CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS325107 Bijlage Haagse demografische ontwikkelingen 2050.pdf

Algemene Raadscommissie 25 juni 2026, gemeente Den HaagBij agendapunt: Programma 15: Financiën40.071 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

De scenario’s nemen de ontwikkeling van het aantal huishoudens als gegeven. Om die reden geven de scenario’s de wisselwerking tussen het aantal huishoudens en de woningvoorraad niet weer. Het is aannemelijk dat een toenemend woningtekort een prijsopdrijvend effect heeft, waardoor huishoudens zich in andere (naburige) gemeenten vestigen. Dit leidt daarmee tot een lager woningtekort. Tegelijkertijd kan er in het krimpscenario juist sprake zijn van het omgekeerde, waarbij de prijs maar beperkt stijgt of zelfs kan dalen. Dit kan ertoe leiden dat meer mensen zich hierdoor in Den Haag willen vestigen. 44 Toenemende migratie zal op de korte termijn een sterker negatief effect hebben op het tekort aan huurwoningen. Demografische groepen kunnen ook verschillende voorkeuren hebben voor verschillende typen woningen, bijvoorbeeld het aantal eengezins- of meergezinswoningen.45 Dit kan ertoe leiden dat de woningopgave verschilt voor verschillende typen woningen. Figuur 4.3 laat zien dat de groei in de vraag naar het type woningen redelijk gelijk verdeeld is, maar op korte termijn sterker is bij huurwoningen. De verschillen uiten zich voornamelijk

44

45

Deze situatie doet zich voor in de gemeente Heerlen, waarbij mensen met een zwakkere economische positie zich in de stad vestigen omwille van de beschikbaarheid en betaalbaarheid van woningen (Heerlen zet grote stap naar nieuw woonbeleid | gemeente Heerlen). Eengezinswoningen betreffen woningen die tevens een geheel pand vormen, bijvoorbeeld vrijstaande woningen of twee onder één kap gebouwde hele huizen. Meergezinswoningen zijn woningen die samen met andere woon- of bedrijfsruimten een geheel pand vormen, bijvoorbeeld portiekwoningen en flats.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

70

in een licht hogere vraag naar huurwoningen tussen 2025 en 2035. De oorzaak hiervan ligt in het feit dat vooral de groep alleenstaanden onder de 55 jaar sterk groeit in het Sterke groei scenario. Figuur 4.3

Bron:

De vraag naar huurwoningen stijgt op de korte termijn sterker dan de vraag naar koopwoningen

SEO Economisch Onderzoek (2026), o.b.v. ABF Research (2024)

De analyse van de doorwerking van demografische scenario’s op het thema wonen laat zien dat er sterke verschillen bestaan tussen de verschillende scenario’s. Daar waar in het Sterke groei scenario de voorziene woningvoorraad tekortschiet, is er in het Krimpscenario juist sprake van een overschot. Omdat deze verschillen zich, over de gehele periode beschouwd, al vroeg tonen, roept dit de vraag op of de gemeente Den Haag voldoende mogelijkheden heeft om bij te sturen. Een grotere groep ouderen vraagt in alle scenario’s om voldoende doorstroommogelijkheden om het woningtekort te beperken. De steeds ouder wordende bevolking vraagt om een passend aanbod aan woningen voor ouderen, bijvoorbeeld verzorgingstehuizen. Bij onvoldoende capaciteit in verzorgingstehuizen kunnen er problemen ontstaan doordat ouderen niet door kunnen stromen. Dit leidt ertoe dat deze woningen niet vrijkomen voor jongere huishoudens, terwijl deze woningen ook niet meer passend zijn voor de ouderen die deze woningen bewonen. Beperkte doorstroommogelijkheden hebben om die reden in ieder scenario een negatief effect op het woningtekort. Vooral arbeids- en studiemigratie vergroten bestaande problematiek geassocieerd met kamerbewoning. De SDO constateert dat met name studie- en arbeidsmigranten vaker een woning of groepsaccommodatie delen (SDO, p. 152).

Dit betekent enerzijds dat dit de druk op het ‘statistisch woningtekort’ verlicht, er zijn in dat geval ook minder huishoudens die op zoek zijn naar een zelfstandige woning. Anderzijds kan dit wel leiden tot meer kamerbewoning.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

71

Scheele-Goedhart et al. (2020) constateren dat in Den Haag de op dit moment al overspannen woningmarkt ertoe doet leiden dat er een toename van kamerbewoning is. Scheele-Goedhart et al. (2020) documenteert dat ook eigenaren van bijvoorbeeld uitzendbureaus woningen aankopen om er kamers in te verhuren waarin zij hun eigen personeel te kunnen huisvesten. Arbeids- en studiemigratie zorgen voor een ongelijke verdeling van de negatieve effecten van het woningtekort tussen verschillende buurten. Kamerbewoning concentreert zich voornamelijk in wijken die momenteel al een lage leefbaarheidsscore hebben (Kranenborg & Scheele-Goedhart, 2021). Tegelijkertijd zien Kranenborg en Scheele-Goedhart (2021) ook aanwijzingen dat kamerbewoning (exclusief hospitaverhuur) leidt tot minder sociale samenhang en meer overlast in de buurt. Hierdoor ontstaat het risico dat het woningtekort niet enkel gevoeld zal worden door huishoudens die geen woning kunnen vinden, maar ook door inwoners van buurten waarvan de leefbaarheid momenteel al onder druk staat. Hieruit volgt een opgave voor de gemeente Den Haag om hier in haar beleid voldoende rekening mee te houden.

4.2.2 Mobiliteit Demografische ontwikkelingen hebben effecten op verplaatsingen van personen binnen en buiten de gemeente. Verschillende groepen in de stad kennen andere verplaatsingspatronen waardoor het effect op het aantal verplaatsingen op voorhand niet duidelijk is. Zo verplaatsen oudere inwoners van de gemeente zich doorgaans minder vaak en minder ver, terwijl mensen in de potentiële beroepsbevolking zich juist vaker verplaatsen. Een verandering in de leeftijdscompositie van de bevolking vertaalt zich dan ook in andere verplaatsingspatronen. Naast leeftijdseffecten, is er ook sprake van onderscheid naar herkomst. Zo verplaatsen inwoners met een nietNederlandse herkomst zich doorgaans minder vaak en minder ver dan inwoners met een Nederlandse herkomst. Een toenemende bevolkingsomvang vergroot bestaande capaciteitsproblemen bij onveranderd beleid. Figuur 4.4 laat zien dat in het scenario Sterke groei het drukker wordt in de stad. Het totaal aantal verplaatsingen neemt in Den Haag in dat scenario fors toe naar grofweg 1 tot 1,5 miljoen verplaatsingen per dag. De verschillen tussen de drie scenario’s blijven voor iedere modaliteit bestaan. Tegelijkertijd volgt uit de analyse dat de verschillen tussen de scenario’s iets groter zijn voor het openbaar vervoer in de stad en het gebruik van de trein.

Het verschil kan worden verklaard door het groter gebruik van personen met een niet-Nederlandse herkomst van het openbaar vervoer in de stad. Het grotere verschil voor het treingebruik volgt uit het feit dat ouderen minder vaak de trein gebruiken. Uit de doorrekening volgt dat de samenstellingseffecten vooral een dempend effect hebben waardoor verschillen tussen de scenario’s minder sterk uiteenlopen. De ontwikkelingen van het gemiddeld aantal verplaatsingen per inwoner laat namelijk zien dat deze in het Sterke groei scenario lager liggen dan in het Krimpscenario. Dit valt te verklaren doordat personen met een niet-Nederlandse herkomst zich gemiddeld genomen minder vaak op een dag verplaatsen dan personen met een Nederlandse herkomst (CBS, 2025b). Wanneer meer inwoners een nietNederlandse herkomst hebben, dan daalt het gemiddeld aantal verplaatsingen. In tegenstelling tot personen met een Nederlandse herkomst maken personen met een niet-Nederlandse herkomst daarentegen vaker gebruik van het openbaar vervoer in de stad.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

Figuur 4.4

Bron:

72

De veranderingen in het aantal inwoners in Den Haag hebben het sterkste effect op het totaal aantal verplaatsingen

SEO Economisch Onderzoek (2026), o.b.v. ABF Research (2024) en CBS (2025)

Vergrijzing leidt tot minder verplaatsingen en minder piekmomenten. Net als migratie, leidt vergrijzing ertoe dat personen zich minder verplaatsen. Daarnaast verplaatsen zij zich ook op verschillende momenten (PBL, 2025). Het reizen naar werk is immers voor de personen binnen de beroepsbevolking een belangrijk motief om zich te verplaatsen. Dit zorgt er enerzijds voor dat ouderen zich minder vaak hoeven te verplaatsen, en de momenten waarop ze zich verplaatsen minder vaak rond piekmomenten liggen. Tegelijkertijd vraagt vergrijzing wel om speciale aandacht voor de bereikbaarheid van voorzieningen voor ouderen. Bijvoorbeeld ziekenhuizen dienen voor

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

73

ouderen voldoende bereikbaar te zijn met het openbaar vervoer. Daarbij is het wel belangrijk om te vermelden dat de analyse voornamelijk is gebaseerd op leeftijdseffecten. Daarbij veronderstellen we impliciet dat demografische groepen van nu, bijvoorbeeld ouderen van nu, hetzelfde modaliteitsgebruik kennen als deze demografische groepen in de toekomst. Door vergrijzing kan het aantal verkeersongelukken in de stad toenemen, zeker wanneer er ook sprake is van meer verplaatsingen. Het Planbureau voor de Leefomgeving (2025) laat in de scenario’s voor Welvaart en Leefomgeving (WLO) zien dat vergrijzing ook leidt tot meer verkeersongevallen. Zeker wanneer er in het Sterke groei scenario in absolute aantallen meer ouderen zijn én de stad dichtbevolkter wordt, bestaat er het risico dat verkeersongelukken zich vaker voor zullen doen. Enerzijds leidt een toename van het aantal verplaatsingen in de stad tot een grotere kans op verkeersongelukken. Daarnaast neemt in absolute zin het aantal ouderen in het Sterke groei scenario verder toe, dit is een risicogroep met een hogere kans op verkeersongelukken. Naast mobiliteit dient in het beleid om die reden ook aandacht te worden geschonken aan de mate waarin het aantal verkeersongelukken beperkt kan blijven.

Vooral migratie leidt tot een hoger gebruik van het openbaar vervoer in de stad, waardoor bestaande capaciteitsproblemen in het openbaar vervoer toe kunnen nemen. Toenemende migratie vraagt om andere aandachtspunten. Uit data van het ODiN-onderzoek (CBS, 2025b) blijkt dat inwoners met een niet-Nederlandse herkomst zich minder vaak, en op een andere manier, voortbewegen in zeer stedelijke gebieden. Zo verplaatsen personen met een niet-Nederlandse herkomst zich vaker met het openbaar vervoer. In combinatie met de stijgende bevolkingsaantallen in het Sterke groei scenario, inclusief beleid rondom het beperken van de auto in de stad, leidt dit tot een druk op het openbaar vervoer in de stad. Doordat piekmomenten in de analyse buiten beschouwing worden gelaten, is het lastig om inzicht te krijgen in de mate waarin capaciteitsproblemen optreden. Doordat de vervoerscapaciteit al onder druk staat, is het aannemelijk dat bij gelijkblijvende bewegingspatronen capaciteitsproblemen zullen ontstaan. Vooral in het scenario Sterke groei zullen deze capaciteitsproblemen zich vaker voordoen. In het Krimpscenario zouden daarentegen mogelijk knelpunten kunnen ontstaan in de financiering van het openbaar vervoer. In dit scenario is er namelijk sprake van een lichte daling van het aantal personen dat zich per dag verplaatst.

Deze daling blijft in dit scenario wel boven het niveau tijdens de COVID-pandemie. Het scenario Gematigde groei betreft vooral een voortzetting van de huidige situatie.

4.2.3 Ruimtelijke voorzieningen en klimaat Ruimtelijke voorzieningen Ruimtelijke voorzieningen zijn de fysieke voorzieningen die bewoners in hun leefomgeving gebruiken, zoals scholen, zorglocaties, sportvelden, parken, winkels, wegen, fietspaden, openbaar vervoer en nutsvoorzieningen zoals riolering en waterbeheer. Ruimtelijke ordening gaat over de spreiding en bereikbaarheid van deze voorzieningen en over de vraag of zij aansluiten bij de behoeften van bewoners en bedrijven. In Den Haag speelt dit extra sterk, omdat de stad compact is, weinig vrije ruimte heeft en een hoge bevolkingsdichtheid kent van circa 7 duizend inwoners per vierkante kilometer. Bij bevolkingsgroei neemt de druk op de voorzieningen toe. Die druk is nu al zichtbaar bij onder meer scholen, huisartsen, sportvelden en buurthuizen, vooral in wijken met veel nieuwbouw. In de scenario’s richting 2050 betekent een toename van inwoners en huishoudens meestal dat extra ruimte nodig is voor maatschappelijke voorzieningen en voor buitenruimte die intensiever wordt gebruikt. Het gaat daarbij om ruimte voor nieuwbouw van voorzieningen, om het efficiënter benutten van bestaande gebouwen en om het

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

74

bewaken van de bereikbaarheid en kwaliteit per wijk. Den Haag stuurt hierop via de Omgevingsvisie 2050 (Gemeente Den Haag, 2025, RIS322469). Deze visie stelt dat nieuwe woningen alleen doorgang vinden als ook de bijbehorende voorzieningen worden toegevoegd. De gemeente werkt met leefmilieus en richtinggevende normen voor voorzieningen en groen, zodat per gebied beter kan worden bepaald welke ruimte nodig is bij een bepaalde groei en bevolkingssamenstelling. De bevolkingssamenstelling speelt daarbij een belangrijke rol. Een groei van het aantal ouderen verschuift de vraag naar zorgvoorzieningen dicht bij huis, toegankelijke routes en plekken voor ontmoeting. Groei door instroom van starters, studenten of nieuwkomers kan juist leiden tot pieken in het gebruik van scholen, sportvoorzieningen en openbare ruimte, vooral in wijken waar veel wordt gebouwd. Dit raakt de dagelijkse leefomgeving, zoals het gebruik van parken en speelplekken, en vraagt om keuzes over ruimteverdeling en inrichting op wijkniveau.

Klimaat In elk scenario groeit het aandeel ouderen in de Haagse bevolking. Dit is specifiek relevant voor klimaatadaptatie, omdat ouderen kwetsbaarder zijn voor hittegolven en gezondheidsrisico’s bij extreem weer. Een vergrijzende stad vraagt om hittebestendige woningen, voldoende schaduw en koele plekken in de directe leefomgeving, en noodplannen om kwetsbare groepen te beschermen tijdens hittepieken of overstromingen. Deze opgave speelt zowel bij bevolkingskrimp, met relatief meer ouderen, als bij groei. Adaptatiebeleid dat hierop anticipeert, zoals extra groen in versteende wijken en het klimaatbestendig maken van zorginstellingen, is in alle scenario’s noodzakelijk. In een sterk groeiscenario wordt klimaatadaptatie tegelijk urgenter en lastiger. Verdichting en verstening vergroten de kans op wateroverlast bij piekbuien en versterken het hitte-eilandeffect. De concurrentie om ruimte maakt het moeilijk om voldoende plek te reserveren voor groen en water. De omgevingsvisie noemt groenblauwe structuren essentieel, maar stelt ook dat versterking ervan moet concurreren met andere functies bij verdere verstedelijking (Gemeente Den Haag, 2025, RIS322469). Zonder scherpe keuzes komen parken, plantsoenen en waterpleinen onder druk te staan. Met meer inwoners in een laaggelegen regio nemen bovendien de gevolgen van overstromingen toe.

Dat kan leiden tot versnelling van kustversterking, met extra ruimtebeslag aan de zeekant (Gemeente Den Haag, 2025, RIS322469). Bodemdaling en verzilting kunnen de opgave verder verzwaren, terwijl geschikte locaties voor waterberging en infiltratie juist schaarser worden. De SDO benadrukt dat adaptatie bij droogte en piekbuien plaatsgebonden is en dat op specifieke plekken extra ruimte nodig is (SDO, 2024). Het klimaatmitigatievraagstuk, vooral de energietransitie en CO₂-reductie, wordt in een sterk groeiscenario zeer groot. Meer inwoners betekenen meer energie- en mobiliteitsvraag. Zonder versnelling leidt dat tot hogere uitstoot. De kernopgave is daarom dat duurzame energie en emissievrije mobiliteit minstens even snel meegroeien, zodat de totale CO₂-uitstoot daalt of minimaal gelijk blijft. Een belangrijk knelpunt is de capaciteit van infrastructuur. Het elektriciteitsnet loopt nu al tegen grenzen aan. Bij sterke groei moet de netcapaciteit fors toenemen om extra woningen, bedrijven en elektrisch vervoer te kunnen bedienen. Dat vraagt ook veel ruimte voor technische voorzieningen, zoals transformatorhuisjes, stations, warmteinstallaties en mogelijke waterstofvoorzieningen (Gemeente Den Haag, 2025, RIS322469). In een volle stad botst dit direct met woningbouw en andere ruimteclaims.

De omgevingsvisie noemt dit nu al als inpassingsvraagstuk, bijvoorbeeld rond ondergrondse 150 kV-tracés (Gemeente Den Haag, 2025, RIS322469).

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

75

Tegelijk biedt sterke groei kansen, mits de gemeente strak stuurt. Veel bouw- en vernieuwingsopgaven maken het mogelijk om op grote schaal klimaatadaptief te ontwerpen. Transformatiegebieden kunnen vanaf de start worden ingericht met waterbuffers, wadi’s, harde groennormen en hittebestendige materialen. De schaal kan innovaties versnellen en goedkoper maken. Ook kan de zichtbare urgentie investeringen losmaken, publiek en privaat, bijvoorbeeld in ondergrondse waterberging, groenblauwe daken en koelsystemen. Bij extreme groei kan Den Haag bovendien meer steun organiseren vanuit Rijk en regio, omdat de risico’s nationaal relevant worden.

4.3 Economie en arbeidsmarkt Demografische ontwikkelingen beïnvloeden de omvang en structuur van de economie. Demografische veranderingen hebben daarbij zowel effect op de aanbodzijde van de economie (hoeveel kan deze produceren?), maar ook de vraagzijde van de economie (wat willen personen consumeren?). Beide factoren bepalen uiteindelijk de omvang en structuur van de economie en laten zich samenvatten in het bruto regionaal product (BRP, zie Box 4.2). Box 4.2

Het bruto regionaal product is een maat voor welvaart in de regionale economie

Het bruto regionaal product meet de totale omvang van de toegevoegde waarde binnen een afgebakende regio. Dit regionaal product is niet afgesloten van de rest van Nederland, bedrijven en overheden in Den Haag produceren ook voor andere regio’s in Nederland. Tegelijkertijd haalt het ook goederen die in Den Haag worden geconsumeerd uit andere regio’s van Nederland. Om het effect van demografische verandering inzichtelijk te maken, beschrijven we het bruto regionaal product als een combinatie van de volgende factoren: hoeveel uren er worden gewerkt en hoeveel waarde er per uur wordt geproduceerd. 𝐴𝑎𝑛𝑡𝑎𝑙 𝑤𝑒𝑟𝑘𝑒𝑛𝑑𝑒𝑛 𝑥 𝑡𝑜𝑒𝑔𝑒𝑣𝑜𝑒𝑔𝑑𝑒 𝑤𝑎𝑎𝑟𝑑𝑒 𝑝𝑒𝑟 𝑤𝑒𝑟𝑘𝑒𝑛𝑑𝑒 = 𝑡𝑜𝑒𝑔𝑒𝑣𝑜𝑒𝑔𝑑𝑒 𝑤𝑎𝑎𝑟𝑑𝑒 (𝐵𝑅𝑃) Bron:

SEO Economisch Onderzoek (2026)

De formule in Box 4.2 laat goed zien op welke wijze demografische ontwikkeling het BRP in de economie beïnvloedt. Het aantal werkenden is op zijn beurt afhankelijk van demografische kenmerken, zoals de omvang van de bevolking, het aandeel mensen tussen de 15 en 75 jaar en de mate van arbeidsparticipatie. Daarnaast is de toegevoegde waarde per werkende het product van de arbeidsproductiviteit (toegevoegde waarde per gewerkt uur) maal het (gemiddeld) aantal werkuren. Uitgeschreven is het BRP het product van de volgende factoren: (∝15−75 × 𝛽𝑁𝑒𝑡𝑡𝑜−𝑝𝑎𝑟𝑡𝑖𝑐𝑖𝑝𝑎𝑡𝑖𝑒 × 𝑄𝑖𝑛𝑤𝑜𝑛𝑒𝑟𝑠 46) × ( €𝐴𝑟𝑏𝑒𝑖𝑑𝑠𝑝𝑟𝑜𝑑𝑢𝑐𝑖𝑡𝑖𝑣𝑖𝑡𝑒𝑖𝑡 × 𝑄𝑢𝑟𝑒𝑛 ) = 𝑡𝑜𝑒𝑔𝑒𝑣𝑜𝑒𝑔𝑑𝑒 𝑤𝑎𝑎𝑟𝑑𝑒 (𝐵𝑅𝑃) Samengenomen hangt het BRP af van het aantal inwoners (𝑄𝑖𝑛𝑤𝑜𝑛𝑒𝑟𝑠 ) , welk deel daarvan tot de potentiële beroepsbevolking behoort (∝15−75 ), welk deel daarvan werkt (𝛽𝑁𝑒𝑡𝑡𝑜−𝑝𝑎𝑟𝑡𝑖𝑐𝑖𝑝𝑎𝑡𝑖𝑒 ) , de hoogte van hun arbeidsproductiviteit ( €𝐴𝑟𝑏𝑒𝑖𝑑𝑠𝑝𝑟𝑜𝑑𝑢𝑐𝑡𝑖𝑣𝑖𝑡𝑒𝑖𝑡 ) en het gemiddelde aantal uur dat zij werken (𝑄𝑢𝑟𝑒𝑛 ). Deze kenmerken hangen samen met de omvang en samenstelling van het totaal aantal inwoners.

4.3.2 Beroepsbevolking De potentiële beroepsbevolking beschrijft het aantal mensen dat zich binnen de leeftijd tussen de 15 en 75 jaar bevindt. Mensen die zich in deze leeftijdsklasse bevinden oefenen doorgaans economische activiteiten uit. Echter, 46

Gecorrigeerd voor pendelstromen (inwoners die binnen Den Haag wonen en elders werken, en vice versa).

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

76

niet alle mensen die zich in deze groep bevinden oefenen economische activiteiten uit. Zo omvat de nietberoepsbevolking ook het aantal inwoners dat niet actief naar werk zoekt, zoals bijvoorbeeld studenten of gepensioneerden. Daarmee verschilt de potentiële beroepsbevolking dan ook van de beroepsbevolking, doordat deze laatste groep enkel het aantal inwoners betreft dat werkzaam is, of actief op zoek is naar werk. In ieder scenario is er sprake van een afnemend aandeel van de potentiële beroepsbevolking ten opzichte van de totale bevolking. Figuur 4.5 toont dat de potentiële beroepsbevolking als aandeel van de totale populatie in Den Haag in ieder scenario afneemt. Met andere woorden, de groep waarvan kan worden verwacht dat zij een economische bijdrage levert neemt in ieder scenario af. Dit impliceert dat wanneer de kosten meegroeien met de omvang van de bevolking, deze kosten door een kleinere groep gedragen kunnen worden. In het Sterke groei scenario daalt het aandeel van de potentiële beroepsbevolking tot net onder het niveau van 2000. In het Krimpscenario zet de daling iets verder door tot circa 73 procent van de totale bevolking. Figuur 4.5

Bron:

Het aandeel potentiële beroepsbevolking ten opzichte van de totale bevolking daalt in ieder scenario

SEO Economisch Onderzoek (2026), o.b.v. ABF Research (2024)

Arbeidsmarktkrapte in Den Haag neemt bij onveranderd beleid in ieder scenario toe. Tegelijkertijd laat Figuur 4.5 zien dat de arbeidsmarktkrapte maar beperkt kan worden opgevangen door migratie. In ieder scenario daalt de potentiële beroepsbevolking. Tegelijkertijd brengt de vergrijzing wel het leggen van een ander beslag op de potentiële beroepsbevolking met zich mee. Doordat de zorgbehoefte in het krimpscenario procentueel sterker stijgt dan in de groeiscenario’s, legt de zorg een groter beslag op de potentiële beroepsbevolking. Een verhoging van de arbeidsproductiviteit in de zorgsector kan de negatieve effecten hiervan dempen.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

77

De verschillende scenario’s kunnen na 2050 sterker uiteenlopen doordat het aantal inwoners onder de 15 jaar in het Krimpscenario afneemt. Alhoewel er op het eerste oog weinig grote verschillen bestaan tussen de verschillende scenario’s, toont Figuur 4.6 dat de compositie van de groep die niet tot de potentiële beroepsbevolking behoort wel sterk verschilt. In het Krimpscenario is er voornamelijk sprake van een sterke groei van het aantal inwoners boven de 75. In de overige scenario’s kan de daling vooral worden toegeschreven aan de grotere groep inwoners onder de 15 jaar. Hierdoor is het mogelijk dat de scenario’s vooral na 2050 uiteen zullen lopen, doordat de aanwas in het Krimpscenario uitblijft. Figuur 4.6

Bron:

De potentiële beroepsbevolking daalt in ieder scenario, maar de ontwikkeling van de toekomstige beroepsbevolking verschilt

ABF Research (2024), bewerking SEO Economisch Onderzoek

De potentiële beroepsbevolking laat zien hoe groot de groep is die een bijdrage kan leveren aan de economie van Den Haag. Door deze te vermenigvuldigen met het aandeel van inwoners dat daadwerkelijk deelneemt aan de economie ontstaat een overzicht van de ontwikkeling van het aantal personen dat een bijdrage levert aan het BRP. Er bestaan geen grote verschillen voor de netto arbeidsparticipatie tussen de scenario’s, waardoor de arbeidsmarktkrapte toeneemt. Figuur 4.7 toont de netto arbeidsparticipatie, het aandeel van de potentiële beroepsbevolking dat daadwerkelijk werk heeft. In tegenstelling tot de bruto arbeidsparticipatie maakt het aandeel personen dat wel actief op zoek is naar werk hier geen deel van uit. De figuur toont wederom dat er beperkte verschillen zijn tussen de scenario’s. Het aandeel ligt in het Krimpscenario een procentpunt lager dan in het scenario Sterke groei. Dit is het gevolg van de lagere arbeidsdeelname in de groep die de pensioenleeftijd heeft, maar nog wel tot de potentiële beroepsbevolking hoort (de groep tussen de 67 en 75 jaar).

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

78

Alhoewel er beperkte verschillen bestaan tussen de verschillende scenario’s in Figuur 4.7, bestaan er wel verschillen in de opbouw van de netto arbeidsparticipatie. De netto arbeidsparticipatie is ongeacht herkomst of gender het hoogst in de leeftijdscategorie 35 tot en met 55 jaar. De verschillen tussen herkomst zijn binnen deze leeftijdscategorie ook minder sterk dan buiten deze leeftijdscategorie. Wel geldt dat voor de huidige inwoners, vooral bij vrouwen, het verschil in arbeidsparticipatie naar herkomst groter wordt naarmate de inwoner ouder is. Dus alhoewel herkomst een enigszins negatief effect heeft op de netto arbeidsparticipatie, is er in het Krimpscenario vooral sprake van een negatief effect van vergrijzing op de netto arbeidsparticipatie. Hierdoor bewegen de scenario’s naar elkaar toe in 2050. Figuur 4.7

Bron:

De netto arbeidsparticipatie verschilt niet sterk tussen de scenario’s

SEO Economisch Onderzoek (2026), o.b.v. ABF Research (2024) en CBS (2025)

De ontwikkelingen van de potentiële beroepsbevolking en de netto arbeidsparticipatie laten zien dat de gemeente Den Haag rekening dient te houden met een lager aantal werkenden in haar stad. In alle scenario’s is er namelijk sprake van een daling in de potentiële beroepsbevolking en zijn er maar beperkte verschillen zichtbaar in de arbeidsdeelname. Tegelijkertijd bestaat er de mogelijkheid dat verschillen tussen de scenario’s zich vooral na 2050 voordoen, doordat de aanwas van de potentiële beroepsbevolking in het Krimpscenario sterk terugloopt. Een belangrijke beperking van de doorrekening in Figuur 4.7 is wel dat deze is berekend vanaf het huidige (hoge) niveau van de netto arbeidsparticipatie. Conjuncturele effecten (zichtbaar in de historische ontwikkeling) zijn dus niet meegenomen, maar hebben een groter effect op de netto arbeidsparticipatie. Een tweede beperking is dat de netto arbeidsparticipatie als gegeven is beschouwd en cohort- en tijdeffecten buiten beschouwing worden gelaten. Arbeidsmarktkrapte bij andere sectoren neemt door een toenemende zorgvraag bij vergrijzing verder toe. Doordat bij vergrijzing ook een groter beslag wordt gelegd op het aantal werkenden in de zorgsector, betekent dit

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

79

dat andere sectoren minder personeel tot hun beschikking zullen hebben. Dit vergroot de noodzaak voor andere sectoren om voldoende ruimte te hebben om de arbeidsproductiviteit te kunnen verhogen. Daarnaast dient het beleid ook aandacht te schenken aan de mogelijkheden om de arbeidsproductiviteit in de zorgsector te verhogen. Ook is het belangrijk dat er voldoende bijscholingsmogelijkheden bestaan om de beroepsbevolking in te kunnen zetten in sectoren met arbeidsmarktkrapte.

4.3.3 Opleidingsniveau van de beroepsbevolking Het opleidingsniveau van de beroepsbevolking drukt een sterke stempel op de toegevoegde waarde die een inwoner realiseert. Veel sectoren in Den Haag vereisen immers een startkwalificatie, ook tekortsectoren zoals de zorg en het onderwijs. Daarnaast vraagt de economische visie van de gemeente ook om een hoog aantal inwoners met een hbo- of wo-achtergrond. In ieder scenario is er sprake van een hoger opgeleide bevolking. Figuur 4.8 laat de ontwikkelingen van het aandeel inwoners naar opleidingsachtergrond zien. De ontwikkelingen zijn gebaseerd op het aandeel van personen met een opleidingsachtergrond binnen een groep met hetzelfde geboortejaar (cohort). Personen die geboren zijn in de jaren ’50 van de 20e eeuw hebben doorgaans minder vaak een universitaire of hbo-achtergrond dan personen van latere cohorten. Figuur 4.8 laat daarmee vooral de effecten zien van de vervanging binnen de beroepsbevolking van oudere cohorten met een lagere opleidingsachtergrond door jongere cohorten met een hogere opleidingsachtergrond. Migratie heeft een beperkt effect op het opleidingsniveau van de bevolking. Vooral grote verschillen in opleidingsniveau tussen cohorten leidt tot een verandering van het opleidingsniveau van de Haagse bevolking.

Daarbij is er in alle scenario’s sprake van dezelfde ontwikkeling, maar is deze door migratie minder sterk in de groeiscenario’s. Tegelijkertijd laat de figuur zien dat dit effect beperkt is tot enkele procentpunten. De resultaten zijn daarbij in lijn met de recente WLO-scenario’s waarbij het aandeel van de bevolking met een hbo- of woopleiding het hoogst is (PBL, 2025). Er is ook sprake van een toename van het aandeel van inwoners met een startkwalificatie. Tegelijkertijd is deze stijging met twee tot drie procentpunt relatief beperkt. Wel daalt het aandeel personen zonder startkwalificatie met bijna tien procentpunt aanzienlijk.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

Figuur 4.8

Bron:

80

In ieder scenario daalt het aandeel personen zonder startkwalificatie

SEO Economisch Onderzoek (2026), o.b.v. ABF Research (2024), DHIC (2025) en CBS (2025)

Een hoger opgeleide bevolking biedt kansen voor een hogere arbeidsproductiviteit. Figuur 4.8 laat zien dat de huidige positie van Den Haag, met grote verschillen tussen hoog- en laagbetaald werk, op den duur af zal nemen doordat het aantal personen met een startkwalificatie toeneemt. Dit biedt kansen voor economisch beleid om zich te richten op het aantrekken van meer economische activiteiten voor personen met een startkwalificatie. Tegelijkertijd blijft Den Haag naar verwachting achter bij steden als Utrecht en Amsterdam die ook nu al een hoger aandeel inwoners met een hbo- of wo-achtergrond hebben.

4.3.4 Ruimte voor bedrijven Net als op de woningmarkt is er in Den Haag aanhoudende schaarste op de markt voor bedrijfsruimte. De gemeente noemt de hoeveelheid bedrijfsruimte in de huidige situatie al “ongezond laag” 47, wat betekent dat de spanning tussen vraag en aanbod nu al groot is. Tegelijk staat de woningmarkt onder druk en dat werkt door naar de markt voor bedrijfsruimte, ook al zijn wonen en werken via bestemmingsplannen op papier van elkaar gescheiden. Die doorwerking hangt samen met de businesscase. Woningbouw levert vaak meer op dan het behoud van bedrijfsruimte. De wethouder economie schrijft daarover aan de gemeenteraad: “Eigenaren en verhuurders hopen door een bestemmingswijzing bedrijfsruimte te transformeren naar woningbouw en daarmee een waardesprong te maken” (Gemeente Den Haag, 2022, RIS311819). Daardoor ontstaat er druk om bedrijfsruimte om te zetten naar woningen, juist op plekken waar ruimte voor bedrijven toch al schaars is.

47

Tekort aan bedrijfsruimte in Den Haag: gemeente komt met actieprogramma | Rodi

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

81

Als de bevolkingsgroei doorzet en de druk op de woningmarkt verder toeneemt, wordt woningbouw nog aantrekkelijker. In een scenario met sterke groei, bijvoorbeeld richting 830.000 inwoners, neemt de verleiding toe om meer bedrijventerreinen te herbestemmen naar woonwijken. Wanneer dat zonder duidelijke grenzen gebeurt, krimpt het aanbod van bedrijfsruimte verder en loopt de kloof tussen vraag en aanbod van werkruimte extra op. Die kloof groeit ook omdat meer inwoners doorgaans leiden tot meer economische activiteit en dus meer ruimtevraag van bedrijven. Bestaande bedrijven kunnen uitbreiden om een grotere markt te bedienen, en er komen nieuwe ondernemingen bij doordat in een grotere stad meer mensen wonen die lokaal iets willen starten. In dat licht is het logisch dat Den Haag bij zo’n groeiscenario tienduizenden vierkante meters extra kantoor- en bedrijfsruimte nodig kan hebben bovenop de huidige plannen. Dit past ook bij bredere signalen, zoals conservatieve schattingen dat Nederland als geheel in de komende tien jaar ongeveer 700 hectare extra bedrijventerrein per jaar moet toevoegen om aan de ruimtevraag van het bedrijfsleven te voldoen. 48 Als Den Haag niet tijdig nieuwe werklocaties ontwikkelt, kan schaarse ruimte een knelpunt worden voor economische groei.

In het uiterste geval ontstaat dan een “slaapstad”-scenario: het aantal inwoners groeit, terwijl de lokale werkgelegenheid achterblijft en mensen vaker de stad uit moeten reizen voor werk. Dat leidt tot extra forensenverkeer, meer files en meer druk op het openbaar vervoer, en dat is economisch en ecologisch onwenselijk. Daarom is bij sterke groei sterkere ruimtelijke regie nodig, zodat er naast woningen genoeg plek voor bedrijven overblijft. De gemeentelijke omgevingsvisie “Thuis in een groene metropool” schetst al waar tot 2050 ruimte voor nieuwe woningen en groen is voorzien (Gemeente Den Haag, 2025, RIS322469). Bij een scenario met nog hogere groei ligt het voor de hand dat die visie herzien moet worden, met extra locaties die expliciet ruimte bieden voor zowel wonen als werken.

4.4 Sociaal, Zorg en Onderwijs Demografische ontwikkelingen hebben directe gevolgen voor het gebruik en de belasting van publieke voorzieningen. Groei van het aantal inwoners, veranderingen in de leeftijdsopbouw en toenemende migratie stellen nieuwe eisen aan onder meer zorg, onderwijs, welzijn en sociale zekerheid. Als het gebruik toeneemt zonder dat de capaciteit om in die behoefte te voorzien meegroeit, ontstaan er knelpunten. 49 Wachttijden lopen op, voorzieningen raken overbelast en de toegankelijkheid komt onder druk te staan. Tegelijk veranderen de behoeften van inwoners, waardoor bestaande structuren niet altijd meer aansluiten. Dit alles heeft gevolgen voor de bereikbaarheid, betaalbaarheid en effectiviteit van ondersteuning – en daarmee ook voor de mate waarin inwoners kunnen meedoen in de stad.

4.4.1 Participatie en inkomensondersteuning Den Haag kenmerkt zich als een gemeente met een hoog aantal bijstandsgerechtigden. In vergelijking met de andere drie grote gemeenten kent alleen de gemeente Rotterdam een hoger percentage bijstandsgerechtigden (CBS, 2025c). Wanneer de groep personen met een hogere kans om zich in de bijstand te bevinden in een demografisch scenario sterk verandert, dan heeft dit een grote invloed op het aantal bijstandsgerechtigden. We maken een inschatting van de ontwikkeling van het aantal bijstandsgerechtigden tot en met 2050 op basis van een beperkt aantal achtergrondvariabelen. Deze achtergrondvariabelen betreffen de huishoudenspositie, leeftijd en 48 49

Toekomstbestendige economie vraagt uitbreiding fysieke ruimte bedrijven De capaciteit wordt in grote mate bepaald door het beschikbare personeel.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

82

herkomst van inwoners. Daarmee worden enkele andere belangrijke achtergrondvariabelen zoals de Human Capital Index niet meegenomen.50 Vermeulen et al. (2024) laten zien dat de bijstandskans voor een laag niveau van de Human Capital Index (HCI) bijna 15 procent bedraagt, terwijl dit zich voor een midden- en hoog niveau onder de 1 procent bevindt.51 Figuur 4.9

Bron: Noot:

Het aantal bijstandsgerechtigden volgt demografische trends

SEO Economisch Onderzoek (2026), o.b.v. ABF Research (2024) en CBS (2025) De schattingen zijn gebruikt op basis van demografische gegevens en de bijstand exclusief de TOZO.

Het aantal bijstandsgerechtigden loopt in de verschillende scenario’s uiteen. Figuur 4.9 toont de ontwikkelingen van het aantal bijstandsgerechtigden over de tijd. Hieruit volgt dat in het scenario Sterke groei het aantal bijstandsgerechtigden toeneemt. In het Krimpscenario neemt het aantal bijstandsgerechtigden af. In het scenario Gematigde groei blijft de omvang van het aantal bijstandsgerechtigden nagenoeg gelijk aan het huidige niveau. Samenstellingseffecten hebben maar een beperkte invloed op het aantal bijstandsgerechtigden. Het percentage ligt in het scenario Sterke groei iets hoger dan in de overige scenario’s. Daarbij merken we op dat ook hiervoor geldt dat het percentage bijstandsgerechtigden per demografische groep geen constante is over de tijd. Macro-economische ontwikkelingen die invloed hebben op de algemene werkloosheid zullen daarmee ook een sterke invloed uitoefenen op het percentage bijstandsgerechtigden.

50

51

De reden hiervoor is dat de ontwikkelingen van andere achtergrondvariabelen eerst geschat moeten worden voordat op basis van die schatting weer een nieuwe schatting kan worden gemaakt van het aantal bijstandsgerechtigden. Daarom kiezen we ervoor om de ontwikkelingen van deze belangrijke kenmerken enkel kwalitatief te beschouwen. Vermeulen et al. (2024) construeren de HCI als een combinatie van opleidingsniveau en/of arbeidsverleden van personen.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

83

Vergrijzing leidt tot een lager aantal bijstandsgerechtigden. In het Krimpscenario is er sprake van een afname van het aantal bijstandsgerechtigden. Dit is deels toe te schrijven aan de lagere bevolkingsomvang, maar ook aan vergrijzing. Immers, personen met een pensioengerechtigde leeftijd ontvangen AOW. In het gematigde groeiscenario blijft het aantal bijstandsgerechtigden over de tijd constant en gelijk aan het huidige niveau, de conjuncturele effecten in de analyse buiten beschouwing gelaten. Dit kan ertoe leiden dat het totale aantal bijstandsgerechtigden in perioden van economische crises fors hoger kan komen te liggen. Het hogere opleidingsniveau van de Haagse bevolking leidt tot een lager aantal bijstandsgerechtigden. Een belangrijke beperking die niet is meegenomen in de doorrekening is het effect van het gemiddeld hogere opleidingsniveau van de beroepsbevolking. Vermeulen et al. (2024) laten zien dat de bijstandskans voor een laag niveau van de Human Capital Index (HCI) bijna 15 procent bedraagt, terwijl dit zich voor een midden- en hoog niveau onder de 1 procent bevindt.52 Het is daarom aannemelijk dat de ontwikkelingen in het opleidingsniveau van de beroepsbevolking een negatief effect hebben op het aantal bijstandsgerechtigden. De omvang hiervan is in dit rapport niet berekend.

Daarnaast kunnen ook ontwikkelingen in de gezondheid van inwoners uitoefenen op het aantal bijstandsgerechtigden, maar zijn in de doorrekening buiten beschouwing gelaten.

4.4.2 Zorg Gemeenten voeren een belangrijk deel van de zorg en ondersteuning aan inwoners uit. Deze taken richten zich op het bevorderen van zelfredzaamheid, participatie en ondersteuning in de directe leefomgeving. Daarbij is de gemeente verantwoordelijk voor algemene voorzieningen. Wanneer de algemene voorzieningen en sociale basis van inwoners niet toereikend zijn om te voorzien in de zorgbehoefte, kunnen inwoners een beroep doen op de Wet maatschappelijke ondersteuning. 53 De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) valt binnen het domein van de gemeente.

De sociale basis binnen de Wmo De sociale basis binnen de Wmo betreft de hulp of ondersteuning die beschikbaar is vanuit de sociaalmaatschappelijke context (Verwey-Jonker Instituut, 2024). Daarbij bestaat er tevens onderscheid tussen de persoonlijke, gemeenschappelijke en institutionele basis. De persoonlijke basis omvat de ondersteuning die mensen kunnen ontvangen van mensen in hun persoonlijke netwerk, bijvoorbeeld mantelzorg. De gemeenschappelijke basis omvat initiatieven, zoals buurtinitiatieven, die vanuit de gemeenschap worden gegeven en gericht zijn op ondersteuning en ontmoeting. Deze initiatieven kunnen door de gemeente gefaciliteerd worden. Als laatste omvat de sociale basis initiatieven vanuit maatschappelijke organisaties, zoals bibliotheken, buurtwerk en vrijwilligerscentrales (CBS, 2025d). De gemeente Den Haag biedt binnen deze sociale basis algemene voorzieningen aan. Algemene voorzieningen zijn diensten of activiteiten die vaak gratis, maar altijd zonder indicatie, toegankelijk zijn. Een hulpvrager komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening wanneer een hulpvraag met een algemene voorziening kan worden geholpen (Gemeente Den Haag, 2023d). In ieder scenario stijgt het aantal ontvangers van mantelzorg.

Het CBS (2025d) laat zien dat het percentage van ouderen (boven de 55 jaar) dat mantelzorg ontvangt zich concentreert binnen de leeftijdsgroep van 75 jaar en ouder. Op landelijk niveau geldt dat bijna 12 procent van de mannen van 75 jaar of ouder mantelzorg ontvangt en 52

53

Vermeulen et al. (2024) construeren de HCI als een combinatie van opleidingsniveau en/of arbeidsverleden van personen. Inwoners kunnen ook een beroep doen op de Wet langdurige zorg in het geval dat 24 uurszorg nodig is. De Wlz valt buiten het domein van de gemeente. Tegelijkertijd heeft de gemeente hier wel een taak om dit type zorg te faciliteren.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

84

ruim dertig procent van de vrouwen van 75 jaar of ouder mantelzorg ontvangt. Uit Figuur 2.5 volgt dat in ieder scenario het aandeel van de Haagse bevolking dat ouder is dan 75 jaar toeneemt. Dit impliceert dat ook in ieder scenario het aantal ouderen dat behoefte heeft aan mantelzorg toeneemt. Daarbij neemt dit aandeel het sterkst toe in het Krimpscenario tot grofweg 14 procent in 2050. Ter vergelijking, het aandeel van de Haagse bevolking dat 75 jaar of ouder is bedraagt in het scenario Sterke groei 10 procent. In ieder scenario geldt dat groepen die relatief meer mantelzorg geven, procentueel gezien dalen. In Den Haag bedraagt het aantal personen van 18 jaar en ouder dat mantelzorg verleent in 2024 bijna 12 procent (DHIC, 2025). Landelijk geldt dat circa 13 procent van de personen van 16 jaar en ouder mantelzorg verleent (CBS, 2025). Op landelijk niveau geldt dat vooral binnen de leeftijdsgroepen 55 tot 65 jaar, 50 tot 55 jaar en 65 tot 75 jaar een groot aandeel van de bevolking mantelzorg verleent. 54 Uit Figuur 2.3 valt af te lezen dat het aandeel van de eerste twee leeftijdsgroepen in ieder scenario daalt. Alhoewel de grijze druk in de groeiscenario’s minder sterk toeneemt, vindt de groei vooral plaats door de komst van inwoners onder de 50 jaar.

Hierdoor kan het aantal mantelzorgverleners ook in de groeiscenario’s onvoldoende zijn, of kan er sprake zijn van een grotere belasting van mantelzorgverleners.

Maatwerkvoorzieningen De Wmo richt zich op ondersteuning die inwoners in staat stelt zelfstandig te blijven wonen en deel te nemen aan de samenleving. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor maatwerkvoorzieningen zoals huishoudelijke hulp, begeleiding, dagbesteding en woningaanpassingen. De ontwikkeling van het aantal personen dat zich beroept op de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt uit Figuur 4.10. Uit het totaal aantal cliënten volgt dat deze wederom in ieder scenario stijgt. Echter, voor het type zorg Verblijf en opvang is er sprake van krimp in het Krimpscenario. Voor dit type zorg leidt de vergrijzing niet automatisch tot hoger gebruik. Dit kan worden verklaard door dat dit type maatwerkvoorzieningen niet uitsluitend gericht is op de zorgbehoeften van ouderen.

54

Respectievelijk 22,6 (55 tot 65 jaar), 19,2 (50 tot 55 jaar) en 16,8 (65 tot 75 jaar) procent.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

85

Figuur 4.10 Er bestaan sterke verschillen tussen de verschillende typen Wmo-zorg

Bron: Noot:

SEO Economisch Onderzoek (2026), o.b.v. ABF Research (2024) en DHIC (2025) De y-as verschilt per maatwerkvoorziening.

Zonder instroom van personeel of arbeidsproductiviteitverhoging in de zorg, wordt de bestaande arbeidsmarktkrapte versterkt. Voor de zorg die de gemeente verleent onder de Wet maatschappelijke ondersteuning is er in ieder scenario sprake van een toename van het aantal cliënten. In slechts enkele typen zorg onder de Wet maatschappelijke ondersteuning is er sprake van krimp in het Krimpscenario. Migratie kan leiden tot een verhoogde instroom van het zorgpersoneel, maar het is niet zeker of dit gegeven het lagere aandeel potentiële beroepsbevolking voldoende is om te voldoen aan de stijgende zorgvraag. Deze ontwikkelingen schetsen het beeld dat de gemeente tot en met 2050 meer geld en middelen vrij zal moeten maken om personeel aan te trekken om dezelfde zorg te kunnen blijven verlenen aan haar inwoners.

4.4.3 Onderwijs en opvang De kwaliteit van het onderwijs is een belangrijke factor in de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Momenteel leiden tekorten in het onderwijs ertoe dat deze kwaliteit onder druk staat. Demografische verandering kan leiden tot meer leraren die actief worden in het onderwijs om de vergrijzing in het onderwijs te beperken. Anderzijds kunnen demografische veranderingen ertoe leiden dat ook het aantal kinderen en jongeren toeneemt. De kwantitatieve doorrekening brengt in kaart hoe deze ontwikkelingen het lerarentekort beïnvloeden.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

86

Figuur 4.11 Het aantal kinderen tussen de 0 en 23 jaar krimpt in het Krimpscenario en stijgt in het scenario Sterke groei

Bron:

SEO Economisch Onderzoek (2026), o.b.v. ABF Research (2024) en DHIC (2025)

Door migratie groeit het aantal 0- tot en met 23-jarigen in Den Haag geleidelijk. Figuur 4.12 laat de ontwikkelingen van het aantal 0- tot 23-jarigen in de Haagse bevolking zien. In het scenario Sterke groei is er sprake van een toename van het aantal kinderen, terwijl het aantal gelijk blijft of krimpt in respectievelijk het Gematigde groei of Krimpscenario. Wat opvalt is dat ten opzichte van de algehele bevolking, de toename van het aantal kinderen en jongeren in het Sterke groei scenario geleidelijk toeneemt. De totale bevolking kent namelijk een snellere stijging in het begin, die vervolgens afneemt.

Lerarentekort Het lerarentekort in het primair onderwijs bedraagt op 1 oktober 2025 460 fte (Gemeente Den Haag, 2025, RIS 324049). Dit lerarentekort is ongelijk verdeeld over de stad. Zo is er in het centrum en zuiden van de stad sprake van een veel hoger percentage lerarentekort in het basisonderwijs dan in de overige delen (DHIC, 2025). In het primair onderwijs zijn, in tegenstelling tot in het voortgezet onderwijs, vooral vrouwen werkzaam. Mannen die actief zijn in het primair onderwijs hebben doorgaans een oudere leeftijd dan hun vrouwelijke collega’s. Daarnaast lijken er aanwijzingen te zijn dat het percentage binnen een demografische groep dat in het basisonderwijs actief is daalt, waardoor tekorten mogelijkerwijze nog verder kunnen oplopen.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

87

Figuur 4.12 Het lerarentekort in het primair onderwijs blijft bij ongewijzigd beleid in ieder scenario bestaan

Bron:

SEO Economisch Onderzoek (2026), o.b.v. ABF Research (2024), CBS (2025) en DHIC (2024)

Door vergrijzing blijven er tekorten in het primair onderwijs bestaan, die worden versterkt door bevolkingsgroei. Figuur 4.12 laat zien dat er op de korte termijn sprake is van een daling van het lerarentekort. In het Krimpscenario neemt het lerarentekort in de daaropvolgende jaren maar beperkt toe. In het scenario Sterke groei en Gematigde groei, neemt het lerarentekort juist sterk toe in de daaropvolgende jaren. Dit is vooral het gevolg van de toegenomen instroom van kinderen in het primair onderwijs. De toename van het aantal leraren is in dat scenario onvoldoende om het aantal kinderen te onderwijzen. In het voortgezet onderwijs is er minder sprake van vergrijzing waardoor tekorten afnemen. Het voortgezet onderwijs kent de problemen in het primair onderwijs minder. Het lerarentekort bedraagt hier 68 fte, of 4 procent van het aantal benodigde leraren (Gemeente Den Haag, 2025, RIS324049). De verdeling tussen mannen en vrouwen is in vergelijking met het primair onderwijs meer gelijk en er is minder sprake van een vergrijzing. Het lerarentekort ligt hier dan ook minder hoog dan bij het primair onderwijs. Toch kunnen ook hier lerarentekorten ontstaan als het aantal kinderen sterk toeneemt.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

88

Figuur 4.13 Het lerarentekort daalt in het voortgezet onderwijs in ieder scenario zonder grote verschillen

Bron:

SEO Economisch Onderzoek (2026), o.b.v. ABF Research (2024), CBS (2025) en DHIC (2025)

De toename van het bevolkingsaantal kan na 2050 leiden tot mogelijke tekorten. Figuur 4.13 toont dat het lerarentekort in ieder scenario tot en met 2040 afneemt. Vooral in het Sterke groei en Gematigde groei scenario is de afname net iets sterker. In tegenstelling tot het Krimpscenario, neemt het lerarentekort in die scenario’s echter op termijn wel weer toe. Een reden hiervoor is dat de toename in het Sterke groei en Gematigde groei scenario pas op de langere termijn een groot effect heeft op het aantal kinderen dat naar het voortgezet onderwijs gaat. Hierdoor spelen mogelijk op de periode na 2050 dezelfde problemen die zich bij het primair onderwijs al eerder voordoen. Tegelijkertijd is er minder sprake van vergrijzing in het voortgezet onderwijs, waardoor de uitstroom in vergelijking met het primair onderwijs laag is. De toename van het aantal kinderen speelt daarentegen geen rol in het Krimpscenario waardoor het lerarentekort/-overschot constant lijkt te blijven. Wel zijn de ontwikkelingen van het lerarentekort voor de verschillende demografische scenario’s voor het voortgezet onderwijs lastiger te bepalen dan de ontwikkelingen bij het primair onderwijs.

De reden hiervoor is dat tekorten zich bij het voortgezet bij specifieke vakken voor kunnen doen, terwijl de ontwikkelingen worden bepaald op het aantal leerkrachten actief in het voortgezet onderwijs zonder dat daar onderscheid gemaakt kan worden naar vakken.

Onderwijsachterstand Naast het lerarentekort, bestaan er ook andere factoren die het succes van kinderen in het onderwijs beïnvloeden. Zo laten Ter Weel et al. (2025) zien dat zowel de thuissituatie en fysieke omgeving invloed uitoefenen op de leerprestaties van kinderen in het primair onderwijs. Zo speelt het opleidingsniveau van de ouders een belangrijke rol.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

89

Een indicator voor deze risicofactoren is het aantal kinderen dat landelijk tot de 15 procent met het grootste risico op een onderwijsachterstand behoort. Wanneer deze indicator boven de 15 procent uitkomt, dan betekent dat in Den Haag gemiddeld genomen meer kinderen een groot risico op onderwijsachterstand hebben in vergelijking met alle kinderen in Nederland. Dit impliceert dan ook dat wanneer het risico op onderwijsachterstand voor alle kinderen afneemt, dit niet in de cijfers te zien, terwijl er wel sprake is van een goede ontwikkeling. Figuur 4.14 De onderwijsachterstand neemt toe in ieder scenario

Bron:

SEO Economisch Onderzoek (2026), o.b.v. ABF Research (2024) en DHIC (2025)

Het risico op onderwijsachterstand neemt toe bij migratie, wat bij onveranderd beleid resulteert in grotere kansenongelijkheid. De ontwikkeling van het aantal kinderen met een risico op onderwijsachterstand bevindt zich momenteel boven de 15 procent (zie Figuur 4.14). Dit betekent dat meer kinderen in de gemeente Den Haag een risico op onderwijsachterstand kennen dan op landelijk niveau. Tegelijkertijd is er in het Sterke groei en Gematigde groei scenario sprake van een stijging van het aantal kinderen met een risico op onderwijsachterstand tot boven de 30 procent. In het Krimpscenario blijft dit aandeel grofweg gelijk aan het huidige niveau. Deze ontwikkelingen tonen dat de gemeente ook alert dient te zijn op de veranderende thuissituatie van kinderen om hen succesvol te laten zijn in het onderwijs. De bovenstaande analyse gebruikt associaties tussen wijken met een hoger aandeel inwoners met een nietNederlandse herkomst. Hierdoor kunnen we geen uitspraken doen over de risicofactoren die ertoe leiden dat deze kinderen op een onderwijsachterstand komen. Zo is de gemiddelde leeftijd van inwoners in een wijk met een hoger percentage inwoners met een niet-Nederlandse herkomst vaak ook hoger. Hierdoor kunnen we deze effecten niet uit elkaar halen.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

90

4.5 Sociale cohesie Sociale cohesie is een begrip dat zich lastig laat definiëren. De verbondenheid in de samenleving die inwoners tussen elkaar ervaren vormt daarbij een belangrijk onderdeel. Tegelijkertijd vormt ook de cohesie tussen burgers en instituties hier een onderdeel van. Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP, 2024) definieert sociale cohesie als de mate waarin (groepen) mensen zich met elkaar en met allerlei instituties verbonden voelen en dat ook in hun gedrag aan de dag leggen. In de samenleving zijn er verschillende scheidslijnen tussen inwoners, zoals bijvoorbeeld herkomst, opleidingsniveau of leeftijd. Demografische ontwikkelingen hebben om die reden dan ook grote invloed op de sociale samenhang in de stad. Door verschillen in leeftijd, herkomst, inkomen en verblijfsduur wonen steeds meer mensen naast elkaar zonder elkaar goed te kennen. De band tussen bewoners komt daardoor onder druk te staan. In sommige wijken is nog veel onderling contact, maar in andere wijken neemt de betrokkenheid af. Sociale cohesie bestaat niet enkel uit de opvattingen van inwoners over elkaar, maar ook uit de mate waarin zij deelnemen aan de samenleving door middel van bijvoorbeeld vrijwilligerswerk. Ook het stemmen bij verkiezingen vormt een onderdeel van sociale cohesie.

Tegelijkertijd is het belangrijk om te beseffen dat ondanks dat er verschillen bestaan tussen groepen, de verschillen binnen groepen vaak nog groter is. Sociale cohesie is ook een normatief begrip, waarbij verschillende groepen andere opvattingen kunnen hebben of meer of minder sociale cohesie wenselijk is (SCP, 2024). Zo bestond er ten tijde van de verzuiling geen sterke wens bij inwoners in Nederland om de samenhang tussen de verschillende (geloofs-)groepen te versterken. Vanuit het oogpunt van de gemeente kan er ook een oordeel bestaan of meer of minder sociale cohesie wenselijk is, doordat ook de weerbaarheid van de samenleving bij sociale cohesie kan verminderen. Denk aan buurten waarin vooral ouderen wonen waardoor het verlenen van mantelzorg minder vaak voorkomt doordat buren ook vaker hulpbehoevend zijn. Omdat het begrip sociale cohesie vele dimensies heeft volgen we het SCP (2024) en richten we ons op de volgende vier facetten beschreven in paragraaf 3.4: sociaal vertrouwen, sociale participatie, institutioneel vertrouwen en politieke participatie.

Sociaal vertrouwen Het sociaal vertrouwen is in Nederland hoog, maar verschilt sterk op buurtniveau. De combinatie tussen een sterke tweedeling in opleidingsniveau en herkomst maakt dat sociale cohesie in Den Haag een aandachtspunt is. Het SCP (2024) stelt dat in zeer diverse buurten (naar herkomst) het sociaal vertrouwen lager ligt. Enerzijds zijn mensen zonder startkwalificatie minder positief over inwoners met een niet-Westerse achtergrond dan inwoners met een hbo of wo opleidingsachtergrond. Daarnaast constateert het SCP (2024) een zogeheten integratieparadox, waarbij inwoners met een niet-Nederlandse herkomst die het meest participeren en integreren het meeste onbehagen ervaren. Door de betere participatie in de samenleving worden ze ook eerder blootgesteld aan uitsluiting (SCP, 2022). Het opleidingsniveau vormt de belangrijkste scheidslijn in het sociaal vertrouwen van mensen. Opleidingsniveau blijft de belangrijkste scheidslijn die leidt tot verschillen in het sociaal vertrouwen tussen inwoners in Den Haag. Vooral bij mensen zonder startkwalificatie is er sprake van een aanzienlijk lagere algemeen sociaal vertrouwen dan inwoners met een hbo- of wo-achtergrond. Alhoewel deze groep procentueel kleiner wordt, is het van belang dat deze mensen niet uit het oog verloren worden.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

91

Toenemende arbeidsmigratie kan leiden tot meer kamerbewoning, wat geassocieerd wordt met lagere sociale cohesie. Toenemende migratie in het scenario Sterke groei kan er tevens toe leiden dat wijken waar op dit moment de leefbaarheid al onder druk staat, de sociale samenhang verminderd wordt. Vooral wanneer er sprake is van toenemende arbeidsmigratie kan dit leiden tot meer kamerbewoning. Kranenborg en Scheele-Goedhart (2021) tonen dat in Den Haag kamerbewoning geassocieerd wordt met een verminderde sociale samenhang. Of kamerbewoning leidt tot minder sociale cohesie, of dat arbeidsmigranten vooral in wijken worden gevestigd met weinig sociale cohesie, is niet met zekerheid te zeggen. Tevens spelen ook het migratiemotief en herkomstland een rol in de mate waarin de sociale cohesie beïnvloed wordt. Zo hebben Oost-Europese arbeidsmigranten gemiddeld genomen een fors lager sociaal vertrouwen dan het Nederlandse gemiddelde. Ook zijn de gevoelens over deze groep, naast inwoners afkomstig uit Zuid- en Oost-Azië en Zuid- en Midden-Afrika, vaak negatiever (SCP, 2025).

Sociale participatie Ook in sociale participatie bestaan er aanzienlijke verschillen tussen inwoners met verschillende opleidingsachtergronden. De minder positieve houding van inwoners zonder startkwalificatie ten aanzien van personen met een niet-Westerse herkomst vertaalt zich ook in minder vrienden met die desbetreffende achtergrond (SCP, 2024). 55 Dit leidt ertoe dat in buurten waarbij vooral inwoners zonder startkwalificatie samenleven met personen met een niet-Westerse herkomst, er op buurtniveau minder snel sprake is van sociale samenhang in de vorm van sociale participatie. Dit kan knelpunten veroorzaken in de ‘sociale basis’ waarbij de sociale omgeving zorg kan geven aan hulpvragers. Vergrijzing vermindert de weerbaarheid van minder diverse buurten. Vergrijzing kan door de beperkte sociale participatie van inwoners zonder startkwalificatie in meer diverse buurten tot grotere problemen leiden. Omdat vooral ouderen geen startkwalificatie hebben, is het van belang dat zij voldoende contacten hebben met hun buurtgenoten voor bijvoorbeeld mantelzorg of het verzorgen van boodschappen. Wanneer ouderen zonder startkwalificatie in diverse buurten minder contact hebben met hun buurtgenoten, kan de weerbaarheid daar onder druk komen te staan. Er bestaan sterke verschillen in de sociale eenzaamheid van personen tussen buurten.

In Figuur 4.15 is op basis van buurtgegevens getoond hoe zich het aandeel inwoners dat zich (zeer) ernstig eenzaam voelt in de verschillende demografische scenario’s ontwikkelt. Opvallend genoeg laten de modelschattingen zien dat er vooral sprake is geweest van een trend sinds 2012 en er geen grote verschillen tussen de groepen bestaan. Het aantal ouderen dat in een wijk woont lijkt daarbij geen negatief effect te hebben op de mate waarin zij zich eenzaam voelen. Wel is er sprake van een ongelijke verdeling in de mate waarin inwoners in wijken eenzaamheid ervaren. In enkele wijken bedroeg dit aandeel voor 2022 minder dan tien procent, terwijl in andere wijken dit percentage zich boven de dertig procent bevindt.

55

Dit impliceert niet dat er sprake is van een causaal verband tussen opleiding en sociale participatie, maar enkel een samenhang. Andere factoren die samenhangen met opleiding en mindere sociale participatie kunnen hier een verklaring voor zijn.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

92

Figuur 4.15 Eenzaamheid stijgt, vooral in het scenario Sterke groei

Bron:

SEO Economisch Onderzoek (2026), o.b.v. ABF Research (2024) en DHIC (2025)

Institutioneel vertrouwen Opleidingsachtergrond vormt de belangrijkste scheidslijn voor het institutioneel vertrouwen van inwoners. Het institutioneel vertrouwen geeft de mate aan waarin inwoners voldoende vertrouwen hebben in (democratische) instituties en zich voldoende gehoord voelen. In Den Haag geeft bijna 65 procent van de inwoners van 15 jaar en ouder in 2023 aan vertrouwen te hebben in de Tweede Kamer, politie en rechters (DHIC, 2025). Het SCP (2024) laat zien dat er zowel leeftijds- als opleidingsverschillen bestaan. Jongere inwoners staan bijvoorbeeld veel positiever tegenover ambtenaren dan mensen ouder dan 65 jaar, maar ook rechters. De verschillen tussen opleidingsniveaus laten zien dat met uitzondering van ‘grote bedrijven’ en ‘banken’, inwoners met een hbo- en wo-achtergrond veel positiever staan tegenover deze instituties. Herkomst daarentegen laat geen duidelijke verschillen zien. Opvallend is het hogere vertrouwen in ambtenaren van mensen afkomstig uit asielmigratielandenr. De ontwikkelingen laten zien dat het aannemelijk is dat in alle scenario’s het institutioneel vertrouwen stabiel zal blijven, doordat het aandeel hoger opgeleiden en relatief oude cohorten in ieder scenario afneemt.

56 Tegelijkertijd is het daarbij belangrijk om te benadrukken dat de samenhang die uit onderzoek naar voren komt nog geen causaal verband betreft en dat demografische ontwikkelingen zelf het vertrouwen kunnen beïnvloeden.

56

Dit is in lijn met de Verkenning van toekomstige ontwikkeling van sociale cohesie opgesteld door het Sociaal Cultureel Planbureau (2024).

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

93

Laag institutioneel vertrouwen maakt het voor de gemeente lastig om groepen in de samenleving te bereiken en hulp te bieden. Het institutioneel vertrouwen is ook voor de gemeente Den Haag belangrijk, omdat het aangeeft in welke mate zij groepen inwoners in Den Haag kan bereiken. Om mensen te kunnen helpen dient de gemeente wel voldoende vertrouwd te worden door de inwoners. Vooral voor mensen die moeilijk meekomen in de samenleving, of zorgbehoevend zijn, is het belangrijk dat zij de gemeente vertrouwen. Dit maakt het belangrijk dat juist deze groepen die vaak ouder zijn en geen startkwalificatie hebben aandacht verdienen om het vertrouwen te vergroten. Het SCP (2024) waarschuwt in een toekomstverkenning dat, alhoewel de sociale cohesie voor verschillende demografische veranderingen stabiel blijft, de verschillen tussen groepen wel groter kunnen worden. Dit leidt ertoe dat de gemeente zich in ieder scenario vooral moet richten op het vergroten van het institutioneel vertrouwen bij risicogroepen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16793220/1