningen en behoort tot de hogere inkomensbuurten van Den Haag. Ruimtelijk kenmerkt de wijk zich door veel groen, open ruimte en een rustig karakter. Sociaal is de bevolking van Mariahoeve divers te noemen: zowel in leeftijdsopbouw als in (culturele) achtergrond. In Marlot geldt dat minder. In de wijk zijn diverse initiatieven gericht zijn op leefbaarheid, ontmoeting en sociale samenhang. Tot slot is er aandacht voor duurzaamheid, wonen en voorzieningen in de wijkagenda.
2.Empirische illustraties
1.Wijkbeeld
Als we een snelle schets van de wijk zouden moeten maken, dan hebben we het enerzijds over een wijk met herkenbare, formele participatie-instrumenten (bijvoorbeeld in de vorm van de al hierboven genoemde wijkagenda). En zien we ook allerhande door bewoners geïnitieerde en gedragen initiatieven ontluiken. En initiatieven die al succesvol zijn. En bovendien door bewoners gedragen worden: ‘Er is één club die er met vlag en wimpel bovenuit steekt. Dat zijn de Lichtpuntjes van Mariahoeve, wel bekend neem ik aan.’ Maar zien we ook een buurt, waar ‘toegang krijgen’ niet altijd gelijkelijk is verdeeld. Of als zodanig wordt beleefd: ‘Ik ken geen wijkorganisaties en ben
Gemeente Den Haag
In Mariahoeve laat wijkdemocratie zich ‘zien’ als een mix van formele processen (wijkagenda) en informele initiatieven, waarbij met enige regelmaat een inclusiviteitsvraag opduikt. Dat levert enerzijds een wijk op waar participatie in formele en informele zin ‘werkt’. Een aantal respondenten benoemt dat het participatietraject rond het opstellen en herijken van de wijkagenda expliciet positief is verlopen: “De wijkagenda is geactualiseerd… dat was gewoon een goed participatietraject.” Maar tegelijkertijd is toegang niet voor iedereen vanzelfsprekend. Dat zit misschien wel een beetje in het DNA van de wijk: ‘Er is hier in Mariahoeve heel veel rivaliteit en ook oud zeer. Het is wel wat minder dan enige tijd geleden.’ Moderniteit heeft -uiteraard- in alle buurten in Nederland zijn intrede gedaan. En dus ook in Mariahoeve. Veel informatie is online te vinden. Of wordt via socials verspreid. Handig. Maar niet voor iedereen. Zo zijn lang niet alle bewoners altijd even digitaal vaardig: ‘Ik vind dat er (voor ouderen) te veel digitaal gecommuniceerd wordt. Dan krijg je weer een mail met QR code voor meer informatie.’ Ook laaggeletterdheid speelt een rol in je wel of niet betrokken (kunnen) voelen. Wat verder meespeelt, is dat ook de (gemeentelijke) overheid niet altijd even dichtbij voelt: ‘Bij sommige groepen bestaat er weinig vertrouwen in de overheid.’ Sociale samenhang is er.
Maar niet overal
Er zijn ‘verschillen tussen mensen. Dat neemt ook toe. [...] Er is weinig samen, ook weinig in de wijk te doen dat mensen zou kunnen samenbrengen. Vroeger – desgevraagd zegt hij ‘meer dan tien jaar geleden’ – was dat toch anders. Nu zijn er meer verschillende mensen in de wijk komen wonen, die allemaal hun eigen
26 februari 2026
P 19
dingen doen, eigen ritmes hebben, eigen gebruiken. ‘Dat is prima, meneer. Maar weinig samen.’ Sleutelfiguren spelen in dergelijke situaties altijd een belangrijke rol. Maar dan moeten de verschillende groepen wel weten, wie dat bij de ‘anderen’ zijn: ‘Bij sommige [...] groepen moet je proberen erachter te komen wie er de vertrouwenspersonen zijn. En dat is denk ik ook een belangrijke les voor de communicatie: weet wie je moet bereiken om mensen te bereiken.’ De wijk kenmerkt zich tot ook wel door een zeker individualisme: ‘Iedereen is hier op zijn of haar eigen, ook wel een beetje ieder voor zich.’ Vertelt iemand op straat. Dan is een overheid een belangrijke factor om mensen wel bij elkaar te brengen. Die intentie is er zeker. Maar: ‘Er wordt vaak langs elkaar heen gewerkt, ja, ook tussen stadhuis en stadsdelen.’ De gemeente als verbinder
Contact leggen met een gemeentelijke instantie, weten waar je iemand te spreken kan krijgen, ook dat loopt niet vanzelf: ‘Dat is voor mij nog meer de vraag van ja, mocht er ook een laagdrempelige manier zijn, dan had ik misschien wat sneller kunnen melden van: ‘dat ik iets heb gesignaleerd’ Tegelijkertijd wordt er door de gemeentelijke organisatie op verschillende manieren gezocht naar laagdrempelige vormen van het gesprek aangaan, contact leggen. De gemeente wil zeker weten wat er speelt. En zet daar ook op in: ‘Wie zitten er in jouw wijk? Dus wie zijn de verschillende doelgroepen? Dat zijn er heel veel. Vooral Mariahoeve, wat heel leuk is: zo'n levendige wijk met heel veel diversiteit.’ Maar omdat iedere groep misschien wel zijn eigen initiatieven indient: ‘dat betekent ook dat er heel veel diverse aanpakken zijn. Voor sommigen werkt het inderdaad om gewoon de wijk in te gaan. Gesprekken bij het buurtbankje,
Gemeente Den Haag
bijvoorbeeld bij het winkelcentrum op zaterdagmiddag.’ En: ’Wat ik altijd tegen ambtenaren zeg, ook tegen mezelf altijd blijf herhalen is: Waarom zouden wij iets bedenken als we het ook gewoon aan hun kunnen vragen? [...] Als ik gewoon naar hun toe kan gaan en vragen: hé, Dit is belangrijk. Ik zou heel graag willen [weten] wat zouden wij moeten doen om met jullie in gesprek erover te kunnen? Ik denk dat dat echt de allereerste stap is. Wat is hun manier?’ Daar staat echter tegenover: ‘Daarmee kan het zijn dat Iedereen wel blijft binnen zijn eigen netwerk, zijn eigen clubje.’ Er zijn enkele dragende initiatieven in de wijk. Het al eerdergenoemde Lichtpuntjes wordt vooral genoemd: ‘Ja, Lichtpuntjes, dus het grootste voorbeeld daarvan. Dat was gewoon een bewonersorganisatie en waar ik gewoon iets van 10 vrouwen of zo die zich In de wijk wouden inzetten.’ Een organisatie, die veel goeds voor de wijk doet: “Die club bereikt heel veel mensen in Mariahoeve.” Interessant is hier de term ‘bewonersorganisatie’, want Lichtpuntjes is een vrijwilligersorganisatie en daarmee niet onderdeel van de formele maar van de informele wijkdemocratie 3.Duiding Mariahoeve laat zien dat formele participatie kan werken, maar alleen wanneer communicatievormen aansluiten bij de sociale realiteit van de wijk.
Handelingsperspectief is aanwezig, maar in de ogen van bewoners ook een tikje ‘selectief’ toegankelijk. Formele participatievormen functioneren naar tevredenheid voor een deel van de bewoners, terwijl tegelijkertijd drempels in communicatie worden ervaren. Het feit dat er vooral ‘solidariteit in eigen kring’ wordt ervaren, kan tot een gemakkelijke conclusie leiden, dat daarmee inclusiviteit wordt beperkt. Dat is ook daadwerkelijk wat door een aantal bewoners ervaren wordt. In diezelfde beweging is ‘zelforganisatie in nabijheid’ een vorm van actieve betrokkenheid bij het verbeteren van de eigen buurt. Dat louter afdoen als ‘uitsluitend’ zou het kind met het badwater wegkieperen betekenen.
26 februari 2026
P 20
Wijkdemocratie manifesteert zich hier als een combinatie van verbetering van kwaliteit van woon- en leefomgeving, waarbij een lichte vorm van sociale uitsluiting van ‘anderen’ een acceptabele prijs zou kunnen zijn.
Gemeente Den Haag
26 februari 2026
P 21
2. Rustenburg - Oostbroek
informele zorg. En kan er culturele frictie gevoeld worden én dagelijkse onderlinge solidariteit geboden.
Rustenburg-Oostbroek is een vooroorlogse (1920–1940) Berlagewijk in Escamp. Gekenschetst door een fijnmazig stratenpatroon, met heldere zichtlijnen en een aantal kleine ‘open plekjes’ tussen gesloten bouwblokken. De woningvoorraad bestaat vooral uit particuliere Haagse portiekwoningen en kleine appartementen. Daardoor is de ruimtelijke dichtheid hoog. En wordt er logischerwijs druk op parkeren, spelen en groen groot. De wijk ligt in de tweede ring rond het centrum, is goed bereikbaar met tram en bus. Het Zuiderpark en sportterreinen liggen als het ware ‘om de hoek’. En een winkelcentrum aan de Dierenselaan heeft een wijkfunctie. Sociaal is het een gemengde, verder diversifiërende wijk (onder andere met instroom uit Transvaal. Met actieve bewoners maar ook zorgen over leefbaarheid en samenhang; sinds 2023 is het een gemeentelijk investeringsgebied.
2. Empirische illustraties
1.Wijkbeeld
Een wijk met veel organisatiekracht, maar ook een wijk waar uitgesproken frustratie richting formele instanties te horen is. En bovendien een wijk waar sommige bewoners alleen maar bezig zijn met ‘overleven’. En daardoor niet toekomen aan taalles, of voldoen aan allerhande regels of meedoen aan een bewonersactiviteit. Daar staat ook een ander beeld naast: we hebben ook een wijk gezien waar burenhulp (nog) bestaat: voor elkaar koken, soep brengen, naar elkaar omkijken bij ziekte. Een ‘warm bad’. Waar bij sommige respondenten nog een bijna nostalgisch ideaal van vertrouwen bestaat. En het beeld van het ‘touwtje uit de brievenbus’ aangereikt wordt. Sociale cohesie of juist het ontbreken daarvan, kan naast elkaar bestaan in deze wijk. In Rustenburg-Oostbroek kan verloedering samengaan met het verlenen sterke
Gemeente Den Haag
Rustenburg-Oostbroek laat best een rijk participatielandschap zien. Maar evenzeer kan er sprake zijn van stevige (onderlinge) frictie. Enerzijds zijn er concrete initiatieven: ondernemers en bewonersorganisaties hebben ‘goed contact’. In overlegstructuren zit ‘altijd een vertegenwoordiging van bewoners’. Ook informele energie is voelbaar: er wordt gesproken over wijkfeesten waarbij men ‘aan alle kanten’ probeert mee te denken. Betrokkenheid is vaak groot: een respondent zegt dat ze iemand is ‘die veel initiatief neemt, verantwoordelijkheid voelt en bereid is langdurig iets te dragen. Tegelijkertijd klinkt er ook iets van gevoelde noodzaak in door: vrijwilligerswerk is voor haar niet alleen ‘meedoen’, het is hard nodig om de wijk overeind te houden. Dat wijst op een lokaal ecosysteem waarin belangen elkaar geregeld ontmoeten (winkels, bewoners, wijk). Een respondent vertelt hoe ze al rond 2018 betrokken raakte bij een bewonersinitiatief om een gebouw te behouden. Een verhaal dat uiteenvalt in een aantal fasen: een fase waarin er vooral sprake was van het vormgeven van een actiegroep. Gevolgd door een periode van interne spanningen binnen de groep. Waarna een politieke doorbraak volgt. Het gebouw kan behouden blijven: ‘een gebouw gered van de sloop’.