CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS325107 Bijlage Haagse demografische ontwikkelingen 2050.pdf

Algemene Raadscommissie 25 juni 2026, gemeente Den HaagBij agendapunt: Programma 15: Financiën40.071 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Binnen het Beleidsplan werk en participatie 2023-2026 wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende participatiedoelgroepen, zoals inwoners voor wie activering passend is, inwoners die stappen kunnen zetten richting werk, inwoners voor wie het maximaal haalbare centraal staat en inwoners die op dit moment niet actief kunnen zijn. Voor sommige groepen, zoals mensen met een Wsw-indicatie, ligt de nadruk op passende ondersteuning en begeleiding. Vrijwilligerswerk en zorgtaken worden daarbij meegenomen als manieren om bij te dragen en om ervaring op te doen (gemeente Den Haag, 2023, RIS315004). Ondanks dat het totaal aantal Haagse huishoudens in de bijstand in recente jaren afneemt, neemt het bijstandsgebruik onder jongere inwoners juist toe. 16 Deze ontwikkeling vraagt om extra aandacht vanuit gemeente en ketenpartners. Zo hebben jongeren met een uitkering vaker een kwetsbare positie, wat het begeleiden naar werk extra uitdagend maakt. Van der Ven et al. (2025) beschrijven dat Haagse jongeren met een uitkering ten opzichte van leeftijdsgenoten vaker te maken hebben met hogere zorgkosten, vaker gebruikmaken van jeugdhulp, jeugdbescherming of Wmo-ondersteuning, en lager scoren op alle dimensies van zelfredzaamheid. Voor jongeren werkt Den Haag met Jongerenpunt070 aan begeleiding naar school, (leer)werk en andere stappen richting zelfstandigheid.

In het beleidsplan Werk en Participatie staat dat Jongerenpunt070 bij dreigende schooluitval eerder aansluit, dat de gemeente op scholen aanwezig is en jongeren actief benadert als er ondersteuning nodig is. In de voortgangsrapportage over de Haagse jongerenaanpak staat dat Jongerenpunt070 voortijdig schoolverlaters en jongeren met een bijstandsuitkering begeleidt, en dat er vanaf 2021 een preventieve aanpak is gestart op het mbo en in de wijken, met laagdrempelige ondersteuning in de leefomgeving van jongeren. De aanpak bestaat uit vroeg erbij zijn op het mbo en een proactieve benadering in de wijken. In de wijkaanpak worden jongeren actief benaderd op plekken in de buurt, en jongeren die uitstromen uit de jeugdhulp kunnen vervolgondersteuning krijgen via Jongerenpunt070, gericht op de pijlers support, wonen, school en werk, inkomen en welzijn. In 2024 kregen ruim 3,5 duizend jongeren begeleiding via Jongerenpunt070, waarvan circa 900 jongeren via de preventieve aanpak. Het armoede- en schuldenbeleid is gericht op preventie en laagdrempelige hulp. In het Beleidsplan Schuldhulpverlening 2024–2028 ligt de nadruk op vroegsignalering en ondersteuning nog vóórdat schulden uit de hand lopen. Inwoners kunnen op 39 plekken terecht bij de Helpdesk Geldzaken voor gratis advies.

De gemeente werkt samen met organisaties als kredietbanken en Schuldenlab070 en biedt maatwerk aan kwetsbare groepen. Naast schuldregelingen is er aandacht voor budgetbeheer, inkomensondersteuning en financiële educatie. De 16

RIS322860+Voortgang+Haagse+jongerenaanpak

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

50

Haagse Preventieaanpak dient ertoe de sociale basis te versterken en problemen te voorkomen. In alle stadsdelen zijn Servicepunten XL ingericht waar bewoners terechtkunnen met vragen over werk, zorg en geld. De gemeente werkt samen met bewoners en vrijwilligers om signalen vroeg te herkennen en drempels tot participatie te verlagen. In wijken met grotere achterstanden, zoals Zuidwest, wordt extra geïnvesteerd in scholing, werk en leefbaarheid om gelijke kansen te bevorderen. Het minimabeleid biedt een breed vangnet voor huishoudens met lage inkomens. Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) benoemt in haar effectrapportage van het Haagse minimabeleid zes lokale regelingen: de kwijtschelding van lokale lasten, de collectieve zorgverzekering, de Ooievaarspas 17 , vergoedingen via de Stichting Leergeld, de witgoedregeling voor duurzaam witgoed en de Individuele Inkomenstoeslag. Deze regelingen hebben als doel inwoners te helpen bij het ‘rondkomen’. Minimabeleid dient hierbij zowel als inkomensondersteuning in het moment, alsook als preventiemiddel tegen schuldenproblematiek in de toekomst. Volgens een effectrapportage van het Nibud zijn bovenstaande regelingen bewezen effectief in het verbeteren van de financiële situatie van minima (Warnaar & Van Gaalen, 2024).

Zo berekent het Nibud dat met dit pakket aan regelingen, Haagse minimahuishoudens voldoende inkomsten zouden moeten hebben om alle noodzakelijke uitgaven te dekken. Bij deze rekensom plaatst het Nibud echter wel een kanttekening, namelijk dat dit uitgaat van een situatie waarin huishoudens goed met geld omgaan, alle regelingen aanvragen en weinig extra onvermijdbare uitgaven hebben. De praktijk is echter vaak weerbarstiger. Zo kunnen inwoners al snel te maken hebben met extra uitgaven, bijvoorbeeld door een hoge huur of hoge energierekening door een slecht geïsoleerde woning. Ook aan de inkomstenkant kunnen zaken in de praktijk anders lopen. Zo gaan berekeningen van het Nibud uit van volledige benutting van alle toeslagen en gemeentelijke regelingen, terwijl dit in de praktijk niet altijd gebeurt. Een deel van de huishoudens vraagt regelingen niet aan of ontvangt deze later, waardoor het besteedbaar inkomen lager uitvalt dan in de voorbeeldbegrotingen. Dit geldt met name voor werkenden met een laag inkomen, bij wie het niet-gebruik relatief groot is. Volgens schattingen van het CBS maakte in Den Haag in 2020 één op de vijf minimahuishoudens gebruik van geen enkele minimaregeling (CBS, 2023). Meer recente cijfers ontbreken. Wel weten we voor 2024 hoe vaak in absolute aantallen gebruik werd gemaakt van iedere regeling (Tabel 3.3).

Hieruit kunnen we afleiden dat minimahuishoudens het vaakst gebruikmaken van de Ooievaarspas en de collectieve zorgverzekering.

17

Met een Ooievaarspas krijgen huishoudens met een inkomen tot 150 procent van het minimum, korting op allerlei activiteiten binnen de gemeente op het gebied van sport, cultuur, contributie, lidmaatschap en entree. Zie Warnaar & Van Gaalen (2024) voor een meer gedetailleerde beschrijving van de regelingen.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

Tabel 3.3

Ooievaarspas van alle minimaregelingen het vaakst toegekend

Gebruik per regeling

2022

2023

2024

Δ 22–23

Δ 23–24

Ooievaarspas

50.535

55.524

55.525

10%

0%

Bijzondere bijstand

9.448

9.222

10.444

-11%

13%

Individuele inkomenstoeslag

18.965

18.899

19.226

0%

2%

TCZG

10.268

9.142

9.200

-10%

1%

Kinderopvang

291

341

489

68%

43%

Collectieve zorgverzekering

48.771

48.629

48.400

-1%

0%

Totaal toekenningen

138.278

141.757

143.284

4%

1%

Bron:

Jaaroverzicht Programma Vergroten Gebruik 2024

3.3.2 Onderwijs Haagse context Den Haag is een zeer diverse stad met specifieke uitdagingen op het gebied van onderwijs. Daar waar onderwijs kan zorgen voor meer kansengelijkheid, is segregatie ook binnen het onderwijs voelbaar. Dit komt onder meer tot uiting in aanzienlijke verschillen tussen wijken in het percentage vroegtijdige schoolverlaters (Figuur 3.14). Segregatie uit zich zowel tussen wijken als binnen wijken: scholen met veel kwetsbare leerlingen staan soms op korte afstand van scholen met voornamelijk kinderen uit sociaaleconomisch sterkere gezinnen. Figuur 3.14 Segregatie voelbaar in verschillen percentage vroegtijdig schoolverlaters

Bron:

www.denhaagincijfers.nl

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

52

Cijfers ondersteunen dit beeld: bijna nergens verschillen leerlingenpopulaties van scholen binnen dezelfde gemeentegrenzen zo van elkaar als in Den Haag. Figuur 3.15 laat zien dat Den Haag – ook wanneer afgezet tegen zeer stedelijke gemeenten – exceptioneel hoog scoort in termen van dissimilariteit in primair en voortgezet onderwijs. Dat betekent dat achtergrondkenmerken van kinderen in Den Haag – in termen van herkomst, het huishoudinkomen en het opleidingsniveau van ouders – zeer sterk samenhangen met naar welke school zij gaan. Opvallend is dat in Den Haag het opleidings- en inkomensniveau van ouders nog bepalender zijn dan in andere grote steden. In het voortgezet onderwijs is het de herkomst waarin met name in Den Haag leerlingenpopulaties van elkaar verschillen. Figuur 3.15 Bijna nergens zoveel ongelijkheid in primair en voortgezet onderwijs als in Den Haag

Basisonderwijs

Voortgezet onderwijs

Deel van zeer stedelijke gemeenten met... Naar herkomst Naar opleiding Naar inkomen Naar herkomst Naar opleiding Naar inkomen 0%

10%

20%

30%

40%

minder ongelijkheid dan Den Haag Bron:

50%

60%

70%

80%

90%

100%

meer ongelijkheid dan Den Haag

Dashboard kansengelijkheid en segregatie. De positie van Den Haag wordt bepaald door de scores in dissimilariteit in vergelijking met andere zeer stedelijke gemeentes in 2024. Toelichting dissimilariteit: “Hoe hoger de dissimilariteit, hoe groter de ongelijkheid tussen de populaties van de scholen in een gemeente - bijvoorbeeld in hoeveel leerlingen ouders hebben die in het buitenland geboren zijn. Een hogere dissimilariteit duidt op meer onderwijssegregatie.”

Ouders maken bewuste schoolkeuzes op basis van onderwijsconcept (bijvoorbeeld Montessori), religie of het sociale profiel van een school. Die keuzevrijheid – verankerd in de onderwijswetgeving – versterkt de ongelijkmatige spreiding. Zo verplicht de nieuwe wet “Meer ruimte voor nieuwe scholen” gemeenten om onder bepaalde voorwaarden huisvesting te bieden aan nieuwe initiatieven. Dit leidde in Den Haag tot een toename van kleine (vaak religieuze) scholen in wijken die al een eenzijdige populatie hebben, waardoor de wens om kinderen van verschillende achtergronden samen naar school te laten gaan verder onder druk staat. Zo beschrijft de tussenevaluatie van de wet dat nieuwe scholen die onder een nieuw bestuur vallen, meer leerlingen hebben met twee ouders die in Nederland zijn geboren dan nieuwe scholen onder een bestaand bestuur en dan bestaande scholen (Bulder et al., 2024). In grote steden zijn het met name de algemeen bijzondere basisscholen waar sprake is van een meer eenzijdige leerlingpopulatie (Muskens et al., 2025). Tegelijkertijd huisvest Den Haag een omvangrijke internationale gemeenschap. Een deel van de expatgezinnen kiest voor internationale scholen, zoals The International School of The Hague, waardoor hun kinderen buiten het reguliere Nederlandse onderwijs vallen.

Daarnaast stromen er ieder jaar nieuwe leerlingen in op reguliere scholen die pas kort in Nederland zijn en vaak extra ondersteuning nodig hebben, bijvoorbeeld bij taal. Hierdoor krijgen scholen te maken met een grote variatie in achtergronden en onderwijsbehoeften. Naast de reguliere scholen en bestaande achterstandsvraagstukken vraagt dit om specifieke voorzieningen, zoals

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

53

nieuwkomersonderwijs, schakelklassen en extra begeleiding van ouders die het Nederlandse onderwijssysteem nog niet goed kennen. Een ander kenmerk van de Haagse onderwijscontext is het aanzienlijke lerarentekort. Het Haagse onderwijs kampt al geruime tijd met een tekort aan leraren, waardoor scholen moeite hebben om vacatures te vervullen en vervanging te regelen bij uitval. Tekorten zijn met name voelbaar in het primair onderwijs, waardoor de kwaliteit van onderwijs al vroeg in de schoolcarrières onder druk kan komen te staan, zo blijkt uit de gesprekken. De verwachting is dat de tekorten dalen tot 2030 in het primair onderwijs en daarna weer oplopen. Voor het voortgezet onderwijs is de voorspelde trend stabieler (Figuur 3.16). Figuur 3.16 Tekorten in het primair en voortgezet onderwijs naar verwachting nog niet voorbij

Tekorten in het primair en voortgezet onderwijs in Den Haag 25% 20% 15% 10% 5% 0% 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035 % tekort FTE leraren totaal primair onderwijs % tekort FTE schoolleiding basisonderwijs % tekort FTE leraren voortgezet onderwijs totaal % tekort FTE schoolleiding voortgezet onderwijs totaal Prognose tekort % FTE leraren en directeuren PO Prognose tekort % FTE leraren en directeuren VO Bron:

www.denhaagincijfers.nl

Bovendien zijn de tekorten ongelijk verdeeld over de stad. In de wijken aan de ‘veenkant’ (zie Box 3.1 op pagina 32) lopen de tekorten onevenredig hoog op. In 2024 waren tekorten aan leraren in het basisonderwijs (uitgedrukt in fte) bijna drie keer hoger in Laak dan in het meer welvarende stadsdeel Loosduinen: respectievelijk 27,2 versus 10,5 procent. Daar waar tekorten ervoor zorgen dat schoolkinderen minder ondersteuning krijgen, kan dit leerachterstanden en bestaande ongelijkheden verder versterken. Ook in de vroegschoolse fase spelen deze uitdagingen. Gesprekspartners bij de gemeente geven aan dat er in Den Haag momenteel voldoende plekken beschikbaar zijn voor voorschoolse educatie (peuterprogramma’s), en er wordt met een peutermonitor nauwgezet gevolgd hoeveel peuters uit de doelgroep deelnemen. Men streeft naar een bereik van 100 procent, maar in de praktijk blijkt dit lastig haalbaar. Ondanks het belang van vroege educatie maken niet alle ouders gebruik van het aanbod. Juist de kinderen die het meest baat Selectie Haags beleid hebben bij voorschoolse educatie, zijn het moeilijkst te bereiken.18 Zo >> Haagse Educatieve Agenda 2026leeft binnen bepaalde groepen arbeidsmigranten een andere 2032

18

Wat is beoogd en wat is behaald? | Jaarstukken 2023

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

54

opvatting over het nut van peuteropvang, waardoor zij minder geneigd zijn hun kinderen te laten deelnemen.19

Haags beleid De gemeente Den Haag werkt met een Haagse Educatieve Agenda (HEA). In deze beleidsagenda leggen de gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties de focus in het educatieve beleid voor meerdere jaren vast. Dit biedt houvast bij prioriteiten, focus en monitoring van de voortgang. Als opvolging van de HEA 2022-2026 is in 2025 de HEA 2026-2032 opgesteld. De Haagse Educatieve Agenda 2026-2032 werkt met vier ambities (gemeente Den Haag, 2025, RIS323937). Ambitie 1 richt zich op sectoroverstijgende netwerken, met samenwerking tussen kinderopvang, scholen, jeugdhulp, welzijn, veiligheid, gemeente, ouders en andere partners in de leefomgeving van kinderen en jongeren. Ambitie 2 gaat over een ononderbroken ontwikkeling in inclusief en taalrijk onderwijs, met aandacht voor overstappen in de schoolloopbaan, het voorkomen van thuiszitten en een samenhangend taalaanbod van voorschool tot en met volwasseneneducatie. Ambitie 3 richt zich op professionals in positie, met inzet op opleiding, ontwikkeling en werken in de Haagse context. Ambitie 4 gaat over flexibele leeromgevingen die aansluiten op stad en regio, met aandacht voor brede ontwikkeling, studentenwelzijn en leren in verschillende levensfasen. De gemeente werkt de lijnen in de HEA 2026-2032 samen met de HEA-partners verder uit in een uitvoeringsagenda.

In die uitvoeringsagenda wordt concreet gemaakt hoe de uitvoering eruitziet, welke inspanningen nodig zijn, welke middelen worden ingezet en hoe de rolverdeling is tussen gemeente, onderwijs en kinderopvang. Aan de uitvoeringsagenda koppelt de gemeente een monitoringsagenda met afspraken over hoe de impact van het beleid wordt gevolgd, op basis van wat meetbaar en merkbaar is. In de HEA staat dat de uitvoerings- en monitoringsagenda eind kwartaal 1 van 2026 gereed zijn (gemeente Den Haag, 2025, RIS323937). Wel kunnen we ook nu al twee nadere onderdelen van het educatieve beleid beschrijven, namelijk de inzet op vooren vroegschoolse educatie (VVE) om onderwijsachterstanden te verkleinen en de aandacht voor taalonderwijs voor nieuwkomers. In beide periodes staat vroeg beginnen met het verkleinen van onderwijsachterstanden centraal. Een belangrijk instrument hiervoor is de inzet op voor- en vroegschoolse educatie (VVE), specifiek voor “doelgroeppeuters”. Dit zijn peuters met een dreigende achterstand in taal en ontwikkeling; het CJG (Centrum Jeugd en Gezin) geeft daarvoor een indicatie en voor deze groep is 16 uur per week VE beschikbaar. 20 In de HEA 2022-2026 stond dat in 2021 het bereik van doelgroeppeuters in Den Haag lager lag dan in andere grote steden en dat ongeveer 67 procent van de doelgroeppeuters naar VE ging.

De HEA noemt ook redenen waarom toeleiding lastig kan zijn, zoals onbekendheid met VE, taalproblemen bij ouders en wantrouwen richting overheid. Dit verklaart waarom “toeleiding” prioriteit kreeg: toeleiding betekent dat de gemeente ouders actief helpt om de weg naar VE te vinden en om hun kind ook echt in te schrijven.

19 20

Kinderen van arbeidsmigranten - Pharos Tussen 1 juli 2023 en 1 juli 2025 liep een pilot waarbij kinderen geboren na 2021 die opgroeiden in bepaalde postcodegebieden in Den Haag, automatisch de indicatie van doelgroepkind kregen toebedeeld zonder beoordeling van hun taalontwikkeling. De insteek was dat inschrijven op de voorschool eenvoudiger zou worden. Uit de evaluatie bleek echter dat het toch niet vanzelf ging, doordat ouders door privacywetgeving alsnog toestemming moesten geven om de gegevens van hun kinderen te delen met de Jeugdgezondheidszorg. Bovendien bleek dat gratis VE zonder administratieve lasten en persoonlijke toeleiding door de peuterconsulenten beter werkt in het verlagen van drempels. Hieruit volgde het besluit om met het aflopen van de pilot per 1 juli 2025 te stoppen met automatisch indiceren.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

55

In 2024 kreeg die toeleiding opnieuw prioriteit (gemeente Den Haag, RIS322670). In een voortgangsbrief aan de gemeenteraad staat dat de gemeente inzet op persoonlijke ondersteuning door peuterconsulenten 21, informatie via www.voorschooldenhaag.nl en gratis voorschool. Daarnaast geeft de Peutermonitor vanaf 2024 voor ieder kwartaal zicht op bereikcijfers per wijk, zodat de gemeente kan zien waar nog kinderen te bereiken zijn. De gemeente beschrijft dat deze inzet en monitoring samenhangen met een stijging in het bereik: in het eerste kwartaal van 2025 waren 4.055 doelgroepkinderen ingeschreven, wat neerkomt op 75 procent, met ruim 600 meer dan in 2024 (Gemeente Den Haag, RIS322670). Daarnaast zet de HEA 2026–2032 in op sterke taalontwikkeling van nieuwkomers, zodat kinderen kunnen meedoen op school en in de stad. Scholen verzorgen taalonderwijs voor nieuwkomers onder meer in internationale schakelklassen. In deze groepen krijgen kinderen intensieve ondersteuning bij het leren van Nederlands, waarna zij vaker doorstromen naar regulier onderwijs (gemeente Den Haag, 2025, RIS323937). De HEA benadrukt dat taalverwerving ook buiten school plaatsvindt.

Ouders en verzorgers worden betrokken bij de taalontwikkeling, er is aandacht voor taalaanbod voor ouders en de gemeente werkt samen met taalaanbieders en vrijwilligersorganisaties in de wijk voor laagdrempelige taalprogramma’s (gemeente Den Haag, 2025, RIS323937).

3.3.3 Zorg Haagse context Ook in Den Haag lopen de personeelstekorten in zorg en welzijn op. In 2024 was het tekort aan personeel in zorg en welzijn in de regio Haaglanden 5 procent van de totale vraag. 22 Het Prognosemodel Zorg en Welzijn voorspelt dat dit tekort zal oplopen tot 17 procent in 2034. Tekorten in zorg en welzijn ontstaan wanneer het personeelsaanbod de vraag niet kan bijbenen. Naast de arbeidsmarkt speelt welzijn een rol in hoe Den Haag met vergrijzing omgaat. Een deel van de ondersteuning komt uit de sociale basis in wijken, zoals buurtactiviteiten, vrijwilligerswerk en mantelzorg. In Den Haag zijn naar schatting circa 160.000 mantelzorgers en 185.000 vrijwilligers actief (gemeente Den Haag, 2024, RIS317703). Deze Hagenaars zetten zich in voor hun naasten en de stad, en dankzij dit informele netwerk vinden dagelijks onmisbare activiteiten plaats – van een maatje dat eenzame stadsgenoten helpt tot vrijwilligers die in buurthuizen activiteiten organiseren of hulp bieden bij administratieve vragen. Toch is de beschikbare tijd van ieder mens beperkt. Vrijwilligerswerk en intensieve mantelzorg komen vaak bovenop andere verplichtingen en gaan ten koste van werk of vrije tijd. Veel mantelzorgers ervaren dan ook stress door de druk die dit met zich meebrengt.

Zo combineren in Den Haag veel mantelzorgers hun zorgtaken met een baan of de zorg voor hun eigen kinderen (SDO, 2024). Door vergrijzing zijn er bovendien minder mantelzorgers per oudere beschikbaar, vooral de groei van 85plussers. Een veel gebruikte maat voor het potentieel aan mantelzorg is de Oldest Old Support Ratio (OOSR): het aantal mensen van 50 tot 75 jaar per 85-plusser.23 Volgens het RIVM lag deze verhouding in Nederland in 2020 op 15:1 en in 2040 op 6:1.24 Ter vergelijking: in Den Haag neemt het OOSR af van 17:1 (2024) naar 9:1 of 10:1 in 2040,

21

22 23 24

De pilot met peuterconsulenten liep van 1 september 2023 tot 1 september 2025. Er waren elf peuterconsulenten actief in onder meer Escamp (Zuidwest), Laak, Centrum en Scheveningen. De evaluatie in RIS322670 beschrijft dat peuterconsulenten ouders informeren en helpen bij inschrijven, en dat de gemeente deze inzet meeneemt in structureel beleid rond voorschoolse educatie. https://prognosemodelzw.nl/ Actielijn 2 | Indicator 18 | RIVM Idem

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

56

afhankelijk van in welk demografisch scenario we ons bevinden (zie Hoofdstuk 2). Dit verhoogt de druk per mantelzorger. Ook de vraag naar formele zorg en maatschappelijke ondersteuning hangt samen met de samenstelling van de bevolking en de vraag binnen demografische groepen. Zo maken met name oudere inwoners gebruik van de Wet maatschappelijke ondersteuning. De behoeften aan ondersteuning vanuit Jeugdzorg komt vanzelfsprekend voort vanuit het aantal jongere inwoners. Figuur 3.17 laat zien dat Haagse inwoners minder vaak gebruikmaken van de Wmo dan inwoners in de overige G4-gemeenten. Dit komt met name door minder Wmo-gebruik door inwoners vanaf 65 jaar: in Den Haag is het gebruik lager ten opzichte van het gebruik in deze groep in de andere G4-steden.25 Figuur 3.17 Minder Wmo-gebruik in Den Haag dan in de andere G4-gemeenten

Aantal Wmo-cliënten per duizend inwoners

Wmo-cliënten (exclusief verblijf en opvang)

Bron:

74 72 70 68 66 64 62 60 58 56 2017

2018

2019

2020

2021

Den Haag

G4

2022

2023

2024

www.waarstaatjegemeente.nl

Het aandeel kinderen met Jeugdhulp is in Den Haag nagenoeg gelijk aan het aandeel in de rest van de G4 en de rest van het land. Tussen 2017 en 2024 schommelde het aandeel kinderen met Jeugdhulp zonder verblijf tussen 1 op 7 en 1 op 8.26 De gezondheid van inwoners van Den Haag vertoont een gemengd beeld, waarbij op sommige punten achterstanden zichtbaar zijn ten opzichte van landelijke cijfers en die van andere G4-gemeenten. De levensverwachting bij geboorte in Den Haag ligt met ongeveer 80,0 jaar iets onder het Nederlands gemiddelde (circa 81,4 jaar). Ter illustratie: in Amsterdam en Utrecht is de levensverwachting ongeveer één jaar hoger, terwijl Rotterdam met circa 79 jaar ruim anderhalf jaar onder het gemiddelde zit (CBS, 2021). Ook de gezonde levensverwachting – het aantal jaren dat men in goede gezondheid leeft – is lager in Den Haag. Een Haagse inwoner van 65 jaar heeft nog gemiddeld 10,6 gezonde levensjaren tegoed, tegenover 13,1 jaar landelijk (gemeente Den Haag, 2023).

25 26

www.waarstaatjegemeente.nl Idem.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

57

Verder geeft iets meer dan de helft (56,2 procent) van de Haagse 65-plussers aan de eigen gezondheid als goed of zeer goed te ervaren, terwijl dit aandeel onder alle volwassenen (18+) in Den Haag 65,2 procent is. Ouderen kampen vaker met chronische aandoeningen: de helft van de 65-plussers heeft een langdurige ziekte of beperking, vergeleken met ~34,5 procent van de totale volwassen bevolking. Daarnaast heeft circa 32 procent van de ouderen functionele beperkingen in het dagelijks leven, aanzienlijk meer dan de ~19 procent bij alle Hagenaren. Deze cijfers wijzen op een aanzienlijke zorgvraag bij de groeiende groep senioren. Wel zien we dat zowel de gezondheid als de levensstijl bij de Haagse 65+ is verbeterd tussen 2020 en 2024 (Figuur 3.18). Figuur 3.18 Verbetering bij Haagse 65+ in gezondheid en levensstijl

Deel van Haagse 65+... 22% 26%

met een beperking in bewegen 9% 11%

met een beperking in zien

7% 8%

met een beperking in horen

28%

met één of meer lichamelijke beperkingen

32%

11% 13%

dat moeite heeft met rondkomen

36% 37%

dat zich sociaal eenzaam voelt 27%

dat zich emotioneel eenzaam voelt

33%

13% 12%

dat zich (zeer) ernstig eenzaam voelt.

dat zich eenzaam voelt.

50% 54%

met één of meer langdurige ziekten/aandoeningen

53% 53% 57% 60%

dat geen of maximaal een glas alcohol per dag drinkt. 12% 12%

dat rookt

17% 19%

met ernstig overgewicht dat voldoet aan de beweegrichtlijn

30% 2024

Bron:

37%

2020

www.denhaagincijfers.nl

Binnen de G4 lopen zulke gezondheidsindicatoren uiteen. Over het algemeen kennen grote steden iets minder gunstige gezondheidsuitkomsten, mede door de samenstelling van de bevolking en sociaaleconomische factoren.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

58

In Den Haag is de situatie vergelijkbaar met Amsterdam: de ervaren gezondheid wijkt niet sterk af van het landelijke beeld, maar er bestaan interne verschillen tussen wijken. Dit zien we terug in Figuur 3.19: inwoners in wijken met lagere sociaaleconomische status scoren hun gezondheid beduidend lager zijn dan in welvarender wijken, een patroon dat overeenkomt met andere steden. Het verschil gaat samen met een lagere levensverwachting en meer jaren in als minder ervaren gezondheid. In Den Haag leven inwoners uit wijken met gezondheidsachterstanden, zoals Moerwijk en Laak, gemiddeld acht jaar korter dan anderen en leven zij gemiddeld 14 jaar langer in mindere gezondheid (G&GDH, 2024). Figuur 3.19 Percentage inwoners van 18 jaar dat een goede gezondheid ervaart: ruimtelijke verschillen

Bron:

www.denhaagincijfers.nl. Noot: observaties uit 2022 (meest recente peiljaar)

Haags beleid Een belangrijk speerpunt in het Haagse zorgbeleid is het terugdringen van gezondheidsachterstanden en het bevorderen Selectie Haags beleid van preventie. Via de netwerkorganisatie Gezond en Gelukkig Den >> Ontwerp Woonzorgvisie Haag werkt de gemeente samen met zorg- en welzijnsorganisaties aan >> Gelijke kansen op gezondheid deze missie. De aanpak is daarbij niet top-down sturend, maar juist >> Leidraad Wmo gemeente Den Haag ondersteunend aan initiatieven in de wijk (G&GDH, 2024). Zo is de afgelopen jaren een beweging ontstaan waarbij vele partijen – van medische zorg tot welzijn en buurtinitiatieven – zich hebben aangesloten. De focus ligt op het verbinden van het sociale en medische domein (armoede en gezondheid hangen immers nauw samen) en op het “community-up” werken, dus uitgaan van de kracht en ideeën van bewoners zelf (G&GDH, 2024).

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

59

De inzet op preventie is verankerd in gemeentelijk beleid. In de periode 2020-2023 voerde Den Haag het Actieprogramma Preventie uit als onderdeel van het volksgezondheidsbeleid. Hierin werd ingezet op gezondheidsbevordering in alle wijken en samenwerkingen met lokale partners. Aansluitend hierop wil de gemeente met het nieuwe Actieprogramma Publieke Gezondheid 2025-2028 de gezondheid van inwoners verder verbeteren en de gezondheidsverschillen verkleinen. Het doel is dat Hagenaars gemiddeld langer gezond leven – van 56,8 naar 62,7 jaar – en dat iedereen meer jaren in goede gezondheid kan doorbrengen (gemeente Den Haag, 2025, RIS323667). Het programma richt zich op drie ambities: minder overgewicht (vooral bij kinderen), meer mentale veerkracht en een gezonde leefomgeving (met voldoende groen, veilige speelplekken en gezonde voedselkeuzes). De aanpak is preventief en wijkgericht, met het streven om nauw samen te werken met inwoners en partners (gemeente Den Haag, 2025, RIS323667). Net zoals gezondheidsproblemen sterk verweven zijn met andersoortige problemen (sociaal, financieel), vraagt preventief handelen om een integrale aanpak. De actieprogramma’s voor gezondheid staan daarom niet op zichzelf, maar maken onderdeel uit van de overkoepelende Haagse Preventieaanpak (zie 3.3.1).

In de praktijk betekent dit dat de wijkpreventie-aanpak samenwerking organiseert tussen preventie, het medisch domein (zoals huisartsen) en de sociale basis, met verbinding naar onderwerpen zoals armoede, huisvesting, veiligheid, werk en participatie (Gemeente Den Haag. 2023, RIS316085). Tegelijkertijd zorgt de gemeente ervoor dat er een stevig vangnet van ondersteuning is voor wie het nodig heeft, zij het met een nadruk op eigen verantwoordelijkheid. Uit de Leidraad Wmo Den Haag blijkt dat iedere Hagenaar die noodzakelijke zorg of ondersteuning behoeft, deze in principe moet kunnen krijgen, maar dat men eerst moet kijken naar wat men zelf of met hulp van familie en vrienden kan oplossen. Pas als die eigen oplossingen tekortschieten, helpt de gemeente – de Wmo wordt gezien als een laatste redmiddel. Ook op het gebied van wonen en zorg heeft Den Haag concreet beleid ontwikkeld om de druk te verlichten en toekomstbestendig te maken. In de recent vastgestelde Woonzorgvisie 2040 zet de gemeente in op innovatieve woonzorgoplossingen. Zo worden collectieve woonvormen gestimuleerd waarbij mensen met en zonder zorgvraag samenwonen en naar elkaar omkijken. Door bijvoorbeeld in nieuwbouwprojecten ruimte te maken voor groepswonen met ondersteuning in de buurt, wil men eenzaamheid tegengaan en tegelijk efficiënter zorg bieden.

Daarnaast faciliteert de gemeente bewonersinitiatieven voor gemeenschappelijk wonen en werkt zij aan het omvormen van bestaande gebouwen tot woonzorgvoorzieningen. In de actielijn Seniorvriendelijk Den Haag 2025-2030 legt de gemeente een verband tussen vergrijzing, preventie, ontmoeting en ondersteuning. Het plan noemt versterking van algemene voorzieningen en uitbreiding van ontmoetingslocaties, zodat senioren langer mee kunnen doen en minder snel zwaardere Wmo-ondersteuning nodig hebben (gemeente Den Haag (2025, RIS322179). Het beleid richt zich verder op het verbeteren van de doorstroming: Den Haag probeert senioren tijdig te laten verhuizen naar geschikte, toekomstbestendige woningen, zodat zij langer zelfstandig én veilig kunnen wonen. Dit moet voorkomen dat ouderen onnodig in een huis blijven wonen dat niet is aangepast, wat zowel hun eigen risico (bijvoorbeeld op vallen) vergroot als de druk op intensieve zorg verhoogt. Ook zet de gemeente in op ondersteuning van mantelzorgers.

De gemeente heeft in de Actielijn Informele Zorg 2024-2026 vier inhoudelijke speerpunten geformuleerd om informele zorg te versterken: (1) betere matching en ondersteuning van vrijwilligers(organisaties), (2) meer ondersteuning op maat voor mantelzorgers, (3) het waarderen en erkennen van vrijwilligers en mantelzorgers en (4) samenwerking met werkgevers om werkende mantelzorgers te helpen zaken te combineren (gemeente Den Haag, 2024, RIS317703). In de nieuwste plannen is

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

60

extra ingezet op respijtzorg (vervangende zorg om de mantelzorger tijdelijk te ontlasten) en op de rol van werkgevers, zodat bijvoorbeeld werknemers die naast hun baan voor iemand zorgen meer steun krijgen. Acties op het gebied van informele zorg staan daarnaast niet op zichzelf, maar worden in samenhang met andere diensten en beleidsterreinen uitgevoerd. Denk aan koppelingen met preventieprogramma’s (zoals de Haagse Preventieaanpak) en met Wmo-voorzieningen. In het kader van het landelijke Integraal Zorgakkoord en het Regioplan Haaglanden werkt de gemeente eraan om welzijn, ondersteuning (Wmo) en (zwaardere) zorg meer in samenhang en dicht bij huis te organiseren. Dit betekent bijvoorbeeld wijkteams met een vast zorgnetwerk en betere afstemming tussen huisartsen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en sociaal werk. De gedachte hierachter is dat door preventie, sociale ondersteuning en medische zorg goed op elkaar te laten aansluiten, dure en schaarse zorgcapaciteit efficiënter benut kan worden. Ook wordt geïnvesteerd in zorgtechnologie voor thuis (denk aan e-health en domotica) om inwoners zo lang mogelijk zelfstandig te laten functioneren met minder inzet van personeel.

3.4 Sociale cohesie Sociale cohesie betreft de mate waarin (groepen) mensen zich met elkaar en met instituties verbonden voelen en dat ook in hun gedrag laten zien. 27 Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) onderscheidt hierin vier dimensies: 1. Sociaal vertrouwen: hier staan het vertrouwen in de ander en opvattingen over de ander centraal; 2. Sociale participatie: of mensen ook daadwerkelijk contact met elkaar hebben staat hier centraal; 3. Institutioneel vertrouwen: dit begrip richt zich op de mate waarin inwoners vertrouwen hebben in democratische instituties en zich vertegenwoordigd voelen; 4. Politieke participatie: bij dit begrip staat centraal of mensen daadwerkelijk deelnemen aan het politieke proces door bijvoorbeeld te stemmen of deel te nemen aan protesten. Uitkomsten op de vier dimensies worden door het CBS jaarlijks gemeten en inzichtelijk gemaakt in de Regionale Monitor Brede Welvaart (hierna: RMBW). 28 1. Sociaal vertrouwen Uit de RMBW blijkt dat het onderlinge vertrouwen in Den Haag relatief gematigd is. In 2024 was ongeveer 63– 65 procent van de Haagse bevolking van 15 jaar en ouder het eens met de stelling dat de meeste mensen in het algemeen te vertrouwen zijn. Dit aandeel is lager dan in steden als Utrecht (bijna 80 procent) en Amsterdam (71 procent), en ligt onder het landelijke gemiddelde (rond 70 procent).

Den Haag scoort hiermee in de onderste regionen vergeleken met andere gemeenten: op plek 162 van de 225 regio’s in de RMBW. Deels is dit een grootstedelijk patroon: grote steden kennen over het algemeen minder sociaal vertrouwen dan kleinere plaatsen, en Den Haag vormt daarop geen uitzondering (CBS, 2023b). 29 2. Sociale participatie

27 28 29

https://www.scp.nl/dossiers/sociale-cohesie/sociale-cohesie-in-wetenschap-en-beleid https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/regionale-monitor-brede-welvaart Sociaal vertrouwen hangt ook samen met achtergrondkenmerken. Zo blijkt uit landelijk onderzoek door het CPB dat mensen met een migratieachtergrond minder vaak vertrouwen hebben in de medemens (Van Hulst, Woittiez & Dagevos (2025). Het minst vertrouwen ervaren mensen met ‘traditionele’ migratieachtergronden, zoals Turkije, Marokko en Suriname. Ook leeftijd en opleiding spelen een rol, waarbij hbo-/wo-geschoolden en mensen van middelbare leeftijd het meest vertrouwen ervaren (Van Hulst, Woittiez & Dagevos, 2025). Paragraaf 4.4 koppelt deze verbanden aan de scenario’s van demografische ontwikkelingen.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

61

In Den Haag had in 2024 bijna drie op de vier inwoners van 15 jaar en ouder minstens wekelijks contact met familie, vrienden of buren: 73 procent (zie RMBW). Dat is vergelijkbaar met het aandeel in de andere G4gemeenten (70 tot 73 procent). Den Haag scoort hiermee beter dan driekwart van alle regio’s in 2024. Opvallend is dat Den Haag in datzelfde jaar onderaan het lijstje te vinden is als het gaat om Tevredenheid met sociaal leven: op plek 215 van de 226 regio’s. 30 De meeste bewoners in Den Haag zijn dus wel in contact met andere mensen, maar een aanzienlijk deel komt op sociaal vlak niet aan zijn of haar trekken. Ook dit is een grootstedelijk patroon: helemaal onderaan het lijstje bungelt Amsterdam, en op plek 218 van de 226 regio’s staat Rotterdam. Alleen Utrecht doet het iets beter op plek 179. Vooral het buurcontact is in grootstedelijke context beperkter: zo gaf landelijk slechts ~31 procent van de inwoners van grote steden aan veel contact met buurtgenoten te hebben (CBS, 2022). Ook in Den Haag wordt de sociale cohesie in de eigen woonbuurt als relatief laag beoordeeld. In de Veiligheidsmonitor (wijkenquête) van 2023 kreeg Den Haag gemiddeld een rapportcijfer 5,7 (schaal 0–10) voor buurtcohesie (RMBW). Dit cijfer is een samengestelde score op stellingen over prettig met elkaar omgaan, elkaar helpen, aanspreken en kennen in de buurt.

Den Haag scoort hiermee lager dan het gemiddelde van grote gemeenten (6,1) en behoort tot de steden met de minste buurtcohesie. Alleen Rotterdam en Schiedam scoren vergelijkbaar laag. Wel zijn er grote verschillen per stadsdeel en wijk. Bewoners in Den Haag Zuidwest, Laak en Centrum waarderen in 2023 de sociale cohesie in hun buurt het laagst – in deze stadsdelen lag het rapportcijfer onder 5,6.31 In andere (meer welgestelde) wijken wordt de samenhang hoger beoordeeld. Zo horen buurten als Vogelwijk, Bloemenbuurt of bepaalde delen van Scheveningen tot de meer hechte gemeenschappen, terwijl Transvaalkwartier en de Schilderswijk bekend staan om een zwakkere buurtcohesie en geringere betrokkenheid. 32 Deze verschillen hangen samen met demografie en stabiliteit: wijken met veel tijdelijke bewoners, sociaaleconomische problemen of hoge etnische diversiteit kennen gemiddeld minder onderlinge binding en contact (CBS, 2024). Tegelijk blijkt dat inwoners van diverse buurten wél vaker positieve contacten hebben met mensen van andere herkomsten dan bewoners van homogene buurten (CBS, 2024). Diversiteit kan dus horizontale verbinding zowel uitdagen als deels bevorderen. 3. Institutioneel vertrouwen Het vertrouwen in democratische instituties onder inwoners van Den Haag is de afgelopen jaren gematigd positief gebleven.

Volgens de RMBW had in 2023 ongeveer 65 procent van de Hagenaars vertrouwen in “de instituties” – hierbij wordt gekeken naar het gemiddelde vertrouwen in het parlement (Tweede Kamer), de politie en de rechtspraak. Dit niveau is vergelijkbaar met steden als Amsterdam (65 procent) en iets hoger dan Rotterdam (62 procent). In 2022 gaf bijvoorbeeld 74 procent van de Haagse bevolking aan vertrouwen te hebben in rechters, 72 procent in de politie en circa 43 procent in de Tweede Kamer (CBS, 2022). Op al deze punten scoort Den Haag iets boven het landelijke gemiddelde (landelijk had 38 procent vertrouwen in de Tweede Kamer in 2022). Kennelijk hebben Hagenaars iets meer vertrouwen in (nationale) instituties dan elders, mogelijk doordat zij letterlijk dichter bij “Den Haag” (de regeringszetel) staan. 4. Politieke participatie 30

CBS-definitie: “Deel van de bevolking van Nederland van 18 jaar of ouder dat een score van 7 tot en met 10 geeft als antwoord op de vraag ‘Kunt u op een schaal van 1 tot en met 10 aangeven in welke mate u tevreden bent met uw sociale leven?” Zie: https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/regionale-monitor-brede-welvaart/beschrijving-indicatoren

31 32

https://denhaag.incijfers.nl/ https://nos.nl/regio/zh-west/artikel/247473-kiezers-in-oude-haagse-volksbuurten-laten-het-afweten-groep-de-mos-inmeeste-wijken-de-grootste

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

62

De politieke participatie van Haagse inwoners vertoont twee gezichten. Aan de ene kant is Den Haag het politieke hart van Nederland, waar inwoners via demonstraties, burgerinitiatieven en politieke organisaties bovengemiddeld zichtbaar kunnen zijn. Aan de andere kant laten harde cijfers zien dat de formele deelname – met name stemmen bij verkiezingen – bij delen van de bevolking laag is. Bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen (maart 2022) behaalde Den Haag een opkomst van 43 procent, aanzienlijk lager dan het landelijke gemiddelde van 51 procent. 33 Dit was de laagste opkomst ooit in de stad en ook de laagste van de grote steden. De lage participatie werd vooral veroorzaakt doordat in de traditionele arbeiders- en immigrantenwijken veel kiezers thuisbleven. 34 In sommige buurten was de opkomst opvallend laag: in Laakkwartier/Spoorwijk ging 20 procent van de kiesgerechtigden stemmen, en in een stemdistrict bij het Zuiderpark zelfs maar 4 procent.35 Ter contrast kwamen in de welvarende wijken aan de noordwestkant van de stad wél veel mensen opdagen: in het Willemspark stemde ruim 80 procent en in de Vogelwijk ongeveer 77 procent. Deze kloof illustreert dat vooral lagere inkomens, inwoners met migratieachtergrond en jongvolwassenen sterk ondervertegenwoordigd zijn bij de stembus.

Haags beleid Het beleid verschuift van integratie naar inclusie als uitgangspunt voor samenleven. Waar integratiebeleid eerder gericht was op Selectie Haags beleid aanpassing van minderheden aan een meerderheid, richt het huidige >> Nota inclusief samenleven beleid zich op gelijke deelname van alle groepen. De nadruk ligt op >> Actielijn Seniorvriendelijk Den Haag gedeelde waarden als gelijkwaardigheid en rechtszekerheid, die de basis vormen van het samenleven. Deze benadering vraagt om samenhangend beleid waarin verbinding, participatie en gelijke kansen structureel worden meegenomen in domeinen als zorg, onderwijs, sport en cultuur. Den Haag bundelt de aanpak onder één paraplu met duidelijke pijlers. In de Nota Inclusief Samenleven werkt de gemeente stadsbreed aan antidiscriminatie, gelijke kansen, verbinding en een veilige leefomgeving, waarbij “met de stad, voor de stad” het uitgangspunt is en uitvoering plaatsvindt via een agenda met ontmoetingen, dialoog en monitoring. Zo wordt inclusie niet als apart project gezien, maar verweven met onderwijs, werk, zorg, cultuur en veiligheid (gemeente Den Haag, 2025, RIS318932). Ook voor de sociale verbinding van specifiek oudere bewoners heeft de gemeente acties geformuleerd. In de actielijn Seniorvriendelijk Den Haag 2025-2030 legt de gemeente een verband tussen vergrijzing, preventie, ontmoeting en ondersteuning.

Het plan noemt versterking van algemene voorzieningen en uitbreiding van ontmoetingslocaties, zodat senioren langer mee kunnen doen en minder snel zwaardere Wmo-ondersteuning nodig hebben (gemeente Den Haag, 2025, RIS322179). Ontmoeting is de kern en wordt actief georganiseerd in wijken en gemeenschappen. Gesprekspartners bij de gemeente geven aan dat teams bewust op pad gaan naar groepen die niet vanzelf in beeld zijn, zoals religieuze organisaties zonder subsidierelatie, om zorgen op te halen en bruggen te slaan; zo ontstaat sneller zicht op wat lokaal speelt en kan de gemeente interventies aanpassen op de wijk. Dit sluit aan bij de nota Inclusief samenleven, die inzet op verbinden en ontmoeten als motor voor sociale samenhang (gemeente Den Haag, 2025, RIS318932). 33

34 35

https://nos.nl/regio/zh-west/artikel/247473-kiezers-in-oude-haagse-volksbuurten-laten-het-afweten-groep-de-mos-inmeeste-wijken-de-grootste Idem. Idem.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

63

De aanpak is responsief en verbindt inclusie met actuele thema’s en leefwereld. Gesprekspartners bij de gemeente geven aan dat beleid sneller inspeelt op signalen uit de stad, zoals extra aandacht voor gelijke stagekansen en het herdenken en duiden van het slavernijverleden; tegelijk worden laagdrempelige voorzieningen en wijkgerichte activiteiten benut om elkaar te ontmoeten.

3.5 Gemeentelijke organisatie Uit de Staat van de Organisatie 2025 komt naar voren dat de formatie binnen de gemeentelijke organisatie over de afgelopen jaren is toegenomen (gemeente Den Haag, 2025, RIS322674). Nieuwe en aanvullende taken vanuit het Rijk, bijvoorbeeld op het gebied van klimaat, energie en veiligheid, hebben geleid tot een uitbreiding van de formatie met ongeveer 380 fte (waarvan de helft tijdelijk). 36 Specifiek zijn afdelingen als Mobiliteitstransitie en Energietransitie vergroot, en kwamen er projecten en teams bij (bijv. duurzaamheidsteams in stadsdelen). Alleen al voor klimaat/energiebeleid en omgevingsbeleid kwamen er bijna 150 fte voor nieuwe taken bij (gemeente Den Haag, 2025, RIS322674). De uitgangspositie van de Gemeente Den Haag in termen van fte per duizend inwoners is vergelijkbaar met die van de andere G4-gemeenten.37 Uit een ambtelijke verkenning van de Gemeente Den Haag blijkt daarnaast dat in de periode 2022–2024 de vacatures voor beleidsfuncties lastig te vervullen waren, terwijl uitvoerende diensten soms juist onderbezetting kenden. Opvallend is ook het verloop onder beleidsmedewerkers: in 2,5 jaar tijd moest 60 procent van de beleidsadviseurs/-medewerkers worden vervangen (nieuw ingestroomd of intern doorgestroomd). Dit hoge churnpercentage kan duiden op een minder stabiele kennisbasis en continuïteit op beleidsafdelingen.

Daarnaast staat de gemeentelijke organisatie van Den Haag onder druk door krapte, vergrijzing en hoge werkdruk. De stad leunt sterk op haar uitvoeringskracht om maatschappelijke opgaven te realiseren, maar die kracht komt steeds verder onder spanning te staan. Vacatures blijven langer openstaan en het wordt moeilijker om ervaren medewerkers te behouden. Daardoor neemt de druk op bestaande teams toe en komt de continuïteit van het werk binnen verschillende onderdelen van de organisatie in het gedrang. De arbeidsmarktkrapte leidt tot toenemende personele dynamiek en afhankelijkheid van tijdelijke inhuur. Het aantal openstaande vacatures bij de gemeente is de afgelopen jaren fors gestegen, vooral binnen gebiedsontwikkeling, IT/data en zorg.38 Binnen sommige diensten/dienstonderdelen, zoals het Ingenieursbureau en Stedelijke Ontwikkeling, blijft meer dan een derde van de functies langer dan een halfjaar onvervuld. De organisatie compenseert dit deels met tijdelijke inhuur, maar dat vergroot de druk op vaste medewerkers en zorgt voor wisselende bezetting. Als gevolg hiervan is de externe inhuur de afgelopen jaren boven de eigen norm van 15 procent 39 uitgekomen. In 2022 bedroeg het aandeel externe inhuur circa 17 procent en in 2023 ongeveer 18 procent van de totale loonkosten. Ook in 2024 bleef het inhuurpercentage rond de 18 procent (RIS315156, RIS311840).

Ook landelijk is de hoge inhuur een punt van zorg; de zogeheten Roemernorm bepleit maximaal 10 procent externe 36

37

38 39

Daarnaast benoemt de Staat van de Organisatie 2025 ook andere factoren die hebben meegespeeld bij de uitbreiding van de capaciteit, zoals een groeiend inwonersaantal (gemeente Den Haag, 2025, RIS322674). In 2022 varieerde de omvang van de formatie in de G4 tussen 13 (Utrecht) en 19 fte per 1.000 inwoners (Amsterdam en Rotterdam), met Den Haag in het midden (16 fte per 1.000 inwoners). Bronnen: gemeentelijke jaarverslagen en www.waarstaatjegemeente.nl Op basis van interne documenten van de gemeente Den Haag De gemeenteraad hanteert een inhuurnorm van maximaal 15 procent van de loonsom (RIS311840).

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

64

inhuur als streefwaarde voor overheden (RIS322674). Den Haag zit daar bijna twee keer boven. Amsterdam, Rotterdam en Utrecht laten vergelijkbare patronen zien: alle G4-gemeenten kennen moeite om schaars personeel (bijv. ICT, bouwkundigen, jeugdzorg) vast in dienst te krijgen en huren dus extern in. Een analyse benoemde dat bij grote gemeenten circa één op vijf looneuro’s naar externen gaat, wat overeenkomt met de 18 procent in Den Haag. De gemeente Den Haag heeft deze overschrijding onderkend. Er is beleid ingezet om de externe inhuur terug te dringen en meer mensen in vaste dienst te krijgen. In 2024 is bijvoorbeeld een geactualiseerde “Concernregel Externe Inhuur” ingevoerd en een centraal Bureau Inhuur Externen (BIE) opgezet, dat transformeert naar een Bureau Capaciteit (RIS322674). Dit bureau moet strakker regisseren wanneer inhuur écht nodig is en eerst intern capaciteit zoeken (“Eigen personeel eerst”). Daarnaast werkt men met een Taskforce Arbeidsmarktkrapte om knelpunten in werving op te lossen (RIS322674). Doel is toe te groeien naar de Roemernorm van 10 procent externe inhuur. Externe inhuur versterkt de wendbaarheid, maar kan ten koste gaan van de kennisbasis. De vergrijzing van het personeelsbestand vergroot de vervangingsopgave.

Tot 2030 verlaat naar schatting twee derde van de huidige medewerkers de organisatie, door pensionering of overstap naar andere werkgevers.40 Dit betekent dat jaarlijks ongeveer duizend tot elfhonderd medewerkers vertrekken. De vervangingsvraag is groot, terwijl de arbeidsmarkt naar verwachting krap blijft. De gemeente investeert daarom in opleiding, interne mobiliteit en behoud van personeel. De kwetsbaarheid is het grootst in domeinen die cruciaal zijn voor stedelijke ontwikkeling en dienstverlening. Binnen ruimtelijke ontwikkeling blijven functies langdurig vacant, waardoor projecten vertraging oplopen. In de IT- en datadomeinen is het moeilijk om specialisten te werven die kunnen bijdragen aan digitalisering en cyberveiligheid. Ook binnen publieke gezondheid en maatschappelijke dienstverlening bestaan tekorten, bijvoorbeeld bij de GG&GD. 41 Deze tekorten vergroten de druk op bestaande medewerkers en kan de uitvoeringskracht van de organisatie beperken. Naast nieuwe instroom zet Den Haag sterk in op interne mobiliteit – het verschuiven en laten doorgroeien van bestaand personeel binnen de organisatie. De gedachte hierachter is tweeledig: ten eerste kunnen moeilijk vervulbare vacatures mogelijk intern opgevuld worden door mensen die een nieuwe stap willen maken, en ten tweede vergroot het de kans dat talentvolle medewerkers voor de gemeente behouden blijven.

In 2023 heeft de gemeente een alternatieve sourcing-strategie ontwikkeld die expliciet gericht is op instroom, doorstroom en uitstroom (IDU) binnen de organisatie. Het idee is om de beschikbare interne capaciteit optimaal te benutten, zeker nu de arbeidsmarkt zo krap is. Dit vraagt om goed inzicht in zowel de toekomstige personeelsbehoefte als in de skills en ambities van de huidige medewerkers. Met andere woorden: de gemeente inventariseert welke talenten men in huis heeft en hoe deze binnen de organisatie breder ingezet kunnen worden.

40 41

Op basis van interne documenten van de gemeente Den Haag. Idem.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

4

65

Effecten van demografische ontwikkelingen

Demografische veranderingen raken vrijwel alle domeinen van gemeentelijk beleid. In dit hoofdstuk staat centraal wat deze ontwikkelingen betekenen voor de inrichting van de stad en de inzet van publieke middelen. De bevolking van Den Haag groeit, vergrijst en verandert van samenstelling. Deze demografische ontwikkelingen hebben gevolgen voor de manier waarop de stad functioneert, zowel in fysieke zin als op sociaal, economisch en bestuurlijk vlak. Ze beïnvloeden hoe en waar mensen wonen, hoe voorzieningen worden gebruikt, hoe de economie zich ontwikkelt en hoe de gemeente is georganiseerd. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste effecten per beleidsterrein in kaart gebracht. Daarbij gaat het achtereenvolgens om: de ruimtelijke inrichting van de stad (4.2), economie en werk (4.3), sociaal en publieke voorzieningen (4.4), sociale cohesie (4.5) en de gemeentelijke organisatie (4.6). Per onderdeel wordt beschreven welke knelpunten kunnen ontstaan als beleid niet meebeweegt, en welke opgaven dit met zich meebrengt richting 2050.

4.1 Vooraf: hoe worden de effecten doorgerekend? Het doorrekenen van de effecten van demografische ontwikkelingen geeft inzicht in de wijze hoe een verandering in het aantal inwoners tot veranderingen in beleidsdomeinen leidt, maar ook hoe veranderingen in de bevolkingssamenstelling leidt tot veranderingen op gebieden in de beleidsdomeinen. Vaak bestaat er een kwalitatief beeld van de wijze waarop één van de bevolkingskenmerken samenhangt met een verandering in de beleidsdomeinen. Een kwantitatieve doorrekening geeft een totaalbeeld van de effecten van veranderingen van meerdere bevolkingskenmerken en de interactie daartussen. Een doorrekening van de effecten van demografische ontwikkelingen gaat gepaard met onzekerheid, de toekomst laat zich immers lastig voorspellen. Om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de effecten neemt de doorrekening de associaties tussen (een combinatie van) bevolkingskenmerken en indicatoren als uitgangspunt. Een belangrijke nuance is dat deze associaties gebaseerd zijn op bestaande cijfers. Het is niet met zekerheid te zeggen dat deze associaties in de toekomst hetzelfde blijven. Om die reden moet de kwantitatieve doorrekening niet als een voorspelling van de toekomst worden gezien, maar als een exercitie om door middel van het weergeven van verschillende scenario’s de ‘hoeken van het speelveld’ te laten zien.

Voor elk van de onderstaande beleidsdomeinen is een verzameling van indicatoren opgesteld in overleg met beleidsambtenaren actief binnen het desbetreffende beleidsdomein. Een associatie tussen alle bevolkingskenmerken en de relevante indicator voor de gemeente Den Haag bestaat niet voor elke indicator. Daarom schatten we in enkele gevallen de associaties zelf, of maken we gebruik van cijfers op landelijk niveau van het CBS. Doordat associaties met een mate van onzekerheid zijn omgeven, kan het voorkomen dat er voor 2024 verschillen ontstaan tussen de feitelijke waarde van de indicator en de voorspelde waarde van de indicator. Om hiervoor te corrigeren stellen we de voorspelling bij op basis van het geobserveerde verschil in 2024. Hierdoor sluit de voorspelling aan bij de historische ontwikkelingen. Bijlage A bevat technische achtergrond van de kwantitatieve doorrekeningen.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

66

4.2 Ruimte In de gemeente Den Haag is ruimte schaars. Met bijna zevenduizend inwoners per vierkante kilometer is het de meest dichtbevolkte gemeente van Nederland (CBS, 2025a). Tegelijkertijd vragen ook economische bedrijvigheid, mobiliteit en natuur om deze schaarse ruimte. Demografische ontwikkelingen versterken of verkleinen deze druk en vragen om ieder om andere keuzes in de ruimtelijke ordening. Demografische veranderingen hebben op verschillende manieren een effect op ruimtelijke vraagstukken. Zo leidt een verandering in het totaal aantal inwoners tot een grotere woningvraag of meer verplaatsingen. Ook de veranderende bevolkingssamenstelling heeft een effect op ruimtelijke vraagstukken. Zo verplaatsen oudere inwoners zich doorgaans minder en hebben verschillende huishoudenstypen een andere woningvraag. Om inzicht te krijgen in het effect van deze veranderingen op het domein ruimte, brengen we de impact op de thema’s wonen en mobiliteit kwantitatief in kaart. Het domein Ruimte is echter niet beperkt tot wonen en mobiliteit. Ook de openbare voorzieningen en gebruiksgroen vormen onderdeel van dit domein. De gemeente Den Haag heeft richtinggevende normen voor maatschappelijke voorzieningen en groen opgesteld (gemeente Den Haag, 2024, RIS317835).

Deze nota beschrijft de ruimteclaims van verschillende maatschappelijke voorzieningen per inwoner, type inwoner (zoals kinderen) of woning. Voor het merendeel van deze voorzieningen impliceert de nota een lineair verband tussen het aantal inwoners en de ruimteclaims. Dit leidt ertoe dat de ruimteclaim in de groeiscenario’s groter zal zijn dan in het krimpscenario.

4.2.1 Wonen Demografische ontwikkelingen als vergrijzing, huishoudensverdunning en verschillende huishoudensposities leiden tot veranderingen in de vraag naar het aantal en type woningen. Om robuust beleid te ontwikkelen is inzicht nodig in de vraag naar het aantal woningen en het type woningen waar de bevolking vraag naar heeft. Uit Figuur 4.1 volgt dat de ontwikkeling van het aantal huishoudens tussen de scenario’s sterk uiteenloopt.42 In het scenario Sterke groei neemt de woningvraag in de komende jaren snel toe, waarna de groei afvlakt. In 2050 telt Den Haag 72 tot 134 duizend extra huishoudens ten opzichte van 2024. In het Krimpscenario daalt het aantal huishoudens juist, met maximaal 30 duizend huishoudens. Het scenario Gematigde groei laat een toename zien die zich onder het historische groeitempo bevindt.

42

De ontwikkeling van het aantal woningen kan niet één op één worden vertaald met de ontwikkeling van de woningvraag. Er zijn mogelijkheden dat meerdere huishoudens één BAG-woning bewonen, bijv. een studentenhuis.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

Figuur 4.1

Bron:

67

De vraag naar het aantal woningen verschilt sterk tussen de scenario’s

ABF Research (2024), bewerking SEO Economisch Onderzoek

De verschillende scenario’s verschillen sterk in de ruimteclaims, maar is afhankelijk van waar woningen worden gebouwd. Wanneer we de richtinggevende normen van de gemeente Den Haag toepassen op de ontwikkelingen van het aantal huishoudens, c.q. woningen, dan neemt de totale ruimteclaim van het gebruiksgroen toe. Op dit moment is er gemiddeld genomen sprake van dertig vierkante meter gebruiksgroen per woning in Den Haag (gemeente Den Haag, 2024, RIS317835). In 2024 bedraagt het aandeel gebruiksgroen 9 procent van de totale oppervlakte van de gemeente en circa 10 procent van de totale landoppervlakte van de gemeente. Dit aandeel neemt in het scenario Sterke groei toe met 27 tot en met 48 procent in 2050. In het scenario Gematigde groei bedraagt deze stijging in dezelfde periode tussen de 9 en 17 procent. In het krimpscenario is er daarentegen sprake van een afname van 7 procent of een toename van 4 procent van het gebruiksgroen. Niet alleen de ruimteclaims van het gebruiksgroen zullen in de groeiscenario’s toenemen, ook maatschappelijke voorzieningen zoals speelplekken voor kinderen nemen lineair toe met het aantal woningen. Tevens dient er ook ruimte gereserveerd te worden voor de woningen zelf. Hierdoor kunnen vooral in de groeiscenario’s ruimtelijke knelpunten ontstaan, waarbij er niet genoeg ruimte is voor het aantal woningen en de bijbehorende voorzieningen.

Tegelijkertijd kan de ruimteclaim beperkt worden door vooral voor hoog- en centrum-stedelijke woonmilieus te bouwen. De ruimteclaim voor deze woonmilieus is namelijk lager dan die voor de overige woonmilieus. Figuur 4.2 laat zien dat verschillen in de ontwikkeling van het aantal huishoudens zich vertalen naar sterke verschillen voor het woningtekort (zie Box 4.1 voor een uitleg over het woningtekort). In deze figuur is het aantal huishoudens

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

68

in Den Haag afgezet tegen de historische en geprognosticeerde woningvoorraad. 43 In het Sterke groeiscenario loopt het woningtekort op tussen de 30 en 100 duizend woningen. Bij de overige twee scenario’s zien we daarentegen dat het woningtekort daalt. In het Krimpscenario is er sprake van een overschot van circa 30 tot 50 duizend woningen. Box 4.1

Het statistisch woningtekort uitgelegd.

Het statistisch woningtekort wordt in de beleidscontext gebruikt om de niet-geaccommodeerde woningvraag uit te drukken. Het is een maat voor het aantal huishoudens dat op zoek is naar een woning minus het aanbod aan woningen. De woningvoorraad staat beschreven in de basisregistratie van adressen en gebouwen (hierna: BAG). Het omvat alle BAGobjecten met een woonfunctie. Een BAG-woning kan worden gedeeld met meerdere huishoudens, denk bijvoorbeeld aan studenten die een woning delen. Deze huishoudens zijn niet op zoek naar een eigen woning. Het statistisch woningtekort is daardoor lager dan het woningtekort dat hier wordt gepresenteerd. Immers, een gedeelte van de huishoudens zoekt op dit moment niet naar een eigen woning. Hierdoor valt het statisch woningtekort lager uit dan het verschil tussen het aantal huishoudens en de woningvoorraad. Bron:

Het statistisch woningtekort uitgelegd | Volkshuisvesting Nederland

De doorwerking van de demografische scenario’s vraagt om robuust beleid waarbij de woningvoorraad op korte termijn sterk bijgesteld moet kunnen worden. Figuur 4.2 toont dat de scenario’s al binnen tien jaar sterk uiteenlopen. Zo is er in het Sterke groei scenario al voor 2030 sprake van een verdubbeling van het aantal huishoudens zonder een eigen woning. Het Krimpscenario vraagt daarentegen om het loslaten van de geplande woningbouwproductie. Voor 2030 is er in het Krimpscenario al sprake van meer woningen dan het aantal huishoudens in Den Haag. In dit scenario zal het beleid zich moeten richten op het voorkomen van leegstand. In het scenario Gematigde groei daalt het woningtekort tot nul in 2050. In de lage bandbreedte resulteert dit zelfs in een licht woningoverschot.

43

Deze geprognosticeerde woningvoorraad volgt de ARvdS2000-variant . Voor de periode tot en met 2033 baseert deze prognose zich op de “feitelijk te verwachten woningbouwproductie (WBP-prognose)” en rekent vervolgens met een woningbouwproductie van 2.000 woningen per jaar. Bron: DHIC (2025). Bevolkingsprognose Den Haag 2025 (Dienst Stedelijke Ontwikkeling). Verkregen via: bevolkingsprognose.pdf

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

Figuur 4.2

Bron: Noot:

69

Er is sprake van een groot woningtekort in het Sterke groei scenario

SEO Economisch Onderzoek (2026), o.b.v. ABF Research (2024) Het betreft hier het aantal huishoudens afgezet tegen de (geprognosticeerde) woningvoorraad. Het verschil met het beleidsmatige concept “statistisch woningtekort” staat uitgelegd in Box 4.1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16793220/1